Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Middel betreffende ontbrekende of ontoereikende motivering - Middel betreffende verkeerde motivering - Onderscheid
(EG-Verdrag, art. 190)
2 Mededinging - Mededingingsregelingen - Verhulling van mededingingsregeling - Bewijs voortvloeiend uit ontbreken van aantekeningen betreffende vergaderingen van bij mededingingsregeling betrokken ondernemingen
3 Mededinging - Mededingingsregelingen - Overeenkomsten tussen ondernemingen - Begrip - Wilsovereenstemming met betrekking tot toekomstig marktgedrag
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
4 Mededinging - Mededingingsregelingen - Deelneming aan vergaderingen van ondernemingen, die ertoe strekken mededinging te verstoren - Omstandigheid waaruit, bij gebreke van distantiëring van genomen beslissingen, kan worden geconcludeerd tot deelneming aan daaropvolgende mededingingsregeling
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
5 Mededinging - Mededingingsregelingen - Overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die één enkele inbreuk opleveren - Ondernemingen aan wie inbreuk, bestaande in deelneming aan geheel kartel, ten laste kan worden gelegd - Criteria
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
6 Mededinging - Administratieve procedure - Beëindiging van inbreuken - Aan ondernemingen opgelegde verplichtingen - Evenredigheid - Criteria
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 3, lid 1)
7 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Beschikking tot toepassing van mededingingsregels
(EG-Verdrag, art. 190)
8 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - In aanmerking genomen omzet - Referentiejaar en -markt - Gelijke behandeling
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
9 Mededinging - Gemeenschapsregels - Inbreuken - Opzet - Begrip
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
10 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Houding van onderneming tijdens administratieve procedure
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
Samenvatting
11 De motivering van een bezwarende beschikking dient de gemeenschapsrechter in staat te stellen de wettigheid ervan na te gaan en de betrokkene de gelegenheid te geven de gronden van de genomen maatregel te kennen, zodat hij zijn rechten kan verdedigen en kan nagaan of de beschikking al dan niet gegrond is.
Bijgevolg is een ontbrekende of ontoereikende motivering een middel betreffende schending van wezenlijke vormvoorschriften, dat als zodanig verschilt van het middel inzake verkeerde motivering van de beschikking, dat moet worden getoetst bij het onderzoek van de gegrondheid van deze beschikking.
Weliswaar is de Commissie krachtens artikel 190 van het Verdrag gehouden, haar beschikkingen met redenen te omkleden met vermelding van de feitelijke en juridische gegevens waarvan de wettigheid van de maatregel afhangt en van de overwegingen naar aanleiding waarvan zij haar beschikking heeft gegeven, doch niet is vereist, dat zij ingaat op alle punten van feitelijke of juridische aard, die tijdens de administratieve procedure zijn opgeworpen.
12 Het feit dat de ondernemingen die bij een prijsafspraak betrokken zijn, de aankondiging van de onderling afgestemde prijsverhogingen hebben gearrangeerd en dat zij werden ontmoedigd aantekeningen betreffende vergaderingen over dit onderwerp te maken, bewijst dat zij maatregelen hebben genomen om de afspraak te verhullen.
Het ontbreken van officiële notulen en het nagenoeg volledig ontbreken van interne notities betreffende deze vergaderingen kunnen, gelet op het aantal, de duur in de tijd en de aard van de betrokken besprekingen, genoegzaam bewijs opleveren voor het feit dat degenen die de vergaderingen bijwoonden, werden ontmoedigd aantekeningen te maken.
13 Het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag kan reeds worden aangenomen, indien de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen.
Dit is het geval, wanneer deze ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om uniforme en gelijktijdige prijsverhogingen ten uitvoer te leggen.
Het feit dat een onderneming, na te hebben aangekondigd op een bepaalde datum een prijsverhoging ten uitvoer te willen leggen, haar prijzen op de voorziene datum toch niet heeft verhoogd, kan niet afdoen aan de conclusie dat zij betrokken was bij een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen. Aan deze conclusie kan evenmin worden afgedaan door het feit, dat de onderneming zich niet gebonden achtte aan haar besprekingen met haar concurrenten over de betrokken prijzen. Voor de toepassing van artikel 85, lid 1, van het Verdrag wordt in dit artikel namelijk niet vereist, dat de ondernemingen zich gebonden achten aan de heimelijke verstandhouding waaraan zij deelnemen.
14 Het feit dat een onderneming zich niet houdt aan de resultaten van vergaderingen die een kennelijk mededingingsverstorend doel hebben, kan haar niet van de volle aansprakelijkheid voor haar deelneming aan het kartel ontslaan, wanneer zij zich niet publiekelijk van de inhoud van de vergaderingen heeft gedistantieerd. Zelfs indien een dergelijke onderneming zich op de markt niet op de overeengekomen wijze heeft gedragen, doet zulks dus niets af aan haar aansprakelijkheid voor een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
15 Om elk van de in een beschikking tot toepassing van de mededingingsregels genoemde ondernemingen gedurende een bepaalde periode aansprakelijk te kunnen stellen voor een geheel kartel dat verschillende mededingingsverstorende gedragingen omvat, moet de Commissie aantonen, dat elk van hen heeft ingestemd met de aanvaarding van een algemeen plan dat de bestanddelen van het kartel dekt, dan wel gedurende deze periode rechtstreeks aan al deze bestanddelen heeft deelgenomen. Een onderneming kan zelfs indien vaststaat dat zij slechts rechtstreeks aan een of meer van de bestanddelen van dit kartel heeft deelgenomen, voor een geheel kartel aansprakelijk worden gesteld, wanneer zij wist of noodzakelijkerwijze moest weten dat de heimelijke verstandhouding waaraan zij deelnam, deel uitmaakte van een algemeen plan, alsook dat dit algemene plan alle bestanddelen van het kartel dekte. Is zulks het geval, dan kan het feit dat de betrokken onderneming niet rechtstreeks aan alle bestanddelen van het gehele kartel heeft deelgenomen, haar niet disculperen van de aansprakelijkheid voor de inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Wel kan een dergelijke omstandigheid in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de ten aanzien van haar vastgestelde inbreuk.
16 De toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 kan het verbod omvatten, zekere activiteiten, praktijken of toestanden te continueren, waarvan de onrechtmatigheid is vastgesteld, doch ook het verbod van gelijkaardige gedragingen in de toekomst. Voor zover de toepassing van deze bepaling moet zijn afgestemd op de vastgestelde inbreuk, is de Commissie bevoegd te preciseren, aan welke verplichtingen de betrokken ondernemingen moeten voldoen om een einde aan deze inbreuk te maken. Dergelijke op de ondernemingen rustende verplichtingen mogen evenwel niet verder gaan dan hetgeen passend en noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken, namelijk het herstel van een rechtsconforme toestand.
Een verbod dat de uitwisseling van zuiver statistische informatie dient te beletten, die niet als individuele of individualiseerbare informatie kan worden aangemerkt, voldoet niet aan de voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 gestelde voorwaarden, wanneer uit de beschikking niet blijkt, dat de Commissie de uitwisseling van statistische gegevens op zichzelf als een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft beschouwd; het enkele feit dat een systeem van uitwisseling van statistische informatie met een mededingingsverstorend oogmerk kan worden gebruikt, maakt het nog niet in strijd met deze bepaling, omdat in dergelijke omstandigheden de mededingingsverstorende gevolgen daarvan in het concrete geval moeten worden vastgesteld.
17 De motivering van een bezwarende beschikking moet een doeltreffende toetsing van de wettigheid ervan mogelijk maken en moet aan de betrokkene de noodzakelijke gegevens verschaffen om uit te maken of de beschikking al dan niet gegrond is. De vraag of een dergelijke motivering toereikend is, moet worden beoordeeld naar gelang van de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van de handeling, de aard van de aangevoerde motieven en het mogelijk belang dat de adressaten bij een verklaring kunnen hebben. Om aan deze vereisten te voldoen, dient een toereikende motivering de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig te doen uitkomen.
Indien een beschikking tot toepassing van de communautaire mededingingsregels in haar geheel doet uitkomen, dat de gestelde inbreuk op een bepaald product betrekking heeft en de bewijzen tot staving van een dergelijke conclusie vermeldt, belet het enkele feit dat de betrokken producten in deze beschikking niet nauwkeurig en uitputtend worden opgesomd, derhalve niet noodzakelijkerwijze, dat de gemeenschapsrechter de wettigheid van deze beschikking op doeltreffende wijze kan toetsen, en betekent dat evenmin noodzakelijkerwijze, dat zij de belanghebbende onderneming niet de noodzakelijke gegevens verschaft om uit te maken of de beschikking al dan niet gegrond is.
18 Bij de vaststelling van het bedrag van de aan meerdere ondernemingen op te leggen individuele geldboeten voor een inbreuk op de communautaire mededingingsregels vereist het beginsel van gelijke behandeling, dat de Commissie uitgaat van de omzet die de betrokken ondernemingen in eenzelfde referentiejaar en op eenzelfde referentiemarkt hebben behaald.
19 Voor de vaststelling dat een inbreuk op de communautaire mededingingsregels opzettelijk is begaan, is niet vereist, dat de onderneming zich ervan bewust was, het verbod van artikel 85, lid 1, van het Verdrag te overtreden. Het volstaat dat de onderneming niet onkundig kon zijn van de omstandigheid, dat de gewraakte handelwijze ertoe strekte of ten gevolge had dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt werd verhinderd.
20 Bij de vaststelling van het bedrag van de voor een inbreuk op de communautaire mededingingsregels op te leggen geldboete is een verlaging van de geldboete wegens medewerking tijdens de administratieve procedure slechts gerechtvaardigd, indien het gedrag de Commissie in staat heeft gesteld om een inbreuk met minder moeilijkheden vast te stellen en daaraan in voorkomend geval een einde te maken.
Wanneer een onderneming in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar de kern van de daarin door de Commissie gestelde feiten ontkent, mag de Commissie zich op het standpunt stellen, dat de onderneming zich niet op een wijze heeft gedragen die een verlaging van de geldboete wegens medewerking tijdens de administratieve procedure rechtvaardigt.
Partijen
In zaak T-310/94,
Gruber + Weber GmbH & Co. KG, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Gernsbach-Obertsrot (Duitsland), vertegenwoordigd door H.-F. Wissel en J. Schütze, advocaten te Düsseldorf, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van M. Loesch, advocaat aldaar, Rue Goethe 11,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Langeheine en R. Lyal, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door D. Schroeder, advocaat te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton, PB L 243, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Derde kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, president, C. P. Briët, P. Lindh, A. Potocki en J. D. Cooke, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 25 juni 1997-8 juli 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 De onderhavige zaak heeft betrekking op beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton) (PB L 243, blz. 1), zoals gerectificeerd bij beschikking van de Commissie van 26 juli 1994 [C(94) 2135 def.] (hierna: "beschikking"). Bij de beschikking is aan negentien producenten die in de Gemeenschap karton leveren, een geldboete opgelegd wegens inbreuken op artikel 85, lid 1, EG-Verdrag.
2 De beschikking heeft betrekking op het product karton. Drie typen karton, die worden aangeduid als karton van de kwaliteiten "GC", "GD" en "SBS", worden in de beschikking vermeld.
3 Karton van de kwaliteit GD (hierna: "GD-karton") is karton dat van binnen grijs is (gerecycleerd papier) en gewoonlijk wordt gebruikt voor het verpakken van andere dan levensmiddelen.
4 Karton van de kwaliteit GC (hierna: "GC-karton") is karton met een witte buitenlaag, dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het verpakken van levensmiddelen. GC-karton is van betere kwaliteit dan GD-karton. In de door de beschikking bestreken periode bestond tussen deze beide producten in het algemeen een prijsverschil van ongeveer 30 %. In geringere omvang wordt GC-karton van hoge kwaliteit ook gebruikt voor grafische doeleinden.
5 De afkorting SBS wordt gebruikt voor geheel wit karton (hierna: "SBS-karton"). De prijs van dit product is ongeveer 20 % hoger dan die van GC-karton. Het wordt gebruikt voor de verpakking van levensmiddelen, cosmetische producten, farmaceutische producten en sigaretten, doch voornamelijk voor grafische doeleinden.
6 Bij schrijven van 22 november 1990 diende de British Printing Industries Federation, een branchevereniging die de meerderheid van de kartonbedrukkers in het Verenigd Koninkrijk vertegenwoordigt (hierna: "BPIF"), bij de Commissie een informele klacht in. Daarin stelde zij, dat de kartonproducenten die in het Verenigd Koninkrijk leverden, een reeks gelijktijdige en uniforme prijsstijgingen hadden doorgevoerd, en verzocht zij de Commissie, te onderzoeken of eventueel inbreuk werd gemaakt op de communautaire mededingingsregels. Om ervoor te zorgen dat haar initiatief publiciteit kreeg, bracht de BPIF een perscommuniqué uit. Over de inhoud van dit communiqué is in de gespecialiseerde vakpers bericht in een nieuwsbrief van december 1990.
7 Op 12 december 1990 diende ook de Fédération française du cartonnage bij de Commissie een informele klacht in, waarin in soortgelijke bewoordingen als in de klacht van de BPIF beschuldigingen werden geuit betreffende de Franse kartonmarkt.
8 Op 23 en 24 april 1991 voerden ambtenaren van de Commissie krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 13, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17"), tegelijkertijd en onaangekondigd verificaties uit bij verscheidene ondernemingen en brancheverenigingen in de bedrijfstak karton.
9 Na die verificaties zond de Commissie uit hoofde van artikel 11 van verordening nr. 17 verzoeken om inlichtingen en om overlegging van documenten aan alle producenten tot wie de beschikking is gericht.
10 Op basis van het in het kader van die verificaties en die verzoeken om inlichtingen en documenten verkregen materiaal kwam de Commissie tot de conclusie, dat de betrokken ondernemingen vanaf medio 1986 tot ten minste april 1991 (in het merendeel der gevallen) hadden deelgenomen aan een inbreuk in de zin van artikel 85 van het Verdrag.
11 Zij besloot derhalve, een procedure krachtens dit laatste artikel in te leiden en deed elk van de betrokken ondernemingen bij brief van 21 december 1992 een mededeling van de punten van bezwaar toekomen. Alle geadresseerden gaven schriftelijk antwoord en negen ondernemingen verzochten mondeling te worden gehoord. Van 7 tot en met 9 juni 1993 werd een hoorzitting gehouden, tijdens welke deze laatsten werden gehoord.
12 Aan het einde van die procedure stelde de Commissie de beschikking vast, die de navolgende bepalingen bevat:
"Artikel 1
Buchmann GmbH, Cascades SA, Enso-Gutzeit Oy, Europa Carton AG, Finnboard-the Finnish Board Mills Association, Fiskeby Board AB, Gruber & Weber GmbH & Co KG, Kartonfabriek $De Eendracht' NV (handelende onder de naam $BPB de Eendracht'), NV Koninklijke KNP BT NV (voorheen Koninklijke Nederlandse Papierfabrieken NV), Laakmann Karton GmbH & Co KG, Mo Och Domsjö AB (MoDo), Mayr-Melnhof Gesellschaft mbH, Papeteries de Lancey SA, Rena Kartonfabrik A/S, Sarrió SpA, SCA Holding Ltd [voorheen Reed Paper & Board (UK) Ltd], Stora Kopparbergs Bergslags AB, Tampella Española SA en Moritz J. Weig GmbH & Co KG hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EG-Verdrag door hun deelname,
- in het geval van Buchmann en Rena, vanaf ongeveer maart 1988 tot ten minste eind 1990;
- in het geval van Enso Española, minstens van maart 1988 tot ten minste eind april 1991;
- in het geval van Gruber & Weber, vanaf ten minste 1988 tot eind 1990;
- in de andere gevallen, vanaf medio 1986 tot ten minste april 1991,
aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging die van medio [1986] stammen en waarbij de kartonleveranciers in de Gemeenschap:
- regelmatig in een reeks geheime en geïnstitutionaliseerde vergaderingen bijeenkwamen met het oog op het bespreken van en het bereiken van overeenstemming over een gemeenschappelijk beleid in de bedrijfstak ter beperking van de mededinging;
- voor elke productkwaliteit in elke nationale valuta regelmatige prijsverhogingen overeenkwamen;
- gelijktijdige en uniforme prijsverhogingen in de gehele Gemeenschap planden en ten uitvoer legden;
- een afspraak maakten over handhaving van de marktaandelen van de grote producenten op vaste niveaus die van tijd tot tijd konden worden gewijzigd;
- in toenemende mate vanaf vooraan in 1990 ter beheersing van het aanbod van het product in de Gemeenschap onderling afgestemde maatregelen namen teneinde de tenuitvoerlegging van de genoemde onderling afgestemde prijsverhogingen te waarborgen;
- ter ondersteuning van de bovengenoemde maatregelen, commerciële informatie uitwisselden over leveringen, prijzen, machinestilstand, orderportefeuilles en bezettingsgraden.
(...)
Artikel 3
De hierna vermelde ondernemingen worden met betrekking tot de in artikel 1 vastgestelde inbreuk de volgende geldboeten opgelegd:
(...)
vii) Gruber & Weber GmbH & Co KG, een geldboete van 1 000 000 ECU;
(...)"
13 Volgens de beschikking vond de inbreuk plaats in het kader van een organisatie met de naam "Product Group Paperboard" (hierna: "PG Paperboard"), die bestond uit verscheidene groepen of comités.
14 In het kader van deze organisatie werd medio 1986 de zogeheten "Presidents Working Group" (hierna: "PWG") opgericht. Deze groep bestond uit leidinggevende personen van de (ongeveer acht) grootste kartonproducenten in de Gemeenschap.
15 De werkzaamheden van de PWG bestonden onder meer in bespreking van en onderlinge afstemming over markten, marktaandelen, prijzen en capaciteit. De PWG nam in het bijzonder algemene beslissingen over het tijdstip en het niveau van door de producenten door te voeren prijsverhogingen.
16 De PWG bracht verslag uit aan de "President Conference" (hierna: "PC"), die (met meer of minder grote regelmaat) werd bijgewoond door nagenoeg alle algemeen-directeuren van de betrokken ondernemingen. De PC kwam in de betrokken periode tweemaal per jaar bijeen.
17 Eind 1987 werd het "Joint Marketing Committee" (hierna: "JMC") opgericht. Dit had vooral tot taak om te bepalen of, en zo ja hoe, prijsverhogingen konden worden doorgevoerd, alsmede om per land en voor de grote afnemers de door de PWG overeengekomen prijsinitiatieven in detail uit te werken, met het doel een systeem van equivalente prijzen in Europa tot stand te brengen.
18 Het "Economic Committee" (hierna: "EC") ten slotte besprak onder meer de prijsontwikkelingen op de nationale markten en de orderportefeuilles en bracht over zijn bevindingen verslag uit aan het JMC of, tot eind 1987, het Marketing Committee. De bijeenkomsten van het EC werden bijgewoond door marketing- en verkoopmanagers van het merendeel van de betrokken ondernemingen en vonden enige malen per jaar plaats.
19 Uit de beschikking blijkt voorts, dat naar het oordeel van de Commissie de activiteiten van de PG Paperboard werden ondersteund door een systeem voor gegevensuitwisseling dat werd beheerd door de trustmaatschappij Fides, gevestigd te Zürich (Zwitserland). Volgens de beschikking stuurden de meeste leden van de PG Paperboard Fides periodieke verslagen over orders, productie, verkoop en bezettingsgraad. Die verslagen werden in het Fides-systeem centraal samengevoegd en de geaggregeerde gegevens werden aan de deelnemers toegestuurd.
20 Verzoekster Gruber + Weber GmbH & Co KG (hierna: "Gruber + Weber") is een producent van GD-karton, die volgens de beschikking een aantal vergaderingen van het JMC heeft bijgewoond. Volgens artikel 1 van de beschikking heeft Gruber + Weber aan de inbreuk deelgenomen vanaf ten minste 1988 tot eind 1990 (zie eveneens punt 162 van de considerans).
Procesverloop
21 Bij op 7 oktober 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster onderhavig beroep ingesteld.
22 Zestien van de achttien andere ondernemingen die aansprakelijk worden gesteld voor de inbreuk, hebben eveneens beroep ingesteld tegen de beschikking (zaken T-295/94, T-301/94, T-304/94, T-308/94, T-309/94, T-311/94, T-317/94, T-319/94, T-327/94, T-334/94, T-337/94, T-338/94, T-347/94, T-348/94, T-352/94 en T-354/94).
23 Verzoekster in zaak T-301/94, Laakmann Karton GmbH, heeft haar beroep bij op 10 juni 1996 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief ingetrokken en bij beschikking van 18 juli 1996, Laakmann Karton/Commissie (T-301/94, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), is de zaak doorgehaald in het register van het Gerecht.
24 Vier Finse ondernemingen, leden van de handelsvereniging Finnboard, die om die reden hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de betaling van de aan de vereniging opgelegde geldboete, hebben eveneens beroep tegen de beschikking ingesteld (gevoegde zaken T-339/94, T-340/94, T-341/94 en T-342/94).
25 Ten slotte is beroep ingesteld door de vereniging CEPI-Cartonboard, tot wie de beschikking niet is gericht. Bij op 8 januari 1997 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief heeft zij haar beroep evenwel ingetrokken en bij beschikking van 6 maart 1997, CEPI-Cartonboard/Commissie (T-312/94, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), is de zaak doorgehaald in het register van het Gerecht.
26 Bij brief van 5 februari 1997 heeft het Gerecht partijen verzocht, aanwezig te zijn bij een informele bijeenkomst, vooral om hun opmerkingen in te dienen betreffende de eventuele voeging van de zaken T-295/94, T-304/94, T-308/94, T-309/94, T-310/94, T-311/94, T-317/94, T-319/94, T-327/94, T-334/94, T-337/94, T-338/94, T-347/94, T-348/94, T-352/94 en T-354/94 voor de mondelinge behandeling. Tijdens deze bijeenkomst, die plaatshad op 29 april 1997, hebben partijen met een dergelijke voeging ingestemd.
27 Bij beschikking van 4 juni 1997 heeft de president van de Derde kamer (uitgebreid) van het Gerecht de vorengenoemde zaken overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering wegens hun verknochtheid gevoegd voor de mondelinge behandeling en heeft hij een door verzoekster in zaak T-334/94 ingediend verzoek om vertrouwelijke behandeling ingewilligd.
28 Bij beschikking van 20 juni 1997 heeft hij een door verzoekster in zaak T-337/94 ingediend verzoek om vertrouwelijke behandeling van een in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht overgelegd document ingewilligd.
29 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer - uitgebreid) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het maatregelen tot organisatie van de procesgang genomen, waarbij het partijen heeft verzocht, een aantal schriftelijke vragen te beantwoorden en bepaalde documenten over te leggen. Partijen hebben aan deze verzoeken voldaan.
30 De partijen in de in punt 26 vermelde zaken zijn in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord tijdens de terechtzitting die heeft plaatsgevonden van 25 juni tot en met 8 juli 1997.
Conclusies van partijen
31 Verzoekster concludeert, dat het het Gerecht behage:
- de beschikking nietig te verklaren;
- voor het geval de beschikking geheel of gedeeltelijk gehandhaafd blijft, het bedrag van de haar opgelegde geldboete aanzienlijk te verlagen;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
32 De Commissie concludeert, dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen; - verzoekster te verwijzen in de kosten.
De vordering tot nietigverklaring van artikel 1 van de beschikking
Het middel: schending van de motiveringsplicht en van de verplichtingen betreffende de bewijslast
Argumenten van partijen
33 Verzoekster betoogt, dat in een geval als het onderhavige de Commissie niet alleen het bestaan van het kartel moet bewijzen, doch ook de aard, de omvang en de duur van de deelneming van elk van de betrokken ondernemingen. Ondanks de omstandige verklaringen die verzoekster tijdens de administratieve procedure heeft afgelegd, wordt in de beschikking zelfs niet ter sprake gebracht, dat zij op enigerlei wijze aan afspraken heeft deelgenomen. Haar deelneming wordt daarin slechts stilzwijgend en in algemene zin verondersteld.
34 Evenwel moet het bewijs worden geleverd dat individuele ondernemingen actief of passief aan de activiteiten van een kartel hebben deelgenomen, omdat dergelijke activiteiten een rechtstreekse invloed hebben op het bedrag van de eventuele geldboeten.
35 De door verzoekster aangevoerde argumenten worden slechts vermeld in punt 109, eerste alinea, van de considerans van de beschikking, volgens welke "Gruber + Weber harerzijds toegaf, dat de prijzen voor grote afnemers op de vergaderingen waren besproken, doch betoogde dat het onderwerp voor haar van geen belang was, aangezien zij alleen kleine afnemers had". Deze verklaring wordt in de beschikking evenwel op generlei wijze beoordeeld. Een dergelijke beoordeling was evenwel onontbeerlijk, omdat uit de beschikking blijkt, dat het beweerde kartel voornamelijk ten doel had, de marktaandelen van de grote producenten op een vast niveau te handhaven (punt 2 van de considerans), en de voornaamste taak van het JMC was om prijsinitiatieven uit te werken voor de grote afnemers van de "kopstukken" van het kartel (punt 44 van de considerans). Onder deze omstandigheden ligt het in verband met verzoeksters geringe marktaandeel en haar afnemersstructuur, die verschilt van die van andere producenten, voor de hand dat zij geen enkel belang bij deelname aan het beweerde kartel had.
36 Verzoekster concludeert, dat haar individuele deelname aan het eventuele kartel niet genoegzaam is aangetoond, en dat de feiten en gronden waarop de beschikking wat haar betreft is gebaseerd, niet toereikend zijn uiteengezet (zie conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn bij arrest Hof van 21 februari 1984, Hasselblad/Commissie, 86/82, Jurispr. blz. 883, 913, en conclusie van advocaat-generaal Darmon bij arrest Hof van 31 maart 1993, Ahlström Osakeythiö e.a./Commissie, C-89/85, C-104/85, C-114/85, C-116/85, C-117/85 en C-125/85-C-129/85, Jurispr. blz. I-1307, I-1445).
37 De Commissie merkt op, dat zij in de punten 108 tot en met 115 van de considerans van de beschikking op de hoofdargumenten van de producenten heeft geantwoord. Zij was niet verplicht in het kader van de motivering van haar beschikking in te gaan op alle punten van feitelijke of juridische aard, die tijdens de administratieve procedure zijn opgeworpen, omdat het volstaat dat zij de feitelijke en juridische gegevens vermeldt naar aanleiding waarvan zij de beschikking heeft gegeven (arrest Gerecht van 10 maart 1992, ICI/Commissie, T-13/89, Jurispr. blz. II-1021, punt 318).
38 Zij heeft zich overigens niet op algemene veronderstellingen en onjuiste verklaringen gebaseerd.
39 Voor het overige antwoordt zij op dit middel in het kader van haar reactie op de andere middelen die door verzoekster zijn aangevoerd tot staving van haar vordering tot nietigverklaring van artikel 1 van de beschikking.
Beoordeling door het Gerecht
40 Volgens vaste rechtspraak (arresten Hof van 4 juli 1963, Duitsland/Commissie, 24/62, Jurispr. blz. 137, en 17 januari 1984, VBVB en VBBB/Commissie, 43/82 en 63/82, Jurispr. blz. 19, punt 22, alsmede arrest Gerecht van 24 januari 1992, La Cinq/Commissie, T-44/90, Jurispr. blz. II-1, punt 42) dient de motivering van een bezwarende beschikking de gemeenschapsrechter in staat te stellen de wettigheid ervan na te gaan en de betrokkene de gelegenheid te geven de gronden van de genomen maatregel te kennen, zodat hij zijn rechten kan verdedigen en kan nagaan of de beschikking al dan niet gegrond is.
41 Bijgevolg is een ontbrekende of ontoereikende motivering een middel betreffende schending van wezenlijke vormvoorschriften, dat als zodanig verschilt van het middel inzake verkeerde motivering van de beschikking, dat integendeel moet worden getoetst bij het onderzoek van de gegrondheid van deze beschikking.
42 Voor zover verzoekster met haar argument de juistheid van de motivering van de beschikking betwist, is dit in de onderhavige context niet relevant. Hetzelfde geldt met betrekking tot verzoeksters argument dat de Commissie in strijd met de regels inzake de bewijslast heeft gehandeld, aangezien met dit argument eveneens de gegrondheid van de beschikking wordt betwist.
43 Weliswaar is de Commissie krachtens artikel 190 van het Verdrag gehouden, haar beschikkingen met redenen te omkleden met vermelding van de feitelijke en juridische gegevens waarvan de wettigheid van de maatregel afhangt en van de overwegingen naar aanleiding waarvan zij haar beschikking heeft gegeven, doch niet is vereist, dat zij ingaat op alle punten van feitelijke of juridische aard, die tijdens de administratieve procedure zijn opgeworpen (zie met name arrest Gerecht van 29 oktober 1980, Van Landewyck e.a./Commissie, 209/78-215/78 en 218/78, Jurispr. blz. 3125, punt 66).
44 In casu wordt verzoekster in de beschikking rechtstreeks ter sprake gebracht in het kader van de beschrijving van de onderling afgestemde prijsverhogingen (punten 78 en 79 van de considerans). Verder wordt in de punten van de beschikking waarin de besprekingen binnen het JMC met een mededingingsverstorend doel worden beschreven (in het bijzonder de punten 44-46, 58, 71, 73, 84, 85 en 87 van de considerans), noodzakelijkerwijze gedoeld op verzoekster, die niet betwist dat zij de vergaderingen van dit orgaan heeft bijgewoond. Ten slotte wordt in de beschikking duidelijk uiteengezet, op grond van welke redenering de Commissie van oordeel is, dat verzoekster betrokken was bij een algemeen kartel (punten 116-119 van de considerans).
45 In die omstandigheden heeft de motivering van de beschikking verzoekster voldoende aanwijzingen gegeven om de voornaamste gegevens feitelijk en rechtens te kennen, die ten grondslag liggen aan de redenering op basis waarvan de Commissie verzoekster aansprakelijk heeft gesteld voor een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
46 Bijgevolg dient dit middel te worden afgewezen.
Het middel: ontbreken van deelneming van verzoekster aan geheime en geïnstitutionaliseerde vergaderingen en aan regelmatige overeenkomsten betreffende prijsverhogingen
Argumenten van partijen
47 Verzoekster betoogt, dat de Commissie ten onrechte ervan is uitgegaan, dat zij had deelgenomen aan geheime en geïnstitutionaliseerde vergaderingen en aan regelmatige overeenkomsten betreffende prijsverhogingen.
48 Met betrekking tot haar deelname aan de vergaderingen van de organen van de PG Paperboard blijkt uit de beschikking, dat de PWG en de PC de besluitvormende organen waren die de belangrijkste en bepalende functie hadden binnen het kartel (punten 37, 38 en 41 van de considerans). Verzoekster heeft de vergaderingen van deze organen evenwel nooit bijgewoond en de verklaring in punt 42 van de considerans, dat alle ondernemingen waartoe de beschikking is gericht, in de PC vertegenwoordigd waren, is onjuist. Evenmin had zij ooit de vergaderingen van het EC bijgewoond.
49 Met betrekking tot het JMC blijkt uit punt 44 van de considerans van de beschikking, waarin de voornaamste taken van dit orgaan worden beschreven, dat zij in het kader van het kartel slechts van ondergeschikt belang was.
50 Overigens heeft verzoekster zich later dan de andere producenten bij het JMC aangesloten (in 1988) en heeft zij zich na een korte periode (in 1990) uit de vergaderingen teruggetrokken. Gedurende die periode heeft zij slechts zo nu en dan vergaderingen van het JMC bijgewoond. Zelfs aangenomen dat het JMC in het kader van het beweerde kartel een belangrijke rol heeft gespeeld, heeft verzoekster binnen dit orgaan geen enkele functie vervuld en kunnen vervullen. Evenmin kon zij een omvangrijke kennis van de beweerde onrechtmatige afspraken hebben verkregen.
51 Tegen deze achtergrond is de verwijzing van de Commissie naar het arrest van het Gerecht van 24 oktober 1991, Rhône-Poulenc/Commissie (T-1/89, Jurispr. blz. II-867) niet relevant. In tegenstelling tot de in die zaak bewezen feiten, bestaat er in casu geen enkel bewijs van verzoeksters deelname aan vergaderingen gedurende welke besluiten omtrent prijsinitiatieven of prijsverhogingen zijn genomen.
52 Bovendien houdt de Commissie volgens verzoekster geen rekening met de reden waarom verzoekster een aantal vergaderingen van het JMC heeft bijgewoond. Zij had enkel besloten om aan het Fides-systeem van informatie-uitwisseling deel te nemen om de toekomstige marktontwikkelingen, in het bijzonder op de Duitse markt van vouwkarton, beter te kunnen beoordelen in verband met een aanzienlijke investering in de modernisering van haar productie-installatie. Onmiddellijk na afloop van de modernisering eind 1990 had zij zich uit dit systeem teruggetrokken.
53 Ten slotte had verzoekster geen enkel belang bij deelname aan een onrechtmatig kartel, omdat a) haar kring van afnemers uit middelgrote ondernemingen bestaat, b) de typische orderomvang van haar afnemers aanzienlijk verschilt van de orderomvang van de afnemers aan wie de grote kartonproducenten leveren, en c) het grootste deel van haar productassortiment sterk verschilt van dat van de grote vouwkartonproducten.
54 De Commissie betoogt, dat verzoekster door haar deelname aan het Fides-systeem van informatie-uitwisseling, alsmede aan de vergaderingen van het JMC bij de gehele inbreuk op artikel 85, van het Verdrag betrokken was. Het ging namelijk niet om een reeks van afzonderlijke inbreuken, doch de verschillende bestanddelen van de inbreuk dienden integendeel de verwezenlijking van een en dezelfde algemene overeenkomst. De maatregelen en afspraken van het kartel moeten dus in hun geheel te worden beschouwd (arrest Rhône-Poulenc/Commissie, reeds aangehaald, punten 125-127).
55 De Commissie erkent, dat verzoekster slechts de vergaderingen van het JMC heeft bijgewoond. De vermelding in punt 42 van de considerans van de beschikking, dat alle ondernemingen de vergaderingen van de PC hebben bijgewoond, is slechts een redactionele vergissing. Zoals uit de beschikking blijkt, heeft het JMC evenwel een uiterst belangrijke rol binnen het kartel gespeeld.
56 Wat verzoeksters argument betreft, dat zij slechts af en toe de vergaderingen van het JMC heeft bijgewoond, zijn er geen aanknopingspunten dat tijdens de vergaderingen waar zij aanwezig was, niet over prijsinitiatieven is gesproken, in het bijzonder gelet op het feit dat zij toegeeft gedurende de betrokken periode prijsverhogingen te hebben toegepast. Bovendien waren er steeds afzonderlijke vergaderingen per kartonkwaliteit. In dit verband beklemtoont de Commissie, dat verzoekster slechts GD-karton produceert.
57 Met betrekking tot de reden waarom verzoekster de vergaderingen van het JMC heeft bijgewoond, en het beweerde ontbrekende belang bij een deelneming aan een onrechtmatig kartel, merkt de Commissie op, dat individuele beweegredenen of zelfs een gebrek aan belang de deelneming aan een onrechtmatig kartel niet kunnen rechtvaardigen.
Beoordeling door het Gerecht
58 Verzoekster betwist dat zij, zoals in artikel 1, vijfde streepje, van de beschikking wordt vastgesteld, aan "geheime en geïnstitutionaliseerde vergaderingen" heeft deelgenomen.
59 Eveneens betwist zij, dat zij heeft deelgenomen aan prijsovereenkomsten. Haar betoog dient aldus te worden opgevat, dat zij betwist dat zij heeft deelgenomen aan een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen en, indien een dergelijke heimelijke verstandhouding als bewezen moet worden beschouwd, dat deze door de Commissie terecht als overeenkomst is aangemerkt.
60 De drie tegenwerpingen van verzoekster dienen afzonderlijk te worden onderzocht.
- Verzoeksters deelneming aan "geheime en geïnstitutionaliseerde vergaderingen"
61 Vaststaat dat verzoekster gedurende de periode van 1988 tot eind 1990 een aantal vergaderingen van het JMC heeft bijgewoond. Bij brief aan de Commissie van 10 januari 1992 heeft zij slechts voor het jaar 1990 de data van deze vergaderingen ter kennis gebracht. Daarbij heeft zij medegedeeld, dat zij de vergaderingen van 6/7 februari 1990, 14 mei 1990 en 4 september 1990 heeft bijgewoond. In dezelfde brief verklaarde zij, dat zij niet kon vaststellen of zij de vergaderingen van 4/5 april 1990, 8/9 oktober 1990 en 19/20 november 1990 heeft bijgewoond. Met deze inlichtingen heeft de Commissie naar behoren rekening gehouden, zoals blijkt uit tabel 4 in bijlage bij de beschikking.
62 Verder staat vast, dat verzoekster nooit vergaderingen van de drie andere organen van de PG Paperboard, namelijk de PWG, het EC en de PC, heeft bijgewoond.
63 Wat meer in het bijzonder de PC betreft, blijkt bij lezing van de beschikking in haar geheel, dat de zin in punt 42, eerste alinea, van de considerans, volgens welke "alle ondernemingen waartoe deze beschikking is gericht, in de $President Conference', vertegenwoordigd waren", een redactionele vergissing bevat, zoals de Commissie in haar schriftelijke memories voor het Gerecht heeft erkend. Dienaangaande volstaat het vast te stellen, dat verzoekster in de tabellen 3 en 7 in bijlage bij de beschikking niet wordt genoemd als een van de ondernemingen die de vergaderingen van de PC heeft bijgewoond.
64 De Commissie is dus niet ervan uitgegaan, dat verzoekster meer vergaderingen van de PG Paperboard heeft bijgewoond dan zij zelf heeft toegegeven.
65 Op grond van verzoeksters deelname aan een aantal vergaderingen van het JMC mocht de Commissie concluderen, dat verzoekster "geïnstitutionaliseerde" vergaderingen had bijgewoond. Voor een dergelijke conclusie was niet vereist, dat wordt bewezen dat de vergaderingen van alle organen van de PG Paperboard waren bijgewoond.
66 Ongeacht of, en zo ja, in hoeverre verzoekster betrokken was bij de in artikel 1 van de beschikking vastgestelde inbreuk, was verzoekster volledig op de hoogte van het feit dat de door haar bijgewoonde vergaderingen van het JMC plaats vonden in een ruimer institutioneel kader. Op dit punt volstaat het op te merken, dat verzoekster met haar brief van 10 januari 1992 (zie punt 61 supra) inlichtingen betreffende de data van de vergaderingen van alle organen van de PG Paperboard in 1989 en 1990 heeft verstrekt.
67 Met betrekking tot het geheime karakter van de betrokken vergaderingen, zij opgemerkt, dat er geen officiële notulen van de vergaderingen van het JMC bestaan. Het ontbreken van officiële notulen en het nagenoeg volledig ontbreken van interne notities betreffende deze vergaderingen vormen wegens het aantal, de duur in de tijd en de aard van de betrokken besprekingen genoegzaam bewijs voor de bewering van de Commissie, dat degenen die de vergaderingen bijwoonden, werden ontmoedigd aantekeningen te maken (zie punt 168, zesde streepje, van de considerans van de beschikking).
68 Bijgevolg heeft de Commissie zich terecht op het standpunt gesteld, dat verzoekster had deelgenomen aan "geheime en geïnstitutionaliseerde vergaderingen".
- Verzoeksters deelneming aan een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen
69 Volgens de Commissie was de belangrijkste taak van het JMC vanaf het begin:
"- te bepalen of, en zo ja hoe, prijsverhogingen konden worden doorgevoerd en zijn conclusies aan de PWG mede te delen;
- het per land en voor de grote afnemers in detail uitwerken van de door de PWG overeengekomen prijsinitiatieven met het doel een equivalent (dit wil zeggen uniform) systeem van prijzen in Europa tot stand te brengen (...)" (punt 44, laatste alinea, van de considerans van de beschikking).
70 Meer in het bijzonder stelt de Commissie in punt 45, eerste en tweede alinea, van de considerans van de beschikking:
"Dit comité besprak per markt hoe de door de PWG overeengekomen prijsverhogingen door iedere producent ten uitvoer moesten worden gelegd. De praktische aspecten van de tenuitvoerlegging van de voorgestelde prijsverhogingen kwamen aan de orde tijdens $ronde tafel'-besprekingen, waarin elke deelnemer de kans kreeg over de voorgestelde verhoging opmerkingen te maken.
Van moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging van de door de PWG overeengekomen prijsverhogingen of van een incidentele weigering om samen te werken, werd verslag uitgebracht aan de PWG, die dan (zoals Stora zei) $voor de noodzakelijk geachte mate van samenwerking trachtte te zorgen'. Het JMC bracht afzonderlijke verslagen uit voor GC- en GD-kwaliteiten. Als de PWG op basis van de van het JMC ontvangen verslagen een prijsbeslissing wijzigde, moesten de voor de tenuitvoerlegging daarvan noodzakelijke stappen op de volgende vergadering van het JMC worden besproken."
71 Vastgesteld moet worden dat de Commissie zich tot staving van deze gegevens betreffende het doel van de vergaderingen van het JMC terecht beroept op de verklaringen van Stora (bijlagen 35 en 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar).
72 Bovendien heeft zij, ofschoon zij niet over officiële notulen van een vergadering van het JMC beschikt, bij Mayr-Melnhof en Rena een aantal interne notities betreffende de vergaderingen van 6 september 1989, 16 oktober 1989 en 6 september 1990 aangetroffen (bijlagen 117, 109 en 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar). In deze notities, waarvan de inhoud wordt beschreven in de punten 80, 82 en 87 van de considerans van de beschikking, wordt verslag uitgebracht over de gedetailleerde besprekingen die gedurende deze vergaderingen zijn gevoerd over de onderling afgestemde prijsinitiatieven. Zij leveren dus bewijzen op, die de door Stora gegeven beschrijving van de taken van het JMC duidelijk bevestigen.
73 Dienaangaande behoeft bij wijze van voorbeeld slechts te worden verwezen naar de bij Rena aangetroffen notitie betreffende de vergadering van het JMC van 6 september 1990 (bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar), waarin onder meer wordt meegedeeld:
"Prijsverhoging wordt volgende week in september aangekondigd
Frankrijk 40 FF Nederland 14 Duitsland 12 DM Italië 80 LIT België 2,50 BFR Zwitserland 9 FS Verenigd Koninkrijk 40 UKL Ierland 45 IRL
Alle kwaliteiten moeten gelijk verhoogd worden: GD, UD, GT, GC enz.
Slechts 1 prijsverhoging per jaar. Voor leveringen vanaf 7 januari. Uiterlijk 31 januari. 14 september brief met prijsverhoging (Mayr-Melnhof). 19 september Feldmühle stuurt zijn brief. Cascades vóór eind september. Allen moeten hun brieven vóór 8 oktober verstuurd hebben."
74 Zoals de Commissie in de punten 88 tot en met 90 van de considerans van de beschikking verklaart, heeft zij bovendien de hand kunnen leggen op interne documenten waaruit kan worden opgemaakt, dat de ondernemingen, en in het bijzonder die welke met name worden genoemd in bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar, de overeengekomen prijsverhogingen inderdaad hebben aangekondigd en ten uitvoer gelegd.
75 Ook al hebben de documenten waarop de Commissie zich beroept, slechts betrekking op een klein aantal vergaderingen van het JMC die in de door de beschikking bestreken periode zijn gehouden, alle beschikbare bewijsstukken bevestigen de mededeling van Stora dat het hoofddoel van het JMC was: te bepalen of en te plannen hoe de onderling afgestemde prijsverhogingen ten uitvoer konden worden gelegd. Ter zake dient het nagenoeg geheel ontbreken van officiële of interne notulen van de vergaderingen van het JMC niet alleen als genoegzaam bewijs te worden beschouwd voor het geheime karakter van de vergaderingen (zie punt 67 supra), maar ook voor de bewering van de Commissie, dat de ondernemingen die de vergaderingen hebben bijgewoond, hun best hebben gedaan om de ware aard van de besprekingen binnen dit orgaan te verhullen (zie in het bijzonder punt 45 van de considerans van de beschikking). Onder deze omstandigheden is de bewijslast omgekeerd en dienden de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht en die de vergaderingen van dit orgaan hebben bijgewoond, te bewijzen dat dit orgaan een rechtmatig doel nastreefde. Aangezien dit bewijs door deze ondernemingen niet is geleverd, mocht de Commissie zich op het standpunt stellen, dat de besprekingen welke door de ondernemingen tijdens de vergaderingen van dit orgaan zijn gevoerd, hoofdzakelijk een mededingingsverstorend doel hadden.
76 Wat de individuele situatie van verzoekster betreft, haar deelneming aan een aantal vergaderingen van het JMC gedurende de periode van 1988 tot eind 1990, waarvan tenminste drie in 1990, moet, gelet op het voorgaande en in weerwil van het ontbreken van bewijsstukken betreffende de besprekingen tijdens de vergaderingen waarbij verzoeksters aanwezigheid is aangetoond, als genoegzaam bewijs worden beschouwd, dat zij gedurende deze periode aan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen heeft deelgenomen.
77 Deze vaststelling wordt bevestigd door de door de Commissie aangevoerde stukken betreffende het werkelijke prijsgedrag van verzoekster. Wat dit betreft, betwist verzoekster niet de gegevens in de tabellen in bijlage bij de beschikking, betreffende de bedragen, de data van aankondiging en de data van inwerkingtreding van de prijsverhogingen. Uit deze tabellen blijkt, dat verzoekster gedurende de periode waarin zij voor de inbreuk aansprakelijk wordt gesteld, op de Duitse markt prijsverhogingen heeft aangekondigd en ten uitvoer gelegd, die op het punt van de bedragen en de data van aankondiging en van inwerkingtreding op de voornaamste punten overeenkomen met de binnen de PG Paperboard genomen besluiten.
78 Verzoekster stelt (zie punten 89 e.v. supra), dat zij niet heeft deelgenomen aan de prijsverhoging van oktober 1989 en dat zij niettegenstaande haar oorspronkelijke plannen de voor april 1990 en januari 1991 voorziene prijsverhogingen niet ten uitvoer heeft gelegd.
79 Uit de beschikking blijkt evenwel, dat de eerste van deze drie verhogingen geen betrekking had op GD-karton, de enige kartonkwaliteit die door verzoekster wordt geproduceerd (zie tabel E in bijlage bij de beschikking en de verklaring van Stora, bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 17).
80 Met betrekking tot de tweede, voor april 1990 voorziene verhoging heeft verzoekster bij brief van 13 december 1989 (document F-7-1) haar voornemen aangekondigd om haar prijzen in maart 1990 met 8 % te verhogen. In deze brief verwijst zij uitdrukkelijk naar de op 28 november 1989 door Mayr-Melnhof aangekondigde prijsverhoging, die zowel qua bedrag als datum van ingang identiek is met de door verzoekster aangekondigde verhoging.
81 Aangezien verzoekster haar voornemen om de betrokken prijzen te verhogen had aangekondigd, kan het enkele feit dat zij haar prijzen op de voorziene datum niet werkelijk heeft verhoogd, niet afdoen aan de conclusie dat haar gedrag op de markt haar betrokkenheid bij de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen bevestigde. In de omstandigheden van het onderhavige geval toont het feit dat de verhoging niet is toegepast, hoogstens aan, dat verzoekster ten volle van de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen heeft geprofiteerd, door lagere prijzen toe te passen dan met haar concurrenten waren afgesproken.
82 De omstandigheid dat verzoekster niet aan de derde verhoging heeft deelgenomen, bevestigt slechts de vaststelling van de Commissie, dat verzoekster haar deelneming aan de inbreuk eind 1990 heeft beëindigd.
83 Gelet op deze overwegingen heeft de Commissie verzoeksters betrokkenheid bij een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen gedurende de periode van 1988 tot eind 1990 bewezen. Verzoeksters argumenten dat zij de vergaderingen van het JMC slechts heeft bijgewoond om de toekomstige marktontwikkelingen beter te kunnen beoordelen, en dat zij geen belang had bij deelneming aan welk kartel dan ook, zijn dus niet relevant.
- De juridische kwalificatie van het onrechtmatige gedrag
84 Volgens de beschikking hadden de in artikel 1 genoemde ondernemingen "bij overeenkomst regelmatige prijsverhogingen [vastgesteld], die op elke nationale markt dienden te worden toegepast" (punt 130, tweede alinea, derde streepje, van de considerans). De Commissie preciseert eveneens, dat "de tweemaal per jaar uitgevoerde prijsinitiatieven niet [dienen] te worden behandeld als een reeks afzonderlijke overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen, doch als onderdeel van éénzelfde voortdurende overeenkomst" (punt 131, tweede alinea, van de considerans). In het geval van verzoekster moet dus worden onderzocht, of de onderlinge afstemming van de prijzen, waaraan verzoekster vanaf 1988 heeft deelgenomen (zie punten 69 e.v. supra) door de Commissie terecht als overeenkomst is aangemerkt.
85 Volgens vaste rechtspraak kan het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag reeds worden aangenomen, indien de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen (zie in het bijzonder arrest Hof van 15 juli 1970, ACF Chemiefarma/Commissie, 41/69, Jurispr. blz. 661, punt 112, en arresten Van Landewyck e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 86, en Hercules Chemicals/Commissie, reeds aangehaald, punt 256).
86 Bijgevolg moet worden nagegaan, of de Commissie heeft aangetoond, dat de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hadden gebracht om op de markt een bepaald prijsgedrag te vertonen.
87 Dienaangaande volstaat een verwijzing naar de bewijzen waaruit verzoeksters betrokkenheid bij een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen blijkt (zie punten 69 e.v. supra). Zonder dat de andere bewijzen behoeven te worden onderzocht, blijkt dat de Commissie heeft bewezen, dat de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG hebben bijgewoond, hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hadden gebracht om uniforme en gelijktijdige prijsverhogingen ten uitvoer te leggen. De Commissie mocht dus de wilsovereenstemmingen tussen verzoekster en andere kartonproducenten betreffende de prijsinitiatieven als overeenkomst aanmerken.
88 Op basis van alle voorgaande overwegingen dient dit middel te worden afgewezen.
Het middel: geen deelneming van verzoekster aan de tenuitvoerlegging van de prijsverhogingen
Argumenten van partijen
89 Verzoekster betoogt, dat zij slechts in oktober 1988 en april 1989 prijsverhogingen ten uitvoer heeft gelegd. Met betrekking tot de initiatieven tot prijsverhoging van april 1990 en januari 1991, waaraan zij volgens de beschikking zou hebben deelgenomen, heeft zij zich beperkt tot de aankondiging van deze verhogingen, waaraan evenwel geen uitvoering is gegeven.
90 Het feit dat verzoekster niet aan het prijsinitiatief van oktober 1989 heeft deelgenomen, toont haars inziens duidelijk aan, dat zij in het beweerde kartel geen enkele functie heeft uitgeoefend. Indien zij een functie daarin had gehad, had zij voortdurend aan alle prijsinitiatieven moeten deelnemen om de succesvolle uitvoering van de gemaakte afspraken niet te verhinderen.
91 Ten slotte had zij zich niet aan de prijsafspraken gebonden gevoeld, omdat vaststaat, dat zij niettegenstaande haar oorspronkelijke verklaringen de prijsverhogingen van april 1990 en januari 1991 niet ten uitvoer heeft gelegd.
92 De Commissie verklaart, dat verzoeksters gedrag duidelijk aantoont, dat zij aan alle prijsinitiatieven heeft deelgenomen. Zij beklemtoont, dat verzoekster voor elk prijsinitiatief waartoe de PG Paperboard gedurende de betrokken periode had besloten, prijsverhogingen heeft aangekondigd, met als enige uitzondering het prijsinitiatief van oktober 1989. Het feit dat een aantal prijsverhogingen niet ten uitvoer kon worden gelegd, kan worden verklaard door het verzet van de afnemers. Gelet op het feit dat prijsverhogingen zijn aangekondigd, moet ervan worden uitgegaan, dat verzoekster zich gebonden achtte aan de prijsafspraken.
Beoordeling door het Gerecht
93 Zoals reeds is opgemerkt, blijkt uit de beschikking dat het prijsverhogingsinitiatief van oktober 1989 geen betrekking had op GD-karton, de enige kartonkwaliteit die door verzoekster wordt geproduceerd. Ook is vastgesteld (zie punt 82 supra), dat het feit dat de prijsverhoging van januari 1991 niet ten uitvoer is gelegd, slechts bevestigt, dat verzoekster eind 1990 haar deelname aan de inbreuk heeft beëindigd.
94 Het feit dat verzoekster, na te hebben aangekondigd in maart 1990 een prijsverhoging ten uitvoer te willen leggen, haar prijzen op de voorziene datum toch niet heeft verhoogd, kan niet afdoen aan de conclusie, dat zij betrokken was bij de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen. Ter zake wordt in de beschikking niet gesteld, dat verzoekster de betrokken prijsverhoging ten uitvoer heeft gelegd. In tabel F in bijlage bij de beschikking heeft de Commissie zich in feite beperkt tot een verwijzing naar de brief van 13 december 1989 (document F-7-1), waarbij verzoekster haar voornemen aankondigde om een prijsverhoging in maart 1990 ten uitvoer te leggen (zie punt 80 supra).
95 Voor het overige moet worden vastgesteld, dat verzoekster de onderling afgestemde prijsverhogingen van oktober 1988 en april 1989 ten uitvoer heeft gelegd (tabellen C en D in bijlage bij de beschikking).
96 Verzoeksters argument, dat zij zich niet gebonden achtte aan haar besprekingen met haar concurrenten over de kartonprijzen, is niet relevant. Voor de toepassing van artikel 85, lid 1, van het Verdrag wordt in dit artikel namelijk niet vereist, dat de ondernemingen zich gebonden achten aan de heimelijke verstandhouding waaraan zij deelnemen.
97 Het middel kan dus niet worden aanvaard.
Het middel: geen deelneming van verzoekster aan een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen en een heimelijke verstandhouding betreffende de capaciteiten
Argumenten van partijen
98 Verzoekster betoogt, dat haar oude kartonmachine tot 1990 op volle capaciteit had gedraaid en dat zij de productieomvang niet had kunnen opvoeren. Door onderhoud en reparaties van deze oude machine moest de productie vaak om technische redenen worden stilgelegd.
99 Omdat zij voorzag dat haar productie gedurende de periode van ombouw van haar kartonmachine zou dalen, had verzoekster in 1990 op voorraad geproduceerd en had de machine 20,8 dagen meer gedraaid dan tijdens een normaal jaar. Om een dergelijke extra productie mogelijk te maken, had zij van productiestilstand tijdens de jaarlijkse sluiting van de onderneming of feestdagen moeten afzien en had zij de productie slechts gestaakt voorzover dit technisch noodzakelijk was. In 1990 was de productie gedaald wegens de ombouwwerkzaamheden, doch de resterende capaciteit was volledig benut. Zij had dan ook geen "prijs vóór tonnage"-beleid kunnen voeren en de ombouw in haar kartonfabriek druist kennelijk in tegen een dergelijk beleid.
100 In de beschikking wordt geen deelneming aan een kartel betreffende capaciteiten of bescherming van marktaandelen van de grote producenten ten laste gelegd. Daarin wordt geen enkel feitelijk gegeven vermeld, waarmee verzoeksters deelneming aan het beweerde kartel betreffende het "prijs vóór tonnage"-beleid kan worden aangetoond. In het bijzonder blijkt een dergelijke deelneming niet uit de bij FS-Karton aangetroffen notitie (bijlage 115 bij de mededeling van de punten van bezwaar; zie punt 92 van de considerans van de beschikking). Volgens verzoekster wordt in deze notitie enkel haar marktaandeel vermeld, dat 3 % zou bedragen. Haar marktaandeel voor de GD-kwaliteiten bedroeg zelfs in de jaren 1988/1989 ten hoogste ongeveer 2 % en was in 1990 als gevolg van de ombouwwerkzaamheden zelfs gedaald.
101 Verzoekster betwist eveneens, dat in het feit dat zij zo nu en dan vergaderingen van het JMC heeft bijgewoond, een bewijs voor een deelname aan een "prijs vóór tonnage"-beleid kan worden gezien. Uit de tweede verklaring van Stora, waarop de Commissie zich baseert, blijkt dat dit beleid was besproken in het kader van de vergaderingen van de PWG en de PC, dat wil zeggen binnen organen waaraan zij niet heeft deelgenomen. De notitie betreffende een vergadering van het EC van 3 oktober 1989 (bijlage 70 bij de mededeling van de punten van bezwaar; zie punt 82 van de considerans van de beschikking) levert evenmin een dergelijk bewijs op, aangezien vaststaat dat verzoekster nooit de vergaderingen van dit comité heeft bijgewoond.
102 De Commissie verwijst om te beginnen naar de verklaringen van Stora (bijlagen 39 en 43 bij de mededeling van de punten van bezwaar). Deze bevatten een beschrijving van de maatregelen tot beheersing van de hoeveelheden, die zijn vastgesteld om een evenwicht tussen vraag en aanbod in stand te houden, alsmede van de maatregelen tot begrenzing van de marktaandelen. Bovendien blijkt uit deze verklaringen, dat de maatregelen tot beheersing van de hoeveelheden en de begrenzing van de marktaandelen belangrijke bestanddelen van de overeenkomsten tussen de leden van de PG Paperboard waren. De verklaringen van Stora worden door verschillende documenten bevestigd. Bij wijze van voorbeeld verwijst de Commissie naar een vertrouwelijke notitie van 28 december 1988 van de marketing manager van FS-Karton (bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar).
103 Haars inziens heeft zij bijlage 115 bij de mededeling van de punten van bezwaar correct geïnterpreteerd. Volgens haar kunnen de inlichtingen in deze notitie - betreffende de percentages van de marktaandelen, de productiehoeveelheden en -capaciteit, de orderportefeuilles, de prijzen alsmede de geplande prijsverhogingen - wegens het gedetailleerde en uitputtende karakter daarvan slechts zijn verkregen op basis van een individuele uitwisseling tussen de producenten. Aangezien deze notitie aldus de verklaringen van Stora bevestigt, is het niet relevant of de inlichtingen betreffende verzoekster van haar zelf afkomstig zijn en of haar marktaandeel inderdaad 3 % bedroeg. Volgens de Commissie moet in elk geval rekening worden gehouden met het feit dat de notitie slechts betrekking heeft op de Duitse markt van GD- en GT-kwaliteiten, waarop verzoekster in 1990 een groter marktaandeel had dan de genoemde 3 %.
104 Aangezien verzoekster de vergaderingen van het JMC heeft bijgewoond, die gediend hadden om de voor het "prijs vóór tonnage"-beleid vereiste maatregelen vast te stellen (punten 44 e.v. van de considerans van de beschikking), moet zij ook voor deze aspecten van het kartel aansprakelijk worden gesteld. Dienaangaande betoogt de Commissie, dat in het kader van een complex stelsel van overeenkomsten niet elk lid zelf alle bestanddelen van het kartel behoeft toe te passen, wanneer wordt aangetoond dat het kartel als geheel deze heeft toegepast (arrest ICI/Commissie, reeds aangehaald, punten 256-261 en 305, en Hercules Chemicals/Commissie, reeds aangehaald, punt 272). Het feit dat verzoekster haar marktaandeel heeft kunnen vergroten, is dus niet relevant, aangezien een dergelijk individueel gedrag geen verontschuldiging is om aan een onrechtmatig kartel deel te nemen. Evenmin is relevant dat zij eventueel geen machinestilstand heeft toegepast en op volle capaciteit heeft gedraaid.
Beoordeling door het Gerecht
105 Volgens artikel 1 van de beschikking hebben de in deze bepaling genoemde ondernemingen inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag door hun deelname, in het geval van verzoekster vanaf ongeveer maart 1988 tot ten minste eind 1990, aan een overeenstemming die dateert van medio 1986 en waarbij de kartonleveranciers in de Gemeenschap onder meer "een afspraak maakten over handhaving van de marktaandelen van de grote producenten op vaste niveaus die van tijd tot tijd konden worden gewijzigd" en "in toenemende mate vanaf vooraan in 1990 ter beheersing van het aanbod van het product in de Gemeenschap onderling afgestemde maatregelen namen teneinde de tenuitvoerlegging van de genoemde onderling afgestemde prijsverhogingen te waarborgen".
106 Vaststaat dat verzoekster gedurende de periode van 1988 tot eind 1990 een aantal vergaderingen van het JMC heeft bijgewoond. Ook is verzoeksters deelneming aan een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen gedurende deze periode reeds als bewezen beschouwd (zie punten 69 e.v. supra).
107 Voor zover verzoekster betwist, dat zij heeft deelgenomen aan een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand en een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen, moeten de klachten betreffende elk van deze beide heimelijke verstandhoudingen afzonderlijk worden onderzocht.
- Verzoeksters deelneming aan een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand
108 Volgens de beschikking hebben de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG bijwoonden, vanaf eind 1987 deelgenomen aan een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand ["downtime"] en is vanaf 1990 inderdaad "downtime" genomen.
109 Uit punt 37, derde alinea, van de considerans van de beschikking blijkt namelijk, dat het werkelijke doel van de PWG, zoals beschreven door Stora, "omvatte: $bespreking van een onderlinge afstemming over markten, marktaandelen, prijzen, prijsverhogingen en capaciteit'". Onder verwijzing naar "de in 1987 door de PWG bereikte overeenkomst" (punt 52, eerste alinea, van de considerans) verklaart de Commissie verder, dat deze onder meer beoogde om "het aanbod op een constant niveau" te handhaven (punt 58, eerste alinea, van de considerans).
110 Met betrekking tot de rol die de PWG heeft gespeeld bij de heimelijke verstandhouding betreffende de beheersing van het aanbod, welke kenmerkend was voor het onderzoek van de machinestilstand, wordt in de beschikking vermeld, dat de PWG een beslissende rol heeft gespeeld bij de tenuitvoerlegging van de machinestilstand, toen vanaf begin 1990 de productiecapaciteit toenam en de vraag afnam: "(...) begin 1990 [achtten] de leidende producenten in de bedrijfstak (...) het noodzakelijk in het kader van de PWG tot onderlinge afspraken over de noodzaak van machinestilstand te komen. De grote producenten zagen in, dat zij de vraag niet konden vergroten door de prijzen te verlagen en dat de handhaving van de productie op volle capaciteit alleen maar de prijzen zou doen dalen. Met behulp van de capaciteitsverslagen kon in theorie berekend worden hoe lang de machines moesten stilstaan om vraag en aanbod in evenwicht te brengen. (...)" (punt 70 van de considerans van de beschikking).
111 Verder wordt in de beschikking opgemerkt: "De PWG bepaalde niet formeel voor elke producent voor hoe lang diens machines moesten worden stilgelegd. Volgens Stora bestonden er praktische moeilijkheden bij het vaststellen van een gecoördineerd plan met betrekking tot een stilstand voor alle producenten. Stora verklaart, dat er om deze redenen slechts $een soepel aanmoedigingssysteem bestond'" (punt 71 van de considerans van de beschikking).
112 In haar tweede verklaring (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 24) verklaart Stora: "Met de vaststelling door de PWG van het $prijs vóór tonnage'-beleid en de geleidelijke toepassing van een equivalent systeem van prijzen vanaf 1988, hebben de leden van de PWG erkend, dat wegens een geringere toeneming van de vraag machinestilstand ($downtime') nodig was om deze prijzen te handhaven. Zonder machinestilstand door de producenten zou het wegens de steeds grotere overcapaciteit onmogelijk zijn geweest de overeengekomen prijsniveaus te handhaven."
113 In het volgende punt van haar verklaring voegt zij daaraan toe: "In 1988 en 1989 werd nagenoeg de volledige capaciteit van de bedrijfstak benut. Boven de normale stilleggingen in verband met onderhoud en vakantie was vanaf 1990 geen machinestilstand noodzakelijk. Later, toen de bestellingen afnamen, bleek machinestilstand noodzakelijk om het $prijs vóór tonnage'-beleid te handhaven. De hoeveelheid $downtime' die de producenten moesten nemen (om het evenwicht tussen productie en consumptie te handhaven), kon worden berekend op basis van de capaciteitsverslagen. De PWG had niet formeel $downtime' toegewezen, ofschoon er een soepel aanmoedigingssysteem bestond (...)."
114 De Commissie baseert haar conclusies eveneens op bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar, een vertrouwelijke notitie van 28 december 1988 betreffende de marktsituatie, welke door de marketingmanager, verantwoordelijk voor de verkoop van de Mayr-Melnhof-groep in Duitsland (Katzner), is toegestuurd aan de algemeen directeur van Mayr-Melnhof in Oostenrijk (Gröller).
115 Volgens dit in de punten 53 tot en met 55 van de considerans van de beschikking geciteerde document, had deze nauwere samenwerking binnen de "Präsidentenkreis", waartoe in 1987 was besloten, "winnaars" en "verliezers" opgeleverd. De uitdrukking "Präsidentenkreis" is door Mayr-Melnhof aldus geïnterpreteerd, dat zij in het algemeen doelt op zowel de PWG als de PC, dat wil zeggen zonder te verwijzen naar een specifieke gebeurtenis of vergadering (bijlage 75 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 2.a), een uitlegging die in de onderhavige context niet behoeft te worden onderzocht.
116 De redenen welke door de opsteller van dit document worden gegeven om te verklaren waarom hij Mayr-Melnhof als "verliezer" beschouwde toen hij de notitie opstelde, vormen belangrijke bewijzen dat er met betrekking tot de machinestilstand een heimelijke verstandhouding bestond tussen de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG.
117 De opsteller ervan stelt namelijk vast:
"4) Op dit punt beginnen de opvattingen van de betrokkenen over de doelstelling uiteen te lopen.
(...)
c) Alle verkopers en Europese vertegenwoordigers werden van hun geraamde hoeveelheden ontheven en er werd een bijna waterdichte, harde prijspolitiek verdedigd (de medewerkers verstonden vaak niet, waarom onze houding ten opzichte van de markt was gewijzigd - vroeger werd enkel een tonnage verlangd en thans enkel prijsdiscipline met het risico van machinestilstand)."
118 Volgens Mayr-Melnhof (bijlage 75 bij de mededeling van de punten van bezwaar) slaat de hierboven weergegeven passage op een interne bedrijfssituatie. Gelezen in het licht van de meer algemene context van de notitie komt in dit uittreksel evenwel tot uiting, dat op het niveau van de verkoopteams een in het kader van de "Präsidentenkreis" vastgesteld, strikt prijsbeleid werd toegepast. Het document moet dus aldus worden uitgelegd, dat het inhoudt, dat de deelnemers aan de overeenkomst van 1987, dat wil zeggen op zijn minst degenen die de vergaderingen van de PWG bijwoonden, ontegenzeglijk de consequenties hebben ingeschat, die het vastgestelde beleid zou hebben, ingeval dit strikt zou worden toegepast.
119 Gelet op het voorgaande, heeft de Commissie aangetoond, dat er tussen de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand bestond.
120 Volgens de beschikking hebben de ondernemingen die de vergaderingen van het JMC hebben bijgewoond, waaronder verzoekster, eveneens aan deze heimelijke verstandhouding deelgenomen.
121 Dienaangaande verklaart de Commissie onder meer:
"Afgezien van de Fides-procedure met geaggregeerde gegevens was het gebruikelijk dat de producenten op de JMC-vergaderingen hun orderportefeuille aan de concurrenten bekendmaakten.
De gegevens betreffende de in dagen uitgedrukte orderportefeuille waren voor twee doeleinden van belang:
- besluitvorming over de vraag of de juiste voorwaarden aanwezig waren voor de invoering van een onderling afgestemde prijsverhoging;
- bepaling van de noodzakelijke machinestilstand om het evenwicht tussen aanbod en vraag te handhaven (...)" (punt 69, derde en vierde alinea, van de considerans van de beschikking).
122 Zij merkt eveneens op:
"De onofficiële notities van twee JMC-vergaderingen, een in januari 1990 (zie punt 84) en de andere in september 1990 (zie punt 87) bevestigen evenals andere documenten (zie punten 94 en 95) echter dat de grote producenten hun kleinere concurrenten in de PG Paperboard nauw en voortdurend op de hoogte hielden van hun plannen om aanvullende stilleggingen in te voeren als een andere oplossing dan verlaging van de prijzen" (punt 71, derde alinea, van de considerans van de beschikking).
123 De bewijsstukken betreffende de vergaderingen van het JMC (bijlagen 109, 117 en 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar) bevestigen, dat in het kader van de voorbereiding van de onderling afgestemde prijsverhogingen besprekingen zijn gevoerd over machinestilstand. In het bijzonder wordt in bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar, een notitie van Rena van 6 september 1990 (zie eveneens punt 73 supra), melding gemaakt van de bedragen van de prijsverhogingen in verschillende landen, de data van deze aankondigingen alsmede voor verschillende producenten de stand van hun in arbeidsdagen uitgedrukte orderportefeuille. De opsteller van het document merkt op, dat bepaalde producenten machinestilstand voorzagen, hetgeen hij bijvoorbeeld uitdrukt als volgt:
"Kopparfors 5-15 days 5/9 will stop for five days."
124 Bovendien blijkt uit de bijlagen 117 en 109 bij de mededeling van de punten van bezwaar, die weliswaar geen gegevens bevatten die rechtstreeks betrekking hebben op de voorziene machinestilstand, dat tijdens de vergaderingen van het JMC van 6 september en 16 oktober 1989 is gesproken over de stand van de orderportefeuilles en van de binnenkomende orders.
125 Wanneer zij naast de verklaringen van Stora worden gelegd, leveren deze documenten een genoegzaam bewijs op van de deelneming aan de heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand door de producenten die tijdens de vergaderingen van het JMC vertegenwoordigd waren. De aan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen deelnemende ondernemingen moeten zich noodzakelijkerwijs ervan bewust zijn geweest, dat het onderzoek van de stand van de orderportefeuilles en van de binnenkomende orders, alsmede de besprekingen over de eventuele machinestilstand niet enkel ten doel hadden, te bepalen of de situatie op de markt gunstig was voor een onderling afgestemde prijsverhoging, maar ook om te bepalen of machinestilstand noodzakelijk was om te voorkomen dat het overeengekomen prijsniveau door een overaanbod zou worden aangetast. In het bijzonder blijkt uit bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar, dat degenen die de vergadering van het JMC van 6 september 1990 bijwoonden, overeenstemming hebben bereikt over de aankondiging van een aanstaande prijsverhoging, hoewel verschillende producenten hebben verklaard, dat zij zich opmaakten om hun productie te staken. Vervolgens was de situatie op de markt van dien aard, dat de feitelijke toepassing van een toekomstige prijsverhoging naar alle waarschijnlijkheid (extra) machinestilstand noodzakelijk zou maken, hetgeen dus een consequentie is die door de producenten althans impliciet werd aanvaard.
126 Op grond hiervan moet, zonder dat de andere door de Commissie in de beschikking aangevoerde bewijzen behoeven te worden onderzocht (bijlagen 102, 113, 130 en 131 bij de mededeling van de punten van bezwaar), worden aanvaard, dat de Commissie heeft bewezen dat de ondernemingen die de vergaderingen van het JMC hebben bijgewoond en hebben deelgenomen aan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen, betrokken waren bij een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand.
127 Verzoekster moet dus worden geacht, gedurende de periode van 1988 tot eind 1990 te hebben deelgenomen aan een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand.
128 Haar argumenten, volgens welke haar feitelijke gedrag op de markt niet is te rijmen met de verklaringen van de Commissie betreffende het bestaan van een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand kunnen niet worden aanvaard.
129 Opgemerkt zij namelijk, dat de Commissie toegeeft dat tot begin 1990 de volledige capaciteit van de bedrijfstak werd benut, zodat tot die datum vrijwel geen machinestilstand noodzakelijk was (punt 70 van de considerans van de beschikking).
130 Verder is het vaste rechtspraak, dat het feit dat een onderneming zich niet houdt aan de resultaten van vergaderingen die een kennelijk mededingingsverstorend doel hebben, haar niet van de volle aansprakelijkheid voor haar deelneming aan het kartel kan ontslaan, wanneer zij zich niet publiekelijk van de inhoud van de vergaderingen heeft gedistantieerd (zie bijvoorbeeld arrest Gerecht van 6 april 1995, Tréfileurope/Commissie, T-141/89, Jurispr. blz. II-791, punt 85). Zelfs indien verzoekster zich op de markt niet op de overeengekomen wijze heeft gedragen, in het bijzonder indien zij, zoals zij betoogt, haar productiecapaciteit in 1990 ten volle heeft benut, doet zulks dus niets af aan haar aansprakelijkheid voor een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
- Verzoeksters deelneming aan een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen
131 Verzoekster ontkent, dat zij heeft deelgenomen aan een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen, doch zij betwist niet de verklaring in de beschikking, dat de producenten die de vergaderingen van de PWG bijwoonden, een overeenkomst hebben gesloten tot "$bevriezing' van de West-Europese marktaandelen van de belangrijkste producenten op het destijds bestaande niveau, waarbij geen pogingen mochten worden gedaan, door een agressief prijsbeleid nieuwe afnemers te winnen of de bestaande omzet te vergroten" (punt 52, eerste alinea, van de considerans).
132 Met betrekking tot de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG niet hebben bijgewoond, verklaart de Commissie evenwel:
"Hoewel de kleinere kartonproducenten die de JMC-vergaderingen bijwoonden, niet in de details van de PWG-besprekingen over marktaandelen ingewijd waren, waren zij, in het kader van het $prijs [vóór] tonnage'-beleid dat zij allen onderschreven, op de hoogte van de afspraak tussen de belangrijkste producenten om $het aanbod op een constant niveau' te handhaven en ongetwijfeld van de noodzaak om hun eigen gedrag daaraan aan te passen" (punt 58, eerste alinea, van de considerans van de beschikking).
133 Hoewel zulks niet uitdrukkelijk uit de beschikking blijkt, bevestigt de Commissie op dit punt de verklaringen van Stora die luiden als volgt:
"Andere producenten die de PWG niet bijwoonden, werden in het algemeen niet op de hoogte gesteld van de details van de besprekingen over de marktaandelen. Niettemin zouden zij zich in het kader van het $prijs vóór tonnage'-beleid waaraan zij deelnamen, bewust moeten zijn geweest van de afspraak van de grootste producenten om de prijzen niet te ondermijnen door het aanbod op een constant niveau te handhaven.
Wat het aanbod van GC-kwaliteit betreft, waren de aandelen van de producenten die de PWG niet bijwoonden, zo gering, dat het feit dat zij al dan niet aan de afspraken betreffende de marktaandelen deelnamen, praktisch geen invloed in een of andere richting had" (bijlage 43 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 1.2).
134 Evenals Stora baseert de Commissie zich dus hoofdzakelijk op de veronderstelling, dat zelfs indien rechtstreekse bewijzen ontbreken, de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG niet hebben bijgewoond, doch waarvan is bewezen dat zij hebben ingestemd met de andere in artikel 1 van de beschikking beschreven bestanddelen van de inbreuk, zich bewust moeten zijn geweest van het bestaan van de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen.
135 Een dergelijke redenering kan niet worden aanvaard. In de eerste plaats voert de Commissie geen enkel bewijs aan, dat kan aantonen dat de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG niet hebben bijgewoond, hebben ingestemd met een algemene overeenkomst waarin onder meer de bevriezing van de marktaandelen van de voornaamste producenten werd vastgelegd.
136 In de tweede plaats toont het feit dat deze ondernemingen hebben deelgenomen aan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen en aan de heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand, op zichzelf niet aan, dat zij eveneens hebben deelgenomen aan de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen. De heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen was namelijk, anders dan de Commissie schijnt te verklaren, niet intrinsiek verbonden met de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen en/of die betreffende machinestilstand. Het volstaat vast te stellen, dat de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen van de voornaamste producenten die de vergaderingen van de PWG bijwoonden, volgens de beschikking (zie punten 78-80 supra) ten doel had, de marktaandelen op constante niveaus te handhaven met af en toe wijzigingen, zelfs tijdens periodes gedurende welke de situatie op de markt, in het bijzonder het evenwicht tussen vraag en aanbod, van dien aard was dat geen enkele productiebeheersing noodzakelijk was om een doeltreffende tenuitvoerlegging van de overeengekomen prijsverhogingen te waarborgen. Daaruit volgt, dat de eventuele deelneming aan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen en/of die betreffende machinestilstand niet aantoont, dat de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG niet hebben bijgewoond, hebben deelgenomen aan de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen, noch dat zij daarvan op de hoogte waren of hadden moeten zijn.
137 In de derde plaats beroept de Commissie zich op bijlage 115 bij de mededeling van de punten van bezwaar, een bij FS-Karton (van de Mayr-Melnhof-groep) aangetroffen notitie. Volgens punt 92, eerste alinea, van de considerans van de beschikking wordt in deze "notitie van begin 1991 duidelijk het resultaat van een vergadering met andere producenten vastgelegd, hoewel dit door Mayr-Melnhof ontkend wordt". Bovendien "wordt van de Mayr-Melnhof-groep, Feldmuehle, Buchmann, Weig, Europa Carton, Cascades, Laakmann, Saffa, Gruber & Weber en De Eendracht de marktaandelen in percenten (in 1990) te geven" (hetzelfde punt van de considerans).
138 Deze bijlage kan evenwel niet als een bewijs van verzoeksters deelneming aan een heimelijke verstandhouding tussen producenten betreffende de marktaandelen worden beschouwd. Hoewel zij betrekking heeft op de marktaandelen in percenten in Duitsland van een aantal producenten, waaronder verzoekster, kan noch de oorsprong van het document worden bepaald, noch de datum van de vergadering waarop dit betrekking heeft. Onder deze omstandigheden kan niet worden uitgesloten, dat dit document in de loop van 1991 op basis van openbaar gemaakte of van de afnemers verkregen gegevens is opgesteld voor een interne vergadering van de onderneming FS-Karton. Zelfs indien door een aantal producenten, waarvan enige niet de vergaderingen van de PWG hadden bijgewoond, over de marktaandelen is gesproken, is in elk geval niet aangetoond, dat deze bespreking plaatsvond gedurende de ten aanzien van verzoekster in aanmerking genomen periode van de inbreuk, dat wil zeggen van ten minste 1988 tot eind 1990.
139 In de vierde plaats moet worden vastgesteld, dat de Commissie zich in punt 58, tweede en derde alinea, van de considerans van de beschikking als aanvullend bewijs voor de betrokken verklaring beroept op bijlage 102 bij de mededeling van de punten van bezwaar, een bij Rena aangetroffen notitie betreffende, in de bewoordingen van de beschikking, een bijzondere vergadering van het Nordic Paperboard Institute (hierna: "NPI") op 3 oktober 1988. Dienaangaande volstaat de vaststelling, dat verzoekster niet lid was van het NPI, alsook dat het feit dat in dit document wordt gesproken van de eventuele noodzaak van machinestilstand, om de reeds aangevoerde redenen niet het bewijs van een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen kan opleveren.
VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER: 694A0310.1
140 Om elk van de in een beschikking als de onderhavige genoemde ondernemingen gedurende een bepaalde periode aansprakelijk te kunnen stellen voor een geheel kartel, moet de Commissie aantonen, dat elk van hen heeft ingestemd met de aanvaarding van een algemeen plan dat de bestanddelen van het kartel dekt, dan wel gedurende deze periode rechtstreeks aan al deze bestanddelen heeft deelgenomen. Een onderneming kan zelfs indien vaststaat dat zij slechts rechtstreeks aan een of meer van de bestanddelen van dit kartel heeft deelgenomen, voor een geheel kartel aansprakelijk worden gesteld wanneer zij wist of noodzakelijkerwijze moest weten dat de heimelijke verstandhouding waaraan zij deelnam, deel uitmaakte van een algemeen plan, alsook dat dit algemene plan alle bestanddelen van het kartel dekte. Is zulks het geval, dan kan het feit dat de betrokken onderneming niet rechtstreeks aan alle bestanddelen van het gehele kartel heeft deelgenomen, haar niet disculperen van de aansprakelijkheid voor de inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Wel kan een dergelijke omstandigheid in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de ten aanzien van haar vastgestelde inbreuk.
141 In casu moet worden vastgesteld, dat de Commissie niet heeft bewezen, dat verzoekster wist of noodzakelijkerwijze moest weten, dat haar eigen onrechtmatig gedrag deel uitmaakte van een algemeen plan dat naast de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen en de heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand, waarbij zij inderdaad betrokken was, een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen van de voornaamste producenten omvatte.
142 Bijgevolg moet, wat verzoekster betreft, artikel 1, achtste streepje, van de beschikking, volgens hetwelk de inbreuk waaraan zij heeft deelgenomen, ten doel hadden, "de marktaandelen van de grote producenten op vaste niveaus [te handhaven], die van tijd tot tijd konden worden gewijzigd", nietig worden verklaard.
Het middel: onjuiste beoordeling van verzoeksters deelneming aan het Fides-systeem van informatie-uitwisseling
Argumenten van partijen
143 Verzoekster betoogt, dat zij enkel aan het Fides-systeem van informatie-uitwisseling heeft deelgenomen om betrouwbare inlichtingen te verkrijgen over de toekomstige ontwikkeling van de markt van vouwkarton, met het oog op een grote investering in een nieuwe kartonmachine. Nadat deze investering eind 1990 was voltooid, had zij een einde gemaakt aan haar deelneming aan dit systeem. Haar deelneming had dan ook ten doel, haar eigen positie op de markt uit te breiden ten nadele van de andere producenten.
144 Bovendien geloofde verzoekster, dat de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling op zichzelf geoorloofd was.
145 De Commissie merkt op, dat het Fides-systeem van informatie-uitwisseling is gebruikt om de werking van een onder de werkingssfeer van artikel 85 van het Verdrag vallend kartel te vergemakkelijken. Bijgevolg kan het systeem van informatie-uitwisseling niet los van de mededingingsverstorende doelstellingen van het kartel worden beoordeeld. Het kon verzoekster niet onbekend zijn, dat het opgezette systeem van informatie-uitwisseling onrechtmatig was. Haar eventuele goede trouw zou van invloed kunnen zijn op het bedrag van de geldboete.
Beoordeling door het Gerecht
146 Volgens artikel 1 van de beschikking hebben de in deze bepaling genoemde ondernemingen inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag door hun deelname aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging, waarbij de ondernemingen onder meer "ter ondersteuning van de bovengenoemde maatregelen [te weten een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen, een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen en een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand] commerciële informatie uitwisselden over leveringen, prijzen, machinestilstand, orderportefeuilles en bezettingsgraden".
147 Gelet op haar dispositief en punt 134, derde alinea, van de considerans, moet de beschikking, wat het Fides-systeem van informatie-uitwisseling betreft, aldus worden uitgelegd, dat de Commissie dit systeem in strijd met artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft beschouwd voor zover het het vastgestelde kartel ondersteunde.
148 In punt 134, derde alinea, van de considerans van de beschikking wordt gepreciseerd, dat het Fides-systeem van informatie-uitwisseling "een wezenlijke bijdrage was tot:
- het toezicht op de ontwikkeling van de marktverdeling;
- het toezicht op de voorwaarden van vraag en aanbod teneinde een volledige capaciteitsbezetting te handhaven;
- de besluitvorming over de mogelijke invoering van onderling afgestemde prijsverhogingen;
- het bepalen van de noodzakelijke machinestilstandtijd ($downtime')".
149 Aangezien het Fides-systeem van informatie-uitwisseling slechts in strijd met artikel 85, lid 1, van het Verdrag is beschouwd, voor zover het het vastgestelde kartel ondersteunde, is het argument van verzoekster, dat zij geloofde dat de deelneming aan dit systeem op zichzelf geoorloofd was, niet relevant.
150 Overigens betwist verzoekster niet de juistheid van de verklaringen in de beschikking betreffende het gebruik van de Fides-statistieken voor mededingingsverstorende doeleinden.
151 Bijgevolg moet als bewezen worden beschouwd, dat verzoekster heeft deelgenomen aan een uitwisseling van informatie ter ondersteuning van mededingingsverstorende gedragingen waarvan is bewezen dat zij daarbij betrokken was. Derhalve zijn ook haar verklaringen betreffende de redenen waarom zij heeft besloten aan het Fides-systeem van informatie-uitwisseling deel te nemen, niet relevant.
152 Derhalve dient dit middel te worden afgewezen.
De vordering tot nietigverklaring van artikel 2 van de beschikking
Argumenten van partijen
153 Verzoekster betoogt, dat het verbod in artikel 2 van de beschikking te onnauwkeurig is geformuleerd. Door de uiterst vage informatie daarin kan geen onderscheid worden gemaakt tussen een geoorloofd en een ongeoorloofd systeem van informatie-uitwisseling. Elk systeem van informatie-uitwisseling, zelfs in geaggregeerde vorm, kan onder het verbod vallen.
154 Voor zover artikel 2 de uitwisseling van gegevens in geaggregeerde vorm verbiedt, is de beschikking in strijd met de bekendmaking van de Commissie inzake overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreffende samenwerking tussen ondernemingen (PB 1968, C 75, blz. 3, gerectificeerd in PB 1968, C 84, blz. 14; hierna: "bekendmaking betreffende samenwerking").
155 In haar Zevende verslag over het mededingingsbeleid (punt 7) heeft de Commissie bevestigd, dat een systeem van informatie-uitwisseling waarin niet de gegevens van elke onderneming kunnen worden geïdentificeerd, geen inbreuk op de mededingingsregels oplevert.
156 Voor zover de Commissie in de beschikking uitgaat van het risico van misbruik van de inlichtingen die als zodanig mogen worden ingewonnen, heeft zij de werkingssfeer van artikel 85 van het Verdrag op ongeoorloofde wijze uitgebreid.
157 De Commissie betwist, dat het verbod om voortaan informatie uit te wisselen te vaag is. Het volstaat namelijk, dat het dispositief en de motivering van de beschikking aangeven, aan welk mededingingsverstorend gedrag een einde dient te worden gemaakt (arrest Hof van 16 december 1975, Suiker Unie e.a./Commissie, 40/73-48/73, 50/73, 54/73, 55/73, 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Jurispr. blz. 1663, punten 122-124). In casu bevat artikel 2, eerste alinea, sub a tot en met c, van de beschikking reeds een gedetailleerde beschrijving van de aard van de ongeoorloofde informatie-uitwisseling. Verder zijn de feitelijke vaststellingen betreffende de informatie-uitwisselingen gedetailleerd uiteengezet in de punten 61 tot en met 68, 105 en 106 van de considerans van de beschikking. Bovendien bevat de beschikking een nauwkeurige beschrijving van de mededingingsbeperkende gevolgen van de informatie-uitwisseling (punten 134 en 166 van de considerans). De strekking van het verbod blijkt derhalve duidelijk uit artikel 2 van de beschikking, gelezen in samenhang met de motivering daarvan.
158 In artikel 2, tweede en derde alinea, van de beschikking wordt slechts uiteengezet, hoe een geoorloofde informatie-uitwisseling kan worden opgezet.
159 Eveneens betwist de Commissie, dat het verbod een te ruime strekking heeft. Het stelsel van informatie-uitwisseling was namelijk ook na de door de PWG op 27 november 1991 vastgestelde wijzigingen nog onverenigbaar met artikel 85 van het Verdrag (punten 105 en 106 van de considerans van de beschikking). Bij de beoordeling van de informatie-uitwisseling moet rekening worden gehouden met de hoge graad van concentratie in de bedrijfstak, alsmede met het feit dat de verschillende ondernemingen als gevolg van de tot dan toe bestaande samenwerking binnen de PG Paperboard zeer goed op de hoogte waren van de structuur en het beleid van de ondernemingen. Op geconcentreerde markten berust de mededingingsreserve vooral in de onzekerheid van en geheimhouding tussen de voornaamste aanbieders betreffende de marktcondities. Wanneer met korte tussenpozen informatie betreffende orderportefeuilles wordt uitgewisseld, wordt de markt als gevolg daarvan kunstmatig zo transparant, dat de bestaande mededingingsreserve uiteindelijk niet meer kan worden gemobiliseerd.
160 Bovendien kon door de wekelijkse uitwisseling van statistieken betreffende de binnenkomende orders tezamen met de capaciteitsverslagen de bezettingsgraad in de bedrijfstak worden vastgesteld en bedrijfstaksgewijs eventueel een stilstand worden gepland. De producenten konden aldus een evenwicht tussen vraag en aanbod handhaven en ingeval van een afnemende vraag een prijsdaling tegengaan. Voor het intreden van deze gevolgen is het van geen belang, of de gegevens zijn geïndividualiseerd, dan wel of zij op reeds geplaatste orders betrekking hebben. De Commissie was er dan ook terecht van uitgegaan, dat een uitwisseling van informatie betreffende de stand van de binnenkomende orders, alsmede betreffende de orderportefeuilles, ook indien geaggregeerd, in strijd is met artikel 85, lid 1, van het Verdrag, een conclusie die in overeenstemming is met de tijdens het onderzoek van de zaak verkregen inlichtingen.
161 De beschikking is niet in strijd met haar bekendmaking betreffende samenwerking, noch met hetgeen in het Zevende verslag over het mededingingsbeleid is verklaard.
Beoordeling door het Gerecht
162 Artikel 2 van de beschikking luidt:
"De in artikel 1 vermelde ondernemingen dienen onverwijld aan de genoemde inbreuk een einde te maken, voor zover zij zulks niet reeds hebben gedaan. Zij dienen zich voortaan met betrekking tot hun kartonactiviteiten te onthouden van elke overeenstemming of onderling afgestemde feitelijke gedraging die hetzelfde of een gelijksoortig doel of gevolg kan hebben, met inbegrip van elke uitwisseling van commerciële informatie,
a) waardoor de deelnemers rechtstreeks of onrechtstreeks in kennis worden gesteld van de productie, verkoop, orderportefeuille, bezettingsgraden, verkoopprijzen, kosten of afzetplannen van andere individuele producenten of
b) waardoor, zelfs al wordt geen individuele informatie bekendgemaakt, een gemeenschappelijke reactie van de bedrijfstak op de economische voorwaarden met betrekking tot prijzen of productiebeheersing wordt bevorderd, vergemakkelijkt of aangemoedigd of
c) waardoor zij in staat zouden kunnen zijn de aansluiting bij of het volgen van uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomsten betreffende prijzen of marktverdeling in de Gemeenschap te controleren.
Elke regeling voor de uitwisseling van algemene informatie waaraan zij deelnemen, zoals het Fides-stelsel of de opvolger daarvan, dient zodanig te worden gehanteerd dat niet alleen inlichtingen worden uitgesloten waaruit het gedrag van individuele producenten kan worden afgeleid, doch ook gegevens betreffende de huidige stand van de binnenkomende orders en van de orderportefeuille, de voorziene bezettingsgraad van de productiecapaciteit (in beide gevallen ook indien geaggregeerd) of betreffende de productiecapaciteit van elke machine.
Een dergelijk uitwisselingsstelsel dient te worden beperkt tot vergaring en verspreiding, in geaggregeerde vorm, van productie- en verkoopstatistieken die niet kunnen worden gebruikt om een gemeenschappelijk gedragspatroon in de bedrijfstak te bevorderen of te vergemakkelijken.
Ook wordt van de ondernemingen vereist dat zij zich onthouden van elke uitwisseling van informatie van concurrentiële betekenis naast dergelijke toegestane uitwisselingen en van elke vergadering of ander contact ter bespreking van de betekenis van de uitgewisselde informatie of de mogelijke of waarschijnlijke reactie van de bedrijfstak of van individuele producenten op die informatie.
Een periode van drie maanden na de datum van mededeling van deze beschikking wordt toegestaan om in enigerlei stelsel van uitwisseling van inlichtingen de nodige wijzigingen aan te brengen."
163 Zoals blijkt uit punt 165 van de considerans, is artikel 2 van de beschikking vastgesteld op grond van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17. Krachtens deze bepaling kan de Commissie, indien zij vaststelt dat een inbreuk op artikel 85 van het Verdrag is gepleegd, de betrokken ondernemingen verplichten aan de vastgestelde inbreuk een einde te maken.
164 Het is vaste rechtspraak, dat de toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 het verbod kan omvatten, zekere activiteiten, praktijken of toestanden te continueren, waarvan de onrechtmatigheid is vastgesteld (arrest Hof van 6 maart 1974, Istituto Chemioterapico Italiano en Commercial Solvents/Commissie, 6/73 en 7/73, Jurispr. blz. 223, punt 45, en 6 april 1995, RTE en ITP/Commissie, C-241/91 P en C-242/91 P, Jurispr. blz. I-743, punt 90), doch ook het verbod van gelijkaardige gedragingen in de toekomst (arrest Gerecht van 6 oktober 1994, Tetra Pak/Commissie, T-83/91, Jurispr. blz. II-755, punt 220).
165 Voor zover de toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 moet zijn afgestemd op de vastgestelde inbreuk, is de Commissie bevoegd te preciseren, aan welke verplichtingen de betrokken ondernemingen moeten voldoen om een einde aan deze inbreuk te maken. Dergelijke op de ondernemingen rustende verplichtingen mogen evenwel niet verder gaan dan hetgeen passend en noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken, namelijk het herstel van een rechtsconforme toestand (arrest RTE en ITP/Commissie, reeds aangehaald, punt 93; in dezelfde zin arresten Gerecht van 8 juni 1995, Langnese-Iglo/Commissie, T-7/93, Jurispr. blz. II-1533, punt 209, en Schöller/Commissie, T-9/93, Jurispr. blz. II-1611, punt 163).
166 Om in casu dus te bepalen of, zoals verzoekster stelt, het in artikel 2 van de beschikking vervatte gebod een te ruime strekking heeft, moet de omvang van de verschillende daarin aan de ondernemingen opgelegde verboden worden onderzocht.
167 Het in artikel 2, eerste alinea, tweede zin, vervatte verbod, volgens hetwelk de ondernemingen zich voortaan dienen te onthouden van elke overeenstemming of onderling afgestemde feitelijke gedraging die hetzelfde of een gelijksoortig doel of gevolg kan hebben als de in artikel 1 van de beschikking vastgestelde inbreuken, beoogt enkel de ondernemingen te beletten, de gedragingen te herhalen waarvan is vastgesteld dat zij onrechtmatig zijn. Bijgevolg heeft de Commissie, toen zij een dergelijk verbod oplegde, niet de grenzen van de haar bij artikel 3 van verordening nr. 17 verleende bevoegdheden overschreden.
168 De bepalingen in artikel 2, eerste alinea, sub a, b en c, betreffen meer in het bijzonder verboden om voortaan nog commerciële informatie uit te wisselen.
169 Het in artikel 2, eerste alinea, sub a, vervatte verbod om voortaan commerciële informatie uit te wisselen waardoor de deelnemers rechtstreeks of indirect individuele informatie kunnen ontvangen betreffende concurrerende ondernemingen, onderstelt dat de Commissie in de beschikking heeft vastgesteld dat een dergelijke informatie-uitwisseling onrechtmatig is, wat artikel 85, lid 1, van het Verdrag betreft.
170 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat in artikel 1 van de beschikking niet wordt verklaard, dat de uitwisseling van individuele commerciële informatie op zichzelf een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag oplevert.
171 In dit artikel wordt meer in het algemeen bepaald, dat de ondernemingen op dit verdragsartikel inbreuk hebben gemaakt door hun deelname aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging, waarbij de ondernemingen onder meer "ter ondersteuning van de bovengenoemde maatregelen, commerciële informatie uitwisselden over leveringen, prijzen, machinestilstand, orderportefeuilles en bezettingsgraden".
172 Aangezien het dispositief van de beschikking moet worden uitgelegd met inachtneming van haar motivering (arrest Suiker Unie e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 122), moet worden opgemerkt, dat in punt 134, tweede alinea, van de considerans van de beschikking wordt verklaard:
"De uitwisseling van normaal vertrouwelijke en gevoelige individuele commerciële informatie door de producenten op bijeenkomsten van PG Paperboard (voornamelijk het JMC) inzake orderportefeuilles, machinestilstand en productiecijfers was overduidelijk in strijd met de mededinging omdat daarmee beoogd werd te waarborgen dat de voorwaarden voor het uitvoeren van prijsinitiatieven zo gunstig mogelijk waren (...)"
173 Aangezien de Commissie in de beschikking naar behoren heeft overwogen, dat de uitwisseling van individuele commerciële informatie op zichzelf een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag opleverde, voldoet het verbod om voortaan dergelijke informatie uit te wisselen aan de voorwaarden die worden gesteld voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17.
174 De in artikel 2, eerste alinea, sub b en c, van de beschikking bedoelde verboden om commerciële informatie uit te wisselen, moeten worden onderzocht met inachtneming van de tweede, de derde en de vierde alinea van ditzelfde artikel, waarop zij inhoudelijk steunen. In deze context dient namelijk te worden bepaald of, en zo ja, in hoeverre de Commissie de betrokken uitwisseling als onrechtmatig heeft beschouwd, aangezien de omvang van de op de ondernemingen rustende verplichtingen moet worden beperkt tot hetgeen noodzakelijk is om hun gedragingen weer in overeenstemming te brengen met artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
175 De beschikking moet aldus worden uitgelegd, dat de Commissie het Fides-systeem in strijd met artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft beschouwd, voor zover het het vastgestelde kartel steunde (punt 134, derde alinea, van de considerans van de beschikking). Deze uitlegging wordt bevestigd door de tekst van artikel 1 van de beschikking, waaruit blijkt dat de commerciële informatie tussen de ondernemingen is uitgewisseld "ter ondersteuning van de maatregelen" die in strijd met artikel 85, lid 1, van het Verdrag werden geacht.
176 De omvang van de in artikel 2, eerste alinea, sub b en c, van de beschikking vervatte verboden voor de toekomst moet worden beoordeeld met inachtneming van deze interpretatie van de Commissie, betreffende de onverenigbaarheid van het Fides-systeem op dit punt met artikel 85 van het Verdrag.
177 Enerzijds zijn de onderhavige verboden niet beperkt tot de uitwisseling van individuele commerciële informatie, maar gelden zij ook voor de uitwisseling van een aantal geaggregeerde statistische gegevens (artikel 2, eerste alinea, sub b, en tweede alinea, van de beschikking). Anderzijds verbiedt artikel 2, eerste alinea, sub b en c, van de beschikking de uitwisseling van bepaalde statistische informatie om te voorkomen dat zij een steun kunnen opleveren voor eventuele mededingingsverstorende gedragingen.
178 Voor zover een dergelijk verbod de uitwisseling van zuiver statistische informatie dient te beletten, die niet kan worden aangemerkt als individuele of individualiseerbare informatie, op grond dat de uitgewisselde informatie met een mededingingsverstorend oogmerk zou kunnen worden gebruikt, gaat het verder dan hetgeen noodzakelijk is om de vastgestelde gedragingen weer rechtsconform te maken. Enerzijds blijkt uit de beschikking namelijk niet, dat de Commissie de uitwisseling van statistische gegevens op zichzelf als een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft beschouwd. Anderzijds maakt het enkele feit dat een systeem van uitwisseling van statistische informatie met een mededingingsverstorend oogmerk kan worden gebruikt, het nog niet in strijd met artikel 85, lid 1, van het Verdrag, omdat in dergelijke omstandigheden de mededingingsverstorende gevolgen daarvan in het concrete geval moeten worden vastgesteld.
179 Bijgevolg moet artikel 2, eerste tot en met vierde alinea, van de beschikking nietig worden verklaard, behalve wat de navolgende passages betreft:
"De in artikel 1 vermelde ondernemingen dienen onverwijld aan de genoemde inbreuk een einde te maken, voor zover zij zulks niet reeds hebben gedaan. Zij dienen zich voortaan met betrekking tot hun kartonactiviteiten te onthouden van elke overeenstemming of onderling afgestemde feitelijke gedraging die hetzelfde of een gelijksoortig doel of gevolg kan hebben, met inbegrip van elke uitwisseling van commerciële informatie,
a) waardoor de deelnemers rechtstreeks of onrechtstreeks in kennis worden gesteld van de productie, verkoop, orderportefeuille, bezettingsgraden, verkoopprijzen, kosten of afzetplannen van andere individuele producenten.
Elke regeling voor de uitwisseling van algemene informatie waaraan zij deelnemen, zoals het Fides-stelsel of de opvolger daarvan, dient zodanig te worden gehanteerd dat inlichtingen worden uitgesloten waaruit het gedrag van individuele producenten kan worden afgeleid."
De vordering tot intrekking of verlaging van de geldboete
De middelen betreffende de onderwerpen die in gemeenschappelijke pleidooien zijn behandeld
180 Tijdens de informele bijeenkomst van 29 april 1997 is de ondernemingen die beroep hebben ingesteld tegen de beschikking, verzocht om voor het geval van een eventuele voeging van de zaken voor de mondelinge behandeling de mogelijkheid te onderzoeken om voor meerdere partijen gemeenschappelijke pleidooien te houden. Beklemtoond werd daarbij, dat dergelijke gemeenschappelijke pleidooien slechts zouden kunnen worden gehouden door verzoekende partijen die in hun inleidend verzoekschrift inderdaad middelen hadden aangevoerd betreffende de thema's waarover gemeenschappelijk diende te worden gepleit.
181 Bij namens alle betrokken ondernemingen neergelegd faxbericht van 14 mei 1997 hebben zij meegedeeld, te hebben besloten om in het kader van gemeenschappelijke pleidooien zes onderwerpen te behandelen, waaronder in het bijzonder de navolgende:
a) de beschrijving van de markt en het ontbreken van gevolgen van het kartel;
b) het algemene niveau van de geldboeten en de motivering van de beschikking dienaangaande;
c) de motivering betreffende de geldboeten.
182 In haar inleidend verzoekschrift heeft verzoekster geen enkel middel of argument betreffende deze drie onderwerpen aangevoerd. Ter terechtzitting heeft zij niettemin verklaard, dat zij zich aansloot bij de desbetreffende gemeenschappelijke pleidooien.
183 Volgens artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering mogen nieuwe middelen in de loop van het geding niet worden voorgedragen, tenzij zij steunen op juridische of feitelijke omstandigheden waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. In casu heeft verzoekster geen enkele juridische of feitelijke omstandigheid aangevoerd waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken, op grond waarvan de desbetreffende nieuwe middelen zouden mogen worden voorgedragen.
184 Bijgevolg zijn de betrokken middelen die verzoekster voor het eerst ter terechtzitting heeft aangevoerd, niet-ontvankelijk.
De middelen: inaanmerkingneming, door de Commissie, van een onjuiste omzet en een daarmee verbonden schending van de motiveringsplicht en van de rechten van de verdediging
Argumenten van partijen
185 Volgens verzoekster heeft de beschikking blijkens punt 4 van de considerans niet betrekking op bepaalde kartonsoorten, zoals grijskarton, die niet worden gebruikt voor de fabricage van vouwkarton, en worden deze kartonsoorten niet gedekt door de definitie van "karton" in de zin van de beschikking, ook al kunnen deze producten op kartonmachines worden vervaardigd. In punt 3 van de considerans wordt dit bevestigd, aangezien daarin wordt verklaard dat karton "voornamelijk wordt gebruikt voor de fabricage van vouwkarton (...)".
186 Aan het begin van haar onderzoek had de Commissie verzoekster gevraagd, haar totale omzet in de sector en haar omzet van GD-karton mee te delen. In de mededeling van de punten van bezwaar heeft de Commissie evenwel te verstaan gegeven, dat het onderzoek slechts karton betrof dat bestemd was voor de productie van vouwkarton.
187 Drie door verzoekster gefabriceerde producten worden niet gedekt door de definitie van "karton" in de mededeling van de punten van bezwaar en in de beschikking, namelijk de producten Printa, Duplex KO en Silbergrau.
188 Het product Printa is een duplexkarton, dat uit een houthoudende deklaag en een tussenlaag en onderlaag van 100 % oud papier bestaat. Onder verwijzing naar een verklaring van de Papiertechnische Stiftung (hierna: "PTS") verklaart verzoekster, dat deze kwaliteit niet als GD-karton kan worden aangemerkt. Het product Printa is een gemengde kwaliteit, die voornamelijk voor kartonnen verpakkingen en slechts voor een gering deel voor de productie van vouwkarton wordt gebruikt. Enkel om aan te geven dat dit product althans gedeeltelijk ook geschikt is voor de productie van vouwkarton, verkoopt verzoekster deze kwaliteit onder de benaming "pigmentierter UD".
189 Het product Duplex KO is een eenvoudig duplexkarton dat uit een licht gekleurde houthoudende deklaag en een tussenlaag en onderlaag van 100 % oud papier bestaat. Onder verwijzing naar een verklaring van de PTS verklaart verzoekster, dat dit product evenmin als een GD-karton of een UD2-karton kan worden aangemerkt. Het wordt namelijk bijna uitsluitend voor kartonnen verpakkingen geproduceerd en is, wat zijn gebruiksbestemming, kwaliteit of prijzen betreft, niet vergelijkbaar met karton dat voor de productie van vouwkarton bestemd is. Het wordt verkocht onder de afkorting ED ("Einfach Duplex").
190 Het product Silbergrau ten slotte is een zuiver grijskarton.
191 Tegen deze achtergrond heeft verzoekster in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar tegenover de Commissie verklaard, dat zij slechts de kwaliteiten Supra en Bona produceerde. Dit was bevestigd tijdens de hoorzitting voor de Commissie. Verzoeksters vertegenwoordiger heeft namelijk verklaard, dat het product niet als een UD-karton of GD-karton kon worden aangemerkt, en dat de onderneming voor dit product derhalve een eigen rubriek in de mededelingen aan de Fides had opgenomen. Met betrekking tot het product Duplex KO had verzoeksters vertegenwoordiger verklaard, dat deze kwaliteit onder de categorie ED viel en ook in de mededelingen aan de Fides aldus was ingedeeld. Daarbij heeft hij uitdrukkelijk erop gewezen, dat de afkorting "UD" geen juiste omschrijving van het product was.
192 Daar de discussie over verzoeksters producten niet is voortgezet, is zij ervan uitgegaan, dat de producten Printa en Duplex KO buiten de procedure vielen. De Commissie heeft deze discussie pas weer opgevat in een brief van 24 mei 1994, waarin werd verklaard, dat het product Printa zich slechts door zijn geringere dikte van GD2-karton onderscheidde - hetgeen onjuist is -, en dat het product Duplex KO door de handel als een UD-product werd beschouwd.
193 Daar in de beschikking niet wordt ingegaan op de vraag, of zij betrekking heeft op de betrokken producten, is deze handeling gebrekkig gemotiveerd. Volgens de rechtspraak behoeft de Commissie weliswaar niet op argumenten te antwoorden die haar niet relevant lijken (zie arrest ICI/Commissie, reeds aangehaald, punt 318), doch de vraag van de afbakening van de producten waarop de beschikking betrekking heeft, is van wezenlijk belang.
194 De opname van de betrokken producten onder de beschikking levert niet enkel een schending van de motiveringsplicht op, doch ook, wat het verloop van de procedure betreft, een schending van verzoeksters rechten van de verdediging.
195 Ten slotte had de Commissie het bedrag van de geldboete reeds correct kunnen vaststellen op basis van de gegevens die verzoekster in haar brief van 13 mei 1993 heeft meegedeeld. In elk geval waren de noodzakelijke gegevens haar meegedeeld bij verzoeksters brief van 13 mei 1994 en waren deze herhaald in haar brief van 1 juli 1994.
196 De Commissie betoogt, dat zij ruim onder het bij artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 vastgestelde maximum van de geldboeten is gebleven. Verzoekster kan dus niet verlangen, dat een deel van de omzet buiten beschouwing wordt gelaten.
197 De Commissie beklemtoont, dat zij bij haar brief van 24 mei 1994 en naar aanleiding van verzoeksters bezwaar tegen de inaanmerkingneming van een aantal van haar producten, verzoekster heeft gevraagd, de reeds meegedeelde totale omzet uit te splitsen naar haar verschillende producten. In deze brief had zij ook verklaard, waarom de producten Printa en Duplex KO volgens haar als GD-karton moesten worden aangemerkt. Verzoekster heeft evenwel pas geantwoord op 1 juli 1994, dat wil zeggen lang na afloop van de termijn die de Commissie had gesteld op 31 mei 1994, en in deze brief werd de totale omzet nog steeds niet uitgesplitst per door haar geproduceerde kartonkwaliteit. Onder deze omstandigheden mocht de Commissie uitgaan van de totale omzet in de kartonsector, zoals aanvankelijk door verzoekster meegedeeld.
198 Bovendien worden de producten Printa en Duplex KO door de definitie van "karton" in de beschikking gedekt. In dit verband gaat het namelijk niet om de definitie van de relevante markt, doch om de vraag, op welke producten de afspraken van de leden van het kartel betrekking hadden.
199 Dienaangaande blijkt uit punt 4 van de considerans van de beschikking, dat zij niet enkel betrekking heeft op karton dat bestemd is voor de productie van vouwkarton. Slechts bepaalde kartonsoorten, zoals grijskarton dat enkel uit gerecycleerd papier bestaat, zijn uitgesloten. Overigens heeft verzoekster zelf erkend, dat de producten Printa en Duplex KO geschikt zijn voor de productie van vouwkarton. Het product Printa had zij zelf in haar verzoekschrift met de afkorting UD aangeduid. Het is dus duidelijk, dat het een kwaliteit betreft die onder de categorie GD-karton valt.
200 Verzoekster heeft eveneens erkend, dat de mededelingen aan de Fides gegevens betreffende de betrokken producten bevatten, hetgeen erop wijst, dat zij zelf ervan uitging dat het kartel op deze kwaliteiten betrekking had. Ook waren de prijsverhogingen op deze producten toegepast.
201 Bovendien was bij de discussie tijdens de hoorzitting voor de Commissie gebleken, dat de betrokken producten moeten worden geacht, onder de definitie van karton te vallen. Verzoeksters vertegenwoordiger heeft namelijk verklaard, dat de kwaliteit Printa "een GD3-kwaliteit of iets dergelijks" ["something of a GD3"] was. De PG Paperboard gebruikte de afkorting GD3 voor een "white-lined chipboard", die zich slechts door haar geringere dikte van de GD1- of GD2-kwaliteiten onderscheidde. Met betrekking tot het product Duplex KO heeft verzoeksters vertegenwoordiger erkend, dat de concurrenten het als een UD-karton aanmerkten. Ook al duidt verzoekster het aan met de afkorting ED ("Einfach Duplex"), uit de benaming zelf blijkt reeds, dat het een duplexkarton betreft.
202 De betrokken producten worden eveneens als duplexkarton aangeduid in verzoeksters eigen reclamebrochure en bij het product Printa wordt daarbij zelfs gewezen op het gebruik in de vouwkarton- en displaysector. Op dit punt kan geen enkele bewijskracht worden toegekend aan de bevestigingen die verzoekster van de PTS heeft verkregen.
203 De ter bepaling van het bedrag van de geldboeten gebruikte criteria acht de Commissie toereikend uiteengezet in de punten 168 en 169 van de considerans van de beschikking. Aangezien de omzet in de kartonsector een van deze criteria was, behoefde zij niet gedetailleerd uiteen te zetten, dat bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening was gehouden met de producten Printa en Duplex KO (arrest Gerecht van 10 maart 1992, Hüls/Commissie, T-9/89, Jurispr. blz. II-499, punt 363).
204 Ten slotte betwist de Commissie, dat zij in de loop van de procedure van mening is veranderd, aangezien de mededeling van de punten van bezwaar evenals de beschikking een definitie van het voorwerp van de procedure bevatte, die de betrokken producten omvatte.
Beoordeling door het Gerecht
205 Vast staat, dat de Commissie het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete heeft bepaald op basis van de omzet in 1990 uit de verkopen van al haar kartonkwaliteiten, met inbegrip van de producten Printa, Duplex KO en Silbergrau.
206 Eveneens staat vast, dat zij bij de vaststelling van het bedrag van elk van de individuele geldboeten stelselmatig is uitgegaan van de omzet die elk van de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, in 1990 heeft behaald op de kartonmarkt van de Gemeenschap. Daarbij heeft zij enkel de omzet uit de verkopen van karton, zoals gedefinieerd in de beschikking, in aanmerking genomen.
207 De Commissie betwist niet, dat het product Silbergrau een grijskarton is waarop als zodanig de vastgestelde inbreuk geen betrekking had. Daarentegen stelt zij, dat de producten Printa en Duplex KO producten zijn die door de definitie van "karton" in de beschikking worden gedekt, en dat de vastgestelde inbreuk op deze producten betrekking had.
208 Aangezien dit middel moet worden beoordeeld met inachtneming van de bovenvermelde gegevens, moet eerst worden onderzocht, of de beschikking toereikend is gemotiveerd op het punt van de opneming van de producten Printa en Duplex KO in de definitie van het relevante product, en of in dit verband verzoeksters rechten van de verdediging zijn geschonden. Vervolgens zal worden onderzocht, of de Commissie heeft bewezen, dat de in artikel 1 van de beschikking vastgestelde inbreuk betrekking had op de producten Printa en Duplex KO. Ten slotte zal met inachtneming van de conclusies betreffende de vorige punten worden onderzocht, of de Commissie het bedrag van de geldboete mocht vaststellen op basis van de omzet die verzoekster in 1990 heeft behaald uit de verkopen van al haar kartonkwaliteiten.
- De argumenten betreffende schending van de motiveringsplicht en schending van verzoeksters rechten van de verdediging
209 Het is vaste rechtspraak dat de motivering van een bezwarende beschikking een doeltreffende toetsing van de wettigheid ervan mogelijk moet maken en aan de betrokkene de noodzakelijke gegevens moet verschaffen om uit te maken of de beschikking al dan niet gegrond is. De vraag of een dergelijke motivering toereikend is, moet worden beoordeeld naar gelang van de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van de handeling, de aard van de aangevoerde motieven en het mogelijk belang dat de adressaten bij een verklaring kunnen hebben. Om aan deze vereisten te voldoen, dient een toereikende motivering de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig te doen uitkomen (zie met name arrest Gerecht van 28 april 1994, AWS Benelux/Commissie, T-38/92, Jurispr. blz. II-211, punt 26).
210 In punt 4 van de considerans van de beschikking wordt verklaard:
"De voornaamste in West-Europa geproduceerde kartonkwaliteiten zijn:
- $Folding boxboard' (FBB), vouwkarton, vervaardigd met een witte bovenlaag van gebleekte celstof, een tussenlaag van houtpulp of celstof/houtpulp en vaak nog een dunne onderlaag van gebleekte celstof. FBB wordt gewoonlijk gebruikt voor het verpakken van levensmiddelen, cosmetische producten, sigaretten, farmaceutische producten enz.
- $White-lined chipboard' (WLC), op het vasteland van West-Europa ook bekend als Duplex of Triplex, op basis van secundaire of gerecycleerde vezels. Dit product wordt gemaakt met gebleekte celstof op de bovenzijde en afvalpapier op de achterzijde, en wordt normaal gebruikt voor het verpakken van andere dan voedingsproducten.
- $Solid Bleached Sulphate board' (SBS), sulfaatkarton, is een volledig wit, meerlagig produkt, gemaakt van gebleekte celstof. Dit product wordt hoofdzakelijk gebruikt als hoogwaardige verpakking van levensmiddelen, cosmetische producten, farmaceutische producten en sigaretten.
Ook bepaalde andere kartonsoorten (b.v. grijskarton, dat geheel uit afvalpapier wordt gemaakt) kunnen met kartonmachines worden geproduceerd, maar deze vallen niet onder de algemeen door de producenten zelf gehanteerde definitie van $karton' en zijn geen voorwerp van de onderhavige procedure.
De standaardproductbenamingen en -afkortingen die in Duitsland worden gebruikt zijn in de bedrijfstak in geheel West-Europa gangbaar:
- de FBB-kwaliteiten met en zonder deklaag worden aangeduid als respectievelijk $GC' en $UC';
- de aanduidingen $GD' en $UD' staan voor WLC (of $duplex'-karton) met, respectievelijk zonder deklaag, terwijl $GT' en $UT' de overeenkomstige $triplex'-soorten zijn;
- SBS-soorten met en zonder deklaag worden aangeduid als $GZ', respectievelijk $UZ'.
Binnen deze categorieën kunnen verdere onderverdelingen worden gemaakt. GC1, bij voorbeeld, wordt onderscheiden van GC2 vanwege de verschillende achterlaag die wordt gebruikt, GD1 van GD2 wegens het uiteenlopend specifiek volume ervan, enzovoort. Gemakshalve wordt de gehele primaire vezelsector dikwijls aangeduid als de $GC-kwaliteiten', en alle gerecycleerde kwaliteiten als $GD-kwaliteiten'. Dit is, waar nodig, ook in de onderhavige beschikking gedaan."
211 Uit deze beschrijving van de door de beschikking bedoelde producten blijkt, dat de Commissie in aanmerking heeft genomen, dat de term "karton" velerlei producten omvat en dat het derhalve niet een nauwkeurige betekenis heeft. In het bijzonder doet de vermelding van de Commissie dat "bepaalde andere kartonsoorten" die met kartonmachines kunnen worden geproduceerd, geen voorwerp van de beschikking zijn (punt 4, tweede alinea, van de considerans), duidelijk uitkomen dat de Commissie ervan is uitgegaan, dat de producten waarop de beschikking betrekking heeft, niet enkel door een verwijzing naar de term "karton" konden worden bepaald.
212 Aangezien de Commissie heeft beklemtoond, dat de vermeldingen in punt 4 van de considerans betrekking hebben op "de voornaamste in West-Europa geproduceerde kartonkwaliteiten", kunnen zij bovendien niet als een uitputtende definitie van de door de beschikking bedoelde producten worden beschouwd. Punt 4 van de considerans moet derhalve aldus worden opgevat, dat daarin de voornaamste producten waarop de beschikking betrekking heeft, worden beschreven aan de hand van hun technische kenmerken (grondstof, dikte en gebruiksbestemming). Het feit dat een bepaald product in dit punt niet uitdrukkelijk wordt vermeld, noch direct onder de daarin voorkomende technische specificaties valt, betekent op zichzelf niet, dat het een kartonkwaliteit betreft waarop de beschikking geen betrekking heeft.
213 De Commissie kan niet worden verweten, dat zij aldus de door de beschikking bedoelde producten niet uitputtend heeft omschreven.
214 In de eerste plaats kunnen in een geval als het onderhavige de door de beschikking bedoelde producten aan de hand van hun technische kenmerken worden bepaald door verwijzing naar de producten waarop de vastgestelde inbreuk betrekking heeft. Indien de beschikking in haar geheel doet uitkomen, dat de gestelde inbreuk op een bepaald product betrekking heeft en de bewijzen tot staving van een dergelijke conclusie vermeldt, belet het enkele feit dat in deze beschikking de betrokken producten niet nauwkeurig en uitputtend worden opgesomd, derhalve niet noodzakelijkerwijze, dat de gemeenschapsrechter de wettigheid van deze beschikking op doeltreffende wijze kan toetsen, en betekent dat evenmin noodzakelijkerwijze, dat zij de belanghebbende onderneming niet de noodzakelijke gegevens verschaft om uit te maken of de beschikking al dan niet gegrond is.
215 In de tweede plaats merkt de Commissie weliswaar op (punt 4, derde alinea, van de considerans), dat in de bedrijfstak de standaardproductbenamingen en -afkortingen die in Duitsland worden gebruikt, gangbaar zijn, doch uit het dossier (zie voor de verschillende indelingen van de kartonproducten bijlagen 1-4 bij de mededeling van de punten van bezwaar) blijkt, dat er geen door de gehele bedrijfstak gebruikte standaardclassificatie bestaat op basis waarvan alle in West-Europa geproduceerde kartonkwaliteiten nauwkeurig en volledig kunnen worden gedefinieerd.
216 Deze vaststelling wordt bevestigd door het navolgende commentaar van verzoeksters representant betreffende het product Printa tijdens de hoorzitting voor de Commissie:
"De aan de Fides meegedeelde cijfers betroffen de GD2-kwaliteit en wij produceerden een speciaal karton, Printa genaamd, dat niet nauwkeurig was gedefinieerd: het paste niet in deze categorieën UD en GD. Het was een GD3-kwaliteit of iets dergelijks." (blz. 47 van het proces-verbaal van de hoorzitting).
217 In de derde plaats stelt verzoekster niet, dat de gegevens in punt 4 van de considerans van de beschikking onjuist zijn. Bijgevolg moet ervan worden uitgegaan, dat deze vermeldingen een juiste en relevante beschrijving geven van de voornaamste kartonkwaliteiten waarop de beschikking betrekking heeft.
218 Op grond van de voorgaande overwegingen is het Gerecht van oordeel, dat de beschikking een toereikende motivering bevat, aan de hand waarvan in het algemeen kan worden bepaald, op welke producten de vastgestelde inbreuk betrekking had. Aangezien verzoekster tijdens de administratieve procedure voor de Commissie evenwel heeft betwist, dat de producten Printa en Duplex KO kunnen worden geacht het voorwerp van deze procedure te zijn geweest, moet worden onderzocht, of de Commissie dit specifiek had moeten motiveren.
219 Dienaangaande zij vastgesteld, dat in de beschikking niet uitdrukkelijk wordt verklaard, of zij betrekking heeft op de producten Printa en Duplex KO.
220 Uit de bewijsstukken waarop de Commissie zich in de beschikking beroept, blijkt dat de besprekingen met een mededingingsverstorend doel in het kader van een aantal organen van de PG Paperboard in het bijzonder betrekking hadden op de producten die door de producenten zelf met de afkortingen GD en UD werden aangeduid (zie met name de bij Finnboard aangetroffen prijslijst, vermeld in punt 79 van de considerans, en bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar, een stuk dat wordt vermeld in punt 87 van de considerans).
221 Verder wordt in een brief van de Commissie aan verzoekster van 24 mei 1994 uiteengezet, om welke redenen de instelling heeft geconcludeerd, dat de betrokken producten als het onderwerp van deze besprekingen moeten worden beschouwd.
222 In deze brief verklaart de Commissie namelijk:
"Zoals reeds in de mededeling van de punten van bezwaar, de Fides-documenten en de hoorzitting is gepreciseerd, beperkt bovengenoemde procedure, voor zover zij de kwaliteiten op basis van recycleerbaar materiaal betreft, zich niet tot de kwaliteiten GD1 en GD2
Uw karton $Printa', waarvan de indeling als GD3-kwaliteit slechts gebruikelijk is in Duitsland, onderscheidt zich van de kwaliteit GD2 enkel op grond van zijn geringere dikte (maximaal 1,3 cm3/gr in plaats van 1,4 cm3/gr; zie bijlage 4 bij de mededeling van de punten van bezwaar). Uw karton $Duplex KO' of ED (Einfach Duplex) wordt in de handel, zoals u zelf bevestigt, als een UD-kwaliteit beschouwd (duplex zonder deklaag), ook al lijkt u zelf dit gelijk te stellen met de kwaliteit GK ($Silbergrau')."
223 Hoewel deze verklaring niet in de beschikking is overgenomen, kon verzoekster dus niet onkundig zijn van de redenen waarom de Commissie ervan is uitgegaan dat de ten laste gelegde mededingingsverstorende gedragingen betrekking hadden op de producten Printa en Duplex KO. Deze vaststelling wordt overigens bevestigd door het feit dat uit verzoeksters argumenten in haar inleidend verzoekschrift blijkt, dat zij zich ten volle bewust was van de redenering van de Commissie.
224 Gelet op alle voorgaande overwegingen, moet de motivering van de beschikking als toereikend worden beschouwd om de wettigheid ervan doeltreffend te kunnen toetsen en aan verzoekster de noodzakelijke gegevens te verschaffen om uit te maken of de beschikking al dan niet gegrond is.
225 Aangezien de redenering van de Commissie voldoende duidelijk is uiteengezet in haar brief aan verzoekster van 24 mei 1994, dient eveneens verzoeksters argument betreffende een schending van haar rechten van de verdediging te worden afgewezen. Anders dan verzoekster lijkt te stellen, is er geen reden om aan te nemen, dat de Commissie haar standpunt in de loop van de administratieve procedure heeft gewijzigd, aangezien de mededeling van de punten van bezwaar een definitie van karton bevat die nagenoeg identiek is met die in punt 4 van de considerans van de beschikking.
- De vraag of de inbreuk betrekking had op de producten Printa en Duplex KO
226 Zoals reeds in herinnering is gebracht, hadden de besprekingen met een concurrentieverstorend doel in het bijzonder betrekking op de producten die door de producenten zelf werden aangeduid met de afkortingen GD en UD.
227 Met betrekking tot het product Printa moet worden vastgesteld, dat de door verzoeksters vertegenwoordiger tijdens de hoorzitting voor de Commissie verstrekte inlichting, dat dit product "een GD3-kwaliteit of iets dergelijks" was ["was something of a GD3 or something like that"], op zichzelf een sterke aanwijzing oplevert, dat dit product onderwerp van bespreking was. Hetzelfde geldt met betrekking tot het feit dat verzoekster bij de verkoop van het product de benaming "pigmentierter UD" heeft gebruikt.
228 In dit verband moet verzoeksters verklaring dat zij de benaming "pigmentierter UD" bij de verkoop van haar product Printa enkel heeft gebruikt om aan te geven dat dit product ook voor de vervaardiging van vouwkarton kon worden gebruikt, als niet gestaafd te worden afgewezen.
229 De door verzoekster van de PTS verkregen verklaring, dat dit karton niet als GD-karton kon worden gekwalificeerd, dient eveneens te worden afgewezen, aangezien deze geen bewijskracht heeft. Verzoekster heeft namelijk geen enkele inlichting verstrekt omtrent de door de PTS gebruikte indelingscriteria.
230 Het Gerecht stelt vast, dat de stukken betreffende de door verzoekster aangekondigde en ten uitvoer gelegde prijsverhogingen geen enkel gegeven bevatten waaruit blijkt, dat de in de PG Paperboard overeengekomen prijsverhogingen geen betrekking hadden op het product Printa. Daarentegen blijkt uit een brief van verzoekster van 8 maart 1989, waarin een prijsverhoging voor 1 mei 1989 werd aangekondigd (document D-7-5) - het enige document waarin onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende door verzoekster vervaardigde producten -, dat de voor het product Printa aangekondigde prijsverhoging (9 DM) identiek was met de in de PG Paperboard overeengekomen verhoging (tabel D in bijlage bij de beschikking) en met de prijsverhoging welke door verzoekster voor de producten Supra en Bona, die tot de GD-kwaliteit behoren, is aangekondigd.
231 Zo gezien, heeft de Commissie bewezen dat de vastgestelde inbreuk eveneens betrekking had op het product Printa.
232 Met betrekking tot het product Duplex KO verklaart verzoekster, zonder door de Commissie te worden weersproken, dat zij de afkorting ED voor dit product heeft gebruikt in de inlichtingen die zij aan de Fides heeft meegedeeld. Bovendien werd ED-karton in de Fides-statistieken ingedeeld als GK1-karton, een grijskarton (Graukarton).
233 Uit verzoeksters brief van 8 maart 1989 (bovengenoemd document D-7-5) blijkt eveneens, dat de voor het product Duplex KO aangekondigde prijsverhoging (7 DM) lager was dan die welke in de PG Paperboard was overeengekomen (zie tabel D in bijlage bij de beschikking) en welke door verzoekster was aangekondigd voor de producten Supra, Bona en Printa. Daarentegen was de voor het product Duplex KO aangekondigde prijsverhoging identiek met die welke was aangekondigd voor het product Silbergrau (een door verzoekster geproduceerd grijskarton).
234 Onder deze omstandigheden kan het feit dat verzoeksters vertegenwoordiger tijdens de hoorzitting voor de Commissie heeft verklaard, dat "enige van onze concurrenten zeiden, dat [Duplex KO] in de categorie UD kon worden ingedeeld (...)" ["some of our competitors said (Duplex KO) could be put into the category of UD (...)"], geen genoegzaam bewijs opleveren, dat de binnen bepaalde organen van de PG Paperboard gevoerde besprekingen met een mededingingsverstorend doel op dit product betrekking hadden.
235 Gelet op het voorgaande, heeft de Commissie bewezen dat de vastgestelde inbreuk betrekking had op het product Printa, doch niet dat zij eveneens betrekking had op het product Duplex KO.
- De bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete gebruikte omzet
236 Vaststaat dat het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete is vastgesteld op basis van de omzet uit haar kartonverkopen in de Gemeenschap in 1990. Deze aan de Commissie bij brief van 25 september 1991 meegedeelde omzet betreft alle verkopen van door verzoekster vervaardigde kartonproducten. Uit de voorgaande overwegingen blijkt evenwel, dat de vastgestelde inbreuk geen betrekking had op de producten Silbergrau en Duplex KO.
237 Onder deze omstandigheden kan het argument van de Commissie, dat het bedrag van de geldboete in elk geval ruim onder het in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 bepaalde maximum van de geldboeten blijft, niet worden aanvaard. Overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling, volgens hetwelk vergelijkbare situaties behoudens objectieve rechtvaardiging niet verschillend mogen worden behandeld, had de Commissie, zoals zij met betrekking tot de andere in artikel 1 van de beschikking vermelde ondernemingen heeft gedaan, moeten uitgaan van verzoeksters omzet in de Gemeenschap in 1990 uit de verkoop van enkel de producten waarop de vastgestelde inbreuk betrekking had.
238 Het feit dat verzoekster de omzet uit alle verkopen van door haar vervaardigde kartonproducten niet per productcategorie heeft uitgesplitst, ondanks het daartoe strekkende verzoek van de Commissie in een brief van 24 mei 1994, is geen voldoende rechtvaardiging.
239 Bij haar brief van 24 mei 1994 heeft de Commissie verklaard, waarom de producten Printa en Duplex KO als karton in de zin van de procedure moesten worden beschouwd. Verder heeft zij verzoekster verzocht, de omzet over de laatste vijf jaar naar alle GD-kartons, Duplex KO en grijskarton uit te splitsen en haar de desbetreffende inlichtingen uiterlijk 31 mei 1994 toe te zenden.
240 Verzoekster heeft deze brief pas beantwoord op 1 juli 1994, waarbij zij haar standpunt herhaalde dat de producten Printa en Duplex KO geen voorwerp van de procedure dienden te zijn, zonder de gevraagde uitsplitsing van de omzet te verstrekken, zoals zij had moeten doen.
241 De brief van de Commissie van 24 mei 1994 bevatte evenwel geen enkele verwijzing naar artikel 11 van verordening nr. 17. Het kon de Commissie niet onbekend zijn, dat de omzet waarvan zij is uitgegaan, onder meer de omzet uit de verkopen van grijskarton (Silbergrau) omvatte en dus te hoog was, ongeacht de vraag of de producten Printa en Duplex KO juist waren ingedeeld, zoals wordt betwist.
242 Onder deze omstandigheden had zij een verzoek om inlichtingen uit hoofde van artikel 11 van verordening nr. 17 tot verzoekster moeten richten om de inlichtingen te verkrijgen welke noodzakelijk waren om het bedrag van de geldboete correct te kunnen vaststellen. Zij kan dus niet met recht stellen, dat het bedrag van de geldboete op basis van een te hoge omzet is vastgesteld als gevolg van verzoeksters eigen gedrag tijdens de administratieve procedure.
243 Aangezien verzoekster in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht gegevens heeft verstrekt op grond waarvan kan worden vastgesteld welk percentage van de verkopen van kartonproducten in de Gemeenschap in 1990 producten betrof waarop de vastgestelde inbreuk geen betrekking had, zal het Gerecht in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht op het gebied van de geldboeten het bedrag van de geldboete verlagen op grond dat de omzet uit de verkopen van de producten Silbergrau en Duplex KO bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete niet in aanmerking had mogen worden genomen (zie punt 278 infra).
244 Voor het overige dient het middel te worden afgewezen.
Het middel: beperkte deelneming van verzoekster aan de organen van de PG Paperboard, alsmede ontbreken van opzet
Argumenten van partijen
245 Verzoekster verwijst hoofdzakelijk naar de middelen die zijn aangevoerd tot staving van de conclusie tot nietigverklaring van artikel 1 van de beschikking. Zij heeft slechts gedurende een korte periode aan het Fides-systeem van informatie-uitwisseling deelgenomen en slechts af en toe vergaderingen van het JMC bijgewoond. Gelet op het specifieke doel van deze deelneming, haar duidelijk ondergeschikte positie op de markt en het feit dat zij niet had deelgenomen aan de beweerde kartels betreffende de capaciteiten of de marktaandelen, had de Commissie bovendien de in punt 169 van de beschikking vermelde criteria niet correct toegepast. Dienaangaande stelt verzoekster ongelijke behandeling ten opzichte van de ondernemingen die volledig hebben deelgenomen aan het kartel, aangezien de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van de haar opgelegde geldboete kennelijk is uitgegaan van het normale niveau van 7,5 % van de omzet.
246 Zelfs aangenomen dat verzoekster inbreuk heeft gemaakt op artikel 85 van het Verdrag, was zij destijds van mening, dat haar deelneming aan het Fides-systeem van informatie-uitwisseling en haar sporadische deelneming aan enig vergaderingen van het JMC geoorloofd waren, te meer daar het doel van deze deelneming duidelijk indruiste tegen de belangen van de andere producenten. Zij erkent dat de verlaging van de geldboete met 25/60 - waarbij de noemer van de breuk overeenkomt met de in maanden uitgedrukte totale periode van de inbreuk waarvan de Commissie is uitgegaan bij de vaststelling van het bedrag van de individuele geldboeten - op juiste wijze rekening houdt met de korte duur van een eventuele betrokkenheid bij een onrechtmatig kartel.
247 Daarvan afgezien, is haars inziens in de beschikking ten onrechte ervan uitgegaan, dat haar directeur tijdens de hoorzitting voor de Commissie heeft toegegeven, dat geen belastende aantekeningen betreffende de vergaderingen van het JMC mochten worden bewaard.
248 De Commissie betoogt dat zij, door uit te gaan van de kartonomzet, rekening heeft gehouden met de betrekkelijk ondergeschikte rol van verzoekster in de bedrijfstak. Ook heeft zij op juiste wijze rekening gehouden met de kortere duur van haar betrokkenheid bij het kartel, door het bedrag van de geldboete met 25/60 te verlagen. Ten slotte blijkt uit het feit dat zij verzoekster niet als een van de kopstukken heeft beschouwd, dat rekening is gehouden met haar geringere betrokkenheid bij het kartel.
249 Met betrekking tot verzoeksters argument betreffende het ontbreken van opzet merkt de Commissie op, dat het voor de vaststelling dat een inbreuk opzettelijk is gepleegd, volstaat dat de onderneming niet onkundig kon zijn van de omstandigheid dat de gewraakte handelwijze ertoe strekte de mededinging te beperken (arrest Hof van 11 juli 1989, Belasco e.a./Commisise, 246/86, Jurispr. blz. 2117, punt 41). Gelet op de zwaarte en het duidelijke karakter van de inbreuk, welke uitdrukkelijk onder de termen van artikel 85, lid 1, van het Verdrag valt, kan verzoekster niet serieus betwisten dat zij op de hoogte was van het mededingingsverstorende doel van het kartel (arrest ICI/Commissie, reeds aangehaald, punten 344 en 353). Het feit dat de deelnemers aan het kartel hebben geprobeerd hun afspraken geheim te houden, toont aan dat zij zich van de onrechtmatigheid van hun gedrag bewust waren (arrest Belasco e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 41, en arrest Gerecht van 10 maart 1992, Chemie Linz/Commissie, T-15/89, Jurispr. blz. II-1275, punt 350).
250 Ten slotte blijft de Commissie erbij, dat zij de verklaringen van verzoeksters directeur betreffende de maatregelen die waren getroffen om het kartel geheim te houden, in de beschikking correct heeft weergegeven. In antwoord op de vraag of alle deelnemers wisten, dat geen aantekeningen dienden te worden gemaakt, heeft hij geantwoord: "Well, maybe somebody said so. Yes, maybe yes". Bovendien hebben de leden van het kartel op een wijze die veel verder ging dan de gebruikelijke mate van geheimhouding, geprobeerd het bestaan van het kartel te verhullen door bijvoorbeeld een systeem van niet gelijktijdige aankondigingen van de prijsverhogingen op te zetten (punt 73 van de considerans van de beschikking).
Beoordeling door het Gerecht
251 Het te onderzoeken middel valt uiteen in twee onderdelen. In het eerste onderdeel betoogt verzoekster, dat haar beperkte deelneming aan de organen van de PG Paperboard door de Commissie niet juist is beoordeeld bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete. In het tweede onderdeel betwist zij, dat zij opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Elk van deze beide onderdelen zal afzonderlijk worden onderzocht.
- Het eerste onderdeel van het middel
252 De Commissie heeft aangetoond, dat verzoekster door haar deelneming aan de vergaderingen van het JMC gedurende de periode van 1988 tot eind 1990 betrokken was bij een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen en een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand.
253 Daarentegen is erkend, dat verzoekster niet aansprakelijk kon worden gesteld voor een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen.
254 Het Gerecht zal de vraag van de eventuele consequenties van deze omstandigheid voor het bedrag van de geldboete in het kader van zijn volledige rechtsmacht op het gebied van de geldboeten onderzoeken bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk (zie punten 274-277 infra).
255 Wat de vaststelling van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete betreft, blijkt uit een door de Commissie in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht overgelegde tabel, dat hiertoe het percentage van de omzet is aangehouden dat is toegepast op de ondernemingen die niet als de "kopstukken" van het kartel werden beschouwd, dat wil zeggen 7,5 %. Verder blijkt, dat de Commissie ook rekening heeft gehouden met de beperkte duur van verzoeksters betrokkenheid bij het kartel.
256 Gelet op deze omstandigheden, heeft de Commissie verzoeksters rol in het kartel correct beoordeeld door haar een geldboete op te leggen die uiteindelijk neerkomt op 4,4 % van de omzet in 1990 op de kartonmarkt van de Gemeenschap, dat wil zeggen 7,5 %, gerelateerd aan de tegen verzoekster in aanmerking genomen duur van de inbreuk.
257 Het eerste onderdeel van het middel dient bijgevolg te worden afgewezen.
- Het tweede onderdeel van het middel
258 Uit punt 167, tweede alinea, van de considerans van de beschikking blijkt, dat "de ondernemingen waartoe de [...] beschikking is gericht, artikel 85 doelbewust hebben overtreden".
259 Het is vaste rechtspraak, dat voor de vaststelling dat een inbreuk opzettelijk is begaan, niet vereist is, dat de onderneming zich ervan bewust was, het verbod van artikel 85 van het Verdrag te overtreden. Het volstaat dat de onderneming niet onkundig kon zijn van de omstandigheid, dat de gewraakte handelwijze ertoe strekte of ten gevolge had dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt werd verhinderd (arrest Belasco e.a., reeds aangehaald, punt 41, en arrest Gerecht, Dansk Pelsdyravlerforening/Commissie, T-61/89, Jurispr. blz. II-1931, punt 157).
260 In casu volstaat de vaststelling, dat verzoekster heeft deelgenomen aan de vergaderingen van het JMC, het orgaan waarvan het mededingingsverstorende doel door de Commissie is aangetoond, alsmede aan de onderlinge afgestemde prijsverhogingen.
261 Bovendien gaat het bij de ten aanzien van verzoekster vastgestelde inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag om een duidelijke inbreuk.
262 Ten slotte moet verzoeksters argument dat haar vertegenwoordiger tijdens de hoorzitting voor de Commissie niet heeft toegegeven dat de deelnemers aan de vergaderingen van het JMC ervan werden weerhouden om aantekeningen te maken, als niet relevant worden beschouwd.
263 Zoals namelijk reeds is opgemerkt (punt 67 supra), vormen het ontbreken van officiële notulen en het nagenoeg volledig ontbreken van interne notities betreffende deze vergaderingen wegens het aantal, de duur in de tijd en de aard van de betrokken besprekingen genoegzaam bewijs voor de bewering van de Commissie, dat degenen die de vergaderingen bijwoonden, werden ontmoedigd aantekeningen te maken.
264 Bijgevolg is het tweede onderdeel van het middel niet gegrond.
265 Gelet op het voorgaande, dient het middel in zijn geheel te worden afgewezen.
Het middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling
Argumenten van partijen
266 Verzoekster betoogt, dat het beginsel van gelijke behandeling is geschonden, aangezien het bedrag van haar geldboete, ondanks haar bereidheid tot medewerking, niet is verlaagd. Zij heeft haar sporadische deelneming aan de vergaderingen van het JMC en haar deelneming aan het Fides-systeem van informatie-uitwisseling spontaan toegegeven. De Commissie zelf erkent verzoeksters medewerking op het punt van haar deelneming aan de vergaderingen van het JMC. Zij had derhalve in de mate van het mogelijke medegewerkt, omdat zij niet een niet bestaande deelneming had kunnen toegeven.
267 Door het bedrag van de aan Rena en Stora opgelegde geldboeten met twee derde te verlagen, doch de geldboete van verzoekster niet, heeft de Commissie haar derhalve ongunstiger behandeld.
268 Verzoekster was ook ongunstiger behandeld ten opzichte van de ondernemingen waarvan de geldboete met een derde is verlaagd omdat zij in hun antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar de tegen hen ingebrachte punten van bezwaar niet hadden ontkend.
269 De Commissie betoogt, dat verzoeksters medewerking niet beslissend was voor de vaststelling van de feiten. Zij heeft haar deelneming aan enkele vergaderingen van het JMC toegegeven, doch heeft steeds gesteld, dat zij daaraan slechts had deelgenomen om nauwkeurige inlichtingen te kunnen krijgen met het oog op geplande investeringen. Zij heeft elke betrokkenheid bij een onrechtmatig kartel betreffende de prijzen en de hoeveelheden ontkend.
Beoordeling door het Gerecht
270 In haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar heeft verzoekster toegegeven, dat zij heeft deelgenomen aan het Fides-systeem van informatie-uitwisseling en aan een aantal vergaderingen van het JMC. In ditzelfde antwoord heeft zij - evenals opnieuw in haar inleidend verzoekschrift - evenwel ontkend, dat zij betrokken was bij een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen en een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand.
271 Terecht heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld, dat verzoekster, door aldus te antwoorden, zich niet op een wijze heeft gedragen die een verlaging van de geldboete wegens medewerking tijdens de administratieve procedure rechtvaardigt. Een verlaging om die reden is namelijk slechts gerechtvaardigd, indien het gedrag de Commissie in staat heeft gesteld om een inbreuk met minder moeilijkheden vast te stellen en daaraan in voorkomend geval een einde te maken (zie arrest ICI/Commissie, reeds aangehaald, punt 393).
272 Het middel dient derhalve te worden afgewezen.
273 Uit al het voorgaande volgt, dat artikel 1, achtste streepje, van de beschikking nietig moet worden verklaard wat verzoekster betreft, en dat artikel 2 gedeeltelijk nietig moet worden verklaard wat haar betreft.
274 Met betrekking tot de bij artikel 3 van de beschikking aan verzoekster opgelegde geldboete moet om te beginnen worden bepaald, of het feit dat de door verzoekster gepleegde inbreuk niet kan worden geacht een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen te omvatten, reden moet zijn om het bedrag van deze geldboete te verlagen.
275 In de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht is het Gerecht van oordeel, dat de ten aanzien van verzoekster vastgestelde inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag zodanig zwaar blijft, dat er geen termen aanwezig zijn om het bedrag van de geldboete te verlagen.
276 Dienaangaande zij opgemerkt, dat verzoekster niet de vergaderingen van de PWG heeft bijgewoond en haar dus niet een sanctie is opgelegd als "kopstuk" van het kartel. Aangezien zij niet, in de woorden van de Commissie zelf, een "stuwende kracht" van het kartel was (punt 170, eerste alinea, van de considerans van de beschikking), bedraagt het niveau van de geldboete waarvan ten aanzien van verzoekster is uitgegaan, 7,5 % van haar communautaire omzet in de kartonsector in 1990. Dit algemene niveau van de geldboeten lijkt gerechtvaardigd.
277 Zelfs indien de Commissie ten onrechte ervan is uitgegaan, dat de producenten die niet in de PWG vertegenwoordigd waren, "op de hoogte waren" van de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen (punt 58, eerste alinea, van de considerans), blijkt niettemin uit de beschikking zelf, dat de ondernemingen in de PWG een afspraak hebben gemaakt over de "bevriezing" van de marktaandelen (in het bijzonder punt 52 van de considerans), doch dat niet is gesproken over de marktaandelen van de producenten die niet daarin vertegenwoordigd waren. Zoals de Commissie in punt 116, tweede alinea, van de considerans van de beschikking heeft verklaard, hadden overigens "de overeenkomsten ter verdeling van de markt (in het bijzonder het in de punten 56 en 57 beschreven bevriezen van marktaandelen) juist vanwege de aard ervan voornamelijk betrekking op de grote producenten". De heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen waarvoor verzoekster ten onrechte aansprakelijk is gesteld, was volgens de Commissie zelf dus slechts accessoir ten opzichte van in het bijzonder de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen.
278 Met betrekking tot de middelen, strekkende tot intrekking of verlaging van de geldboete, heeft het Gerecht vastgesteld, dat de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete ten onrechte is uitgegaan van de omzet die verzoekster in 1990 heeft behaald uit de verkopen van de producten Duplex KO en Silbergrau. In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft verzoekster een door een accountant bevestigde verklaring overgelegd, waarin de door haar in 1990 behaalde omzet per kartonproduct wordt uitgesplitst. Aan de hand van deze verklaring kan het Gerecht vaststellen, hoe groot het aandeel van verzoeksters omzet is dat de Commissie ten onrechte in aanmerking heeft genomen. Aangezien de andere middelen zijn afgewezen, zal het Gerecht in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht het bedrag van de bij artikel 3 van de beschikking aan verzoekster opgelegde geldboete vaststellen op 730 000 ECU.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
279 Volgens artikel 87, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Aangezien het beroep slechts gedeeltelijk is toegewezen, zal het Gerecht de omstandigheden van de zaak billijk beoordelen, wanneer het beslist dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer - uitgebreid),
rechtdoende:
1) Verklaart artikel 1 van beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton) nietig wat verzoekster betreft.
2) Verklaart artikel 2, eerste tot en met vierde alinea, van beschikking 94/601 nietig wat verzoekster betreft, behalve de navolgende passages:
"De in artikel 1 vermelde ondernemingen dienen onverwijld aan de genoemde inbreuk een einde te maken, voor zover zij zulks niet reeds hebben gedaan. Zij dienen zich voortaan met betrekking tot hun kartonactiviteiten te onthouden van elke overeenstemming of onderling afgestemde feitelijke gedraging die hetzelfde of een gelijksoortig doel of gevolg kan hebben, met inbegrip van elke uitwisseling van commerciële informatie,
a) waardoor de deelnemers rechtstreeks of onrechtstreeks in kennis worden gesteld van de productie, verkoop, orderportefeuille, bezettingsgraden, verkoopprijzen, kosten of afzetplannen van andere individuele producenten.
Elke regeling voor de uitwisseling van algemene informatie waaraan zij deelnemen, zoals het Fides-stelsel of de opvolger daarvan, dient zodanig te worden gehanteerd dat inlichtingen worden uitgesloten waaruit het gedrag van individuele producenten kan worden afgeleid."
3) Bepaalt het bedrag van de bij artikel 3 van beschikking 94/601 aan verzoekster opgelegde geldboete op 730 000 ECU.
4) Verwerpt het beroep voor het overige.
5) Verstaat dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy