Zaak T-330/94
Salt Union Ltd
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
«Staatssteun – Weigering van Commissie om dienstige maatregelen voor te stellen in de zin van artikel 93, lid 1, van het Verdrag – Beroep tot nietigverklaring – Niet-ontvankelijkheid»
Arrest van het Gerecht (Derde kamer ─ uitgebreid) van 22 oktober 1996
Samenvatting van het arrest
Beroep tot nietigverklaring – Voor beroep vatbare handelingen – Weigering van Commissie om dienstige maatregelen voor te stellen in zin van artikel 93, lid 1, van Verdrag – Daarvan uitgesloten
(EG-Verdrag, art. 93, lid 1, en 173) In het kader van het onderzoek van de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring van een afwijzend besluit van een instelling, moet dit besluit worden beoordeeld aan de hand van de aard van het verzoek waarop het een antwoord vormt. Wanneer de Commissie na een verzoek van een onderneming weigert om aan de regering van een Lid-Staat dienstige maatregelen in de zin van artikel 93, lid 1, van het Verdrag voor te stellen met betrekking tot een algemene steunregeling, is een dergelijke weigering niet een voor beroep op grond van artikel 173 van het Verdrag vatbare handeling, wanneer de gevraagde handeling niet op grond van deze bepaling kan worden aangevochten.Een dergelijke handeling vormt immers geen maatregel die bindende rechtsgevolgen in het leven roept, welke de belangen van deze onderneming kunnen aantasten, omdat volgens de tekst zelf van artikel 93, lid 1, van het Verdrag de dienstige maatregelen slechts voorstellen zijn, waarnaar de betrokken staat niet verplicht zou zijn zich te voegen.
ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer ─ uitgebreid)
22 oktober 1996 (1)
„Staatssteun – Weigering van Commissie om dienstige maatregelen voor te stellen in de zin van artikel 93, lid 1, van het Verdrag – Beroep tot nietigverklaring – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak T-330/94,
Salt Union Ltd, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Cheshire (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door J. Scott en C. Pouncey, Solicitors, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van G. Baden, advocaat aldaar, Boulevard Royal 8,
verzoekster, ondersteund doorVerein Deutsche Salzindustrie eV, vereniging naar Duits recht, gevestigd te Bonn (Duitsland), vertegenwoordigd door T. Jestaedt, advocaat te Düsseldorf, en W. Klosterfelde en K. Metzlaff, advocaten te Hamburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van P. Dupont, advocaat aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
interveniënte,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door N. Khan en J.-P. Keppenne en vervolgens door N. Kahn en P. Nemitz, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster, ondersteund doorFrima BV, vennootschap naar Nederlands recht, gevestigd te 's-Gravenhage (Nederland), aanvankelijk vertegenwoordigd door T. Ottervanger, advocaat te Rotterdam, en H. Nyssens, advocaat te Brussel, vervolgens alleen door T. Ottervanger, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van C. Zeyen, advocaat aldaar, Rue Ermesinde 67,
interveniënte,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beschikking, vervat in een brief van 5 augustus 1994, waarbij de Commissie heeft meegedeeld, dat zij geen aanleiding zag om met betrekking tot de Nederlandse Subsidieregeling regionale investeringsprojecten 1991 dienstige maatregelen voor te stellen in de zin van artikel 93, lid 1, EG-Verdrag,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer ─ uitgebreid),
samengesteld als volgt: C. P. Briët, kamerpresident, B. Vesterdorf, P. Lindh, A. Potocki en J. D. Cooke, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 2 juli 1996,
het navolgende
Arrest
De aan het geschil ten grondslag liggende feiten
1 Bij schrijven van 24 september 1990 meldde de Nederlandse regering overeenkomstig artikel 93, lid 3, EEG-Verdrag bij de Commissie een algemene regeling inzake regionale steun voor de periode 1991 tot 1994 aan, genoemd Subsidieregeling regionale investeringsprojecten 1991 (hierna: Nederlandse regeling). Na onderzoek deelde de Commissie de Nederlandse regering bij schrijven van 27 december 1990 mee, dat zij de Nederlandse regeling op grond van artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt beschouwde (hierna: goedkeuringsbeschikking).
2 De goedkeuringsbeschikking werd in het Twintigste Verslag over het mededingingsbeleid (punt 330) beknopt samengevat als volgt: In december besloot de Commissie akkoord te gaan met de hoofdlijnen van het Nederlandse regionale beleid voor 1991-1994, waarin wordt gestreefd naar verlaging van het steunpercentage en van het aantal regio's dat in aanmerking komt voor investeringssteun.De Commissie heeft geen bezwaar gemaakt tegen de investeringssteun van 20 % bruto over de gehele periode van vier jaar voor de provincies Groningen en Friesland en voor Lelystad. Voor Zuidoost-Drente heeft de Commissie haar goedkeuring echter tot twee jaar beperkt. De situatie in deze regio zal in de loop van 1992 opnieuw worden bezien.
3 In mei 1991 verzocht de Nederlandse vennootschap Frima BV (hierna: Frima) de Nederlandse autoriteiten, haar krachtens de Nederlandse regeling steun ten bedrage van 12,5 miljoen HFL, dat wil zeggen 10 % van de voor steun in aanmerking komende kosten, toe te kennen voor de bouw van een nieuwe zoutfabriek te Harlingen in de provincie Friesland. In de loop van 1993 en begin 1994 verstrekte Frima nadere inlichtingen betreffende haar steunaanvraag.
4 In oktober 1993 vestigde een in de vakpers verschenen artikel de aandacht van Salt Union Ltd, een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde zoutproducent (hierna: Salt Union), op de eventuele toekenning van steun krachtens de Nederlandse regeling door de Nederlandse regering aan Frima.
5 Vervolgens voerde Salt Union met de Commissie een briefwisseling over deze steun en de Nederlandse regeling. Bij deze gelegenheid verzocht zij de Commissie, de Nederlandse regering met betrekking tot de Nederlandse regeling dienstige maatregelen voor te stellen in de zin van artikel 93, lid 1, van het Verdrag.
6 Op 5 augustus 1994 zond de Commissie Salt Union een brief met volgende inhoud: The Commission has found no reason to propose appropriate measures pursuant to Article 93(1) EC regarding the scheme. Friesland still meets the criteria the Commission uses in its methods to assess whether a region is eligible to the derogation provided for in Article 92(3)(c) EC. ... The scheme in question was found compatible with the common market in 1990, with the exception of its applications in certain specific sectors (which do not include the salt industry). The aid decided by the Dutch authorities in favour of Frima respects the criteria set out in the scheme ─ indeed, the aid is clearly lower than what the authorities could have awarded ─ and is therefore compatible under the 1990 decison.[ De Commissie ziet geen aanleiding om met betrekking tot de regeling dienstige maatregelen voor te stellen in de zin van artikel 93, lid 1, EG-Verdrag. Friesland voldoet nog steeds aan de criteria die de Commissie hanteert om te bepalen, of een regio in aanmerking komt voor de in artikel 92, lid 3, sub c, EG-Verdrag voorziene afwijking. (...) In 1990 werd de betrokken regeling als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt beschouwd, behoudens de toepassing ervan op bepaalde specifieke sectoren (waarvan de zoutindustrie geen deel uitmaakt). De steun die de Nederlandse autoriteiten hebben besloten aan Frima te verlenen, voldoet aan de in de regeling genoemde criteria ─ de steun is zelfs duidelijk lager dan wat de autoriteiten hadden kunnen toekennen ─ en is derhalve verenigbaar met de beschikking van 1990.]
Het procesverloop
7 In die omstandigheden heeft Salt Union op 13 oktober 1994 het onderhavige beroep ingesteld.
8 Bij op 19 januari 1995 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft de Commissie krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep opgeworpen. Bij beschikking van 13 juli 1995 heeft het Gerecht (Derde kamer ─ uitgebreid) krachtens artikel 114, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering besloten de exceptie te voegen met de zaak ten gronde.
9 Bij beschikking van 17 november 1995 (zaak T-330/94, Jurispr. 1995, blz. II-2881) heeft het Gerecht besloten, Frima en de Verein Deutsche Salzindustrie eV (hierna: VDS) toe te staan te interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie, respectievelijk van verzoekster. In deze beschikking heeft het Gerecht voorts de verzoeken van interveniënten om tijdens de mondelinge behandeling van het taalregime te mogen afwijken, ingewilligd.
10 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten, zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
11 Ter openbare terechtzitting van 2 juli 1996 zijn partijen gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht.
Conclusies van partijen
12 Salt Union concludeert dat het het Gerecht behage:
─ nietig te verklaren de beschikking van de Commissie, vervat in de brief van 5 augustus 1994, waarbij zij heeft meegedeeld, dat zij geen aanleiding zag om met betrekking tot de Nederlandse regeling dienstige maatregelen voor te stellen in de zin van artikel 93, lid 1, EG-Verdrag; nietig te verklaren de beschikking van de Commissie, vervat in de brief van 5 augustus 1994, waarbij zij heeft meegedeeld, dat zij geen aanleiding zag om met betrekking tot de Nederlandse regeling dienstige maatregelen voor te stellen in de zin van artikel 93, lid 1, EG-Verdrag;
─ vast te stellen, dat de Commissie aansprakelijk is voor alle aan haar opgekomen schade; vast te stellen, dat de Commissie aansprakelijk is voor alle aan haar opgekomen schade;
─ de Commissie te verwijzen in de kosten. de Commissie te verwijzen in de kosten.
13 VDS ondersteunt volledig de conclusies van Salt Union.
14 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
─ het beroep te verwerpen; het beroep te verwerpen;
─ verzoekster te verwijzen in de kosten. verzoekster te verwijzen in de kosten.
15 Frima concludeert dat het het Gerecht behage:
─ het beroep niet-ontvankelijk te verklaren; het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
─ verzoekster te verwijzen in de kosten, met inbegrip van die welke door Frima zijn gemaakt. verzoekster te verwijzen in de kosten, met inbegrip van die welke door Frima zijn gemaakt.
16 Ter terechtzitting heeft Salt Union haar conclusies strekkende tot vaststelling, dat de Commissie aansprakelijk is voor alle aan haar opgekomen schade, ingetrokken. Het Gerecht heeft hiervan akte genomen.
De ontvankelijkheid van het beroep
17 De Commissie voert vier middelen van niet-ontvankelijkheid aan. In de eerste plaats is de beroepstermijn verstreken. In de tweede plaats heeft Salt Union geen belang bij nietigverklaring van de bestreden beschikking. In de derde plaats is de bestreden beschikking geen voor beroep vatbare handeling. In de vierde plaats wordt Salt Union niet rechtstreeks en individueel geraakt door de bestreden beschikking.
18 In de omstandigheden van het onderhavige geval acht het Gerecht het gewenst eerst in te gaan op het middel van niet-ontvankelijkheid, volgens hetwelk de bestreden beschikking geen voor beroep vatbare handeling is.
Argumenten van partijen
19 Volgens de Commissie is de gemeenschapsrechter krachtens artikel 173 EG-Verdrag (hierna: Verdrag) bevoegd de handelingen van de Commissie te toetsen. Een besluit om al dan niet dienstige maatregelen voor te stellen krachtens artikel 93, lid 1, van het Verdrag, vormt evenwel geen voor rechterlijke toetsing vatbare handeling in de zin van artikel 173. De Commissie wijst er met name op, dat het voorstellen van dienstige maatregelen geen bindende kracht heeft, aangezien niet-aanvaarding door een Lid-Staat van de hem voorgestelde maatregelen geen reden is op grond waarvan de Commissie zich tot het Hof kan wenden. Dat kan slechts in de volgende etappe, wanneer zij inzonderheid een besluit krachtens artikel 93, lid 2, van het Verdrag neemt.
20 Bovendien plaatst een verzoek om krachtens artikel 93, lid 1, dienstige maatregelen voor te stellen, haar in een vergelijkbare situatie als wanneer zij wordt verzocht om op grond van artikel 169 van het Verdrag tegen een Lid-Staat op te treden. Het is vaste rechtspraak, dat het beroep tot nietigverklaring van de handeling waarbij de Commissie op een dergelijk verzoek heeft beschikt, niet-ontvankelijk is, omdat de precontentieuze fase, die ten doel heeft de Lid-Staat uit te nodigen om zich aan het Verdrag te conformeren (...) voor de Commissie nog niet de verplichting medebrengt tot het verrichten van enige verbindende rechtshandeling (arrest Hof van 1 maart 1966, zaak 48/65, Lütticke e.a., Jurispr. 1966, blz. 27, inz. blz. 39).
21 Zij wijst voorts op de conclusie van advocaat-generaal Gand in de zaak Lütticke e.a. (Jurispr. 1966, blz. 45): Tegen een afwijzende beschikking kan men principieel slechts in beroep [tot nietigverklaring] komen als de handeling, die het daartoe bevoegde gezag niet heeft willen verrichten, ook zelve in rechte kan worden bestreden. Het uitbrengen van een met redenen omkleed advies, zoals de Commissie in casu aan de Duitse Bondsrepubliek zou kunnen geven bijaldien deze haar verplichtingen niet mocht zijn nagekomen, het richten van een uitnodiging tot die Staat om zijn opmerkingen te maken, kortom het inleiden van de procedure van artikel 169, dit alles vormt slechts de aan het beroep voorafgaande fase en niet een reeks van elk op zichzelf voor beroep vatbare rechtshandelingen.
22 Volgens de Commissie gaat deze redenering eveneens in het onderhavige geval op.
23 Ten slotte stelt zij, dat het krachtens artikel 93, lid 1, verrichte onderzoek dusdanig uitgebreid en discretionair is, dat hiertegen geen beroep kan worden ingesteld. Volgens de rechtspraak beschikt zij over een ruime discretionaire bevoegdheid om de haar door artikel 93, lid 1, toegekende bevoegdheden aan te wenden. Zij verwijst inzonderheid naar het arrest van het Hof van 9 augustus 1994 (zaak C-44/93, Namur-Les assurances du crédit, Jurispr. 1994, blz. I-3829, r.o. 11, 15 en 34), waarin het Hof verklaarde, dat bij de uitoefening van de bevoegdheden van de Commissie krachtens artikel 93, lid 1, het initiatief van haar dient uit te gaan. Volgens verweerster is het bestaan van een dergelijke discretionaire bevoegdheid onverenigbaar met de mogelijkheid voor een particulier om krachtens artikel 173 beroep in te stellen. Tot staving van deze verklaring verwijst zij enerzijds naar het arrest van het Hof van 17 mei 1990 (zaak C-87/89, Sonito e.a., Jurispr. 1990, blz. I-1981, r.o. 6), dat handelde over een weigering van de Commissie om krachtens artikel 169 een procedure wegens niet-nakoming in te leiden, en anderzijds naar het arrest van het Gerecht van 27 oktober 1994 (zaak T-32/93, Ladbroke, Jurispr. 1994, blz. II-1015, r.o. 37), dat handelde over een weigering van de Commissie om krachtens artikel 90, lid 3, van het Verdrag een beschikking te geven.
24 Frima verwijst naar het arrest van het Gerecht van 28 oktober 1993 (zaak T-83/92, Zunis Holding e.a., Jurispr. 1993, blz. II-1169, r.o. 31), waarin werd overwogen, dat een afwijzende handeling van de Commissie moet worden beoordeeld met inachtneming van de aard van het verzoek waarop zij een antwoord vormt (...) In het bijzonder is de weigering van een gemeenschapsinstelling om een handeling in te trekken of te wijzigen alleen dan een voor wettigheidstoetsing in de zin van artikel 173 EEG-Verdrag vatbare handeling, wanneer de handeling die de instelling weigert in te trekken of te wijzigen, zelf op grond van deze bepaling had kunnen worden aangevochten. Volgens Frima kan, gelet op deze rechtspraak, Salt Union niet worden ontvangen in haar beroep tot nietigverklaring van de bestreden beschikking.
25 Volgens Salt Union is de Commissie ingevolge artikel 93, lid 1, verplicht de steunregelingen aan een permanent onderzoek te onderwerpen. Zij wil geenszins bepaalde specifieke maatregelen of de draagwijdte daarvan aanvechten, maar het is haar enkel te doen om nietigverklaring van een onwettig besluit om een onvolledig verplicht onderzoek te beëindigen.
26 Ook al beschikt de Commissie over een discretionaire bevoegdheid met betrekking tot de aard van de dienstige maatregelen die zij na een onderzoek op grond van artikel 93, lid 1, aan de Lid-Staten kan voorstellen, zij bezit geen enkele discretionaire bevoegdheid wat de omvang van dit onderzoek betreft. Hieruit volgt dat, zelfs indien klagers niet het recht hebben om eventuele voorstellen van de Commissie aan de Lid-Staten aan te vechten, zij er belang bij hebben zich ervan te vergewissen, dat het soort van onderzoek dat de Commissie verricht, voldoende uitgebreid is om haar in staat te stellen te beoordelen, of het opportuun is om in actie te komen. In casu heeft de Commissie evenwel geen volledig onderzoek in de zin van artikel 93, lid 1, ingesteld. Zij is daarentegen op basis van een onvolledig onderzoek van de feiten tot de slotsom gekomen, dat het niet nodig was dienstige maatregelen voor te stellen. Wanneer, zoals in casu, de Commissie na een onvolledig onderzoek nalaat dienstige maatregelen voor te stellen, brengt het sluiten van het desbetreffende dossier een rechtsgevolg teweeg, aangezien de Commissie het zich op onwettige wijze onmogelijk heeft gemaakt om dienstige maatregelen voor te stellen, terwijl dergelijke maatregelen noodzakelijk hadden kunnen blijken, indien zij een volledig onderzoek had uitgevoerd.
27 Volgens Salt Union moet onderscheid worden gemaakt tussen de procedure van artikel 169 en de procedure van artikel 93, want indien beide procedures volstrekt identiek zouden zijn, zou de bijzondere procedure van artikel 93 geen bestaansreden hebben. Het verschil tussen beide procedures is, dat de Commissie ingevolge artikel 169 niet verplicht is de niet-nakoming door de Lid-Staten van de krachtens het Verdrag op hen rustende verplichtingen te onderzoeken, terwijl artikel 93, lid 1, de Commissie verplicht alle steunregelingen voortdurend aan een onderzoek te onderwerpen. Dit onderscheid is van cruciaal belang, aangezien, indien de Commissie verzuimt om haar onderzoeksverplichting uit hoofde van artikel 93, lid 1, werkelijk na te komen, belanghebbenden als Salt Union, die gebruik hadden kunnen maken van de procedure van artikel 93, lid 2, ten onrechte wordt belet hiervan gebruik te maken. Artikel 169 voorziet niet in een daarmee gelijk te stellen procedure.
28 Vervolgens merkt Salt Union op dat volgens het arrest van het Hof van 19 mei 1993 (zaak C-198/91, Cook, Jurispr. 1993, blz. I-2487, r.o. 23), wanneer de Commissie zonder de procedure van artikel 93, lid 2, te hebben ingeleid, op basis van artikel 93, lid 3, constateert dat een nieuwe steun verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, degenen voor wie de procedurele waarborgen van artikel 93, lid 2, gelden, de eerbiediging daarvan slechts kunnen afdwingen indien zij de mogelijkheid hebben die beschikking van de Commissie voor het Hof aan te vechten. Naar analogie van dit arrest kan een verzoeker die een belang heeft bij deelneming aan de procedure van artikel 93, lid 2, dat kan voortvloeien uit de beëindiging van de procedure van artikel 93, lid 1, de eerbiediging van de procedurele waarborgen van artikel 93, lid 2, slechts afdwingen, indien hij in staat is op te komen tegen het verzuim om het op grond van artikel 93, lid 1, verplichte onderzoek naar behoren uit te voeren.
29 VDS betoogt, dat blijkens het arrest van het Hof van 28 januari 1986 (zaak 169/84, Cofaz, Jurispr. 1986, blz. 391, r.o. 20-32) de rechten van de concurrenten van de ontvangers van staatssteun door het Verdrag worden beschermd. Bijgevolg moeten concurrenten steeds het recht hebben, bezwaar te maken tegen de toekenning van staatssteun aan ondernemingen die op dezelfde markt werkzaam zijn als zij. Deze gevolgtrekking is geboden teneinde te waarborgen, dat de verdragsvoorschriften inzake staatssteun werkelijk worden nageleefd. Derhalve dienen de concurrenten van Frima de mogelijkheid te hebben de Commissie te verzoeken, de aan Frima toegekende steun krachtens artikel 93, lid 1, aan een grondig onderzoek te onderwerpen.
30 Blijkens het arrest van het Hof van 14 november 1984 (zaak 323/82, Intermills, Jurispr. 1984, blz. 3809, r.o. 16) behoren tot de in artikel 93, lid 2, bedoelde belanghebbenden met name ook de concurrenten van de ontvanger van de betrokken steun. Indien deze concurrenten bevoegd zijn deel te nemen aan een procedure op grond van artikel 93, lid 2, die in gang wordt gezet door een procedure op grond van artikel 93, lid 1, dan dienen zij eveneens het recht te hebben om op te komen tegen een besluit van de Commissie om de procedure van artikel 93, lid 1, niet in te leiden. Anders worden zij beroofd van het hun bij artikel 93, lid 2, toegekende recht om opmerkingen te maken. Een dergelijke situatie is in strijd met het beginsel van gemeenschapsrecht dat, wanneer een partij rechten toekomen, het Verdrag eveneens de procedurele middelen verschaft die nodig zijn om die rechten te doen gelden. VDS verwijst dienaangaande naar het arrest van het Hof van 22 mei 1990 (zaak C-70/88, Parlement/Raad, Jurispr. 1990, blz. I-2041).
Beoordeling door het Gerecht
31 Het is vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht, dat als handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 173 van het Verdrag, zijn te beschouwen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen (arrest Hof van 11 november 1981, zaak 60/81, IBM, Jurispr. 1981, blz. 2639, r.o. 9; arresten Gerecht van 10 juli 1990, zaak T-64/89, Automec, Jurispr. 1990, blz. II-367, r.o. 42, en 24 maart 1994, zaak T-3/93, Air France, Jurispr. 1994, blz. II-121, r.o. 43).
32 Bovendien moet een afwijzend besluit van de Commissie worden beoordeeld aan de hand van de aard van het verzoek waarop het een antwoord vormt (arresten Hof van 8 maart 1972, zaak 42/71, Nordgetreide, Jurispr. 1972, blz. 105, r.o. 5, en 24 november 1992, gevoegde zaken C-15/91 en C-108/91, Buckl e.a., Jurispr. 1992, blz. I-6061, r.o. 22; arrest Zunis Holding e.a., reeds aangehaald, r.o. 31). Inzonderheid is een weigering een voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 173 van het Verdrag vatbare handeling, wanneer de handeling die de instelling niet heeft willen verrichten, op grond van deze bepaling had kunnen worden aangevochten (arrest Hof van 26 april 1988, gevoegde zaken 97/86, 193/86, 99/86 en 215/86, Asteris e.a., Jurispr. 1988, blz. 2181, r.o. 17, en arrest Sonito e.a., reeds aangehaald, r.o. 8).
33 In casu is de handeling waartegen op grond van artikel 173 van het Verdrag beroep wordt ingesteld, de weigering van de Commissie om aan de Nederlandse regering dienstige maatregelen in de zin van artikel 93, lid 1, van het Verdrag voor te stellen met betrekking tot de Nederlandse regeling.
34 Gelet op de aangehaalde rechtspraak (r.o. 31 en 32 hierboven) kan deze weigering slechts als een voor beroep tot nietigverklaring vatbaar besluit worden beschouwd, indien de handeling van de Commissie waarbij zij, op verzoek van Salt Union, met betrekking tot de Nederlandse regeling aan de Nederlandse regering dienstige maatregelen zou hebben voorgesteld, een maatregel was geweest die bindende rechtsgevolgen in het leven riep, welke de belangen van Salt Union konden aantasten doordat zij haar rechtspositie aanmerkelijk wijzigden.
35 Volgens de tekst zelf van artikel 93, lid 1, van het Verdrag zijn de dienstige maatregelen evenwel slechts voorstellen. Inzonderheid zou de Nederlandse Staat of regering, waaraan deze maatregelen zouden moeten worden voorgesteld, niet verplicht zijn zich hiernaar te voegen. Ingeval hij of zij mocht besluiten om deze niet te aanvaarden, zou de Commissie, indien zij zulks nog opportuun achtte, een besluit op grond van artikel 93, lid 2, van het Verdrag moeten nemen teneinde een wijziging van de Nederlandse regeling te eisen. Enkel dat besluit zou bindend zijn.
36 Dit betekent, dat de handeling waarom Salt Union heeft verzocht, geen maatregel zou zijn geweest die bindende rechtsgevolgen in het leven zou roepen, welke haar belangen zouden kunnen aantasten. Een dergelijke handeling zou dus niet vatbaar zijn geweest voor een beroep op grond van artikel 173 van het Verdrag.
37 Bijgevolg is de weigering van de Commissie om een dergelijke handeling vast te stellen, niet een voor beroep op grond van artikel 173 vatbare handeling.
38 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zonder dat behoeft te worden ingegaan op de andere door de Commissie aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid of op de zaak ten gronde.
39 Het Gerecht wenst evenwel te beklemtonen, dat het resultaat van het onderhavige beroep niet inhoudt, dat ondernemingen in het algemeen niet de mogelijkheid hebben om bezwaar te maken tegen de toekenning van staatssteun aan ondernemingen die op dezelfde markt werkzaam zijn als zij. Deze ondernemingen kunnen namelijk voor de nationale rechter opkomen tegen het besluit van een nationale autoriteit tot toekenning van staatssteun aan een concurrerende onderneming. Indien de steun deel uitmaakt van een algemene steunregeling, kunnen de ondernemingen in het kader van een dergelijke nationale procedure de geldigheid van het besluit van de Commissie tot goedkeuring van die regeling in geding brengen. Indien de nationale rechter te maken krijgt met een vraag betreffende de geldigheid van dit besluit, kan of moet hij eventueel krachtens artikel 177 van het Verdrag aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag stellen.
Kosten
40 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien Salt Union in het ongelijk is gesteld, dient zij, gelet op de conclusies van de Commissie, te worden verwezen in de kosten, met inbegrip van de kosten van Frima, die zulks heeft gevorderd. VDS zal haar eigen kosten dragen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer ─ uitgebreid),
rechtdoende:
1) Verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
2) Verwijst Salt Union Ltd in de kosten, met inbegrip van de kosten van Frima BV.
3) Verstaat dat Verein Deutsche Salzindustrie eV haar eigen kosten zal dragen.
Briët
Vesterdorf
Lindh
Potocki
Cooke
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 22 oktober 1996.
De griffier
De president van de Derde kamer
H. Jung
C. P. Briët
1 – Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy