Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Mededinging - Administratieve procedure - Eerbiediging van recht van verweer - Draagwijdte van beginsel
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 19, lid 1; verordening nr. 99/63 van de Commissie, art. 2 en 4)
2 Mededinging - Mededingingsregelingen - Deelneming aan vergaderingen van ondernemingen, die ertoe strekken mededinging te verstoren - Omstandigheid waaruit, bij gebreke van distantiëring van genomen beslissingen, kan worden geconcludeerd tot deelneming aan daaropvolgende mededingingsregeling
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
3 Mededinging - Mededingingsregelingen - Instemming met oprichting en deelneming aan vergaderingen van orgaan waarvan mededingingsverstorend doel bij oprichting bekend was en door ondernemingen werd aanvaard - Omstandigheid waaruit kan worden geconcludeerd tot deelneming aan daaropvolgende mededingingsregeling
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
4 Mededinging - Mededingingsregelingen - Overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die één enkele inbreuk opleveren - Ondernemingen aan wie inbreuk, bestaande in deelneming aan geheel kartel, ten laste kan worden gelegd - Criteria
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
5 Mededinging - Administratieve procedure - Beëindiging van inbreuken - Aan ondernemingen opgelegde verplichtingen - Evenredigheid - Criteria
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 3, lid 1)
6 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Verzwarende omstandigheden - Verhulling van mededingingsregeling - Bewijs voortvloeiend uit ontbreken van aantekeningen betreffende vergaderingen van bij mededingingsregeling betrokken ondernemingen
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
7 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte en duur van inbreuken - Beoordelingsfactoren - Mogelijkheid om niveau van geldboeten te verhogen ter versterking van preventieve werking
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
8 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Beschikking waarbij aan meerdere ondernemingen geldboete wordt opgelegd wegens inbreuk op mededingingsregels
(EG-Verdrag, art. 190; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
9 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - In aanmerking genomen omzet - Omzet welke in antwoord op verzoek om inlichtingen aan Commissie is medegedeeld
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
10 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Berekeningsmethoden - Omrekening van omzet van ondernemingen in referentiejaar in ecu op basis van gemiddelde wisselkoers van dat jaar - Toelaatbaarheid
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
Samenvatting
11 Ingevolge artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17, junctis de artikelen 2 en 4 van verordening nr. 99/63, moet de Commissie de punten van bezwaar die zij tegen de ondernemingen en ondernemersverenigingen doet gelden, mededelen en kan zij in haar beschikkingen slechts die punten van bezwaar in aanmerking nemen, ter zake waarvan deze laatsten de gelegenheid hebben gehad hun standpunt kenbaar te maken. Ook vereist de eerbiediging van het recht van verweer in een procedure die tot oplegging van sancties kan leiden, dat de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen reeds tijdens de administratieve procedure naar behoren hun standpunt kenbaar hebben kunnen maken met betrekking tot de juistheid en de relevantie van de door de Commissie gestelde feiten, punten van bezwaar en omstandigheden.
12 Het feit dat een onderneming zich niet houdt aan de resultaten van vergaderingen die een kennelijk mededingingsverstorend doel hebben, kan haar niet van de volle aansprakelijkheid voor haar deelneming aan het kartel ontslaan, wanneer zij zich niet publiekelijk van de inhoud van de vergaderingen heeft gedistantieerd. Zelfs indien een dergelijke onderneming zich op de markt niet op de overeengekomen wijze heeft gedragen, doet zulks dus niets af aan haar aansprakelijkheid voor een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
13 Het feit dat een onderneming heeft ingestemd met de oprichting en de deelneming aan de vergaderingen van een orgaan waarvan het mededingingsverstorende doel, onder meer bestaande in besprekingen over toekomstige prijsverhogingen, bij zijn oprichting bekend was en werd aanvaard door de ondernemingen, is derhalve voldoende reden om deze onderneming aansprakelijk te achten voor een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen.
14 Om elk van de in een beschikking tot toepassing van de mededingingsregels genoemde ondernemingen gedurende een bepaalde periode aansprakelijk te kunnen stellen voor een geheel kartel dat verschillende mededingingsverstorende gedragingen omvat, moet de Commissie aantonen, dat elk van hen heeft ingestemd met de aanvaarding van een algemeen plan dat de bestanddelen van het kartel dekt, dan wel gedurende deze periode rechtstreeks aan al deze bestanddelen heeft deelgenomen. Een onderneming kan zelfs indien vaststaat dat zij slechts rechtstreeks aan een of meer van de bestanddelen van dit kartel heeft deelgenomen, voor een geheel kartel aansprakelijk worden gesteld, wanneer zij wist of noodzakelijkerwijze moest weten dat de heimelijke verstandhouding waaraan zij deelnam, deel uitmaakte van een algemeen plan, alsook dat dit algemene plan alle bestanddelen van het kartel dekte. Is zulks het geval, dan kan het feit dat de betrokken onderneming niet rechtstreeks aan alle bestanddelen van het gehele kartel heeft deelgenomen, haar niet disculperen van de aansprakelijkheid voor de inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Wel kan een dergelijke omstandigheid in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de ten aanzien van haar vastgestelde inbreuk.
15 De toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 kan het verbod omvatten, zekere activiteiten, praktijken of toestanden te continueren, waarvan de onrechtmatigheid is vastgesteld, doch ook het verbod van gelijkaardige gedragingen in de toekomst. Voor zover de toepassing van deze bepaling moet zijn afgestemd op de vastgestelde inbreuk, is de Commissie bevoegd te preciseren, aan welke verplichtingen de betrokken ondernemingen moeten voldoen om een einde aan deze inbreuk te maken. Dergelijke op de ondernemingen rustende verplichtingen mogen evenwel niet verder gaan dan hetgeen passend en noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken, namelijk het herstel van een rechtsconforme toestand.
Een verbod dat de uitwisseling van zuiver statistische informatie dient te beletten, die niet als individuele of individualiseerbare informatie kan worden aangemerkt, voldoet niet aan de voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 gestelde voorwaarden, wanneer uit de beschikking niet blijkt, dat de Commissie de uitwisseling van statistische gegevens op zichzelf als een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft beschouwd, en aangezien het enkele feit dat een systeem van uitwisseling van statistische informatie met een mededingingsverstorend oogmerk kan worden gebruikt, het nog niet in strijd met deze bepaling maakt, omdat in dergelijke omstandigheden de mededingingsverstorende gevolgen daarvan in het concrete geval moeten worden vastgesteld.
16 Het feit dat de ondernemingen die bij een prijsafspraak betrokken waren, de aankondiging van de onderling afgestemde prijsverhogingen hebben gearrangeerd en dat zij werden ontmoedigd aantekeningen betreffende vergaderingen over dit onderwerp te maken, bewijst dat zij zich van de onrechtmatigheid van hun gedrag bewust waren en dat zij maatregelen hebben genomen om de afspraak te verhullen. Dergelijke maatregelen kan de Commissie bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk als verzwarende omstandigheden in aanmerking nemen.
Het ontbreken van officiële notulen en het nagenoeg volledig ontbreken van interne notities betreffende deze vergaderingen kunnen, gelet op het aantal, de duur in de tijd en de aard van de betrokken besprekingen, genoegzaam bewijs opleveren voor het feit dat degenen die de vergaderingen bijwoonden, werden ontmoedigd aantekeningen te maken.
17 Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wegens inbreuk op de communautaire mededingingsregels moet rekening worden gehouden met de zwaarte en de duur van de inbreuk. De zwaarte van de inbreuken moet worden vastgesteld met inachtneming van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context daarvan en de preventieve werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld.
Bij haar beoordeling van het algemene niveau van de geldboeten mag de Commissie rekening houden met het feit dat nog steeds betrekkelijk vaak evidente inbreuken op de communautaire mededingingsregels worden gemaakt en mag zij derhalve het niveau van de geldboeten verhogen om de preventieve werking ervan te versterken. Bijgevolg behoeft het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten van inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, haar niet te verhinderen, dit niveau binnen de in verordening nr. 17 gestelde grenzen te verhogen, indien zulks noodzakelijk blijkt om de uitvoering van het communautaire mededingingsbeleid te verzekeren.
Verder kan de Commissie bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten in het bijzonder rekening houden met de lange duur en het evidente karakter van een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, die is gepleegd in weerwil van de waarschuwing die had moeten uitgaan van de vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie.
18 De verplichting tot motivering van een individuele beschikking heeft tot doel, de gemeenschapsrechter in staat te stellen de wettigheid van de beschikking te onderzoeken, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid kan worden betwist, met dien verstande dat de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk is van de aard der betrokken handeling en van de omstandigheden waaronder deze is vastgesteld.
Bij een beschikking waarbij aan meerdere ondernemingen een geldboete wordt opgelegd wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels, moet de omvang van de motiveringsplicht in het bijzonder worden bepaald met inachtneming van het feit dat de zwaarte van de inbreuken moet worden vastgesteld op basis van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context daarvan en de preventieve werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld.
Bovendien beschikt de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van elke geldboete over een beoordelingsmarge en kan zij niet verplicht worden geacht om daartoe een precieze mathematische formule toe te passen.
Ten slotte moet de motivering van de beschikking in de beschikking zelf voorkomen en kunnen latere verklaringen van de Commissie, behoudens bijzondere omstandigheden, niet in aanmerking worden genomen.
Wanneer de Commissie in een beschikking een inbreuk op de mededingingsregels vaststelt en de ondernemingen die daaraan hebben deelgenomen een geldboete oplegt, moet zij, indien zij bepaalde basisfactoren bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten stelselmatig in aanmerking heeft genomen, deze factoren in de beschikking zelf vermelden, om de ondernemingen tot wie zij is gericht, in staat te stellen de juistheid van het niveau van de geldboete te verifiëren en na te gaan of er eventueel sprake is van discriminatie.
19 Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels mag de Commissie uitgaan van de omzet die de betrokken onderneming in antwoord op een verzoek om inlichtingen heeft medegedeeld, en niet op een later meegedeelde gecorrigeerde omzet. Een onderneming die tijdens de administratieve procedure voor de Commissie een cijfer als de omzet corrigeert, dat zij voordien aan de Commissie heeft meegedeeld in antwoord op een van haar verzoeken om inlichtingen, moet namelijk omstandig uiteenzetten waarom het aanvankelijk ter kennis gebrachte cijfer in het vervolg van de procedure niet meer in aanmerking moet worden genomen.
20 Wanneer de Commissie aan meerdere ondernemingen een geldboete oplegt wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels belet niets haar, het bedrag daarvan uit te drukken in ecu, een monetaire eenheid die in nationale munteenheden kan worden omgerekend. Dit stelt overigens de ondernemingen beter in staat om de bedragen van de opgelegde geldboeten te vergelijken. Bovendien onderscheidt de mogelijke omrekening van de ecu in nationale munteenheid deze monetaire eenheid van de "rekeneenheid", bedoeld in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, die geen betalingseenheid is, zodat het bedrag van de geldboete noodzakelijkerwijze in nationale valuta moet worden vastgesteld.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete mag de Commissie een methode gebruiken waarbij de omzet van het referentiejaar van elke onderneming in ecu wordt omgerekend tegen de gemiddelde wisselkoers van dat jaar en niet op basis van de wisselkoers op de datum waarop de beschikking is vastgesteld.
Om te beginnen moet de Commissie normaliter één zelfde berekeningsmethode gebruiken voor de geldboeten die worden opgelegd aan ondernemingen die worden bestraft wegens deelneming aan eenzelfde inbreuk. Vervolgens moet de Commissie om de verschillende meegedeelde, in de respectieve nationale valuta van de betrokken ondernemingen uitgedrukte omzetcijfers te kunnen vergelijken, deze omzetten in één zelfde munteenheid omrekenen, zoals de ecu, waarvan de waarde op basis van de waarde van elke nationale munteenheid van de lidstaten wordt bepaald.
Enerzijds kan de Commissie, door uit te gaan van de omzet die elk der ondernemingen heeft behaald in de loop van het referentiejaar, dat wil zeggen het laatste volledige jaar van de in aanmerking genomen periode van de inbreuk, de omvang en de economische macht van elke onderneming alsmede de omvang van de door elk van hen gepleegde inbreuk beoordelen, aangezien deze factoren relevant zijn voor de beoordeling van de zwaarte van de door elke onderneming gepleegde inbreuk. Anderzijds kan de Commissie, door voor de omrekening van de betrokken omzetten in ecu uit te gaan van de gemiddelde wisselkoersen van het aangehouden referentiejaar, voorkomen dat eventuele valutaschommelingen sedert de beëindiging van de inbreuk invloed hebben op de beoordeling van de relatieve omvang en economische macht van de ondernemingen, alsmede van de omvang van de door elk van hen gepleegde inbreuk en derhalve op de beoordeling van de zwaarte van deze inbreuk. De beoordeling van de zwaarte van de inbreuk dient namelijk betrekking te hebben op de economische realiteit zoals deze was op het tijdstip waarop deze inbreuk werd gepleegd.
Met de methode van berekening van de geldboete, waarbij de gemiddelde wisselkoers van het referentiejaar wordt gebruikt, kunnen bijgevolg de willekeurige effecten van de wijzigingen van de reële waarde van de nationale munteenheden worden voorkomen, die tussen het referentiejaar en het jaar van vaststelling van de beschikking kunnen optreden en in casu ook inderdaad zijn opgetreden. Zo deze methode kan betekenen, dat een bepaalde onderneming een bedrag moet betalen dat in nationale munteenheid uitgedrukt nominaal hoger of lager is dan het bedrag dat zij had moeten betalen ingeval de wisselkoers van de datum van vaststelling van de beschikking werd toegepast, is dit slechts de logische consequentie van de schommelingen van de reële waarde van de verschillende nationale munteenheden.
Partijen
In zaak T-334/94,
Sarrió SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Pamplona (Spanje), vertegenwoordigd door A. Creus Carreras, advocaat te Barcelona, A. Mazzoni, advocaat te Milaan, A. Tizzano en G. M. Roberti, advocaten te Napels, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Lorang, advocaat aldaar, Rue Albert 1er 51,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Lyal, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, en door A. Dal Ferro, advocaat te Vicenza, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton) (PB L 243, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Derde kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, president, C. P. Briët, P. Lindh, A. Potocki en J. D. Cooke, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 25 juni 1997-8 juli 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 De onderhavige zaak heeft betrekking op beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton) (PB L 243, blz. 1), zoals gerectificeerd bij beschikking van de Commissie van 26 juli 1994 [C(94) 2135 def.] (hierna: "beschikking"). Bij de beschikking is aan negentien producenten die in de Gemeenschap karton leveren, een geldboete opgelegd wegens inbreuken op artikel 85, lid 1, EG-Verdrag.
2 De beschikking heeft betrekking op het product karton. Drie typen karton, die worden aangeduid als karton van de kwaliteiten "GC", "GD" en "SBS", worden in de beschikking vermeld.
3 Karton van de kwaliteit GD (hierna: "GD-karton") is karton dat van binnen grijs is (gerecycleerd papier) en gewoonlijk wordt gebruikt voor het verpakken van andere dan levensmiddelen.
4 Karton van de kwaliteit GC (hierna: "GC-karton") is karton met een witte buitenlaag, dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het verpakken van levensmiddelen. GC-karton is van betere kwaliteit dan GD-karton. In de door de beschikking bestreken periode bestond tussen deze beide producten in het algemeen een prijsverschil van ongeveer 30 %. In geringere omvang wordt GC-karton van hoge kwaliteit ook gebruikt voor grafische doeleinden.
5 De afkorting SBS wordt gebruikt voor geheel wit karton (hierna: "SBS-karton"). De prijs van dit product is ongeveer 20 % hoger dan die van GC-karton. Het wordt gebruikt voor de verpakking van levensmiddelen, cosmetische producten, farmaceutische producten en sigaretten, doch voornamelijk voor grafische doeleinden.
6 Bij schrijven van 22 november 1990 diende de British Printing Industries Federation, een branchevereniging die de meerderheid van de kartonbedrukkers in het Verenigd Koninkrijk vertegenwoordigt (hierna: "BPIF"), bij de Commissie een informele klacht in. Daarin stelde zij, dat de kartonproducenten die in het Verenigd Koninkrijk leverden, een reeks gelijktijdige en uniforme prijsstijgingen hadden doorgevoerd, en verzocht zij de Commissie, te onderzoeken of eventueel inbreuk werd gemaakt op de communautaire mededingingsregels. Om ervoor te zorgen dat haar initiatief publiciteit kreeg, bracht de BPIF een perscommuniqué uit. Over de inhoud van dit communiqué is in de gespecialiseerde vakpers bericht in een nieuwsbrief van december 1990.
7 Op 12 december 1990 diende ook de Fédération française du cartonnage bij de Commissie een informele klacht in, waarin in soortgelijke bewoordingen als in de klacht van de BPIF beschuldigingen werden geuit betreffende de Franse kartonmarkt.
8 Op 23 en 24 april 1991 voerden ambtenaren van de Commissie krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 13, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17"), tegelijkertijd en onaangekondigd verificaties uit bij verscheidene ondernemingen en brancheverenigingen in de bedrijfstak karton.
9 Na die verificaties zond de Commissie uit hoofde van artikel 11 van verordening nr. 17 verzoeken om inlichtingen en om overlegging van documenten aan alle producenten tot wie de beschikking is gericht.
10 Op basis van het in het kader van die verificaties en die verzoeken om inlichtingen en documenten verkregen materiaal kwam de Commissie tot de conclusie, dat de betrokken ondernemingen vanaf medio 1986 tot ten minste april 1991 (in het merendeel der gevallen) hadden deelgenomen aan een inbreuk in de zin van artikel 85 van het Verdrag.
11 Zij besloot derhalve, een procedure krachtens dit laatste artikel in te leiden en deed elk van de betrokken ondernemingen bij brief van 21 december 1992 een mededeling van de punten van bezwaar toekomen. Alle geadresseerden gaven schriftelijk antwoord en negen ondernemingen verzochten mondeling te worden gehoord. Van 7 tot en met 9 juni 1993 werd een hoorzitting gehouden, tijdens welke deze laatsten werden gehoord.
12 Aan het einde van die procedure stelde de Commissie de beschikking vast, die de navolgende bepalingen bevat:
"Artikel 1
Buchmann GmbH, Cascades SA, Enso-Gutzeit Oy, Europa Carton AG, Finnboard-the Finnish Board Mills Association, Fiskeby Board AB, Gruber & Weber GmbH & Co KG, Kartonfabriek $De Eendracht' NV (handelende onder de naam $BPB de Eendracht'), NV Koninklijke KNP BT NV (voorheen Koninklijke Nederlandse Papierfabrieken NV), Laakmann Karton GmbH & Co KG, Mo Och Domsjö AB (MoDo), Mayr-Melnhof Gesellschaft mbH, Papeteries de Lancey SA, Rena Kartonfabrik A/S, Sarrió SpA, SCA Holding Ltd [voorheen Reed Paper & Board (UK) Ltd], Stora Kopparbergs Bergslags AB, Tampella Española SA en Moritz J. Weig GmbH & Co KG hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EG-Verdrag door hun deelname,
- in het geval van Buchmann en Rena, vanaf ongeveer maart 1988 tot ten minste eind 1990;
- in het geval van Enso Española, minstens van maart 1988 tot ten minste eind april 1991;
- in het geval van Gruber & Weber, vanaf ten minste 1988 tot eind 1990;
- in de andere gevallen, vanaf medio 1986 tot ten minste april 1991,
aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging die van medio [1986] stammen en waarbij de kartonleveranciers in de Gemeenschap:
- regelmatig in een reeks geheime en geïnstitutionaliseerde vergaderingen bijeenkwamen met het oog op het bespreken van en het bereiken van overeenstemming over een gemeenschappelijk beleid in de bedrijfstak ter beperking van de mededinging;
- voor elke productkwaliteit in elke nationale valuta regelmatige prijsverhogingen overeenkwamen;
- gelijktijdige en uniforme prijsverhogingen in de gehele Gemeenschap planden en ten uitvoer legden;
- een afspraak maakten over handhaving van de marktaandelen van de grote producenten op vaste niveaus die van tijd tot tijd konden worden gewijzigd;
- in toenemende mate vanaf vooraan in 1990 ter beheersing van het aanbod van het product in de Gemeenschap onderling afgestemde maatregelen namen teneinde de tenuitvoerlegging van de genoemde onderling afgestemde prijsverhogingen te waarborgen;
- ter ondersteuning van de bovengenoemde maatregelen, commerciële informatie uitwisselden over leveringen, prijzen, machinestilstand, orderportefeuilles en bezettingsgraden.
(...)
Artikel 3
De hierna vermelde ondernemingen worden met betrekking tot de in artikel 1 vastgestelde inbreuk de volgende geldboeten opgelegd:
(...)
xv) Sarrió SpA, een geldboete van 15 500 000 ECU;
(...)"
13 Volgens de beschikking vond de inbreuk plaats in het kader van een organisatie met de naam "Product Group Paperboard" (hierna: "PG Paperboard"), die bestond uit verscheidene groepen of comités.
14 In het kader van deze organisatie werd medio 1986 de zogeheten "Presidents Working Group" (hierna: "PWG") opgericht. Deze groep bestond uit leidinggevende personen van de (ongeveer acht) grootste kartonproducenten in de Gemeenschap.
15 De werkzaamheden van de PWG bestonden onder meer in bespreking van en onderlinge afstemming over markten, marktaandelen, prijzen en capaciteit. De PWG nam in het bijzonder algemene beslissingen over het tijdstip en het niveau van door de producenten door te voeren prijsverhogingen.
16 De PWG bracht verslag uit aan de "President Conference" (hierna: "PC"), die (met meer of minder grote regelmaat) werd bijgewoond door nagenoeg alle algemeen-directeuren van de betrokken ondernemingen. De PC kwam in de betrokken periode tweemaal per jaar bijeen.
17 Eind 1987 werd het "Joint Marketing Committee" (hierna: "JMC") opgericht. Dit had vooral tot taak om te bepalen of, en zo ja hoe, prijsverhogingen konden worden doorgevoerd, alsmede om per land en voor de grote afnemers de door de PWG overeengekomen prijsinitiatieven in detail uit te werken, met het doel een systeem van equivalente prijzen in Europa tot stand te brengen.
18 Het "Economic Committee" (hierna: "EC") ten slotte besprak onder meer de prijsontwikkelingen op de nationale markten en de orderportefeuilles en bracht over zijn bevindingen verslag uit aan het JMC of, tot eind 1987, het Marketing Committee. De bijeenkomsten van het EC werden bijgewoond door marketing- en verkoopmanagers van het merendeel van de betrokken ondernemingen en vonden enige malen per jaar plaats.
19 Uit de beschikking blijkt voorts, dat naar het oordeel van de Commissie de activiteiten van de PG Paperboard werden ondersteund door een systeem voor gegevensuitwisseling dat werd beheerd door de trustmaatschappij Fides, gevestigd te Zürich (Zwitserland). Volgens de beschikking stuurden de meeste leden van de PG Paperboard Fides periodieke verslagen over orders, productie, verkoop en bezettingsgraad. Die verslagen werden in het Fides-systeem centraal samengevoegd en de geaggregeerde gegevens werden aan de deelnemers toegestuurd.
20 Verzoekster Sarrió SA (hierna: "Sarrió") is ontstaan na een fusie in 1990 tussen de kartondivisie van Saffa, de belangrijkste Italiaanse producent, en de Spaanse producent Sarrió (punt 11 van de considerans van de beschikking). Sarrió nam in 1991 eveneens de Spaanse producent Prat Carton over (zelfde punt).
21 Sarrió wordt voor de betrokkenheid van Prat Carton bij het kartel aansprakelijk geacht voor de gehele periode van haar deelneming daaraan (punt 154 van de considerans van de beschikking).
22 Sarrió produceert voornamelijk GD-karton, doch ook GC-karton.
Procesverloop
23 Bij op 14 oktober 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster onderhavig beroep ingesteld.
24 Zestien van de achttien andere ondernemingen die aansprakelijk worden gesteld voor de inbreuk, hebben eveneens beroep ingesteld tegen de beschikking (zaken T-295/94, T-301/94, T-304/94, T-308/94, T-309/94, T-310/94, T-311/94, T-317/94, T-319/94, T-327/94, T-337/94, T-338/94, T-347/94, T-348/94, T-352/94 en T-354/94).
25 Verzoekster in zaak T-301/94, Laakmann Karton GmbH, heeft haar beroep bij op 10 juni 1996 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief ingetrokken en bij beschikking van 18 juli 1996, Laakmann Karton/Commissie (T-301/94, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), is de zaak doorgehaald in het register van het Gerecht.
26 Vier Finse ondernemingen, leden van de handelsvereniging Finnboard, die om die reden hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de betaling van de aan de vereniging opgelegde geldboete, hebben eveneens beroep tegen de beschikking ingesteld (gevoegde zaken T-339/94, T-340/94, T-341/94 en T-342/94).
27 Ten slotte is beroep ingesteld door de vereniging CEPI-Cartonboard, tot wie de beschikking niet is gericht. Bij op 8 januari 1997 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief heeft zij haar beroep evenwel ingetrokken en bij beschikking van 6 maart 1997, CEPI-Cartonboard/Commissie (T-312/94, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), is de zaak doorgehaald in het register van het Gerecht.
28 Bij brief van 5 februari 1997 heeft het Gerecht partijen verzocht, aanwezig te zijn bij een informele bijeenkomst, vooral om hun opmerkingen in te dienen betreffende de eventuele voeging van de zaken T-295/94, T-304/94, T-308/94, T-309/94, T-310/94, T-311/94, T-317/94, T-319/94, T-327/94, T-334/94, T-337/94, T-338/94, T-347/94, T-348/94, T-352/94 en T-354/94 voor de mondelinge behandeling. Tijdens deze bijeenkomst, die plaatshad op 29 april 1997, hebben partijen met een dergelijke voeging ingestemd.
29 Bij beschikking van 4 juni 1997 heeft de president van de Derde kamer (uitgebreid) van het Gerecht de vorengenoemde zaken overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering wegens hun verknochtheid gevoegd voor de mondelinge behandeling en heeft hij een door verzoekster in onderhavige zaak ingediend verzoek om vertrouwelijke behandeling ingewilligd.
30 Bij beschikking van 20 juni 1997 heeft hij een door verzoekster in zaak T-337/94 ingediend verzoek om vertrouwelijke behandeling van een in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht overgelegd document ingewilligd.
31 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer - uitgebreid) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het maatregelen tot organisatie van de procesgang genomen, waarbij het partijen heeft verzocht, een aantal schriftelijke vragen te beantwoorden en bepaalde documenten over te leggen. Partijen hebben aan deze verzoeken voldaan.
32 De partijen in de in punt 28 vermelde zaken zijn in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord tijdens de terechtzitting die heeft plaatsgevonden van 25 juni tot en met 8 juli 1997.
Conclusies van partijen
33 Verzoekster concludeert, dat het het Gerecht behage:
- de beschikking nietig te verklaren;
- subsidiair, artikel 2 van de beschikking nietig te verklaren, alsmede artikel 3, voor zover verzoekster daarin een geldboete wordt opgelegd van 15 500 000 ECU;
- meer subsidiair, het bedrag van deze geldboete te verlagen; - verweerster te verwijzen in de kosten.
34 De Commissie concludeert, dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoekster te verwijzen in de kosten.
De vordering tot nietigverklaring van de beschikking
A - Het formele middel: schending van het recht van verweer
Argumenten van partijen
35 Verzoekster stelt schending van haar recht van verweer in verband met het feit dat de Commissie als bewijs van de inbreuk een document in aanmerking heeft genomen (punt 79 van de considerans van de beschikking), dat tijdens de verificatie in april 1991 bij Finnboard (UK) Ltd is ontdekt (hierna: "prijslijst Finnboard"). Zij merkt op, dat dit document haar pas is toegezonden op 28 april 1994, dat wil zeggen geruime tijd na neerlegging van haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar en na de hoorzitting bij de Commissie. Door deze ongerechtvaardigde vertraging was haar de mogelijkheid onthouden om haar standpunt kenbaar te maken betreffende de werkelijke betekenis van het document, de context waarin het was opgesteld, alsmede de conclusies welke de Commissie daaruit heeft getrokken (arrest Hof van 13 februari 1979, Hoffmann-La Roche/Commissie, 85/76, Jurispr. blz. 461). Bovendien was deze schending niet ongedaan gemaakt door de mededeling van het document op 28 april 1994.
36 De Commissie brengt hiertegen in, dat het betrokken document aan Sarrió is toegestuurd, begeleid door een brief van 28 april 1994, waarin de inhoud van het document en de conclusies die de Commissie daaruit had getrokken, volledig waren uiteengezet. Bovendien was verzoekster bij de brief van 28 april 1994 de mogelijkheid geboden om schriftelijk haar eventuele opmerkingen in te dienen, zodat zij haar standpunt betreffende de bewijskracht van het betrokken document tijdig kenbaar had kunnen maken (zie arrest Gerecht van 17 december 1991, BASF/Commissie, T-4/89, Jurispr. blz. II-1523, punt 36).
Beoordeling door het Gerecht
37 De prijslijst Finnboard is in handen van de Commissie gekomen tijdens haar verificaties in de lokalen van Finnboard (UK) Ltd in april 1991 en is zestien maanden na de toezending van de mededeling van de punten van bezwaar met een verklarende brief ter kennis van verzoekster gebracht.
38 Volgens de rechtspraak van het Gerecht moet de Commissie ingevolge artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17, junctis de artikelen 2 en 4 van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (PB 127, blz. 2268), de punten van bezwaar die zij tegen de ondernemingen en ondernemersverenigingen doet gelden, mededelen en kan zij in haar beschikkingen slechts die punten van bezwaar in aanmerking nemen, ter zake waarvan deze laatsten de gelegenheid hebben gehad hun standpunt kenbaar te maken (arrest van 23 februari 1994, CB en Europay/Commissie, T-39/92 en T-40/92, Jurispr. blz. II-49, punt 47).
39 Ook vereist de eerbiediging van het recht van verweer in een procedure die tot oplegging van sancties kan leiden, zoals de procedure in de onderhavige zaak, dat de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen reeds tijdens de administratieve procedure naar behoren hun standpunt kenbaar hebben kunnen maken met betrekking tot de juistheid en de relevantie van de door de Commissie gestelde feiten, punten van bezwaar en omstandigheden (arrest Hoffmann-La Roche/Commissie, reeds aangehaald, punt 11, en arrest Gerecht van 18 december 1992, Cimenteries CBR e.a./Commissie, T-10/92, T-11/92, T-12/92 en T-15/92, Jurispr. blz. II-2667, punt 39).
40 In casu is door de toezending van het betrokken document niet een nieuw punt van bezwaar opgeworpen, vergeleken met de mededeling van de punten van bezwaar. Uit de begeleidende brief bij de prijslijst Finnboard blijkt duidelijk, dat deze lijst slechts een aanvullend bewijs oplevert van een gemeenschappelijk beleid tot vaststelling van de prijzen, een punt van bezwaar dat reeds omstandig was uiteengezet in de mededeling van de punten van bezwaar.
41 In elk geval is verzoekster in de begeleidende brief bij dit document uitdrukkelijk de mogelijkheid geboden om met betrekking tot dit bewijsstuk tijdens de administratieve procedure en binnen een termijn van tien dagen haar standpunt kenbaar te maken. Zo gezien heeft de Commissie verzoekster niet belet om tijdig haar standpunt kenbaar te maken betreffende de bewijskracht van het toegezonden document (arrest Hoffmann-La Roche/Commissie, reeds aangehaald, punt 11, en arrest Hof van 25 oktober 1983, AEG/Commissie, 107/82, Jurispr. blz. 3151, punt 27).
42 Daaruit volgt, dat dit middel dient te worden afgewezen.
B - Ten gronde
Het middel: ontbreken van onderlinge afstemming van transactieprijzen en schending van motiveringsvereisten
Argumenten van partijen
43 Verzoekster erkent, dat zij heeft deelgenomen aan een onderlinge afstemming van de aangekondigde prijzen, doch betwist dat de afstemming betrekking had op de transactieprijzen. Naast de bij haar memories overgelegde documenten, waaruit zou blijken dat de transactieprijzen de aangekondigde prijzen niet hebben gevolgd, beroept zij zich tot staving van haar verklaring op de onderhandelingsmogelijkheid van elke afnemer, de ontwikkeling van de vraag en van de productiekosten, alsmede op de specifieke kenmerken van de kartonmarkt, in het bijzonder de periodieke aankondigingen van prijsverhogingen en de grote markttransparantie.
44 Volgens haar heeft de Commissie niet duidelijk uiteengezet, of zij stelt dat er sprake was van een onderlinge afstemming van niet alleen de aangekondigde prijzen, doch ook van de transactieprijzen. Anders dan de Commissie evenwel verklaart, is het onderscheid tussen deze beide soorten van afstemming wegens hun verschillende effecten van het grootste belang (zie arrest Hof van 31 maart 1993, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie, C-89/85, C-104/85, C-114/85, C-116/85, C-117/85 en C-125/85-C-129/85, Jurispr. blz. I-1307). Verzoekster stelt in haar repliek, dat de onzekerheden betreffende het voorwerp van de afstemming op zichzelf een schending opleveren van de vereisten betreffende de motivering en de duidelijkheid van beschikkingen waarin een inbreuk op de mededingingsregels wordt vastgesteld. Deze schending zou bijgevolg een ernstige inbreuk op de gegarandeerde rechten van de verdediging opleveren.
45 De Commissie verklaart niet te begrijpen, hoe verzoekster kan verklaren dat zij betrokken was bij een onderlinge afstemming van de prijzen, en tegelijkertijd kan stellen dat de toegepaste prijsverhogingen niet het resultaat van deze afstemming waren. Zij beklemtoont, dat de beschikking (in het bijzonder de punten 72-102 van de considerans) verwijst naar zowel documenten die de onderlinge afstemming van elke in het kader van het kartel aangekondigde prijsverhoging aantonen, als documenten waarbij elke producent de betrokken verhoging ook inderdaad heeft aangekondigd.
46 Vervolgens betoogt zij, dat het onderscheid tussen een afstemming van de aangekondigde prijzen en een afstemming van de transactieprijzen in casu niet relevant is. De onderlinge afstemming binnen de PWG en het JMC had niet alleen betrekking op de aangekondigde prijzen, doch ook op de besluiten tot periodieke prijsverhogingen voor elk type product en tot toepassing van deze gelijktijdige verhogingen binnen de gehele Gemeenschap (zie bewijsstukken vermeld in de punten 74-90, 92 en 94-96 van de considerans van de beschikking).
47 Gelet op de bewijzen van een onderlinge afstemming binnen de comités waaraan verzoekster heeft deelgenomen, kan bovendien onmogelijk worden verklaard, dat de prijsaankondigingen de onzekerheid van elke onderneming over het gedrag van haar concurrenten niet hebben weggenomen en dat verzoekster de prijsverhogingen onafhankelijk van de afstemming heeft doorgevoerd (zie arrest Gerecht van 24 oktober 1991, Rhône-Poulenc/Commissie, T-1/89, Jurispr. blz. II-867, punten 122 en 123).
Beoordeling door het Gerecht
48 Volgens artikel 1 van de beschikking hebben de in deze bepaling genoemde ondernemingen inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag door hun deelname, gedurende de relevante periode, aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging, waarbij de kartonleveranciers in de Gemeenschap in het bijzonder "voor elke productkwaliteit in elke nationale valuta regelmatige prijsverhogingen overeenkwamen" en "gelijktijdige en uniforme prijsverhogingen in de gehele Gemeenschap planden en tenuitvoerlegden".
49 Verzoekster erkent, dat zij heeft deelgenomen aan de vier organen van de PG Paperboard en noch in haar memories, noch in haar antwoorden op de vragen die het Gerecht ter terechtzitting heeft gesteld, betwist zij, dat zij vanaf 1988 heeft deelgenomen aan een onderlinge afstemming van de aangekondigde prijzen.
50 Alvorens te antwoorden op verzoeksters argument, dat de onderlinge afstemming niet betrekking had op de transactieprijzen, moet worden onderzocht, of de Commissie inderdaad in de beschikking heeft gesteld, dat de onderlinge afstemming dergelijke prijzen betrof.
51 Dienaangaande moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat artikel 1 van de beschikking geen enkele nadere precisering bevat omtrent de prijs waarop de onderling afgestemde verhogingen betrekking hadden.
52 In de tweede plaats blijkt uit de beschikking niet, dat de Commissie heeft gesteld, dat de producenten uniforme transactieprijzen hadden vastgesteld of zelfs hadden willen vaststellen. In het bijzonder wordt in de punten 101 en 102 van de considerans, betreffende de "effecten van de onderling afgestemde prijsinitiatieven op de prijzen", bevestigd, dat de Commissie van oordeel was, dat de prijsinitiatieven betrekking hadden op de catalogusprijzen en een verhoging van de transactieprijzen dienden op te leveren. Daarin wordt in het bijzonder verklaard: "Zelfs al bleven alle producenten standvastig op het punt van de invoering van de volledige verhoging, dan nog betekende de mogelijkheid voor de afnemers om over te schakelen op een goedkopere kwaliteit of categorie, dat een leverende producent enige concessies zou moeten doen aan zijn traditionele afnemers wat het tijdschema betreft of aanvullende stimulansen zou moeten geven in de vorm van tonnage-aftrekken of kortingen voor grote orders om de afnemer de volledige basisprijsverhoging te doen aanvaarden. De doorwerking van een prijsverhoging zou derhalve onvermijdelijk enige tijd vergen" (punt 101, vijfde alinea, van de considerans).
53 Uit de beschikking blijkt dus, dat de Commissie zich op het standpunt heeft gesteld, dat het oogmerk van de heimelijke verstandhouding tussen de producenten betreffende de prijzen was, dat de onderling afgestemde verhogingen van de aangekondigde prijzen een verhoging van de transactieprijzen zou opleveren. Dienaangaande blijkt uit punt 101, eerste alinea, van de considerans van de beschikking, dat "de producenten niet alleen de overeengekomen prijsverhogingen aankondigden, doch ook, met enkele uitzonderingen, krachtige maatregelen namen om te waarborgen dat deze aan de afnemers werden opgelegd". De situatie in onderhavige zaak verschilt derhalve van die welke door het Hof in het arrest Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie (reeds aangehaald) is onderzocht, omdat de Commissie, anders dan in de beschikking naar aanleiding waarvan dit laatste arrest is gewezen, in onderhavige beschikking niet stelt, dat de ondernemingen rechtstreeks afspraken hebben gemaakt over de transactieprijzen.
54 Deze analyse van de beschikking wordt bevestigd door de documenten die door de Commissie zijn overgelegd.
55 Zo bevat bijlage 109 bij de mededeling van de punten van bezwaar een verslag van de bijeenkomst van het JMC van 16 oktober 1989, waarin onder meer wordt vermeld:
"d) Holland
(...)
Grote problemen bij grote afnemers, in het bijzonder Imca, waar Cascades en Van Duffel nog krankzinnige prijzen hanteren en zowel KNP alsook de Finnen het leven moeilijk maken.
(...)
f) België
Vergelijkbare situatie als in Holland. Finnboard had de prijsverhogingen er reeds doorgekregen bij Van Genechten, moest evenwel wegens concessies uit België (Cascades) opnieuw overleg plegen. Men zal hard blijven en verwacht dit ook van Beghin, Cascades en KNP.
(...)
h) Italië
Saffa heeft zeer grote problemen met importprijzen van Kopparfors, Finnboard en ook Cascades.
Leveringen bij Saffa zijn sterk teruggelopen, de importen zijn sterk toegenomen.
Saffa appelleert aan de importeurs, de uitgevaardigde prijsrichtlijnen onvoorwaardelijk in acht te nemen."
56 Dit document toont duidelijk aan, dat de producenten weliswaar in het algemeen hebben aanvaard, dat elk van hen zijn transactieprijzen met zijn afnemers overeenkomt, doch elke producent, en in het bijzonder verzoekster, die in bovengenoemde bijlage uitdrukkelijk wordt vermeld, verwachtte van zijn concurrenten, dat zij transactieprijzen zouden toepassen die correspondeerden met de overeengekomen prijzen, althans in die zin dat de individuele onderhandelingen niet de overeengekomen verhogingen van de catalogusprijzen ongedaan mochten maken.
57 Bovendien heeft verzoekster ter terechtzitting erkend, dat de aangekondigde prijzen als aanvankelijke basis voor de onderhandelingen voor de transactieprijzen met de afnemers dienden, hetgeen bevestigt, dat de verhoging van de transactieprijzen het uiteindelijke doel was. Dienaangaande volstaat de opmerking, dat de tussen de producenten overeengekomen vaststelling van uniforme catalogusprijzen absoluut geen zin zou hebben, indien deze prijzen in feite geen enkel effect op de transactieprijzen zouden hebben.
58 Met betrekking tot verzoeksters argument, dat de onzekerheden omtrent het voorwerp van de onderlinge afstemming op zichzelf een schending van de motiveringsvereisten zouden opleveren, zij opgemerkt, dat in artikel 1 van de beschikking niet wordt gepreciseerd, op welke prijs de heimelijke verstandhouding betrekking had.
59 In een dergelijke situatie moet het dispositief van de beschikking overeenkomstig vaste rechtspraak worden gelezen met inachtneming van haar motivering (zie bijvoorbeeld arrest Hof van 16 december 1975, Suiker Unie e.a./Commissie, 40/73-48/73, 50/73, 54/73, 55/73, 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Jurispr. blz. 1663, punten 122-124).
60 In casu blijkt uit het voorgaande, dat de Commissie in de considerans van de beschikking toereikend heeft uiteengezet, dat de onderlinge afstemming betrekking had op de catalogusprijzen en een verhoging van de transactieprijzen ten doel had.
61 Bijgevolg dient dit middel te worden afgewezen.
Het middel: ontbreken van deelneming aan een kartel tot bevriezing van de marktaandelen en beheersing van het aanbod
Argumenten van partijen
62 Dit middel valt uiteen in drie onderdelen.
63 In het eerste onderdeel van het middel betoogt verzoekster, dat de Commissie niet over bewijzen van het bestaan van een onderlinge afstemming tot bevriezing van de marktaandelen, noch van het bestaan van een onderlinge afstemming tot beheersing van het aanbod beschikt. Gesteld al dat deze onderlinge afstemmingen rechtens genoegzaam bewezen zijn, heeft de Commissie niet bewezen, dat verzoekster aan dergelijke afstemmingen heeft deelgenomen. In het bijzonder betwist verzoekster de bewijskracht van een aantal bijlagen bij de mededeling van de punten van bezwaar, waarop de Commissie zich in de beschikking heeft gebaseerd.
64 In de eerste plaats bewijst volgens haar bijlage 73, een interne notitie van Mayr-Melnhof, enkel de onderlinge afstemming van de prijzen, zet zij de consequenties van een strikte prijspolitiek uiteen en bevestigt zij, dat door verzoekster geen druk op Mayr-Melnhof is uitgeoefend opdat deze laatste haar marktaandeel niet zou vergroten door een verlaging van haar prijzen. Dienaangaande beroept verzoekster zich op de verklaring die Mayr-Melnhof heeft verstrekt in haar brief van 23 september 1991 (bijlage 75 bij de mededeling van de punten van bezwaar).
65 In de tweede plaats had bijlage 102, een notitie van Rena, betrekking op een vergadering van het Nordic Paperboard Institute (hierna: "NPI"), een vereniging waarvan verzoekster geen lid was.
66 In de derde plaats konden de verklaringen van Stora op zichzelf geen genoegzame bewijzen opleveren. Bovendien had Stora meer dan eens gewezen op de betrekkelijke autonomie welke de verschillende ondernemingen genoten met betrekking tot in het bijzonder de productievolumes en het moment waarop tot stillegging werd besloten (zie punten 57, 59, 60, 69, 70 en 71 van de considerans van de beschikking). De verklaringen van Stora bevestigen bovendien, dat geen stelsel van controle van enig kartel betreffende de hoeveelheden was opgezet. Het ontbreken van een stelsel van controle van de ontwikkeling van de hoeveelheden weerlegt duidelijk, dat er op dit punt een kartel bestond. Overigens geven de verklaringen van Stora enkel haar persoonlijke opvatting betreffende het belang van maatregelen tot beheersing van de productie- en verkoophoeveelheden weer.
67 In een tweede onderdeel van het middel betoogt verzoekster, dat de ontwikkeling van de marktaandelen van de verschillende ondernemingen aantoont, dat er geen sprake was van een onderlinge afstemming tot bevriezing van de marktaandelen of, zo er al een afstemming tussen bepaalde ondernemingen bestond, dat zij daaraan in elk geval niet had deelgenomen.
68 Met betrekking tot de algemene ontwikkeling van de marktaandelen beklemtoont zij, dat door bepaalde producenten, in het bijzonder Iggesund (MoDo) en Mayr-Melnhof, in de loop van de relevante periode omvangrijke nieuwe capaciteit in bedrijf is genomen.
69 Ook merkt zij op, dat haar eigen totale marktaandeel in de Gemeenschap van 14,3 % in 1987 is gedaald tot 11,7 % in 1990. Volgens haar is een dergelijke daling niet te rijmen met de verklaring van de Commissie, dat zij heeft deelgenomen aan een kartel tot bevriezing van de marktaandelen van de verschillende producenten. Ook de daling van het totale aandeel van Prat Carton op de communautaire markt met ongeveer 9 % gedurende de periode van 1987 tot 1990 toont aan, dat op generlei wijze werd deelgenomen aan een onderlinge afstemming tot bevriezing van de marktaandelen.
70 In een derde onderdeel van het middel stelt verzoekster, dat haar gedrag betreffende de productiestillegging en de uitvoer naar niet-Europese landen evenmin correspondeert met de verklaringen van de Commissie.
71 Met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel is de Commissie van oordeel, dat de door haar aangevoerde bewijzen, in het bijzonder de verklaringen van Stora (bijlagen 39 en 43 bij de mededeling van de punten van bezwaar) en de bijlagen 73 en 102 bij de mededeling van de punten van bezwaar, ruimschoots volstaan om aan te tonen, dat er een kartel tot bevriezing van de marktaandelen en beheersing van het aanbod bestond, alsmede dat verzoekster aan deze bestanddelen van het kartel heeft deelgenomen.
72 Met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel herinnert zij eraan, dat zij zich heeft gebaseerd op bewijsstukken betreffende een kartel tot bevriezing van de marktaandelen, en zij stelt dat verzoeksters betoog betreffende de ontwikkeling van de marktaandelen van de verschillende ondernemingen derhalve niet relevant is voor de vraag, of er een dergelijk kartel bestond. Bovendien heeft zij in de beschikking uitdrukkelijk aanvaard, dat de marktaandelen van bepaalde ondernemingen langzaam omhoog kropen aangezien de besprekingen over marktaandelen elk jaar werden hervat (punten 60 en 131 van de considerans van de beschikking). Hoe dan ook verbiedt artikel 85 mededingingsregelingen die ten doel of ten gevolge hebben dat de mededinging wordt beperkt, ongeacht met hoeveel succes dit werd bekroond.
73 Wat meer in het bijzonder verzoeksters argumenten betreffende de ontwikkeling van haar eigen marktaandelen betreft, herinnert de Commissie eraan, dat de inbreuk betrekking had op de gehele communautaire markt. Verzoekster maakte deel uit van de PWG waarin over de marktaandelen werd gesproken. In 1989 was de gedelegeerd bestuurder van Saffa zelfs tot vicevoorzitter van de PG Paperboard benoemd.
74 Ten slotte merkt de Commissie op, dat verzoeksters verklaring dat zij altijd autonoom is opgetreden, niet door enig bewijs wordt gestaafd. Gesteld al dat verzoekster het kartel heeft geschonden, dan doet dit bovendien niets af aan de gepleegde inbreuk (arrest Rhône-Poulenc/Commissie, reeds aangehaald).
75 Met betrekking tot het derde onderdeel van het middel ten slotte betoogt de Commissie, dat Stora in bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar heeft bevestigd, dat de PWG een systeem had voorzien en ingevoerd om het evenwicht te herstellen en de productie te beheersen om de prijzen op een constant niveau te houden. Bijgevolg is het feit dat de marktsituatie of de goede werking van het kartel tot gevolg heeft gehad dat verzoekster naar eigen zeggen niet verplicht was om de productie stil te leggen op basis van een afstemming, van geen enkele invloed op haar aansprakelijkheid, noch op haar deelneming aan het kartel tot bevriezing van de marktaandelen en beheersing van de hoeveelheden.
Beoordeling door het Gerecht
1. Het bestaan van een onderlinge afstemming tot bevriezing van de marktaandelen en een onderlinge afstemming tot beheersing van het aanbod
76 Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 1 van de beschikking de in deze bepaling genoemde ondernemingen inbreuk hebben gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag door hun deelname, gedurende de relevante periode, aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging, waarbij de kartonleveranciers in de Gemeenschap "een afspraak maakten over handhaving van de marktaandelen van de grote producenten op vaste niveaus die van tijd tot tijd konden worden gewijzigd" en "in toenemende mate vanaf vooraan in 1990 ter beheersing van het aanbod van het product in de Gemeenschap onderling afgestemde maatregelen namen teneinde de tenuitvoerlegging van de genoemde onderling afgestemde prijsverhogingen te waarborgen".
77 Volgens de Commissie is het initiatief voor deze beide categorieën van heimelijke verstandhoudingen, die in de beschikking worden samengevat onder de titel "beheersing van hoeveelheden", gedurende de relevante periode genomen door de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG. Uit punt 37, derde alinea, van de considerans van de beschikking blijkt namelijk, dat het werkelijke doel van de PWG, zoals omschreven door Stora, "omvatte $bespreking van en onderlinge afstemming over markten, marktaandelen, prijzen, prijsverhogingen en capaciteit'."
78 Met betrekking tot de rol van de PWG bij de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen wordt in de beschikking (punt 37, vijfde alinea, van de considerans) opgemerkt: "In verband met maatregelen tot verhoging van de prijzen werden in de PWG gedetailleerde besprekingen gevoerd over de marktaandelen in West-Europa van de nationale groepen en de afzonderlijke producenten. Deze resulteerden in het bereiken van overeenstemming tussen de deelnemers over hun marktaandelen, met als doel ervoor te zorgen dat de onderling afgestemde prijsverhogingen niet in gevaar werden gebracht door overaanbod. De grote producentengroepen kwamen feitelijk overeen, hun marktaandelen te handhaven op het niveau dat voor elk jaar bleek uit de jaarcijfers over productie en verkoop, die via Fides in definitieve vorm in maart van het daaropvolgende jaar beschikbaar kwamen. Op elke vergadering van de PWG werd de ontwikkeling van de marktaandelen geanalyseerd op basis van de maandelijkse Fides-cijfers; als daaruit aanzienlijke schommelingen bleken, werd van de onderneming die daarvoor verantwoordelijk geacht werd, uitleg gevraagd."
79 Volgens punt 52 van de considerans omvatte "de in 1987 door de PWG bereikte overeenkomst de $bevriezing' van de West-Europese marktaandelen van de belangrijkste producenten op het destijds bestaande niveau, waarbij geen pogingen mochten worden gedaan, door een agressief prijsbeleid nieuwe afnemers te winnen of de bestaande omzet te vergroten".
80 In punt 56, eerste alinea, van de considerans wordt gesteld: "De basisafspraak tussen de voornaamste producenten over de handhaving van hun marktaandelen bleef gedurende de door deze beschikking bestreken periode bestaan." Volgens punt 57 werd "$de ontwikkeling van de marktaandelen' op iedere vergadering van de PWG geanalyseerd op basis van voorlopige statistieken". In punt 56, laatste alinea, ten slotte wordt verklaard: "Aan de besprekingen over marktaandelen namen de producenten deel die in de PWG waren vertegenwoordigd, namelijk: Cascades, Finnboard, KNP (tot 1988), [Mayr-Melnhof], MoDo, Sarrió, de twee producenten van de Stora-groep, CBC en Feldmühle, en (vanaf 1988) Weig."
81 De Commissie heeft dus op juiste wijze aangetoond, dat er tussen de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen bestond.
82 De analyse van de Commissie berust namelijk hoofdzakelijk op de verklaringen van Stora (bijlagen 39 en 43 bij de mededeling van de punten van bezwaar) en wordt bevestigd door bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar.
83 In bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar verklaart Stora: "De PWG kwam vanaf 1986 bijeen om de invoering van discipline op de markt te ondersteunen (...) Naast andere (rechtmatige) activiteiten omvatte het doel: bespreking van en onderlinge afstemming over markten, marktaandelen, prijzen en prijsverhogingen, vraag en capaciteit. Zijn rol bestond onder meer uit het beoordelen van de precieze situatie van vraag en aanbod op de markt, alsmede van de maatregelen die moesten worden genomen om te proberen orde op de markt tot stand te brengen, en om deze beoordeling voor te leggen aan de President Conference."
84 Meer in het bijzonder met betrekking tot de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen deelt Stora mee, dat "de door nationale groepen van de Europese Gemeenschap, EFTA en andere landen behaalde marktaandelen welke door leden van de PG Paperboard waren verstrekt, binnen de PWG werden bestudeerd" en dat de PWG "de mogelijkheid besprak om de marktaandelen op hun niveau van het vorige jaar te handhaven" (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 19). Verder deelt zij (in hetzelfde document, punt 6) mee, dat "besprekingen betreffende marktaandelen van de producenten in Europa ook gedurende deze periode plaatsvonden, waarbij de eerste referentieperiode de niveaus van 1987 waren".
85 In haar antwoord op een vraag van de Commissie van 23 december 1991, dat zij op 14 februari 1992 had verstuurd (bijlage 43 bij de mededeling van de punten van bezwaar), preciseert Stora nog: "De door de PWG-leden gemaakte afspraken betreffende de niveaus van de marktaandelen hadden betrekking op Europa in zijn geheel. Deze afspraken waren gebaseerd op de cijfers van het gehele voorgaande jaar, die gewoonlijk definitief beschikbaar waren in maart van het daaropvolgende jaar" (punt 1.1).
86 Deze verklaring wordt in hetzelfde stuk bevestigd in de navolgende bewoordingen: "(...) de besprekingen leidden tot afspraken die in de regel in maart van elk jaar tussen de leden van de PWG werden gemaakt om hun marktaandelen op het niveau van het voorgaande jaar te houden" (punt 1.4). Stora merkt op, dat "geen maatregelen werden genomen om de naleving van deze afspraken te verzekeren", en dat de leden van de PWG "zich er bewust van waren dat indien zij op bepaalde markten waarop door anderen werd geleverd, uitzonderlijke omzetten zouden maken, deze anderen het hun betaald zouden kunnen zetten op andere markten" (zelfde punt).
87 Ten slotte verklaart zij, dat Saffa heeft deelgenomen aan de besprekingen betreffende de marktaandelen (punt 1.2).
88 De verklaringen van Stora betreffende de heimelijke verstandhouding over de marktaandelen worden gestaafd door bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar. Dit bij FS-Karton aangetroffen document is een vertrouwelijke notitie van 28 december 1988 betreffende de marktsituatie, welke door de marketingmanager, verantwoordelijk voor de verkoop van de Mayr-Melnhof-groep in Duitsland (Katzner), is toegestuurd aan de algemeen directeur van Mayr-Melnhof in Oostenrijk (Gröller).
89 Volgens dit in de punten 53 tot en met 55 van de considerans van de beschikking geciteerde document, had deze nauwere samenwerking binnen de "Präsidentenkreis", waartoe in 1987 was besloten, "winnaars" en "verliezers" opgeleverd. De opsteller van de notitie deelt Mayr-Melnhof bij de categorie van verliezers in om verschillende, in het bijzonder de navolgende redenen:
"2) Overeenstemming kon slechts worden bereikt door ons "te bestraffen" - van ons werden "offers" verlangd.
3) De marktaandelen van 1987 moesten worden "bevroren", de bestaande contacten in stand blijven en geen nieuwe activiteiten of soorten door middel van de prijs worden ingepalmd (in januari 1989 zal het resultaat blijken - indien iedereen eerlijk is)."
90 Deze zinnen moeten in de meer algemene context van de notitie worden gelezen.
91 In dit verband wijst de opsteller bij wijze van inleiding op de nauwere samenwerking op Europees niveau in de "Präsidentenkreis". Deze uitdrukking is door Mayr-Melnhof aldus geïnterpreteerd, dat zij in het algemeen doelt op zowel de PWG als de PC, dat wil zeggen zonder te verwijzen naar een specifieke gebeurtenis of vergadering (bijlage 75 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 2.a), een uitlegging die in de onderhavige context niet behoeft te worden onderzocht.
92 Vervolgens deelt de opsteller mee, dat deze samenwerking heeft geleid tot de "prijsdiscipline", die "winnaars" en "verliezers" heeft opgeleverd.
93 De uitdrukking betreffende de marktaandelen die op de niveaus van 1987 moesten worden bevroren, moet dus worden gelezen in de context van deze prijsdiscipline waartoe door de "Präsidentenkreis" is besloten.
94 Bovendien is de verwijzing naar 1987 als referentiejaar in overeenstemming met de tweede verklaring van Stora (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar; zie punt 84 supra).
95 Met betrekking tot de rol die de PWG heeft gespeeld bij de heimelijke verstandhouding betreffende de beheersing van het aanbod, welke kenmerkend was voor het onderzoek van de machinestilstand, wordt in de beschikking vermeld, dat de PWG een beslissende rol heeft gespeeld bij de tenuitvoerlegging van de machinestilstand, toen vanaf begin 1990 de productiecapaciteit toenam en de vraag afnam: "(...) begin 1990 [achtten] de leidende producenten in de bedrijfstak (...) het noodzakelijk in het kader van de PWG tot onderlinge afspraken over de noodzaak van machinestilstand te komen. De grote producenten zagen in, dat zij de vraag niet konden vergroten door de prijzen te verlagen en dat de handhaving van de productie op volle capaciteit alleen maar de prijzen zou doen dalen. Met behulp van de capaciteitsverslagen kon in theorie berekend worden hoe lang de machines moesten stilstaan om vraag en aanbod in evenwicht te brengen. (...)" (punt 70 van de considerans van de beschikking).
96 Verder wordt in de beschikking opgemerkt: "De PWG bepaalde niet formeel voor elke producent voor hoe lang diens machines moesten worden stilgelegd. Volgens Stora bestonden er praktische moeilijkheden bij het vaststellen van een gecoördineerd plan met betrekking tot een stilstand voor alle producenten. Stora verklaart, dat er om deze redenen slechts $een soepel aanmoedigingssysteem bestond'" (punt 71 van de considerans van de beschikking).
97 De Commissie heeft dus genoegzaam aangetoond, dat er tussen de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG een heimelijke verstandhouding betreffende de stilleggingen van de productie bestond.
98 De door haar overgelegde stukken staven haar analyse.
99 In de tweede verklaring (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 24) verklaart Stora: "Met de vaststelling door de PWG van het $prijs vóór tonnage'-beleid en de geleidelijke toepassing van een equivalent systeem van prijzen vanaf 1988, hebben de leden van de PWG erkend, dat wegens een geringere toeneming van de vraag machinestilstand ($downtime') nodig was om deze prijzen te handhaven. Zonder machinestilstand door de producenten zou het wegens de steeds grotere overcapaciteit onmogelijk zijn geweest de overeengekomen prijsniveaus te handhaven."
100 In het volgende punt van haar verklaring voegt zij daaraan toe: "In 1988 en 1989 werd nagenoeg de volledige capaciteit van de bedrijfstak benut. Boven de normale stilleggingen in verband met onderhoud en vakantie was vanaf 1990 geen machinestilstand noodzakelijk. Later, toen de bestellingen afnamen, bleek machinestilstand noodzakelijk om het $prijs vóór tonnage'-beleid te handhaven. De hoeveelheid $downtime' die de producenten moesten nemen (om het evenwicht tussen productie en consumptie te handhaven), kon worden berekend op basis van de capaciteitsverslagen. De PWG had niet formeel $downtime' toegewezen, ofschoon er een soepel aanmoedigingssysteem bestond (...)"
101 Wat bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar betreft, vormen de redenen welke door de opsteller ervan worden gegeven om te verklaren waarom hij Mayr-Melnhof als "verliezer" beschouwde toen hij de notitie opstelde, belangrijke bewijzen dat er met betrekking tot de machinestilstand een heimelijke verstandhouding bestond tussen de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG.
102 De opsteller ervan stelt namelijk vast:
"4) Op dit punt beginnen de opvattingen van de betrokkenen over de doelstelling uiteen te lopen.
(...)
c) Alle verkopers en Europese vertegenwoordigers werden van hun geraamde hoeveelheden ontheven en er werd een bijna waterdichte, harde prijspolitiek verdedigd (de medewerkers verstonden vaak niet, waarom onze houding ten opzichte van de markt was gewijzigd - vroeger werd enkel een tonnage verlangd en thans enkel prijsdiscipline met het risico van machinestilstand)."
103 Volgens Mayr-Melnhof (bijlage 75 bij de mededeling van de punten van bezwaar) slaat de hierboven weergegeven passage op een interne bedrijfssituatie. Gelezen in het licht van de meer algemene context van de notitie komt in dit uittreksel evenwel tot uiting, dat op het niveau van de verkoopteams een in het kader van de "Präsidentenkreis" vastgesteld, strikt prijsbeleid werd toegepast. Het document moet dus aldus worden uitgelegd, dat het inhoudt, dat de deelnemers aan de overeenkomst van 1987, dat wil zeggen op zijn minst degenen die de vergaderingen van de PWG bijwoonden, ontegenzeglijk de consequenties hebben ingeschat, die het vastgestelde beleid zou hebben, ingeval dit strikt zou worden toegepast.
104 Het feit dat tussen de producenten tijdens de voorbereiding van de prijsverhogingen is gesproken over het onderzoek van de machinestilstand, wordt onder meer bevestigd door een notitie van Rena van 6 september 1990 (bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar), waarin melding wordt gemaakt van de bedragen van de prijsverhogingen in verschillende landen, de data van de toekomstige aankondigingen van deze prijsverhogingen, alsmede voor verschillende producenten de stand van hun in arbeidsdagen uitgedrukte orderportefeuille.
105 De opsteller van het document merkt op, dat bepaalde producenten machinestilstand voorzagen, hetgeen hij bijvoorbeeld uitdrukt als volgt:
"Kopparfors 5-15 days 5/9 will stop for five days."
106 Op basis van het voorgaande moet worden geconcludeerd, dat de Commissie het bestaan van een heimelijke verstandhouding tussen de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG betreffende de marktaandelen, alsmede het bestaan van een heimelijke verstandhouding tussen deze zelfde ondernemingen betreffende machinestilstand rechtens genoegzaam heeft bewezen. Voor zover niet wordt betwist, dat Sarrió de vergaderingen van de PWG heeft bijgewoond, en deze onderneming uitdrukkelijk wordt genoemd in de voornaamste belastende bewijsstukken (verklaringen van Stora en bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar), heeft de Commissie verzoekster terecht aansprakelijk gesteld voor een deelneming aan deze beide heimelijke verstandhoudingen.
107 Verzoeksters kritiek op de verklaringen van Stora en op bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar, waarmee zij de bewijskracht van deze stukken betwist, kan aan deze vaststelling niet afdoen.
108 Wat om te beginnen de achtereenvolgende verklaringen van Stora tegenover de Commissie betreft, staat vast, dat zij afkomstig zijn van een van de ondernemingen die worden geacht bij de gestelde inbreuk betrokken te zijn geweest, en dat zij een gedetailleerde beschrijving bevatten van de aard van de binnen de organen van de PG Paperboard gevoerde besprekingen, van het doel dat werd nagestreefd door de daarin verenigde ondernemingen, alsmede van de deelneming van deze ondernemingen aan de vergaderingen van haar verschillende organen. Voor zover dit kernbewijsstuk door andere stukken in het dossier wordt bevestigd, worden de verklaringen van de Commissie daardoor afdoende gestaafd.
109 Met betrekking tot bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar is verzoekster verder van mening, dat daarin enkel een onderlinge afstemming van de prijzen wordt aangetoond, omdat de daarin vermelde wijzigingen in de verkopen gewoonweg als consequentie van de prijspolitiek worden beschouwd. Dienaangaande beroept zij zich op de interpretatie van dit document door Mayr-Melnhof (bijlage 75 bij de mededeling van de punten van bezwaar).
110 Deze analyse van verzoekster is evenwel niet bestand tegen een contextuele uitlegging van het document en de uitlegging die Mayr-Melnhof daaraan geeft, is van geen enkel nut.
111 Volgens bijlage 75 bij de mededeling van de punten van bezwaar is bijlage 73 "een algemeen situatieverslag van de marketingmanager van FS-Karton voor de directie van de groep, dat niets anders is dan een poging om het achterblijven van de ontwikkeling van de omzet bij FS-Karton tegenover de directie van de groep te rechtvaardigen, vooral op basis van het nieuwe commerciële beleid, dat de dochterondernemingen tot een absolute prijsdiscipline verplichtte, zelfs ten koste van een daling van de omzet". Bovendien betekende volgens Mayr-Melnhof: "$de bevriezing van de marktaandelen' (...), dat voor het behalen van een hoger prijsniveau binnen de Mayr-Melnhof-kartongroep niet moest worden geprobeerd, hogere marktaandelen te behalen door extra hoeveelheden aan nieuwe afnemers of nieuwe soorten tegen niet kostendekkende prijzen af te zetten. Het doel was veeleer, ondanks hogere prijzen de bestaande afnemerrelaties te behouden."
112 Deze algemene overwegingen zijn niet te rijmen met de verwijzing in de inleiding naar de "Präsidentenkreis" en het gehele document moet in het licht van deze verwijzing worden gelezen.
113 Voor zover de informatie in bijlage 73 betreffende de "bevriezing" van de marktaandelen en de beheersing van het aanbod overeenstemt met de informatie in de verklaringen van Stora, heeft de Commissie zich terecht op het standpunt gesteld dat deze stukken, tezamen gelezen, blijk geven van het bestaan van een wilsovereenstemming die verder gaat dan een onderlinge afstemming van enkel de prijzen.
114 Bijgevolg heeft de Commissie het bestaan van de beide betrokken heimelijke verstandhoudingen aangetoond, zodat verzoeksters kritiek op bijlage 102 bij de mededeling van de punten van bezwaar niet behoeft te worden onderzocht.
2. Het feitelijke gedrag van verzoekster
115 Het tweede en het derde onderdeel van het middel, volgens hetwelk het feitelijke gedrag van de ondernemingen niet is te rijmen met de verklaringen van de Commissie betreffende het bestaan van de beide betwiste heimelijke verstandhoudingen, kan evenmin worden aanvaard.
116 In de eerste plaats mag het bestaan van de heimelijke verstandhoudingen tussen de leden van de PWG betreffende de beide aspecten van het "prijs vóór tonnage"-beleid niet worden verward met de uitvoering daarvan. De door de Commissie verstrekte bewijzen hebben namelijk een zodanige bewijskracht, dat de inlichtingen betreffende het feitelijke gedrag van verzoekster op de markt niet kunnen afdoen aan de conclusies van de Commissie betreffende het bestaan zelf van de heimelijke verstandhoudingen betreffende de beide aspecten van het betrokken beleid. Hooguit zouden verzoeksters beweringen kunnen aantonen, dat haar gedrag niet strookte met de beleidslijn die tussen de ondernemingen in het kader van de PWG was overeengekomen.
117 In de tweede plaats zijn de conclusies van de Commissie niet in tegenspraak met de door verzoekster verstrekte inlichtingen. Beklemtoond moet worden, dat de Commissie uitdrukkelijk erkent, dat de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen "geen formeel mechanisme van strafmaatregelen of compensatie [inhield] om de afspraak betreffende de marktaandelen af te dwingen", en dat de marktaandelen van een aantal grote producenten jaarlijks omhoogkropen (zie in het bijzonder punten 59 en 60 van de considerans van de beschikking). Bovendien geeft de Commissie toe, dat tot begin 1990 de volledige capaciteit van de bedrijfstak werd benut, zodat tot die datum vrijwel geen machinestilstand noodzakelijk was (punt 70 van de considerans van de beschikking).
118 In de derde plaats is het vaste rechtspraak, dat het feit dat een onderneming zich niet houdt aan de resultaten van vergaderingen die een kennelijk mededingingsverstorend doel hebben, haar niet van de volle aansprakelijkheid voor haar deelneming aan het kartel kan ontslaan, wanneer zij zich niet publiekelijk van de inhoud van de vergaderingen heeft gedistantieerd (zie bijvoorbeeld arrest Gerecht van 6 april 1995, Tréfileurope/Commissie, T-141/89, Jurispr. blz. II-791, punt 85). Zelfs indien verzoekster zich op de markt niet op de overeengekomen wijze heeft gedragen, doet zulks dus niets af aan haar aansprakelijkheid voor een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
Het middel: onjuiste beoordeling, door de Commissie, van de duur van de onderlinge afstemming van de prijzen
Argumenten van partijen
119 Verzoekster betoogt, dat een onderlinge afstemming van de aangekondigde prijzen, althans wat haar betreft, slechts vanaf 1988 heeft plaatsgevonden. De verhoging van de prijzen van januari 1987 in het Verenigd Koninkrijk was volgens haar slechts een natuurlijke reactie van de producenten op de lage wisselkoers van het Britse pond tegenover de andere Europese valuta en het uniforme karakter van deze verhoging was een gevolg van de markttransparantie. Het is marktdeelnemers niet verboden, hun gedrag aan te passen aan het vastgestelde of te verwachten gedrag van hun concurrenten (arrest Suiker Unie e.a./Commissie, reeds aangehaald). Bovendien bewijzen noch de bijlagen 44 en 61 bij de mededeling van de punten van bezwaar, noch document A-17-2 de onderlinge afstemming van de prijzen tussen de ondernemingen. In elk geval hadden deze stukken geen betrekking op verzoekster.
120 Voor het einde van de onderlinge afstemming van de prijzen heeft de Commissie volgens haar ten onrechte april 1991 aangehouden, terwijl de laatste afgestemde verhoging van de prijzen is aangekondigd in september-oktober 1990.
121 De Commissie herinnert eraan, dat verzoekster de vergaderingen van de PWG en het JMC heeft bijgewoond vanaf hun oprichting en in 1991 nog steeds lid was. Zij beklemtoont, dat documenten die zijn aangetroffen in de lokalen van een van de betrokken ondernemingen, weliswaar aantonen dat eind 1987 overeenstemming was bereikt over de problemen betreffende de hoeveelheidsbeheersing en prijsdiscipline (punt 53 van de considerans van de beschikking), doch dat hiermee niet in tegenspraak is, dat de betrokken producenten vóór dit tijdvak een aantal geheime vergaderingen hebben gehouden om een plan te bespreken dat de mededinging diende uit te schakelen (zie in het bijzonder punt 161 van de considerans van de beschikking). De bijlagen 35 en 43 bij de mededeling van de punten van bezwaar bevestigen deze verklaring. De Commissie voegt daaraan toe, dat de juistheid van haar conclusies betreffende de duur van de inbreuk eveneens wordt aangetoond door de prijsverhogingen die sedert 1987 door de producenten zijn doorgevoerd.
Beoordeling door het Gerecht
122 Volgens artikel 1 van de beschikking heeft verzoekster inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, door haar deelname, vanaf medio 1986 tot ten minste april 1991, aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging, waarbij de kartonleveranciers in de Gemeenschap onder meer verhogingen van de kartonprijzen overeenkwamen en gelijktijdige en uniforme prijsverhogingen in de gehele Gemeenschap planden en ten uitvoer legden. In punt 74 van de considerans wordt gepreciseerd, dat het eerste onderling afgestemde prijsinitiatief waaraan verzoekster heeft deelgenomen (bijlage A bij de beschikking), voor het Verenigd Koninkrijk plaatsvond eind 1986, "terwijl het nieuwe instrument van de PG Paperboard nog in oprichting was".
123 In punt 161, tweede alinea, van de considerans wordt overigens in aanmerking genomen, dat de meeste ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, aan de inbreuk hebben deelgenomen vanaf juni 1986, "het tijdstip waarop de PWG werd ingesteld en de heimelijke verstandhouding tussen de kartonproducenten in de PG Paperboard intensiever en geleidelijk doeltreffender werd".
124 Tot staving van haar kritiek betreffende het begin van de onderlinge afstemming van de prijzen betwist verzoekster de bewijskracht van de bijlagen 61 en 44 bij de mededeling van de punten van bezwaar, alsmede die van document A-17-2.
125 Bijlage 61 bij de mededeling van de punten van bezwaar is een notitie die werd aangetroffen bij de handelsagent van Mayr-Melnhof in het Verenigd Koninkrijk. De Commissie is van oordeel, dat het gaat om een "interne notitie van een $President Conference' [welke] het door Stora toegegeven feit dat tijdens de $President Conference' wel dergelijk besprekingen zijn gevoerd over heimelijke prijsafspraken", bevestigt (punten 41, derde alinea, en 75, tweede alinea, van de considerans van de beschikking).
126 Dit document, betreffende een vergadering te Wenen op 12 en 13 december 1986, bevat de navolgende inlichtingen:
"Prijszetting in het VK
Op de laatste vergadering van Fides verklaarde de vertegenwoordiger van Weig, dat volgens Weig 9 % te hoog was voor het Verenigd Koninkrijk en dat zij akkoord ging met 7 %! Grote teleurstelling, omdat dit neerkomt op een $onderhandelingsniveau' voor alle anderen. De prijspolitiek in het Verenigd Koninkrijk zal worden overgelaten aan RHU met steun van [Mayr-Melnhof], zelfs indien dit een tijdelijk lager tonnage betekent, terwijl wij proberen (en zullen laten blijken dat wij proberen) de doelstelling van 9 % te halen. [Mayr-Melnhof/FS] handhaven een groeibeleid in het Verenigd Koninkrijk doch de winstdaling is groot en wij moeten alles doen om de prijzen weer onder controle te krijgen. [Mayr-Melnhof] is het ermee eens dat het feit dat bekend is dat zij hun tonnage in Duitsland met 6 000 ton hebben verhoogd, niets oplost!"
127 De Fides-vergadering waarop aan het begin van de aangehaalde passage wordt gedoeld, is volgens Mayr-Melnhof (antwoord op een verzoek om inlichtingen, bijlage 62 bij de mededeling van de punten van bezwaar) waarschijnlijk de vergadering van de PC op 10 november 1986.
128 Vastgesteld moet worden, dat het onderzochte document aantoont, dat Weig heeft gereageerd door informatie te verstrekken omtrent haar toekomstig prijsbeleid in het Verenigd Koninkrijk ten opzichte van een aanvankelijk niveau van prijsverhoging.
129 Het kan evenwel niet als bewijs worden beschouwd, dat Weig heeft gereageerd ten opzichte van een bepaald niveau van prijsverhoging dat op een datum vóór 10 november 1986 was overeengekomen tussen de ondernemingen die lid waren van de PG Paperboard.
130 De Commissie voert namelijk geen enkel ander bewijs dienaangaande aan. Bovendien kan de verwijzing van Weig naar een prijsverhoging van "9 %" worden verklaard door de prijsverhoging in het Verenigd Koninkrijk die door Thames Board Ltd was aangekondigd op 5 november 1986 (bijlage A-12-1). Deze aankondiging is kort nadien bekendgemaakt, zoals blijkt uit een persknipsel (bijlage A-12-3). Ten slotte heeft de Commissie geen enkel ander document overgelegd dat een rechtstreeks bewijs kan opleveren dat tijdens vergaderingen van de PC over prijsverhogingen is gesproken. Onder deze omstandigheden kan niet worden uitgesloten, dat de uitspraken van Weig, zoals weergegeven in bijlage 61 bij de mededeling van de punten van bezwaar, zijn gedaan in de marge van de vergaderingen van de PC van 10 november 1986, zoals Weig ter terechtzitting herhaaldelijk heeft gesteld.
131 Bovendien wordt in de notulen van een bijeenkomst van het bestuur van Feldmühle (UK) Ltd van 7 november 1986 (bijlage A-17-2), waarop de Commissie zich in haar beschikking beroept (punt 74, derde alinea, van de considerans), slechts bevestigd dat de aankondiging van een prijsverhoging van ongeveer 9 % door Thames Board Ltd op een datum vóór 10 november 1986 aan deze Britse dochter van Feldmühle bekend was: "TBM and the Fins have announced price increases of approximately 9 % to be effective from February 1987 and it would appear that most other mills will be looking for the same sort of increase" ["TBM en de Finnen hebben prijsverhogingen van circa 9 % per februari 1987 aangekondigd en de meeste andere producenten zullen naar alle waarschijnlijkheid een vergelijkbare verhoging willen toepassen"] (bijlage A-17-2, door de Commissie aangehaald in punt 74 van de considerans van de beschikking).
132 Bijlage 44 bij de mededeling van de punten van bezwaar, een met de hand geschreven notitie in de bureauagenda van een personeelslid van Feldmühle, die de bladzijdes van 15, 16 en 17 januari 1987 beslaat, levert volgens de Commissie "eveneens bewijs op voor een onderlinge afstemming" (punt 75, derde alinea, van de considerans van de beschikking).
133 Deze notitie heeft evenwel niet de bewijskracht die verweerster daaraan toekent. Niet wordt vermeld, van welke vergadering in deze notitie verslag wordt gedaan, zodat niet kan worden uitgesloten, dat het een interne vergadering van de onderneming Feldmühle was. Aangezien deze notitie waarschijnlijk van midden januari 1987 dateert, bewijst zij niet, dat de toepassing van de prijsverhoging, "waaraan ook TBM meedoet", een gevolg is van een onderlinge afstemming, aangezien deze mededeling slechts een eenvoudige vaststelling kan zijn.
134 Bepaalde informatie in de notitie is zelfs in tegenspraak met de verklaring van de Commissie, dat deze notitie het bestaan van een heimelijke verstandhouding aangaande de beslissing om de prijzen in het Verenigd Koninkrijk te verhogen, zou bevestigen. In het bijzonder de opmerking dat de directeur van Feldmühle "sceptisch" stond tegenover Kopparfors en ook Mayr-Melnhof beschuldigde van "onverantwoordelijk gedrag" ("ohne Verantwortung"), kan niet worden geacht de stelling van de Commissie te staven. Hetzelfde geldt voor de vermelding "Finnboard: Preisautonomie auch f. Tako" ["Finnboard: prijsautonomie ook voor Tako"].
135 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie niet heeft aangetoond, dat de ondernemingen hebben afgesproken de prijzen in het Verenigd Koninkrijk in januari 1987 te verhogen, noch a fortiori dat verzoekster betrokken was bij de besprekingen daarover.
136 Niettemin moet verzoekster als onderneming die, zoals zij zelf heeft erkend, de vergaderingen van de PWG heeft bijgewoond vanaf de oprichting van dit orgaan van de PG Paperboard tegen medio 1986, vanaf die datum aansprakelijk worden geacht voor een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen.
137 De PWG is namelijk door bepaalde ondernemingen, waaronder verzoekster, opgericht met een voornamelijk mededingingsverstorend oogmerk. Zoals Stora heeft meegedeeld (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 8), "kwam de PWG vanaf 1986 bijeen om de invoering van discipline op de markt te ondersteunen", en omvatte het doel onder meer "bespreking van en onderlinge afstemming over markten, marktaandelen, prijzen, prijsverhoging en capaciteit" (bijlage 35 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 5, sub iii).
138 De rol die de ondernemingen die lid waren van dit orgaan, hebben gespeeld met betrekking tot de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen en die betreffende machinestilstand, is beschreven in het voorgaande middel (zie punten 78-106 supra). De ondernemingen die lid waren van dit orgaan, hebben eveneens gesproken over prijsinitiatieven. Volgens Stora (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 10) is "met ingang van 1987 de PWG tot overeenstemming gekomen over en heeft zij algemene besluiten genomen betreffende het tijdstip en het niveau van door de kartonproducenten door te voeren prijsverhogingen".
139 Het feit dat zij heeft ingestemd met de oprichting en de deelneming aan de vergaderingen van een orgaan waarvan het mededingingsverstorende doel, onder meer bestaande in besprekingen over toekomstige prijsverhogingen, bij zijn oprichting bekend was en werd aanvaard door de ondernemingen, is derhalve voldoende reden om verzoekster aansprakelijk te achten voor een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen vanaf medio 1986, het tijdstip vanaf wanneer verzoekster erkent dat zij aan de PWG heeft deelgenomen.
140 Als einde van de onderlinge afstemming van de prijzen heeft de Commissie terecht de maand april 1991 aangehouden, gedurende welke maand personeelsleden van de Commissie overeenkomstig artikel 14 van verordening nr. 17 verificaties hebben verricht in de lokalen van verschillende ondernemingen. De laatste onderling afgestemde prijsverhoging, welke door verzoekster in oktober 1990 werd aangekondigd, is toegepast met ingang van januari 1991 en het tussen de ondernemingen overeengekomen niveau van de catalogusprijzen gold nog in de maand april 1991.
141 Daaruit volgt, dat dit middel moet worden afgewezen.
Het middel: onjuiste beoordeling, door de Commissie, van de duur van het kartel tot bevriezing van de marktaandelen en de beheersing van het aanbod Argumenten van partijen
142 Verzoekster betoogt, dat zelfs indien een kartel tot bevriezing van de marktaandelen en de beheersing van het aanbod als bewezen moet worden beschouwd, de Commissie de duur ervan onjuist heeft beoordeeld, omdat uit de door haar aangevoerde bewijzen blijkt, dat er vóór eind 1988 geen kartel bestond. In haar repliek voegt zij daaraan toe, dat bijlage 102 bij de mededeling van de punten van bezwaar, een notitie van Rena die betrekking zou hebben op een vergadering van het NPI op 3 oktober 1988, aantoont dat toen deze notitie werd opgesteld, een dergelijk kartel niet bestond, aangezien de opsteller ervan enkel spreekt van de mogelijkheid om een beheersing van het aanbod te onderzoeken ingeval er moeilijkheden zouden zijn op het gebied van de prijzen.
143 De Commissie verwijst naar de argumenten die zij heeft aangevoerd in het kader van het middel betreffende een onjuiste beoordeling van de duur van de onderlinge afstemming van de prijzen (zie punt 121 supra).
Beoordeling door het Gerecht
144 Het Gerecht heeft reeds vastgesteld (zie punten 78-106 supra), dat de Commissie heeft aangetoond, dat de ondernemingen die lid waren van de PWG, hebben deelgenomen aan een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen, alsook aan een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand.
145 Uit de beschikking blijkt, dat de "bevriezing" van de marktaandelen en het onderzoek van de machinestilstand tussen de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG met ingang van eind 1987 specifiek werden besproken om te verzekeren dat de met ingang van 1988 genomen prijsinitiatieven succes zouden hebben (zie in het bijzonder punten 51-60 van de considerans). Dienaangaande wordt in de beschikking verklaard: "Alle leden van de PWG streefden ernaar de hernieuwde prijsinitiatieven niet te laten ondermijnen door aanzienlijke verhogingen van de verkochte hoeveelheden. Dit werd door Stora aangeduid als het $prijs [vóór] tonnage'-beleid" (punt 51, eerste alinea, van de considerans). Verder overweegt de Commissie dat kenmerken voor het "prijs vóór tonnage"-beleid, waardoor de PG Paperboard van eind 1987 tot april 1991 werd gekarakteriseerd, onder meer waren: "de $bevriezing' van de marktaandelen van de grote producenten, oorspronkelijk op grond van hun posities in 1987", en "de coördinatie van $machinestilstand' ($downtime') door de grote producenten in plaats van prijsverminderingen (voornamelijk vanaf 1990)" (punt 130, tweede alinea, van de considerans).
VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER: 694A0334.1
146 Deze verklaringen van de Commissie zijn voornamelijk gebaseerd op de bijlagen 39 en 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar.
147 In het document in bijlage 39 (punt 5) preciseert Stora: "In verband met het prijsinitiatief uit 1987 was het noodzakelijk, een globaal evenwicht te handhaven tussen productie en consumptie ($prijs vóór tonnage'-beleid)."
148 Met betrekking tot het begin van de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen volgt uit bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar (zie punt 89 supra), dat de "Präsidentenkreis" sedert oktober of november 1987 tot een nauwere samenwerking had besloten. Het resultaat van deze samenwerking was een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen vanaf deze datum.
149 Aangaande het begin van de heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand verklaart Stora: "Met de vaststelling door de PWG van het $prijs vóór tonnage'-beleid en de geleidelijke toepassing van een vergelijkbaar prijssysteem vanaf 1988, erkenden de leden van de PWG, dat in verband met een geringere toename van de vraag $downtime' diende te worden genomen om deze prijzen te handhaven. Zonder $downtime' zouden de producenten de overeengekomen prijsniveaus in verband met de steeds toenemende overcapaciteit niet hebben kunnen handhaven" (bijlage 39, punt 24).
150 Zij voegt daaraan toe: "In 1988 en 1989 werd nagenoeg de volledige capaciteit van de bedrijfstak benut. Boven de normale stillegging in verband met onderhoud en vakantie was vanaf 1990 geen machinestilstand noodzakelijk. Later, toen de orders afnamen, bleek machinestilstand noodzakelijk om het $prijs vóór tonnage'-beleid te handhaven" (bijlage 39, punt 25).
151 Gelet op deze bewijzen heeft de Commissie aangetoond, dat de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG hebben bijgewoond, eind 1987 een zogenoemd "prijs vóór tonnage"-beleid hebben aanvaard en dat een van de aspecten van dit beleid, namelijk een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen, met onmiddellijke ingang is toegepast, terwijl het aspect betreffende de machinestilstand pas vanaf 1990 werkelijk moest worden toegepast.
152 Uit het voorgaande volgt, dat het middel moet worden afgewezen.
Het middel: onjuiste beoordeling, door de Commissie, van het Fides-systeem van informatie-uitwisseling
153 In repliek betoogt verzoekster, dat het Fides-systeem van informatie-uitwisseling niet van dien aard was, dat het heimelijke gedragingen in de hand werkte, en dat het derhalve niet onverenigbaar was met artikel 85 van het Verdrag. Volgens haar verschillen de feiten in het onderhavige geval sterk van de feiten naar aanleiding waarvan beschikking 87/1/EEG van de Commissie van 2 december 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.128 - Vetzuren) (PB 1987, L 3, blz. 17), is gegeven, welke beschikking door de Commissie wordt aangevoerd in punt 134 van de considerans van de beschikking.
154 De Commissie beklemtoont in haar dupliek, waarom zij naar vorengenoemde "Vetzuren"-beschikking heeft verwezen. Zij betoogt, dat in casu het systeem van informatie-uitwisseling ten minste tot gevolg heeft gehad dat het kartel werd vergemakkelijkt.
155 Het Gerecht herinnert eraan, dat volgens artikel 48, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering nieuwe middelen in de loop van het geding niet mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
156 Het middel betreffende een onjuiste beoordeling, door de Commissie, van het Fides-systeem van informatie-uitwisseling is door verzoekster voor het eerst in het stadium van de repliek aangevoerd en steunt niet op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
157 Bijgevolg is dit middel niet-ontvankelijk.
Het middel: onjuiste beoordeling, door de Commissie, voor zover zij zich op het standpunt heeft gesteld, dat het om één enkele algemene inbreuk ging en Sarrió voor de gehele inbreuk aansprakelijk was
Argumenten van partijen
158 Verzoekster is het niet eens met de benadering van de Commissie, die concludeert dat er sprake is van één enkele inbreuk en dat verzoekster voor de gehele inbreuk aansprakelijk is.
159 In de eerste plaats baseert de Commissie zich haars inziens voornamelijk op een "accusatoir theorema", voor zover zij niet over rechtstreekse bewijzen van een volledig kartel beschikt. De Commissie dient evenwel aan te tonen of, en zo ja, in hoeverre verzoekster aan elk van de bestanddelen van één enkele inbreuk heeft deelgenomen. Bij inbreuken op het communautaire mededingingsrecht moet het beginsel van een strikt individuele aansprakelijkheid gelden, aangezien het idee van een collectieve aansprakelijkheid indruist tegen in het bijzonder het quasi-strafrechtelijke karakter van de sancties die voor dergelijke inbreuken kunnen worden opgelegd. Bijgevolg verklaart de Commissie ten onrechte, dat niet behoeft te worden aangetoond dat verzoekster actief aan elk van de bestanddelen van de inbreuk heeft deelgenomen. Integendeel moet zowel de precieze aard van de gepleegde inbreuk worden bepaald, als de eventuele individuele deelneming van elke onderneming worden onderzocht, om de individuele aansprakelijkheid en bijgevolg de passende individuele sanctie te kunnen vaststellen.
160 In de tweede plaats verklaart verzoekster, dat het eveneens in strijd is met de fundamentele beginselen van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder het beginsel betreffende de bewijslast, om de individuele aansprakelijkheid van een onderneming voor een inbreuk enkel te baseren op haar lidmaatschap van een vereniging waarvan de activiteiten althans gedeeltelijk rechtmatig waren.
161 In de derde plaats verklaart verzoekster, dat de Commissie niet naar behoren rekening heeft gehouden met haar bijzondere positie op de markt en binnen de PG Paperboard. Vooral om beter het hoofd te kunnen bieden aan haar concurrenten heeft zij in 1986 gevraagd om de vergaderingen van de PG Paperboard te mogen bijwonen.
162 De Commissie betoogt, dat zij het bestaan van het kartel en verzoeksters actieve deelneming daaraan als "kopstuk" heeft bewezen. Zij concludeert, dat zij haar analyse bijgevolg op precieze en bewezen feiten heeft gebaseerd en dat verzoeksters argumenten betreffende een soort "collectieve aansprakelijkheid" of een "accusatoir theorema" ongefundeerd zijn.
163 Verder verklaart zij, dat zij verzoeksters aansprakelijkheid niet enkel op haar hoedanigheid van lid van de PG Paperboard heeft gebaseerd. In werkelijkheid is deze enerzijds gebaseerd op de actieve deelneming van verzoekster aan de vergaderingen van de verschillende comités van de PG Paperboard die een mededingingsverstorend doel hadden, en anderzijds op het feit dat verzoekster de tijdens deze vergaderingen overeengekomen gedragslijn later tot de hare heeft gemaakt.
Beoordeling door het Gerecht
164 Om te beginnen zij opgemerkt, dat de Commissie heeft vastgesteld, dat verzoekster inbreuk heeft gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag door haar deelname vanaf medio 1986 tot ten minste april 1991 aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging die van medio 1986 stammen, en uit meerdere afzonderlijke bestanddelen bestaan.
165 Volgens punt 116, tweede alinea, van de considerans van de beschikking "ligt de kern van de inbreuk in het feit, dat de producenten jarenlang samen onrechtmatig hebben gehandeld volgens een gemeenschappelijk plan". Deze opvatting van de inbreuk komt eveneens tot uiting in punt 128 van de considerans: "Een onderverdeling van wat duidelijk een duurzame gemeenschappelijke actie is met eenzelfde algemene doelstelling in onderscheiden afzonderlijke inbreuken, zou echter artificieel zijn: zie ook hier het arrest van het Gerecht van eerste aanleg in zaak T-13/89, [ICI/Commissie,] punt 260."
166 Zelfs indien de Commissie in de beschikking niet formeel het begrip "één enkele inbreuk" heeft gebruikt, heeft zij impliciet naar dit begrip verwezen, zoals blijkt uit de verwijzing naar punt 260 van het arrest van het Gerecht van 10 maart 1992, ICI/Commissie (T-13/89, Jurispr. blz. II-1021).
167 Bovendien getuigt het herhaalde gebruik van het woord "kartel" door de Commissie om de diverse vastgestelde mededingingsverstorende gedragingen te vatten, van een globaliserende begripsopvatting van de inbreuken op artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Blijkens punt 117 van de considerans van de beschikking is de Commissie namelijk van oordeel: "De juiste aanpak in een zaak als deze is het bestaan en de werking alsmede de meest opvallende kenmerken van het kartel als geheel aan te tonen en vervolgens te bepalen a) of er geloofwaardig en overtuigend bewijs bestaat voor de vaststelling van de band van iedere individuele producent met het gemeenschappelijke stelsel en b) voor welke periode elke producent aan het kartel deelnam." Zij voegt (in hetzelfde punt van de considerans) daaraan toe: "De Commissie is (...) niet ertoe gehouden de verschillende bestanddelen van de inbreuk te compartimenteren door iedere afzonderlijke gelegenheid tijdens het bestaan van het kartel waarbij over één of ander punt een consensus werd bereikt of door ieder individueel voorbeeld van gedrag waaruit een heimelijke verstandhouding blijkt, te identificeren en vervolgens iedere producent wiens betrokkenheid bij die gelegenheid of bij dat specifieke aspect van het kartel niet rechtstreeks bewezen is, vrijuit te laten gaan." Zij stelt overigens (punt 118), dat "er ruimschoots rechtstreeks bewijs is van de deelname van iedere vermoede deelnemer aan de inbreuk", zonder onderscheid te maken tussen de bestanddelen van deze algemene inbreuk.
168 De ene enkele inbreuk, zoals opgevat door de Commissie, valt dus samen met "het kartel als geheel" of het "gehele kartel" en wordt gekenmerkt door een duurzame gedraging van meerdere ondernemingen die een gemeenschappelijk onrechtmatig doel nastreven. De in punt 117 van de considerans van de beschikking beschreven bewijsmethode, alsmede de unitaire aansprakelijkheid, in die zin dat elke onderneming die "een band heeft" met het gehele kartel, daarvoor aansprakelijk wordt gesteld, ongeacht de bestanddelen van de inbreuk ten aanzien waarvan bewezen is dat zij daaraan heeft deelgenomen, zijn een uitvloeisel van dit begrip één enkele inbreuk.
169 Om elk van de in een beschikking als de onderhavige genoemde ondernemingen gedurende een bepaalde periode aansprakelijk te kunnen stellen voor een geheel kartel, moet de Commissie aantonen, dat elk van hen heeft ingestemd met de aanvaarding van een algemeen plan dat de bestanddelen van het kartel dekt, dan wel gedurende deze periode rechtstreeks aan al deze bestanddelen heeft deelgenomen. Een onderneming kan zelfs indien vaststaat dat zij slechts rechtstreeks aan een of meer van de bestanddelen van dit kartel heeft deelgenomen, voor een geheel kartel aansprakelijk worden gesteld, wanneer zij wist of noodzakelijkerwijze moest weten dat de heimelijke verstandhouding waaraan zij deelnam, deel uitmaakte van een algemeen plan, alsook dat dit algemene plan alle bestanddelen van het kartel dekte. Is zulks het geval, dan kan het feit dat de betrokken onderneming niet rechtstreeks aan alle bestanddelen van het gehele kartel heeft deelgenomen, haar niet disculperen van de aansprakelijkheid voor de inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Wel kan een dergelijke omstandigheid in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de ten aanzien van haar vastgestelde inbreuk.
170 In casu blijkt uit de beschikking, dat de in artikel 1 daarvan vastgestelde inbreuk bestaat in heimelijke verstandhoudingen betreffende drie verschillende onderwerpen, die evenwel een gemeenschappelijk doel hebben en die als bestanddelen van het gehele kartel moeten worden beschouwd. Uit dit artikel blijkt namelijk, dat elk van de daarin genoemde ondernemingen inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft gemaakt door haar deelname aan een overeenstemming en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging waarbij de ondernemingen a) voor elke productkwaliteit in elke nationale valuta regelmatige prijsverhogingen overeenkwamen, b) een afspraak maakten over handhaving van de marktaandelen van de grote producenten op vaste niveaus die van tijd tot tijd konden worden gewijzigd, en c) in toenemende mate vanaf vooraan in 1990 ter beheersing van het aanbod van het product in de Gemeenschap onderling afgestemde maatregelen namen teneinde de tenuitvoerlegging van de genoemde onderling afgestemde prijsverhogingen te waarborgen.
171 In haar beschikking heeft de Commissie, ondanks haar opvatting betreffende "één enkele inbreuk", gepreciseerd, dat "de $kern'-documenten die het bestaan van het algemene kartel of van individuele manifestaties daarvan bewijzen, dikwijls de deelnemers met name identificeren, en er ook een grote hoeveelheid aanvullend bewijs in geschrifte voorhanden is waaruit de rol van iedere producent in het kartel en de omvang van zijn betrokkenheid blijkt" (punt 118, eerste alinea, van de considerans van de beschikking).
172 Gelet op de voorgaande overwegingen, dient het Gerecht dus te onderzoeken, of de Commissie de deelname van verzoekster aan het kartel, zoals ten aanzien van haar vastgesteld in artikel 1 van de beschikking, heeft aangetoond.
173 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, zoals reeds is vastgesteld (zie punten 48 e.v. en punten 76 e.v. supra), de Commissie heeft bewezen, dat verzoekster, als onderneming die van meet af aan de vergaderingen van de PWG heeft bijgewoond, sedert medio 1986 heeft deelgenomen aan een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen en met ingang van eind 1987 aan een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen, alsmede aan een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand, dat wil zeggen aan de drie bestanddelen van de in artikel 1 van de beschikking vastgestelde inbreuk. Zij heeft dan ook terecht besloten om verzoekster aansprakelijk te stellen voor een inbreuk, bestaande in de drie heimelijke verstandhoudingen die hetzelfde doel hadden.
174 Bijgevolg heeft de Commissie verzoekster niet aansprakelijk gesteld voor gedragingen van andere producenten en heeft zij haar niet enkel op grond van haar deelname aan de PG Paperboard aansprakelijk geacht.
175 Het middel dient dus te worden afgewezen, zonder dat de andere door verzoekster aangevoerde argumenten behoeven te worden onderzocht.
Het middel: niet-inaanmerkingneming van de situatie op de Spaanse markt door de Commissie
176 In haar repliek betoogt verzoekster, dat de Commissie de geografische markt waarop de gestelde inbreuk is gepleegd, niet nauwkeurig heeft afgebakend, en dat zij in het bijzonder de situatie op de Spaanse markt en de gedragingen van de betrokken ondernemingen op deze markt niet toereikend heeft onderzocht. Dienaangaande verklaart zij, dat zij in haar verzoekschrift reeds heeft opgemerkt, dat de enige verwijzing naar de Spaanse markt in de beschikking wordt gevormd door twee voetnoten in de als bijlage aan de beschikking gehechte tabellen E en G.
177 De Commissie betoogt, dat dit middel, dat voor het eerst in repliek wordt aangevoerd, niet mocht worden aangevoerd.
178 Het Gerecht herinnert eraan, dat volgens artikel 48, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering nieuwe middelen in de loop van het geding niet mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
179 Het middel dat de Commissie de situatie op de Spaanse markt niet in aanmerking heeft genomen, heeft verzoekster voor het eerst in repliek aangevoerd. Het enige argument betreffende de Spaanse markt in het verzoekschrift wordt namelijk aangevoerd tot staving van het middel, volgens hetwelk Prat Carton niet aan de ten laste gelegde inbreuk zou hebben deelgenomen. Buiten de tekst van dit middel werd in het tot staving daarvan aangevoerde argument enkel beklemtoond, dat Prat Carton in het geheel niet ter sprake kwam in tabel G in bijlage bij de beschikking, welke de prijsverhogingen op de Spaanse markt vermeldde, die in januari 1991 door de op die markt opererende producenten werden meegedeeld. Het argument kan dus niet worden uitgelegd als een klacht dat geen rekening is gehouden met de Spaanse markt.
180 Het middel is door verzoekster derhalve voor het eerst in het stadium van de repliek aangevoerd en steunt niet op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken, zodat het niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Het middel: geen deelneming van Prat Carton aan de inbreuk
Argumenten van partijen
181 Verzoekster betoogt, dat de Commissie niet heeft aangetoond, dat Prat Carton aan enigerlei inbreuk heeft deelgenomen. In het bijzonder wordt Prat Carton niet vermeld in de voetnoot bij tabel G van de beschikking (betreffende een prijsverhoging in januari 1991 op de Spaanse markt).
182 Prat Carton heeft slechts sporadisch vergaderingen van bepaalde comités van de PG Paperboard bijgewoond. Deze onderneming heeft overigens slechts gedurende de periode van juni 1990 tot maart 1991 aan het JMC deelgenomen. Bovendien levert het feit dat Stora te kennen heeft gegeven dat zij dacht dat de Spaanse producenten in het algemeen van de resultaten van de vergaderingen op de hoogte werden gesteld door Saffa of Finnboard (bijlage 38 bij de mededeling van de punten van bezwaar), op zichzelf niet het bewijs van een deelneming van Prat Carton aan de beweerde inbreuk.
183 Verzoekster betwist, dat de documenten F-15-9, G-15-7 en G-15-8 (in bijlage bij de mededeling van de punten van bezwaar), waarop de Commissie zich beroept, de deelneming van Prat Carton aan onderling afgestemde initiatieven tot verhoging van de prijzen in de maand april 1990 aantonen. In haar antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht beklemtoont zij, dat document F-15-9 dateert van februari 1991 en niet, zoals de Commissie heeft verklaard, van februari 1990. Document G-15-7 levert uitsluitend het bewijs dat in de bedrijfstak de jaarlijkse verhogingen in de praktijk in de maand april werden toegepast, alsmede dat Prat Carton niet zeker was over het niveau van de verhoging en de datum waarop deze in werking trad.
184 De Commissie betoogt, dat Prat Carton van meet af aan betrokken was bij het kartel, zoals blijkt uit de tezamen met de mededeling van de punten van bezwaar verstrekte documenten (de "afzonderlijke gegevens"). In de eerste plaats herinnert zij eraan, dat Prat Carton tussen 29 maart 1986 en 28 november 1989 vele vergaderingen van de PC, tussen oktober 1988 en oktober 1989 drie vergaderingen van het EC, alsmede tussen juni 1990 en 5 maart 1991 verscheidene vergaderingen van het JMC heeft bijgewoond (zie tabellen 3-7 in bijlage bij de beschikking). Aangezien zij aldus rechtstreeks heeft deelgenomen aan vergaderingen tijdens welke besluiten betreffende het kartel zijn genomen, is Prat Carton daarvoor aansprakelijk (zie arrest Rhône-Poulenc/Commissie, reeds aangehaald). Bovendien bestaat er geen enkel officieel spoor dat de diverse ondernemingen vóór de verificaties van de Commissie de vergaderingen van het JMC, of vóór februari 1990 de vergaderingen van de PWG hebben bijgewoond. Het feit dat de door de ondernemingen verstrekte stukken geen precieze aanwijzingen bevatten omtrent de aanwezigheid van Prat Carton bij de verschillende vergaderingen, bewijst op zichzelf dus niet, dat zij deze vergaderingen heeft bijgewoond.
185 In de tweede plaats merkt de Commissie op, dat Prat Carton, zoals Stora heeft verklaard (bijlage 38 bij de mededeling van de punten van bezwaar), van het resultaat van de vergaderingen van de PWG op de hoogte is gesteld.
186 In de derde plaats heeft Prat Carton de prijsinitiatieven toegepast die gedurende de betrokken periode binnen de verschillende organen van de PG Paperboard waren overeengekomen. Kleine verschillen in de tijd of tussen de bedragen van de door Prat Carton en de andere producenten toegepaste verhogingen tonen niet aan, dat Prat Carton niet aan het kartel heeft deelgenomen. De Commissie erkent evenwel, dat document F-15-9 van februari 1991 en niet van februari 1990 dateert en dat zij dus niet over bewijzen beschikt waarmee kan worden aangetoond dat Prat Carton inderdaad aan prijsverhogingsinitiatieven heeft deelgenomen vóór de verhoging van januari 1991. Met betrekking tot het prijsverhogingsinitiatief van januari 1991 verwijst de Commissie in het bijzonder naar document G-15-8 van 26 september 1990, waarin Prat Carton met zoveel woorden verklaart, in januari 1991 een verhoging van de prijzen in alle landen te voorzien.
Beoordeling door het Gerecht
187 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat verzoekster in februari 1991 Prat Carton voor 100 % heeft overgenomen en dat zij haar aansprakelijkheid voor de eventuele deelneming van Prat Carton aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag niet betwist. Dienaangaande wordt in punt 154 van de considerans van de beschikking vermeld, dat verzoekster door de verwerving van Prat Carton "aansprakelijk werd voor de betrokkenheid van deze Spaanse producent bij het kartel voor de gehele periode van diens deelneming daaraan". Bovendien moet worden vastgesteld, dat in artikel 1 van de beschikking uitsluitend verzoekster aansprakelijk wordt gesteld voor de ten laste gelegde inbreuk, ook voor zover deze zou zijn gepleegd door Prat Carton, en dat de beschikking tot verzoekster is gericht, zonder dat Prat Carton wordt vermeld (artikel 5 van de beschikking).
188 Onder deze omstandigheden, en voor zover reeds is vastgesteld dat de Commissie de deelneming van verzoekster zelf aan de in artikel 1 van de beschikking beschreven inbreuk heeft aangetoond, kan dit middel, indien het zou worden aanvaard, geen grond opleveren voor de gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van deze laatste bepaling. Aangezien Prat Carton verzoekster evenwel pas heeft overgenomen in februari 1991, dat wil zeggen twee maanden vóór het einde van de in de beschikking aangehouden periode van de inbreuk, zou er reden kunnen zijn om de geldboete te verlagen, indien wordt geconcludeerd dat de individuele deelneming van Prat Carton aan de bestanddelen van het kartel vóór februari 1991 niet is aangetoond door de Commissie. Bovendien zijn de bedragen van de bij artikel 3 van de beschikking opgelegde geldboeten vastgesteld op basis van onder meer de omzet van elk van de ondernemingen in de loop van het jaar 1990, gedurende hetwelk Prat Carton nog geen deel uitmaakte van verzoeksters groep. Bijgevolg dienen de in het kader van dit middel aangevoerde argumenten thans reeds te worden onderzocht.
189 Het Gerecht zal in de eerste plaats onderzoeken, of de Commissie de deelneming van Prat Carton aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft bewezen voor de periode van medio 1986 tot juni 1990, het tijdstip vanaf wanneer Prat Carton erkent, dat zij is begonnen deel te nemen aan de vergaderingen van het JMC. In de tweede plaats zal het Gerecht onderzoeken, of de Commissie de deelneming van Prat Carton aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft bewezen voor de resterende periode, dat wil zeggen van juni 1990 tot februari 1991, de datum waarop Prat Carton door verzoekster is overgenomen.
1. De periode van medio 1986 tot juni 1990
190 Ten bewijze dat Prat Carton gedurende de betrokken periode aan een inbreuk op de communautaire mededingingsregels heeft deelgenomen, baseert de Commissie zich op het feit dat deze onderneming de vergaderingen van de PC van 29 mei 1986, 25 mei 1988, 17 november 1988 en 28 november 1989, alsmede de vergaderingen van het EC van 20 september 1988, 8 mei 1989 en 3 oktober 1989 heeft bijgewoond. Bovendien baseert zij zich op een verklaring van Stora (bijlage 38 bij de mededeling van de punten van bezwaar). Ten slotte bewijst volgens haar het feit dat de door de ondernemingen verstrekte stukken geen precieze aanwijzingen bevatten omtrent de aanwezigheid van Prat Carton bij de verschillende vergaderingen, op zichzelf nog niet, dat zij deze vergaderingen niet heeft bijgewoond.
191 Elk van deze bewijzen dient in de bovengenoemde volgorde te worden onderzocht.
a) Bijwoning van een aantal vergaderingen van de PC door Prat Carton
192 Wat de bijwoning van vier specifieke vergaderingen van de PC door Prat Carton betreft, voert de Commissie geen enkel bewijs omtrent het doel van die vergaderingen aan. Wanneer zij zich op deze bijwoning beroept als bewijs van de deelneming van de onderneming aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, baseert zij zich noodzakelijkerwijze op de algemene beschrijving in de beschikking van het doel van de vergaderingen van dit orgaan, alsmede op de bewijzen die in de beschikking zijn aangevoerd om deze beschrijving te staven.
193 Dienaangaande wordt in de beschikking verklaard: "Zoals door Stora werd uiteengezet, was een van de taken van de PWG, de $President Conference' in te lichten over de maatregelen die nodig waren om orde op de markt te scheppen (...) Op deze wijze werden de algemeen-directeuren die de $President Conferences' bijwoonden, ingelicht over de door de PWG genomen besluiten en over de aanwijzingen die aan hun verkoopdivisies moesten worden gegeven ter uitvoering van de overeengekomen prijsinitiatieven" (punt 41, eerste alinea, van de considerans). De Commissie merkt eveneens op: "De PWG kwam altijd vóór de geplande $President Conference' bijeen, en daar beide vergaderingen werden voorgezeten door dezelfde persoon, werden de resultaten van de besprekingen in de PWG zonder twijfel door hem medegedeeld aan anderen van de zogeheten $Presidents', die niet tot de kerngroep behoorden" (punt 38, tweede alinea, van de considerans).
194 Stora deelt mee, dat degenen die de vergaderingen van de PC bijwoonden, werden ingelicht over de door de PWG genomen besluiten (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 8). De juistheid van deze verklaring wordt evenwel betwist door een aantal ondernemingen die de vergaderingen van de PC hebben bijgewoond, waaronder verzoekster. Bijgevolg kunnen de verklaringen van Stora betreffende de rol van de PC niet zonder dat zij door andere bewijzen worden gestaafd, worden geacht het doel van de vergaderingen van dit orgaan genoegzaam te bewijzen.
195 Weliswaar bevat het dossier een document, namelijk een verklaring van 22 maart 1993 van een voormalig lid van de directie van Feldmühle (Roos), die op het eerste gezicht de verklaringen van Stora bevestigt. Roos deelt in het bijzonder mee: "De inhoud van de besprekingen binnen de PWG werd aan de niet binnen deze groep vertegenwoordigde ondernemingen doorgegeven tijdens de onmiddellijk daarop volgende President Conference, of, indien niet onmiddellijk een President Conference plaatsvond, tijdens het JMC." Zelfs indien dit document in de beschikking niet uitdrukkelijk wordt aangevoerd tot staving van de beweringen van de Commissie betreffende het doel van de vergaderingen van de PC, kan het evenwel in elk geval niet als een aanvullend bewijs naast de verklaringen van Stora worden beschouwd. Deze verklaringen geven namelijk een synthese van de antwoorden die door elk van de drie ondernemingen in handen van Stora gedurende de periode van de inbreuk zijn verstrekt, en Feldmühle, het voormalige lid van de directie van deze laatste onderneming, moet wel een van de bronnen van de verklaringen van Stora zelf zijn.
196 Met betrekking tot de andere bewijzen die worden aangevoerd om het doel van de vergaderingen van de PC aan te tonen, is de Commissie in de beschikking van oordeel, dat bijlage 61 bij de mededeling van de punten van bezwaar (vermeld in de punten 125 en 126 supra) een tijdens een vergadering van de PC opgestelde interne notitie is, die het door Stora toegegeven feit bevestigt, dat tijdens de PC wel besprekingen zijn gevoerd over heimelijke prijsafspraken (punt 41, derde alinea, van de considerans van de beschikking). Zoals evenwel reeds is vastgesteld (zie punten 125-135 supra), levert deze notitie niet het bewijs van een heimelijke verstandhouding betreffende het prijsinitiatief van januari 1987 in het Verenigd Koninkrijk. Anders dan de Commissie verklaart, heeft Stora overigens nooit erkend, dat de PC wel besprekingen voerde over heimelijke prijsafspraken. Volgens Stora boden de vergaderingen van de PC de ondernemingen die lid waren van de PWG, enkel de gelegenheid om de vastgestelde besluiten mee te delen aan de ondernemingen die niet in dit orgaan vertegenwoordigd waren.
197 Ten slotte stelt de Commissie, dat "uit documenten die de Commissie bij FS-karton (onderdeel van de M-M-groep) heeft aangetroffen, blijkt dat eind 1987 in het kader van de twee $Presidents'-werkgroepen overeenstemming was bereikt over de met elkaar verband houdende problemen van hoeveelheidsbeheersing en prijsdiscipline" (punt 53, eerste alinea, van de considerans van de beschikking). Zij beroept zich daarvoor op bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar (zie punt 88 supra). Zoals reeds is opgemerkt (zie punt 91 supra), spreekt de opsteller van het document bij wijze van inleiding over de nauwere samenwerking op Europese schaal binnen de "Präsidentenkreis", een uitdrukking die door Mayr-Melnhof aldus wordt uitgelegd, dat zij in het algemeen doelt op zowel de PWG als de PC, dat wil zeggen zonder verwijzing naar een bijzondere gebeurtenis of vergadering (bijlage 75 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 2.a).
198 Wel levert bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar een bewijs op, dat de verklaringen van Stora bevestigt omtrent het bestaan van een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen tussen de tot de "Präsidentenkreis" toegelaten ondernemingen en omtrent een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand tussen deze zelfde ondernemingen (zie punten 84-114 en in het bijzonder punt 110 supra). Geen enkel ander bewijs bevestigt evenwel de verklaring van de Commissie, dat de PC vooral ten doel had, heimelijk afspraken te maken over de marktaandelen en de beheersing van de productiehoeveelheden. Bijgevolg kan de term "Präsidentenkreis" in bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar, ondanks het commentaar van Mayr-Melnhof, niet aldus worden uitgelegd, dat daarin wordt gedoeld op andere organen dan de PWG.
199 Gelet op het voorgaande, heeft de Commissie niet bewezen dat de vergaderingen van de PC buiten de rechtmatige activiteiten een mededingingsverstorende rol hebben gespeeld. Daaruit volgt, dat zij uit de aangevoerde bewijzen niet kon afleiden, dat de ondernemingen die de vergaderingen van dit orgaan hebben bijgewoond, hebben deelgenomen aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
200 Bijgevolg moet worden geconcludeerd, dat de deelneming van Prat Carton aan een inbreuk op de mededingingsregels gedurende de periode van medio 1986 tot juni 1990 niet kon worden aangetoond op basis van het feit dat zij vier vergaderingen van de PC heeft bijgewoond.
b) Bijwoning van een aantal vergaderingen van het EC door Prat Carton
201 Vaststaat dat Prat Carton drie vergaderingen van het EC heeft bijgewoond, namelijk op 20 september 1988, 8 mei 1989 en 3 oktober 1989. Verder wordt in een document verslag uitgebracht over de vergadering van 3 oktober 1989 (bijlage 70 bij de mededeling van de punten van bezwaar). Bijgevolg moet eerst worden onderzocht, of de vergaderingen van het EC een mededingingsverstorend doel hadden en in de tweede plaats, of uit bijlage 70 bij de mededeling van de punten van bezwaar kan worden afgeleid, dat Prat Carton aan besprekingen met een mededingingsverstorend doel heeft deelgenomen.
i) Doel van de vergaderingen van het EC in het algemeen
202 Volgens de beschikking was "het $centrale thema' van de besprekingen van het $Economic Committee' de analyse en beoordeling van de marktsituatie in de verschillende landen" (punt 50, eerste alinea, van de considerans). Het EC "besprak (onder meer) de prijsontwikkelingen op de nationale markten en de orderportefeuilles, en bracht over zijn bevindingen verslag uit aan het JMC (of zijn voorganger, het $Marketing Committee', vóór eind 1987)" (punt 49, eerste alinea, van de considerans).
203 Volgens de Commissie waren "de besprekingen over de marktomstandigheden (...) niet ongericht: de discussies over de stand van zaken op elke nationale markt moeten gezien worden in het kader van de geplande prijsinitiatieven, met inbegrip van de noodzakelijk geachte tijdelijke stilleggingen van fabrieken ter ondersteuning van prijsverhogingen" (punt 50, eerste alinea, van de considerans). Verder is de Commissie van mening: "Het $Economic Committee' is misschien minder duidelijk bij de prijsbepaling als zodanig betrokken geweest, doch alle deelnemers moeten zich bewust zijn geweest van het ongeoorloofde oogmerk waarvoor de inlichtingen die zij welbewust aan het JMC verstrekten, zouden worden gebruikt" (punt 119, tweede alinea, van de considerans).
204 Tot staving van haar beweringen dat de besprekingen in het EC een mededingingsverstorend doel hadden, beroept de Commissie zich op één enkel document, namelijk een vertrouwelijke notitie die is opgesteld door een vertegenwoordiger van FS-Karton (van de Mayr-Melnhof-groep) betreffende de "hoogtepunten" ("highlights") van de vergadering van het EC van 3 oktober 1989 (bijlage 70 bij de mededeling van de punten van bezwaar), welke vergadering Prat Carton heeft bijgewoond.
205 In de beschikking vat de Commissie de inhoud van dit document samen als volgt:
"de vergadering hield zich behalve met een gedetailleerd overzicht van vraag, productie en orderportefeuille op elke nationale markt bezig met:
- een waargenomen sterke weerstand van de afnemers tegen de laatste prijsverhoging voor GC-karton, ingaand op 1 oktober;
- de respectieve situatie van de orderportefeuille van de producenten van GC- en GD-karton, met inbegrip van individuele posities;
- plaatsgevonden hebbende en geplande machinestilstand ($downtime');
- de bijzondere problemen met betrekking tot de uitvoering van de prijsverhoging in het Verenigd Koninkrijk en de gevolgen daarvan voor het noodzakelijke prijsverschil tussen GC- en GD-kwaliteiten;
[en]
- de vergelijking, ten opzichte van de begrote hoeveelheid, van binnenkomende orders voor elke nationale groepering" (punt 50, tweede alinea, van de considerans).
206 Erkend moet worden, dat deze beschrijving van de inhoud van dit stuk op de voornaamste punten correct is. De Commissie voert evenwel geen enkel bewijs aan tot staving van haar verklaring, dat bijlage 70 bij de mededeling van de punten van bezwaar "als indicatie voor de ware aard van de beraadslagingen van dat lichaam kan worden beschouwd" (punt 113, laatste alinea, van de considerans van de beschikking). Verder verklaart Stora: "Het JMC is eind 1987 opgericht, hield haar eerste vergadering begin 1988 en nam van toen af een gedeelte van de taken van het $Economic Committee' over. De andere taken van het Economic Committee zijn overgenomen door het $Statistical Committee'" (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 13). Althans wat het tijdvak vanaf begin 1988 betreft, de enige periode gedurende welke Prat Carton de vergaderingen van het EC heeft bijgewoond, bevatten de verklaringen van Stora dus geen enkel gegeven dat de bewering van de Commissie betreffende het beweerde mededingingsverstorende doel van de beraadslagingen van dit orgaan bewijst. Ten slotte voert de Commissie evenmin bewijzen aan op grond waarvan kan worden gesteld dat degenen die de vergaderingen van het EC bijwoonden, op de hoogte werden gesteld van de precieze aard van de vergaderingen van het JMC, het orgaan waaraan het EC verslag uitbracht. Derhalve kan niet worden uitgesloten, dat degenen die wel de vergaderingen van het EC, doch niet tegelijkertijd de vergaderingen van het JMC bijwoonden, niet op de hoogte waren van het precieze gebruik dat het JMC van de door het EC voorbereide verslagen maakte.
207 Bijgevolg toont bijlage 70 bij de mededeling van de punten van bezwaar niet de ware aard van de besprekingen tijdens de vergaderingen van het EC aan.
ii) Vergadering van het EC van 3 oktober 1989
208 Over hetgeen tijdens de vergadering van het EC van 3 oktober 1989 is besproken, wordt verslag uitgebracht in bijlage 70 bij de mededeling van de punten van bezwaar. De vraag is, of het feit dat Prat Carton deze vergadering heeft bijgewoond, genoegzaam bewijst dat zij heeft deelgenomen aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
209 In de eerste plaats zij opgemerkt, dat de tijdens deze vergadering gevoerde besprekingen over de prijzen betrekking hadden op de reacties van de afnemers op de prijsverhoging van GC-karton die door de meeste producenten van dit karton met ingang van 1 oktober 1989 werd toegepast, nadat zij enige maanden voordien op de markt was aangekondigd. Volgens de Commissie gold deze prijsverhoging eveneens voor SBS-karton, doch niet voor GD-karton. Ten aanzien van de besprekingen tijdens de betrokken vergadering is het Gerecht van oordeel, dat zij verder zijn gegaan dan geoorloofd is uit hoofde van de communautaire mededingingsregels, in het bijzonder voor zover is vastgesteld, dat het "onjuist zou zijn, zich te distantiëren van het thans gefixeerde hoge GC-prijsniveau (...)". Door aldus de gemeenschappelijke wil kenbaar te maken om het nieuwe prijsniveau voor GC-karton strikt toe te passen, hebben de producenten het beleid dat zij op de markt wilden volgen, niet zelfstandig bepaald, waardoor zij inbreuk hebben gemaakt op de in de verdragsbepalingen inzake de mededinging besloten liggende voorstelling (zie in het bijzonder arrest Suiker Unie e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 173).
210 Er is evenwel geen enkele grond om aan te nemen dat Prat Carton aan een heimelijke verstandhouding betreffende de prijsverhoging van oktober 1989 heeft deelgenomen voordat deze ten uitvoer werd gelegd, en dat zij bovendien haar prijzen van GC-karton destijds inderdaad heeft verhoogd. Dienaangaande blijkt uit de door verzoekster gegeven antwoorden op schriftelijke vragen van het Gerecht, dat de productie van Prat Carton in 1989 voor meer dan 80 % uit GD-karton bestond, waarvoor de betrokken prijsverhoging niet gold. Bovendien vond de vergadering van het EC van oktober 1989 ongeveer acht maanden vóór de eerste bewezen deelname van Prat Carton aan een vergadering van het JMC plaats, een van de organen die volgens de beschikking tezamen met de PWG het kader vormden waarbinnen de voornaamste besprekingen met een mededingingsverstorend doel plaatsvonden.
211 Gelet op deze factoren, kan niet worden uitgesloten dat de vertegenwoordiger(s) van Prat Carton tijdens de vergadering van het EC van 3 oktober 1989 zich niet bewust kon(den) zijn van de context waarin de besprekingen over de prijzen werden gevoerd. Bovendien is het bij gebreke van bewijzen betreffende haar prijsgedrag op de markt gedurende de relevante periode mogelijk, dat Prat Carton van oordeel was, dat de besprekingen niet haar individuele situatie betroffen. Voor zover het onderwerp van de vergadering van het EC van 3 oktober 1989 voor Prat Carton een uitzonderlijk karakter kan hebben gehad, kan deze onderneming niet worden verweten dat zij zich niet in het openbaar van de inhoud van de besprekingen van deze vergadering heeft gedistantieerd.
212 In de tweede plaats bevat bijlage 70 bij de mededeling van de punten van bezwaar geen enkele passage welke aantoont dat inderdaad besprekingen zijn gevoerd met als resultaat, dat voor de toekomst op basis van een heimelijke afspraak de stillegging van machines werd gepland. Alle in deze bijlage bedoelde verwijzingen naar precieze stilleggingen betreffen in feite historische gegevens. Wel bevat het document een passage over het toekomstig gebruik van de installaties: "Bij een duurzame slechte orderpositie en een slechte bezettingsgraad ligt het voor de hand, op basis van de vraag op de markt een stillegging van de productie te overwegen" ["Bei anhaltend schlechtem Auftragseingang und schlechter Belegung ist es naheliegend, entsprechend dem Marktbedarf ein Abstellen zu überlegen"]. Aangezien het feit dat Prat Carton de betrokken vergadering van het EC heeft bijgewoond, om de hierboven uiteengezette redenen niet aantoont, dat zij heeft deelgenomen aan een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen, vormt dit feit evenmin een genoegzaam bewijs van haar deelneming aan een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand. Het enkele vermelden van de eventuele noodzaak van toekomstige stilleggingen kan niet als een inbreuk op de communautaire mededingingsregels worden beschouwd, omdat dit althans voor de ondernemingen die niet aan een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen deelnemen, verband kan houden met de eenvoudige objectieve vaststelling van de situatie van vraag en aanbod op de markt.
213 Gelet op het voorgaande, levert het feit dat Prat Carton de vergadering van het EC van 3 oktober 1989 heeft bijgewoond, geen genoegzaam bewijs op van haar deelneming aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
c) Verklaring van Stora betreffende het doorgeven van de inlichtingen aan de ondernemingen die niet bij de vergaderingen aanwezig waren
214 In haar door de Commissie aangevoerde verklaring (bijlage 38 bij de mededeling van de punten van bezwaar, blz. 2) verstrekt Stora inlichtingen omtrent de producenten die op de hoogte zijn gesteld van de resultaten van de vergaderingen van de PWG: "De Stora-producenten geloven dat de Spaanse producenten in de regel op de hoogte werden gesteld door Saffa of door Finnboard. De andere Spaanse producenten die lid zijn van de PG Paperboard, zijn: Papelera del Centra SA, Prat Carton SA, Romani Esteve SA, Sarrió SA en Tampella Española SA."
215 Zoals duidelijk uit de bewoordingen van deze verklaring blijkt, zegt Stora slechts dat zij geloofde, dat Prat Carton op de hoogte was gesteld van de resultaten van de vergaderingen van de PWG. Op grond waarvan zij dit geloofde, wordt overigens niet vermeld. Zo gezien kan deze verklaring niet het bewijs van een deelneming van Prat Carton aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag opleveren. Deze conclusie dringt zich te meer op, daar in de verklaringen van Stora een aantal andere ondernemingen worden geïmpliceerd die lid waren van de PG Paperboard, doch in de beschikking niet zijn aangemerkt als ondernemingen die aan een of andere inbreuk hebben deelgenomen.
d) Bijwoning van vergaderingen van het JMC door Prat Carton
216 De Commissie stelt, dat niet is bewezen dat Prat Carton vóór juni 1989 geen vergaderingen van het JMC heeft bijgewoond, omdat er geen enkel officieel spoor bestaat, dat de diverse ondernemingen deze vergaderingen vóór de verificaties door de Commissie hebben bijgewoond.
217 De bewijslast betreffende het bestaan van een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag door Prat Carton rust evenwel op de Commissie. Loutere beweringen van deze laatste betreffende de eventuele deelname van Prat Carton aan vergaderingen van het JMC gedurende de betrokken periode hebben dus geen fundament.
e) Conclusie betreffende de betrokken periode
218 Gelet op alle voorgaande overwegingen, toont het door de Commissie aangevoerde bewijsmateriaal, zelfs als geheel beschouwd, niet aan, dat Prat Carton gedurende de periode van medio 1986 tot juni 1990 aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft deelgenomen.
2. De periode van juni 1990 tot februari 1991
219 Vaststaat, dat Prat Carton gedurende de betrokken periode drie vergaderingen van het JMC heeft bijgewoond, namelijk die van 27-28 juni 1990, 4 september 1990 en 8-9 oktober 1990. Ten aanzien van het werkelijke marktgedrag van Prat Carton is de Commissie van mening, over bewijzen te beschikken die aantonen dat deze onderneming heeft deelgenomen aan de onderling afgestemde prijsverhoging van januari 1991, de enige onderling afgestemde prijsverhoging waaraan in de loop van deze periode uitvoering is gegeven.
220 Gelet op deze gegevens, moet worden onderzocht, of de deelneming van Prat Carton aan de drie bestanddelen van de inbreuk gedurende deze periode door de Commissie genoegzaam is aangetoond.
a) De deelneming van Prat Carton aan een heimelijke verstandhouding betreffende prijzen
221 Volgens de Commissie was de belangrijkste taak van het JMC vanaf het begin:
"- te bepalen of, en zo ja hoe, prijsverhogingen konden worden doorgevoerd en zijn conclusies aan de PWG mede te delen;
- het per land en voor de grote afnemers in detail uitwerken van de door de PWG overeengekomen prijsinitiatieven met het doel een equivalent (dit wil zeggen uniform) systeem van prijzen in Europa tot stand te brengen (...)" (punt 44, laatste alinea, van de considerans van de beschikking).
222 Meer in het bijzonder stelt de Commissie in punt 45, eerste en tweede alinea, van de considerans van de beschikking:
"Dit comité besprak per markt hoe de door de PWG overeengekomen prijsverhogingen door iedere producent ten uitvoer moesten worden gelegd. De praktische aspecten van de tenuitvoerlegging van de voorgestelde prijsverhogingen kwamen aan de orde tijdens $ronde tafel'-besprekingen, waarin elke deelnemer de kans kreeg over de voorgestelde verhoging opmerkingen te maken.
Van moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging van de door de PWG overeengekomen prijsverhogingen of van een incidentele weigering om samen te werken, werd verslag uitgebracht aan de PWG, die dan (zoals Stora zei) $voor de noodzakelijk geachte mate van samenwerking trachtte te zorgen'. Het JMC bracht afzonderlijke verslagen uit voor GC- en GD-kwaliteiten. Als de PWG op basis van de van het JMC ontvangen verslagen een prijsbeslissing wijzigde, moesten de voor de tenuitvoerlegging daarvan noodzakelijke stappen op de volgende vergadering van het JMC worden besproken."
223 Vastgesteld moet worden dat de Commissie zich tot staving van deze gegevens betreffende het doel van de vergaderingen van het JMC terecht beroept op de verklaringen van Stora (bijlagen 35 en 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar).
224 Bovendien heeft zij, ofschoon zij niet over officiële notulen van een vergadering van het JMC beschikt, bij Mayr-Melnhof en Rena een aantal interne notities betreffende de vergaderingen van 6 september 1989, 16 oktober 1989 en 6 september 1990 aangetroffen (bijlagen 117, 109 en 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar). In deze notities, waarvan de inhoud wordt beschreven in de punten 80, 82 en 87 van de considerans van de beschikking, wordt verslag uitgebracht over de gedetailleerde besprekingen die gedurende deze vergaderingen zijn gevoerd over de onderling afgestemde prijsinitiatieven. Zij leveren dus bewijzen op, die de door Stora gegeven beschrijving van de taken van het JMC duidelijk bevestigen.
225 Dienaangaande behoeft bij wijze van voorbeeld slechts te worden verwezen naar de bij Rena aangetroffen notitie betreffende de vergadering van het JMC van 6 september 1990 (bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar), waarin onder meer wordt meegedeeld:
"Prijsverhoging wordt volgende week in september aangekondigd
Frankrijk 40 FF Nederland 14 Duitsland 12 DM Italië 80 LIT België 2,50 BFR Zwitserland 9 FS Verenigd Koninkrijk 40 UKL Ierland 45 IRL
Alle kwaliteiten moeten gelijk verhoogd worden: GD, UD, GT, GC enz.
Slechts 1 prijsverhoging per jaar. Voor leveringen vanaf 7 januari. Uiterlijk 31 januari. 14 september brief met prijsverhoging (Mayr-Melnhof). 19 september Feldmühle stuurt zijn brief. Cascades vóór eind september. Allen moeten hun brieven vóór 8 oktober verstuurd hebben."
226 Zoals de Commissie in de punten 88 tot en met 90 van de considerans van de beschikking verklaart, heeft zij bovendien de hand kunnen leggen op interne documenten waaruit kan worden opgemaakt, dat de ondernemingen, en in het bijzonder die welke met name worden genoemd in bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar, de overeengekomen prijsverhogingen inderdaad hebben aangekondigd en ten uitvoer gelegd.
227 Ook al hebben de documenten waarop de Commissie zich beroept, slechts betrekking op een klein aantal vergaderingen van het JMC die in de door de beschikking bestreken periode zijn gehouden, alle beschikbare bewijsstukken bevestigen de mededeling van Stora dat het hoofddoel van het JMC was: te bepalen of en te plannen hoe de onderling afgestemde prijsverhogingen ten uitvoer konden worden gelegd. Ter zake dient het nagenoeg geheel ontbreken van officiële of interne notulen van de vergaderingen van het JMC als genoegzaam bewijs te worden beschouwd voor de bewering van de Commissie, dat de ondernemingen die de vergaderingen hebben bijgewoond, hun best hebben gedaan om de ware aard van de besprekingen binnen dit orgaan te verhullen (zie in het bijzonder punt 45 van de considerans van de beschikking). Onder deze omstandigheden is de bewijslast omgekeerd en dienden de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht en die de vergaderingen van dit orgaan hebben bijgewoond, te bewijzen dat dit orgaan een rechtmatig doel nastreefde. Aangezien dit bewijs door deze ondernemingen niet is geleverd, mocht de Commissie zich op het standpunt stellen, dat de besprekingen welke door de ondernemingen tijdens de vergaderingen van dit orgaan zijn gevoerd, hoofdzakelijk een mededingingsverstorend doel hadden.
228 Wat de individuele situatie van Prat Carton betreft, haar deelneming aan drie vergaderingen van het JMC gedurende een periode van ongeveer acht maanden moet, gelet op het voorgaande en in weerwil van het ontbreken van bewijsstukken betreffende de tijdens deze drie vergaderingen gevoerde besprekingen, als genoegzaam bewijs worden beschouwd, dat zij gedurende deze periode aan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen heeft deelgenomen.
229 Deze vaststelling wordt bevestigd door de door de Commissie aangevoerde stukken betreffende het werkelijke prijsgedrag van Prat Carton. Er zij namelijk aan herinnerd, dat begin september 1990 is besloten om de prijzen voor alle kwaliteiten karton te verhogen en dat deze prijsverhogingen door de verschillende ondernemingen zijn aangekondigd in de maanden september/oktober 1990, zoals blijkt uit bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar (reeds aangehaald). Deze prijsverhoging diende voor alle betrokken landen in januari 1991 in werking te treden.
230 In een telexbericht van Prat Carton van 26 september 1990 (document G-15-8) wordt onder meer verklaard:
"Wij zijn van plan de prijzen in alle landen met ingang van januari 1991 te verhogen.
Wat Frankrijk betreft, plannen wij een verhoging van 400 FF/ton voor alle kwaliteiten."
231 Zelfs indien in dit telexbericht het precieze bedrag van de prijsverhoging slechts voor één land wordt vermeld, bewijst het, dat Prat Carton de prijsverhogingen heeft aangekondigd overeenkomstig de besluiten die volgens bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar in het JMC zijn genomen. Wat dit aangaat, gelden de in bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar vermelde verhogingen niet voor alle betrokken landen voor dezelfde verkoophoeveelheden en komt de voor Frankrijk aangekondigde verhoging met een bedrag van 40 FF overeen met een prijsverhoging per 100 kg. Hoewel vaststaat dat uit de documenten F-15-9 en G-15-7, telexberichten die eind februari/begin maart 1991 zijn gewisseld tussen Prat Carton en een Britse onderneming, blijkt dat Prat Carton uiteindelijk haar prijzen in het Verenigd Koninkrijk pas in april 1991 heeft verhoogd, kan bovendien een dergelijk uitstel van de datum van tenuitvoerlegging van de prijsverhoging in één van de betrokken landen niet afdoen aan de bewijskracht van bovenbedoeld document G-15-8 op het punt van de deelneming van Prat Carton aan de onderling afgestemde prijsverhoging van januari 1991. Dit geldt te meer, waar de door Prat Carton op de Britse markt ten uitvoer gelegde prijsverhoging volgens document F-15-9 35 à 45 UKL/ton bedroeg, wat vergelijkbaar is met de 40 UKL welke in bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar wordt vermeld.
232 Gelet op voorgaande overwegingen is het Gerecht van oordeel, dat de Commissie heeft bewezen dat Prat Carton gedurende het tijdvak van juni 1990 tot februari 1991 heeft deelgenomen aan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen.
b) De deelneming van Prat Carton aan een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand
233 Reeds is aanvaard, dat de Commissie heeft bewezen dat de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG hebben bijgewoond, vanaf eind 1987 hebben deelgenomen aan een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand en dat vanaf 1990 inderdaad "downtime" is toegepast.
234 Volgens de beschikking hebben de ondernemingen die de vergaderingen van het JMC hebben bijgewoond, eveneens aan deze heimelijke verstandhouding deelgenomen.
235 Dienaangaande verklaart de Commissie onder meer:
"Afgezien van de Fides-procedure met geaggregeerde gegevens was het gebruikelijk dat de producenten op de JMC-vergaderingen hun orderportefeuille aan de concurrenten bekendmaakten.
De gegevens betreffende de in dagen uitgedrukte orderportefeuille waren voor twee doeleinden van belang:
- besluitvorming over de vraag of de juiste voorwaarden aanwezig waren voor de invoering van een onderling afgestemde prijsverhoging;
- bepaling van de noodzakelijke machinestilstand om het evenwicht tussen aanbod en vraag te handhaven (...)" (punt 69, derde en vierde alinea, van de considerans van de beschikking).
236 Zij merkt eveneens op:
"De PWG bepaalde niet formeel voor elke producent voor hoe lang diens machines moesten worden stilgelegd. Volgens Stora bestonden er praktische moeilijkheden bij het vaststellen van een gecoördineerd plan met betrekking tot een stilstand voor alle producenten. Stora verklaart dat er om deze redenen slechts $een soepel aanmoedigingssysteem' bestond (tweede verklaring van Stora, blz. 15).
Ook hier schijnen met het oog op de handhaving van het prijspeil de voornaamste producenten de last van de vermindering van de productie op zich te hebben genomen.
De onofficiële notities van twee JMC-vergaderingen, een in januari 1990 (zie punt 84) en de andere in september 1990 (zie punt 87) bevestigen evenals andere documenten (zie punten 94 en 95) echter dat de grote producenten hun kleinere concurrenten in de PG Paperboard nauw en voortdurend op de hoogte hielden van hun plannen om aanvullende stilleggingen in te voeren als een andere oplossing dan verlaging van de prijzen" (punt 71 van de considerans van de beschikking).
237 Vastgesteld dient te worden, dat de Commissie terecht naar de tweede verklaring van Stora (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 25) verwijst tot staving van haar verklaring, dat de PWG weliswaar niet formeel voor elke producent bepaalde voor hoe lang diens machines moesten worden stilgelegd, doch dat er daartoe wel een "soepel aanmoedigingssysteem" bestond.
238 Ten aanzien van de ondernemingen die de vergaderingen van het JMC hebben bijgewoond, bevestigen de bewijsstukken betreffende deze vergaderingen (bijlagen 109, 117 en 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar, reeds aangehaald), dat in het kader van de voorbereiding van de onderling afgestemde prijsverhogingen besprekingen zijn gevoerd over machinestilstand. Zoals reeds is opgemerkt (zie punt 104 supra), vermeldt bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar voor verschillende producenten hun orderportefeuille, alsook dat een aantal producenten machinestilstand voorzagen. Bovendien blijkt uit de bijlagen 109 en 117 bij de mededeling van de punten van bezwaar, die weliswaar geen gegevens bevatten die rechtstreeks betrekking hebben op de voorziene machinestilstand, dat tijdens de betrokken vergaderingen is gesproken over de stand van de orderportefeuilles en van de binnenkomende orders.
239 Wanneer zij naast de verklaringen van Stora worden gelegd, leveren deze documenten een genoegzaam bewijs op van de deelneming aan de heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand door de producenten die tijdens de vergaderingen van het JMC vertegenwoordigd waren. Voor zover de onderlinge afstemming van de aangekondigde prijzen een verhoging van de transactieprijzen beoogde (zie punten 48-61 supra), moeten de aan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen deelnemende ondernemingen zich noodzakelijkerwijs ervan bewust zijn geweest, dat het onderzoek van de stand van de orderportefeuilles en van de binnenkomende orders, alsmede de besprekingen over de eventuele machinestilstand niet enkel ten doel hadden, te bepalen of de situatie op de markt gunstig was voor een onderling afgestemde prijsverhoging, maar ook om te bepalen of machinestilstand noodzakelijk was om te voorkomen dat het overeengekomen prijsniveau door een overaanbod zou worden aangetast. In het bijzonder blijkt uit bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar, dat degenen die de vergadering van het JMC van 6 september 1990 bijwoonden, overeenstemming hebben bereikt over de aankondiging van een aanstaande prijsverhoging, hoewel verschillende producenten hebben verklaard, dat zij zich opmaakten om hun productie te staken. Vervolgens was de situatie op de markt van dien aard, dat de feitelijke toepassing van een toekomstige prijsverhoging naar alle waarschijnlijkheid (extra) machinestilstand noodzakelijk zou maken, hetgeen dus een consequentie is die door de producenten althans impliciet werd aanvaard.
240 Op grond hiervan moet, zonder dat de andere door de Commissie in de beschikking aangevoerde bewijzen behoeven te worden onderzocht (bijlagen 102, 113, 130 en 131 bij de mededeling van de punten van bezwaar), worden aanvaard, dat de Commissie heeft bewezen dat de ondernemingen die de vergaderingen van het JMC hebben bijgewoond en hebben deelgenomen aan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen, betrokken waren bij een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand.
241 Prat Carton moet dus worden geacht, gedurende de periode van juni 1990 tot februari 1991 te hebben deelgenomen aan een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand.
c) De deelneming van Prat Carton aan een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen
242 Reeds is aanvaard, dat de Commissie heeft bewezen, dat de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG hebben bijgewoond, vanaf einde 1987 hebben deelgenomen aan een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen (zie punten 84-114 supra).
243 Tot staving van haar verklaring, dat ook de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG niet hebben bijgewoond, aan de heimelijke verstandhouding op dit gebied hebben deelgenomen, verklaart de Commissie in de beschikking:
"Hoewel de kleinere kartonproducenten die de JMC-vergaderingen bijwoonden, niet in de details van de PWG-besprekingen over marktaandelen ingewijd waren, waren zij, in het kader van het $prijs [vóór] tonnage'-beleid dat zij allen onderschreven, op de hoogte van de afspraak tussen de belangrijkste producenten om $het aanbod op een constant niveau' te handhaven en ongetwijfeld van de noodzaak om hun eigen gedrag daaraan aan te passen" (punt 58, eerste alinea, van de considerans van de beschikking).
244 Hoewel zulks niet uitdrukkelijk uit de beschikking blijkt, bevestigt de Commissie op dit punt de verklaringen van Stora die luiden als volgt:
"Andere producenten die de PWG niet bijwoonden, werden in het algemeen niet op de hoogte gesteld van de details van de besprekingen over de marktaandelen. Niettemin zouden zij zich in het kader van het $prijs vóór tonnage'-beleid waaraan zij deelnamen, bewust moeten zijn geweest van de afspraak van de grootste producenten om de prijzen niet te ondermijnen door het aanbod op een constant niveau te handhaven.
Wat het aanbod van GC-kwaliteit betreft, waren de aandelen van de producenten die de PWG niet bijwoonden, zo gering, dat het feit dat zij al dan niet aan de afspraken betreffende de marktaandelen deelnamen, praktisch geen invloed in een of andere richting had" (bijlage 43 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 1.2).
245 Evenals Stora baseert de Commissie zich dus hoofdzakelijk op de veronderstelling, dat zelfs indien rechtstreekse bewijzen ontbreken, de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG niet hebben bijgewoond, doch waarvan is bewezen dat zij hebben ingestemd met de andere in artikel 1 van de beschikking beschreven bestanddelen van de inbreuk, zich bewust moeten zijn geweest van het bestaan van de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen.
246 Een dergelijke redenering kan niet worden aanvaard. In de eerste plaats voert de Commissie geen enkel bewijs aan, dat kan aantonen dat de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG niet hebben bijgewoond, hebben ingestemd met een algemene overeenkomst waarin onder meer de bevriezing van de marktaandelen van de voornaamste producenten werd vastgelegd.
247 In de tweede plaats toont het feit dat deze ondernemingen hebben deelgenomen aan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen en aan de heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand, op zichzelf niet aan, dat zij eveneens hebben deelgenomen aan de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen. De heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen was namelijk, anders dan de Commissie schijnt te verklaren, niet intrinsiek verbonden met de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen en/of die betreffende machinestilstand. Het volstaat vast te stellen, dat de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen van de voornaamste producenten die de vergaderingen van de PWG bijwoonden, volgens de beschikking (zie punten 78-80 supra) ten doel had, de marktaandelen op constante niveaus te handhaven met af en toe wijzigingen, zelfs tijdens periodes gedurende welke de situatie op de markt, in het bijzonder het evenwicht tussen vraag en aanbod, van dien aard was dat geen enkele productiebeheersing noodzakelijk was om een doeltreffende tenuitvoerlegging van de overeengekomen prijsverhogingen te waarborgen. Daaruit volgt, dat de eventuele deelneming aan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen en/of die betreffende machinestilstand niet aantoont, dat de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG niet hebben bijgewoond, hebben deelgenomen aan de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen, noch dat zij daarvan op de hoogte waren of hadden moeten zijn.
248 Ten slotte moet in de derde plaats worden vastgesteld, dat de Commissie zich in punt 58, tweede en derde alinea, van de considerans van de beschikking als aanvullend bewijs voor de betrokken verklaring beroept op bijlage 102 bij de mededeling van de punten van bezwaar, een bij Rena aangetroffen notitie betreffende, in de bewoordingen van de beschikking, een bijzondere vergadering van het NPI op 3 oktober 1988. Dienaangaande volstaat de vaststelling, dat verzoekster niet lid was van het NPI, alsook dat het feit dat in dit document wordt gesproken van de eventuele noodzaak van machinestilstand, om de reeds aangevoerde redenen niet het bewijs van een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen kan opleveren.
249 Gelet op het voorgaande, heeft de Commissie niet bewezen, dat Prat Carton gedurende de periode van juni 1990 tot februari 1991 heeft deelgenomen aan een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen.
3. Conclusies betreffende de deelneming van Prat Carton aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, voordat zij in februari 1991 door verzoekster werd overgenomen
250 Gelet op alle voorgaande overwegingen, moet worden aangenomen, dat de Commissie heeft bewezen dat Prat Carton van juni 1990 tot februari 1991 heeft deelgenomen aan een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen, alsmede aan een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand. Niet genoegzaam aangetoond is evenwel, dat Prat Carton gedurende deze periode aan een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen heeft deelgenomen. Ten slotte heeft de Commissie ten aanzien van de daaraan voorafgaande periode, dat wil zeggen van medio 1986 tot juni 1990, niet aangetoond, dat Prat Carton heeft deelgenomen aan de bestanddelen van de inbreuk.
De vordering tot nietigverklaring van artikel 2 van de beschikking
Argumenten van partijen
251 Verzoekster voert één middel aan, namelijk dat het verbod om voortaan informatie uit te wisselen onwettig is. Zij merkt op dat artikel 1, noch artikel 2 van de beschikking betrekking heeft op het eerste systeem van informatie-uitwisseling van de brancheorganisatie CEPI-Cartonboard (hierna: "CEPI"), dat in de punten 105, 106 en 166 van de considerans van de beschikking wordt vermeld. Het verbod van toekomstige informatie-uitwisseling belet dat CEPI en haar leden, waaronder verzoekster, in de toekomst nieuwe systemen van informatie-uitwisseling opzetten, en staat ook in de weg aan het eind 1993 door CEPI bij de Commissie aangemelde systeem, dat in de beschikking overigens niet wordt vermeld.
252 Bovendien zijn systemen van informatie-uitwisseling die geen verboden resultaten beogen te bereiken, zoals de vaststelling van prijzen of de onderlinge afstemming van hoeveelheden, in de vroegere praktijk van de Commissie nooit als ongeoorloofd beschouwd, indien zij geen uitwisseling van individuele en vertrouwelijke gegevens inhielden. Verzoekster beklemtoont, dat de Commissie in haar Zevende Verslag over het mededingingsbeleid heeft gepreciseerd, dat zij geen principieel bezwaar heeft tegen de uitwisseling van statistisch materiaal via bedrijfsorganisaties of informatiediensten, zelfs wanneer deze laatste de gegevens opsplitsen, voor zover de uitgewisselde informatie geen identificatie van individuele gegevens toestaat.
253 Het middel valt vervolgens uiteen in twee onderdelen. In het eerste onderdeel betoogt verzoekster, dat het in artikel 2 van de beschikking vervatte verbod op de belangrijkste punten te vaag en algemeen is. In het bijzonder wordt daarin niet verklaard, onder welke omstandigheden een stelsel van informatie-uitwisseling dat individuele gegevens betreft, wordt geacht een onderlinge afstemming van de prijzen of de productie, of de uitvoering van een overeenkomst betreffende prijzen of de verdeling van de markten te kunnen bevorderen.
254 Bovendien wordt in artikel 2 van de beschikking niet gepreciseerd, welke kenmerken het stelsel zou moeten hebben om te beantwoorden aan de vereisten, volgens welke moeten worden uitgesloten a) geaggregeerde gegevens "waaruit het gedrag van individuele producenten kan worden afgeleid" (tweede alinea), b) geaggregeerde productie- en verkoopstatistieken die kunnen worden gebruikt "om een gemeenschappelijk gedragspatroon in de bedrijfstak te bevorderen of te vergemakkelijken" (derde alinea), en c) "elke uitwisseling van informatie van concurrentiële betekenis" en "van elke vergadering of ander contact ter bespreking van de betekenis van de uitgewisselde informatie of de mogelijke of waarschijnlijke reactie van de bedrijfstak of van individuele producenten op die informatie" (vierde alinea).
255 Volgens verzoekster zijn zulke vage en algemene verboden niet uitvoerbaar en in elk geval in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
256 In een tweede onderdeel van het middel betwist verzoekster de wettigheid van het in artikel 2, tweede alinea, van de beschikking vervatte verbod van uitwisseling van gegevens (ook indien geaggregeerd) betreffende de stand van de binnenkomende orders en van de orderportefeuilles.
257 In de eerste plaats geven dergelijke gegevens volgens haar slechts aanwijzingen omtrent de algemene ontwikkeling van de vraag in het algemeen en kan op basis daarvan geen enkele producent of land worden geïdentificeerd.
258 In de tweede plaats is de uitwisseling van de betrokken gegevens bijzonder nuttig, zo niet noodzakelijk in de bedrijfstak karton.
259 In de derde plaats heeft de Commissie de uitwisseling van de betrokken gegevens nooit verboden. Integendeel, informatie-uitwisselingen betreffende voorraadniveaus, actuele en historische marktprijzen, verbruik, verwerkingscapaciteiten en zelfs prijstrends heeft zij vanuit concurrentie-oogpunt als neutraal beschouwd [zie in het bijzonder bekendmaking 87/C 339/07 van de Commissie overeenkomstig artikel 19, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad betreffende een verzoek om een negatieve verklaring of toepassing van artikel 85, lid 3, van het EEG-Verdrag - Zaak nr. IV/32.076 - European Wastepaper Information Service (PB 1987, C 339, blz. 7; hierna: "bekendmaking EWIS") en Zevende Verslag over het mededingingsbeleid, punten 5-8].
260 De Commissie merkt op, dat artikel 2 van de beschikking geen betrekking heeft op het systeem van informatie-uitwisseling dat door de CEPI is aangemeld en ten tijde van de instelling van het beroep aan de bevoegde diensten van de Commissie was voorgelegd.
261 Bovendien verklaart zij, dat de in artikel 2 van de beschikking vervatte verboden normaal zijn, zolang zij niet over het bewijs beschikt dat een einde is gemaakt aan de inbreuk, en dat de strekking van deze verboden afhangt van de gedraging van de ondernemingen. Voor zover deze verboden beletten dat wordt deelgenomen aan een systeem dat hetzelfde of een gelijksoortig doel of gevolg heeft als het onderhavige, wordt daarmee enkel toepassing gegeven aan het algemene verbod van artikel 85 van het Verdrag (arrest Gerecht van 27 oktober 1994, Fiatagri en New Holland Ford/Commissie, T-34/92, Jurispr. blz. II-905). Zij zijn overigens gebaseerd op artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 en zijn in overeenstemming met vroegere beschikkingen die door het Gerecht zijn goedgekeurd.
262 In casu is het systeem van informatie-uitwisseling door de deelnemers aan het kartel van essentieel belang geacht en maakte het het toezicht op en de toepassing van mededingingsverstorende initiatieven mogelijk (punten 61-71 en 134 van de considerans van de beschikking). Bovendien konden de producenten daardoor steeds worden aangemoedigd tot mededingingsverstorende gedragingen, ook na de wijzigingen die in 1991 in het systeem zijn aangebracht (punt 166 van de considerans van de beschikking). Met deze factoren, de bijzondere kenmerken van de kartonmarkt en de situatie waarin een nagenoeg absoluut kartel bestond op de Europese markt, moet rekening worden gehouden bij de beoordeling van de strekking van de in artikel 2 van de beschikking vervatte geboden. Gelet op deze overwegingen, dient verzoeksters betoog dat het bij de inlichtingen waarvan de uitwisseling is verboden, om algemene inlichtingen gaat, en dat artikel 2 van de beschikking in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, te worden afgewezen. Het verbod van informatie-uitwisseling, in het bijzonder betreffende de in artikel 2, eerste alinea, sub a, b en c, bedoelde inlichtingen, is niet algemeen, doch heeft enkel betrekking op de inlichtingen die mededingingsverstorende gedragingen dienen te vergemakkelijken of te bevorderen.
263 Ten slotte betrof de bekendmaking EWIS een economische situatie die volstrekt verschilde van die in de bedrijfstak karton (punt 3 van de bekendmaking), vooral omdat EWIS slechts gecumuleerde gegevens kon verstrekken, die betrekking hadden op een aantal leden dat groot genoeg was, zodat niet op grond daarvan het concurrentiegedrag van een individueel lid kon worden geïdentificeerd (punt 7 van de bekendmaking).
Beoordeling door het Gerecht
264 Artikel 2 van de beschikking luidt:
"De in artikel 1 vermelde ondernemingen dienen onverwijld aan de genoemde inbreuk een einde te maken, voor zover zij zulks niet reeds hebben gedaan. Zij dienen zich voortaan met betrekking tot hun kartonactiviteiten te onthouden van elke overeenstemming of onderling afgestemde feitelijke gedraging die hetzelfde of een gelijksoortig doel of gevolg kan hebben, met inbegrip van elke uitwisseling van commerciële informatie,
a) waardoor de deelnemers rechtstreeks of onrechtstreeks in kennis worden gesteld van de productie, verkoop, orderportefeuille, bezettingsgraden, verkoopprijzen, kosten of afzetplannen van andere individuele producenten of
b) waardoor, zelfs al wordt geen individuele informatie bekendgemaakt, een gemeenschappelijke reactie van de bedrijfstak op de economische voorwaarden met betrekking tot prijzen of productiebeheersing wordt bevorderd, vergemakkelijkt of aangemoedigd of
c) waardoor zij in staat zouden kunnen zijn de aansluiting bij of het volgen van uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomsten betreffende prijzen of marktverdeling in de Gemeenschap te controleren.
Elke regeling voor de uitwisseling van algemene informatie waaraan zij deelnemen, zoals het Fides-stelsel of de opvolger daarvan, dient zodanig te worden gehanteerd dat niet alleen inlichtingen worden uitgesloten waaruit het gedrag van individuele producenten kan worden afgeleid, doch ook gegevens betreffende de huidige stand van de binnenkomende orders en van de orderportefeuille, de voorziene bezettingsgraad van de productiecapaciteit (in beide gevallen ook indien geaggregeerd) of betreffende de productiecapaciteit van elke machine.
Een dergelijk uitwisselingsstelsel dient te worden beperkt tot vergaring en verspreiding, in geaggregeerde vorm, van productie- en verkoopstatistieken die niet kunnen worden gebruikt om een gemeenschappelijk gedragspatroon in de bedrijfstak te bevorderen of te vergemakkelijken.
Ook wordt van de ondernemingen vereist dat zij zich onthouden van elke uitwisseling van informatie van concurrentiële betekenis naast dergelijke toegestane uitwisselingen en van elke vergadering of ander contact ter bespreking van de betekenis van de uitgewisselde informatie of de mogelijke of waarschijnlijke reactie van de bedrijfstak of van individuele producenten op die informatie.
Een periode van drie maanden na de datum van mededeling van deze beschikking wordt toegestaan om in enigerlei stelsel van uitwisseling van inlichtingen de nodige wijzigingen aan te brengen."
265 Zoals blijkt uit punt 165 van de considerans, is artikel 2 van de beschikking vastgesteld op grond van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17. Krachtens deze bepaling kan de Commissie, indien zij vaststelt dat een inbreuk op artikel 85 van het Verdrag is gepleegd, de betrokken ondernemingen verplichten aan de vastgestelde inbreuk een einde te maken.
266 Het is vaste rechtspraak, dat de toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 het verbod kan omvatten, zekere activiteiten, praktijken of toestanden te continueren, waarvan de onrechtmatigheid is vastgesteld (arrest Hof van 6 maart 1974, Istituto Chemioterapico Italiano en Commercial Solvents/Commissie, 6/73 en 7/73, Jurispr. blz. 223, punt 45, en 6 april 1995, RTE en ITP/Commissie, C-241/91 P en C-242/91 P, Jurispr. blz. I-743, punt 90), doch ook het verbod van gelijkaardige gedragingen in de toekomst (arrest Gerecht van 6 oktober 1994, Tetra Pak/Commissie, T-83/91, Jurispr. blz. II-755, punt 220).
267 Voor zover de toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 moet zijn afgestemd op de vastgestelde inbreuk, is de Commissie bevoegd te preciseren, aan welke verplichtingen de betrokken ondernemingen moeten voldoen om een einde aan deze inbreuk te maken. Dergelijke op de ondernemingen rustende verplichtingen mogen evenwel niet verder gaan dan hetgeen passend en noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken, namelijk het herstel van een rechtsconforme toestand (arrest RTE en ITP/Commissie, reeds aangehaald, punt 93; in dezelfde zin arresten Gerecht van 8 juni 1995, Langnese-Iglo/Commissie, T-7/93, Jurispr. blz. II-1533, punt 209, en Schöller/Commissie, T-9/93, Jurispr. blz. II-1611, punt 163).
268 Om in casu dus te bepalen of, zoals verzoekster stelt, het in artikel 2 van de beschikking vervatte gebod een te ruime strekking heeft, moet de omvang van de verschillende daarin aan de ondernemingen opgelegde verboden worden onderzocht.
269 Het in artikel 2, eerste alinea, tweede zin, vervatte verbod, volgens hetwelk de ondernemingen zich voortaan dienen te onthouden van elke overeenstemming of onderling afgestemde feitelijke gedraging die hetzelfde of een gelijksoortig doel of gevolg kan hebben als de in artikel 1 van de beschikking vastgestelde inbreuken, beoogt enkel de ondernemingen te beletten, de gedragingen te herhalen waarvan is vastgesteld dat zij onrechtmatig zijn. Bijgevolg heeft de Commissie, toen zij een dergelijk verbod oplegde, niet de grenzen van de haar bij artikel 3 van verordening nr. 17 verleende bevoegdheden overschreden.
270 De bepalingen in artikel 2, eerste alinea, sub a, b en c, betreffen meer in het bijzonder verboden om voortaan nog commerciële informatie uit te wisselen.
271 Het in artikel 2, eerste alinea, sub a, vervatte verbod om voortaan commerciële informatie uit te wisselen waardoor de deelnemers rechtstreeks of indirect individuele informatie kunnen ontvangen betreffende concurrerende ondernemingen, onderstelt dat de Commissie in de beschikking heeft vastgesteld dat een dergelijke informatie-uitwisseling onrechtmatig is, wat artikel 85, lid 1, van het Verdrag betreft.
272 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat in artikel 1 van de beschikking niet wordt verklaard, dat de uitwisseling van individuele commerciële informatie op zichzelf een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag oplevert.
273 In dit artikel wordt meer in het algemeen bepaald, dat de ondernemingen op dit verdragsartikel inbreuk hebben gemaakt door hun deelname aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging, waarbij de ondernemingen onder meer "ter ondersteuning van de bovengenoemde maatregelen, commerciële informatie uitwisselden over leveringen, prijzen, machinestilstand, orderportefeuilles en bezettingsgraden".
274 Aangezien het dispositief van de beschikking moet worden uitgelegd met inachtneming van haar motivering (arrest Suiker Unie e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 122), moet worden opgemerkt, dat in punt 134, tweede alinea, van de considerans van de beschikking wordt verklaard:
"De uitwisseling van normaal vertrouwelijke en gevoelige individuele commerciële informatie door de producenten op bijeenkomsten van PG Paperboard (voornamelijk het JMC) inzake orderportefeuilles, machinestilstand en productiecijfers was overduidelijk in strijd met de mededinging omdat daarmee beoogd werd te waarborgen dat de voorwaarden voor het uitvoeren van prijsinitiatieven zo gunstig mogelijk waren (...)"
275 Aangezien de Commissie in de beschikking naar behoren heeft overwogen, dat de uitwisseling van individuele commerciële informatie op zichzelf een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag opleverde, voldoet het verbod om voortaan dergelijke informatie uit te wisselen aan de voorwaarden die worden gesteld voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17.
276 De in artikel 2, eerste alinea, sub b en c, van de beschikking bedoelde verboden om commerciële informatie uit te wisselen, moeten worden onderzocht met inachtneming van de tweede, de derde en de vierde alinea van ditzelfde artikel, waarop zij inhoudelijk steunen. In deze context dient namelijk te worden bepaald of, en zo ja, in hoeverre de Commissie de betrokken uitwisseling als onrechtmatig heeft beschouwd, aangezien de omvang van de op de ondernemingen rustende verplichtingen moet worden beperkt tot hetgeen noodzakelijk is om hun gedragingen weer in overeenstemming te brengen met artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
277 De beschikking moet aldus worden uitgelegd, dat de Commissie het Fides-systeem in strijd met artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft beschouwd, voor zover het het vastgestelde kartel steunde (punt 134, derde alinea, van de considerans van de beschikking). Deze uitlegging wordt bevestigd door de tekst van artikel 1 van de beschikking, waaruit blijkt dat de commerciële informatie tussen de ondernemingen is uitgewisseld "ter ondersteuning van de maatregelen" die in strijd met artikel 85, lid 1, van het Verdrag werden geacht.
278 De omvang van de in artikel 2, eerste alinea, sub b en c, van de beschikking vervatte verboden voor de toekomst moet worden beoordeeld met inachtneming van deze interpretatie van de Commissie, betreffende de onverenigbaarheid van het Fides-systeem op dit punt met artikel 85 van het Verdrag.
279 Enerzijds zijn de onderhavige verboden niet beperkt tot de uitwisseling van individuele commerciële informatie, maar gelden zij ook voor de uitwisseling van een aantal geaggregeerde statistische gegevens (artikel 2, eerste alinea, sub b, en tweede alinea, van de beschikking). Anderzijds verbiedt artikel 2, eerste alinea, sub b en c, van de beschikking de uitwisseling van bepaalde statistische informatie om te voorkomen dat zij een steun kunnen opleveren voor eventuele mededingingsverstorende gedragingen.
280 Voor zover een dergelijk verbod de uitwisseling van zuiver statistische informatie dient te beletten, die niet kan worden aangemerkt als individuele of individualiseerbare informatie, op grond dat de uitgewisselde informatie met een mededingingsverstorend oogmerk zou kunnen worden gebruikt, gaat het verder dan hetgeen noodzakelijk is om de vastgestelde gedragingen weer rechtsconform te maken. Enerzijds blijkt uit de beschikking namelijk niet, dat de Commissie de uitwisseling van statistische gegevens op zichzelf als een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft beschouwd. Anderzijds maakt het enkele feit dat een systeem van uitwisseling van statistische informatie met een mededingingsverstorend oogmerk kan worden gebruikt, het nog niet in strijd met artikel 85, lid 1, van het Verdrag, omdat in dergelijke omstandigheden de mededingingsverstorende gevolgen daarvan in het concrete geval moeten worden vastgesteld. Bijgevolg gaat het argument van de Commissie, dat artikel 2 van de beschikking een zuiver declaratoir karakter heeft (punt 261 supra), niet op.
281 Bijgevolg moet artikel 2, eerste tot en met vierde alinea, van de beschikking nietig worden verklaard, behalve wat de navolgende passages betreft:
"De in artikel 1 vermelde ondernemingen dienen onverwijld aan de genoemde inbreuk een einde te maken, voor zover zij zulks niet reeds hebben gedaan. Zij dienen zich voortaan met betrekking tot hun kartonactiviteiten te onthouden van elke overeenstemming of onderling afgestemde feitelijke gedraging die hetzelfde of een gelijksoortig doel of gevolg kan hebben, met inbegrip van elke uitwisseling van commerciële informatie,
a) waardoor de deelnemers rechtstreeks of onrechtstreeks in kennis worden gesteld van de productie, verkoop, orderportefeuille, bezettingsgraden, verkoopprijzen, kosten of afzetplannen van andere individuele producenten.
Elke regeling voor de uitwisseling van algemene informatie waaraan zij deelnemen, zoals het Fides-stelsel of de opvolger daarvan, dient zodanig te worden gehanteerd dat inlichtingen worden uitgesloten waaruit het gedrag van individuele producenten kan worden afgeleid."
De vordering tot intrekking of verlaging van de geldboete
A - Het middel: noodzaak van verlaging van de geldboete wegens onjuiste omschrijving van de strekking en de duur van de inbreuk
282 Onder verwijzing naar de voorgaande middelen en argumenten betoogt verzoekster, dat de inbreuk materieel een geheel andere strekking had, veel korter heeft geduurd en veel minder ernstig was dan de Commissie verklaart, en dat het bedrag van de geldboete sterk dient te worden verlaagd.
283 Uit hetgeen in het kader van de voorgaande middelen is geconstateerd, blijkt dat de Commissie, wat verzoekster betreft, het bestaan en de duur van de in artikel 1 van de beschikking beschreven inbreuk correct heeft vastgesteld.
284 Bijgevolg dient dit middel te worden afgewezen. B - Het middel: onjuiste beoordeling, voor zover de Commissie zich op het standpunt heeft gesteld, dat het kartel "ruimschoots succes had bij het bereiken van zijn doelstellingen" en schending van de motiveringsplicht dienaangaande
Argumenten van partijen
285 Verzoekster stelt een onjuiste beoordeling, voor zover de Commissie zich bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete op het standpunt heeft gesteld, dat het kartel "ruimschoots succes had bij het bereiken van zijn doelstellingen" (punt 168 van de considerans van de beschikking). Volgens haar heeft de Commissie op dit punt geen rekening gehouden met de bewijzen die waren verstrekt door de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, en meer in het bijzonder door verzoekster.
286 De wijze waarop de prijzen werden aangekondigd, was normaal in de bedrijfstak, en op grond van de situatie op de markt, vooral de transparantie daarvan, kon een zekere uniformiteit en gelijktijdigheid worden waargenomen bij de aankondigingen van de prijsverhogingen door de verschillende producenten. Volgens haar heeft de Commissie geen rekening gehouden met de navolgende factoren: a) de transactieprijzen waren altijd lager dan de aangekondigde prijzen; b) er bestonden altijd aanzienlijke verschillen tussen de per afnemer toegepaste prijzen, zodat er niet één prijs bestond; c) de ontwikkeling van de prijzen is conjunctureel beïnvloed, en d) het verschil tussen de per afnemer toegepaste prijzen is in de loop van de betrokken periode toegenomen, hetgeen typerend is voor een sterke individualisering van de prijzen.
287 De ontwikkeling van de transactieprijzen werd gedurende de betrokken periode enkel bepaald door de situatie op de markt en in het bijzonder door de betrekkelijk gestage vraag en de bevredigende en soms optimale benutting van de capaciteit (zie punten 13-15 van de considerans van de beschikking), door de aanzienlijke kostenstijgingen (zie punten 16-19 van de considerans) en ten slotte door een volstrekt normaal gemiddeld rentabiliteitspercentage gedurende de gehele periode. Onder deze omstandigheden had de Commissie moeten concluderen, dat de prijsverhogingen normaal waren (zie eveneens punt 135 van de considerans) en dat de eventueel vastgestelde verhogingen van de transactieprijzen overeenkwamen met de fundamentele economische fluctuaties. Zij had dus eveneens moeten concluderen, dat het beweerde kartel geen enkel effect had op de feitelijke ontwikkeling van de transactieprijzen.
288 Volgens verzoekster hebben de transactieprijzen altijd gelijke tred gehouden met de ontwikkeling van de kosten. De gedurende de tweede helft van 1989 vastgestelde verlaging van de kosten van de grondstoffen ging namelijk gepaard met een aanzienlijke verhoging van de arbeids- en energiekosten, die ongeveer 35 % van de totale kosten van de kartonproducenten uitmaken. Het feit dat in 1991 de vraag is gedaald, betekent evenmin dat andere factoren dan de situatie op de markt de ontwikkeling van de prijzen hebben beïnvloed, omdat de enige prijsverhoging in 1991 (verhoging van januari) door de producenten reeds in de loop van de herfst van 1990 was aangekondigd en zelfs nog eerder was gepland.
289 De verklaring van de Commissie betreffende de gevolgen van het kartel is evenmin juist op het punt van de beweerde onderlinge afstemming van de marktaandelen, omdat ter zake nooit een onderlinge afstemming heeft plaatsgevonden, noch een stelsel van toezicht op de ontwikkeling van de marktaandelen van de verschillende producenten heeft bestaan. Bovendien vertoonden de marktaandelen van Sarrió gedurende de betrokken periode een sterke fluctuatie.
290 Ten slotte stelt verzoekster een motiveringsgebrek wegens tegenspraak tussen de conclusies betreffende de gevolgen van het kartel op de markt en de feitelijke bevindingen in de beschikking zelf.
291 De Commissie merkt op, dat de prijzen gedurende de betrokken periode altijd regelmatig zijn verhoogd en overeenkomstig de afspraken van de producenten binnen de comités van de PG Paperboard zijn toegepast, dat een stelsel van toezicht op de naleving van de door het kartel opgelegde besluiten door middel van uitwisseling van gedetailleerde informatie is ingevoerd, en dat de marktaandelen van de verschillende producenten zich altijd min of meer op hetzelfde niveau hebben gehandhaafd. Gelet in het bijzonder op de vele bewijsstukken betreffende het kartel, is verzoeksters verklaring dat het kartel de markttrends niet sterk heeft gewijzigd, derhalve onhoudbaar.
292 Met betrekking tot de prijsontwikkeling wijst de Commissie erop, dat het succes van het kartel als geheel moet worden beoordeeld. Het behaalde succes wordt niet weerlegd door het overigens niet bewezen feit dat verzoekster daarvan minder heeft geprofiteerd dan anderen.
293 De geringe wijzigingen in de marktaandelen van de verschillende producenten bevestigen, dat het kartel ook op het punt van de marktaandelen een groot succes was.
294 Ten slotte betwist de Commissie op basis van de voorgaande argumenten, dat de beschikking gebrekkig is gemotiveerd op het punt van de gevolgen van het kartel op de markt. Onder verwijzing naar in het bijzonder de analyses van de situatie op en de ontwikkeling van de markt in de punten 16, 21 en 137 van de considerans van de beschikking, stelt zij, dat indien een verklaring niet uit haar context wordt gelicht, geen enkele tegenspraak in de motivering van de beschikking kan worden vastgesteld.
Beoordeling door het Gerecht
295 Volgens punt 168, zevende streepje, van de considerans van de beschikking heeft de Commissie bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten onder meer rekening gehouden met het feit dat het kartel "ruimschoots succes had bij het bereiken van zijn doelstellingen". Vaststaat, dat deze overweging verwijst naar de gevolgen van de in artikel 1 van de beschikking vastgestelde inbreuk op de markt.
VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER: 694A0334.2
296 Voor de toetsing van de beoordeling, door de Commissie, van de gevolgen van de inbreuk behoeft slechts de beoordeling van de gevolgen van de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen te worden onderzocht. In de eerste plaats blijkt namelijk uit de beschikking, dat de vaststelling betreffende het grote succes bij het bereiken van de doelstellingen voornamelijk is gebaseerd op de gevolgen van de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen. Weliswaar worden deze gevolgen geanalyseerd in de punten 100 tot en met 102, 115, en 135 tot en met 137 van de considerans van de beschikking, doch de vraag of de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen en de heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand gevolgen hebben gehad op de markt, wordt daarentegen niet specifiek onderzocht.
297 In de tweede plaats kan op grond van het onderzoek van de gevolgen van de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen in elk geval eveneens worden beoordeeld, of de doelstelling van de heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand is bereikt, omdat deze laatste ten doel had ervoor te zorgen dat de onderling afgestemde prijsinitiatieven niet in gevaar werden gebracht door overaanbod.
298 In de derde plaats stelt de Commissie met betrekking tot de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen niet, dat de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG hebben bijgewoond, een absolute bevriezing van hun marktaandelen voor ogen stond. Volgens punt 60, tweede alinea, van de considerans van de beschikking was de afspraak over marktaandelen niet statisch, "maar het onderwerp van periodieke aanpassing en heronderhandeling". Gelet op deze precisering kan de Commissie dus niet worden verweten, dat zij van oordeel was dat het kartel ruimschoots succes had bij het bereiken van zijn doelstellingen, zonder in de beschikking specifiek het succes van deze heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen te hebben onderzocht.
299 Van de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen heeft de Commissie de algemene gevolgen beoordeeld. Gesteld al dat de door verzoekster verstrekte individuele gegevens, zoals zij verklaart, aantonen dat de gevolgen van de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen voor haar geringer waren dan die welke op de Europese kartonmarkt in haar totaliteit zijn vastgesteld, kunnen dergelijke individuele gegevens op zichzelf dus niet afdoen aan de beoordeling van de Commissie.
300 Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft bevestigd, worden in de beschikking drie soorten van gevolgen onderscheiden. Bovendien is de Commissie uitgegaan van het feit, dat de prijsinitiatieven door de producenten zelf in het algemeen als een succes zijn beschouwd.
301 Het eerste soort van gevolgen dat door de Commissie in aanmerking wordt genomen en door verzoekster niet wordt betwist, bestaat in het feit, dat de overeengekomen prijzen ook inderdaad aan de afnemers zijn aangekondigd. De nieuwe prijzen dienden dan ook als referentie bij individuele onderhandelingen met de afnemers over de transactieprijzen (zie in het bijzonder punten 100 en 101, vijfde en zesde alinea, van de considerans van de beschikking).
302 Het tweede soort van gevolgen bestaat in het feit, dat de ontwikkeling van de transactieprijzen gelijke tred hield met die van de aangekondigde prijzen. Dienaangaande stelt de Commissie, dat "de producenten niet alleen de overeengekomen prijsverhogingen aankondigden, doch ook, met enkele uitzonderingen, krachtige maatregelen namen om te waarborgen dat deze aan de afnemers werden opgelegd" (punt 101, eerste alinea, van de considerans van de beschikking). Zij erkent, dat de afnemers soms concessies betreffende de datum van inwerkingtreding van de verhogingen of individuele kortingen of reducties kregen, met name bij grote bestellingen, en dat "de gemiddelde netto prijsverhoging na aftrek van alle kortingen en andere concessies altijd geringer was dan het totale bedrag van de aangekondigde prijsverhoging" (punt 102, laatste alinea, van de considerans). Onder verwijzing naar grafieken in een economische studie welke ten behoeve van de procedure was verricht voor rekening van een aantal ondernemingen tot wie de beschikking is gericht (hierna: "LE-rapport"), verklaart zij evenwel, dat er gedurende de in de beschikking bedoelde periode "een nauw lineair verband" bestond tussen de ontwikkeling van de aangekondigde prijzen en die van de transactieprijzen, uitgedrukt in nationale valuta of omgerekend in ecu. Zij verbindt daaraan de conclusie: "De bereikte netto prijsverhogingen spoorden nauw met de prijsaankondigingen, zij het ook met een zeker tijdsverschil. De opsteller van het rapport zelf erkende gedurende de hoorzitting dat dit het geval was in 1988 en 1989" (punt 115, tweede alinea, van de considerans).
303 Erkend moet worden, dat de Commissie zich bij de beoordeling van deze tweede soort van gevolgen op het standpunt mocht stellen, dat het bestaan van een nauw lineair verband tussen de ontwikkeling van de aangekondigde prijzen en die van de transactieprijzen het bewijs opleverde van een effect dat overeenkomstig het door de producenten nagestreefde doel door de prijsinitiatieven werd uitgeoefend op de transactieprijzen. Het staat namelijk vast dat op de betrokken markt de praktijk om met de afnemers afzonderlijk te onderhandelen, tot gevolg heeft dat de transactieprijzen in het algemeen niet identiek zijn aan de aangekondigde prijzen. Het is dan ook niet te verwachten, dat de verhogingen van de transactieprijzen identiek zijn met de verhogingen van de aangekondigde prijzen.
304 Voor het bestaan van een correlatie tussen de aangekondigde prijsverhogingen en de verhogingen van de transactieprijzen beroept de Commissie zich terecht op het LE-rapport, waarin op basis van door verschillende producenten, waaronder verzoekster zelf, verstrekte gegevens een analyse wordt gegeven van de ontwikkeling van de kartonprijzen gedurende de in de beschikking bedoelde periode.
305 Het bestaan van een "nauw lineair verband" wordt in dit rapport evenwel slechts voor een gedeelte van de tijd bevestigd. De periode van 1987 tot 1991 blijkt bij onderzoek namelijk uiteen te vallen in drie afzonderlijke subperioden. Wat dit betreft, heeft de opsteller van een LE-rapport zijn conclusies tijdens de hoorzitting voor de Commissie als volgt samengevat: "Er is geen nauwe correlatie, zelfs niet met een zeker tijdverschil, tussen de aangekondigde prijsverhoging en de marktprijzen van 1987 tot 1988, het begin van de onderzochte periode. Daarentegen bestaat er wel een dergelijke correlatie in 1988/1989, waarna deze correlatie afneemt en er gedurende de periode 1990/1991 nogal vreemd [oddly] uitziet" (proces-verbaal van de hoorzitting, blz. 28). Hij merkte verder op, dat deze fluctuaties in de tijd nauw verband hielden met de fluctuaties in de vraag (zie in het bijzonder proces-verbaal van de hoorzitting, blz. 20).
306 Deze mondelinge conclusies van de opsteller komen overeen met de analyse in zijn rapport, en in het bijzonder met de grafieken waarin de ontwikkeling van de aangekondigde prijzen wordt vergeleken met de ontwikkeling van de transactieprijzen (LE-rapport, grafieken 10 en 11, blz. 29). Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat de Commissie het door haar aangevoerde "nauwe lineaire verband" slechts gedeeltelijk heeft bewezen.
307 Ter terechtzitting heeft de Commissie meegedeeld, dat zij ook rekening heeft gehouden met een derde soort van gevolgen van de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen, hierin bestaande dat het niveau van de transactieprijzen hoger was dan het niveau dat zonder heimelijke verstandhouding zou zijn bereikt. De Commissie, die beklemtoont dat de data en de volgorde van de aankondigingen van de prijsverhogingen door de PWG werden gepland, is dienaangaande in de beschikking van mening, dat het "onder dergelijke omstandigheden ondenkbaar is dat de onderling afgestemde prijsaankondigingen geen gevolgen hadden voor het feitelijke prijspeil" (punt 136, derde alinea, van de considerans van de beschikking). In het LE-rapport (hoofdstuk 3) is evenwel een model opgesteld op basis waarvan het prijsniveau kan worden geraamd, dat resulteert uit de objectieve marktsituatie. Volgens dit rapport zou het prijsniveau op basis van objectieve economische factoren gedurende de periode 1975 tot 1991 met te verwaarlozen fluctuaties een zelfde trend te zien hebben gegeven als die van de toegepaste transactieprijzen, en wel ook gedurende de in de beschikking in aanmerking genomen periode.
308 Ondanks deze conclusie kan op basis van de analyse in het rapport niet worden vastgesteld, dat de onderling afgestemde prijsinitiatieven de producenten niet in staat hebben gesteld om een niveau van transactieprijzen te bereiken dat hoger was dan bij een vrije mededinging tot stand zou zijn gekomen. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft beklemtoond, is het mogelijk dat de bij deze analyse in aanmerking genomen factoren zijn beïnvloed door de bestaande heimelijke verstandhouding. De Commissie stelt terecht, dat de heimelijke verstandhouding bijvoorbeeld voor de ondernemingen minder reden kon zijn geweest om hun kosten te verlagen. Zij heeft evenwel geen enkele rechtstreekse fout in de analyse van het LE-rapport aangevoerd en heeft evenmin haar eigen economische analyse van de theoretische ontwikkeling van de transactieprijzen zonder heimelijke verstandhouding overgelegd. Bijgevolg kan haar verklaring dat de transactieprijzen zonder heimelijke verstandhouding tussen de producenten lager zouden zijn geweest, niet worden aanvaard.
309 Daaruit volgt, dat niet is bewezen dat deze derde soort van gevolgen van de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen ook echt bestaan.
310 Aan de hiervóór gedane vaststellingen wordt geenszins afgedaan door de subjectieve beoordeling van de producenten, op basis waarvan de Commissie zich op het standpunt heeft gesteld, dat het kartel zijn doelstellingen ruimschoots had bereikt. Op dit punt verwijst Commissie naar een lijst van documenten, die zij ter terechtzitting heeft overgelegd. Gesteld al dat zij haar beoordeling over het eventuele succes van de prijsinitiatieven kon baseren op documenten waarin wordt gesproken van subjectieve gevoelens van bepaalde producenten, moet evenwel worden vastgesteld, dat een aantal ondernemingen, waaronder verzoekster, ter terechtzitting terecht hebben gewezen op enige andere processtukken waarin wordt gesproken van de problemen die de producenten hebben ondervonden bij de tenuitvoerlegging van de overeengekomen prijsverhogingen. De verklaringen van de producenten zelf waarnaar de Commissie verwijst, rechtvaardigen derhalve nog niet de conclusie, dat het kartel ruimschoots succes had bij het bereiken van zijn doelstellingen.
311 Gelet op het voorgaande, zijn de door de Commissie aangevoerde gevolgen van de inbreuk slechts gedeeltelijk bewezen. De draagwijdte van deze conclusie zal het Gerecht onderzoeken in het kader van zijn volledige rechtsmacht betreffende de geldboeten, wanneer het de zwaarte van de in casu vastgestelde inbreuk beoordeelt (zie punt 334 infra).
312 Ten slotte moet worden vastgesteld, dat verzoeksters bewering betreffende een gesteld motiveringsgebrek van de beschikking betreffende de gevolgen van de inbreuk niet opgaat. Uit voorgaand onderzoek blijkt namelijk, dat de beschikking een gedetailleerde motivering bevat, die geen tegenspraak bevat op het punt van de gevolgen van de vastgestelde inbreuk.
C - Het middel: onjuiste toepassing van het recht, voor zover de Commissie de verhulling van het kartel als verzwarende omstandigheid in aanmerking heeft genomen, alsmede onjuiste motivering dienaangaande
Argumenten van partijen
313 Verzoekster stelt, dat indien wordt aanvaard dat een zekere spreiding in de tijd van de aankondigingen van de prijsverhogingen het resultaat is van een onderlinge afstemming, quod non, de Commissie deze omstandigheid toch niet als bijzondere verzwarende omstandigheid in aanmerking kon nemen, omdat de "verhulling" van een kartel inherent is aan de inbreuk zelf.
314 Verzoekster voegt daaraan toe, dat het feit dat de Commissie geen bewijsstukken heeft kunnen vinden voor haar beweringen betreffende het bestaan van een inbreuk, niet betekent dat maatregelen zijn genomen om deze te verhullen.
315 Ten slotte stelt zij een motiveringsgebrek, voor zover in de beschikking niet wordt verklaard, waarom de verhulling van een kartel als een verzwarende omstandigheid zou moeten worden beschouwd.
316 De Commissie betoogt, dat de verhulling van het bestaan van het kartel een omstandigheid is die in aanmerking dient te worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk (arrest BASF/Commissie, reeds aangehaald, punt 273).
Beoordeling door het Gerecht
317 Volgens punt 167, derde alinea, van de considerans van de beschikking is "een bijzonder ernstig aspect van de inbreuk, dat de ondernemingen in een poging het bestaan van het kartel te verhullen zo ver gingen, dat datum en volgorde van de aankondiging door iedere grote producent van de nieuwe prijsverhogingen vooraf werd gearrangeerd". Verder wordt in de beschikking opgemerkt: "de producenten hadden als gevolg van deze uitgewerkte bedriegelijke regeling de reeks uniforme, regelmatige en bedrijfstaksgewijze prijsverhogingen in de kartonsector aan het verschijnsel van $oligopolie-gedrag' toegeschreven" (punt 73, derde alinea, van de considerans). Ten slotte heeft de Commissie volgens punt 168, zesde streepje, van de considerans bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten rekening gehouden met het feit dat "er uitgebreide pogingen in het werk werden gesteld om de werkelijke aard en omvang van de heimelijke verstandhouding te verhelen (afwezigheid van officiële notulen of documentatie voor de PWG en het JMC; ontmoediging van het maken van aantekeningen; het ensceneren van de tijdstippen en de volgorde waarin de prijsverhogingen werden aangekondigd, teneinde te kunnen beweren dat men $volgde' enzovoort)".
318 Vastgesteld moet worden, dat de Commissie uit de bewijsstukken waarover zij beschikte, terecht heeft afgeleid, dat de ondernemingen de data en de volgorde van de brieven waarin de prijsverhogingen werden aangekondigd, hebben gepland om het bestaan van de onderlinge afstemming van de prijzen te proberen te verhullen. Deze planning blijkt in het bijzonder uit verklaringen van Stora (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 30): "Er bestond geen standaardprocedure om te bepalen wie een prijsverhoging als eerste zou aankondigen en wie zouden volgen. De PWG discussieerde en sprak af, wie elke prijsverhoging als eerste zou aankondigen en op welke data de andere voornaamste producenten deze zouden aankondigen. Het schema was niet telkens hetzelfde." Deze planning wordt eveneens bevestigd door de notitie van Rena betreffende de vergadering van het JMC van 6 september 1990 (bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar). Dit document bevat precieze gegevens betreffende de data waarop bepaalde ondernemingen die lid waren van de PWG (Mayr-Melnhof, Feldmühle en Cascades), de prijsverhogingen van januari 1991 zouden aankondigen, en deze data komen exact overeen met de data waarop deze ondernemingen hun aankondigingsbrieven ook inderdaad hebben verstuurd (zie punten 87 en 88 van de considerans van de beschikking).
319 Het ontbreken van officiële notulen en het nagenoeg volledig ontbreken van interne notities betreffende de vergaderingen van de PWG en het JMC vormen wegens het aantal, de duur in de tijd en de aard van de betrokken besprekingen genoegzaam bewijs voor de bewering van de Commissie, dat degenen die de vergaderingen bijwoonden, werden ontmoedigd aantekeningen te maken.
320 Uit het voorgaande blijkt, dat de ondernemingen die de vergaderingen van deze organen bijwoonden, zich niet alleen bewust waren van de onrechtmatigheid van hun gedrag, doch ook maatregelen hebben genomen om de heimelijke verstandhouding te verhullen. Bijgevolg heeft de Commissie deze maatregelen bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk terecht als verzwarende omstandigheden in aanmerking genomen.
321 Ten slotte heeft zij, aangezien zij in de beschikking heeft verklaard, welke precieze gedragingen van de ondernemingen als verzwarende omstandigheden in aanmerking zijn genomen, haar beoordeling op dit punt toereikend gemotiveerd.
322 Het onderhavige middel dient dus te worden afgewezen.
D - Het middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling, aangezien de Commissie zonder objectieve rechtvaardiging veel hogere geldboeten zou hebben opgelegd dan voordien praktijk was
Argumenten van partijen
323 Verzoekster betoogt, dat het feit dat de opgelegde geldboete hoger was dan de geldboeten die voordien in de beschikkingspraktijk van de Commissie zijn opgelegd, een ongerechtvaardigd verschil in behandeling oplevert.
324 Voor een aantal vergelijkbare kartels is volgens haar een veel minder zware sanctie opgelegd (bijvoorbeeld beschikking 86/398/EEG van de Commissie van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.149 - Polypropyleen) (PB L 230, blz. 1; hierna: "beschikking polypropyleen").
325 Ook lijkt het algemene niveau van de geldboeten ongerechtvaardigd, vergeleken met beschikking 92/163/EEG van de Commissie van 24 juli 1991 inzake een procedure op grond van artikel 86 van het EEG-Verdrag (IV/31.043 - Tetra Pak II) (PB 1992, L 72, blz. 1).
326 De onjuiste beoordeling van de zwaarte van de inbreuk wordt haars inziens ook nog bevestigd door een vergelijking met het niveau van de geldboeten, dat is toegepast in beschikking 94/815/EG van de Commissie van 30 november 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (Zaak IV/33.126 en 33.322 - Cement) (PB L 343, blz. 1).
327 Volgens de Commissie heeft elke inbreuk zijn eigen kenmerken. Aangezien het beginsel van gelijke behandeling inhoudt, dat vergelijkbare situaties op gelijke wijze worden behandeld, is het onmogelijk om de in casu opgelegde geldboeten te vergelijken met de geldboeten die zijn opgelegd voor inbreuken die op andere wijzen en in andere perioden zijn gepleegd. De Commissie voegt daaraan toe, dat zij in elk geval het recht heeft om het niveau van de geldboeten te verhogen, indien zulks noodzakelijk is om de uitvoering van het communautaire mededingingsbeleid te verzekeren (arrest Gerecht van 10 maart 1992, Solvay/Commissie, T-12/89, Jurispr. blz. II-907).
Beoordeling door het Gerecht
328 Volgens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 kan de Commissie bij beschikking aan ondernemingen geldboeten opleggen van ten minste duizend en ten hoogste 1 miljoen ECU of tot een bedrag van ten hoogste 10 % van de omzet van elk der betrokken ondernemingen in het voorafgaande boekjaar, wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk maken op artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete moet rekening worden gehouden met zowel de zwaarte, als de duur van de inbreuk. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt, dat de zwaarte van de inbreuken moet worden vastgesteld met inachtneming van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context daarvan en de preventieve werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld (beschikking Hof van 25 maart 1996, SPO e.a./Commissie, C-137/95 P, Jurispr. blz. I-1611, punt 54).
329 In casu heeft de Commissie bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten rekening gehouden met de duur van de inbreuk (punt 167 van de considerans van de beschikking), alsmede met de navolgende overwegingen (punt 168 van de considerans):
"- heimelijke verstandhouding betreffende prijzen en marktverdeling vormt uit de aard der zaak een ernstige beperking van de concurrentie;
- het kartel bestreek nagenoeg het gehele grondgebied van de Gemeenschap;
- de kartonmarkt van de Gemeenschap is een belangrijke industriële sector met een waarde van ongeveer 2 500 miljoen ECU per jaar;
- de aan de inbreuk deelnemende ondernemingen nemen deze markt vrijwel geheel voor hun rekening;
- het kartel functioneerde in de vorm van een systeem van regelmatige geïnstitutionaliseerde vergaderingen, met het oogmerk de markt voor karton in de Gemeenschap tot in de kleinste details te reguleren;
- er werden uitgebreide pogingen in het werk gesteld om de werkelijke aard en omvang van de heimelijke verstandhouding te verhelen (afwezigheid van officiële notulen of documentatie voor de PWG en het JMC; ontmoediging van het maken van aantekeningen; het ensceneren van de tijdstippen en de volgorde waarin de prijsverhogingen werden aangekondigd, teneinde te kunnen beweren dat men $volgde' enzovoort);
- het kartel had ruimschoots succes bij het bereiken van zijn doelstellingen."
330 Bovendien herinnert het Gerecht eraan, dat blijkens een antwoord van de Commissie op een schriftelijke vraag van het Gerecht, geldboeten van een basisniveau van 9 of 7,5 % van de omzet die door elk van de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, in 1990 is behaald op de kartonmarkt van de Gemeenschap, zijn opgelegd aan de ondernemingen die als de "kopstukken" van het kartel werden beschouwd, respectievelijk aan de andere ondernemingen.
331 In de eerste plaats dient te worden beklemtoond, dat de Commissie bij haar beoordeling van het algemene niveau van de geldboeten rekening mag houden met het feit dat nog steeds betrekkelijk vaak evidente inbreuken worden gemaakt op de communautaire mededingingsregels, en dat zij derhalve het niveau van de geldboeten mag verhogen om de preventieve werking ervan te versterken. Bijgevolg behoeft het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten van inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, haar niet te verhinderen, dit niveau binnen de in verordening nr. 17 gestelde grenzen te verhogen, indien zulks noodzakelijk blijkt om de uitvoering van het communautaire mededingingsbeleid te verzekeren (zie in het bijzonder arrest Hof van 7 juni 1983, Musique Diffusion française e.a./Commissie, 100/80, 101/80, 102/80 en 103/80, Jurispr. blz. 1825, punten 105-108, en arrest ICI/Commissie, reeds aangehaald, punt 385).
332 In de tweede plaats heeft de Commissie terecht gesteld, dat wegens de bijzondere omstandigheden van het concrete geval geen rechtstreekse vergelijking kan worden gemaakt tussen het algemene niveau van de geldboeten in de onderhavige beschikking en het niveau dat is gehanteerd in de vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie, in het bijzonder in de beschikking polypropyleen, die door de Commissie zelf als de beschikking wordt beschouwd die het best te vergelijken is met de onderhavige. Anders dan in de zaak waarin de beschikking polypropyleen is gegeven, is in casu bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten geen enkele algemene verzachtende omstandigheid in aanmerking genomen. Bovendien vormen, zoals het Gerecht reeds heeft vastgesteld, de uitgebreide pogingen die de ondernemingen in het werk hebben gesteld om het bestaan van de inbreuk te verhelen, een bijzonder ernstig aspect van de inbreuk, die deze karakteriseert ten opzichte van de vroeger door de Commissie vastgestelde inbreuken.
333 In de derde plaats dient met nadruk te worden gewezen op de lange duur en het evidente karakter van de inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, die is gepleegd in weerwil van de waarschuwing die had moeten uitgaan van de vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie en in het bijzonder van de beschikking polypropyleen.
334 Op basis van deze factoren moeten de in punt 168 van de considerans van de beschikking genoemde criteria worden geacht, het door de Commissie vastgestelde algemene niveau van de geldboeten te rechtvaardigen. Weliswaar heeft het Gerecht reeds geconstateerd, dat de gevolgen van de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen, die de Commissie bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten in aanmerking heeft genomen, slechts gedeeltelijk zijn bewezen. Gelet op de voorgaande overwegingen, kan deze conclusie evenwel niet veel afdoen aan de beoordeling van de zwaarte van de vastgestelde inbreuk. Het feit dat de ondernemingen de overeengekomen prijsverhogingen inderdaad hebben aangekondigd en dat de aldus aangekondigde prijzen als grondslag hebben gediend voor de vaststelling van de individuele transactieprijzen, volstaat op zichzelf reeds om vast te stellen, dat de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen een ernstige beperking van de mededinging ten doel en ten gevolge heeft gehad. In het kader van zijn volledige rechtsmacht is het Gerecht dan ook van oordeel, dat de bevindingen betreffende de gevolgen van de inbreuk geen verlaging van het door de Commissie vastgestelde algemene niveau van de geldboeten rechtvaardigen.
335 Ten slotte is de Commissie bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten in het onderhavige geval niet zodanig afgeweken van haar vroegere beschikkingspraktijk, dat zij haar beoordeling van de zwaarte van de inbreuk explicieter had moeten motiveren (zie onder meer arrest Hof van 26 november 1975, Groupement des fabricants de papiers peints de Belgique e.a./Commissie, 73/74, Jurispr. blz. 1491, punt 31).
336 Het onderhavige middel dient dus te worden afgewezen.
E - Het middel: gebrekkige motivering en schending van de rechten van de verdediging met betrekking tot de vaststelling van het bedrag van de geldboete Argumenten van partijen
337 Verzoekster betoogt, dat ter beoordeling of de Commissie binnen de bij artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 gestelde grenzen is gebleven en of zij haar discretionaire bevoegdheid op het gebied van de geldboeten correct en niet-willekeurig heeft uitgeoefend, moet worden nagegaan, of in de beschikking de criteria worden beschreven welke de Commissie heeft toegepast. Volgens haar voldoet de beschikking niet aan deze vereisten, aangezien daarin niet wordt aangegeven, welk boekjaar voor de vaststelling van de geldboeten in aanmerking is genomen, noch welk tarief (percentage) voor de berekening van elke geldboete is toegepast. Het is verzoekster derhalve onmogelijk om de wettigheid van de beschikking doeltreffend te controleren, hetgeen een kennelijke schending van haar rechten van de verdediging vormt.
338 De Commissie merkt op, dat artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 expliciet noch impliciet spreekt van de verplichting van de Commissie om de gehanteerde berekeningsmethode aan te geven. Bovendien is de motivering van de beschikking betreffende de factoren op basis waarvan het algemene niveau van de geldboeten, alsmede het niveau van de aan elk van de ondernemingen opgelegde geldboete is vastgesteld, volstrekt vergelijkbaar met de motiveringen die in soortgelijke beschikkingen zijn gegeven. Overigens is er geen enkel precedent, op grond waarvan zij verplicht zou zijn om de meer gedetailleerde criteria aan te geven die voor de vaststelling van het bedrag van de geldboeten zijn gebruikt.
339 De Commissie stelt, dat zij niet verplicht is het bedrag van de geldboeten op basis van een precieze mathematische formule vast te stellen, een oplossing die voor de ondernemingen aanleiding zou kunnen zijn om van tevoren te berekenen, welk voordeel zij aan een deelneming aan een onrechtmatig kartel zouden ontlenen. Zij is van mening, dat zij bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten over een beoordelingsmarge beschikt, aangezien deze geldboeten een instrument van het mededingingsbeleid zijn (arrest Gerecht van 6 april 1995, Martinelli/Commissie, T-150/89, Jurispr. blz. II-1165, punt 59).
340 Ten slotte betoogt zij, dat het feit dat een lid van de Commissie tijdens een persconferentie zuiver indicatief een aantal nadere details betreffende de geldboeten heeft gegeven, geen gevolgen kan hebben voor de beschikking, en dat dergelijke inlichtingen evenmin betekenen dat de motivering van de beschikking ontoereikend was.
Beoordeling door het Gerecht
341 Volgens vaste rechtspraak heeft de verplichting tot motivering van een individuele beschikking tot doel, de gemeenschapsrechter in staat te stellen de wettigheid van de beschikking te onderzoeken, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid kan worden betwist, met dien verstande dat de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk is van de aard der betrokken handeling en van de omstandigheden waaronder deze is vastgesteld (zie in het bijzonder arrest Gerecht van 11 december 1996, Van Megen Sports/Commissie, T-49/95, Jurispr. blz. II-1799, punt 51).
342 Bij een beschikking waarbij, zoals in casu, aan meerdere ondernemingen een geldboete wordt opgelegd wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels, moet de omvang van de motiveringsplicht in het bijzonder worden bepaald met inachtneming van het feit dat de zwaarte van de inbreuken moet worden vastgesteld op basis van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context daarvan en de preventieve werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld (beschikking SPO e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 54).
343 Bovendien beschikt de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van elke geldboete over een beoordelingsmarge en kan zij niet verplicht worden geacht om daartoe een precieze mathematische formule toe te passen (zie in dezelfde zin arrest Martinelli/Commissie, reeds aangehaald, punt 59).
344 In de beschikking worden de criteria die in aanmerking zijn genomen bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten en het bedrag van de individuele geldboeten vermeld in respectievelijk de punten 168 en 169 van de considerans. Verder verklaart de Commissie met betrekking tot de individuele geldboeten in punt 170 van de considerans, dat de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG hebben bijgewoond, in beginsel als de "kopstukken" van het kartel zijn beschouwd, terwijl de andere ondernemingen als "gewone leden" daarvan zijn beschouwd. Ten slotte geeft zij in de punten 171 en 172 van de considerans aan, dat de aan Rena en Stora opgelegde geldboeten aanzienlijk lager moeten uitvallen om rekening te houden met hun actieve medewerking met de Commissie en dat acht andere ondernemingen, waaronder verzoekster, eveneens in aanmerking komen voor een proportioneel geringere verlaging, omdat zij in hun antwoorden op de mededeling van de punten van bezwaar niet de kern van de tegen hen ingebrachte feiten hebben ontkend, waarop de Commissie haar punten van bezwaar had gebaseerd.
345 In haar memories voor het Gerecht, alsmede in haar antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft de Commissie verklaard, dat het bedrag van de geldboeten is vastgesteld op basis van de omzet die elke onderneming tot wie de beschikking is gericht, in 1990 heeft behaald op de kartonmarkt van de Gemeenschap. Geldboeten van een basisniveau van 9 of 7,5 % van deze individuele omzet zijn opgelegd aan de ondernemingen die als de "kopstukken" van het kartel werden beschouwd, respectievelijk aan de andere ondernemingen. Ten slotte heeft de Commissie rekening gehouden met de eventuele medewerking van bepaalde ondernemingen tijdens de administratieve procedure. Bij twee ondernemingen is het bedrag van hun geldboete om die reden met twee derde verlaagd, terwijl die van andere ondernemingen met een derde is verlaagd.
346 Overigens blijkt uit een door de Commissie verstrekte tabel met gegevens betreffende de vaststelling van het bedrag van elk van de individuele geldboeten, dat deze geldboeten weliswaar niet zijn vastgesteld door middel van een strikt mathematische toepassing van alleen de bovengenoemde cijfers, doch dat deze cijfers voor de berekening van de geldboeten wel stelselmatig in aanmerking zijn genomen.
347 In de beschikking wordt niet gepreciseerd, dat het bedrag van de geldboeten is vastgesteld op basis van de omzet van elke onderneming op de kartonmarkt van de Gemeenschap in 1990. Ook worden in de beschikking niet de toegepaste basispercentages van 9 en 7,5 % genoemd die zijn gehanteerd voor de berekening van de geldboeten die zijn opgelegd aan de ondernemingen die als de "kopstukken" werden beschouwd, respectievelijk aan de ondernemingen die als "gewone leden" werden beschouwd. Evenmin worden de percentages vermeld, waarmee de geldboeten van Rena en Stora enerzijds en die van acht andere ondernemingen anderzijds zijn verlaagd.
348 In casu bevatten de punten 169 tot en met 172 van de considerans, uitgelegd met inachtneming van de gedetailleerde uiteenzetting, in de beschikking, van de feitelijke bevindingen die ten aanzien van elke adressaat van de beschikking zijn geformuleerd, een toereikende en ter zake dienende vermelding van de beoordelingsfactoren die in aanmerking zijn genomen om de zwaarte en de duur van de door elk van de betrokken ondernemingen gepleegde inbreuk te bepalen (zie in deze zin arrest Gerecht van 24 oktober 1991, Petrofina/Commissie, T-2/89, Jurispr. blz. II-1087, punt 264).
349 In de tweede plaats zou, wanneer zoals in casu bij de bepaling van het bedrag van elke geldboete stelselmatig rekening is gehouden met bepaalde specifieke gegevens, de vermelding van elk van deze factoren in de beschikking de ondernemingen in staat stellen om enerzijds beter te beoordelen of de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van de individuele geldboete fouten heeft gemaakt, en anderzijds of, gelet op de toegepaste algemene criteria, het bedrag van elke individuele geldboete gerechtvaardigd is. In casu is bij de vermelding van de betrokken factoren in de beschikking, dat wil zeggen de referentieomzet, het referentiejaar, de toegepaste basispercentages en de percentages van de verlaging van het bedrag van de geldboete, de precieze omzet van de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, niet openbaar gemaakt, aangezien de openbaarmaking een inbreuk op artikel 214 van het Verdrag had kunnen opleveren. Het eindbedrag van elke individuele geldboete is, zoals de Commissie zelf heeft beklemtoond, namelijk niet tot stand gekomen door een strikt mathematische toepassing van deze factoren.
350 Ter terechtzitting heeft de Commissie overigens erkend, dat niets haar zou hebben belet om in de beschikking de factoren aan te geven die stelselmatig in aanmerking waren genomen en die bekend waren gemaakt tijdens een persconferentie op de dag zelf waarop deze beschikking is aanvaard. Dienaangaande zij herinnerd aan de vaste rechtspraak, volgens welke de motivering van de beschikking in de beschikking zelf moet voorkomen en dat latere verklaringen van de Commissie, behoudens bijzondere omstandigheden, niet in aanmerking kunnen worden genomen (zie arrest Gerecht van 2 juli 1992, Dansk Pelsdyravlerforening/Commissie, T-61/89, Jurispr. blz. II-1931, punt 131, en in dezelfde zin arrest Gerecht van 12 december 1991, Hilti/Commissie, T-30/89, Jurispr. blz. II-1439, punt 136).
351 Ondanks deze bevindingen zij opgemerkt, dat de motivering betreffende de vaststelling van het bedrag van de geldboeten in de punten 167 tot en met 172 van de considerans van de beschikking minstens even gedetailleerd is als de motiveringen in de vroegere beschikkingen van de Commissie betreffende vergelijkbare inbreuken. Hoewel het middel van een motiveringsgebrek van openbare orde is, had de gemeenschapsrechter op het moment van de vaststelling nog geen kritiek geuit op de praktijk die door de Commissie werd gevolgd op het gebied van de motivering van de opgelegde geldboeten. Pas in het arrest van 6 april 1995, Tréfilunion/Commissie (T-148/89, Jurispr. blz. II-1063, punt 142), en in twee andere arresten van dezelfde dag, Société métallurgique de Normandie/Commissie (T-147/89, Jurispr. blz. II-1057, summiere publicatie), en Société des treillis et panneaux soudés/Commissie (T-151/89, Jurispr. blz. II-1191, summiere publicatie), heeft het Gerecht voor het eerst beklemtoond, dat het wenselijk is dat de ondernemingen gedetailleerd kennis kunnen nemen van de wijze van berekening van de hun opgelegde geldboete, zonder daarvoor de beschikking van de Commissie in rechte te moeten aanvechten.
352 Wanneer de Commissie in een beschikking een inbreuk op de mededingingsregels vaststelt en de ondernemingen die daaraan hebben deelgenomen een geldboete oplegt, moet zij derhalve, indien zij bepaalde basisfactoren bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten stelselmatig in aanmerking heeft genomen, deze factoren in de beschikking zelf vermelden, om de ondernemingen tot wie zij is gericht, in staat te stellen de juistheid van het niveau van de geldboete te verifiëren en na te gaan of er eventueel sprake is van discriminatie.
353 In de bijzondere omstandigheden welke zijn vermeld in punt 351 supra, en gelet op het feit dat de Commissie zich bereid heeft getoond om tijdens de contentieuze procedure alle relevante inlichtingen betreffende de wijze van berekening van de geldboeten te verstrekken, behoeft het ontbreken van een specifieke motivering in de beschikking betreffende de wijze van berekening van de geldboeten in casu niet als een schending van de motiveringsplicht te worden beschouwd, die een gehele of gedeeltelijke intrekking van de opgelegde geldboeten rechtvaardigt. Ten slotte heeft verzoekster niet aangetoond, dat zij haar rechten van de verdediging niet behoorlijk geldend heeft kunnen maken.
354 Bijgevolg kan dit middel niet worden aanvaard.
F - Het middel: onjuiste beoordeling, voor zover de Commissie niet behoorlijk rekening zou hebben gehouden met de rol van Sarrió binnen het kartel, alsmede met haar feitelijke gedrag op de markt, en gebrekkige motivering dienaangaande
Argumenten van partijen
355 Verzoekster verklaart, dat de Commissie niet behoorlijk rekening heeft gehouden met haar bijzondere positie op de markt en binnen de PG Paperboard. Op basis van een gedetailleerde beschrijving van haar positie op de markt, verklaart zij, dat zij gemeten naar productiecapaciteit in 1990 en 1991 slechts de vijfde, respectievelijk vierde producent in West-Europa was (zie de in punt 9 van de beschikking genoemde studies), en dat haar marktaandeel de helft lager was dan dat van de marktleider. Bovendien had zij wegens haar specialisatie in de GD-kwaliteiten niet dezelfde flexibiliteit als de producenten die een belangrijke productie hadden in zowel de GD- als de GC-kwaliteit. Zij was altijd en nog steeds blootgesteld aan de agressieve concurrentie van zowel de Scandinavische producenten, die bevoordeeld zijn door de rechtstreekse en volledige toegang tot primaire vezels, als de Duitse en de Oostenrijkse producenten, die bevoordeeld zijn door nationale regelingen betreffende recyclage. Teneinde het hoofd te kunnen bieden aan de kracht van haar concurrenten heeft zij in 1986 verzocht om de vergaderingen van de PG Paperboard te mogen bijwonen, om haar in staat te stellen het gedrag van haar voornaamste concurrenten te controleren.
356 De Commissie heeft haars inziens geen enkel bewijs geleverd betreffende het feitelijke gedrag van verzoekster, noch enig argument aangevoerd ter weerlegging van haar argumenten: a) haar transactieprijzen werden zelfstandig en in overeenstemming met de situatie op de markt vastgesteld; b) er bestonden aanzienlijke verschillen tussen de aangekondigde prijzen en de transactieprijzen; c) haar marktaandelen fluctueerden sterk gedurende de gehele betrokken periode, en d) in overeenstemming met de situatie op de markt had zij nooit machines stilgelegd. Verzoekster stelt dat zij nooit heeft deelgenomen aan initiatieven om de vrijheid van handelen van haar concurrenten te beperken. Het enige bewijs van een dergelijke gedraging is te vinden in een privénotitie die tussen twee bedrijfsleiders van concurrerende ondernemingen is uitgewisseld. Deze notitie heeft evenwel een algemene strekking en betreft een gedraging die eenvoudigweg aan verzoekster wordt toegeschreven (bijlage 109 bij de mededeling van de punten van bezwaar).
357 Volgens verzoekster had onderzoek van haar feitelijke gedrag aan het licht gebracht, dat dit in geen enkel opzicht spoorde met het beweerde kartel, hetgeen voor de Commissie aanleiding had moeten zijn om verzoeksters situatie bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete veel gunstiger te beoordelen. De bij FS-Karton aangetroffen notitie die door de Commissie als bewijs wordt aangevoerd voor de werkelijke tenuitvoerlegging van het kartel door verzoekster, betreft in het geheel niet haar feitelijke gedrag op de markt, doch toont enkel een deelneming aan een onderlinge afstemming van de aangekondigde prijzen aan.
358 Ten slotte is de beschikking gebrekkig gemotiveerd, aangezien de Commissie zonder aanvoering van redenen de door verzoekster verstrekte essentiële gegevens betreffende haar rol binnen de PG Paperboard en haar gedrag op de markt niet heeft beoordeeld.
359 De Commissie verklaart, dat zij in punt 169 van de considerans van de beschikking rekening heeft gehouden met zowel de rol die elke onderneming in de heimelijke samenwerkingsregelingen heeft gespeeld, als met het feitelijke gedrag van verzoekster. Op dit punt is de beschikking behoorlijk gemotiveerd.
Beoordeling door het Gerecht
360 Uit de vaststellingen betreffende de middelen die verzoekster heeft aangevoerd tot staving van haar vordering tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van artikel 1 van de beschikking, blijkt dat de aard van de functies van de PWG, zoals in de beschikking beschreven, door de Commissie is bewezen.
361 Bijgevolg mocht de Commissie concluderen, dat de ondernemingen, waaronder verzoekster, die de vergaderingen van dit orgaan hebben bijgewoond, als de "kopstukken" van de vastgestelde inbreuk moesten worden beschouwd en dat zij om die reden een bijzondere verantwoordelijkheid droegen (zie punt 170, eerste alinea, van de considerans van de beschikking). Verzoeksters verklaringen, volgens welke zij de vergaderingen van de PWG slechts heeft bijgewoond om informatie te verkrijgen op basis waarvan zij het gedrag van haar voornaamste concurrenten kon controleren, bevestigen slechts, dat haar deelneming een voornamelijk mededingingsverstorend doel had.
362 Bovendien heeft verzoekster geenszins aangetoond, dat zij voornamelijk een passieve rol binnen de organen van de PG Paperboard heeft gespeeld en dat haar feitelijke gedrag op de markt altijd zelfstandig is bepaald.
363 Dienaangaande staat vast, dat zij inderdaad heeft deelgenomen aan de onderling afgestemde prijsinitiatieven door de overeengekomen prijsverhogingen op de markt aan te kondigen. Bovendien blijkt uit bijlage 109 bij de mededeling van de punten van bezwaar (zie punt 55 supra), zoals de Commissie terecht heeft gesteld, dat verzoekster andere producenten heeft gevraagd, de overeengekomen prijsverhogingen in acht te nemen. Wat ten slotte verzoeksters feitelijke prijsgedrag betreft, is er geen enkele grond om te stellen, dat haar transactieprijzen aanzienlijk lager waren dan die van de andere producenten die betrokken waren bij de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen.
364 Met betrekking tot verzoeksters argumenten betreffende de fluctuaties van haar marktaandelen gedurende de door de beschikking in aanmerking genomen periode van de inbreuk, volstaat de vaststelling, dat verzoekster heeft gesteld dat deze fluctuaties zijn te verklaren door het feit dat een aantal producenten hun productiecapaciteit had verhoogd om te voldoen aan de tot 1990 geconstateerde sterke toeneming van de vraag. Ofschoon verzoekster haar productiecapaciteit niet heeft verhoogd vóór de verwerving van Prat Carton in februari 1991, kunnen de fluctuaties van haar marktaandelen derhalve geen factor zijn die haar aansprakelijkheid voor haar onrechtmatig gedrag verzacht.
365 Bovendien waren de omstandigheden op de markt pas in 1990 van dien aard, dat de ondernemingen zich verplicht zagen tot machinestilstand over te gaan en bestond er volgens de beschikking zelf op dit punt slechts "een soepel aanmoedigingssysteem" (zie punten 96 en 151 supra). Aangezien verzoekster de vergaderingen heeft bijgewoond gedurende welke het vraagstuk van de machinestilstand is besproken, zonder dat zij zich in het openbaar van het besprokene heeft gedistantieerd, is het Gerecht dan ook van oordeel, dat zelfs indien verzoekster haar productie niet heeft stilgelegd in de loop van de door de beschikking bestreken periode, deze omstandigheid niet het bewijs levert, dat haar individuele gedrag ertoe heeft kunnen bijdragen, dat de mededingingsverstorende gevolgen van de vastgestelde inbreuk werden verhinderd.
366 Gelet op haar gehele considerans bevat de beschikking dus een toereikende motivering van de wijze waarop de Commissie verzoeksters rol bij de vastgestelde inbreuk en haar gedraging op de markt heeft beoordeeld.
367 Bijgevolg dient dit middel eveneens te worden afgewezen.
G - Het middel: de Commissie had met bepaalde verzachtende omstandigheden rekening moeten houden
Argumenten van partijen
368 Verzoekster verklaart, dat zelfs indien het kartel moet worden geacht in het algemeen gevolgen voor de situatie op de markt te hebben gehad, de Commissie in elk geval een reeks van factoren waaruit blijkt dat het kartel in het geheel geen of slechts onbeduidende gevolgen had voor de marktsector die relevant is voor de beoordeling van verzoeksters situatie, als verzachtende omstandigheden in aanmerking had moeten nemen.
369 Volgens verzoekster had de Commissie in de eerste plaats rekening moeten houden met het feit dat tussen 1986 en 1992 de transactieprijzen die verzoekster op de Italiaanse markt, de voornaamste afzetmarkt voor haar producten, heeft behaald, altijd de ontwikkeling van de index van de industriële prijzen hebben gevolgd. In de tweede plaats had zij rekening moeten houden met het gemak waarmee andere soorten van producten, zoals alle plasticderivaten, karton kunnen vervangen, hetgeen, naar verzoekster stelt, betekent dat elke vorm van "uitbuiting" van de markt wordt verhinderd of sterk beperkt. In de derde plaats ten slotte had de Commissie rekening moeten houden met het feit dat het marktaandeel van de GD-kwaliteit gedurende de betrokken periode sterk is gedaald ten voordele van de GC-kwaliteit. Eveneens gelet op de sterke daling van verzoeksters marktaandelen en op het niveau van de prijsverhogingen op de Italiaanse markt, dat lager was dan het niveau van de prijsverhogingen op de andere Europese markten, moet haars inziens dus worden geconcludeerd, dat het kartel verzoekster niet veel heeft opgeleverd.
370 De Commissie herinnert eraan, dat de invloed op de markt van het kartel als geheel moet worden beoordeeld, en dat het kartel vanuit dit gezichtspunt inderdaad een groot succes had. In elk geval kan geen van de door verzoekster aangevoerde factoren als een verzachtende omstandigheid worden beschouwd, die een verlaging van de geldboete rechtvaardigt.
Beoordeling door het Gerecht
371 Het Gerecht heeft reeds onderzocht, of de Commissie de gevolgen van de inbreuk op de markt juist heeft beoordeeld (zie punten 295 e.v. supra) en of verzoeksters gedrag op de markt bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete als een verzachtende omstandigheid in aanmerking had moeten worden genomen (zie punten 360 e.v. supra).
372 Gelet op hetgeen daarbij is vastgesteld, kunnen de door verzoekster in het kader van dit middel aangevoerde argumenten niet worden aanvaard.
373 Aangezien de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen zowel betrekking had op GC-karton als op GD-karton, en er geen grond is om aan te nemen dat verzoeksters individuele gedrag ertoe heeft bijgedragen dat de mededingingsverstorende gevolgen van de inbreuk werden verhinderd, heeft de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete terecht geen rekening gehouden met de sterke daling van de verkoop van GD-karton ten voordele van GC-karton. Bovendien heeft verzoekster niet aangetoond, dat er een verband bestond tussen de inbreuk en de ontwikkeling van de marktaandelen van de verschillende kartonkwaliteiten.
374 Zelfs indien de verhogingen van de transactieprijzen die zijn vastgesteld op de Italiaanse markt, de voornaamste afzetmarkt van verzoekster, lager waren dan die welke zijn vastgesteld op de andere markten van de Gemeenschap, volstaat verder de opmerking, dat de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen waaraan verzoekster heeft deelgenomen, nagenoeg het gehele grondgebied van de Gemeenschap bestreek, en dat deze onderneming de overeengekomen prijsverhogingen op alle voornaamste Europese markten heeft aangekondigd (zie tabellen B tot en met G in bijlage bij de beschikking).
375 Ten slotte doet een eventuele sterke uitwisselbaarheid van karton en andere producten niet af aan hetgeen reeds door het Gerecht is vastgesteld met betrekking tot de gevolgen van de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen (zie punten 295 e.v. supra).
376 Bijgevolg dient dit argument te worden afgewezen.
H - Het middel: materiële fout bij de berekening van de aan Sarrió opgelegde geldboete
Argumenten van partijen
377 Verzoekster stelt, dat de Commissie een materiële fout heeft gemaakt bij de berekening van de geldboete. Volgens haar heeft verweerster het bedrag van de omzet van 1990 gebruikt, dat in augustus 1991 is meegedeeld in antwoord op een verzoek om inlichtingen in de zin van artikel 11 van verordening nr. 17, terwijl zij de geldboete had moeten berekenen op basis van het gecorrigeerde en gecertificeerde bedrag van de omzet, dat in 1993 is toegestuurd als bijlage bij haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar.
378 Aldus heeft de Commissie niet alleen een fout gemaakt bij de berekening van de aan Sarrió opgelegde geldboete, doch heeft zij eveneens het beginsel van gelijke behandeling geschonden, omdat de aan de andere adressaten van de beschikking opgelegde geldboeten op een juiste basis waren berekend. Door de geldboete te berekenen op basis van een omzet die was meegedeeld voordat door Sarrió kon worden voorzien dat een geldboete zou kunnen worden opgelegd, en zonder op de hoogte te zijn van de nadien meegedeelde gecertificeerde omzet, heeft de Commissie ook Sarrió's recht van verweer geschonden.
379 De Commissie brengt hiertegen in, dat zij, juist om elk geschil te voorkomen, de omzet heeft gebruikt die is meegedeeld in antwoord op een verzoek om inlichtingen in de zin van artikel 11 van verordening nr. 17, en dat zij niet inziet waarom de vóór de mededeling van de punten van bezwaar ter kennis gebrachte omzet onjuist zou zijn, terwijl de na deze mededeling ter kennis gebrachte omzet wel juist zou zijn.
Beoordeling door het Gerecht
380 Gelet op de processtukken heeft de Commissie, toen zij bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete de door verzoekster in augustus 1991 meegedeelde omzet van 1990 als grondslag heeft genomen en niet de in mei 1993 meegedeelde gecorrigeerde omzet, geen enkele fout gemaakt. Een onderneming die tijdens de administratieve procedure voor de Commissie een cijfer als de omzet corrigeert, dat zij voordien aan de Commissie heeft meegedeeld in antwoord op een van haar verzoeken om inlichtingen, moet omstandig uiteenzetten waarom het aanvankelijk ter kennis gebrachte cijfer in het vervolg van de procedure niet meer in aanmerking moet worden genomen.
381 Dat is in casu niet gebeurd. In haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar heeft verzoekster slechts aangegeven, dat de omzet van 1990 was gecorrigeerd doordat bedragen waren afgetrokken betreffende interne verrichtingen van de groep, de verkoop van producten die buiten het onderzoek van de Commissie vielen (dozen en ruwe karton), klachten, hoeveelheidspremies, niet verkochte voorraden en aan afnemers verleende kortingen, zonder deze correctie door middel van een gedetailleerde becijfering te staven. Bovendien was de gecorrigeerde omzet niet gecertificeerd door een accountant en heeft verzoekster ter terechtzitting bevestigd, dat haar verklaring dienaangaande niet juist was. Bijgevolg mocht de Commissie de gecorrigeerde omzet buiten beschouwing laten en het bedrag van de geldboete vaststellen op basis van de aanvankelijk meegedeelde omzet.
382 Dit middel dient derhalve te worden afgewezen.
I - Het middel: onjuiste methode van berekening van de geldboete
Argumenten van partijen
383 Verzoekster verklaart, dat de Commissie tot het bedrag van de opgelegde geldboete is gekomen, door eerst de omzet tijdens het referentieboekjaar, dat wil zeggen het boekjaar 1990, om te rekenen in ecu door de gemiddelde wisselkoers van dat jaar te gebruiken, en vervolgens het bedrag van de geldboete te bepalen door een van tevoren gekozen - in haar geval 6 % - percentage toe te passen. Dusdoende heeft de Commissie geen rekening gehouden met de gevolgen van de schommelingen van de wisselkoersen, terwijl zowel de Spaanse peseta als de Italiaanse lire sedert 1990 sterk zijn gedevalueerd ten opzichte van de ecu en de andere Europese valuta. Verzoekster verklaart, dat zij thans in nationale valuta een bedrag van ongeveer 2 452 miljoen PTA zou moeten betalen voor de geldboete. Op basis van de gecertificeerde omzet (27 256 miljoen PTA) aan verkopen van karton binnen de Gemeenschap in 1990, zou een geldboete van 6 % van dit bedrag ongeveer 1 635 miljoen PTA moeten bedragen. De werkelijk opgelegde geldboete komt neer op een extra financiële last van 817 miljoen PTA. Uitgaande van de wisselkoers op het moment van bekendmaking van de beschikking, komt het bedrag van de geldboete in feite overeen met ongeveer 9 % van de omzet in 1990. Ofwel heeft de Commissie dus geen rekening gehouden met de verlaging van een derde, die zij evenwel had toegekend, ofwel komt de geldboete vóór deze verlaging overeen met ongeveer 13,4 % van de referentieomzet, waarbij zij de in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 vastgestelde wettelijke limiet van 10 % van de omzet te boven gaat.
384 Vervolgens stelt verzoekster, dat het tarief (percentage) van de geldboete een uitdrukking dient te zijn van de conclusie waartoe de Commissie is gekomen met betrekking tot het bedrag en dus het effect dat de geldboete moet hebben in relatie tot de omzet van de betrokken onderneming. Daaruit volgt, dat het bedrag van de geldboete moet worden vastgesteld op basis van de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk, en dat daarentegen factoren zoals de schommelingen van de wisselkoersen, die niets van doen hebben met de te bestraffen inbreuk en die niet kunnen worden toegerekend aan degene die deze inbreuk heeft gepleegd, het bedrag van de geldboete niet zouden mogen beïnvloeden. Verzoekster verwijst naar de conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn bij het arrest Musique Diffusion française e.a./Commissie (reeds aangehaald, Jurispr. blz. 1914), volgens welke bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten rekening moet worden gehouden met de meest recente omzet die het best de feitelijke situatie van de onderneming weergeeft.
385 Haars inziens wordt haar opvatting dat het bedrag van de geldboete niet mag worden beïnvloed door schommelingen van de wisselkoersen, bevestigd door het arrest van het Hof van 9 maart 1977, Société anonyme générale sucrière e.a./Commissie (41/73, 43/73 en 44/73 - uitlegging, Jurispr. blz. 445, punten 12-17). Wat dit arrest betreft, betwist zij in repliek het standpunt van de Commissie, dat dit arrest zou bevestigen dat indien de rekeneenheid (hierna: "RE"), waarom het destijds ging, een betaalmiddel was geweest, deze niet in nationale valuta had behoeven te worden omgerekend.
386 Verzoekster betoogt, dat de beschikking eveneens een ongerechtvaardigd verschil in behandeling teweegbrengt, aangezien de schommelingen tussen de valuta de verhouding tussen de verschillende opgelegde geldboeten volledig scheef trekt. Zij beklemtoont, dat de peseta tussen 1990 en 1994 met 22 % is gedevalueerd ten opzichte van de ecu, terwijl de Oostenrijkse, de Duitse en de Nederlandse valuta ten opzichte van de ecu met ongeveer 7,5 % zijn gerevalueerd. Zonder enige objectieve rechtvaardiging wordt verzoekster derhalve een geldboete opgelegd die voor haar ongeveer 30 % hogere kosten meebrengt dan de aan andere, in het bijzonder Duitse, ondernemingen opgelegde geldboeten.
387 Verzoekster concludeert, dat de Commissie in geen enkel opzicht verplicht is, het bedrag van de geldboete in ecu uit te drukken en dat zij het bedrag van de geldboete derhalve in nationale valuta had moeten uitdrukken om ongerechtvaardigde verschillen in behandeling te voorkomen. Gesteld al dat de Commissie bevoegd is, het bedrag van de geldboete in ecu uit te drukken, dan had zij in ieder geval de wisselkoers moeten gebruiken die een gelijke behandeling garandeert, dat wil zeggen de wisselkoers op het tijdstip waarop de geldboete wordt opgelegd (de dag van bekendmaking of kennisgeving van de beschikking).
388 De Commissie brengt in herinnering, dat zij ingevolge artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 geldboeten kan opleggen waarvan het bedrag kan "oplopen tot 10 % van de omzet in het voorafgaande boekjaar" van elk van de ondernemingen die aan de inbreuk heeft deelgenomen. Dit op de totale omzet toegepaste percentage van 10 % is het maximum van de geldboete (arrest Hof van 8 februari 1990, Tipp-Ex/Commissie, C-279/87, Jurispr. blz. I-261, summiere publicatie, punten 38 e.v.). Bijgevolg is de Commissie, die de geldboete heeft vastgesteld op basis van het boekjaar 1990, het laatste volledige boekjaar gedurende hetwelk het kartel opereerde, en alle omzetten in ecu heeft omgerekend op basis van de gemiddelde wisselkoers van dat jaar, binnen de bij verordening nr. 17 vastgestelde grenzen gebleven.
389 De omrekening in ecu op basis van de gemiddelde wisselkoers van het referentiejaar levert de werkelijke omzet in ecu op, juist om elke discriminatie tussen de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, als gevolg van de schommelingen van de nationale valuta van de verschillende lidstaten te voorkomen. Verzoeksters standpunt wordt niet bevestigd door het arrest Société anonyme générale sucrière e.a./Commissie (reeds aangehaald). Uit dit arrest blijkt duidelijk, dat het slechts de vraag betrof, of de geldboete al dan niet in nationale valuta moest worden uitgedrukt, omdat de RE geen betaalmiddel was.
390 Wat de beweerde discriminerende gevolgen van de toegepaste methode betreft, beklemtoont de Commissie, dat het risico van valutaschommelingen inherent is aan de handel en het internationale handelsverkeer. Dit is een factor die niet kan worden uitgeschakeld en die hoe dan ook zijn weerslag op het bedrag van de geldboete heeft op het tijdstip van betaling. Juist door de cijfers die de omzet uitdrukken, in ecu om te rekenen, wordt elke discriminatie zo veel mogelijk uitgeschakeld. Met deze methode wordt de geldboete in "reële" termen berekend. Wordt de geldboete in nationale valuta opgelegd, dan wordt zij uiteindelijk slechts een nominale geldboete en worden, zoals verzoeksters berekeningen aantonen, de ondernemingen bevoordeeld wier omzet in zwakke valuta wordt uitgedrukt. Opgemerkt zij evenwel, dat de waarde van de ecu wordt bepaald op basis van de waarde van elke nationale munteenheid en dat, aangezien de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, in verschillende lidstaten en in verschillende nationale munteenheden opereren, de omrekening in ecu een doeltreffende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling oplevert.
391 Tegen verzoeksters argument, dat in ieder geval de wisselkoers op het tijdstip van de oplegging van de geldboete had moeten worden gebruikt, brengt de Commissie in, dat de omzet van het referentiejaar een reële waarde had op basis van de destijds geldende wisselkoers en niet op basis van de latere wisselkoers die gold op het tijdstip van vaststelling van de beschikking.
Beoordeling door het Gerecht
392 Artikel 4 van de beschikking bepaalt, dat de opgelegde geldboeten in ecu moeten worden betaald.
393 Opgemerkt zij, dat niets de Commissie belet, het bedrag van de geldboete uit te drukken in ecu, een monetaire eenheid die in nationale munteenheden kan worden omgerekend. Dit stelt overigens de ondernemingen beter in staat om de bedragen van de opgelegde geldboeten te vergelijken. Bovendien onderscheidt de mogelijke omrekening van de ecu in nationale munteenheid deze monetaire eenheid van de "rekeneenheid", bedoeld in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, waarvan het Hof uitdrukkelijk heeft erkend dat het geen betalingseenheid was, zodat het bedrag van de geldboete noodzakelijkerwijze in nationale valuta moest worden vastgesteld (arrest Société anonyme générale sucrière e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 15).
394 Wat de wettigheid van de methode van de Commissie betreft, waarbij de referentieomzet van de ondernemingen is omgerekend tegen de gemiddelde wisselkoers van datzelfde jaar (1990), kan verzoeksters kritiek niet worden aanvaard.
395 Om te beginnen moet de Commissie normaliter één zelfde berekeningsmethode gebruiken voor de geldboeten die worden opgelegd aan ondernemingen die worden bestraft wegens deelneming aan eenzelfde inbreuk (zie arrest Musique Diffusion française e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 122).
396 Vervolgens moet de Commissie om de verschillende meegedeelde, in de respectieve nationale valuta van de betrokken ondernemingen uitgedrukte omzetcijfers te kunnen vergelijken, deze omzetten in één zelfde munteenheid omrekenen. Aangezien de waarde van de ecu wordt bepaald op basis van de waarde van elke nationale munteenheid van de lidstaten, heeft de Commissie de omzet van elk der ondernemingen terecht in ecu omgerekend.
397 Ook heeft zij zich terecht gebaseerd op de omzet van het referentiejaar (1990) en deze omzet in ecu omgerekend op basis van de gemiddelde wisselkoersen van dat jaar. Enerzijds heeft de Commissie, door uit te gaan van de omzet die elk der ondernemingen heeft behaald in de loop van het referentiejaar, dat wil zeggen het laatste volledige jaar van de in aanmerking genomen periode van de inbreuk, de omvang en de economische macht van elke onderneming alsmede de omvang van de door elk van hen gepleegde inbreuk kunnen beoordelen, aangezien deze factoren relevant zijn voor de beoordeling van de zwaarte van de door elke onderneming gepleegde inbreuk (zie arrest Musique Diffusion française e.a./Commissie, reeds aangehaald, punten 120 et 121). Anderzijds heeft de Commissie, door voor de omrekening van de betrokken omzetten in ecu uit te gaan van de gemiddelde wisselkoersen van het aangehouden referentiejaar, kunnen voorkomen dat eventuele valutaschommelingen sedert de beëindiging van de inbreuk invloed hebben op de beoordeling van de relatieve omvang en economische macht van de ondernemingen, alsmede van de omvang van de door elk van hen gepleegde inbreuk en derhalve op de beoordeling van de zwaarte van deze inbreuk. De beoordeling van de zwaarte van de inbreuk dient namelijk betrekking te hebben op de economische realiteit zoals deze was op het tijdstip waarop deze inbreuk werd gepleegd.
398 Bijgevolg kan het argument dat de omzet van het referentiejaar in ecu had moeten worden omgerekend op basis van de wisselkoers op het tijdstip van vaststelling van de beschikking, niet worden aanvaard. Met de methode van berekening van de geldboete, waarbij de gemiddelde wisselkoers van het referentiejaar wordt gebruikt, kunnen de willekeurige effecten van de wijzigingen van de reële waarde van de nationale munteenheden worden voorkomen, die tussen het referentiejaar en het jaar van vaststelling van de beschikking kunnen optreden en in casu ook inderdaad zijn opgetreden. Zo deze methode kan betekenen, dat een bepaalde onderneming een bedrag moet betalen dat in nationale munteenheid uitgedrukt nominaal hoger of lager is dan het bedrag dat zij had moeten betalen ingeval de wisselkoers van de datum van vaststelling van de beschikking werd toegepast, is dit slechts de logische consequentie van de schommelingen van de reële waarde van de verschillende nationale munteenheden.
399 Daaraan dient te worden toegevoegd, dat meerdere ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, kartonfabrieken in meer dan één land bezitten (zie punten 7, 8 en 11 van de considerans van de beschikking). Bovendien oefenen de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, in de regel hun activiteiten in meer dan één lidstaat uit door middel van plaatselijke vertegenwoordigers. Bijgevolg opereren zij in verschillende nationale deviezen. Verzoekster zelf behaalt een groot gedeelte van haar omzet op exportmarkten. Wanneer bij een beschikking, zoals de onderhavige beschikking, een sanctie wordt opgelegd voor overeenkomsten en/of onderling afgestemde gedragingen die een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag opleveren en de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, in het algemeen hun activiteiten in meerdere lidstaten uitoefenen, wordt de omzet van het referentiejaar, die in ecu wordt omgerekend tegen de gedurende dat jaar gebruikte gemiddelde wisselkoers, gevormd door de som van de omzetten die is behaald in elk van de landen waarin de onderneming actief is. Dit omzetcijfer geeft dus perfect de werkelijke economische situatie van de betrokken ondernemingen in de loop van het referentiejaar weer.
400 Ten slotte moet worden onderzocht of, zoals verzoekster stelt, het bij artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 gestelde plafond, namelijk "10 % van de omzet in het voorafgaande boekjaar", is overschreden als gevolg van de na het referentiejaar opgetreden schommelingen in de wisselkoersen.
401 Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof heeft het in deze bepaling genoemde percentage betrekking op de totale omzet van de betrokken onderneming (arrest Musique Diffusion française e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 119).
402 "Het voorafgaande boekjaar" in de zin van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 is het boekjaar voorafgaande aan de datum van de beschikking, in casu het laatste volledige boekjaar van elk van de betrokken ondernemingen op 13 juli 1994.
403 Gelet op deze overwegingen, dient op grond van de door verzoekster in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht verstrekte inlichtingen te worden vastgesteld, dat het bedrag van de geldboete, in nationale valuta omgerekend tegen de wisselkoers die gold op het moment van de bekendmaking van de beschikking, 10 % van de totale omzet van verzoekster in 1993 niet te boven gaat.
404 Gelet op het voorgaande, dient dit middel te worden afgewezen.
J - Het middel: onjuiste berekening van het aandeel van de geldboete dat correspondeert met de aan Prat Carton toegerekende inbreuk, en schending van de motiveringsplicht dienaangaande
Argumenten van partijen
405 Verzoekster betoogt, dat de Commissie het aandeel van de geldboete dat correspondeert met de inbreuk die door Prat Carton zou zijn gepleegd, onjuist heeft berekend, door hetzelfde percentage van de omzet aan te houden als voor verzoekster was bepaald, namelijk 9 %, verlaagd met een derde wegens de medewerking van de onderneming tijdens het onderzoek van de zaak. De beperkte deelneming van Prat Carton aan de vergaderingen van het JMC van juni 1990 tot maart 1991 en het feit dat zij niet een van de "kopstukken" was, had reden moeten zijn om het bedrag van de geldboete te verlagen.
406 Ten slotte oefent verzoekster kritiek op het volstrekte gebrek aan transparantie en het ontbreken van motivering betreffende de berekening van het aandeel van de geldboete dat correspondeert van de aan Prat Carton toegerekende inbreuk.
407 De Commissie herinnert eraan dat, zoals in punt 154 van de considerans van de beschikking is gepreciseerd, verzoekster, die Prat Carton in februari 1991 heeft overgenomen, voor de gehele periode waarin deze laatste bij het kartel betrokken was, verantwoordelijk is voor haar mededingingsverstorend gedrag. Aangezien bij de beschikking aan verzoekster één enkele geldboete is opgelegd, die is berekend op basis van haar totale omzet voor karton, welke dus ook de omzet van Prat Carton omvatte, bestond er geen aanleiding om voor de gedraging van deze onderneming een afzonderlijke geldboete op te leggen. Volgens de Commissie stuit verzoeksters betoog derhalve af op het feit dat enkel aan verzoekster een geldboete is opgelegd.
408 Bijgevolg dient eveneens elke beschuldiging betreffende een gebrek aan transparantie of een onsamenhangende motivering van de beschikking dienaangaande te worden afgewezen.
Beoordeling door het Gerecht
409 Volgens de door de Commissie verstrekte uitleg komt de aan verzoekster opgelegde geldboete overeen met 6 % van de som van de omzet die in 1990 door verzoekster en Prat Carton is behaald (9 % voor de "kopstukken", verlaagd met een derde wegens de als coöperatief beschouwde houding van verzoekster). Zelfs indien in een dergelijk geval een omstandiger motivering van de toegepaste berekeningsmethode in de beschikking wenselijk is, moet verzoeksters argument betreffende een schending van artikel 190 van het Verdrag om de reeds uiteengezette redenen (zie punten 351-353 supra) worden afgewezen.
410 Vervolgens zij eraan herinnerd (zie punt 250 supra), dat de Commissie de deelneming van Prat Carton aan een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen en aan een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand van juni 1990 tot februari 1991 heeft bewezen. Daarentegen is daarbij in aanmerking genomen, dat de Commissie niet de deelneming van Prat Carton aan een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen gedurende dezelfde periode, noch haar deelneming tussen medio 1986 en juni 1990 aan een van de in artikel 1 van de beschikking beschreven bestanddelen van de inbreuk genoegzaam heeft bewezen.
411 In aanmerking genomen dat Prat Carton slechts aan bepaalde bestanddelen van de inbreuk heeft deelgenomen en ook nog gedurende een beperktere periode dan door de Commissie in aanmerking is genomen, dient het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete te worden verlaagd.
412 Aangezien in casu geen van de andere door verzoekster aangevoerde middelen grond oplevert voor een verlaging van de geldboete, zal het Gerecht in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht het bedrag van deze geldboete vaststellen op 14 000 000 ECU.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
413 Volgens artikel 87, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Aangezien het beroep slechts gedeeltelijk is toegewezen, zal het Gerecht de omstandigheden van de zaak billijk beoordelen, wanneer het beslist dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen, alsmede de helft van de kosten van de Commissie, die de andere helft van haar eigen kosten zal dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer - uitgebreid),
rechtdoende:
1) Verklaart artikel 2, eerste tot en met vierde alinea, van beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton) nietig wat verzoekster betreft, behalve de navolgende passages:
"De in artikel 1 vermelde ondernemingen dienen onverwijld aan de genoemde inbreuk een einde te maken, voor zover zij zulks niet reeds hebben gedaan. Zij dienen zich voortaan met betrekking tot hun kartonactiviteiten te onthouden van elke overeenstemming of onderling afgestemde feitelijke gedraging die hetzelfde of een gelijksoortig doel of gevolg kan hebben, met inbegrip van elke uitwisseling van commerciële informatie,
a) waardoor de deelnemers rechtstreeks of onrechtstreeks in kennis worden gesteld van de productie, verkoop, orderportefeuille, bezettingsgraden, verkoopprijzen, kosten of afzetplannen van andere individuele producenten.
Elke regeling voor de uitwisseling van algemene informatie waaraan zij deelnemen, zoals het Fides-stelsel of de opvolger daarvan, dient zodanig te worden gehanteerd dat inlichtingen worden uitgesloten waaruit het gedrag van individuele producenten kan worden afgeleid."
2) Bepaalt het bedrag van de bij artikel 3 van beschikking 94/601 aan verzoekster opgelegde geldboete op 14 000 000 ECU.
3) Verwerpt het beroep voor het overige.
4) Verwijst verzoekster in haar eigen kosten, alsmede in de helft van de kosten van de Commissie.
5) Verstaat, dat de Commissie de helft van haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy