Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Mededinging - Geldboeten - Hoofdelijke aansprakelijkheid voor betaling - Voorwaarden
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
Samenvatting
In artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 wordt niet uitdrukkelijk verklaard, of een onderneming die niet rechtstreeks en formeel aansprakelijk wordt gesteld voor de door de Commissie vastgestelde onrechtmatige daad, tezamen met een andere onderneming, die de vastgestelde onrechtmatige daad heeft gepleegd en aan wie daarvoor een sanctie is opgelegd, hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de betaling van een aan deze laatste opgelegde geldboete.
Deze bepaling moet evenwel aldus worden uitgelegd, dat een onderneming tezamen met een andere onderneming die opzettelijk of uit nalatigheid inbreuk heeft gemaakt, voor de betaling van een aan deze laatste onderneming opgelegde geldboete hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld, mits de Commissie in de desbetreffende handeling zelf aantoont, dat zij deze inbreuk ook had kunnen vaststellen ten aanzien van de onderneming die hoofdelijk aansprakelijk is voor de geldboete. Dit kan het geval zijn wanneer tussen de betrokken ondernemingen zodanige economische en juridische betrekkingen bestaan, dat de onderneming die rechtstreeks en formeel aansprakelijk wordt gesteld voor de inbreuk, omdat zij het betrokken product verkoopt ten gunste van de ondernemingen die hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling van de geldboete, slechts als hulporgaan van elk van hen heeft gehandeld, alsmede wanneer de onderneming die aansprakelijk is gesteld voor de inbreuk, zich aan de instructies van deze laatste ondernemingen diende te houden en een van elk van hen onafhankelijk gedrag op de markt onmogelijk was.
Partijen
In de gevoegde zaken T-339/94, T-340/94, T-341/94 en T-342/94,
Metsä-Serla Oy, vennootschap naar Fins recht, gevestigd te Helsinki,
United Paper Mills Ltd, vennootschap naar Fins recht, gevestigd te Valkeakoski (Finland),
Tampella Corporation, vennootschap naar Fins recht, gevestigd te Tampere (Finland),
Oy Kyro AB, vennootschap naar Fins recht, gevestigd te Kyröskoski (Finland),
aanvankelijk vertegenwoordigd door H. Hellmann en H.-J. Voges, advocaten te Keulen, vervolgens door H. Hellmann en H.-J. Hellmann, advocaat te Karlsruhe, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Loesch en Wolter, advocaten aldaar, Rue Goethe 11
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door B. Langeheine en R. Lyal, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, vervolgens door R. Lyal, bijgestaan door D. Schroeder, advocaat te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton, PB L 243, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Derde kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, president, C. P. Briët, P. Lindh, A. Potocki en J. D. Cooke, rechters,
griffier: J. Palacio González
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 25 juni 1997-8 juli 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Feiten
1 De onderhavige zaken hebben betrekking op beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton) (PB L 243, blz. 1), zoals gerectificeerd bij beschikking van de Commissie van 26 juli 1994 [C(94) 2135 def.] (hierna: "beschikking"). Bij de beschikking is aan negentien producenten die in de Gemeenschap karton leveren, een geldboete opgelegd wegens inbreuken op artikel 85, lid 1, EG-Verdrag.
2 Bij schrijven van 22 november 1990 diende de British Printing Industries Federation, een branchevereniging die de meerderheid van de kartonbedrukkers in het Verenigd Koninkrijk vertegenwoordigt (hierna: "BPIF"), bij de Commissie een informele klacht in. Daarin stelde zij, dat de kartonproducenten die in het Verenigd Koninkrijk leverden, een reeks gelijktijdige en uniforme prijsstijgingen hadden doorgevoerd, en verzocht zij de Commissie, te onderzoeken of eventueel inbreuk werd gemaakt op de communautaire mededingingsregels. Om ervoor te zorgen dat haar initiatief publiciteit kreeg, bracht de BPIF een perscommuniqué uit. Over de inhoud van dit communiqué is in de gespecialiseerde vakpers bericht in een nieuwsbrief van december 1990.
3 Op 12 december 1990 diende ook de Fédération française du cartonnage bij de Commissie een informele klacht in, waarin in soortgelijke bewoordingen als in de klacht van de BPIF beschuldigingen werden geuit betreffende de Franse kartonmarkt.
4 Op 23 en 24 april 1991 voerden ambtenaren van de Commissie krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 13, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17"), tegelijkertijd en onaangekondigd verificaties uit bij verscheidene ondernemingen en brancheverenigingen in de bedrijfstak karton.
5 Na die verificaties zond de Commissie uit hoofde van artikel 11 van verordening nr. 17 verzoeken om inlichtingen en om overlegging van documenten aan alle producenten tot wie de beschikking is gericht.
6 Op basis van het in het kader van die verificaties en die verzoeken om inlichtingen en documenten verkregen materiaal kwam de Commissie tot de conclusie, dat de betrokken ondernemingen vanaf medio 1986 tot ten minste april 1991 (in het merendeel der gevallen) hadden deelgenomen aan een inbreuk in de zin van artikel 85 van het Verdrag.
7 Zij besloot derhalve, een procedure krachtens dit laatste artikel in te leiden en deed elk van de betrokken ondernemingen bij brief van 21 december 1992 een mededeling van de punten van bezwaar toekomen. Alle geadresseerden gaven schriftelijk antwoord en negen ondernemingen verzochten mondeling te worden gehoord. Van 7 tot en met 9 juni 1993 werd een hoorzitting gehouden, tijdens welke deze laatsten werden gehoord.
8 Aan het einde van die procedure stelde de Commissie de beschikking vast, die de navolgende bepalingen bevat:
"Artikel 1
Buchmann GmbH, Cascades SA, Enso-Gutzeit Oy, Europa Carton AG, Finnboard-the Finnish Board Mills Association, Fiskeby Board AB, Gruber & Weber GmbH & Co KG, Kartonfabriek $De Eendracht' NV (handelende onder de naam $BPB de Eendracht'), NV Koninklijke KNP BT NV (voorheen Koninklijke Nederlandse Papierfabrieken NV), Laakmann Karton GmbH & Co KG, Mo Och Domsjö AB (MoDo), Mayr-Melnhof Gesellschaft mbH, Papeteries de Lancey SA, Rena Kartonfabrik A/S, Sarrió SpA, SCA Holding Ltd [voorheen Reed Paper & Board (UK) Ltd], Stora Kopparbergs Bergslags AB, Tampella Española SA en Moritz J. Weig GmbH & Co KG hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EG-Verdrag door hun deelname,
- in het geval van Buchmann en Rena, vanaf ongeveer maart 1988 tot ten minste eind 1990;
- in het geval van Enso Española, minstens van maart 1988 tot ten minste eind april 1991;
- in het geval van Gruber & Weber, vanaf ten minste 1988 tot eind 1990;
- in de andere gevallen, vanaf medio 1986 tot ten minste april 1991,
aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging die van medio [1986] stammen en waarbij de kartonleveranciers in de Gemeenschap:
- regelmatig in een reeks geheime en geïnstitutionaliseerde vergaderingen bijeenkwamen met het oog op het bespreken van en het bereiken van overeenstemming over een gemeenschappelijk beleid in de bedrijfstak ter beperking van de mededinging;
- voor elke productkwaliteit in elke nationale valuta regelmatige prijsverhogingen overeenkwamen;
- gelijktijdige en uniforme prijsverhogingen in de gehele Gemeenschap planden en ten uitvoer legden;
- een afspraak maakten over handhaving van de marktaandelen van de grote producenten op vaste niveaus die van tijd tot tijd konden worden gewijzigd;
- in toenemende mate vanaf vooraan in 1990 ter beheersing van het aanbod van het product in de Gemeenschap onderling afgestemde maatregelen namen teneinde de tenuitvoerlegging van de genoemde onderling afgestemde prijsverhogingen te waarborgen;
- ter ondersteuning van de bovengenoemde maatregelen, commerciële informatie uitwisselden over leveringen, prijzen, machinestilstand, orderportefeuilles en bezettingsgraden.
(...)
Artikel 3
De hierna vermelde ondernemingen worden met betrekking tot de in artikel 1 vastgestelde inbreuk de volgende geldboeten opgelegd:
(...)
v) Finnboard-the Finnish Board Mills Association, een geldboete van 20 000 000 ECU, waarvoor Oy Kyro AB met Finnboard hoofdelijk aansprakelijk is voor de som van 3 000 000 ECU, Metsä-Serla Oy voor de som van 7 000 000 ECU, Tampella Corp. voor de som van 5 000 000 ECU en United Paper Mills Ltd voor de som van 5 000 000 ECU;
(...)"
9 Verzoeksters, tot wie de beschikking is gericht, zijn Finse kartonproducenten. Zij verkopen hun producten in de Gemeenschap alsmede op andere markten via Finnish Board Mills Association - Finnboard (hierna: "Finnboard"). Finnboard is een handelsvereniging naar Fins recht waarbij in 1991 zes ondernemingen waren aangesloten, waaronder verzoeksters.
10 Uit punt 174 van de considerans van de beschikking blijkt, dat de Commissie aan Finnboard een geldboete heeft opgelegd, aangezien zij en niet de verzoekende vennootschappen actief en rechtstreeks aan het kartel had deelgenomen. Zij heeft evenwel de verzoekende vennootschappen tezamen met Finnboard hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van het gedeelte van de geldboete dat ongeveer in verhouding staat tot de door Finnboard voor rekening van elk van hen verrichte kartonverkopen.
Procesverloop
11 Bij op 14 oktober 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften hebben verzoeksters Metsä-Serla Oy, United Paper Mills Ltd, Tampella Corporation en Oy Kyro AB beroep ingesteld. Deze beroepen zijn ingeschreven onder de nummers T-339/94, T-340/94, T-341/94 en T-342/94.
12 Bij beschikking van de president van de Tweede kamer - uitgebreid van het Gerecht van 30 maart 1995 zijn de vier zaken gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling, alsmede voor het arrest.
13 Bij beslissing van het Gerecht van 19 september 1995 is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Derde kamer - uitgebreid, waaraan de zaak bijgevolg is toegewezen.
14 Tegen de beschikking zijn zeventien andere beroepen (zaken T-295/94, T-301/94, T-304/94, T-308/94, T-309/94, T-310/94, T-311/94, T-317/94, T-319/94, T-327/94, T-334/94, T-337/94, T-338/94, T-347/94, T-348/94, T-352/94 en T-354/94) ingesteld door alle andere ondernemingen tot wie de beschikking was gericht, behalve door Rena Kartonfabrik AS en Papeteries de Lancey SA. Verzoekster in zaak T-301/94, Laakmann Karton GmbH, heeft haar beroep bij op 10 juni 1996 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief ingetrokken en bij beschikking van 18 juli 1996, Laakmann Karton/Commissie (T-301/94, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), is de zaak doorgehaald in het register van het Gerecht.
15 Ten slotte is beroep ingesteld door de vereniging CEPI-Cartonboard, tot wie de beschikking niet is gericht. Bij op 8 januari 1997 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief heeft zij haar beroep evenwel ingetrokken en bij beschikking van 6 maart 1997, CEPI-Cartonboard/Commissie (T-312/94, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), is de zaak doorgehaald in het register van het Gerecht.
16 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer - uitgebreid) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het maatregelen tot organisatie van de procesgang genomen, waarbij het partijen heeft verzocht, een aantal schriftelijke vragen te beantwoorden en bepaalde documenten over te leggen. Partijen hebben aan deze verzoeken voldaan.
17 De partijen zijn in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 8 juli 1997.
Conclusies van partijen
18 Verzoeksters concluderen, dat het het Gerecht behage:
- de beschikking nietig te verklaren, voor zover zij op hen betrekking heeft;
- subsidiair, de geldboete te verlagen;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
19 De Commissie concludeert, dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoeksters te verwijzen in de kosten.
Voorwerp van het geding
20 Onderhavige beroepen hebben slechts betrekking op artikel 3, sub v, van de beschikking, volgens hetwelk verzoeksters tezamen met Finnboard hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling van de aan haar opgelegde geldboete van 20 miljoen ECU tot een bedrag van respectievelijk 7 miljoen ECU (Metsä-Serla Oy), 5 miljoen ECU (United Paper Mills Ltd), 5 miljoen ECU (Tampella Corporation) en 3 miljoen ECU (Oy Kyro AB).
De vordering tot nietigverklaring van de beschikking
Het enige middel: schending van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en van artikel 85, lid 1, van het Verdrag
Argumenten van partijen
21 Verzoeksters betogen, dat artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 de Commissie niet de bevoegdheid verleent om een beschikking vast te stellen waarbij een onderneming aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van een geldboete die aan een andere onderneming is opgelegd. Ingevolge deze bepaling kan enkel een geldboete worden opgelegd aan ondernemingen die zelf inbreuk op de mededingingsregels hebben gemaakt. De Commissie stelt in artikel 1 van de beschikking evenwel definitief vast, dat verzoeksters geen inbreuk op artikel 85 van het Verdrag hebben gemaakt. Bovendien wordt de inbreuk op dit artikel die door Finnboard zou zijn gepleegd, hun in de beschikking niet toegerekend.
22 In casu is de Commissie uitgegaan van een aansprakelijkheid voor daden van een ander, die zich onderscheidt van de aansprakelijkheid voor eigen daden. In tegenstelling tot de laatste aansprakelijkheid is de aansprakelijk voor daden van een ander slechts een afgeleide aansprakelijkheid.
23 De Commissie heeft ongelijk, wanneer zij stelt, dat zij niet behoeft vast te stellen dat verzoeksters inbreuk op de mededingingsregels hebben gemaakt om hen tezamen met Finnboard hoofdelijk aansprakelijk te kunnen stellen voor de betaling van de geldboete. Het beginsel van wetmatig bestuur (zie arrest Hof van 22 maart 1961, Snupta/Hoge Autoriteit, 42/59 en 49/59, Jurispr. blz. 103) en het beginsel van rechtszekerheid vereisen namelijk, dat de Commissie haar beschikking geeft op basis van een bevoegdheidsverlening. De bewering van de Commissie dat zij ook aan verzoeksters een geldboete had kunnen opleggen, is overigens in tegenspraak met haar eigen vaststelling in punt 174 van de considerans van de beschikking.
24 Verzoeksters betwisten eveneens, dat de Commissie hen wegens het bestaan van een economische eenheid hoofdelijk aansprakelijk kan stellen voor de betaling van de geldboete.
25 In de eerste plaats kan, in tegenstelling tot hetgeen de Commissie in de beschikking verklaart, het arrest van het Hof van 6 maart 1974, Istituto Chemioterapico Italiano en Commercial Solvents/Commissie (6/73 en 7/73, Jurispr. blz. 223) niet op onderhavige zaak worden getransponeerd. In die zaak had het Hof erkend, dat de moedermaatschappij en haar dochtermaatschappij gezamenlijk inbreuk op de mededingingsregels hadden gemaakt en dat zij om die reden hoofdelijk aansprakelijk waren voor de inbreuk. Bijgevolg was aan elk van de ondernemingen een geldboete opgelegd (zie eveneens arrest Hof van 14 juli 1972, ICI/Commissie, 48/69, Jurispr. blz. 619). In casu heeft de Commissie evenwel niet aangenomen dat Finnboard tezamen met bepaalde of zelfs alle bij haar aangesloten ondernemingen een economische eenheid in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag vormde. De relevante rechtspraak betreffende concerns heeft overigens betrekking op de toerekenbaarheid van marktgedrag binnen het concern, waarvoor een "hiërarchische" structuur en het nastreven van hetzelfde economische doel kenmerkend is.
26 In de tweede plaats is de opvatting dat elk van de verzoeksters met Finnboard een economische eenheid vormt, ongefundeerd. Verzoeksters controleren Finnboard niet en kunnen haar ook niet controleren. De bij haar aangesloten ondernemingen nemen niet deel in het kapitaal van Finnboard en zijn niet als zodanig in de "Board of Directors" vertegenwoordigd, waarvan de leden door alle aangesloten ondernemingen worden gekozen; ten slotte stelt de "Board of Directors" weliswaar algemene richtlijnen vast, doch hij is niet bevoegd om de "managing director" van Finnboard specifieke instructies te geven. Verzoeksters herinneren eraan, dat het ontbreken van een controle- of instructiebevoegdheid door de rechtspraak van belang wordt geacht (zie arrest ICI/Commissie, reeds aangehaald).
27 In antwoord op de argumenten van de Commissie voegen zij daaraan toe, dat Finnboard haar exploitatiekosten zelf met de inkomsten uit de commissionairsovereenkomsten bestrijdt en dat deze kosten, in tegenstelling tot hetgeen de Commissie verklaart, niet door de aangesloten ondernemingen worden gedekt.
28 Ten slotte betwisten zij dat de Commissie haar beschikking kan rechtvaardigen door te stellen dat Finnboard als "alter ego en in het belang" van verzoeksters heeft gehandeld. Met een beroep op het arrest van het Hof van 12 juli 1984, Hydrotherm (170/83, Jurispr. blz. 2999) betogen zij, dat identieke belangen, zo deze al bestaan - quod non -, nog niet de conclusie rechtvaardigen dat zij en Finnboard een economische eenheid vormen (arrest Istituto Chemioterapico Italiano en Commercial Solvents/Commissie, reeds aangehaald, en arrest Gerecht van 12 januari 1995, Viho/Commissie, T-102/92, Jurispr. blz. II-17, met name punten 48-50). Elk van de bij Finnboard aangesloten ondernemingen streeft een eigen economisch doel na, dat niet kan worden gelijkgesteld met het door Finnboard nagestreefde doel.
29 Volgens hen kan geen sprake zijn van een aansprakelijkheid uit hoofde van zaakwaarneming, aangezien hiermee niet aan de voorwaarden van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 zou worden voldaan, omdat deze bepaling verlangt, dat de adressaten van de beschikking de inbreuk als dader of mededader hebben gepleegd. Zelfs indien Finnboard in het vermeende belang van de bij haar aangesloten ondernemingen aan een kartel had deelgenomen, werden zij zelf daardoor niet lid van het kartel.
30 Ten slotte kunnen noch de vrees dat Finnboard de geldboete niet zal betalen, noch opportuniteitsoverwegingen (zie punt 174 van de considerans van de beschikking) rechtvaardigen, dat de Commissie de ondernemingen hoofdelijk aansprakelijk stelt.
31 Volgens de Commissie is de geldboete terecht op artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 gebaseerd, aangezien deze bepaling als rechtsgrondslag volstaat om verzoeksters hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van de aan Finnboard opgelegde geldboete.
32 Verzoeksters beschikten niet over verkoopafdelingen voor de afzet van hun producten. De producten werden derhalve uitsluitend via Finnboard verkocht. De verkoopcontracten voor de betrokken producten werden tussen de kopers en Finnboard gesloten, de facturering aan de afnemer geschiedde in opdracht van de betrokken producent en het eigendomsrecht ging rechtstreeks van het bij Finnboard aangesloten lid over op de afnemer. Voor elk product was het prijsbeleid door de aangesloten ondernemingen in het kader van Finnboard bepaald.
33 Finnboard moest zich bovendien aan de door verzoeksters gegeven instructies betreffende de hoeveelheden en de prijzen van hun door haar verkochte producten houden. Hoewel zij binnen bepaalde grenzen over de prijzen en de verkoopvoorwaarden kon onderhandelen, kwam deze situatie overeen met de taakverdeling tussen de verkoopafdeling en de bedrijfsleiding van één zelfde onderneming. Verzoeksters hadden de verkoop van hun gehele productie aan Finnboard opgedragen, zodat zij als hulporgaan van elk van verzoeksters kon worden beschouwd (zie dienaangaande arrest Hof van 16 december 1975, Suiker Unie e.a./Commissie, 40/73-48/73, 50/73, 54/73, 55/73, 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Jurispr. blz. 1663).
34 De aangesloten leden waren in staat de activiteiten van Finnboard te controleren, zodat zij haar gedrag op de markt niet zelfstandig had kunnen bepalen. Niet alleen gaven de aangesloten leden instructies betreffende de verkoop van hun producten, doch zij hadden eveneens hun eigen vertegenwoordiger in de "Board of Directors" van Finnboard. Het is overigens volstrekt ondenkbaar dat verzoeksters hun productie aan een organisatie zouden hebben toevertrouwd die zij niet controleerden en die naar eigen goeddunken de prijzen en verkoopvoorwaarden kon vaststellen zonder instructies van hen te ontvangen. Bovendien werden de exploitatiekosten door de aangesloten leden gedragen.
35 Onder deze omstandigheden vormde Finnboard, gelet op het feit dat zij voor rekening van verzoeksters optrad, met elk van de verzoekende vennootschappen met betrekking tot hun verkopen een economische eenheid.
36 Deze beoordeling wordt bevestigd door de eenheid van marktgedrag van Finnboard en verzoeksters (zie arrest Viho/Commissie, reeds aangehaald, punt 50). Het is ondenkbaar dat Finnboard bij de verkoop van verzoeksters' producten niet in hun belang heeft gehandeld. Zoals in de beschikking wordt vastgesteld, trad zij namelijk op als hun "alter ego".
37 Hoewel verzoeksters en Finnboard over een eigen rechtspersoonlijkheid beschikken, kan het aan Finnboard ten laste gelegde gedrag overeenkomstig de rechtspraak aan elke verzoekster afzonderlijk worden toegerekend (zie de reeds aangehaalde arresten ICI/Commissie, punt 132 e.v., en Istituto Chemioterapico Italiano en Commercial Solvents/Commissie, punt 36 e.v., arrest Gerecht van 10 maart 1992, SIV e.a./Commissie, T-68/89, T-77/89 en T-78/89, Jurispr. blz. II-1403, punt 357, en arrest Viho/Commissie, reeds aangehaald, punt 47).
38 Aangezien, omdat er sprake was van een economische eenheid in de zin van de rechtspraak, een beschikking had kunnen worden vastgesteld waarbij aan elk van de verzoeksters een geldboete was opgelegd, moest zeker een hoofdelijke aansprakelijkstelling mogelijk zijn. In artikel 1 van de beschikking behoefde niet uitdrukkelijk te worden vastgesteld dat verzoeksters een inbreuk hadden gepleegd, omdat het gedrag van Finnboard aan verzoeksters kon worden toegerekend. Het is dus onjuist om te stellen dat de Commissie van een aansprakelijkheid voor daden van een ander is uitgegaan.
39 In casu moeten de beginselen die voortvloeien uit de rechtspraak welke in het kader van concerns is ontwikkeld met betrekking tot moedermaatschappijen en dochtermaatschappijen, worden toegepast, omdat anders de betrokken ondernemingen gewoonweg door juridisch zelfstandige verkoopmaatschappijen op te richten van welks gedragingen zij zich zouden distantiëren, ofschoon deze maatschappijen op basis van hun instructies handelen, zich aan de mededingingsregels zouden kunnen onttrekken.
40 Ten slotte zijn verzoeksters, die een mededeling van de punten van bezwaar hebben ontvangen waarin de Commissie haar voornemen aankondigde om hen hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de geldboete, door de handelwijze van de Commissie geen rechten ontnomen.
Beoordeling door het Gerecht
41 Artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 luidt:
"Wanneer ondernemingen of ondernemersverenigingen opzettelijk of uit onachtzaamheid:
a) inbreuk maken op artikel 85, lid 1, (...) van het Verdrag,
(...)
kan de Commissie bij beschikking aan deze ondernemingen of ondernemersverenigingen geldboeten opleggen van ten minste duizend en ten hoogste één miljoen rekeneenheden, of tot een bedrag van ten hoogste tien procent van de omzet van elk der betrokken ondernemingen in het voorafgaande boekjaar, indien bedoeld bedrag hoger is dan één miljoen rekeneenheden."
42 In deze bepaling wordt niet uitdrukkelijk verklaard, of een onderneming die niet rechtstreeks en formeel aansprakelijk wordt gesteld voor de door de Commissie vastgestelde onrechtmatige daad, tezamen met een andere onderneming, die de vastgestelde onrechtmatige daad heeft gepleegd en aan wie daarvoor een sanctie is opgelegd, hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de betaling van een aan deze laatste opgelegde geldboete.
43 Deze bepaling moet evenwel aldus worden uitgelegd, dat een onderneming tezamen met een andere onderneming die opzettelijk of uit nalatigheid inbreuk heeft gemaakt, voor de betaling van een aan deze laatste onderneming opgelegde geldboete hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld, mits de Commissie in de desbetreffende handeling zelf aantoont, dat zij deze inbreuk ook had kunnen vaststellen ten aanzien van de onderneming die hoofdelijk aansprakelijk is voor de geldboete.
44 In casu is Finnboard weliswaar de onderneming die rechtstreeks en formeel aansprakelijk wordt gesteld voor de inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag (artikel 1 van de beschikking) en is de geldboete bijgevolg bij artikel 3, sub v, van de beschikking aan haar opgelegd, doch is elk van de verzoeksters tezamen met Finnboard hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van een gedeelte van deze geldboete, omdat de Commissie van oordeel was dat Finnboard als hun "alter ego" en in hun belang had opgetreden (punt 174, tweede alinea, van de considerans van de beschikking).
45 Bijgevolg moet worden onderzocht, of tussen Finnboard en verzoeksters zodanige economische en juridische betrekkingen bestonden dat de Commissie elk van hen rechtstreeks en formeel voor de inbreuk aansprakelijk kon stellen.
46 Uit de beschikking blijkt, dat verzoeksters volgens de Commissie verantwoordelijk waren voor het handelen van Finnboard (punt 174, tweede alinea, van de considerans).
47 Om te beoordelen of deze bewering juist is, moet rekening worden gehouden met de voornaamste inlichtingen die zijn te vinden in het dossier en vooral in verzoeksters' antwoord op de schriftelijke vragen van het Gerecht betreffende Finnboards werkwijze en de rechtsbetrekkingen en feitelijke betrekkingen tussen Finnboard en de bij haar aangesloten ondernemingen, in het bijzonder verzoeksters.
48 Volgens haar statuten van 1 januari 1987 (§ 2) is Finnboard een vereniging die het door verzoeksters geproduceerde karton en de door andere leden geproduceerde papierproducten verkoopt.
49 Volgens de §§ 10 en 11 van deze statuten benoemt elk lid een vertegenwoordiger in de "Board of Directors", die onder meer tot taak heeft, richtsnoeren voor de werkzaamheden van de vereniging vast te stellen, de begroting, het financieringsplan en de beginselen voor de verdeling van de uitgaven over de aangesloten ondernemingen goed te keuren en de "managing director" te benoemen.
50 In § 20 van de statuten wordt bepaald:
"De leden zijn gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de uit naam van de vereniging aangegane verbintenissen, alsof zij deze zelf hadden aangegaan.
De aansprakelijkheid voor schulden en verbintenissen wordt in evenredigheid met de netto-facturering van de leden voor het lopende boekjaar en de twee voorgaande boekjaren verdeeld."
51 Met betrekking tot de verkoop van kartonproducten blijkt uit verzoeksters' antwoord op de schriftelijke vragen van het Gerecht, dat zij Finnboard in de relevante periode hadden opgedragen om hun totale kartonverkopen af te wikkelen, met als enige uitzondering de concern-interne verkopen van elke verzoekende onderneming en de verkopen van geringere hoeveelheden aan sporadische afnemers in Finland (zie eveneens § 14 van de statuten van Finnboard). Bovendien stelde Finnboard voor verzoeksters uniforme prijzen vast en maakte zij deze bekend.
52 Verzoeksters verklaren eveneens, dat bij individuele verkopen de afnemers hun orders bij Finnboard plaatsten en daarbij in het algemeen de gewenste fabriek opgaven, waarbij de voorkeur vooral was te verklaren door kwaliteitsverschillen tussen de producten van elk van verzoeksters. Indien geen voorkeur werd uitgesproken, werden de orders onder de leden van Finnboard verdeeld overeenkomstig § 15 van haar statuten, die luidt:
"De binnenkomende orders worden billijk en gelijk ter uitvoering door de leden verdeeld, waarbij rekening wordt gehouden met de productiecapaciteit van elk lid, alsmede met de door de Board of Directors vastgestelde verdelingsbeginselen."
53 Finnboard mocht met elke potentiële afnemer onderhandelen over de verkoopvoorwaarden, met inbegrip van de prijs, voor welke individuele onderhandelingen verzoeksters algemene richtlijnen hadden vastgesteld. Elke order moest evenwel aan de betrokken verzoekster worden voorgelegd, die besliste of zij deze order al dan niet aanvaardde.
54 De afhandeling van de afzonderlijke verkopen en de daarbij toegepaste boekhoudkundige beginselen worden beschreven in een verklaring van Finnboards accountant van 4 juni 1997:
"Finnboard treedt als commissionair op voor haar committenten en maakt de factuur $op eigen naam voor rekening van elke committent' op.
1. Elke order wordt door de fabriek van de committent bevestigd.
2. Op het tijdstip van oplevering vanuit de fabriek stuurt de fabriek een oorspronkelijke factuur aan Finnboard ($Mill invoice'). De factuur wordt in de committentenrekening als vordering en in het aankoopregister van Finnboard als schuld jegens de fabriek geboekt.
3. De door de fabriek opgemaakte factuur (minus geraamde kosten van vervoer, opslag, levering en financiering) wordt door Finnboard binnen een overeengekomen termijn (tien dagen in 1990/1991) vooruitbetaald. Finnboard financiert aldus niet-eigen voorraden en vorderingen op afnemers van de fabriek zonder eigenaar van de geleverde goederen te worden.
4. Op het tijdstip van levering aan de afnemer maakt Finnboard namens de fabriek een afnemersfactuur op. De factuur wordt in de committentenrekening als verkoop en in het verkoopregister van Finnboard als schuldvordering geboekt.
5. De betalingen door de afnemers worden in de committentenrekeningen geboekt en de eventuele verschillen tussen de geraamde en de feitelijke prijzen en kosten (zie punt 3) worden via de committentenrekeningen verrekend."
55 Aldus blijkt in de eerste plaats, dat Finnboard weliswaar met de eindafnemers binnen de grenzen van de door verzoeksters vastgestelde richtlijnen over de prijzen en de andere verkoopvoorwaarden mocht onderhandelen, doch dat geen enkele verkoop kon plaatsvinden zonder voorafgaande goedkeuring van de prijs en de andere verkoopvoorwaarden door de betrokken verzoekende onderneming.
56 In de tweede plaats staat vast, dat de eigendom rechtstreeks van de betrokken verzoekende onderneming overging op de eindafnemer.
57 Ten slotte stelt het Gerecht vast, dat de door verzoekster ontvangen commissies die als omzet in haar jaarverslagen worden opgevoerd, slechts de kosten in verband met de door haar voor rekening van de bij haar aangesloten ondernemingen verrichte verkopen, zoals de vervoers- of financieringskosten, dekten. Bijgevolg had Finnboard geen enkel eigen economisch belang bij een deelneming aan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen, omdat de prijsverhogingen die door de in de organen van de PG Paperboard vertegenwoordigde ondernemingen werden aangekondigd en ten uitvoer gelegd, voor haar geen enkele winst konden opleveren. Daarentegen was de deelneming van Finnboard aan deze heimelijke verstandhouding van rechtstreeks economisch belang voor verzoeksters.
58 In de omstandigheden van het onderhavige geval waren de economische en juridische betrekkingen tussen Finnboard en elk van verzoeksters dus van dien aard, dat Finnboard bij de verkoop van het karton voor verzoeksters slechts als een hulporgaan van elk van deze vennootschappen handelde. Gelet op deze betrekkingen en op het feit dat zij zich aan de door elk van verzoeksters gegeven instructies diende te houden en een van elk van hen onafhankelijk gedrag op de markt onmogelijk was, vormde Finnboard in werkelijkheid een economische eenheid met elk van de bij haar aangesloten kartonproducenten (zie naar analogie arrest Suiker Unie e.a./Commissie, reeds aangehaald, punten 538-540).
59 Bijgevolg heeft de Commissie zich in de motivering van de beschikking terecht op het standpunt gesteld, dat verzoeksters aansprakelijk waren voor de mededingingsverstorende gedragingen van Finnboard, zodat ten aanzien van elk van hen een opzettelijke inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag kon worden vastgesteld. In plaats van elk van de verzoekende vennootschappen rechtstreeks een geldboete op te leggen, mocht zij dus besluiten om elk van hen tezamen met Finnboard hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van een gedeelte van de aan deze handelsvereniging opgelegde geldboete.
60 Gelet op de voorgaande overwegingen, dient het middel te worden afgewezen.
De vordering tot verlaging van de geldboete
61 Volgens artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering moet het inleidend verzoekschrift een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Het middel van niet-ontvankelijkheid als gevolg van een schending van deze bepaling kan ambtshalve aan de orde worden gesteld (zie in het bijzonder arrest Gerecht van 10 juli 1990, Automec/Commissie, T-64/89, Jurispr. blz. II-367, punten 73 en 74).
62 Aangezien verzoeksters geen enkel middel tot staving van hun vorderingen tot verlaging van de geldboete hebben aangevoerd, moeten deze vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard.
63 Uit al het voorgaande volgt, dat de beroepen dienen te worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
64 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien verzoeksters op de voornaamste punten in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer - uitgebreid),
rechtdoende:
1) Verwerpt de beroepen, voor zover deze strekken tot nietigverklaring van beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton).
2) Verklaart de beroepen niet-ontvankelijk, voor zover zij strekken tot verlaging van de bij artikel 3 van deze beschikking opgelegde geldboete.
3) Verwijst verzoeksters in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy