Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte
(EG-Verdrag, art. 190)
2 Mededinging - Mededingingsregelingen - Overeenkomsten tussen ondernemingen - Begrip - Wilsovereenstemming met betrekking tot toekomstig marktgedrag
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
3 Mededinging - Mededingingsregelingen - Deelneming aan vergaderingen van ondernemingen, die ertoe strekken mededinging te verstoren - Omstandigheid waaruit, bij gebreke van distantiëring van genomen beslissingen, kan worden geconcludeerd tot deelneming aan daaropvolgende mededingingsregeling
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
4 Mededinging - Administratieve procedure - Beëindiging van inbreuken - Aan ondernemingen opgelegde verplichtingen - Evenredigheid - Criteria
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 3, lid 1)
5 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Verzwarende omstandigheden - Verhulling van mededingingsregeling - Bewijs voortvloeiend uit ontbreken van aantekeningen betreffende vergaderingen van bij mededingingsregeling betrokken ondernemingen
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
6 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte en duur van inbreuken - Beoordelingsfactoren - Mogelijkheid om niveau van geldboeten te verhogen ter versterking van preventieve werking
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
7 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Beschikking waarbij aan meerdere ondernemingen geldboete wordt opgelegd wegens inbreuk op mededingingsregels
(EG-Verdrag, art. 190; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
8 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Houding van onderneming tijdens administratieve procedure - Onwettigheid van verlagingen van geldboete voor ondernemingen die door Commissie gestelde feiten niet uitdrukkelijk hebben erkend - Onmogelijkheid voor onderneming om zich op beginsel van gelijke behandeling te beroepen om onwettige verlaging te verkrijgen
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
9 Gemeenschapsrecht - Beginselen - Grondrechten - Eerbiediging verzekerd door gemeenschapsrechter - Inaanmerkingneming van Europees Verdrag voor rechten van de mens
(Verdrag betreffende Europese Unie, art. F, lid 2)
10 Mededinging - Administratieve procedure - Eerbiediging van recht van verweer - Mededeling aan onderneming van mogelijkheid dat geldboete wordt verlaagd in geval van erkenning van door Commissie gestelde feiten, zonder dat omvang van verlaging wordt gepreciseerd - Toelaatbaarheid
11 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Verzachtende omstandigheden - Verplichting voor Commissie om zich aan haar vroegere beschikkingspraktijk te houden - Geen
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
12 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Gedrag van onderneming in verleden
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
13 Mededinging - Gemeenschapsregels - Inbreuken - Opzet - Begrip
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
14 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - In aanmerking genomen omzet - Referentiemarkt - Gelijke behandeling
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
15 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - In aanmerking genomen omzet - Omzet van onderneming die gedurende referentiejaar door beschuldigde onderneming is overgenomen - Inaanmerkingneming bij inbreuk die door beide ondernemingen is gepleegd doch slechts aan overnemende onderneming wordt toegerekend
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
Samenvatting
16 De verplichting tot motivering van een individuele beschikking heeft tot doel, de gemeenschapsrechter in staat te stellen de wettigheid van de beschikking te onderzoeken, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid kan worden betwist, met dien verstande dat de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk is van de aard der betrokken handeling en van de omstandigheden waaronder deze is vastgesteld.
Weliswaar is de Commissie krachtens artikel 190 van het Verdrag gehouden, haar beschikkingen met redenen te omkleden met vermelding van de feitelijke en juridische gegevens waarvan de wettigheid van de maatregel afhangt en van de overwegingen naar aanleiding waarvan zij haar beschikking heeft gegeven, doch niet is vereist, dat zij ingaat op alle punten van feitelijke of juridische aard, die tijdens de administratieve procedure zijn opgeworpen.
17 Het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag kan reeds worden aangenomen, indien de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen. Onder deze omstandigheden behoeft niet te worden onderzocht, of deze ondernemingen zich juridisch, feitelijk of moreel verplicht achtten zich overeenkomstig de afspraak te gedragen.
Ondernemingen die hun gemeenschappelijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om hun prijzen uniform en gelijktijdig te verhogen, het aanbod te beheersen door machinestilstand te onderzoeken en hun marktaandelen op vaste niveaus te handhaven die van tijd tot tijd kunnen worden gewijzigd, hebben deelgenomen aan een overeenkomst.
18 Het feit dat een onderneming zich niet houdt aan de resultaten van vergaderingen die een kennelijk mededingingsverstorend doel hebben, kan haar niet van de volle aansprakelijkheid voor haar deelneming aan het kartel ontslaan, wanneer zij zich niet publiekelijk van de inhoud van de vergaderingen heeft gedistantieerd. Zelfs indien een dergelijke onderneming zich op de markt niet op de overeengekomen wijze heeft gedragen, doet zulks dus niets af aan haar aansprakelijkheid voor een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
19 De toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 kan het verbod omvatten, zekere activiteiten, praktijken of toestanden te continueren, waarvan de onrechtmatigheid is vastgesteld, doch ook het verbod van gelijkaardige gedragingen in de toekomst. Voor zover de toepassing van deze bepaling moet zijn afgestemd op de vastgestelde inbreuk, is de Commissie bevoegd te preciseren, aan welke verplichtingen de betrokken ondernemingen moeten voldoen om een einde aan deze inbreuk te maken. Dergelijke op de ondernemingen rustende verplichtingen mogen evenwel niet verder gaan dan hetgeen passend en noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken, namelijk het herstel van een rechtsconforme toestand.
Een verbod dat de uitwisseling van zuiver statistische informatie dient te beletten, die niet als individuele of individualiseerbare informatie kan worden aangemerkt, voldoet niet aan de voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 gestelde voorwaarden, wanneer uit de beschikking niet blijkt, dat de Commissie de uitwisseling van statistische gegevens op zichzelf als een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft beschouwd; het enkele feit dat een systeem van uitwisseling van statistische informatie met een mededingingsverstorend oogmerk kan worden gebruikt, maakt het nog niet in strijd met deze bepaling, omdat in dergelijke omstandigheden de mededingingsverstorende gevolgen daarvan in het concrete geval moeten worden vastgesteld.
20 Het feit dat de ondernemingen die bij een prijsafspraak betrokken waren, de aankondiging van de onderling afgestemde prijsverhogingen hebben gearrangeerd en dat zij werden ontmoedigd aantekeningen betreffende vergaderingen over dit onderwerp te maken, bewijst dat zij zich van de onrechtmatigheid van hun gedrag bewust waren en dat zij maatregelen hebben genomen om de afspraak te verhullen. Dergelijke maatregelen kan de Commissie bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk als verzwarende omstandigheden in aanmerking nemen.
Het ontbreken van officiële notulen en het nagenoeg volledig ontbreken van interne notities betreffende deze vergaderingen kunnen, gelet op het aantal, de duur in de tijd en de aard van de betrokken besprekingen, genoegzaam bewijs opleveren voor het feit dat degenen die de vergaderingen bijwoonden, werden ontmoedigd aantekeningen te maken.
21 Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wegens inbreuk op de communautaire mededingingsregels moet rekening worden gehouden met de zwaarte en de duur van de inbreuk. De zwaarte van de inbreuken moet worden vastgesteld met inachtneming van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context daarvan en de preventieve werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld.
Bij haar beoordeling van het algemene niveau van de geldboeten mag de Commissie rekening houden met het feit dat nog steeds betrekkelijk vaak evidente inbreuken op de communautaire mededingingsregels worden gemaakt en mag zij derhalve het niveau van de geldboeten verhogen om de preventieve werking ervan te versterken. Bijgevolg behoeft het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten van inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, haar niet te verhinderen, dit niveau binnen de in verordening nr. 17 gestelde grenzen te verhogen, indien zulks noodzakelijk blijkt om de uitvoering van het communautaire mededingingsbeleid te verzekeren.
Verder kan de Commissie bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten in het bijzonder rekening houden met de lange duur en het evidente karakter van een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, die is gepleegd in weerwil van de waarschuwing die had moeten uitgaan van de vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie.
22 Bij een beschikking waarbij aan meerdere ondernemingen een geldboete wordt opgelegd wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels, moet de omvang van de motiveringsplicht in het bijzonder worden bepaald met inachtneming van het feit dat de zwaarte van de inbreuken moet worden vastgesteld op basis van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context daarvan en de preventieve werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld.
Bovendien beschikt de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van elke geldboete over een beoordelingsmarge en kan zij niet verplicht worden geacht om daartoe een precieze mathematische formule toe te passen.
Ten slotte moet de motivering van de beschikking in de beschikking zelf voorkomen en kunnen latere verklaringen van de Commissie, behoudens bijzondere omstandigheden, niet in aanmerking worden genomen.
Wanneer de Commissie in een beschikking een inbreuk op de mededingingsregels vaststelt en de ondernemingen die daaraan hebben deelgenomen een geldboete oplegt, moet zij, indien zij bepaalde basisfactoren bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten stelselmatig in aanmerking heeft genomen, deze factoren in de beschikking zelf vermelden, om de ondernemingen tot wie zij is gericht, in staat te stellen de juistheid van het niveau van de geldboete te verifiëren en na te gaan of er eventueel sprake is van discriminatie.
23 Bij de vaststelling van het bedrag van de voor een inbreuk op de communautaire mededingingsregels op te leggen geldboete is een verlaging van de geldboete wegens medewerking tijdens de administratieve procedure slechts gerechtvaardigd, indien het gedrag de Commissie in staat heeft gesteld om een inbreuk met minder moeilijkheden vast te stellen en daaraan in voorkomend geval een einde te maken.
Een onderneming die uitdrukkelijk verklaart, dat zij de gestelde feiten waarop de Commissie haar punten van bezwaar baseert, niet ontkent, kan als een onderneming worden beschouwd die heeft bijgedragen tot een verlichting van de taak van de Commissie, bestaande in het vaststellen en het bestraffen van inbreuken op de communautaire mededingingsregels. In haar beschikkingen houdende vaststelling van een inbreuk op deze regels, mag de Commissie een dergelijk gedrag als een erkenning en dus als een bewijs van de juistheid van de gestelde feiten beschouwen. Een dergelijk gedrag kan derhalve een verlaging van de geldboete rechtvaardigen.
Dit is niet het geval wanneer een onderneming in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar de kern van de daarin door de Commissie gestelde feiten ontkent, geen enkel antwoord geeft of enkel verklaart geen standpunt in te nemen met betrekking tot de door de Commissie gestelde feiten. Door een dergelijke houding tijdens de administratieve procedure draagt de onderneming namelijk niet bij tot een verlichting van de taak van de Commissie.
Aangezien een verlaging van de geldboete slechts als rechtmatig kan worden beschouwd, wanneer de betrokken onderneming uitdrukkelijk heeft verklaard, dat zij de gestelde feiten niet ontkent, kan een onderneming die zulks niet heeft gedaan, geen aanspraak op een verlaging wegens medewerking tijdens de administratieve procedure maken, omdat zelfs indien de Commissie een onrechtmatig criterium heeft toegepast door de geldboeten te verlagen die zijn opgelegd aan ondernemingen die evenmin een dergelijke uitdrukkelijke verklaring hadden afgelegd, de eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling te verenigen moet zijn met de eerbiediging van het legaliteitsbeginsel, dat meebrengt dat niemand zich ten eigen voordele kan beroepen op een onwettigheid waarvan anderen hebben kunnen profiteren.
24 De gemeenschapsrechter is niet bevoegd om een onderzoek op het gebied van het mededingingsrecht te toetsen aan de bepalingen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, voor zover deze niet als zodanig deel uitmaken van het gemeenschapsrecht.
De grondrechten behoren evenwel tot de algemene rechtsbeginselen welker eerbiediging de gemeenschapsrechter verzekert. Daarbij laat de gemeenschapsrechter zich leiden door de constitutionele tradities welke aan de lidstaten gemeen zijn, alsmede door de aanwijzigingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens, waaraan de lidstaten hebben meegewerkt, of waarbij zij zich hebben aangesloten. Aan het Europees Verdrag voor de rechten van de mens komt in dit opzicht bijzondere betekenis toe.
25 De omstandigheid dat aan een bij een onderzoek op het gebied van het mededingingsrecht betrokken onderneming tijdens de administratieve procedure wordt meegedeeld, dat het bedrag van de op te leggen geldboete kan worden verlaagd, wanneer de voornaamste of alle gestelde feiten worden toegegeven, zonder dat de omvang van deze verlaging wordt gepreciseerd, kan op zichzelf niet als het uitoefenen van druk op die onderneming worden aangemerkt. Dusdoende schendt de Commissie niet het fundamentele beginsel van de communautaire rechtsorde van de eerbiediging van het recht van verweer.
26 Bij de vaststelling van het bedrag van de wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels op te leggen geldboete moet de zwaarte van de inbreuken worden vastgesteld met inachtneming van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context daarvan en de preventieve werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld.
Bijgevolg kan uit het enkele feit dat de Commissie in haar vroegere beschikkingspraktijk bepaalde factoren bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete als een verzachtende omstandigheid heeft beschouwd, niet worden afgeleid, dat zij verplicht is, zulks in een latere beschikking eveneens te doen.
27 Bij de vaststelling van het bedrag van de wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels op te leggen geldboete kan het feit dat de Commissie in het verleden reeds heeft vastgesteld dat een onderneming inbreuk op de mededingingsregels had gemaakt en eventueel uit dien hoofde een geldboete heeft opgelegd, tegen die onderneming als een verzwarende omstandigheid in aanmerking worden genomen. Daarentegen is de afwezigheid van een eerdere inbreuk een normale omstandigheid, die de Commissie niet als verzachtende omstandigheid in aanmerking behoeft te nemen.
28 Voor de vaststelling dat een inbreuk op de communautaire mededingingsregels opzettelijk is begaan, is niet vereist, dat de onderneming zich ervan bewust was, het verbod van artikel 85, lid 1, van het Verdrag te overtreden. Het volstaat dat de onderneming niet onkundig kon zijn van de omstandigheid, dat de gewraakte handelwijze ertoe strekte of ten gevolge had dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt werd verhinderd.
29 Bij de vaststelling van het bedrag van de aan meerdere ondernemingen op te leggen individuele geldboeten voor een inbreuk op de communautaire mededingingsregels vereist het beginsel van gelijke behandeling, dat de Commissie uitgaat van de omzet die de betrokken ondernemingen op eenzelfde referentiemarkt hebben behaald.
30 Wanneer twee ondernemingen aan een inbreuk op de communautaire mededingingsregels deelnemen en één van hen gedurende het referentiejaar dat voor de berekening van de omzet ter bepaling van het bedrag van de op te leggen geldboete is gebruikt, de controle over de andere heeft verworven, zodat de Commissie het gedrag van de overgenomen onderneming voor de periode vóór en de periode na haar overname aan haar heeft kunnen toerekenen, mag de Commissie voor de berekening van de omzet van de overnemende onderneming de omzet meerekenen die gedurende dit referentiejaar door de overgenomen onderneming is behaald.
Partijen
In zaak T-347/94,
Mayr-Melnhof Kartongesellschaft mbH, vennootschap naar Oostenrijks recht, gevestigd te Wenen, aanvankelijk vertegenwoordigd door O. Lieberknecht, B. Richter en K. Benner, advocaten te Düsseldorf, alsmede door M. Waelbroeck, advocaat te Brussel, vervolgens door M. Waelbroeck en D. Waelbroeck, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Bonn, advocaat aldaar, Val Sainte-Croix 7,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Langeheine en R. Lyal, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door D. Schroeder, advocaat te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton, PB L 243, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Derde kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, president, C. P. Briët, P. Lindh, A. Potocki en J. D. Cooke, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling van 25 juni-8 juli 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 De onderhavige zaak heeft betrekking op beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton) (PB L 243, blz. 1), zoals gerectificeerd bij beschikking van de Commissie van 26 juli 1994 [C(94) 2135 def.] (hierna: "beschikking"). Bij de beschikking is aan negentien producenten die in de Gemeenschap karton leveren, een geldboete opgelegd wegens inbreuken op artikel 85, lid 1, EG-Verdrag.
2 De beschikking heeft betrekking op het product karton. Drie typen karton, die worden aangeduid als karton van de kwaliteiten "GC", "GD" en "SBS", worden in de beschikking vermeld.
3 Karton van de kwaliteit GD (hierna: "GD-karton") is karton dat van binnen grijs is (gerecycleerd papier) en gewoonlijk wordt gebruikt voor het verpakken van andere dan levensmiddelen.
4 Karton van de kwaliteit GC (hierna: "GC-karton") is karton met een witte buitenlaag, dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het verpakken van levensmiddelen. GC-karton is van betere kwaliteit dan GD-karton. In de door de beschikking bestreken periode bestond tussen deze beide producten in het algemeen een prijsverschil van ongeveer 30 %. In geringere omvang wordt GC-karton van hoge kwaliteit ook gebruikt voor grafische doeleinden.
5 De afkorting SBS wordt gebruikt voor geheel wit karton (hierna: "SBS-karton"). De prijs van dit product is ongeveer 20 % hoger dan die van GC-karton. Het wordt gebruikt voor de verpakking van levensmiddelen, cosmetische producten, farmaceutische producten en sigaretten, doch voornamelijk voor grafische doeleinden.
6 Bij schrijven van 22 november 1990 diende de British Printing Industries Federation, een branchevereniging die de meerderheid van de kartonbedrukkers in het Verenigd Koninkrijk vertegenwoordigt (hierna: "BPIF"), bij de Commissie een informele klacht in. Daarin stelde zij, dat de kartonproducenten die in het Verenigd Koninkrijk leverden, een reeks gelijktijdige en uniforme prijsstijgingen hadden doorgevoerd, en verzocht zij de Commissie, te onderzoeken of eventueel inbreuk werd gemaakt op de communautaire mededingingsregels. Om ervoor te zorgen dat haar initiatief publiciteit kreeg, bracht de BPIF een perscommuniqué uit. Over de inhoud van dit communiqué is in de gespecialiseerde vakpers bericht in een nieuwsbrief van december 1990.
7 Op 12 december 1990 diende ook de Fédération française du cartonnage bij de Commissie een informele klacht in, waarin in soortgelijke bewoordingen als in de klacht van de BPIF beschuldigingen werden geuit betreffende de Franse kartonmarkt.
8 Op 23 en 24 april 1991 voerden ambtenaren van de Commissie krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 13, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17"), tegelijkertijd en onaangekondigd verificaties uit bij verscheidene ondernemingen en brancheverenigingen in de bedrijfstak karton.
9 Na die verificaties zond de Commissie uit hoofde van artikel 11 van verordening nr. 17 verzoeken om inlichtingen en om overlegging van documenten aan alle producenten tot wie de beschikking is gericht.
10 Op basis van het in het kader van die verificaties en verzoeken om inlichtingen en documenten verkregen materiaal kwam de Commissie tot de conclusie, dat de betrokken ondernemingen vanaf medio 1986 tot ten minste april 1991 (in het merendeel der gevallen) hadden deelgenomen aan een inbreuk in de zin van artikel 85 van het Verdrag.
11 Zij besloot derhalve, een procedure krachtens dit laatste artikel in te leiden en deed elk van de betrokken ondernemingen bij brief van 21 december 1992 een mededeling van de punten van bezwaar toekomen. Alle geadresseerden gaven schriftelijk antwoord en negen ondernemingen verzochten mondeling te worden gehoord. Van 7 tot en met 9 juni 1993 werd een hoorzitting gehouden, tijdens welke deze laatsten werden gehoord.
12 Aan het einde van die procedure stelde de Commissie de beschikking vast, die de navolgende bepalingen bevat:
"Artikel 1
Buchmann GmbH, Cascades SA, Enso-Gutzeit Oy, Europa Carton AG, Finnboard-the Finnish Board Mills Association, Fiskeby Board AB, Gruber & Weber GmbH & Co KG, Kartonfabriek $De Eendracht' NV (handelende onder de naam $BPB de Eendracht'), NV Koninklijke KNP BT NV (voorheen Koninklijke Nederlandse Papierfabrieken NV), Laakmann Karton GmbH & Co KG, Mo Och Domsjö AB (MoDo), Mayr-Melnhof Gesellschaft mbH, Papeteries de Lancey SA, Rena Kartonfabrik A/S, Sarrió SpA, SCA Holding Ltd [voorheen Reed Paper & Board (UK) Ltd], Stora Kopparbergs Bergslags AB, Tampella Española SA en Moritz J. Weig GmbH & Co KG hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EG-Verdrag door hun deelname,
- in het geval van Buchmann en Rena, vanaf ongeveer maart 1988 tot ten minste eind 1990;
- in het geval van Enso Española, minstens van maart 1988 tot ten minste eind april 1991;
- in het geval van Gruber & Weber, vanaf ten minste 1988 tot eind 1990;
- in de andere gevallen, vanaf medio 1986 tot ten minste april 1991,
aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging die van medio [1986] stammen en waarbij de kartonleveranciers in de Gemeenschap:
- regelmatig in een reeks geheime en geïnstitutionaliseerde vergaderingen bijeenkwamen met het oog op het bespreken van en het bereiken van overeenstemming over een gemeenschappelijk beleid in de bedrijfstak ter beperking van de mededinging;
- voor elke productkwaliteit in elke nationale valuta regelmatige prijsverhogingen overeenkwamen;
- gelijktijdige en uniforme prijsverhogingen in de gehele Gemeenschap planden en ten uitvoer legden;
- een afspraak maakten over handhaving van de marktaandelen van de grote producenten op vaste niveaus die van tijd tot tijd konden worden gewijzigd;
- in toenemende mate vanaf vooraan in 1990 ter beheersing van het aanbod van het product in de Gemeenschap onderling afgestemde maatregelen namen teneinde de tenuitvoerlegging van de genoemde onderling afgestemde prijsverhogingen te waarborgen;
- ter ondersteuning van de bovengenoemde maatregelen, commerciële informatie uitwisselden over leveringen, prijzen, machinestilstand, orderportefeuilles en bezettingsgraden.
(...)
Artikel 3
De hierna vermelde ondernemingen worden met betrekking tot de in artikel 1 vastgestelde inbreuk de volgende geldboeten opgelegd:
(...)
xi) Mayr-Melnhof Karton Gesellschaft mbH, een geldboete van 21 000 000 ECU;
(...)"
13 Volgens de beschikking vond de inbreuk plaats in het kader van een organisatie met de naam "Product Group Paperboard" (hierna: "PG Paperboard"), die bestond uit verscheidene groepen of comités.
14 In het kader van deze organisatie werd medio 1986 de zogeheten "Presidents Working Group" (hierna: "PWG") opgericht. Deze groep bestond uit leidinggevende personen van de (ongeveer acht) grootste kartonproducenten in de Gemeenschap.
15 De werkzaamheden van de PWG bestonden onder meer in bespreking van en onderlinge afstemming over markten, marktaandelen, prijzen en capaciteit. De PWG nam in het bijzonder algemene beslissingen over het tijdstip en het niveau van door de producenten door te voeren prijsverhogingen.
16 De PWG bracht verslag uit aan de "President Conference" (hierna: "PC"), die (met meer of minder grote regelmaat) werd bijgewoond door nagenoeg alle algemeen-directeuren van de betrokken ondernemingen. De PC kwam in de betrokken periode tweemaal per jaar bijeen.
17 Eind 1987 werd het "Joint Marketing Committee" (hierna: "JMC") opgericht. Dit had vooral tot taak om te bepalen of, en zo ja hoe, prijsverhogingen konden worden doorgevoerd, alsmede om per land en voor de grote afnemers de door de PWG overeengekomen prijsinitiatieven in detail uit te werken, met het doel een systeem van equivalente prijzen in Europa tot stand te brengen.
18 Het "Economic Committee" (hierna: "EC") ten slotte besprak onder meer de prijsontwikkelingen op de nationale markten en de orderportefeuilles en bracht over zijn bevindingen verslag uit aan het JMC of, tot eind 1987, het Marketing Committee. De bijeenkomsten van het EC werden bijgewoond door marketing- en verkoopmanagers van het merendeel van de betrokken ondernemingen en vonden enige malen per jaar plaats.
19 Uit de beschikking blijkt voorts, dat naar het oordeel van de Commissie de activiteiten van de PG Paperboard werden ondersteund door een systeem voor gegevensuitwisseling dat werd beheerd door de trustmaatschappij Fides, gevestigd te Zürich (Zwitserland). Volgens de beschikking stuurden de meeste leden van de PG Paperboard Fides periodieke verslagen over orders, productie, verkoop en bezettingsgraad. Die verslagen werden in het Fides-systeem centraal samengevoegd en de geaggregeerde gegevens werden aan de deelnemers toegestuurd.
20 Verzoekster Mayr-Melnhof Kartongesellschaft mbH (hierna: "Mayr-Melnhof") heeft volgens de beschikking de vergaderingen van de bovengenoemde vier organen van de PG Paperboard, dat wil zeggen de PWG, de PC, het JMC en het EC, bijgewoond.
21 Gedurende de gehele door de beschikking bestreken periode waren de bestuurs- en verkoopactiviteiten van Mayr-Melnhof en FS-Karton, een door haar in 1984 verworven kartonproducent in Duitsland, volledig geïntegreerd. Om die reden is Mayr-Melnhof aansprakelijk gesteld voor de betrokkenheid van FS-Karton bij het kartel (punt 150 van de considerans van de beschikking).
22 Volgens de beschikking is Mayr-Melnhof voor de gehele duur van de inbreuk ook aansprakelijk voor haar in Zwitserland gevestigde 66 %-dochteronderneming Deisswil bij de inbreuk (zelfde punt van de considerans). Ten slotte is zij als aansprakelijk beschouwd voor de betrokkenheid van Mayr-Melnhof Eerbeek BV (hierna: "Eerbeek"), gevestigd in Nederland, die zij in september 1990 heeft verworven. Voor het gedrag van Eerbeek is zij aansprakelijk gesteld vanaf 1 januari 1990, de datum waarop de verwerving effect kreeg.
Procesverloop
23 Bij op 18 oktober 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster onderhavig beroep ingesteld.
24 Zestien van de achttien andere ondernemingen die aansprakelijk worden gesteld voor de inbreuk, hebben eveneens beroep ingesteld tegen de beschikking (zaken T-295/94, T-301/94, T-304/94, T-308/94, T-309/94, T-310/94, T-311/94, T-317/94, T-319/94, T-327/94, T-334/94, T-337/94, T-338/94, T-348/94, T-352/94 en T-354/94).
25 Verzoekster in zaak T-301/94, Laakmann Karton GmbH, heeft haar beroep bij op 10 juni 1996 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief ingetrokken en bij beschikking van 18 juli 1996, Laakmann Karton/Commissie (T-301/94, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), is de zaak doorgehaald in het register van het Gerecht.
26 Vier Finse ondernemingen, leden van de handelsvereniging Finnboard, die om die reden hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de betaling van de aan de vereniging opgelegde geldboete, hebben eveneens beroep tegen de beschikking ingesteld (gevoegde zaken T-339/94, T-340/94, T-341/94 en T-342/94).
27 Ten slotte is beroep ingesteld door de vereniging CEPI-Cartonboard, tot wie de beschikking niet is gericht. Bij op 8 januari 1997 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief heeft zij haar beroep evenwel ingetrokken en bij beschikking van 6 maart 1997, CEPI-Cartonboard/Commissie (T-312/94, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), is de zaak doorgehaald in het register van het Gerecht.
28 Bij brief van 5 februari 1997 heeft het Gerecht partijen verzocht, aanwezig te zijn bij een informele bijeenkomst, vooral om hun opmerkingen in te dienen betreffende de eventuele voeging van de zaken T-295/94, T-304/94, T-308/94, T-309/94, T-310/94, T-311/94, T-317/94, T-319/94, T-327/94, T-334/94, T-337/94, T-338/94, T-347/94, T-348/94, T-352/94 en T-354/94 voor de mondelinge behandeling. Tijdens deze bijeenkomst, die plaatshad op 29 april 1997, hebben partijen met een dergelijke voeging ingestemd.
29 Bij beschikking van 4 juni 1997 heeft de president van de Derde kamer (uitgebreid) van het Gerecht de vorengenoemde zaken overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering wegens hun verknochtheid gevoegd voor de mondelinge behandeling en heeft hij een door verzoekster in zaak T-334/94 ingediend verzoek om vertrouwelijke behandeling ingewilligd.
30 Bij beschikking van 20 juni 1997 heeft hij een door verzoekster in zaak T-337/94 ingediend verzoek om vertrouwelijke behandeling van een in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht overgelegd document ingewilligd.
31 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer - uitgebreid) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het maatregelen tot organisatie van de procesgang genomen, waarbij het partijen heeft verzocht, een aantal schriftelijke vragen te beantwoorden en bepaalde documenten over te leggen. Partijen hebben aan deze verzoeken voldaan.
32 De partijen in de in punt 28 vermelde zaken zijn in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord tijdens de terechtzitting die heeft plaatsgevonden van 25 juni tot en met 8 juli 1997.
Conclusies van partijen
33 Verzoekster concludeert, dat het het Gerecht behage:
- artikel 1 van de beschikking nietig te verklaren;
- artikel 2 van de beschikking nietig te verklaren;
- artikel 3 van de beschikking nietig te verklaren of de in deze bepaling vastgestelde geldboete te verlagen;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
34 De Commissie concludeert, dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoekster te verwijzen in de kosten.
De vordering tot nietigverklaring van artikel 1 van de beschikking
A - De middelen betreffende schending van wezenlijke vormvoorschriften
Het middel: schending van artikel 190 van het Verdrag
Argumenten van partijen
35 Verzoekster herinnert eraan, dat de verplichting tot motivering tot doel heeft, de justitiabelen te beschermen en de gemeenschapsrechter in staat te stellen zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen (arrest Hof van 20 maart 1959, Nold/Hoge Autoriteit, 18/57, Jurispr. blz. 95). In het bijzonder is de Commissie verplicht, de feitelijke en juridische gegevens te vermelden naar aanleiding waarvan zij haar beschikking heeft gegeven en waarvan de wettigheid van de beschikking afhangt.
36 Overigens behoeft de Commissie niet in te gaan op die argumenten van de adressaten van de beschikking, die haar irrelevant lijken (arrest Gerecht van 10 maart 1992, Chemie Linz/Commissie, T-15/89, Jurispr. blz. II-1275, punt 328). In casu heeft zij evenwel in strijd met dit beginsel gehandeld, daar zij niet is ingegaan op verschillende hoofdargumenten van verzoekster.
37 Zij heeft zich nagenoeg niets aangetrokken van het argument dat de beweerde overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen geen merkbare gevolgen op de markt hebben gehad. Dit betoog was gebaseerd op een omvangrijke studie, het rapport van London Economics (hierna: "LE-rapport"). In de beschikking (punt 115 van de considerans) wordt niet op de stellingen van dit rapport ingegaan.
38 Bovendien heeft de Commissie niet de bijzonderheden van de markt onderzocht, zoals deze door verzoekster zijn uiteengezet in zowel haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar, als tijdens de hoorzitting voor de Commissie. De in de bedrijfstak gebruikelijke regelmatige verhogingen van de catalogusprijzen worden in de beschikking slechts als feitelijke overwegingen genoemd, waarmee het bestaan van het beweerde kartel kan worden bewezen (punten 18-20 van de considerans). Dusdoende heeft de Commissie in strijd met artikel 190 van het Verdrag nagelaten, een standpunt te bepalen met betrekking tot verzoeksters verklaringen.
39 Ten slotte heeft de Commissie een onjuiste definitie van winst gehanteerd.
40 Verweerster herinnert eraan, dat een beschikking toereikend is gemotiveerd, wanneer daarin de feitelijke en juridische gegevens worden vermeld waarvan de wettigheid van de maatregel afhangt, en de overwegingen naar aanleiding waarvan zij haar beschikking heeft gegeven, (arrest Gerecht van 24 oktober 1991, Atochem/Commissie, T-3/89, Jurispr. blz. II-1177, punt 222). In casu is geheel aan deze vereisten voldaan.
41 Op het LE-rapport is niet alleen ingegaan in punt 115 van de considerans van de beschikking, doch eveneens in de punten 16, 21 en 101 van de considerans. De beschikking bevat verder een gedetailleerde beschrijving van de kartonmarkt (punten 6-21 van de considerans). In het bijzonder heeft de Commissie zowel de kapitaalintensiviteit van de markt onderzocht (punt 13 van de considerans), als het feit dat in de bedrijfstak gelijktijdige verhogingen van de catalogusprijzen op bepaalde tijdstippen in het jaar gebruikelijk zijn (punt 18 van de considerans).
Beoordeling door het Gerecht
42 Volgens vaste rechtspraak heeft de verplichting tot motivering van een individuele beschikking tot doel, de gemeenschapsrechter in staat te stellen de wettigheid van de beschikking te onderzoeken, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid kan worden betwist, met dien verstande dat de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk is van de aard der betrokken handeling en van de omstandigheden waaronder deze is vastgesteld (zie in het bijzonder arrest Gerecht van 11 december 1996, Van Megen Sports/Commissie, T-49/95, Jurispr. blz. II-1799, punt 51).Weliswaar is de Commissie krachtens artikel 190 van het Verdrag gehouden, haar beschikkingen met redenen te omkleden met vermelding van de feitelijke en juridische gegevens waarvan de wettigheid van de maatregel afhangt en van de overwegingen naar aanleiding waarvan zij haar beschikking heeft gegeven, doch niet is vereist, dat zij ingaat op alle punten van feitelijke of juridische aard, die tijdens de administratieve procedure zijn opgeworpen (zie met name arrest Gerecht van 29 oktober 1980, Van Landewyck e.a./Commissie, 209/78-215/78 en 218/78, Jurispr. blz. 3125, punt 66).
43 In casu bevat de beschikking een gedetailleerde motivering van de redenen waarom de Commissie van oordeel was, dat de argumenten van een aantal ondernemingen, waaronder verzoekster, volgens welke de vastgestelde inbreuk geen gevolgen op de markt had (zie in het bijzonder punten 101, 102 en 115 van de considerans van de beschikking) niet konden worden aanvaard. Ook is in de beschikking op alle door verzoekster aangevoerde bijzonderheden van de markt ingegaan (zie in het bijzonder punten 13 en 18 van de considerans).
44 Verzoeksters betoog ten slotte, waarin de juistheid van de beoordeling van de Commissie betreffende de door de producenten in de bedrijfstak behaalde winst wordt betwist (zie punt 39 supra), dient in het kader van de materiële toetsing van de beschikking te worden onderzocht, zodat dit in deze context niet relevant zijn.
45 Dit middel dient derhalve te worden afgewezen.
Het middel: schending van de eisen die in het gemeenschapsrecht aan het bewijs worden gesteld
46 Verzoekster betoogt, dat de Commissie de gemeenschapsrechtelijke eisen inzake het bewijs heeft geschonden, daar zij zich heeft gebaseerd op loutere vermoedens en veronderstellingen en op niet-bestaande ervaringsregels. In het bijzonder heeft de Commissie een te grote bewijskracht toegekend aan de verklaringen van Stora, aangezien deze onderneming, naar de Commissie zelf verklaart, de voornaamste verantwoordelijkheid voor de beweerde inbreuken droeg (punt 46 van de considerans van de beschikking).
47 Met dit argument komt verzoekster in feite op tegen de beoordeling van de Commissie van de door deze laatste in de beschikking aangevoerde bewijzen. Aangezien dit argument de materiële toetsing van de beschikking betreft, dient dit middel te worden afgewezen.
B - De middelen betreffende de schending van materiële voorschriften
Het middel: ontbreken van prijsafspraken
Argumenten van partijen
48 Verzoekster wijst om te beginnen op een aantal bijzonderheden van de kartonmarkt, die van belang zijn om te begrijpen hoe de catalogusprijzen en transactieprijzen tot stand komen. Om eventuele prijsverhogingen voor karton aan een afnemer te kunnen doorberekenen, hadden de bewerkers steeds verlangd, dat de kartonproducenten hun prijzen per half jaar vaststelden, en dat de voornemens van de producenten betreffende de prijsverhogingen hun ten minste twee maanden van tevoren werden meegedeeld. De bewerkers hadden verlangd, dat eventuele verhogingen van de kartonprijzen ten minste 5 % bedroegen.
49 De bijeenkomsten van de kartonproducenten hadden bijgevolg niet het belang dat de Commissie daaraan toekent. De ideeën van de producenten betreffende de hoogte van elke prijsverhoging waren namelijk beïnvloed door de kostenstijgingen die voor ieder van hen min of meer identiek waren. Alle prijsverhogingen waren strikt noodzakelijk geweest op grond van de stijging van de productiekosten.
50 Bovendien waren de producenten niet verplicht om zich aan te sluiten bij de beslissing van een enkele producent om de prijzen met een bepaald bedrag te verhogen. Op een dergelijke markt van massagoederen was het evenwel gebruikelijk, om min of meer homogene goederen op basis van uniforme prijslijsten te verkopen, zodat de feitelijke concurrentie op het niveau van de individuele onderhandelingen met de afnemers speelde.
51 Voor de transparantie van de prijsinitiatieven werd gezorgd door de markt, aangezien de producenten na de versturing van de brieven met de aangekondigde prijsverhogingen binnen de door de bewerkers verlangde termijn lang genoeg van te voren van de plannen van de overige producenten alsmede van de reacties van de afnemers op de hoogte konden zijn, voordat zij zelf besloten of zij zich al dan niet daarbij zouden aansluiten. Zij voegt daaraan toe, dat de Commissie niet heeft gesteld, dat er mededingingsbeperkingen bestonden die van invloed zijn geweest op de individuele prijsonderhandelingen met de afnemers.
52 Volgens haar heeft de Commissie geen rekening gehouden met het feit, dat de vraag naar karton uitsluitend wordt bepaald door de vraag naar te verpakken goederen. Een bepaalde producent kan dan ook niet zonder meer door zijn prijzen te verlagen zijn marktaandeel vergroten, aangezien de bewerkers vaak op de kartonkwaliteiten van hun gebruikelijke leverancier zijn ingesteld en zij deze zonder grote moeilijkheden ertoe kunnen brengen, om eveneens zijn prijzen te verlagen.
53 Ten slotte heeft de Commissie niet adequaat rekening gehouden met de hoge investeringen die in de bedrijfstak karton noodzakelijk zijn.
54 Vervolgens betoogt verzoekster, dat blijkens de rechtspraak slechts dan sprake is van een overeenkomst in de zin van artikel 85 van het Verdrag, wanneer de ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen (arrest Chemie Linz/Commissie, reeds aangehaald, punt 301). Inherent aan het begrip overeenkomst is derhalve een verplichting in de vorm van de feitelijke wil van de partijen om gebonden te zijn, welke verplichting evenwel niet noodzakelijkerwijze juridisch bindend behoeft te zijn. Voor het bestaan van een overeenkomst is ten minste vereist, dat de betrokkenen een morele verplichting op zich nemen om zich overeenkomstig de afspraak te gedragen. De Commissie heeft in de beschikking zelfs niet verklaard, dat de ondernemingen zich feitelijk tot een bepaald mededingingsbeperkend gedrag hebben verbonden.
55 Verzoekster erkent, dat zij heeft deelgenomen aan de informatie-uitwisselingen betreffende de voorgenomen verhogingen van de catalogusprijzen en dat deze informatie-uitwisseling als een mededingingsbeperkende onderling afgestemde feitelijke gedraging kan worden beschouwd. Uit de door de Commissie in de punten 74 en volgende van de considerans van de beschikking aangevoerde bewijsstukken blijkt evenwel niet, dat er overeenkomsten bestonden. In het bijzonder bevat de tweede verklaring van Stora (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar), waarop de Commissie zich baseert, geen enkele aanwijzing omtrent het bestaan van dergelijke overeenkomsten. Overigens hebben de verklaringen van Stora geen enkele bewijskracht.
56 Ook het feit dat de prijsverhogingen van de producenten grotendeels uniform waren en min of meer gelijktijdig in werking traden, bewijst volgens haar nog niet dat er bindende prijsafspraken bestonden. Deze omstandigheden zijn slechts de weerslag van de bijzondere kenmerken van de relevante markt.
57 Ten slotte bestaat er volgens verzoekster geen oorzakelijk verband tussen de besprekingen betreffende de verhogingen van de catalogusprijzen en de op de markt waargenomen verhogingen van de transactieprijzen. De feitelijke prijsverhogingen kunnen dan ook niet als het bewijs van het bestaan van prijsafspraken worden beschouwd.
58 De Commissie betoogt, dat blijkens de rechtspraak het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 85 reeds kan worden aangenomen, indien de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen (zie arrest Gerecht van 17 december 1991, Hercules Chemicals/Commissie, T-7/89, Jurispr. blz. II-1711, punt 256).
59 Zij heeft in de punten 72 tot en met 90 van de considerans van de beschikking de bewijzen opgesomd waaruit de aard van de onderhavige inbreuk blijkt. Volgens deze bewijzen bereikten de kartonproducenten van te voren in de PWG overeenstemming over de omvang van elke prijsverhoging en kwamen zij overeen, wie van hen de verhoging zou "leiden" (en wanneer) en op welke data elk van de anderen zou "volgen" door hun brieven te doen uitgaan (punt 73 van de considerans van de beschikking).
60 Bijgevolg wordt het bestaan van de afspraken niet weerlegd door verzoeksters argument, dat de periodiciteit en de aard van de aankondigingen van de prijsverhogingen is terug te voeren op de wensen van de afnemers. Ook haar argument betreffende de markttransparantie als gevolg van de brieven waarin de prijsverhogingen werden aangekondigd, en de bijzondere kenmerken van de markt is niet relevant, daar vaststaat, dat de ondernemingen de prijsverhogingen van tevoren hadden afgesproken.
61 Verder merkt de Commissie op, dat de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen deel uitmaakte van een algemeen plan. In een dergelijk ingewikkeld stelsel van afspraken moeten de afzonderlijke maatregelen namelijk als geheel worden beoordeeld met inachtneming van het algemene doel van het kartel (punt 128 van de considerans van de beschikking). Gelet op de geleidelijke concretisering van de afspraken, de planning en de gemeenschappelijke uitvoering van de prijsinitiatieven en de afspraak betreffende de marktaandelen en de beheersing van de hoeveelheden, blijft de Commissie bij haar in de punten 131 en 132 van de considerans uiteengezette conclusie, dat de inbreuk vanaf medio 1986 als onderlinge afstemming moet worden gekwalificeerd en vanaf eind januari 1987 alle kenmerken van een volledige overeenkomst in de zin van artikel 85 van het Verdrag vertoonde.
62 Ten slotte stelt zij, dat de prijsverhogingen van invloed zijn geweest op de in de praktijk toegepaste prijzen.
Beoordeling door het Gerecht
63 Verzoekster geeft toe, dat zij betrokken was bij een onderlinge afstemming van geplande prijsverhogingen.
64 Volgens de beschikking hadden de in artikel 1 genoemde ondernemingen "bij overeenkomst regelmatige prijsverhogingen [vastgesteld], die op elke nationale markt dienden te worden toegepast" (punt 130, tweede alinea, derde streepje, van de considerans). Zoals door de Commissie is opgemerkt (punt 61 supra), heeft zij zich op het standpunt gesteld, dat er vanaf eind 1987 een dergelijke overeenkomst bestond.
65 Volgens vaste rechtspraak kan het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag reeds worden aangenomen, indien de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen (zie in het bijzonder arrest Hof van 15 juli 1970, ACF Chemiefarma/Commissie, 41/69, Jurispr. blz. 661, punt 112, en arresten Van Landewyck e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 86, en Hercules Chemicals/Commissie, reeds aangehaald, punt 256). Onder deze omstandigheden behoeft, anders dan verzoekster stelt, niet te worden onderzocht, of de betrokken ondernemingen zich - juridische, feitelijk of moreel - verplicht achtten, zich overeenkomstig de afspraak te gedragen.
66 Bijgevolg moet worden nagegaan, of de Commissie heeft aangetoond, dat de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hadden gebracht om op de markt een bepaald prijsgedrag te vertonen.
67 Met betrekking tot de prijsinitiatieven verklaart Stora onder meer (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punten 27, 28 en 30):
"(...) in 1987 waren capaciteit en verbruik min of meer in evenwicht. In dat jaar was de capaciteit 5 % groter dan het verbruik. Dit verschil (dat veel geringer was dan de bedrijfstak zelf tot dan dacht) bood de PWG de gelegenheid om met ingang van 1987 afspraken over prijzen te maken met enige zekerheid dat deze prijsverhogingen met succes zouden worden uitgevoerd. Toen deze gelegenheid zich voordeed, streefden de producenten ernaar om de verliezen uit de voorgaande jaren goed te maken.
De PWG was van oordeel, dat in 1988 een eerste prijsverhoging van 10 % tot stand diende te worden gebracht. Dit betekende bijvoorbeeld een verhoging van 50 FF per 100 kg voor GC-kwaliteiten en van 35 FF per 100 kg voor GD-kwaliteiten op de Franse markt. Vergelijkbare verhogingen kwamen tot stand voor andere landen. Bij latere verhogingen werden vergelijkbare absolute bedragen overeengekomen, zodat de verhogingen procentueel afnamen.
(...)
De PWG discussieerde en sprak af, wie elke prijsverhoging als eerste zou aankondigen en op welke data de andere voornaamste producenten deze zouden aankondigen. Het schema was niet telkens hetzelfde."
68 Zij voegt daaraan toe (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punten 13 en 14):
"(...) het JMC had onder meer ten doel, prijsvergelijkingen op te stellen voor bepaalde grote afnemers en per land in detail de tenuitvoerlegging van de door de PWG vastgestelde besluiten inzake de prijzen voor zowel de GC-kwaliteiten als de GD-kwaliteiten uit te werken.
Het JMC besprak per markt de gedetailleerde tenuitvoerlegging van de door de PWG vastgestelde prijsbesluiten en bracht daarover aan deze laatste verslag uit."
69 Volgens Stora brachten de ondernemingen die lid waren van de PWG en het JMC, aldus hun gezamenlijke wil tot uitdrukking om op de afzonderlijke nationale markten identieke en gelijktijdige prijsverhogingen ten uitvoer te leggen.
70 De verklaringen van Stora worden op dit punt bevestigd door verschillende bewijsstukken die door de Commissie worden aangevoerd in de punten 74 en volgende van de considerans van de beschikking.
71 Dienaangaande behoeft slechts te worden verwezen naar de drie prijslijsten welke worden vermeld in de punten 79, 80 en 83 van de considerans van de beschikking. Deze lijsten, die door de Commissie werden aangetroffen bij Rena (bijlagen 110 en 111 bij de mededeling van de punten van bezwaar) en bij Finnboard (UK) Ltd, bevatten met betrekking tot verschillende soorten karton en verschillende landen van de Gemeenschap gegevens omtrent de precieze data en bedragen van de prijsverhogingen die door de betrokken ondernemingen ten uitvoer werden gelegd in respectievelijk april 1989, september/oktober 1989 en april 1990. De in de drie prijslijsten vervatte gegevens corresponderen, wat de bedragen van de prijsverhogingen en de data van hun tenuitvoerlegging betreft, met het vastgestelde werkelijke gedrag van de betrokken ondernemingen op de markt (zie tabellen D, E en F in bijlage bij de beschikking).
72 Bovendien heeft de Commissie bij Rena handgeschreven notities betreffende een vergadering van het JMC van 6 september 1990 aangetroffen (bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar), waarin onder meer de navolgende passage voorkomt:
"Prijsverhoging wordt volgende week in september aangekondigd
Frankrijk 40 FF Nederland 14 Duitsland 12 DM Italië 80 LIT België 2,50 BFR Zwitserland 9 FS Verenigd Koninkrijk 40 UKL Ierland 45 IRL
Alle kwaliteiten moeten gelijk verhoogd worden: GD, UD, GT, GC enz.
Slechts 1 prijsverhoging per jaar. Voor leveringen vanaf 7 januari. Uiterlijk 31 januari. 14 september brief met prijsverhoging (Mayr-Melnhof). 19 september Feldmühle stuurt zijn brief. Cascades vóór eind september. Allen moeten hun brieven vóór 8 oktober verstuurd hebben."
73 Verzoekster ontkent niet, dat de drie bovengenoemde prijslijsten betrekking hebben op een onderlinge afstemming van prijzen, noch dat bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar betrekking heeft op de vergadering van het JMC van 6 september 1990.
74 Zonder dat de andere bewijzen behoeven te worden onderzocht, is het Gerecht derhalve van oordeel, dat de Commissie heeft bewezen, dat de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG en het JMC hebben bijgewoond, hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hadden gebracht om uniforme en gelijktijdige prijsverhogingen ten uitvoer te leggen. De Commissie mocht dus de wilsovereenstemmingen tussen verzoekster en andere kartonproducenten betreffende de prijsinitiatieven vanaf eind 1987 als overeenkomst aanmerken.
75 Bijgevolg zijn verzoeksters argumenten betreffende de beweerde bijzondere kenmerken van de kartonmarkt enerzijds en het ontbreken van een oorzakelijk verband tussen de verhogingen van de catalogusprijzen en de verhogingen van de transactieprijzen niet relevant. Gesteld al dat de feitelijke beweringen die verzoekster in het kader van deze argumenten heeft aangevoerd, juist zijn, dan zou hierdoor de kwalificatie van de door verzoekster vanaf eind 1987 begane inbreuk op het gebied van de prijzen als overeenkomst niet worden aangetast.
76 Dit middel dient dus te worden afgewezen.
Het middel: ontbreken van een overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedraging betreffende het beweerde "prijs vóór tonnage"-beleid
Argumenten van partijen
77 Verzoeksters argumenten kunnen worden ingedeeld in drie categorieën.
78 In de eerste plaats stelt zij, dat er geen overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedraging betreffende de handhaving van de marktaandelen op een vast niveau bestond.
79 Zij betoogt, dat de verklaringen van de Commissie betreffende de beweerde onderlinge afstemming van de "bevriezing" van de marktaandelen van de grote kartonproducenten enkel zijn gebaseerd op de verklaringen van Stora en de vertrouwelijke notitie van 28 december 1988 die bij FS-Karton is aangetroffen (bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar). Deze documenten bevatten echter geen enkele informatie die het bestaan van een overeenkomst of een onderling afgestemde feitelijke gedraging tot "bevriezing" van de marktaandelen aantoont.
80 Bij bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar gaat het slechts om een algemeen verslag van de situatie, dat door de marketingmanager van FS-Karton is opgesteld om tegenover de directie van de groep te rechtvaardigen, waarom de omzet van FS-Karton stagneert. Dienaangaande blijkt uit deze notitie, dat de marketingmanager reserves had met betrekking tot het nieuwe verkoopbeleid van de groep, waarbij de dochterondernemingen een absolute prijsdiscipline werd opgelegd, zelfs indien dat een daling van de verkochte hoeveelheden impliceerde. De notitie bewijst haars inziens, dat een dergelijke beslissing door de directie van de groep was genomen en dat zij aan de marketingmanager van FS-Karton was opgelegd. Deze laatste was overigens niet op de hoogte van de besprekingen binnen de PG Paperboard.
81 De verklaringen van Stora bevatten volgens haar geen enkel bewijs betreffende de beweerde basisovereenkomst omtrent een "prijs vóór tonnage"-beleid. In haar tweede verklaring spreekt Stora slechts van "besprekingen" betreffende de marktaandelen (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, blz. 4 en 11). Ook in de derde verklaring van Stora (bijlage 43 bij de mededeling van de punten van bezwaar) is sprake van "besprekingen" en "understandings" (blz. 1 en 2). Bovendien wordt daarin niet gesproken van een basisovereenkomst, doch van verschillende afzonderlijke - overigens niet door andere documenten gestaafde - overeenkomsten op basis van de cijfers van het voorgaande jaar. Stora heeft het begrip "overeenkomst" niet in de specifieke betekenis van artikel 85 van het Verdrag gebruikt (zie punten 54 e.v. supra), omdat zij had verklaard, dat de "overeenkomsten" tussen de producenten niet bindend waren en slechts werden nageleefd voorzover zij in het eigen belang waren (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, blz. 4, en punt 59 van de considerans van de beschikking).
82 Bovendien is de betrouwbaarheid van de verklaringen van Stora twijfelachtig, aangezien een mogelijke verklaring voor de medewerking van deze onderneming met de Commissie is, dat besprekingen werden gevoerd over het bedrag van de als tegenprestatie toe te kennen verlaging van de geldboete.
83 Ten slotte is de bij de marketingmanager van FS-Karton aangetroffen handgeschreven notitie van 11 januari 1990 (bijlage 113 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punten 84-86 van de considerans van de beschikking) opgesteld ter voorbereiding van een intern rapport voor de directie van Mayr-Melnhof en berusten de daarin vervatte gegevens op eigen ramingen van deze manager, alsmede op inlichtingen die waren ingewonnen tijdens gesprekken met collega's en afnemers. Zijn beweringen worden niet gestaafd door de andere documenten die door de Commissie worden vermeld.
84 In de tweede plaats ontleent verzoekster een argument aan de ontwikkeling van haar marktaandelen. Dienaangaande merkt zij op, dat de uitbreiding van de capaciteit van FS-Karton met 200 000 ton/jaar in 1990 aantoont, dat zij haar marktaandeel op haar voornaamste afzetgebied - de markt van de Gemeenschap - wilde vergroten. Het feit dat zij naar niet-communautaire markten heeft uitgevoerd, heeft niets van doen met de daadwerkelijke beheersing van het aanbod, doch correspondeert met de elementaire regels van marktconform gedrag. Het door haar gevoerde "prijs vóór tonnage"-beleid was gebaseerd op een zelfstandige beslissing om geen algehele instorting van de prijzen op de markt van de Gemeenschap te veroorzaken.
85 Bovendien waren ook de marktaandelen van de verschillende producenten, inclusief haar eigen, gewijzigd. Volgens haar verklaart de Commissie de fluctuaties van de marktaandelen ten onrechte daarmee, dat deze marktaandelen niet statisch waren, doch periodiek na nieuwe onderhandelingen werden aangepast, en dat de besprekingen betreffende de marktaandelen ieder jaar weer op een nieuwe basis werden gevoerd. Er is namelijk geen enkel bewijs voor deze verklaringen, noch voor de verklaring van de Commissie, dat de producenten wier marktaandeel toenam, tot de orde werden geroepen.
86 In de derde plaats gaat verzoekster in op de machinestilstand en de ontwikkeling van de productieomvang.
87 Om te beginnen heeft de Commissie volgens haar niet behoorlijk rekening gehouden met het feit dat de Europese kartonmarkt een kopersmarkt is. In dit verband beschrijft zij de bijzondere kenmerken van de betrekkingen tussen de producenten en hun afnemers.
88 Vervolgens stelt zij, dat de Commissie niet het geringste bewijs heeft geleverd van een afspraak van de grote producenten over machinestilstand. De desbetreffende beweringen berusten slechts op enige vage aanduidingen in de tweede verklaring van Stora. Bovendien heeft de Commissie nooit geantwoord op haar argument, dat zij haar productiecapaciteit altijd ten volle had benut, ofschoon dit argument wordt bevestigd door een overzicht betreffende het gebruik van haar capaciteit in bijlage bij haar verzoekschrift. De in 1990 in de fabrieken van de Mayr-Melnhof-groep vastgestelde feitelijke machinestilstand was veroorzaakt door de inbedrijfneming van een nieuwe machine, onderhoudswerkzaamheden, tests en aanpassingswerkzaamheden.
89 In antwoord op verzoeksters argument verwijst de Commissie voornamelijk naar de in de beschikking vervatte vaststellingen betreffende het "prijs vóór tonnage"-beleid (punten 51-60 van de considerans). Ook verwijst zij naar de tweede verklaring van Stora (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, in het bijzonder blz. 3, 12, 14 en 15).
90 Met betrekking tot in het bijzonder de "bevriezing" van de bestaande marktaandelen van de voornaamste producenten betoogt zij, dat het een noodzakelijk onderdeel van het "prijs vóór tonnage"-beleid was, dat het feitelijke beleid van de leden van het kartel op het gebied van de hoeveelheden diende te controleren. Het bewijs van het bestaan van een onderlinge afstemming betreffende de "bevriezing" van de marktaandelen wordt in het bijzonder geleverd door de bij FS-Karton aangetroffen vertrouwelijke notitie (bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar). Bovendien herinnert zij eraan, dat in de beschikking een hele reeks van andere bewijzen worden genoemd, waarop Mayr-Melnhof in het geheel niet ingaat, en die de gegevens in de tweede verklaring van Stora, alsmede in de vertrouwelijke notitie van FS-Karton tot in details bevestigen (zie punten 84, 87, 94 en 95 van de considerans van de beschikking, alsmede de daarin behandelde documenten).
91 Wat de verklaringen van Stora betreft, herhaalt de Commissie, dat een wilsovereenstemming met het oog op een toekomstig gedrag op de markt een inbreuk op artikel 85 van het Verdrag vormt. Deze verklaringen worden op alle belangrijke punten door andere documenten bevestigd en er is derhalve geen grond om te twijfelen aan de betrouwbaarheid daarvan. Overigens ontkent zij, dat met Stora een afspraak is gemaakt over het niveau van de geldboete en de verlaging die zij op grond van haar medewerking mocht verwachten.
92 Aangaande de uitbreiding van verzoeksters capaciteit beklemtoont de Commissie, dat het kartongebruik in West-Europa tussen 1987 en 1990 met 18,6 % is toegenomen, zodat een zekere capaciteitsuitbreiding in de bedrijfstak noodzakelijk was om aan de gestegen vraag te voldoen. Deze capaciteitsuitbreiding, in het bijzonder als gevolg van de inbedrijfneming van een nieuwe machine door FS-Karton, ging evenwel niet noodzakelijkerwijze gepaard met een wijziging in de marktaandelen.
93 Er bestaan geen aanknopingspunten, dat de productie van de nieuw gecreëerde capaciteit bij FS-Karton op de markt van de Gemeenschap is afgezet. Volgens de door verzoekster verstrekte documenten was haar marktaandeel tussen 1987 en 1991 slechts met 0,6 % toegenomen voor de kwaliteiten GD en met 0,3 % voor de kwaliteiten GC, en had de nieuw gecreëerde capaciteit bij FS-Karton niet tot enige verhoging van haar marktaandelen geleid. De Commissie verklaart dat verzoekster, zoals zij zelf toegeeft, naar derde landen heeft uitgevoerd om een sterke prijsdaling op de markt van de Gemeenschap te voorkomen, hetgeen volstrekt spoort met de doelstellingen van het "prijs vóór tonnage"-beleid.
94 Overigens was ook een vergroting van verzoeksters marktaandelen geen excuus geweest voor haar deelname aan de besprekingen tijdens welke de marktaandelen van de voornaamste kartonproducenten elk jaar opnieuw werden vastgesteld (punt 60 van de considerans van de beschikking).
95 Met betrekking tot de machinestilstand ten slotte stelt de Commissie, dat de door verzoekster gedurende de contentieuze procedure overgelegde documenten aantonen, dat vooral in 1990 de bezettingsgraad van bepaalde fabrieken duidelijk was gedaald ten opzichte van die van voorgaande jaren en dat de bezettingsgraad van de fabriek Hirschwang eveneens sterk was gedaald ten opzichte van de voorgaande jaren.
96 Hoe dan ook is het niet relevant, of verzoekster haar productiecapaciteit inderdaad ten volle had benut. Aangezien het een complex stelsel van overeenkomsten tot onder meer de beheersing van het aanbod en de verdeling van de markten in de Gemeenschap betrof, en verzoekster de vergaderingen van de PWG had bijgewoond tijdens welke het betrokken beleid was vastgesteld, dient de gehele door de producenten gepleegde inbreuk aan haar te worden toegerekend (arrest Gerecht van 10 maart 1992, ICI/Commissie, T-13/89, Jurispr. blz. II-1021, punten 256-261 en 305, en arrest Hercules Chemicals/Commissie, reeds aangehaald, punt 272).
Beoordeling door het Gerecht
1. Het bestaan van een onderlinge afstemming tot bevriezing van de marktaandelen en een onderlinge afstemming tot beheersing van het aanbod
97 Volgens artikel 1 van de beschikking hebben de in deze bepaling genoemde ondernemingen inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag door hun deelname, gedurende de relevante periode, aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging, waarbij de kartonleveranciers in de Gemeenschap "een afspraak maakten over handhaving van de marktaandelen van de grote producenten op vaste niveaus die van tijd tot tijd konden worden gewijzigd" en "in toenemende mate vanaf vooraan in 1990 ter beheersing van het aanbod van het product in de Gemeenschap onderling afgestemde maatregelen namen teneinde de tenuitvoerlegging van de genoemde onderling afgestemde prijsverhogingen te waarborgen".
98 Volgens de Commissie is het initiatief voor deze beide categorieën van heimelijke verstandhoudingen, die in de beschikking worden samengevat onder de titel "beheersing van hoeveelheden", gedurende de relevante periode genomen door de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG. Uit punt 37, derde alinea, van de considerans van de beschikking blijkt namelijk, dat het werkelijke doel van de PWG, zoals omschreven door Stora, "omvatte $bespreking van en onderlinge afstemming over markten, marktaandelen, prijzen, prijsverhogingen en capaciteit'".
99 Met betrekking tot de rol van de PWG bij de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen wordt in de beschikking (punt 37, vijfde alinea, van de considerans) opgemerkt: "In verband met maatregelen tot verhoging van de prijzen werden in de PWG gedetailleerde besprekingen gevoerd over de marktaandelen in West-Europa van de nationale groepen en de afzonderlijke producenten. Deze resulteerden in het bereiken van overeenstemming tussen de deelnemers over hun marktaandelen, met als doel ervoor te zorgen dat de onderling afgestemde prijsverhogingen niet in gevaar werden gebracht door overaanbod. De grote producentengroepen kwamen feitelijk overeen, hun marktaandelen te handhaven op het niveau dat voor elk jaar bleek uit de jaarcijfers over productie en verkoop, die via Fides in definitieve vorm in maart van het daaropvolgende jaar beschikbaar kwamen. Op elke vergadering van de PWG werd de ontwikkeling van de marktaandelen geanalyseerd op basis van de maandelijkse Fides-cijfers; als daaruit aanzienlijke schommelingen bleken, werd van de onderneming die daarvoor verantwoordelijk geacht werd, uitleg gevraagd."
100 Volgens punt 52 van de considerans omvatte "de in 1987 door de PWG bereikte overeenkomst de $bevriezing' van de West-Europese marktaandelen van de belangrijkste producenten op het destijds bestaande niveau, waarbij geen pogingen mochten worden gedaan, door een agressief prijsbeleid nieuwe afnemers te winnen of de bestaande omzet te vergroten".
101 In punt 56, eerste alinea, van de considerans wordt gesteld: "De basisafspraak tussen de voornaamste producenten over de handhaving van hun marktaandelen bleef gedurende de door deze beschikking bestreken periode bestaan." Volgens punt 57 werd "$de ontwikkeling van de marktaandelen' op iedere vergadering van de PWG geanalyseerd op basis van voorlopige statistieken". In punt 56, laatste alinea, ten slotte wordt verklaard: "Aan de besprekingen over marktaandelen namen de producenten deel die in de PWG waren vertegenwoordigd, namelijk: Cascades, Finnboard, KNP (tot 1988), [Mayr-Melnhof], MoDo, Sarrió, de twee producenten van de Stora-groep, CBC en Feldmühle, en (vanaf 1988) Weig."
102 De Commissie heeft dus op juiste wijze aangetoond, dat er tussen de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen bestond.
103 De analyse van de Commissie berust namelijk hoofdzakelijk op de verklaringen van Stora (bijlagen 39 en 43 bij de mededeling van de punten van bezwaar) en wordt bevestigd door bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar.
104 In bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar verklaart Stora: "De PWG kwam vanaf 1986 bijeen om de invoering van discipline op de markt te ondersteunen (...) Naast andere (rechtmatige) activiteiten omvatte het doel: bespreking van en onderlinge afstemming over markten, marktaandelen, prijzen en prijsverhogingen, vraag en capaciteit. Zijn rol bestond onder meer uit het beoordelen van de precieze situatie van vraag en aanbod op de markt, alsmede van de maatregelen die moesten worden genomen om te proberen orde op de markt tot stand te brengen, en om deze beoordeling voor te leggen aan de President Conference."
105 Meer in het bijzonder met betrekking tot de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen deelt Stora mee, dat "de door nationale groepen van de Europese Gemeenschap, EFTA en andere landen behaalde marktaandelen welke door leden van de PG Paperboard waren verstrekt, binnen de PWG werden bestudeerd" en dat de PWG "de mogelijkheid besprak om de marktaandelen op hun niveau van het vorige jaar te handhaven" (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 19). Verder deelt zij (in hetzelfde document, punt 6) mee, dat "besprekingen betreffende marktaandelen van de producenten in Europa ook gedurende deze periode plaatsvonden, waarbij de eerste referentieperiode de niveaus van 1987 waren".
106 In haar antwoord op een vraag van de Commissie van 23 december 1991, dat zij op 14 februari 1992 had verstuurd (bijlage 43 bij de mededeling van de punten van bezwaar), preciseert Stora nog: "De door de PWG-leden gemaakte afspraken betreffende de niveaus van de marktaandelen hadden betrekking op Europa in zijn geheel. Deze afspraken waren gebaseerd op de cijfers van het gehele voorgaande jaar, die gewoonlijk definitief beschikbaar waren in maart van het daaropvolgende jaar" (punt 1.1).
107 Deze verklaring wordt in hetzelfde stuk bevestigd in de navolgende bewoordingen: "(...) de besprekingen leidden tot afspraken die in de regel in maart van elk jaar tussen de leden van de PWG werden gemaakt om hun marktaandelen op het niveau van het voorgaande jaar te houden" (punt 1.4). Stora merkt op, dat "geen maatregelen werden genomen om de naleving van deze afspraken te verzekeren", en dat de leden van de PWG "zich er bewust van waren dat indien zij op bepaalde markten waarop door anderen werd geleverd, uitzonderlijke omzetten zouden maken, deze anderen het hun betaald zouden kunnen zetten op andere markten" (zelfde punt).
108 Ten slotte verklaart zij, dat Mayr-Melnhof heeft deelgenomen aan de besprekingen betreffende de marktaandelen (punt 1.2).
109 De verklaringen van Stora betreffende de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen worden gestaafd door bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar. Dit bij FS-Karton aangetroffen document is een vertrouwelijke notitie van 28 december 1988 betreffende de marktsituatie, welke door de marketingmanager, verantwoordelijk voor de verkoop van de Mayr-Melnhof-groep/FS-Karton in Duitsland (Katzner), is toegestuurd aan de algemeen directeur van Mayr-Melnhof in Oostenrijk (Gröller).
110 Volgens dit in de punten 53 tot en met 55 van de considerans van de beschikking geciteerde document, had deze nauwere samenwerking binnen de "Präsidentenkreis", waartoe in 1987 was besloten, "winnaars" en "verliezers" opgeleverd. De opsteller van de notitie deelt Mayr-Melnhof bij de categorie van verliezers in om verschillende, in het bijzonder de navolgende redenen:
"2) Overeenstemming kon slechts worden bereikt door ons "te bestraffen" - van ons werden "offers" verlangd.
3) De marktaandelen van 1987 moesten worden "bevroren", de bestaande contacten in stand blijven en geen nieuwe activiteiten of soorten door middel van de prijs worden ingepalmd (in januari 1989 zal het resultaat blijken - indien iedereen eerlijk is)."
111 Deze zinnen moeten in de meer algemene context van de notitie worden gelezen.
112 In dit verband wijst de opsteller bij wijze van inleiding op de nauwere samenwerking op Europees niveau in de "Präsidentenkreis". Deze uitdrukking is door verzoekster aldus geïnterpreteerd, dat zij in het algemeen doelt op zowel de PWG als de PC, dat wil zeggen zonder te verwijzen naar een specifieke gebeurtenis of vergadering (bijlage 75 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 2.a).
113 Vervolgens deelt de opsteller mee, dat deze samenwerking heeft geleid tot de "prijsdiscipline", die "winnaars" en "verliezers" heeft opgeleverd.
114 De uitdrukking betreffende de marktaandelen die op de niveaus van 1987 moesten worden bevroren, moet dus worden gelezen in de context van deze prijsdiscipline waartoe door de "Präsidentenkreis" is besloten.
115 Bovendien is de verwijzing naar 1987 als referentiejaar in overeenstemming met de tweede verklaring van Stora (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar; zie punt 84 supra).
116 Met betrekking tot de rol die de PWG heeft gespeeld bij de heimelijke verstandhouding betreffende de beheersing van het aanbod, welke kenmerkend was voor het onderzoek van de machinestilstand, wordt in de beschikking vermeld, dat de PWG een beslissende rol heeft gespeeld bij de tenuitvoerlegging van de machinestilstand, toen vanaf begin 1990 de productiecapaciteit toenam en de vraag afnam: "(...) begin 1990 [achtten] de leidende producenten in de bedrijfstak (...) het noodzakelijk in het kader van de PWG tot onderlinge afspraken over de noodzaak van machinestilstand te komen. De grote producenten zagen in dat zij de vraag niet konden vergroten door de prijzen te verlagen en dat de handhaving van de productie op volle capaciteit alleen maar de prijzen zou doen dalen. Met behulp van de capaciteitsverslagen kon in theorie berekend worden hoe lang de machines moesten stilstaan om vraag en aanbod in evenwicht te brengen. (...)" (punt 70 van de considerans van de beschikking).
117 Verder wordt in de beschikking opgemerkt: "De PWG bepaalde niet formeel voor elke producent voor hoe lang diens machines moesten worden stilgelegd. Volgens Stora bestonden er praktische moeilijkheden bij het vaststellen van een gecoördineerd plan met betrekking tot een stilstand voor alle producenten. Stora verklaart, dat er om deze redenen slechts $een soepel aanmoedigingssysteem bestond'" (punt 71 van de considerans van de beschikking).
118 De Commissie heeft dus genoegzaam aangetoond, dat er tussen de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG een heimelijke verstandhouding betreffende de stilleggingen van de productie bestond.
119 De door haar overgelegde stukken staven haar analyse.
120 In de tweede verklaring (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 24) verklaart Stora: "Met de vaststelling door de PWG van het $prijs vóór tonnage'-beleid en de geleidelijke toepassing van een equivalent systeem van prijzen vanaf 1988, hebben de leden van de PWG erkend, dat wegens een geringere toeneming van de vraag machinestilstand ($downtime') nodig was om deze prijzen te handhaven. Zonder machinestilstand door de producenten zou het wegens de steeds grotere overcapaciteit onmogelijk zijn geweest de overeengekomen prijsniveaus te handhaven."
121 In het volgende punt van haar verklaring voegt zij daaraan toe: "In 1988 en 1989 werd nagenoeg de volledige capaciteit van de bedrijfstak benut. Boven de normale stilleggingen in verband met onderhoud en vakantie was vanaf 1990 geen machinestilstand noodzakelijk. Later, toen de bestellingen afnamen, bleek machinestilstand noodzakelijk om het $prijs vóór tonnage'-beleid te handhaven. De hoeveelheid $downtime' die de producenten moesten nemen (om het evenwicht tussen productie en consumptie te handhaven), kon worden berekend op basis van de capaciteitsverslagen. De PWG had niet formeel $downtime' toegewezen, ofschoon er een soepel aanmoedigingssysteem bestond (...)"
122 Wat bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar betreft, vormen de redenen welke door de opsteller ervan worden gegeven om te verklaren waarom hij verzoekster als "verliezer" beschouwde toen hij de notitie opstelde, belangrijke bewijzen dat er met betrekking tot de machinestilstand een heimelijke verstandhouding bestond tussen de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG.
123 De opsteller ervan stelt namelijk vast:
"4) Op dit punt beginnen de opvattingen van de betrokkenen over de doelstelling uiteen te lopen.
(...)
c) Alle verkopers en Europese vertegenwoordigers werden van hun geraamde hoeveelheden ontheven en er werd een bijna waterdichte, harde prijspolitiek verdedigd (de medewerkers verstonden vaak niet, waarom onze houding ten opzichte van de markt was gewijzigd - vroeger werd enkel een tonnage verlangd en thans enkel prijsdiscipline met het risico van machinestilstand)."
124 Verzoekster stelt in bijlage 75 bij de mededeling van de punten van bezwaar en in haar memories voor het Gerecht (punt 80 supra), dat de notitie, en dus ook de hierboven weergegeven passage, op een interne bedrijfssituatie slaat. Gelezen in het licht van de meer algemene context van de notitie komt in dit uittreksel evenwel tot uiting, dat op het niveau van de verkoopteams een in het kader van de "Präsidentenkreis" vastgesteld, strikt prijsbeleid werd toegepast. Het document moet dus aldus worden uitgelegd, dat het inhoudt, dat de deelnemers aan de overeenkomst van 1987, dat wil zeggen op zijn minst degenen die de vergaderingen van de PWG bijwoonden, ontegenzeglijk de consequenties hebben ingeschat, die het vastgestelde beleid zou hebben, ingeval dit strikt zou worden toegepast.
125 Het feit dat tussen de producenten tijdens de voorbereiding van de prijsverhogingen is gesproken over het onderzoek van de machinestilstand, wordt onder meer bevestigd door een notitie van Rena van 6 september 1990 (bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar), waarin melding wordt gemaakt van de bedragen van de prijsverhogingen in verschillende landen, de data van de toekomstige aankondigingen van deze prijsverhogingen, alsmede voor verschillende producenten de stand van hun in arbeidsdagen uitgedrukte orderportefeuille.
126 De opsteller van het document merkt op, dat bepaalde producenten machinestilstand voorzagen, hetgeen hij bijvoorbeeld uitdrukt als volgt:
"Kopparfors 5-15 days 5/9 will stop for five days."
127 Verzoekster, die de vergadering van het JMC heeft bijgewoond waarop de notitie betrekking heeft (tabel 4 in bijlage bij de beschikking), wordt in dit document herhaaldelijk genoemd. In het bijzonder wordt daarin de datum aangegeven waarop zij de brieven tot aankondiging van de prijsverhogingen moest verzenden. Verder staat daarin te lezen:
"Deisswil 5 days (GC) 2.5 week for GD plan to stop within 2 weeks step (?)."
128 Op basis van het voorgaande moet worden geconcludeerd, dat de Commissie het bestaan van een heimelijke verstandhouding tussen de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG betreffende de marktaandelen, alsmede het bestaan van een heimelijke verstandhouding tussen deze zelfde ondernemingen betreffende de machinestilstand rechtens genoegzaam heeft bewezen. Voor zover niet wordt betwist, dat verzoekster de vergaderingen van de PWG heeft bijgewoond, en deze onderneming uitdrukkelijk wordt genoemd in de voornaamste belastende bewijsstukken (verklaringen van Stora en bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar), heeft de Commissie verzoekster terecht aansprakelijk gesteld voor een deelneming aan deze beide heimelijke verstandhoudingen.
129 Verzoeksters kritiek op de verklaringen van Stora, waarmee zij de bewijskracht hiervan betwist, kan aan deze vaststelling niet afdoen.
130 Vaststaat namelijk, dat de verklaringen van Stora afkomstig zijn van een van de ondernemingen die worden geacht bij de gestelde inbreuk betrokken te zijn geweest, en dat zij een gedetailleerde beschrijving bevatten van de aard van de binnen de organen van de PG Paperboard gevoerde besprekingen, van het doel dat werd nagestreefd door de daarin verenigde ondernemingen, alsmede van de deelneming van deze ondernemingen aan de vergaderingen van haar verschillende organen. Voor zover dit kernbewijsstuk door andere stukken in het dossier wordt bevestigd, worden de verklaringen van de Commissie daardoor afdoende gestaafd.
131 Bijgevolg heeft de Commissie het bestaan van de beide betrokken heimelijke verstandhoudingen aangetoond, zodat verzoeksters kritiek op bijlage 113 bij de mededeling van de punten van bezwaar niet behoeft te worden onderzocht.
2. Het feitelijke gedrag van verzoekster
132 Verzoeksters argumenten, volgens welke haar feitelijke gedrag op de markt niet is te rijmen met de verklaringen van de Commissie betreffende het bestaan van de beide betwiste heimelijke verstandhoudingen, kunnen evenmin worden aanvaard.
133 In de eerste plaats mag het bestaan van de heimelijke verstandhoudingen tussen de leden van de PWG betreffende de beide aspecten van het "prijs vóór tonnage"-beleid niet worden verward met de uitvoering daarvan. De door de Commissie verstrekte bewijzen hebben namelijk een zodanige bewijskracht, dat de inlichtingen betreffende het feitelijke gedrag van verzoekster op de markt niet kunnen afdoen aan de conclusies van de Commissie betreffende het bestaan zelf van de heimelijke verstandhoudingen betreffende de beide aspecten van het betrokken beleid. Hooguit zouden verzoeksters beweringen kunnen aantonen, dat haar gedrag niet strookte met de beleidslijn die tussen de ondernemingen in het kader van de PWG was overeengekomen.
134 In de tweede plaats zijn de conclusies van de Commissie niet in tegenspraak met de door verzoekster verstrekte inlichtingen. Beklemtoond moet worden, dat de Commissie uitdrukkelijk erkent, dat de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen "geen formeel mechanisme van strafmaatregelen of compensatie [inhield] om de afspraak betreffende de marktaandelen af te dwingen", en dat de marktaandelen van een aantal grote producenten jaarlijks omhoogkropen (zie in het bijzonder punten 59 en 60 van de considerans van de beschikking). Bovendien geeft de Commissie toe, dat tot begin 1990 de volledige capaciteit van de bedrijfstak werd benut, zodat tot die datum vrijwel geen machinestilstand noodzakelijk was (punt 70 van de considerans van de beschikking).
135 In de derde plaats is het vaste rechtspraak, dat het feit dat een onderneming zich niet houdt aan de resultaten van vergaderingen die een kennelijk mededingingsverstorend doel hebben, haar niet van de volle aansprakelijkheid voor haar deelneming aan het kartel kan ontslaan, wanneer zij zich niet publiekelijk van de inhoud van de vergaderingen heeft gedistantieerd (zie bijvoorbeeld arrest Gerecht van 6 april 1995, Tréfileurope/Commissie, T-141/89, Jurispr. blz. II-791, punt 85). Zelfs indien verzoekster zich op de markt niet op de overeengekomen wijze heeft gedragen, in het bijzonder indien zij, zoals zij betoogt, haar productiecapaciteit in 1990 ten volle heeft benut, doet zulks dus niets af aan haar aansprakelijkheid voor een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
3. De juridische kwalificatie van de onderlinge afstemming tot bevriezing van de marktaandelen en de onderlinge afstemming tot beheersing van het aanbod
136 Op de vraag betreffende de juridische kwalificatie van de onderlinge afstemming tot bevriezing van de marktaandelen en de onderlinge afstemming tot beheersing van het aanbod moet worden ingegaan in het kader van het middel betreffende het ontbreken van een gemeenschappelijk plan voor de bedrijfstak ter beperking van de mededinging (punten 137 e.v. infra).
Het middel: ontbreken van een gemeenschappelijk beleid in de bedrijfstak ter beperking van de mededinging
Argumenten van partijen
137 Verzoekster betoogt, dat de Commissie geen bewijs voor het bestaan van een overeenkomst betreffende een gemeenschappelijk beleid in de bedrijfstak ter beperking van de mededinging heeft geleverd. Daarvoor baseert zij zich voornamelijk op de argumenten die zij in het kader van de beide voorgaande middelen heeft aangevoerd.
138 Bovendien blijkt haars inziens uit het bezwaar betreffende het bestaan van een dergelijk beleid niet, waarin de ten laste gelegde inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag zou bestaan. Volgens verzoekster is geen overeenkomst gesloten welke bindend was voor de partijen en waarbij zij werden verplicht om een gemeenschappelijk beleid in de bedrijfstak ter beperking van de mededinging uit te voeren (zie betreffende het begrip overeenkomst de punten 54 e.v. supra).
139 De Commissie antwoordt op dit middel in het kader van haar betoog betreffende het middel dat er geen sprake was van een prijsovereenkomst (zie punten 58 e.v. supra).
Beoordeling door het Gerecht
140 Hiervoor is vastgesteld, dat de ondernemingen die lid waren van de PWG, hebben deelgenomen aan een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen, een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand en een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen.
141 Volgens artikel 1 van de beschikking hebben de in deze bepaling genoemde ondernemingen inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag door hun deelname, gedurende de relevante periode, aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging die van medio 1986 stammen en waarbij de kartonleveranciers in de Gemeenschap "regelmatig in een reeks geheime en geïnstitutionaliseerde vergaderingen bijeenkwamen met het oog op het bespreken van en het bereiken van overeenstemming over een gemeenschappelijk beleid in de bedrijfstak ter beperking van de mededinging".
142 Naar luid van de motivering van de beschikking heeft "vanaf eind 1987, door de concretisering van de geleidelijk toenemende heimelijke samenwerking van de producenten bij de zogenaamde $prijs vóór tonnage-regeling', de inbreuk alle kenmerken van een volledige $overeenkomst' in de zin van artikel 85 vertoond" (punt 131, eerste alinea, van de considerans).
143 De Commissie heeft de versterkte samenwerking tussen de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG vanaf eind 1987 terecht als een overeenkomst in de zin van artikel 85 van het Verdrag aangemerkt. Deze ondernemingen hebben namelijk hun gezamenlijke wil tot uitdrukking gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen (zie in het bijzonder de arresten aangehaald in punt 65 supra). Op grond van het voorgaande moet worden vastgesteld, dat deze ondernemingen hun gemeenschappelijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om hun prijzen uniform en gelijktijdig te verhogen, het aanbod te beheersen door machinestilstand te onderzoeken en hun marktaandelen op vaste niveaus te handhaven die van tijd tot tijd konden worden gewijzigd.
144 Met betrekking tot de periode van medio 1986 tot eind 1987 verklaart de Commissie in de beschikking (punt 132 van de considerans): "Hoewel de heimelijke verstandhouding tussen de producenten zich waarschijnlijk eerst rond eind 1987 in de volledige $prijs vóór tonnage'-overeenkomst uitkristalliseerde, betekent dit echter niet, dat hun gedrag in de daaraan voorafgaande achttien maanden buiten het toepassingsgebied van artikel 85 valt." Aangezien ervan moet worden uitgegaan dat het begin van de heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand en van de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen eind 1987 moet worden gedateerd, kan deze verklaring van de Commissie slechts slaan op de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen.
145 Verzoekster betwist evenwel niet, dat zij heeft deelgenomen aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging betreffende prijzen (punt 55 supra), zodat de juistheid van deze kwalificatie niet behoeft te worden onderzocht.
146 Aangezien geen van verzoeksters argumenten is aanvaard, moet dit middel worden afgewezen.
Het middel betreffende de rechtmatigheid van het Fides-systeem van informatie-uitwisseling
Argumenten van partijen
147 Verzoekster betoogt, dat de Commissie ten onrechte heeft aangenomen, dat het Fides-systeem van informatie-uitwisseling een belangrijke rol heeft gespeeld bij de uitvoering van de beweerde afspraken betreffende quota en hoeveelheden. De in het kader van het systeem van informatie-uitwisseling aan Fides meegedeelde gegevens waren per land geaggregeerd en waren derhalve niet geschikt om een eventuele overeenkomst of onderling afgestemde gedraging te controleren.
148 De door Fides behandelde gegevens betreffende de orderportefeuilles hadden de producenten slechts een overzicht van de algemene situatie op de markt kunnen geven. De uitwisseling van geaggregeerde gegevens, die slechts reeds geplaatste orders betroffen, heeft de mededinging niet kunnen aantasten. Zij diende integendeel tot grondslag voor de individuele maatregelen van de producenten (machinestilstand, afzet op markten van derde landen, enz.).
149 De door Fides gedistribueerde capaciteitsverslagen bevatten hoofdzakelijk gegevens die reeds bekend waren op de markt en in reeds beschikbare en algemeen toegankelijke compendia waren opgenomen.
VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER: 694A0347.1
150 De Commissie merkt op, dat de uitgewisselde informaties zijn gebruikt om een onderling gedragspatroon van de gehele bedrijfstak op het gebied van de prijzen en de hoeveelheden te plannen (punt 134 van de considerans van de beschikking).
151 Bovendien hadden de kartonproducenten met behulp van de inlichtingen betreffende de capaciteit, gecombineerd met de inlichtingen betreffende de orderportefeuilles, de bezettingsgraad in de bedrijfstak kunnen vaststellen. De inlichtingen betreffende de orderportefeuilles waren evenwel niet toegankelijk voor de afnemers, zodat er geen algemene markttransparantie bestond. Verder moet voor de beoordeling van het belang van de capaciteitsverslagen rekening worden gehouden met alle uitgewisselde inlichtingen.
152 De Commissie verklaart, dat een informatie-uitwisseling met het oog op een onderlinge afstemming als zodanig onder artikel 85 van het Verdrag valt. De vraag of de statistieken betreffende de orders individualiseerbare gegevens bevatten, is derhalve niet relevant.
Beoordeling door het Gerecht
153 Volgens artikel 1 van de beschikking hebben de in deze bepaling genoemde ondernemingen inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag door hun deelname aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging, waarbij de ondernemingen onder meer "ter ondersteuning van de bovengenoemde maatregelen [te weten een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen, een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen en een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand] commerciële informatie uitwisselden over leveringen, prijzen, machinestilstand, orderportefeuilles en bezettingsgraden".
154 Gelet op haar dispositief en punt 134, derde alinea, van de considerans, moet de beschikking, wat het Fides-systeem van informatie-uitwisseling betreft, aldus worden uitgelegd, dat de Commissie dit systeem in strijd met artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft beschouwd voor zover het het vastgestelde kartel ondersteunde.
155 In punt 134, derde alinea, van de considerans van de beschikking wordt gepreciseerd, dat het Fides-systeem van informatie-uitwisseling "een wezenlijke bijdrage was tot:
- het toezicht op de ontwikkeling van de marktverdeling;
- het toezicht op de voorwaarden van vraag en aanbod teneinde een volledige capaciteitsbezetting te handhaven;
- de besluitvorming over de mogelijke invoering van onderling afgestemde prijsverhogingen;
- het bepalen van de noodzakelijke machinestilstandtijd ($downtime')".
156 Verder blijkt uit de beschikking, dat de Fides-statistieken in de PWG zijn onderzocht en besproken. In punt 57, eerste alinea, van de considerans, die eveneens verwijst naar punt 63 daarvan, wordt verklaard: "$De ontwikkeling van de marktaandelen' werd op iedere vergadering van de PWG geanalyseerd op basis van voorlopige statistieken." Verder wordt in punt 69, eerste alinea, van de considerans gepreciseerd: "De wekelijkse orderportefeuille [$weekly order backlog'] kon worden vergeleken met de beschikbare capaciteit, en in het licht hiervan kon de PWG van de totale omvang van de vraag in de kartonindustrie een beoordeling opstellen."
157 Deze verklaringen van de Commissie moeten dus als bewezen worden beschouwd.
158 In de eerste plaats ontkent verzoekster niet, dat de Fides-statistieken in de PWG zijn besproken.
159 In de tweede plaats heeft de Commissie zich terecht op het standpunt gesteld, dat de Fides-statistieken binnen dit orgaan zijn gebruikt voor "het toezicht op de ontwikkeling van de marktverdeling" (punt 134, derde alinea, eerste streepje) alsmede voor "het toezicht op de voorwaarden van vraag en aanbod teneinde een volledige capaciteitsbezetting te handhaven" en "het bepalen van de noodzakelijke machinestilstandtijd ($downtime')" (punt 134, derde alinea, tweede en vierde streepje).
160 Aangaande het gebruik van de Fides-statistieken voor "het toezicht op de ontwikkeling van de marktverdeling" heeft Stora namelijk erkend, dat "indien na analyse van de statistieken bleek dat het niveau van de verkopen door nationale groepen te sterk schommelden, de leden van de PWG (...) elkaar stimuleerden en toezegden om de fluctuaties op nationale markten te beperken" (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 19).
161 Verder staat in bijlage 43 bij de mededeling van de punten van bezwaar te lezen (punt 1.1):
"De fluctuaties van het aanbod op de nationale markten werden tijdens iedere vergadering van de PWG (dat wil zeggen om de twee of drie maanden) geanalyseerd en besproken op basis van voorlopige statistieken van Fides (...). Deze werden per maand opgesteld met een totaal per kalenderjaar en niet op basis van een totaal van het lopende jaar. De fluctuaties die in de statistieken tot uiting kwamen, gaven niet per sé nauwkeurig de uiteindelijke situatie aan het eind van het jaar weer en men kon zich niet met grote zekerheid erop verlaten.
Het had voor de grote producenten die in de PWG vertegenwoordigd waren, geen zin om de marktaandelen gedetailleerd op een nationale grondslag te bespreken, aangezien de producenten de eindbestemmingen van hun leveranties niet konden bepalen.
(...)
De door de PWG-leden gemaakte afspraken betreffende de niveaus van de marktaandelen hadden betrekking op Europa in zijn geheel. Deze afspraken waren gebaseerd op de cijfers van het gehele voorgaande jaar, die gewoonlijk definitief beschikbaar waren in maart van het daarop volgende jaar."
162 Met betrekking tot het gebruik van de Fides-statistieken voor "het toezicht op de voorwaarden van vraag en aanbod teneinde een volledige capaciteitsbezetting te handhaven" en "het bepalen van de noodzakelijke machinestilstandtijd ($downtime')" zij verwezen naar de navolgende verklaring van Stora (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 5):
"In verband met het prijsinitiatief uit 1987 was het noodzakelijk, een globaal evenwicht te handhaven tussen productie en consumptie ($prijs vóór tonnage'-beleid). In 1988 en 1989 draaiden de producenten met volledige of nagenoeg volledige capaciteit. In 1990 leidde een combinatie van capaciteitsuitbreiding en een afnemende groei van de vraag ertoe, dat de producenten downtime begonnen te nemen om het evenwicht tussen productie en verbruik te handhaven. (...) Uit de jaarlijkse capaciteitsverslagen konden de producenten opmaken, hoeveel downtime noodzakelijk was, en zij stimuleerden elkaar om genoeg downtime te nemen om het evenwicht tussen productie en vraag te handhaven. (...) niet alle producenten namen aldus downtime, met als consequentie dat sommige, in de regel de grootste, producenten in hun poging om de prijsniveaus te handhaven, grotere verliezen in tonnage leden" (in dezelfde zin punt 25 van dit document).
163 De verklaringen van Stora worden indirect bevestigd door de bijlagen 73 en 75 bij de mededeling van de punten van bezwaar. Uit bijlage 73 (zie punten 109 e.v. supra) blijkt namelijk, dat de marketingmanager, verantwoordelijk voor de verkoop van de Mayr-Melnhof-groep/FS-Karton in Duitsland (Katzner), aan de algemeen directeur van verzoekster in Oostenrijk een wijziging van het destijds geldende Fides-systeem van informatie-uitwisseling heeft voorgesteld (blz. 5, sub 5, onder de titel "Kontrolle"). Blijkens bijlage 75 (blz. 11), een antwoord van verzoekster op een verzoek om inlichtingen, zijn "de Fides-regels later ongeveer in de zin van de [in bijlage 73] vervatte voorstellen gewijzigd" (zie eveneens punt 63, tweede alinea, van de considerans van de beschikking). Gelet op de algemene toon van bijlage 73, moet het verzoek om wijziging van het Fides-systeem van informatie-uitwisseling van de heer Katzner aldus worden uitgelegd, dat dit systeem niet voldoende toezicht op de ontwikkeling van de marktaandelen en/of onderzoek van machinestilstand mogelijk maakte en dat het bijgevolg moest worden verbeterd om een beter toezicht te verzekeren.
164 Gelet op deze bewijzen en op het feit dat de Commissie zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoekster binnen de PWG heeft deelgenomen aan een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand en een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen, dient dit middel te worden afgewezen.
De vordering tot nietigverklaring van artikel 2 van de beschikking
Argumenten van partijen
165 Verzoekster betoogt primair, dat artikel 2 van de beschikking, betreffende het verbod om voortaan informatie uit te wisselen, te vaag en algemeen is geformuleerd om daaruit te kunnen opmaken, welke soorten van gegevens in de toekomst mogen worden uitgewisseld. Bijna elk systeem van informatie-uitwisseling lijkt namelijk onder dit verbod te kunnen vallen.
166 Bovendien is artikel 2 van de beschikking zinledig, voor zover het betrekking heeft op maatregelen die na de reorganisatie van het systeem van informatie-uitwisseling en de oprichting van de branche-organisatie CEPI-Cartonboard zijn opgegeven (zie punt 106 van de considerans van de beschikking).
167 Subsidiair betoogt verzoekster, dat artikel 2 van de beschikking nietig moet worden verklaard, voor zover het de uitwisseling van alle gegevens (ook indien geaggregeerd) verbiedt betreffende de stand van de binnenkomende orders en van de orderportefeuille, dat wil zeggen zuiver statistische gegevens [zie bekendmaking van de Commissie inzake overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreffende samenwerking tussen ondernemingen (PB 1968, C 75, blz. 3, gerectificeerd in PB 1968, C 84, blz. 14) en het Zevende verslag over het mededingingsbeleid, punt 7].
168 Door de uitwisseling van dergelijke inlichtingen wordt evenwel geen inbreuk op het beginsel gemaakt, dat elke marktdeelnemer zelfstandig moet bepalen, welk beleid hij op de markt zal voeren (arrest Gerecht van 17 december 1991, BASF/Commissie, T-4/89, Jurispr. blz. II-1523, punt 240). De uitwisseling van zuiver historische en niet-individualiseerbare gegevens is namelijk slechts in strijd met het Verdrag, wanneer zij gepaard gaat met een verdergaande samenwerking tussen ondernemingen.
169 Ten slotte betoogt verzoekster, dat artikel 2 van de beschikking vooruitloopt op de beslissing betreffende het systeem van informatie-uitwisseling dat door CEPI-Cartonboard bij de Commissie is aangemeld. In geval van een dergelijke aanmelding is de Commissie verplicht, na te gaan of voldaan wordt aan de voorwaarden voor een ontheffing. Het door CEPI-Cartonboard aangemelde systeem van informatie-uitwisseling heeft juist betrekking op de uitwisseling van historische gegevens betreffende de stand van de binnenkomende orders en de orderportefeuilles.
170 De Commissie betwist, dat het verbod om voortaan informatie uit te wisselen te vaag is. Het volstaat namelijk, dat het dispositief en de motivering van de beschikking aangeven, aan welk mededingingsverstorend gedrag een einde dient te worden gemaakt (arrest Hof van 16 december 1975, Suiker Unie e.a./Commissie, 40/73-48/73, 50/73, 54/73, 55/73, 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Jurispr. blz. 1663, punten 122-124). In casu bevat artikel 2, eerste alinea, sub a tot en met c, van de beschikking reeds een gedetailleerde beschrijving van de aard van de ongeoorloofde informatie-uitwisseling. Verder zijn de feitelijke vaststellingen betreffende de informatie-uitwisselingen gedetailleerd uiteengezet in de punten 61 tot en met 68, 105 en 106 van de considerans van de beschikking. Bovendien bevat de beschikking een nauwkeurige beschrijving van de mededingingsbeperkende gevolgen van de informatie-uitwisseling (punten 134 en 166 van de considerans). De strekking van het verbod blijkt derhalve duidelijk uit artikel 2 van de beschikking, gelezen in samenhang met de motivering daarvan.
171 In artikel 2, tweede en derde alinea, van de beschikking wordt slechts uiteengezet, hoe een geoorloofde informatie-uitwisseling kan worden opgezet.
172 Eveneens betwist de Commissie, dat het verbod een te ruime strekking heeft. Het stelsel van informatie-uitwisseling was namelijk ook na de door de PWG op 27 november 1991 vastgestelde wijzigingen nog onverenigbaar met artikel 85 van het Verdrag (punten 105 en 106 van de considerans van de beschikking). Bij de beoordeling van de informatie-uitwisseling moet rekening worden gehouden met de hoge graad van concentratie in de bedrijfstak, alsmede met het feit dat de verschillende ondernemingen als gevolg van de tot dan toe bestaande samenwerking binnen de PG Paperboard zeer goed op de hoogte waren van de structuur en het beleid van de ondernemingen. Op geconcentreerde markten berust de mededingingsreserve vooral in de onzekerheid van en geheimhouding tussen de voornaamste aanbieders betreffende de marktcondities. Wanneer met korte tussenpozen informatie betreffende orderportefeuilles wordt uitgewisseld, wordt de markt als gevolg daarvan kunstmatig zo transparant, dat de bestaande mededingingsreserve uiteindelijk niet meer kan worden gemobiliseerd.
173 Bovendien kon door de wekelijkse uitwisseling van statistieken betreffende de binnenkomende orders tezamen met de capaciteitsverslagen de bezettingsgraad in de bedrijfstak worden vastgesteld en bedrijfstaksgewijs eventueel een stilstand worden gepland. De producenten konden aldus een evenwicht tussen vraag en aanbod handhaven en ingeval van een afnemende vraag een prijsdaling tegengaan. Voor het intreden van deze gevolgen is het van geen belang, of de gegevens zijn geïndividualiseerd, dan wel of zij op reeds geplaatste orders betrekking hebben. De Commissie was er dan ook terecht van uitgegaan, dat een uitwisseling van informatie betreffende de stand van de binnenkomende orders, alsmede betreffende de orderportefeuilles, ook indien geaggregeerd, in strijd is met artikel 85, lid 1, van het Verdrag, een conclusie die in overeenstemming is met de tijdens het onderzoek van de zaak verkregen inlichtingen.
174 Ten slotte onderscheidt het door de branche-organisatie CEPI-Cartonboard aangemelde stelsel van informatie-uitwisseling zich van de uitwisseling waarop de beschikking betrekking heeft, daar CEPI-Cartonboard in het bijzonder een aantal wijzigingen in haar systeem heeft aangebracht om rekening te houden met de bezwaren van de Commissie. De vraag van een eventuele vrijstelling behoefde derhalve niet in het kader van de onderhavige procedure te worden onderzocht.
Beoordeling door het Gerecht
175 Artikel 2 van de beschikking luidt:
"De in artikel 1 vermelde ondernemingen dienen onverwijld aan de genoemde inbreuk een einde te maken, voor zover zij zulks niet reeds hebben gedaan. Zij dienen zich voortaan met betrekking tot hun kartonactiviteiten te onthouden van elke overeenstemming of onderling afgestemde feitelijke gedraging die hetzelfde of een gelijksoortig doel of gevolg kan hebben, met inbegrip van elke uitwisseling van commerciële informatie,
a) waardoor de deelnemers rechtstreeks of onrechtstreeks in kennis worden gesteld van de productie, verkoop, orderportefeuille, bezettingsgraden, verkoopprijzen, kosten of afzetplannen van andere individuele producenten of
b) waardoor, zelfs al wordt geen individuele informatie bekendgemaakt, een gemeenschappelijke reactie van de bedrijfstak op de economische voorwaarden met betrekking tot prijzen of productiebeheersing wordt bevorderd, vergemakkelijkt of aangemoedigd of
c) waardoor zij in staat zouden kunnen zijn de aansluiting bij of het volgen van uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomsten betreffende prijzen of marktverdeling in de Gemeenschap te controleren.
Elke regeling voor de uitwisseling van algemene informatie waaraan zij deelnemen, zoals het Fides-stelsel of de opvolger daarvan, dient zodanig te worden gehanteerd dat niet alleen inlichtingen worden uitgesloten waaruit het gedrag van individuele producenten kan worden afgeleid, doch ook gegevens betreffende de huidige stand van de binnenkomende orders en van de orderportefeuille, de voorziene bezettingsgraad van de productiecapaciteit (in beide gevallen ook indien geaggregeerd) of betreffende de productiecapaciteit van elke machine.
Een dergelijk uitwisselingsstelsel dient te worden beperkt tot vergaring en verspreiding, in geaggregeerde vorm, van productie- en verkoopstatistieken die niet kunnen worden gebruikt om een gemeenschappelijk gedragspatroon in de bedrijfstak te bevorderen of te vergemakkelijken.
Ook wordt van de ondernemingen vereist dat zij zich onthouden van elke uitwisseling van informatie van concurrentiële betekenis naast dergelijke toegestane uitwisselingen en van elke vergadering of ander contact ter bespreking van de betekenis van de uitgewisselde informatie of de mogelijke of waarschijnlijke reactie van de bedrijfstak of van individuele producenten op die informatie.
Een periode van drie maanden na de datum van mededeling van deze beschikking wordt toegestaan om in enigerlei stelsel van uitwisseling van inlichtingen de nodige wijzigingen aan te brengen."
176 Zoals blijkt uit punt 165 van de considerans, is artikel 2 van de beschikking vastgesteld op grond van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17. Krachtens deze bepaling kan de Commissie, indien zij vaststelt dat een inbreuk op artikel 85 van het Verdrag is gepleegd, de betrokken ondernemingen verplichten aan de vastgestelde inbreuk een einde te maken.
177 Het is vaste rechtspraak, dat de toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 het verbod kan omvatten, zekere activiteiten, praktijken of toestanden te continueren, waarvan de onrechtmatigheid is vastgesteld (arrest Hof van 6 maart 1974, Istituto Chemioterapia Italiano en Commercial Solvents/Commissie, 6/73 en 7/73, Jurispr. blz. 223, punt 45, en 6 april 1995, RTE en ITP/Commissie, C-241/91 P en C-242/91 P, Jurispr. blz. I-743, punt 90), doch ook het verbod van gelijkaardige gedragingen in de toekomst (arrest Gerecht van 6 oktober 1994, Tetra Pak/Commissie, T-83/91, Jurispr. blz. II-755, punt 220).
178 Voor zover de toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 moet zijn afgestemd op de vastgestelde inbreuk, is de Commissie bevoegd te preciseren, aan welke verplichtingen de betrokken ondernemingen moeten voldoen om een einde aan deze inbreuk te maken. Dergelijke op de ondernemingen rustende verplichtingen mogen evenwel niet verder gaan dan hetgeen passend en noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken, namelijk het herstel van een rechtsconforme toestand (arrest RTE en ITP/Commissie, reeds aangehaald, punt 93; in dezelfde zin arresten Gerecht van 8 juni 1995, Langnese-Iglo/Commissie, T-7/93, Jurispr. blz. II-1533, punt 209, en Schöller/Commissie, T-9/93, Jurispr. blz. II-1611, punt 163).
179 Wat om te beginnen verzoeksters argument betreft, dat de Commissie het recht onjuist heeft toegepast, door artikel 2 van de beschikking vast te stellen zonder een standpunt te hebben bepaald ter zake van de verenigbaarheid van het door de branche-organisatie CEPI-Cartonboard aangemelde stelsel van informatie-uitwisseling met artikel 85, zij opgemerkt, dat de door deze organisatie gedane aanmelding betrekking had op een nieuw stelsel van informatie-uitwisseling, dat zich onderscheidde van het stelsel dat door de Commissie in de beschikking is onderzocht. Bij de vaststelling van artikel 2 van de bestreden beschikking heeft de Commissie bijgevolg de rechtmatigheid van het nieuwe stelsel niet in het kader van deze beschikking kunnen beoordelen. Derhalve mocht zij haar onderzoek beperken tot het oude stelsel van informatie-uitwisseling en bij de vaststelling van artikel 2 van de beschikking een standpunt met betrekking tot dit oude stelsel bepalen.
180 Bovendien dient verzoeksters argument te worden afgewezen, dat de Commissie geen gebruik mocht maken van haar bevoegdheid om krachtens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 geboden tot haar te richten, aangezien deze geboden betrekking hebben op aspecten van het stelsel van informatie-uitwisseling, die vóór de vaststelling van de beschikking waren opgegeven. Dienaangaande volstaat de opmerking, dat verzoekster de materiële strekking van de in artikel 2 van de beschikking vervatte geboden bestrijdt, hetgeen het gewettigd belang aantoont dat de Commissie erbij had om de omvang van de verplichtingen te preciseren die op de ondernemingen, waaronder verzoekster, rusten (zie in dezelfde zin arrest Hof van 2 maart 1983, GVL/Commissie, 7/82, Jurispr. blz. 483, punten 26-28).
181 Om in casu dus te bepalen of, zoals verzoekster stelt, het in artikel 2 van de beschikking vervatte gebod een te ruime strekking heeft, moet de omvang van de verschillende daarin aan de ondernemingen opgelegde verboden worden onderzocht.
182 Het in artikel 2, eerste alinea, tweede zin, vervatte verbod, volgens hetwelk de ondernemingen zich voortaan dienen te onthouden van elke overeenstemming of onderling afgestemde feitelijke gedraging die hetzelfde of een gelijksoortig doel of gevolg kan hebben als de in artikel 1 van de beschikking vastgestelde inbreuken, beoogt enkel de ondernemingen te beletten, de gedragingen te herhalen waarvan is vastgesteld dat zij onrechtmatig zijn. Bijgevolg heeft de Commissie, toen zij een dergelijk verbod oplegde, niet de grenzen van de haar bij artikel 3 van verordening nr. 17 verleende bevoegdheden overschreden.
183 De bepalingen in artikel 2, eerste alinea, sub a, b en c, betreffen meer in het bijzonder verboden om voortaan nog commerciële informatie uit te wisselen.
184 Het in artikel 2, eerste alinea, sub a, vervatte verbod om voortaan commerciële informatie uit te wisselen waardoor de deelnemers rechtstreeks of indirect individuele informatie kunnen ontvangen betreffende concurrerende ondernemingen, onderstelt dat de Commissie in de beschikking heeft vastgesteld dat een dergelijke informatie-uitwisseling onrechtmatig is, wat artikel 85, lid 1, van het Verdrag betreft.
185 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat in artikel 1 van de beschikking niet wordt verklaard, dat de uitwisseling van individuele commerciële informatie op zichzelf een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag oplevert.
186 In dit artikel wordt meer in het algemeen bepaald, dat de ondernemingen op dit verdragsartikel inbreuk hebben gemaakt door hun deelname aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging, waarbij de ondernemingen onder meer "ter ondersteuning van de bovengenoemde maatregelen, commerciële informatie uitwisselden over leveringen, prijzen, machinestilstand, orderportefeuilles en bezettingsgraden".
187 Aangezien het dispositief van de beschikking moet worden uitgelegd met inachtneming van haar motivering (arrest Suiker Unie e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 122), moet worden opgemerkt, dat in punt 134, tweede alinea, van de considerans van de beschikking wordt verklaard:
"De uitwisseling van normaal vertrouwelijke en gevoelige individuele commerciële informatie door de producenten op bijeenkomsten van PG Paperboard (voornamelijk het JMC) inzake orderportefeuilles, machinestilstand en productiecijfers was overduidelijk in strijd met de mededinging omdat daarmee beoogd werd te waarborgen dat de voorwaarden voor het uitvoeren van prijsinitiatieven zo gunstig mogelijk waren (...)"
188 Aangezien de Commissie in de beschikking naar behoren heeft overwogen, dat de uitwisseling van individuele commerciële informatie op zichzelf een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag opleverde, voldoet het verbod om voortaan dergelijke informatie uit te wisselen aan de voorwaarden die worden gesteld voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17.
189 De in artikel 2, eerste alinea, sub b en c, van de beschikking bedoelde verboden om commerciële informatie uit te wisselen, moeten worden onderzocht met inachtneming van de tweede, de derde en de vierde alinea van ditzelfde artikel, waarop zij inhoudelijk steunen. In deze context dient namelijk te worden bepaald of, en zo ja, in hoeverre de Commissie de betrokken uitwisseling als onrechtmatig heeft beschouwd, aangezien de omvang van de op de ondernemingen rustende verplichtingen moet worden beperkt tot hetgeen noodzakelijk is om hun gedragingen weer in overeenstemming te brengen met artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
190 De beschikking moet aldus worden uitgelegd, dat de Commissie het Fides-systeem in strijd met artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft beschouwd, voor zover het het vastgestelde kartel steunde (punt 134, derde alinea, van de considerans van de beschikking). Deze uitlegging wordt bevestigd door de tekst van artikel 1 van de beschikking, waaruit blijkt dat de commerciële informatie tussen de ondernemingen is uitgewisseld "ter ondersteuning van de maatregelen" die in strijd met artikel 85, lid 1, van het Verdrag werden geacht.
191 De omvang van de in artikel 2, eerste alinea, sub b en c, van de beschikking vervatte verboden voor de toekomst moet worden beoordeeld met inachtneming van deze interpretatie van de Commissie betreffende de onverenigbaarheid van het Fides-systeem op dit punt met artikel 85 van het Verdrag.
192 Enerzijds zijn de onderhavige verboden niet beperkt tot de uitwisseling van individuele commerciële informatie, maar gelden zij ook voor de uitwisseling van een aantal geaggregeerde statistische gegevens (artikel 2, eerste alinea, sub b, en tweede alinea, van de beschikking). Anderzijds verbiedt artikel 2, eerste alinea, sub b en c, van de beschikking de uitwisseling van bepaalde statistische informatie om te voorkomen dat zij een steun kunnen opleveren voor eventuele mededingingsverstorende gedragingen.
193 Voor zover een dergelijk verbod de uitwisseling van zuiver statistische informatie dient te beletten, die niet kan worden aangemerkt als individuele of individualiseerbare informatie, op grond dat de uitgewisselde informatie met een mededingingsverstorend oogmerk zou kunnen worden gebruikt, gaat het verder dan hetgeen noodzakelijk is om de vastgestelde gedragingen weer rechtsconform te maken. Enerzijds blijkt uit de beschikking namelijk niet, dat de Commissie de uitwisseling van statistische gegevens op zichzelf als een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft beschouwd. Anderzijds maakt het enkele feit dat een systeem van uitwisseling van statistische informatie met een mededingingsverstorend oogmerk kan worden gebruikt, het nog niet in strijd met artikel 85, lid 1, van het Verdrag, omdat in dergelijke omstandigheden de mededingingsverstorende gevolgen daarvan in het concrete geval moeten worden vastgesteld.
194 Bijgevolg moet artikel 2, eerste tot en met vierde alinea, van de beschikking nietig worden verklaard, behalve wat de navolgende passages betreft:
"De in artikel 1 vermelde ondernemingen dienen onverwijld aan de genoemde inbreuk een einde te maken, voor zover zij zulks niet reeds hebben gedaan. Zij dienen zich voortaan met betrekking tot hun kartonactiviteiten te onthouden van elke overeenstemming of onderling afgestemde feitelijke gedraging die hetzelfde of een gelijksoortig doel of gevolg kan hebben, met inbegrip van elke uitwisseling van commerciële informatie,
a) waardoor de deelnemers rechtstreeks of onrechtstreeks in kennis worden gesteld van de productie, verkoop, orderportefeuille, bezettingsgraden, verkoopprijzen, kosten of afzetplannen van andere individuele producenten.
Elke regeling voor de uitwisseling van algemene informatie waaraan zij deelnemen, zoals het Fides-stelsel of de opvolger daarvan, dient zodanig te worden gehanteerd dat inlichtingen worden uitgesloten waaruit het gedrag van individuele producenten kan worden afgeleid."
De vordering tot intrekking of verlaging van de geldboete
A - Het middel: kennelijk onjuiste toepassing van het recht of feitelijke fouten bij de vaststelling van het algemene bedrag van de geldboete
195 Het middel valt uiteen in vijf onderdelen. Elk onderdeel zal afzonderlijk worden onderzocht.
Het eerste onderdeel: fouten van de Commissie bij de bepaling van de strekking van de inbreuken
196 Onder verwijzing naar de door haar tot staving van haar vordering tot nietigverklaring van artikel 1 van de beschikking aangevoerde middelen stelt verzoekster, dat het algemene niveau van de geldboeten aanzienlijk dient te worden verlaagd. De Commissie heeft haars inziens namelijk niet aangetoond, dat er overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen bestonden tot verdeling van de markt en tot beheersing van het aanbod, noch dat er overeenkomsten inzake prijzen bestonden.
197 Er zij aan herinnerd, dat alle door verzoekster tot staving van haar vordering tot nietigverklaring van artikel 1 van de beschikking aangevoerde middelen zijn afgewezen.
198 Bijgevolg kan het eerste onderdeel van dit middel niet worden aanvaard.
Het tweede onderdeel: het ontbreken van een tot in details gaande regulering van de markt van karton in de Gemeenschap
Argumenten van partijen
199 Verzoekster betoogt, dat zo de gestelde inbreuken al zijn gepleegd, daardoor niet "de markt voor karton in de Gemeenschap tot in de kleinste details" werd gereguleerd (punt 168, vijfde streepje, van de considerans van de beschikking). De gestelde inbreuken hadden de mededinging integendeel slechts zeer globaal kunnen beïnvloeden.
200 Volgens haar bevat de beschikking op dit punt tegenstrijdige verklaringen betreffende de aard van de beweerdelijk ten uitvoer gelegde mededingingsverstorende maatregelen. Zo wordt de beweerde heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen in punt 52 van de considerans beschreven als een algemene afspraak om de respectieve marktaandelen niet te vergroten, terwijl in punt 60 wordt gesproken van jaarlijkse besprekingen over de marktaandelen. In elk geval gaat het niet om een tot in de details gaande regulering van de kartonmarkt, temeer waar de Commissie zelfs niet heeft verklaard, dat er een onderlinge afstemming bestond om voor elke kwaliteit karton quota vast te stellen.
201 Op basis van de in de beschikking vervatte vaststellingen blijft de Commissie erbij, dat de producenten de markt van karton tot in details hebben gereguleerd.
Beoordeling door het Gerecht
202 Zoals reeds is vastgesteld, heeft de Commissie aangetoond dat verzoekster heeft deelgenomen aan de bestanddelen van de in artikel 1 van de beschikking vastgestelde inbreuk, dat wil zeggen een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen, een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand en een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen. Ook is vastgesteld, dat de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG, waaronder verzoekster, eind 1987 een overeenkomst hebben gesloten. Verder ontkent verzoekster niet, dat de data en de volgorde van versturing van de brieven waarin de prijsverhogingen werden aangekondigd, door de PWG werden gearrangeerd en dat het JMC op de hoogte werd gehouden (zie in het bijzonder punt 73 van de considerans van de beschikking), noch dat het JMC tot taak had, per land en voor de grote afnemers de door de PWG overeengekomen prijsinitiatieven in detail uit te werken (punt 44, tweede alinea, tweede streepje, van de considerans).
203 Ten slotte betwist verzoekster niet de vaststelling van de Commissie, dat "het kartel nagenoeg het hele grondgebied van de Gemeenschap bestreek", noch dat "de aan de inbreuk deelnemende ondernemingen deze markt vrijwel geheel voor hun rekening [namen]" (punt 168, tweede en vierde streepje, van de considerans van de beschikking).
204 Bijgevolg kan zij niet met recht de verklaring van de Commissie in twijfel trekken, dat de ondernemingen die bij de inbreuk betrokken waren, "de markt voor karton in de Gemeenschap tot in de kleinste details" hadden gereguleerd (punt 168, vijfde streepje, van de considerans).
205 Het tweede onderdeel van het middel kan dus niet worden aanvaard
Het derde onderdeel: het geheime karakter en de verhulling zouden niet als verzwarende omstandigheden van de inbreuk kunnen worden beschouwd
Argumenten van partijen
206 Verzoekster stelt, dat de Commissie van oordeel was dat het feit dat uitgebreide pogingen zijn gedaan om de aard en de omvang van de heimelijke verstandhouding te verhelen, een verzwarende omstandigheid was (punten 167 en 168 van de considerans van de beschikking).
207 Het ontbreken van officiële notulen of andere stukken betreffende de vergaderingen van de PWG en het JMC kan volgens haar niet als een uitgebreide poging worden aangemerkt. De verklaring van de Commissie dat maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat de deelnemers aan de vergaderingen aantekeningen maakten, is niet bewezen. Zo al bewezen, kunnen dergelijke maatregelen evenmin als uitgebreide pogingen worden aangemerkt. Waar de Commissie verder ten onrechte van oordeel was, dat de inbreuken met opzet zijn gepleegd, had zij in elk geval niet ook de beweerde maatregelen tot verhulling van het kartel in aanmerking mogen nemen.
208 Wat het beweerde vooraf arrangeren van de data van inwerkingtreding van de prijsverhogingen betreft, stelt verzoekster, dat de onderlinge afstemming van de prijzen een afspraak betreffende de tenuitvoerlegging van de prijsverhogingen - althans tussen de kopstukken - met zich moest brengen. Aangezien de Commissie van oordeel was, dat de inbreuken met opzet waren gepleegd, had zij de bestanddelen die een noodzakelijk verband vertonen met de opzettelijke inbreuk, niet opnieuw in aanmerking mogen nemen.
209 Volgens de Commissie mocht zij zich op het standpunt stellen, dat de geheimhouding in aanmerking moest worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk. Opzettelijke inbreuken op de mededingingsregels gaan niet noodzakelijkerwijze gepaard met maatregelen tot verhulling van deze inbreuken. In casu hebben de deelnemers aan het kartel niet enkel afgesproken om geen notities van de gevoerde besprekingen te bewaren (proces-verbaal van de hoorzitting voor de Commissie, blz. 46), maar ook het verloop van de verschillende prijsinitiatieven minutieus gepland (punt 73 van de considerans van de beschikking). Bijgevolg heeft zij haars inziens terecht aangenomen, dat de geheimhouding een verzwarende omstandigheid van de inbreuk vormde, die bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete in aanmerking diende te worden genomen.
Beoordeling door het Gerecht
210 Volgens punt 167, derde alinea, van de considerans van de beschikking is "een bijzonder ernstig aspect van de inbreuk, dat de ondernemingen in een poging het bestaan van het kartel te verhullen zo ver gingen, dat datum en volgorde van de aankondiging door iedere grote producent van de nieuwe prijsverhogingen vooraf werd gearrangeerd". Verder wordt in de beschikking opgemerkt: "de producenten hadden als gevolg van deze uitgewerkte bedrieglijke regeling de reeks uniforme, regelmatige en bedrijfstaksgewijze prijsverhogingen in de kartonsector aan het verschijnsel van $oligopolie-gedrag' toegeschreven" (punt 73, derde alinea, van de considerans). Ten slotte heeft de Commissie volgens punt 168, zesde streepje, van de considerans bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten rekening gehouden met het feit dat "er uitgebreide pogingen in het werk werden gesteld om de werkelijke aard en omvang van de heimelijke verstandhouding te verhelen (afwezigheid van officiële notulen of documentatie voor de PWG en het JMC; ontmoediging van het maken van aantekeningen; het ensceneren van de tijdstippen en de volgorde waarin de prijsverhogingen werden aangekondigd, teneinde te kunnen beweren dat men $volgde' enzovoort)".
211 Verzoekster betwist niet de verklaring van de Commissie, dat de ondernemingen de data en de volgorde van de verzending van de brieven waarin de prijsverhogingen werden aangekondigd, hebben gearrangeerd. Wat de conclusie van de Commissie betreft, dat door dit arrangeren van de data en de volgorde van de brieven waarin de prijsverhogingen werden aangekondigd, is geprobeerd, het bestaan van de onderlinge afstemming van de prijzen te verhullen, heeft verzoekster bovendien niets aangevoerd dat ervoor pleit dat de onderlinge afstemming betreffende de data en de volgorde van de brieven waarin de prijsverhogingen werden aangekondigd, een ander doel had dan door de Commissie is vastgesteld.
212 Het ontbreken van officiële notulen en het nagenoeg volledig ontbreken van interne notities betreffende de vergaderingen van de PWG en het JMC vormen wegens het aantal, de duur in de tijd en de aard van de betrokken besprekingen genoegzaam bewijs voor de bewering van de Commissie, dat degenen die de vergaderingen bijwoonden, werden ontmoedigd aantekeningen te maken.
213 Uit het voorgaande blijkt, dat de ondernemingen die de vergaderingen van deze organen bijwoonden, zich niet alleen bewust waren van de onrechtmatigheid van hun gedrag, doch ook maatregelen hebben genomen om de heimelijke verstandhouding te verhullen. Bijgevolg heeft de Commissie deze maatregelen bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk terecht als verzwarende omstandigheden in aanmerking genomen.
214 Het derde onderdeel van het middel dient dus te worden afgewezen.
Het vierde onderdeel: de Commissie zou zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat het kartel "ruimschoots succes had bij het bereiken van zijn doelstellingen"
Argumenten van partijen
215 Verzoekster betwist, dat het kartel "ruimschoots succes had bij het bereiken van zijn doelstellingen" (punt 168, zevende streepje, van de considerans van de beschikking). Op basis van haar beschrijving van de bijzondere kenmerken van de kartonmarkt (punten 48 e.v. supra) en van het LE-rapport stelt zij, dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat de prijzen zonder afspraak tussen de producenten niet dezelfde ontwikkeling te zien zouden hebben gegeven.
216 De vaststellingen van de Commissie betreffende de ontwikkeling van de kosten en van de opbrengst van de verkopen in de kartonsector gelden niet voor haar. Bovendien zijn de gegevens betreffende de winstmarge in de beschikking (punt 16 van de considerans) volgens haar misleidend. De afschrijving van kapitaalkosten maakt ongeveer 27 % van de gemiddelde kartonprijs uit. Met deze factor heeft de Commissie evenwel geen rekening gehouden bij de berekening van de gemiddelde winstmarge van de producenten. Wanneer zij vaststelt dat deze gemiddelde winstmarge in de periode 1986-1991 ongeveer 20 % bedroeg, betekent dit in werkelijkheid dus een reëel verlies van ongeveer 7 %.
217 Tot staving van haar verklaring dat de onderlinge afstemming van de prijzen geen invloed heeft gehad op de markt, verwijst verzoekster naar overzichten waarin de ontwikkeling van haar catalogusprijzen wordt vergeleken met de ontwikkeling van de door haar werkelijk op de markt behaalde brutoprijzen. Deze overzichten, die de prijsontwikkeling ten aanzien van representatieve afnemers en kartonkwaliteiten op haar voornaamste nationale markten weergeven, tonen het grote verschil aan dat tussen haar catalogusprijzen en transactieprijzen bestond.
218 Om te beginnen merkt de Commissie op, dat twee soorten van gevolgen van de prijsinitiatieven op de markt dienen te worden onderscheiden. Het eerste soort van gevolg, namelijk het feit dat de binnen de PG Paperboard afgesproken prijzen als grondslag voor de onderhandelingen met de afnemers dienden, wordt door verzoekster niet betwist. Bijgevolg is het ondenkbaar, dat het tweede soort van gevolg, namelijk de invloed van de prijsverhogingsinitiatieven op de werkelijke marktprijzen, zich niet eveneens heeft voorgedaan, aangezien de door de verkoper vastgestelde basis voor prijsonderhandelingen altijd van invloed is op de transactieprijs. Dit geldt zeker, wanneer alle verkopers dezelfde onderhandelingsbasis hadden.
219 Bovendien hebben de kartonproducenten bij hun onderhandelingen met afnemers geprobeerd, de afgesproken prijsverhogingen door te voeren (zie bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar, blz. 2).
220 Weliswaar was het niet altijd mogelijk geweest om de prijsverhogingen met betrekking tot alle afnemers en alle markten in dezelfde mate door te voeren (punten 100-102 van de considerans van de beschikking). Zoals uit verschillende, door de producenten zelf opgestelde interne documenten blijkt (documenten C-4-1 en C-11-11), betekenden dergelijke moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging van de prijsverhogingen evenwel niet, dat zij niet met succes waren bekroond.
221 De door verzoekster aangevoerde overzichten doen evenmin af aan de vaststellingen van de Commissie. Aan deze overzichten kan onder meer omdat zij "abrupte" prijsverhogingen te zien geven, geen bewijskracht worden toegekend. Bovendien verklaart verzoekster weliswaar, dat de overzichten de ontwikkeling van de gefactureerde prijzen ten aanzien van representatieve afnemers en kwaliteiten aantonen, doch zij heeft niet aangegeven, op basis van welke criteria deze facturen zijn geselecteerd.
222 Het LE-rapport toont niet aan, dat er geen correlatie bestond tussen de aangekondigde prijzen en de transactieprijzen. Daarentegen blijkt uit de tabellen 10 en 11 van dit rapport duidelijk, dat de ontwikkeling van de transactieprijzen gemiddeld gelijke tred hield met de aangekondigde prijzen. Met betrekking tot de periode 1988/89 wordt in het rapport gesteld dat er een nauw lineair verband tussen deze prijzen bestond, hetgeen de opsteller van het rapport gedurende de hoorzitting voor de Commissie zelf heeft erkend (proces-verbaal, blz. 21 en 28). Bijgevolg hadden de uniforme verhogingen van de catalogusprijzen de kartonproducenten de mogelijkheid geboden om de transactieprijzen duidelijk te verhogen.
223 Ten slotte is het niet relevant, of de uniforme verhogingen van de catalogusprijzen inderdaad zijn afgestemd op de ontwikkeling van de kosten, zoals verzoekster verklaart. Overigens zijn de gegevens in de beschikking betreffende de kostenontwikkeling, alsmede betreffende de definitie van de winstmarge ontleend aan het LE-rapport.
Beoordeling door het Gerecht
224 Volgens punt 168, zevende streepje, van de considerans van de beschikking heeft de Commissie bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten onder meer rekening gehouden met het feit dat het kartel "ruimschoots succes had bij het bereiken van zijn doelstellingen". Vaststaat, dat deze overweging verwijst naar de gevolgen van de in artikel 1 van de beschikking vastgestelde inbreuk op de markt.
225 Voor de toetsing van de beoordeling, door de Commissie, van de gevolgen van de inbreuk behoeft slechts de beoordeling van de gevolgen van de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen te worden onderzocht. Op grond van het onderzoek van de gevolgen van de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen, de enige gevolgen die door verzoekster worden betwist, kan in het algemeen worden beoordeeld, of het kartel succes had, omdat de heimelijke verstandhoudingen betreffende machinestilstand en de marktaandelen ten doel hadden, ervoor te zorgen dat de onderling afgestemde prijsinitiatieven succes hadden.
226 Van de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen heeft de Commissie de algemene gevolgen beoordeeld. Gesteld al dat de door verzoekster verstrekte individuele gegevens, zoals zij verklaart, aantonen dat de gevolgen van de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen voor haar geringer waren dan die welke op de Europese kartonmarkt in haar totaliteit zijn vastgesteld, kunnen dergelijke individuele gegevens op zichzelf dus niet afdoen aan de beoordeling van de Commissie. Verder is verzoeksters verklaring dat de Commissie in punt 16 van de considerans van de beschikking is uitgegaan van een onjuiste definitie van de gemiddelde winstmarge van de kartonproducenten eveneens irrelevant. Er is namelijk geen enkele reden om aan te nemen, dat de Commissie de aldus gedefinieerde winstmarge in aanmerking heeft genomen bij haar beoordeling van de gevolgen van de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen op de markt, of dat de gerealiseerde winstmarge bij die beoordeling in aanmerking had moeten worden genomen.
227 Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft bevestigd, worden in de beschikking drie soorten van gevolgen onderscheiden. Bovendien is de Commissie uitgegaan van het feit, dat de prijsinitiatieven door de producenten zelf in het algemeen als een succes zijn beschouwd.
228 Het eerste soort van gevolgen dat door de Commissie in aanmerking wordt genomen en door verzoekster niet wordt betwist, bestaat in het feit, dat de overeengekomen prijzen ook inderdaad aan de afnemers zijn aangekondigd. De nieuwe prijzen dienden dan ook als referentie bij individuele onderhandelingen met de afnemers over de transactieprijzen (zie in het bijzonder punten 100 en 101, vijfde en zesde alinea, van de considerans van de beschikking).
229 Het tweede soort van gevolgen bestaat in het feit, dat de ontwikkeling van de transactieprijzen gelijke tred hield met die van de aangekondigde prijzen. Dienaangaande stelt de Commissie, dat "de producenten niet alleen de overeengekomen prijsverhogingen aankondigden, doch ook, met enkele uitzonderingen, krachtige maatregelen namen om te waarborgen dat deze aan de afnemers werden opgelegd" (punt 101, eerste alinea, van de considerans van de beschikking). Zij erkent, dat de afnemers soms concessies betreffende de datum van inwerkingtreding van de verhogingen of individuele kortingen of reducties kregen, met name bij grote bestellingen, en dat "de gemiddelde netto prijsverhoging na aftrek van alle kortingen en andere concessies altijd geringer was dan het totale bedrag van de aangekondigde prijsverhoging" (punt 102, laatste alinea, van de considerans). Onder verwijzing naar grafieken in het LE-rapport, een economische studie welke ten behoeve van de procedure was verricht voor rekening van een aantal ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, verklaart zij evenwel, dat er gedurende de in de beschikking bedoelde periode "een nauw lineair verband" bestond tussen de ontwikkeling van de aangekondigde prijzen en die van de transactieprijzen, uitgedrukt in nationale valuta of omgerekend in ecu. Zij verbindt daaraan de conclusie: "De bereikte netto prijsverhogingen spoorden nauw met de prijsaankondigingen, zij het ook met een zeker tijdsverschil. De opsteller van het rapport zelf erkende gedurende de hoorzitting dat dit het geval was in 1988 en 1989" (punt 115, tweede alinea, van de considerans).
230 Erkend moet worden, dat de Commissie zich bij de beoordeling van deze tweede soort van gevolgen op het standpunt mocht stellen, dat het bestaan van een nauw lineair verband tussen de ontwikkeling van de aangekondigde prijzen en die van de transactieprijzen het bewijs opleverde van een effect dat overeenkomstig het door de producenten nagestreefde doel door de prijsinitiatieven werd uitgeoefend op de transactieprijzen. Het staat namelijk vast dat op de betrokken markt de praktijk om met de afnemers afzonderlijk te onderhandelen, tot gevolg heeft dat de transactieprijzen in het algemeen niet identiek zijn aan de aangekondigde prijzen. Het is dan ook niet te verwachten, dat de verhogingen van de transactieprijzen identiek zijn met de verhogingen van de aangekondigde prijzen.
231 Voor het bestaan van een correlatie tussen de aangekondigde prijsverhogingen en de verhogingen van de transactieprijzen beroept de Commissie zich terecht op het LE-rapport, waarin op basis van door verschillende producenten, waaronder verzoekster zelf, verstrekte gegevens een analyse wordt gegeven van de ontwikkeling van de kartonprijzen gedurende de in de beschikking bedoelde periode.
232 Het bestaan van een "nauw lineair verband" wordt in dit rapport evenwel slechts voor een gedeelte van de tijd bevestigd. De periode van 1987 tot 1991 blijkt bij onderzoek namelijk uiteen te vallen in drie afzonderlijke subperioden. Wat dit betreft heeft de opsteller van een LE-rapport zijn conclusies tijdens de hoorzitting voor de Commissie als volgt samengevat: "Er is geen nauwe correlatie, zelfs niet met een zeker tijdverschil, tussen de aangekondigde prijsverhoging en de marktprijzen van 1987 tot 1988, het begin van de onderzochte periode. Daarentegen bestaat er wel een dergelijke correlatie in 1988/1989, waarna deze correlatie afneemt en er gedurende de periode 1990/1991 nogal vreemd [oddly] uitziet" (proces-verbaal van de hoorzitting, blz. 28). Hij merkte verder op, dat deze fluctuaties in de tijd nauw verband hielden met de fluctuaties van de vraag (zie in het bijzonder proces-verbaal van de hoorzitting, blz. 20).
233 Deze mondelinge conclusies van de opsteller komen overeen met de analyse in zijn rapport, en in het bijzonder met de grafieken waarin de ontwikkeling van de aangekondigde prijzen wordt vergeleken met de ontwikkeling van de transactieprijzen (LE-rapport, grafieken 10 en 11, blz. 29). Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat de Commissie het door haar aangevoerde "nauwe lineaire verband" slechts gedeeltelijk heeft bewezen.
234 Ter terechtzitting heeft de Commissie meegedeeld, dat zij ook rekening heeft gehouden met een derde soort van gevolgen van de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen, hierin bestaande dat het niveau van de transactieprijzen hoger was dan het niveau dat zonder heimelijke verstandhouding zou zijn bereikt. De Commissie, die beklemtoont dat de data en de volgorde van de aankondigingen van de prijsverhogingen door de PWG werden gepland, is dienaangaande in de beschikking van mening, dat het "onder dergelijke omstandigheden ondenkbaar is dat de onderling afgestemde prijsaankondigingen geen gevolgen hadden voor het feitelijke prijspeil" (punt 136, derde alinea, van de considerans van de beschikking). In het LE-rapport (hoofdstuk 3) is evenwel een model opgesteld op basis waarvan het prijsniveau kan worden geraamd, dat resulteert uit de objectieve marktsituatie. Volgens dit rapport zou het prijsniveau op basis van objectieve economische factoren gedurende de periode 1975 tot 1991 met te verwaarlozen fluctuaties een zelfde trend te zien hebben gegeven als die van de toegepaste transactieprijzen, en wel ook gedurende de in de beschikking in aanmerking genomen periode.
235 Ondanks deze conclusie kan op basis van de analyse in het rapport niet worden vastgesteld, dat de onderling afgestemde prijsinitiatieven de producenten niet in staat hebben gesteld om een niveau van transactieprijzen te bereiken dat hoger was dan bij een vrije mededinging tot stand zou zijn gekomen. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft beklemtoond, is het mogelijk dat de bij deze analyse in aanmerking genomen factoren zijn beïnvloed door de bestaande heimelijke verstandhouding. De Commissie stelt terecht, dat de heimelijke verstandhouding bijvoorbeeld voor de ondernemingen minder reden kon zijn geweest om hun kosten te verlagen. Zij heeft evenwel geen enkele rechtstreekse fout in de analyse van het LE-rapport aangevoerd en heeft evenmin haar eigen economische analyse van de theoretische ontwikkeling van de transactieprijzen zonder heimelijke verstandhouding overgelegd. Bijgevolg kan haar verklaring dat de transactieprijzen zonder heimelijke verstandhouding tussen de producenten lager zouden zijn geweest, niet worden aanvaard.
236 Daaruit volgt, dat niet is bewezen dat deze derde soort van gevolgen van de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen ook echt bestaan.
237 Aan de hiervóór gedane vaststellingen wordt geenszins afgedaan door de subjectieve beoordeling van de producenten, op basis waarvan de Commissie zich op het standpunt heeft gesteld, dat het kartel zijn doelstellingen ruimschoots had bereikt. Op dit punt verwijst Commissie naar een lijst van documenten, die zij ter terechtzitting heeft overgelegd. Gesteld al dat zij haar beoordeling over het eventuele succes van de prijsinitiatieven kon baseren op documenten waarin wordt gesproken van subjectieve gevoelens van bepaalde producenten, moet evenwel worden vastgesteld, dat een aantal ondernemingen, waaronder verzoekster, ter terechtzitting terecht hebben gewezen op enige andere processtukken waarin wordt gesproken van de problemen die de producenten hebben ondervonden bij de tenuitvoerlegging van de overeengekomen prijsverhogingen. De verklaringen van de producenten zelf waarnaar de Commissie verwijst, rechtvaardigen derhalve nog niet de conclusie, dat het kartel ruimschoots succes had bij het bereiken van zijn doelstellingen.
238 Gelet op het voorgaande, zijn de door de Commissie aangevoerde gevolgen van de inbreuk slechts gedeeltelijk bewezen. De draagwijdte van deze conclusie zal het Gerecht onderzoeken in het kader van zijn volledige rechtsmacht betreffende de geldboeten, wanneer het de zwaarte van de in casu vastgestelde inbreuk beoordeelt (zie punt 262 infra).
Het vijfde onderdeel: inaanmerkingneming van onjuiste winstmarge
Argumenten van partijen
239 Verzoekster herhaalt, dat de Commissie ten onrechte ervan is uitgegaan, dat de winstmarge van de ondernemingen in de bedrijfstak karton in de periode 1986-1991 20 % bedroeg. Uitgaande van dit percentage, had de Commissie geen rekening gehouden met de zeer hoge kapitaalkosten in de bedrijfstak (zie punt 216 supra). Hoewel uit de beschikking niet met zoveel woorden blijkt, dat deze factor bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten in aanmerking is genomen, moet worden aangenomen, dat deze fout een belangrijke rol heeft gespeeld, omdat in de beschikking herhaaldelijk naar deze winstmarge wordt verwezen. Bovendien is het financiële voordeel dat de ondernemingen uit hun mededingingsverstorend gedrag hebben kunnen behalen, volgens de Commissie zelf een beslissende factor bij de bepaling van de geldboeten (XXIe Verslag over het mededingingsbeleid, punt 139). Deze fout moet haars inziens tot een sterke verlaging van de geldboeten leiden.
240 De Commissie stelt, dat de gemiddelde winstmarge van de kartonproducenten niet bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten in aanmerking is genomen. Bovendien heeft zij in haar XXIe Verslag over het mededingingsbeleid slechts de algemene criteria vermeld, die bij de vaststelling van het bedrag van een geldboete in aanmerking kunnen worden genomen. Ten slotte zijn de gegevens betreffende de winstmarge in punt 16 van de considerans van de beschikking volgens haar juist, omdat zij zijn ontleend aan het LE-rapport.
Beoordeling door het Gerecht
241 De gemiddelde winstmarge wordt niet als een van de factoren genoemd die door de Commissie in aanmerking zijn genomen bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten of van het bedrag van de individuele geldboeten (zie punten 167-169 van de considerans van de beschikking).
242 Hoe dan ook blijkt uit punt 16, laatste alinea, van de considerans van de beschikking, dat de gegevens betreffende de gemiddelde winstmarge van de kartonproducenten zijn ontleend aan het LE-rapport. Daaruit blijkt eveneens (voetnoot 1), dat het de Commissie bekend was, dat deze gemiddelde winstmarge was berekend zonder rekening te houden met de afschrijvingen van de kapitaalkosten.
243 Bijgevolg is verzoeksters argument dat de Commissie is uitgegaan van een onjuiste definitie van de door de kartonproducenten behaalde winst, ongefundeerd.
244 Het vijfde onderdeel van het middel kan derhalve niet worden aanvaard.
245 Bijgevolg dient het middel in zijn geheel te worden afgewezen.
B - De middelen: schending van artikel 190 van het Verdrag, alsmede schending van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot het algemene niveau van de geldboeten
Argumenten van partijen
246 Verzoekster erkent, dat de Commissie het algemene niveau van de geldboeten in een beschikking mag verhogen ten opzichte van haar voorgaande praktijk, indien zij zulks noodzakelijk acht om de preventieve werking van deze geldboeten te versterken (arrest Hof van 7 juni 1983, Musique Diffusion française e.a./Commissie, 100/80, 101/80, 102/80 en 103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 108, en arrest ICI/Commissie, reeds aangehaald). De Commissie schendt evenwel artikel 190 van het Verdrag en het beginsel van gelijke behandeling, wanneer zij, zoals in casu, het niveau van de geldboeten willekeurig verhoogt zonder de redenen daarvoor aan te geven.
247 Vervolgens vergelijkt verzoekster het basispercentage van de geldboeten (7,5 % van de omzet die in 1990 is behaald op de kartonmarkt van de Gemeenschap, voor de "gewone leden" en 9 % van deze omzet voor de zogenoemde "kopstukken"), alsmede het totale bedrag van de opgelegde geldboeten met de beschikkingen van de Commissie in vroegere zaken [zie bijvoorbeeld beschikking 86/398/EEG van de Commissie van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.149 - Polypropyleen) (PB L 230, blz. 1; hierna: "beschikking polypropyleen") en beschikking 89/191/EEG van de Commissie van 21 december 1988 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.866 - LdPE, PB 1989, L 74, blz. 21)]. Op basis daarvan concludeert zij, dat het in casu toegepaste basispercentage van de geldboeten veel hoger is dan de vroeger toegepaste percentages en dat het percentage van de zogenoemde "kopstukken" bijna is verdubbeld. Ook het totale bedrag van de geldboeten is veel hoger dan de vroeger opgelegde geldboeten.
248 Onder verwijzing naar de beschikking waarop het arrest van het Gerecht van 21 februari 1995, SPO e.a./Commissie (T-29/92, Jurispr. blz. II-289) betrekking had, verklaart zij verder, dat het gedrag waarom het in onderhavige zaak gaat, niet als bijzonder ernstig kan worden beschouwd vergeleken met de zaken waarin de Commissie vroeger uitspraak heeft moeten doen.
249 De onjuiste beoordeling van de zwaarte van de inbreuk wordt volgens haar ook nog bevestigd door een vergelijking met het niveau van de geldboeten, dat is aangehouden in beschikking 94/815/EG van de Commissie van 30 november 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (Zaak IV/33.126 en 33.322 - Cement) (PB L 343, blz. 1).
250 Verzoekster verbindt hieraan de conclusie, dat het niveau van de in onderhavige zaak opgelegde geldboeten veel en zelfs zeer veel hoger is dan in vergelijkbare zaken. Het met het mededingingsbeleid belaste lid van de Commissie heeft tijdens een lezing op 16 december 1994 verklaard, dat de Commissie in het onderhavige geval de geldboeten vergeleken met haar vroegere praktijk sterk had verhoogd.
251 Zelfs indien wordt aangenomen, dat de Commissie in het algemeen niet verplicht is haar boetebeschikkingen tot in detail te motiveren, moet zij wel de redenen aangeven waarom zij zeer sterk is afgeweken van de tot dan toe gevolgde praktijk op het gebied van de geldboeten (zie in deze zin arrest Hof van 26 november 1975, Groupement des fabricants de papiers peints de Belgique e.a./Commissie, 73/74, Jurispr. blz. 1491, punten 30-33, en arrest Gerecht van 27 oktober 1994, Fiatagri en New Holland Ford/Commissie, T-34/92, Jurispr. blz. II-905, punt 35).
252 Ten slotte stelt verzoekster schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden van 4 november 1950 (hierna: "EVRM"), waarbij een recht op rechterlijke toetsing word geponeerd, omdat enkel bij een grotere transparantie kan worden nagegaan, of de Commissie in een concreet geval het beginsel van gelijke behandeling heeft geëerbiedigd.
253 De Commissie herinnert eraan, dat zij krachtens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 geldboeten mag opleggen tot 10 % van de totale jaarlijkse omzet van de betrokken ondernemingen. Het in casu toegepaste percentage blijft ruim binnen de bij deze verordening gestelde grenzen, omdat enkel de omzet van in de Gemeenschap verkocht karton in aanmerking is genomen.
254 Bovendien mag de Commissie op elk moment het niveau van de geldboeten binnen de bij verordening nr. 17 gestelde grenzen verhogen, indien zulks noodzakelijk is ter uitvoering van het communautaire mededingingsbeleid, in het bijzonder om de preventieve werking van geldboeten te verzekeren (arrest Musique Diffusion française e.a./Commissie, reeds aangehaald, punten 106-109). Daarbij is zij niet gebonden aan haar vroegere beschikkingen (arrest ICI/Commissie, reeds aangehaald, punten 382 en 385), zodat het van weinig belang is of het concrete geval vergelijkbaar is met vroegere zaken, dan wel of zij het algemene niveau van de geldboeten sterk heeft verhoogd. In elk geval is het niveau van de geldboeten niet willekeurig of sterk verhoogd ten opzichte van de vroegere zaken.
255 Ten slotte is de Commissie haars inziens terecht ervan uitgegaan, dat de vastgestelde inbreuk bijzonder zwaar was.
Beoordeling door het Gerecht
256 Volgens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 kan de Commissie bij beschikking aan ondernemingen geldboeten opleggen van ten minste duizend en ten hoogste 1 miljoen ECU of tot een bedrag van ten hoogste 10 % van de omzet van elk der betrokken ondernemingen in het voorafgaande boekjaar, wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk maken op artikel 85, lid 1 van het Verdrag. Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete moet rekening worden gehouden met zowel de zwaarte, als de duur van de inbreuk. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt, dat de zwaarte van de inbreuken moet worden vastgesteld met inachtneming van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context daarvan en de preventieve werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld (beschikking Hof van 25 maart 1996, SPO e.a./Commissie, C-137/95 P, Jurispr. blz. I-1611, punt 54).
257 In casu heeft de Commissie bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten rekening gehouden met de duur van de inbreuk (punt 167 van de considerans van de beschikking), alsmede met de navolgende overwegingen (punt 168 van de considerans):
"- heimelijke verstandhouding betreffende prijzen en marktverdeling vormt uit de aard der zaak een ernstige beperking van de concurrentie;
- het kartel bestreek nagenoeg het gehele grondgebied van de Gemeenschap;
- de kartonmarkt van de Gemeenschap is een belangrijke industriële sector met een waarde van ongeveer 2 500 miljoen ECU per jaar;
- de aan de inbreuk deelnemende ondernemingen nemen deze markt vrijwel geheel voor hun rekening;
- het kartel functioneerde in de vorm van een systeem van regelmatige geïnstitutionaliseerde vergaderingen, met het oogmerk de markt voor karton in de Gemeenschap tot in de kleinste details te reguleren;
- er werden uitgebreide pogingen in het werk gesteld om de werkelijke aard en omvang van de heimelijke verstandhouding te verhelen (afwezigheid van officiële notulen of documentatie voor de PWG en het JMC; ontmoediging van het maken van aantekeningen; het ensceneren van de tijdstippen en de volgorde waarin de prijsverhogingen werden aangekondigd, teneinde te kunnen beweren dat men $volgde' enzovoort);
- het kartel had ruimschoots succes bij het bereiken van zijn doelstellingen".
258 Bovendien herinnert het Gerecht eraan, dat vaststaat dat geldboeten van een basisniveau van 9 of 7,5 % van de omzet die door elk van de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, in 1990 is behaald op de kartonmarkt van de Gemeenschap, zijn opgelegd aan de ondernemingen die als de "kopstukken" van het kartel werden beschouwd, respectievelijk aan de andere ondernemingen.
259 In de eerste plaats dient te worden beklemtoond, dat de Commissie bij haar beoordeling van het algemene niveau van de geldboeten rekening mag houden met het feit dat nog steeds betrekkelijk vaak evidente inbreuken worden gemaakt op de communautaire mededingingsregels, en dat zij derhalve het niveau van de geldboeten mag verhogen om de preventieve werking ervan te versterken. Bijgevolg behoeft het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten van inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, haar niet te verhinderen, dit niveau binnen de in verordening nr. 17 gestelde grenzen te verhogen, indien zulks noodzakelijk blijkt om de uitvoering van het communautaire mededingingsbeleid te verzekeren (zie in het bijzonder arresten Musique Diffusion française e.a./Commissie, reeds aangehaald, punten 105-108, en ICI/Commissie, reeds aangehaald, punt 385).
260 In de tweede plaats heeft de Commissie terecht gesteld, dat wegens de bijzondere omstandigheden van het concrete geval geen rechtstreekse vergelijking kan worden gemaakt tussen het algemene niveau van de geldboeten in de onderhavige beschikking en het niveau dat is gehanteerd in de vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie, in het bijzonder in de beschikking polypropyleen, die door de Commissie zelf als de beschikking wordt beschouwd die het best te vergelijken is met de onderhavige. Anders dan in de zaak waarin de beschikking polypropyleen is gegeven, is in casu bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten geen enkele algemene verzachtende omstandigheid in aanmerking genomen. Bovendien vormen, zoals het Gerecht reeds heeft vastgesteld, de uitgebreide pogingen die de ondernemingen in het werk hebben gesteld om het bestaan van de inbreuk te verhelen, een bijzonder ernstig aspect van de inbreuk, die deze karakteriseert ten opzichte van de vroeger door de Commissie vastgestelde inbreuken.
261 In de derde plaats dient met nadruk te worden gewezen op de lange duur en het evidente karakter van de inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, die is gepleegd in weerwil van de waarschuwing die had moeten uitgaan van de vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie en in het bijzonder van de beschikking polypropyleen.
262 Op basis van deze factoren moet worden aangenomen dat uit de in punt 168 van de considerans van de beschikking genoemde criteria voldoende duidelijk kan worden opgemaakt, om welke redenen de Commissie het toegepaste niveau van de geldboeten heeft gekozen; deze redenen volstaan om een dergelijk niveau te rechtvaardigen. Weliswaar heeft het Gerecht reeds geconstateerd, dat de gevolgen van de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen, die de Commissie bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten in aanmerking heeft genomen, slechts gedeeltelijk zijn bewezen. Gelet op de voorgaande overwegingen, kan deze conclusie evenwel niet veel afdoen aan de beoordeling van de zwaarte van de vastgestelde inbreuk. Het feit dat de ondernemingen de overeengekomen prijsverhogingen inderdaad hebben aangekondigd en dat de aldus aangekondigde prijzen als grondslag hebben gediend voor de vaststelling van de individuele transactieprijzen, volstaat op zichzelf reeds om vast te stellen, dat de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen een ernstige beperking van de mededinging ten doel en ten gevolge heeft gehad. In het kader van zijn volledige rechtsmacht is het Gerecht dan ook van oordeel, dat de bevindingen betreffende de gevolgen van de inbreuk geen verlaging van het door de Commissie vastgestelde algemene niveau van de geldboeten rechtvaardigen.
263 Ten slotte is de Commissie bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten in het onderhavige geval niet zodanig afgeweken van haar vroegere beschikkingspraktijk, dat zij haar beoordeling van de zwaarte van de inbreuk explicieter had moeten motiveren (zie onder meer arrest Groupement des fabricants de papiers peints de Belgique e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 31).
264 Derhalve dient dit middel te worden afgewezen.
C - Het middel: schending van artikel 190 van het Verdrag bij de vaststelling van het bedrag van de individuele geldboeten
Argumenten van partijen
265 Verzoekster betoogt, dat de loutere opsomming, in punt 169 van de considerans van de beschikking, van de criteria die in aanmerking zijn genomen bij de vaststelling van de individuele geldboeten, geen toereikende motivering oplevert. De beschikking levert namelijk geen enkel aanknopingspunt op grond waarvan kan worden vastgesteld hoe de afzonderlijke geldboeten tot stand zijn gekomen, of kan worden nagegaan of het onderscheid tussen de verschillende ondernemingen op het punt van de geldboeten gerechtvaardigd is. Dienaangaande is een gedetailleerdere motivering vereist, in het bijzonder wanneer, zoals in casu, een zeer groot onderscheid wordt gemaakt tussen de ondernemingen. In het bijzonder wanneer bepaalde omstandigheden waarvan de Commissie is uitgegaan, zich niet hebben voorgedaan, is voor een rechterlijke toetsing van het bedrag van de individuele geldboeten nodig, dat het Gerecht op de hoogte is van het belang dat de Commissie aan elke als verzwarend beschouwde omstandigheid heeft toegemeten. Dit geldt temeer, wanneer er, zoals in casu, aanwijzingen zijn dat aan de ondernemingen die niet van hun recht van verweer tegen de beschuldigingen van de Commissie hebben afgezien, een veel hogere geldboete is opgelegd.
266 Overigens heeft de Commissie de noodzaak van een gedetailleerdere motivering van haar methode om tussen de verschillende ondernemingen te differentiëren erkend, omdat zij tijdens een persconferentie op 13 juli 1994 gegevens dienaangaande heeft verstrekt en zelfs de mathematische formule bekend heeft gemaakt, die zij naar eigen zeggen niet zou hebben gebruikt. De motivering dient evenwel een bestanddeel van de beschikking zelf te zijn.
267 Ten slotte wordt in de beschikking niet verklaard, waarom de Commissie van oordeel was dat verzoeksters geldboete niet kon worden verlaagd, ofschoon zij in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar de kern van de door de Commissie tegen haar ingebrachte feiten niet had ontkend. De Commissie had in de beschikking de feiten dienen aan te geven die gedurende de administratieve procedure waren toegegeven of niet waren ontkend door de ondernemingen waarvan de geldboete is verlaagd.
268 Volgens de Commissie zijn de gronden die doorslaggevend waren bij de vaststelling van de geldboete van elke onderneming, in de beschikking duidelijk genoeg uiteengezet. De in punt 169 van de considerans van de beschikking opgesomde criteria moeten namelijk worden gelezen met inachtneming van de motivering van de beschikking in haar geheel (arrest ICI/Commissie, reeds aangehaald, punt 355). Juist met betrekking tot de individuele beoordeling van verzoeksters geval bevat de beschikking een groot aantal gegevens (in het bijzonder de punten 8, 9, 36 e.v., en 170-173 van de considerans).
269 De Commissie betwist, dat de motivering in de beschikking geen rechterlijke toetsing van de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel mogelijk maakt. Ten onrechte gaat verzoekster er kennelijk van uit, dat de geldboeten zijn vastgesteld op basis van een mathematische formule, hetgeen evenwel niet het geval is. Het aangehouden basispercentage is namelijk gewijzigd met inachtneming van de bijzondere situatie van elk der betrokken ondernemingen. Overigens zijn de omzetten zakengeheimen, die de Commissie dient te beschermen.
270 Met betrekking tot de verlagingen op grond van de medewerking met de Commissie bevat de beschikking samenvattingen betreffende het verweer van de verschillende ondernemingen (punten 107-110 van de considerans), alsmede betreffende de beoordelingen van dit verweer door de Commissie (punten 111-115 van de considerans). Wat verzoekster betreft, blijkt uit de punten 108 en 114 van de considerans, dat de Commissie van oordeel was, dat haar opmerkingen op de belangrijkste punten feitelijk onjuist waren en dat zij dus niet als een bekentenis konden worden beschouwd (zie eveneens punt 172 van de considerans). Aldus heeft verzoekster kunnen beoordelen, of zij wat de sanctie betreft in vergelijking tot de andere ondernemingen juist en zonder discriminatie is behandeld.
271 Ten slotte herinnert de Commissie eraan, dat de motivering betreffende de vaststelling van de individuele geldboeten volstrekt vergelijkbaar is met die welke is gegeven in de beschikking polypropyleen, en die als toereikend is aangemerkt (arrest ICI/Commissie, reeds aangehaald, punten 353 en 354).
Beoordeling door het Gerecht
272 Het Gerecht heeft reeds gewezen op het doel van de verplichting tot motivering van een individuele beschikking (zie punt 42 supra).
273 Bij een beschikking waarbij, zoals in casu, aan meerdere ondernemingen een geldboete wordt opgelegd wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels, moet de omvang van de motiveringsplicht in het bijzonder worden bepaald met inachtneming van het feit dat de zwaarte van de inbreuken op basis van een groot aantal factoren moet worden vastgesteld (zie punt 256 supra).
274 Bovendien beschikt de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van elke geldboete over een beoordelingsmarge en kan zij niet verplicht worden geacht om daartoe een precieze mathematische formule toe te passen (zie in dezelfde zin arrest Gerecht van 6 april 1995, Martinelli/Commissie, T-150/89, Jurispr. blz. II-1165, punt 59).
275 In de beschikking worden de criteria die in aanmerking zijn genomen bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten en het bedrag van de individuele geldboeten vermeld in respectievelijk de punten 168 en 169 van de considerans. Verder verklaart de Commissie met betrekking tot de individuele geldboeten in punt 170 van de considerans, dat de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG hebben bijgewoond, in beginsel als de "kopstukken" van het kartel zijn beschouwd, terwijl de andere ondernemingen als "gewone leden" daarvan zijn beschouwd. Ten slotte geeft zij in de punten 171 en 172 van de considerans aan, dat de aan Rena en Stora opgelegde geldboeten aanzienlijk lager moeten uitvallen om rekening te houden met hun actieve medewerking met de Commissie en dat acht andere ondernemingen eveneens in aanmerking komen voor een proportioneel geringere verlaging, omdat zij in hun antwoorden op de mededeling van de punten van bezwaar niet de kern van de tegen hen ingebrachte feiten hebben ontkend, waarop de Commissie haar punten van bezwaar had gebaseerd.
276 In haar memories voor het Gerecht, alsmede in haar antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft de Commissie verklaard, dat het bedrag van de geldboeten is vastgesteld op basis van de omzet die elke onderneming tot wie de beschikking is gericht, in 1990 heeft behaald op de kartonmarkt van de Gemeenschap. Geldboeten van een basisniveau van 9 of 7,5 % van deze individuele omzet zijn opgelegd aan de ondernemingen die als de "kopstukken" van het kartel werden beschouwd, respectievelijk aan de andere ondernemingen. Ten slotte heeft de Commissie rekening gehouden met de eventuele medewerking van bepaalde ondernemingen tijdens de administratieve procedure. Bij twee ondernemingen is het bedrag van hun geldboete om die reden met twee derde verlaagd, terwijl die van andere ondernemingen met een derde is verlaagd.
277 Overigens blijkt uit een door de Commissie verstrekte tabel met gegevens betreffende de vaststelling van het bedrag van elk van de individuele geldboeten, dat deze geldboeten weliswaar niet zijn vastgesteld door middel van een strikt mathematische toepassing van alleen de bovengenoemde cijfers, doch dat deze cijfers voor de berekening van de geldboeten wel stelselmatig in aanmerking zijn genomen.
278 In de beschikking wordt niet gepreciseerd, dat het bedrag van geldboeten is vastgesteld op basis van de omzet van elke onderneming op de kartonmarkt van de Gemeenschap in 1990. Ook worden in de beschikking niet de toegepaste basispercentages van 9 en 7,5 % genoemd die zijn gehanteerd voor de berekening van de geldboeten die zijn opgelegd aan de ondernemingen die als de "kopstukken" werden beschouwd, respectievelijk aan de ondernemingen die als "gewone leden" werden beschouwd. Evenmin worden de percentages vermeld, waarmee de geldboeten van Rena en Stora enerzijds en die van acht andere ondernemingen anderzijds zijn verlaagd.
279 In casu bevatten de punten 169 tot en met 172 van de considerans, uitgelegd met inachtneming van de gedetailleerde uiteenzetting, in de beschikking, van de feitelijke bevindingen die ten aanzien van elke adressaat van de beschikking zijn geformuleerd, een toereikende en ter zake dienende vermelding van de beoordelingsfactoren die in aanmerking zijn genomen om de zwaarte en de duur van de door elk van de betrokken ondernemingen gepleegde inbreuk te bepalen (zie in deze zin arrest Gerecht van 24 oktober 1991, Petrofina/Commissie, T-2/89, Jurispr. blz. II-1087, punt 264). Bovendien is het met behulp van de opsomming van de criteria die een verlaging van de geldboete rechtvaardigden, en de opsomming van de ondernemingen waarvan de geldboeten zijn verlaagd (punten 171 en 172 van de considerans), mogelijk, de redenering van de Commissie te begrijpen. Bijgevolg behoefde zij de toepassing van deze criteria in de individuele gevallen niet nader toe te lichten.
280 In de tweede plaats zou, wanneer zoals in casu bij de bepaling van het bedrag van elke geldboete stelselmatig rekening is gehouden met bepaalde specifieke gegevens, de vermelding van elk van deze factoren in de beschikking de ondernemingen in staat stellen om enerzijds beter te beoordelen of de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van de individuele geldboete fouten heeft gemaakt, en anderzijds of, gelet op de toegepaste algemene criteria, het bedrag van elke individuele geldboete gerechtvaardigd is. In casu is bij de vermelding van de betrokken factoren in de beschikking, dat wil zeggen de referentieomzet, het referentiejaar, de toegepaste basispercentages en de percentages van de verlaging van het bedrag van de geldboete, de precieze omzet van de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, niet openbaar gemaakt, aangezien de openbaarmaking een inbreuk op artikel 214 van het Verdrag had kunnen opleveren. Het eindbedrag van elke individuele geldboete is, zoals de Commissie zelf heeft beklemtoond, namelijk niet tot stand gekomen door een strikt mathematische toepassing van deze factoren.
281 Ter terechtzitting heeft de Commissie overigens erkend, dat niets haar zou hebben belet om in de beschikking de factoren aan te geven die stelselmatig in aanmerking waren genomen en die bekend waren gemaakt tijdens een persconferentie op de dag zelf waarop deze beschikking is aanvaard. Dienaangaande zij herinnerd aan de vaste rechtspraak, volgens welke de motivering van de beschikking in de beschikking zelf moet voorkomen en dat latere verklaringen van de Commissie, behoudens bijzondere omstandigheden, niet in aanmerking kunnen worden genomen (zie arrest Gerecht van 2 juli 1992, Dansk Pelsdyravlerforening/Commissie, T-61/89, Jurispr. blz. II-1931, punt 131, en in dezelfde zin arrest Gerecht van 12 december 1991, Hilti/Commissie, T-30/89, Jurispr. blz. II-1439, punt 136).
282 Ondanks deze bevindingen zij opgemerkt, dat de motivering betreffende de vaststelling van het bedrag van de geldboeten in de punten 167 tot en met 172 van de considerans van de beschikking minstens even gedetailleerd is als de motiveringen in de vroegere beschikkingen van de Commissie betreffende vergelijkbare inbreuken. Hoewel het middel van een motiveringsgebrek van openbare orde is, had de gemeenschapsrechter op het moment van de vaststelling nog geen kritiek geuit op de praktijk die door de Commissie werd gevolgd op het gebied van de motivering van de opgelegde geldboeten. Pas in het arrest van 6 april 1995, Tréfilunion/Commissie (T-148/89, Jurispr. blz. II-1063, punt 142), en in twee andere arresten van dezelfde dag, Société métallurgique de Normandie/Commissie (T-147/89, Jurispr. blz. II-1057, summiere publicatie), en Société des treillis et panneaux soudés/Commissie (T-151/89, Jurispr. blz. II-1191, summiere publicatie), heeft het Gerecht voor het eerst beklemtoond, dat het wenselijk is dat de ondernemingen gedetailleerd kennis kunnen nemen van de wijze van berekening van de hun opgelegde geldboete, zonder daarvoor de beschikking van de Commissie in rechte te moeten aanvechten.
283 Wanneer de Commissie in een beschikking een inbreuk op de mededingingsregels vaststelt en de ondernemingen die daaraan hebben deelgenomen een geldboete oplegt, moet zij derhalve, indien zij bepaalde basisfactoren bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten stelselmatig in aanmerking heeft genomen, deze factoren in de beschikking zelf vermelden, om de ondernemingen tot wie zij is gericht, in staat te stellen de juistheid van het niveau van de geldboete te verifiëren en na te gaan of er eventueel sprake is van discriminatie.
284 In de bijzondere omstandigheden welke zijn vermeld in punt 282 supra, en gelet op het feit dat de Commissie zich bereid heeft getoond om tijdens de contentieuze procedure alle relevante inlichtingen betreffende de wijze van berekening van de geldboeten te verstrekken, behoeft het ontbreken van een specifieke motivering in de beschikking betreffende de wijze van berekening van de geldboeten in casu niet als een schending van de motiveringsplicht te worden beschouwd, die een gehele of gedeeltelijke intrekking van de opgelegde geldboeten rechtvaardigt. Ten slotte heeft verzoekster niet aangetoond, dat zij haar rechten van de verdediging niet behoorlijk geldend heeft kunnen maken.
285 Bijgevolg kan dit middel niet worden aanvaard.
D - Het middel: verzoekster zou ten onrechte als "kopstuk" van het kartel zijn aangemerkt
Argumenten van partijen
286 Verzoekster betoogt, dat de Commissie haar ten onrecht als een van de "kopstukken" van het kartel heeft beschouwd. Tot staving van deze vaststelling voert de Commissie slechts een omstandigheid aan, namelijk dat zij in de PWG vertegenwoordigd was (punt 170 van de considerans van de beschikking). Dit kan volgens haar evenwel niet als toereikend worden beschouwd, te meer daar de Commissie niet heeft verklaard, waarom de ondernemingen Weig en KNP, die eveneens in de PWG vertegenwoordigd waren, niet als "kopstuk" waren beschouwd.
287 Volgens verzoekster is het evenmin juist om haar als een van de "kopstukken" te beschouwen, omdat zij gedurende minder dan een half jaar het voorzitterschap van de PWG heeft waargenomen.
288 Verzoekster betwist, dat de deelnemers aan de PWG de rol van "stuwende kracht" van het kartel hebben gespeeld. Al degenen die de vergaderingen van de verschillende organen van de PG Paperboard hebben bijgewoond, hebben deelgenomen aan de besprekingen die als een inbreuk op artikel 85 van het Verdrag kunnen worden beschouwd. Bovendien verklaart de Commissie zelf, dat alle organen van de PG Paperboard functies hebben uitgeoefend die deel uitmaakten van een algemeen plan tot beperking van de mededinging, en dat elke onderneming aan dit algemene systeem heeft meegewerkt.
289 De Commissie betoogt, dat verzoekster als een van de "kopstukken" van het kartel moet worden beschouwd wegens haar deelneming aan de vergaderingen van de PWG, het kader waarbinnen de voornaamste besluiten betreffende de prijsinitiatieven en het "prijs vóór tonnage"-beleid waren genomen (punten 36-40 van de considerans van de beschikking). Bovendien moet ervan worden uitgegaan, dat verzoekster, omdat zij de PWG lange tijd heeft voorgezeten, een bijzonder actieve rol speelde.
Beoordeling door het Gerecht
290 Uit de vaststellingen betreffende de door verzoekster tot staving van haar vordering tot nietigverklaring van artikel 1 van de beschikking aangevoerde middelen blijkt, dat de Commissie naar behoren heeft aangetoond, dat de PWG de in de beschikking beschreven functies had. Ook de rol die de ondernemingen die lid waren van dit orgaan, in het bijzonder eind 1987 hebben gespeeld, is aangetoond.
291 Bijgevolg mocht de Commissie concluderen dat de ondernemingen, waaronder verzoekster, die de vergaderingen van dit orgaan hebben bijgewoond, als de "kopstukken" van de vastgestelde inbreuk moesten worden beschouwd en dat zij om die reden een bijzondere verantwoordelijkheid droegen (zie punt 170, eerste alinea, van de considerans van de beschikking). Overigens is niet het voorzitterschap van de PWG, doch de deelneming aan de vergaderingen van dit orgaan het criterium op basis waarvan de Commissie de ondernemingen als "kopstuk" heeft aangemerkt.
292 In casu staat vast, dat verzoekster de vergaderingen van de PWG vanaf de oprichting van dit orgaan heeft bijgewoond. Bovendien heeft zij geenszins aangetoond, dat zij een voornamelijk passieve rol binnen de organen van de PG Paperboard heeft gespeeld.
293 Zelfs wanneer de bewering juist is dat alle ondernemingen die de vergaderingen van de verschillende organen van de PG Paperboard hebben bijgewoond, aansprakelijk voor de inbreuk moeten worden geacht, kan zij niet van invloed zijn op de vaststelling dat de ondernemingen die lid waren van de PWG, een bijzondere rol hebben gespeeld bij de uitwerking en de uitvoering van de onrechtmatige gedragingen.
294 Ten slotte is het Gerecht van mening, dat de beschikking voldoende gegevens bevat om de door KNP en door Weig gespeelde rol te kunnen beoordelen. Zo is KNP volgens punt 170, tweede alinea, van de considerans slechts gedurende de periode waarin zij de vergaderingen van de PWG heeft bijgewoond, dat wil zeggen een kortere periode dan die van haar betrokkenheid bij het kartel, als een van de "kopstukken" van het kartel beschouwd. Bovendien verklaart de Commissie, dat zij rekening heeft gehouden met het feit dat Weig, die wel lid van de PWG was, geen belangrijke rol bij de beleidsvorming van het kartel lijkt te hebben gespeeld (punt 170, derde alinea, van de considerans). Verzoeksters verklaring dat zij is gediscrimineerd ten opzichte van de andere ondernemingen, is dus ongefundeerd.
295 Bijgevolg dient dit middel te worden afgewezen.
E - Het middel: schending van het recht van verweer
Argumenten van partijen
296 Verzoekster betoogt, dat haar recht van verweer is geschonden. Het bedrag van de haar opgelegde geldboete is namelijk met 50 % verhoogd wegens het feit dat zij bepaalde feitelijke tenlasteleggingen van de Commissie heeft ontkend. Bijgevolg is haar een zwaardere sanctie opgelegd, omdat zij niet ervan heeft afgezien om haar recht van verweer uit te oefenen.
297 Zij beroept zich op de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, volgens welke elke druk op ondernemingen opdat zij ervan afzien om tegen hen ingebrachte beschuldigingen te betwisten om een verlaging van het bedrag van de geldboete te verkrijgen, in strijd is met artikel 6 EVRM (uitspraken Europees hof voor de rechten van de mens van 27 februari 1980, Deweer, serie A, nr. 35, punten 41-47, en 25 februari 1993, Funke, serie A, nr. 256-A, punt 44). Bovendien zijn volgens dezelfde rechtspraak de met het onderzoek belaste autoriteiten verplicht, de in artikel 6 EVRM vermelde procedurele waarborgen, in het bijzonder het vermoeden van onschuld, ook in tegen ondernemingen ingeleide mededingingsprocedures in acht te nemen (arresten Europees Hof voor de rechten van de mens van 8 juni 1976, Engel e.a., serie A, nr. 22, 21 februari 1984, Öztürk, serie A, nr. 73, uitspraak Deweer, reeds aangehaald, en advies van de Europese Commissie voor de rechten van de mens in de zaak Stenuit/Franse staat, nr. 11598/85, rapport van 30 mei 1991, serie A, nr. 232-A).
298 Verzoekster herinnert eraan, dat het recht van verweer als een algemeen beginsel van het gemeenschapsrecht is erkend, met als gevolg dat op de ondernemingen geen druk mag worden uitgeoefend om hen ertoe te brengen, de juistheid van de tegen hen ingebrachte punten van bezwaar te erkennen (arrest Hof van 18 oktober 1989, Orkem/Commissie, 374/87, Jurispr. blz. 3283, punt 35). In het bijzonder heeft het erkend, dat artikel 6 EVRM van toepassing is op de administratieve procedure voor de Commissie (zelfde arrest, punt 30).
299 Met betrekking tot het verloop van de administratieve procedure voor de Commissie verklaart verzoekster, dat tegen ondernemingen dreigementen zijn geuit om hen ertoe te dwingen, de door de Commissie gestelde feiten niet te ontkennen. Zij herinnert eraan, dat de Commissie toegeeft dat zij de ondernemingen tijdens de administratieve procedure heeft laten weten, dat een medewerking hunnerzijds in aanmerking zou worden genomen bij de vaststelling van de geldboete.
300 Verder acht verzoekster haar recht van verweer geschonden, doordat zij niet de memories heeft kunnen inzien van de ondernemingen waarvan de geldboete is verlaagd omdat zij niet de kern van de door de Commissie tegen hen ingebrachte feiten hebben ontkend. Bijgevolg heeft zij niet kunnen nagaan, of deze ondernemingen inderdaad de kern van de feitelijke tenlasteleggingen niet hebben ontkend en derhalve, of zij ten opzichte van deze ondernemingen is gediscrimineerd.
301 De Commissie is van mening, dat zij de geldboeten mag verlagen om rekening te houden met een actieve medewerking van de ondernemingen (arrest Gerecht van 10 maart 1992, Solvay/Commissie, T-12/89, Jurispr. blz. II-907, punten 341 en 342, en arrest ICI/Commissie, reeds aangehaald, punt 393). Een dergelijke verlaging van de geldboete kan niet als een schending van het recht van verweer van de betrokken ondernemingen worden beschouwd, tenzij de Commissie dreigt om zwaardere geldboeten op te leggen aan de ondernemingen die de inbreuken niet toegeven.
302 De Commissie heeft nooit enige druk op verzoekster uitgeoefend om haar te dwingen, de juistheid van de meegedeelde punten van bezwaar niet te betwisten. Zij heeft verzoekster namelijk de mogelijkheid van een verlaging van de geldboete geboden onder dezelfde voorwaarden als zij aan alle andere betrokken ondernemingen heeft voorgesteld.
303 Volgens haar zijn de argumenten, ontleend aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, alsmede aan het arrest Orkem/Commissie (reeds aangehaald), niet relevant. Uit dit laatste arrest (punt 30) blijkt overigens uitdrukkelijk, dat het EVRM voor de onderhavige vraag niet relevant is.
VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER: 694A0347.2
304 Ten slotte beklemtoont de Commissie, dat zij niet verplicht is, in de loop van de administratieve procedure aan te geven, volgens welke criteria zij van plan is de geldboete te bepalen (arrest Hof van 9 november 1983, Michelin/Commissie, 322/81, Jurispr. blz. 3461, punten 17 e.v.), doch dat het volstaat, wanneer zij deze criteria in de beschikking zelf aangeeft. Bijgevolg was het voldoende om in de beschikking uiteen te zetten, in welke mate de verschillende ondernemingen hadden meegewerkt.
Beoordeling door het Gerecht
305 De Commissie heeft het algemene niveau van de geldboeten vastgesteld op basis van de overwegingen die worden vermeld in de punten 167 en 168 van de considerans. Bovendien staat vast, dat geldboeten van een basisniveau van 9 of 7,5 % van de omzet die door elk van de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, in 1990 is behaald op de kartonmarkt van de Gemeenschap, zijn opgelegd aan de ondernemingen die als de "kopstukken" van het kartel werden beschouwd, respectievelijk aan de andere ondernemingen.
306 De in punt 168 van de considerans van de beschikking genoemde criteria moeten worden geacht, het door de Commissie vastgestelde algemene niveau van de geldboeten te rechtvaardigen (zie punt 262 supra).
307 In de punten 169 tot en met 172 van de considerans worden de factoren vermeld, die de Commissie bij de vaststelling van de aan elke onderneming op te leggen geldboete in aanmerking heeft genomen. In het bijzonder in de punten 171 en 172 geeft de Commissie aan, dat de aan Rena en Stora opgelegde geldboeten aanzienlijk lager moeten uitvallen om rekening te houden met hun actieve medewerking met de Commissie, en dat acht andere ondernemingen eveneens in aanmerking komen voor een proportioneel geringere verlaging, omdat zij in hun antwoorden op de mededeling van de punten van bezwaar niet de kern van de tegen hen ingebrachte feiten hebben ontkend, waarop de Commissie haar punten van bezwaar had gebaseerd. Tijdens de procedure voor het Gerecht heeft de Commissie in het bijzonder verklaard, dat zij rekening heeft gehouden met de eventuele medewerking van bepaalde ondernemingen tijdens de administratieve procedure, en dat bij twee ondernemingen het bedrag van hun geldboete om die reden met twee derde is verlaagd, terwijl die van andere ondernemingen met een derde is verlaagd.
308 Aangezien het door de Commissie gekozen algemene niveau van de geldboeten, gelet op de in de beschikking vermelde criteria, als gerechtvaardigd is beschouwd, stelt het Gerecht vast, dat de Commissie, zoals in de beschikking is aangegeven, inderdaad het bedrag van de aan de ondernemingen opgelegde geldboeten heeft verlaagd, wanneer deze tijdens de administratieve procedure hadden meegewerkt. Verzoeksters argument dat de Commissie het bedrag van de geldboeten die zijn opgelegd aan de ondernemingen die hun recht van verweer hadden uitgeoefend, heeft verhoogd, kan dus niet worden aanvaard.
309 Ter zake zij opgemerkt, dat indien het recht van verweer tijdens de administratieve procedure voor de Commissie aldus wordt uitgeoefend, dat niet wordt geantwoord op de mededeling van de punten van bezwaar, in het antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar geen standpunt wordt bepaald met betrekking tot de gestelde feiten of in dit antwoord de voornaamste of alle in de mededeling van de punten van bezwaar gestelde feiten worden ontkend, zulks geen verlaging van de geldboete op grond van medewerking tijdens de administratieve procedure kan rechtvaardigen. Een verlaging om deze reden is namelijk slechts gerechtvaardigd, indien het gedrag de Commissie in staat heeft gesteld een inbreuk met minder moeilijkheden vast te stellen en in voorkomend geval daaraan een einde te maken (zie arrest ICI/Commissie, reeds aangehaald, punt 393). Onder deze omstandigheden kan een onderneming die uitdrukkelijk verklaart dat zij de gestelde feiten waarop de Commissie haar punten van bezwaar baseert, niet betwist, worden geacht, te hebben bijgedragen tot een vergemakkelijking van de taak van de Commissie om inbreuken op de communautaire mededingingsregels vast te stellen en tegen te gaan.
310 Ten slotte heeft het Hof met betrekking tot artikel 6 EVRM, anders dan verzoekster stelt, in zijn arrest Orkem/Commissie niet beslist, dat deze bepaling van toepassing is op de administratieve procedure voor de Commissie, doch dit enkel, zoals reeds uit de tekst zelf van het arrest blijkt (punt 30), als mogelijkheid in de overweging betrokken.
311 Het Gerecht is niet bevoegd om een onderzoek op het gebied van het mededingingsrecht te toetsen aan de bepalingen van het EVRM, voor zover deze niet als zodanig deel uitmaken van het gemeenschapsrecht.
312 Volgens vaste rechtspraak behoren de grondrechten evenwel tot de algemene rechtsbeginselen welker eerbiediging de gemeenschapsrechter verzekert (zie met name advies Hof van 28 maart 1996, advies 2/94, Jurispr. blz. I-1759, punt 33; arrest Hof van 29 mei 1997, Kremzow, C-299/95, Jurispr. blz. I-2629, punt 14). Daarbij laten het Hof en het Gerecht zich leiden door de constitutionele tradities welke aan de lidstaten gemeen zijn, alsmede door de aanwijzigingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens, waaraan de lidstaten hebben meegewerkt, of waarbij zij zich hebben aangesloten. Aan het EVRM komt in dit opzicht bijzondere betekenis toe (arresten Hof van 15 mei 1986, Johnston, 222/84, Jurispr. blz. 1651, punt 18, en Kremzow, reeds aangehaald, punt 14). Volgens artikel F, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie eerbiedigt de Unie overigens "de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het [EVRM] en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene beginselen van het gemeenschapsrecht".
313 Bijgevolg moet worden onderzocht of de Commissie, gelet op deze overwegingen, het fundamentele beginsel van de communautaire rechtsorde van de eerbiediging van het recht van verweer (arrest Michelin/Commissie, reeds aangehaald, punt 7) heeft geschonden, doordat zij gedurende de administratieve procedure onrechtmatige druk zou hebben uitgeoefend op verzoekster om de in de mededeling van de punten van bezwaar tegen haar ingebrachte feiten toe te geven.
314 De omstandigheid dat aan een bij het onderzoek betrokken onderneming tijdens de administratieve procedure wordt meegedeeld, dat het bedrag van de op te leggen geldboete kan worden verlaagd, wanneer de voornaamste of alle gestelde feiten worden toegegeven, zonder dat de omvang van deze verlaging wordt gepreciseerd, kan op zichzelf niet als het uitoefenen van druk op die onderneming worden aangemerkt.
315 In ieder geval heeft verzoekster niet verklaard, in hoeverre de door de Commissie tijdens de administratieve procedure geopperde mogelijkheid van een verlaging van de haar op te leggen geldboete haar zodanig onder druk had gesteld, dat zij gedwongen was de voornaamste in de mededeling van de punten van bezwaar gestelde feiten toe te geven. In dit verband moet overigens worden opgemerkt, dat verzoekster tijdens de administratieve procedure haar recht van verweer heeft uitgeoefend, omdat zij inderdaad de voornaamste gestelde feiten waarop de Commissie haar punten van bezwaar had gebaseerd, heeft ontkend. Bijgevolg dient haar argument te worden afgewezen.
316 Ten slotte heeft verzoekster niet verklaard, in hoeverre het beginsel van het vermoeden van onschuld is geschonden.
317 Haar argument dat zij niet heeft kunnen nagaan, of zij anders was behandeld dan de andere bij het onderzoek betrokken ondernemingen, zal worden onderzocht in het kader van het middel betreffende schending van het beginsel van gelijke behandeling (zie punten 334 en 335 infra).
318 Gelet op het voorgaande, dient dit middel te worden afgewezen.
F - Het middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling, aangezien verzoeksters geldboete niet is verlaagd
Argumenten van partijen
319 Verzoekster betoogt, dat zij is gediscrimineerd ten opzichte van de ondernemingen waarvan de geldboete is verlaagd omdat zij de kern van de door de Commissie tegen hen ingebrachte feiten niet hebben ontkend (punt 172 van de considerans van de beschikking).
320 Uit een brief van de Commissie van 27 april 1994 blijkt, dat zij voor een verlaging de erkenning van de materiële juistheid van de punten van bezwaar verlangde, terwijl zij van de andere ondernemingen slechts verlangde, dat zij de kern van de gestelde feiten niet ontkenden.
321 Verzoekster heeft de kern van de door de Commissie gestelde feiten evenwel niet ontkend, zodat haars inziens haar geldboete had moeten worden verlaagd. Haar deelneming aan de besprekingen betreffende prijzen en prijsverhogingen heeft zij altijd toegegeven en zij heeft zelfs verklaard, dat dergelijke besprekingen volgens de rechtspraak moeten worden aangemerkt als onderling afgestemde feitelijke gedragingen die in strijd zijn met artikel 85 van het Verdrag. Verder heeft de Commissie deze medewerking van verzoekster in de afzonderlijke gegevens in bijlage bij de mededeling van de punten van bezwaar uitdrukkelijk erkend.
322 Verzoekster had de juistheid van de beoordeling van de feiten door de Commissie, in het bijzonder haar beweringen betreffende het bestaan van prijsafspraken en een perfect georganiseerd kartel, niet kunnen toegeven, omdat zij voor de nationale rechter erop had kunnen worden aangesproken.
323 Verzoekster verklaart, actief met de Commissie te hebben medegewerkt, in het bijzonder aangezien zij tezamen met een aantal andere ondernemingen een procedurele oplossing heeft voorgesteld, waarbij van beroep zou worden afgezien in ruil voor een verlaging van het bedrag van de geldboete. Dit voorstel had op zichzelf een verlaging van de geldboete gerechtvaardigd.
324 Ten slotte concludeert verzoekster dat zij, voor zover zij de inhoud van de opmerkingen van de ondernemingen waarvan de geldboete is verlaagd, kan controleren, met zekerheid is benadeeld. Dienaangaande baseert zij zich op de in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen gepubliceerde voornaamste middelen en argumenten van de beroepen die zijn ingesteld door Sarrió en Enso Española (PB 1994, C 380, blz. 20 en 22). Daaruit blijkt, dat deze beide ondernemingen de beweringen van de Commissie voor het Gerecht tenminste evenzeer betwisten als zij. De geldboeten van deze beide ondernemingen zijn evenwel verlaagd, omdat zij de feiten niet zouden ontkennen. Bovendien citeert verzoekster uittreksels uit de verklaringen van de vertegenwoordiger van de vennootschap Weig tijdens de hoorzitting voor de Commissie en verwijst zij naar de middelen die door deze onderneming voor het Gerecht zijn aangevoerd (zoals beschreven in PB 1994, C 380, blz. 16 e.v.). Zij leidt daaruit af, dat Weig de beweringen van de Commissie evenzeer betwist als zij, ofschoon haar geldboete is verlaagd.
325 De Commissie herinnert eraan, dat zij niet alleen het recht heeft om de geldboeten te verlagen teneinde rekening te houden met een actieve medewerking, doch dat een dergelijke verlaging soms zelfs vereist is (arrest ICI/Commissie, reeds aangehaald, punt 393). Het is dus gerechtvaardigd om het niet-betwisten van de feiten bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten als een verzachtende omstandigheid in aanmerking te nemen, aangezien een dergelijke medewerking tot een opheldering van de feiten en een versnelling van de procedure bijdraagt.
326 Verzoekster heeft niet een dergelijke actieve medewerking betoond. Enerzijds heeft zij slechts het bestaan van een onderling afgestemde feitelijke gedraging erkend, hetgeen geen bekentenis van feiten is. Anderzijds heeft zij altijd niet alleen de prijsafspraken ontkend, doch ook elke onderlinge afstemming van productiehoeveelheden, marktaandelen en de planmatige uitvoering van prijsinitiatieven.
327 De Commissie betwist, dat de door verzoekster voorgestelde oplossing tot beëindiging van de procedure als een actieve medewerking kan worden beschouwd, die een verlaging van het bedrag van de geldboete rechtvaardigt. Afzien van beroep kan de feiten niet ophelderen. Evenmin kan het de procedure versnellen, zodat de Commissie geen enkel belang heeft om tot dergelijke "regelingen" met de ondernemingen te komen.
328 Wat de gestelde ongelijke behandeling ten opzichte van de vennootschappen Sarrió en Enso Española betreft, stelt de Commissie, dat deze ondernemingen in elk geval vóór de bekendmaking van de beschikking de kern van de feitelijke vaststellingen van de Commissie niet hadden ontkend. De verlaging van hun geldboeten was derhalve gerechtvaardigd. Het gedrag van de vennootschap Weig was evenmin vergelijkbaar met dat van verzoekster. Enerzijds had Weig de vaststellingen van de Commissie reeds in het stadium van de mededeling van de punten van bezwaar nagenoeg niet meer ontkend. Anderzijds had zij bijgedragen tot een opheldering van de feiten, door haar een verklaring over te leggen van een lid van de directie van Feldmühle, die de vergaderingen van verschillende organen van de PG Paperboard had bijgewoond.
Beoordeling door het Gerecht
329 In haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar heeft verzoekster enkel toegegeven, dat de binnen de organen van de PG Paperboard gevoerde besprekingen betrekking konden hebben op prijzen en prijsverhogingen.
330 Terecht heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld, dat verzoekster, door aldus te antwoorden, zich niet op een wijze heeft gedragen die een verlaging van de geldboete wegens medewerking tijdens de administratieve procedure rechtvaardigt. Een verlaging om die reden is namelijk slechts gerechtvaardigd, indien het gedrag de Commissie in staat heeft gesteld om een inbreuk met minder moeilijkheden vast te stellen en daaraan in voorkomend geval een einde te maken (zie arrest ICI/Commissie, reeds aangehaald, punt 393).
331 Zoals reeds is opgemerkt, kan een onderneming die uitdrukkelijk verklaart, dat zij de gestelde feiten waarop de Commissie haar punten van bezwaar baseert, niet ontkent, als een onderneming worden beschouwd die heeft bijgedragen tot een verlichting van de taak van de Commissie, bestaande in het vaststellen en het bestraffen van inbreuken op de communautaire mededingingsregels. In haar beschikkingen houdende vaststelling van een inbreuk op deze regels, mag de Commissie een dergelijk gedrag als een erkenning en dus als een bewijs van de juistheid van de gestelde feiten beschouwen. Een dergelijk gedrag kan derhalve een verlaging van de geldboete rechtvaardigen.
332 Dit is niet het geval wanneer een onderneming niet antwoordt op de mededeling van de punten van bezwaar, enkel verklaart geen standpunt in te nemen met betrekking tot de daarin door de Commissie gestelde feiten, of, zoals verzoekster, in haar antwoord de kern van de door de Commissie gestelde feiten ontkent. Door een dergelijke houding tijdens de administratieve procedure draagt de onderneming namelijk niet bij tot een verlichting van de taak van de Commissie, bestaande in het vaststellen en bestraffen van de inbreuken op de communautaire mededingingsregels. Ook is het duidelijk dat het door verzoekster tijdens de administratieve procedure aan de Commissie gedane voorstel om bij het Gerecht geen beroep in te stellen tegen de te geven beschikking evenmin tot een verlichting van deze taak heeft kunnen bijdragen.
333 Wanneer de Commissie in punt 172, eerste alinea, van de considerans van de beschikking verklaart, dat zij het bedrag van de geldboeten die zijn opgelegd aan de ondernemingen die in hun antwoorden op de mededeling van de punten van bezwaar de kern van de door de Commissie tegen hen ingebrachte feiten niet hebben ontkend, met een derde heeft verlaagd, moet dan ook worden vastgesteld, dat deze verlagingen van de geldboeten slechts als rechtmatig kunnen worden beschouwd, wanneer de betrokken ondernemingen uitdrukkelijk hebben verklaard, dat zij deze feiten niet ontkennen.
334 Gesteld al dat de Commissie een onrechtmatig criterium heeft toegepast door de geldboeten te verlagen die zijn opgelegd aan ondernemingen die niet uitdrukkelijk hadden verklaard dat zij de gestelde feiten niet ontkenden, moet eraan worden herinnerd, dat de eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling te verenigen moet zijn met de eerbiediging van het legaliteitsbeginsel, dat meebrengt dat niemand zich ten eigen voordele kan beroepen op een onwettigheid waarvan anderen hebben kunnen profiteren (zie bijvoorbeeld arrest Hof van 4 juli 1985, Williams/Rekenkamer, 134/84, Jurispr. blz. 2225, punt 14). Voor zover verzoeksters betoog er juist toe strekt, dat wordt erkend dat zij recht heeft op een onrechtmatige verlaging van de geldboete, kan dit argument bijgevolg niet worden aanvaard.
335 Het feit dat de Commissie enige geldboeten eventueel wel onrechtmatig heeft verlaagd, kan niet tot een verlaging van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete leiden, zodat zij niet kan stellen dat haar rechten van de verdediging zijn geschonden, omdat zij niet heeft kunnen nagaan of zij op dit punt anders is behandeld dan de andere ondernemingen.
336 Ten slotte is verzoeksters argument dat de geldboeten van de ondernemingen Sarrió en Enso Española en in zekere mate Weig met een derde zijn verlaagd, terwijl zij het beroep dat zij bij het Gerecht hebben ingesteld tegen de beschikking, de daarin vervatte beweringen hebben ontkend, is niet relevant. De Commissie heeft voor de verlagingen van het bedrag van de geldboeten slechts rekening gehouden met het gedrag van de ondernemingen tijdens de administratieve procedure.
337 Bijgevolg dient het middel te worden afgewezen.
G - Het middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling, aangezien de aan verzoekster opgelegde geldboete te hoog zou zijn, vergeleken met de geldboete die is opgelegd aan Stora
Argumenten van partijen
338 Verzoekster betoogt dat de geldboeten volgens de rechtspraak individueel, zonder discriminatie en met inachtneming van de betrokkenheid van elk der ondernemingen bij de inbreuk, hun positie op de markt en hun algemene economische situatie moeten worden bepaald (zie arresten Hof van 15 juli 1970, Buchler/Commissie, 44/69, Jurispr. blz. 733, Suiker Unie e.a./Commissie, reeds aangehaald, en 12 juli 1979, BMW Belgium e.a./Commissie, 32/78 en 36/78-82/78, Jurispr. blz. 2435). Het Hof en het Gerecht hebben herhaaldelijk het belang van het beginsel van gelijke behandeling beklemtoond (arresten Hof van 30 januari 1985, BAT/Commissie, 35/83, Jurispr. blz. 363, punten 43-47; 8 februari 1990, Tipp-Ex/Commissie, C-279/87, Jurispr. blz. I-261, summiere publicatie, punten 40 en 41, en arresten Dansk Pelsdyravlerforening/Commissie, reeds aangehaald, punt 52, en ICI/Commissie, reeds aangehaald).
339 Gelet op deze rechtspraak is verzoekster van oordeel, dat het argument van de Commissie dat zij zich niet op een eventuele voorkeursbehandeling van Stora zou kunnen beroepen, niet kan slagen.
340 Het middel valt uiteen in twee onderdelen.
341 In het eerste onderdeel betoogt verzoekster, dat de haar opgelegde geldboete onevenredig is, vergeleken met de geldboete die aan Stora is opgelegd.
342 Volgens haar heeft Feldmühle zich systematisch aan prijsonderbiedingen schuldig gemaakt, waardoor verzoekster en andere niet-communautaire producenten zich genoopt hadden gezien, hun expansiepolitiek op de markt van de Gemeenschap te beëindigen. De vertegenwoordigers van Stora/Feldmühle hadden een zeer actieve rol binnen het JMC en de PWG gespeeld. Ten slotte was Stora gedurende de betrokken periode met een marktaandeel van ongeveer 14 % de leider op de Europese kartonmarkt.
343 Bijgevolg had de geldboete van Stora vóór de eventuele verlagingen veel hoger moeten zijn dan die van verzoekster. De Commissie heeft dan ook bij de vaststelling van de geldboeten het beginsel van gelijke behandeling geschonden (arrest ICI/Commissie, reeds aangehaald, punten 352 en 354 e.v.).
344 In het tweede onderdeel van het middel stelt verzoekster, dat ook de verlaging van de geldboete van Stora in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling. In de eerste plaats heeft de Commissie zich ten onrechte op het standpunt gesteld, dat Stora vrijwillig en spontaan heeft meegewerkt. Stora heeft namelijk pas negen maanden na de indiening van de klacht van de vereniging BPIF, van welke klacht de bedrijfstak snel op de hoogte was, dat wil zeggen vier maanden na de door de Commissie uitgevoerde verificaties en pas nadat zij de door de Commissie verstuurde verzoeken om inlichtingen had ontvangen, "bekend".
345 In de tweede plaats betwijfelt verzoekster, of "de bekentenis" van Stora wel op beslissende wijze heeft bijgedragen tot de vaststelling van de gestelde inbreuk. Dienaangaande verwijst zij naar de opmerking van de Commissie, dat de verklaringen van Stora op de belangrijkste punten door andere documenten worden bevestigd.
346 In de derde plaats is de verlaging van de geldboete van Stora volgens haar in elk geval onevenredig. Na vergelijking van de bevindingen van het Gerecht in het arrest ICI/Commissie (reeds aangehaald, punt 393) met de feiten in onderhavige zaak stelt verzoekster, dat Stora in elke geval niet gunstiger kan worden behandeld dan ICI voor het Gerecht is behandeld.
347 In de vierde plaats verklaart zij in haar repliek op basis van onder meer het arrest Solvay/Commissie (reeds aangehaald, punten 341 e.v.), dat het twijfelachtig is of een bekentenis als zodanig kan worden beloond door een verlaging op grond van medewerking, omdat de ondernemingen hoe dan ook verplicht zijn, op de verzoeken om inlichtingen van de Commissie te antwoorden.
348 In de vijfde plaats ten slotte verklaart zij in haar repliek, dat de Commissie aan een aantal ondernemingen hoge geldboeten heeft opgelegd, enkel omdat zij het niet volledig eens waren met de beoordeling van de feiten door Stora. Deze praktijk is onaanvaardbaar, te meer omdat Stora een van de meest gecompromitteerde ondernemingen was en er dus kennelijk belang bij had om haar eigen rol in het kartel als geringer af te schilderen dan die van de andere ondernemingen.
349 Volgens de Commissie betwist verzoekster niet de rechtmatigheid van haar eigen geldboete doch die van de geldboete die aan Stora is opgelegd. Verzoekster kan zich evenwel niet op de eventuele onrechtmatigheid van de aan Stora opgelegde geldboete beroepen, omdat uit het beginsel van gelijke behandeling niet kan worden afgeleid, dat verzoekster ingeval de aan Stora opgelegde geldboete onrechtmatig is, aanspraak kan maken op een even onrechtmatige behandeling.
350 In elk geval is de aan Stora opgelegde geldboete adequaat. Bovendien onderstelt een schending van het beginsel van gelijke behandeling een verschillende behandeling van vergelijkbare gevallen. De situatie van verzoekster is evenwel niet vergelijkbaar met die van Stora. Weliswaar moeten de beide ondernemingen als "kopstukken" worden beschouwd op wie een bijzondere verantwoordelijkheid rust, doch Stora heeft snel en ten volle meegewerkt met de Commissie, hetgeen verzoekster niet heeft gedaan.
351 Ten slotte merkt de Commissie op, dat de door Stora afgelegde verklaringen veel verder gingen dan de verzoeken om inlichtingen van de Commissie en dat Stora niet, zoals verzoekster verklaart, haar bekentenissen grotendeels heeft ingetrokken.
Beoordeling door het Gerecht
352 Volgens vaste rechtspraak wordt het beginsel van gelijke behandeling - één van de fundamentele beginselen van het gemeenschapsrecht - slechts geschonden, wanneer vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld of verschillende situaties gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (arresten Hof van 13 december 1984, Sermide, 106/83, Jurispr. blz. 4209, punt 28, en 28 juni 1990, Hoche, C-174/89, Jurispr. blz. I-2681, punt 25, alsmede in dezelfde zin arrest Gerecht van 15 maart 1994, La Pietra/Commissie, T-100/92, JurAmbt. blz. II-275, punt 50).
353 In casu stelt verzoekster schending van dit beginsel. Zij betoogt, dat de haar opgelegde geldboete is vastgesteld, uitgaande van een basispercentage dat identiek is aan het percentage dat is aangehouden voor de vaststelling van de hoogte van de aan Stora opgelegde geldboete, namelijk 9 % van de omzet die in 1990 op de kartonmarkt van de Gemeenschap is behaald, ofschoon haar rol in het kartel verschilde van die van Stora.
354 Dienaangaande volstaat de vaststelling, dat Stora en verzoekster blijkens de beschikking als deelnemers aan de vergaderingen van de PWG betrokken waren bij de verschillende bestanddelen van het kartel, en dat deze beide ondernemingen als "kopstukken" van het kartel zijn aangemerkt op grond van het feit dat zij de vergaderingen van dit orgaan van de PG Paperboard hebben bijgewoond. Bijgevolg verschillen de situaties van deze ondernemingen in het kartel niet van elkaar en was het dus gerechtvaardigd om hen gelijk te behandelen bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete. Zelfs indien de omstandigheden die verzoekster heeft aangevoerd om aan te tonen dat zij een minder actieve rol binnen de PWG heeft gespeeld dan Stora, waren bewezen, zouden deze omstandigheden niet kunnen afdoen aan de vaststelling van de Commissie betreffende de rol van verzoekster en van Stora. Bijgevolg dient het eerste onderdeel van het middel te worden afgewezen.
355 Het tweede onderdeel van het middel kan evenmin worden aanvaard.
356 Stora heeft namelijk tegenover de Commissie verklaringen afgelegd die een zeer gedetailleerde beschrijving van de aard en het doel van de inbreuk, de werking van de verschillende organen van de PG Paperboard en de deelneming van de verschillende producenten aan de inbreuk bevatten. Door deze verklaringen heeft Stora veel ruimere inlichtingen verstrekt dan de Commissie kan eisen krachtens artikel 11 van verordening nr. 17. Hoewel de Commissie in de beschikking verklaart, dat zij bewijsmateriaal heeft verkregen dat de in de verklaringen van Stora vervatte inlichtingen bevestigt (punten 112 en 113 van de considerans), blijkt duidelijk, dat de verklaringen van Stora het voornaamste bewijs van het bestaan van de inbreuk hebben opgeleverd. Zonder deze verklaringen was het voor de Commissie op zijn minst veel moeilijker geweest om de in de beschikking bedoelde inbreuk vast te stellen en, in voorkomend geval, daaraan een einde te maken.
357 Zo gezien heeft de Commissie, door het bedrag van de aan Stora opgelegde geldboete met twee derde te verlagen, niet de grenzen van de beoordelingsmarge overschreden waarover zij bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten beschikt. Verzoekster kan dus niet met recht stellen, dat de verlaging van de aan Stora opgelegde geldboete onevenredig is.
358 Bovendien kan in casu geen schending van het beginsel van gelijke behandeling worden vastgesteld, omdat verzoekster, anders dan Stora die actief met de Commissie heeft medegewerkt, de kern van de ten laste gelegde feiten waarop de Commissie haar punten van bezwaar had gebaseerd, heeft ontkend. De Commissie kon deze beide ondernemingen dus verschillend behandelen bij de beslissing, of en in welke mate het bedrag van de geldboeten diende te worden verlaagd, omdat hun situatie niet vergelijkbaar was.
359 Gelet op het voorgaande, dient dit middel derhalve te worden afgewezen.
H - Het middel: het bestaan van bepaalde verzachtende omstandigheden
Argumenten van partijen
360 Verzoekster stelt, dat een aantal feitelijke omstandigheden door de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete als verzachtende omstandigheden hadden moeten worden beschouwd.
361 In de eerste plaats heeft verzoekster niet geprobeerd belastende documenten te verbergen, hoewel zij vantevoren was gewaarschuwd, dat personeelsleden van de Commissie verificatie zouden gaan verrichten.
362 In de tweede plaats was zij tot medio 1990 een middelgrote onderneming. Pas in de loop van dat jaar had zij haar nieuwe machine in de kartonfabriek Neuss (Duitsland) in bedrijf genomen en had zij in april, respectievelijk september (met terugwerkende kracht tot 1 januari 1990) de vennootschappen Deisswil en Eerbeek overgenomen.
363 In de derde plaats betrof het de eerste inbreuk in de bedrijfstak karton.
364 In de vierde plaats waren de prijzen van het voornamelijk door verzoekster geproduceerde GD-karton minder verhoogd dan die van GC-karton. Verzoekster had dus niet de voor de overige ondernemingen aangehouden winstmarge kunnen behalen.
365 In de vijfde plaats ten slotte stelt verzoekster in haar repliek, dat de Commissie overeenkomstig haar vroegere beschikkingspraktijk rekening had moeten houden met de moeilijke omstandigheden welke tot het einde van de jaren '80 heersten in de bedrijfstak karton, waardoor het was uitgesloten om een redelijk rendement uit het geïnvesteerde kapitaal te behalen. Eveneens had in aanmerking moeten worden genomen, dat in de betrokken bedrijfstak de omzetten hoog zijn, doch de winsten laag. Geldboeten die enkel op basis van de omzet van de kartonproducenten worden berekend, treffen deze producenten dus bijzonder hard.
366 De Commissie brengt hiertegen in, dat zij de onderhavige factoren niet als verzachtende omstandigheden in aanmerking behoefde te nemen.
Beoordeling door het Gerecht
367 Zoals reeds is opgemerkt (punt 256 supra) moet de zwaarte van de inbreuken worden vastgesteld met inachtneming van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context daarvan en de preventieve werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld (beschikking SPO e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 54).
368 Bijgevolg kan uit het enkele feit dat de Commissie in haar vroegere beschikkingspraktijk bepaalde factoren bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete als een verzachtende omstandigheid heeft beschouwd, niet worden afgeleid, dat zij verplicht is, zulks in een latere beschikking eveneens te doen. De Commissie was derhalve niet verplicht om rekening te houden met de ongunstige economische omstandigheden van de bedrijfstak, zo deze al bestonden.
369 Bovendien heeft de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening gehouden met de omzet die verzoekster in 1990 op de kartonmarkt van de Gemeenschap heeft behaald. Bijgevolg heeft de Commissie rekening gehouden met verzoeksters positie in de bedrijfstak, alsmede met de strekking van de inbreuk.
370 Het feit dat de inbreuk volgens verzoekster de eerste inbreuk in de betrokken bedrijfstak is, kan niet als een verzachtende omstandigheid worden aangemerkt. Het feit dat de Commissie in het verleden reeds heeft vastgesteld dat een onderneming inbreuk op de mededingingsregels had gemaakt en eventueel uit dien hoofde een geldboete heeft opgelegd, kan tegen die onderneming als een verzwarende omstandigheid in aanmerking worden genomen. Daarentegen is de afwezigheid van een eerdere inbreuk een normale omstandigheid, die de Commissie niet als verzachtende omstandigheid in aanmerking behoeft te nemen, te meer omdat in casu sprake is van een bijzonder duidelijke inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag (zie arrest Gerecht van 17 december 1991, DSM/Commissie, T-8/89, Jurispr. blz. II-1833, punt 317).
371 Zo gezien was de Commissie gerechtigd, om de door verzoekster aangevoerde factoren niet als verzachtende omstandigheid in aanmerking te nemen.
372 Bijgevolg kan het middel niet worden aanvaard.
I - Het middel: ontbreken van opzet
373 Verzoekster stelt, dat zij op het relevante tijdstip niet op de hoogte was van de onrechtmatigheid van de informatie-uitwisseling waarbij zij betrokken was. Daarbij moet in aanmerking worden genomen, dat zij een middelgrote onderneming was, die geen jurist in dienst had en buiten de Gemeenschap was gevestigd. Bovendien bevat de Oostenrijkse mededingingsregeling slechts sanctiebepalingen bij bindende overeenkomsten, terwijl in casu slechts sprake was van onderling afgestemde feitelijke gedragingen.
374 Dit middel kan niet worden aanvaard.
375 Het is namelijk vaste rechtspraak, dat voor de vaststelling dat een inbreuk opzettelijk is gepleegd, niet vereist is, dat de onderneming zich ervan bewust was, het verbod van artikel 85, lid 1, van het Verdrag te overtreden. Het volstaat dat de onderneming niet onkundig kon zijn van de omstandigheid, dat de gewraakte handelwijze ertoe strekte of ten gevolge had dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt werd verhinderd (zie in het bijzonder arrest Hof van 11 juli 1989, Belasco e.a., 246/86, Jurispr. blz. 2117, punt 41, en arrest Dansk Pelsdyravlerforening/Commissie, reeds aangehaald, punt 157).
376 In casu heeft de Commissie aangetoond, dat verzoekster heeft deelgenomen aan de bestanddelen van de bij artikel 1 van de beschikking vastgestelde inbreuk. Gelet op de aard van de vastgestelde gedragingen, kon verzoekster niet onkundig zijn van de omstandigheid dat zij ten doel hadden de mededinging te beperken.
J - Het middel: inaanmerkingneming van onjuiste omzet
377 Dit middel valt uiteen in twee onderdelen, die afzonderlijk moeten worden onderzocht.
Het eerste onderdeel: bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete zou ten onrechte rekening zijn gehouden met de uit de verkoop van grijskarton behaalde omzet
Argumenten van partijen
378 Verzoekster merkt op, dat de Commissie het bedrag van de geldboete heeft vastgesteld op basis van de omzet die zij in 1990 heeft behaald uit alle verkopen van kartonproducten. Dit cijfer omvatte dus mede de omzet uit de verkoop van grijskarton. In een persbericht van 13 juli 1994 heeft de Commissie evenwel verklaard, dat de geldboeten waren berekend op basis van de omzet van elk van de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, welke was behaald met de verkopen van de kartonkwaliteiten waarop de beschikking betrekking heeft.
379 Aangezien grijskarton niet een van de kartonkwaliteiten is waarop de beschikking betrekking heeft, had de als berekeningsgrondslag voor de geldboete in aanmerking genomen omzet derhalve moeten worden verminderd met 13,1 miljoen ECU, het bedrag van de verkopen van grijskarton. De geldboete dient evenredig te worden verlaagd.
380 De Commissie betoogt, dat voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete niet een strikt mathematische formule kan worden gebruikt. In casu is de geldboete, gelet op verzoeksters totale omzet, redelijk, aangezien de ondernemingen niet kunnen verlangen dat enkel rekening wordt gehouden met de omzet uit de producten waarop de inbreuk rechtstreeks betrekking heeft. De Commissie wijst met nadruk op het bestaan van verzwarende omstandigheden en het ontbreken van verzachtende omstandigheden en zij herinnert eraan dat zij voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete is uitgegaan van de omzet in 1990 (in plaats van 1993) en dat zij slechts rekening heeft gehouden met de omzet die is behaald uit de verkopen van karton in de Gemeenschap.
381 In haar dupliek stelt zij, dat zij verzoekster bij brief van 8 oktober 1993 had gevraagd om haar in het bijzonder haar omzet uit karton mee te delen. In haar antwoord op 3 november 1993 heeft verzoekster haar dit cijfer meegedeeld onder het kopje "Kartonwaren (GC, GD)". Omdat in de mededeling van de punten van bezwaar uitdrukkelijk was vermeld, dat de procedure niet betrekking had op grijskarton, bestond er voor de Commissie derhalve geen enkele reden om de juistheid van de meegedeelde omzet te verifiëren.
Beoordeling door het Gerecht
382 Uit punt 4, tweede alinea, van de considerans van de beschikking blijkt, dat de in de beschikking bedoelde inbreuk geen betrekking had op grijskarton.
383 Vaststaat, dat de Commissie het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete heeft vastgesteld op basis van de omzet die door haar in 1990 op de communautaire markt is behaald met haar verkopen van GC-karton, GD-karton en grijskarton. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft toegegeven, blijkt expliciet uit de inlichtingen die verzoekster vóór de mededeling van de punten van bezwaar aan de Commissie heeft verstrekt, dat de door haar aangegeven omzet ook de omzet uit de verkopen van grijskarton omvatte.
384 Daarbij komt nog, dat de Commissie, ofschoon het haar bekend moest zijn dat de omzet waarvan zij uitging, mede de omzet voor grijskarton omvatte, nooit aan verzoekster heeft gevraagd om haar mee te delen welke omzet zij in 1990 uitsluitend had behaald met de producten waarop de procedure betrekking had, dat wil zeggen GC-, GD-, en eventueel SBS-karton.
385 Zoals zij eveneens ter terechtzitting heeft toegegeven, is de Commissie met betrekking tot de andere ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, evenwel enkel uitgegaan van de omzet die is behaald met de producten waarop de door de beschikking bedoelde inbreuk betrekking had.
386 Gelet op deze vaststelling en op het feit dat de uit de verkopen van grijskarton behaalde omzet een niet te verwaarlozen invloed op het bedrag van de geldboete had, dient dit bedrag te worden verlaagd om de discriminatie waarvan verzoekster aldus het slachtoffer was, vergeleken met de andere adressaten van de beschikking, op te heffen.
387 Het Gerecht zal met deze conclusie rekening houden wanneer het in het kader van zijn volledige rechtsmacht betreffende de geldboeten beoordeelt, welke geldboete dient te worden opgelegd voor de ten aanzien van verzoekster vastgestelde inbreuk (zie punt 405 infra).
Het tweede onderdeel: bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete zou ten onrechte rekening zijn gehouden met de omzet van Deisswil en Eerbeek
Argumenten van partijen
388 Verzoekster stelt, dat bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete geen rekening had moeten worden gehouden met de omzet die door de kartonfabrieken Deisswil en Eerbeek in 1990 is behaald.
389 In Deisswil had zij in april 1990 met ingang van 1 januari 1990 een aandeel van 66 % en dus de controle verworven. De vroegere eigenaren van deze vennootschap, die gedurende meer dan drie kwart van de relevante periode verantwoordelijk waren geweest voor haar gedrag, behielden nog een aandeel van 34 % in de vennootschap. Bijgevolg was het onbillijk, om de gehele omzet van Deisswil bij de omzet van verzoekster mee te rekenen, terwijl de vroegere eigenaren, die nog steeds een derde van de winst ontvangen, niet worden geraakt door de geldboete. Onder deze omstandigheden had ofwel rechtstreeks aan Deisswil een geldboete moeten worden opgelegd - evenals is gebeurd met de vennootschap Laakmann (punt 150, derde alinea, van de considerans van de beschikking) -, ofwel de omzet van Deisswil slechts prorata temporis als omzet van verzoekster moeten worden meegerekend (ten belope van 13/60, waarbij de noemer van de breuk wordt gevormd door de gehele periode van de inbreuk, uitgedrukt in maanden, waarvan de Commissie is uitgegaan bij de vaststelling van het bedrag van de individuele geldboeten).
390 Voor het gedrag van de vennootschap Eerbeek is verzoekster pas aansprakelijk vanaf 1 januari 1990, vóór welke datum de vennootschap KNP als aansprakelijk is beschouwd (punt 150 van de considerans van de beschikking). Door evenwel de gehele omzet van Eerbeek in 1990 in aanmerking te nemen voor de vaststelling van het bedrag van geldboete van Mayr-Melnhof, heeft de Commissie haar eigen beoordeling niet gevolgd, omdat zij deze omzet eveneens in aanmerking heeft genomen bij de vaststelling van het bedrag van de aan KNP opgelegde geldboete.
391 Bovendien heeft verzoekster de volledige controle van de vennootschap Eerbeek pas in september 1990 verworven. Pas vanaf die datum heeft zij derhalve een beslissende invloed op haar marktgedrag kunnen uitoefenen. Overeenkomstig de boetepraktijk, alsmede de in de rechtspraak ontwikkelde beginselen kan de omzet van Eerbeek volgens haar pas vanaf die datum als omzet van verzoekster worden meegerekend. De omzet van Eerbeek in 1990 (het referentiejaar) kan derhalve slechts voor 8/60, dat wil zeggen vanaf september 1990 tot en met april 1991, als omzet van haar worden meegerekend.
392 In haar repliek voegt verzoekster daaraan toe, dat er een tegenstrijdigheid bestaat in de behandeling van de gevallen Eerbeek en Deisswil, omdat de Commissie met betrekking tot de vennootschap Eerbeek stelt, dat de identiteit van de persoon die de winst ontvangt, het beslissende criterium is, terwijl zij de relevantie van dit criterium met betrekking tot de vennootschap Deisswil ontkent, door te stellen dat de daadwerkelijke controle het beslissende criterium is.
393 De Commissie stelt, dat zij bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete terecht rekening heeft gehouden met de omzet die de ondernemingen Deisswil en Eerbeek in 1990 hebben behaald. Bij de vaststelling van de geldboete moet namelijk een referentiejaar worden bepaald, in casu 1990. Aan de ondernemingen die in de loop van dat jaar een hogere omzet hadden behaald dan in andere jaren, was aldus een zwaardere sanctie opgelegd. Aangezien het referentiejaar evenwel correct is gekozen, is er geen grond om onderscheid te maken naargelang van de redenen waarom de omzet aldus is toegenomen.
394 Wat Deisswil betreft, heeft de Commissie naar behoren rekening gehouden met het feit dat verzoekster in 1990 de volledige controle over deze onderneming heeft uitgeoefend en haar commerciële gedrag dus kon sturen. Onder deze omstandigheden is het feit dat verzoekster niet de gehele winst van deze vennootschap heeft ontvangen, niet relevant.
395 Met betrekking tot Eerbeek betoogt de Commissie, dat het feit dat verzoekster met ingang van 1 januari 1990 de winst had ontvangen en dus vanaf die datum economisch van de inbreuk had geprofiteerd, de beslissende factor was.
396 Ten slotte merkt de Commissie op, dat de omzet van Eerbeek niet onrechtmatig twee maal in aanmerking is genomen.
Beoordeling door het Gerecht
397 Verzoekster betwist niet dat op de datum waarop zij de controle over Deisswil heeft verworven, zowel deze laatste vennootschap als zijzelf betrokken waren bij de in de beschikking bedoelde inbreuk. Bijgevolg was zij noodzakelijkerwijze op de hoogte van het mededingingsverstorende gedrag van Deisswil.
398 Onder deze omstandigheden kon de Commissie het gedrag van Deisswil voor de periode vóór en na de verwerving van deze onderneming aan haar toerekenen. Als moedermaatschappij diende verzoekster jegens haar dochtermaatschappij alles te doen om de voortzetting van de inbreuk, van welks bestaan zij niet onkundig was, te verhinderen. Verzoekster betwist evenwel niet, dat het onrechtmatige gedrag van Deisswil voortduurde na de datum waarop zij de controle over haar verwierf.
399 Bijgevolg was de Commissie gerechtigd, voor de vaststelling van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete de omzet mee te rekenen die door Deisswil op de kartonmarkt van de Gemeenschap was behaald in 1990, het referentiejaar, tegen het gebruik waarvan verzoekster geen kritiek heeft geuit. Daaruit volgt eveneens, dat het niet van belang is, of de Commissie de geldboete geheel of gedeeltelijk aan de vennootschap Deisswil zelf of aan de vroegere eigenaren van deze vennootschap had kunnen opleggen.
400 Met betrekking tot Eerbeek wordt in punt 150, tweede alinea, van de considerans van de beschikking verklaard:
"Mayr-Melnhof is ook aansprakelijk voor de deelneming (...) aan het kartel (...) van Mayr-Melnhof Eerbeek BV (de nieuwe naam voor KNP Vouwkarton) vanaf de dag van verwerving ervan, zijnde 1 januari 1990. De aansprakelijkheid voor de deelneming van KNP Vouwkarton vóór de overneming berust bij KNP en voor deze periode wordt [Mayr-Melnhof] geen aansprakelijkheid toegerekend."
401 Ondanks deze verklaringen heeft de Commissie het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete vastgesteld op basis van de totale omzet die Eerbeek in 1990 (het referentiejaar) op de kartonmarkt van de Gemeenschap heeft behaald, en niet prorata temporis op basis van enkel de periode gedurende welke deze onderneming onder verzoeksters controle was. Dusdoende heeft zij geen rekening gehouden met haar eigen vaststelling dat verzoekster slechts vanaf 1 januari 1990 aansprakelijk was voor de deelneming van de vennootschap KNP Vouwkarton/Eerbeek aan de inbreuk.
402 Aangezien de Commissie ter terechtzitting uitdrukkelijk heeft erkend, op dit punt een fout te hebben gemaakt, dient het bedrag van de geldboete te worden verlaagd.
403 Overigens heeft verzoekster Eerbeek weliswaar in september 1990 verworven, doch zij betwist niet, dat deze overname met ingang van 1 januari 1990 geschiedde. Bijgevolg kon verzoekster niet onkundig zijn geweest van het onrechtmatige gedrag van de vennootschap die zij zou overnemen (zie in diezelfde zin punt 397 supra), zodat de Commissie verzoekster met ingang van 1 januari 1990 aansprakelijk mocht stellen voor een dergelijk gedrag van deze onderneming.
404 Uit al het voorgaande volgt, dat de door verzoekster tot staving van haar vordering tot nietigverklaring van artikel 1 van de beschikking aangevoerde middelen dienen te worden afgewezen, terwijl het middel tot staving van haar vordering tot nietigverklaring van artikel 2 van de beschikking gedeeltelijk dient te worden aanvaard.
405 Het bedrag van de geldboete dient te worden verlaagd om rekening te houden met het feit dat verzoeksters omzet uit de verkoop van grijskarton ten onrechte is meegerekend voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete, alsmede met het feit dat verzoekster slechts vanaf 1 januari 1990 aansprakelijk was voor het gedrag van Eerbeek.
406 Aangezien in casu geen van de andere door verzoekster aangevoerde middelen grond oplevert voor een verlaging van de geldboete, zal het Gerecht in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht het bedrag van deze geldboete vaststellen op 17 000 000 ECU.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
407 Volgens artikel 87, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Aangezien het beroep gedeeltelijk is toegewezen, zal het Gerecht de omstandigheden van de zaak billijk beoordelen, wanneer het beslist dat de Commissie haar eigen kosten zal dragen, alsmede een vierde van de kosten van verzoekster, die drie vierde van haar eigen kosten zal dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer - uitgebreid),
rechtdoende:
1) Verklaart artikel 2, eerste tot en met vierde alinea, van beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton) nietig wat verzoekster betreft, behalve de navolgende passages:
"De in artikel 1 vermelde ondernemingen dienen onverwijld aan de genoemde inbreuk een einde te maken, voor zover zij zulks niet reeds hebben gedaan. Zij dienen zich voortaan met betrekking tot hun kartonactiviteiten te onthouden van elke overeenstemming of onderling afgestemde feitelijke gedraging die hetzelfde of een gelijksoortig doel of gevolg kan hebben, met inbegrip van elke uitwisseling van commerciële informatie,
a) waardoor de deelnemers rechtstreeks of onrechtstreeks in kennis worden gesteld van de productie, verkoop, orderportefeuille, bezettingsgraden, verkoopprijzen, kosten of afzetplannen van andere individuele producenten.
Elke regeling voor de uitwisseling van algemene informatie waaraan zij deelnemen, zoals het Fides-stelsel of de opvolger daarvan, dient zodanig te worden gehanteerd dat inlichtingen worden uitgesloten waaruit het gedrag van individuele producenten kan worden afgeleid."
2) Bepaalt het bedrag van de bij artikel 3 van beschikking 94/601 aan verzoekster opgelegde geldboete op 17 000 000 ECU.
3) Verwerpt het beroep voor het overige.
4) Verwijst de Commissie in haar eigen kosten, alsmede in een vierde van de kosten van verzoekster.
5) Verstaat dat verzoekster drie vierde van haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy