Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Beroep ° Geschillen betreffende verkiezing voor personeelscomité ° Procesbelang ° Hoedanigheid van kiezer
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
2. Ambtenaren ° Vertegenwoordiging ° Personeelscomité ° Procedure voor verkiezing voor personeelscomité van Commissie te Brussel, geldend voor verkiezing van 1994 ° Verbod voor vak- of beroepsorganisatie om meer dan één lijst in te dienen ° Draagwijdte ° Wettigheid ° Uitvoering door kiesbureau
(Ambtenarenstatuut, art. 9, leden 2 en 3, en art. 24 bis; bijlage II, art. 1, vierde alinea)
3. Ambtenaren ° Beroep ° Beroep tot schadevergoeding ° Nietigverklaring van bestreden onwettig besluit ° Passend herstel van morele schade
(Ambtenarenstatuut, art. 91)
Samenvatting
1. Iedere kiezer heeft er belang bij, dat zijn vertegenwoordigers in het personeelscomité worden gekozen in omstandigheden en op basis van een kiesstelsel, die in overeenstemming zijn met de statutaire bepalingen inzake de desbetreffende verkiezingsprocedure, en dit belang, dat volstaat voor de ontvankelijkheid van een beroep tegen een door het kiesbureau in kader van zijn opdracht tot organisatie van de verkiezing genomen besluit, verdwijnt niet door het feit dat die kiezer als lijsttrekker van een vak- of beroepsorganisatie wordt verkozen.
2. Kan niet als onwettig worden aangemerkt, het door het kiesreglement dat gold voor de verkiezing van het personeelscomité van de Commissie te Brussel in 1994, aan vak- of beroepsorganisaties opgelegde verbod om meer dan één kandidatenlijst in te dienen, voor zover dit verbod aldus wordt uitgelegd, dat het niet belet, dat elke verkiesbare ambtenaar en elk verkiesbaar personeelslid zich voor de verkiezing kandidaat stelt op een autonome lijst, ook al is hij lid, bestuurslid of voorzitter van een vak- of beroepsorganisatie, noch dat de op een dergelijke lijst voorkomende kandidaat openlijk uitkomt voor zijn lidmaatschap van een vak- of beroepsorganisatie en voor de functies die hij daarin bekleedt, noch dat een autonome lijst en de daarop voorkomende kandidaten mondeling of schriftelijk hun sympathie of hun steun betuigen voor de ideeën en programma' s die door een vak- of beroepsorganisatie worden verdedigd, noch zelfs dat de benaming van een autonome lijst verwijst naar de naam van een vak- of beroepsorganisatie, wanneer die vak- of beroepsorganisatie zich daar niet tegen verzet, en op voorwaarde dat de gekozen benaming er niet op neerkomt, dat de naam waaronder de betrokken vak- of beroepsorganisatie zelf aan de verkiezing deelneemt, gewoon wordt overgenomen, eventueel met toevoeging van een cijfer om de autonome lijst te onderscheiden van de "officiële lijst" van de organisatie.
Aldus uitgelegd schendt dit verbod immers noch het beginsel van vrijheid en democratie of van gelijke behandeling, daar het op geen enkele wijze inbreuk maakt op het recht van een ambtenaar om te worden verkozen, te kiezen en te stemmen voor een kandidatenlijst, en op de vrijheid van een vak- of beroepsorganisatie om een kandidatenlijst in te dienen en niet leidt tot ongelijke behandeling van de verschillende kandidatenlijsten of kandidaten, noch het beginsel van representativiteit, zoals dat is geformuleerd in artikel 9, lid 3, van het Statuut, artikel 1, vierde alinea, van bijlage II bij het Statuut en de door de Commissie vastgestelde uitvoeringsregeling, noch de in artikel 24 bis van het Statuut erkende vrijheid van vakvereniging en het beginsel dat alle ambtenaren verkiesbaar zijn.
Gezien de wettigheid van dit verbod en de hem door het kiesreglement verleende bevoegdheden had het kiesbureau het recht om, na aanvankelijk de indiening van twee lijsten door één en dezelfde vak- en beroepsorganisatie te hebben aanvaard, van zijn besluit terug te komen en die organisatie te vragen één van haar lijsten in te trekken. Het kiesbureau had daarentegen niet het recht, de kandidaten van de door de vak- en beroepsorganisatie ingetrokken lijst het recht te ontzeggen, kandidaat te zijn op een lijst die, gelet op de eisen van het van correct uitgelegde kiesreglement, als autonoom kon worden aangemerkt.
3. De nietigverklaring van een door een ambtenaar bestreden besluit van de administratie vormt op zichzelf een passend en in beginsel afdoende herstel van alle morele schade die deze ambtenaar kan hebben geleden.
Partijen
In zaak T-368/94,
P. Blanchard, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M.-A. Lucas, advocaat te Luik, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Korn, advocaat aldaar, Rue de Nassau 21,
verzoeker,
ondersteund door
Union syndicale-Bruxelles, service public européen, te Brussel, vertegenwoordigd door L. Misson en ter terechtzitting door B. Rixhon, advocaten te Luik, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Korn, Rue de Nassau 21,
interveniënte,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur G. Valsesia als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de besluiten van het kiesbureau vervat in de nota' s die de voorzitter van dit bureau op 3 en 8 november 1994 aan verzoeker in diens hoedanigheid van politiek secretaris van de Union syndicale fédérale heeft gezonden, en van het mondelinge besluit van 8 november 1994 waarbij die voorzitter een lijst met 27 kandidatenkoppels van de lijst "Research/Union syndicale" met een benaming waarin de naam "Union syndicale" niet voorkwam, niet tot de verkiezing voor de plaatselijke afdeling van het personeelscomité heeft toegelaten,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: D. P. M. Barrington, kamerpresident, K. Lenaerts en P. Lindh, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 25 oktober 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De toepasselijke bepalingen
1 Het onderhavige beroep betreft de regeling voor de verkiezing van de plaatselijke afdeling Brussel van het personeelscomité van de Commissie.
2 Artikel 9, lid 1, sub a, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") bepaalt, dat bij elke instelling een personeelscomité, zo nodig verdeeld in afdelingen voor elke standplaats van het personeel, wordt opgericht. Artikel 9, lid 3, van het Statuut bepaalt, dat het personeelscomité de belangen van het personeel bij de instelling behartigt en zorgt voor een voortdurend contact tussen haar en het personeel. Het draagt ook bij tot de goede werking van de dienst door de mening van het personeel aan de dag te doen treden en deze naar voren te brengen.
3 Samenstelling en werkwijze van het personeelscomité worden door iedere instelling vastgesteld overeenkomstig bijlage II bij het Statuut. Artikel 1, tweede alinea, van deze bijlage bepaalt, dat de regels omtrent de verkiezing voor het personeelscomité worden vastgesteld door de algemene vergadering van de ambtenaren van de instelling.
4 Op 27 april 1988 stelde de Commissie op basis van artikel 9, lid 2, van het Statuut een "regeling betreffende de samenstelling en de werkwijze van het personeelscomité" vast. Artikel 6 van deze regeling bepaalt, dat de door de algemene vergadering van de ambtenaren van de Commissie vastgestelde regels omtrent de verkiezing voor de plaatselijke afdelingen van het personeelscomité, voor zover mogelijk, moeten verzekeren, dat alle categorieën en groepen van ambtenaren alsmede de personeelsleden bedoeld in artikel 7, eerste alinea, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, in elke plaatselijke afdeling zijn vertegenwoordigd.
5 Krachtens de haar aldus gedelegeerde regelgevende bevoegdheid heeft de algemene vergadering van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Commissie die door de plaatselijke afdeling Brussel worden vertegenwoordigd, op 15 september 1992 een kiesreglement vastgesteld, dat door de algemene vergadering van 20 september 1994 zonder enige wijziging is overgenomen. Artikel 2 van dit kiesreglement stelt een kiesbureau in, dat met name is belast met: het publiceren van de aankondiging van de verkiezing (artikel 5); het onderzoeken van de ingediende voordrachten en het ter zijde leggen van de voordrachten die niet aan de in artikel 5, tweede alinea, en artikel 6 van het kiesreglement gestelde voorwaarden voldoen (artikel 7); het met meerderheid van stemmen beslissen omtrent alle geschilpunten die gedurende de verkiezing kunnen rijzen (artikel 18); de bekendmaking van de uitslag van de verkiezing (artikel 19); het in ontvangst nemen en ter kennis van de Commissie brengen van alle betwistingen omtrent de geldigheid van de verkiezing (artikel 20); het opmaken van een proces-verbaal van het verloop van de verkiezing en van de uitslag ervan (artikel 21); het doen toepassen van het kiesreglement (artikel 22).
6 Artikel 6 van het kiesreglement noemt de voorwaarden voor de geldigheid van de kandidatenlijsten die voor de verkiezing voor het personeelscomité kunnen worden ingediend, en luidt als volgt:
"Er zijn 27 zetels beschikbaar.
De voordrachten van kandidaten worden ingediend in de vorm van lijsten met ieder ten hoogste 27 tweetallen van telkens een kandidaat-lid en een kandidaat-plaatsvervangend-lid.
Een zelfde kandidaat kan slechts op een voordracht voorkomen.
Iedere voordracht dient te zijn ondertekend door het kandidaat-lid en het kandidaat-plaatsvervangend-lid. Ingeval zij slechts door een van beiden is ondertekend, dient de voordracht vergezeld te gaan van een verklaring waarin de andere kandidaat zijn kandidaatstelling aanvaardt.
Voor de indiening van een kandidatenlijst kan worden volstaan met de handtekening van de kandidaat die als eerste op die lijst voorkomt.
De vakbonden of beroepsverenigingen kunnen kandidatenlijsten indienen. In dat geval moeten deze organisaties het kiesbureau ten laatste op het tijdstip van het onderzoek van de voordrachten kunnen aantonen dat de betrokkenen hun kandidaatstelling hebben aanvaard. De onontvankelijkheid van een kandidaatstelling vormt geen beletsel voor de geldigheid van de overige kandidaatstellingen die op dezelfde lijst worden ingediend.
Iedere lijst wordt ingediend in de door de betrokken vakbond of de betrokken beroepsvereniging gekozen volgorde.
Voordrachten van personeelsleden die geen ambtenaar zijn, zijn slechts ontvankelijk indien de betrokkenen op grond van een overeenkomst voor langer dan een jaar of voor onbepaalde tijd zijn aangesteld of op grond van een overeenkomst met een looptijd van één jaar of minder, mits zij ten minste zes maanden in dienst zijn."
7 Artikel 9 van dit reglement heeft het eveneens over de indiening van kandidatenlijsten en luidt als volgt:
"De lijst van de op geldige wijze voorgedragen kandidaten moet ten minste drie werkdagen voor de stemming worden bekendgemaakt.
De volgorde van de namen op elke lijst moet overeenkomen met die van de namen op de overeenkomstige door elke vakbond of beroepsvereniging ingediende lijst.
Op de kandidatenlijsten moet de categorie of de groep van de kandidaten en voor de andere personeelsleden de aard van hun dienstbetrekking worden aangegeven."
8 Artikel 10 van dit reglement geeft aan, op welke wijze voor de verkiezing van het personeelscomité kan worden gestemd en luidt als volgt:
"De stemming geschiedt als volgt: op straffe van ongeldigheid dient de kiezer zijn stem als volgt uit te brengen:
a) ofwel stemmen voor een lijst. Daartoe dient hij een kruisje te plaatsen in het vakje dat voorkomt onder het nummer en de benaming van de lijst van zijn keuze (keuze voor de lijststem);
b) ofwel stemmen voor ten hoogste 27 kandidaat-leden en kandidaat-plaatsvervangende-leden, gekozen op een of meer lijsten. Daartoe dient hij een kruisje te plaatsen in het vakje naast de naam van de door hem gekozen kandidaten, met een maximum van 27 kruisjes (voorkeurstem);
c) een stem die is uitgebracht door een kruisje bij de 'lijststem' waarbij tevens 'voorkeurstemmen' zijn uitgebracht op dezelfde lijst wordt uitsluitend beschouwd als een 'voorkeurstem' .
Op straffe van ongeldigheid van zijn stem mag de kiezer op het biljet geen enkele andere aantekening, handtekening, doorhaling of enigerlei ander teken aanbrengen."
Aan het beroep ten grondslag liggende feiten
9 Op 11 oktober 1994 publiceert het kiesbureau een aankondiging van verkiezing voor een nieuwe samenstelling van de plaatselijke afdeling Brussel van het personeelscomité van de Commissie. De datum van de verkiezing is bepaald op 22, 23 en 24 november 1994.
10 Op 18 oktober 1994 worden namens de Union syndicale, een vak- of beroepsorganisatie van Europese ambtenaren in de zin van artikel 24 bis van het Statuut, twee lijsten van 27 kandidatenkoppels ingediend. De ene, "Union syndicale" genoemd en met als lijsttrekker L. Schubert, vice-voorzitter van de Union syndicale, werd ingediend door de heer Halskov (voor L. Schubert), de andere, "Research/Union syndicale" genoemd en met als lijsttrekker P. Blanchard, voorzitter van de Union syndicale, werd ingediend door de heer Blanchard. Deze laatste lijst bestond ten dele uit ambtenaren en personeelsleden van de wetenschappelijke en technische groepen van de Gemeenschappen in de zin van de artikelen 92 tot en met 101 van het Statuut.
11 Uit notulen van 20 oktober 1994 blijkt, dat het kiesbureau tijdens zijn vergadering van 19 oktober de zeven ingediende lijsten, waaronder de twee namens de Union syndicale ingediende lijsten, heeft aanvaard.
12 Op 20 en 24 oktober 1994 dienden zowel L. Rijnoudt als L. Di Marzio, respectievelijk lijsttrekker van de lijst van de Fédération de la fonction publique européenne (FFPE) en kandidaat op de lijst van de Association of Independent Officials for the Defense of the European Civil Service/Association des fonctionnaires indépendants pour la défense de la fonction publique européenne (TAO-AFI), bij het kiesbureau een klacht in tegen de aanvaarding van de twee lijsten van de Union syndicale.
13 Op 3 november 1994 deelde de voorzitter van het kiesbureau de politiek secretaris van de Union syndicale mee, dat het bureau die klachten ontvankelijk had verklaard, dat het na inwinning van het advies van de juridische dienst van de Commissie van oordeel was dat de indiening van twee lijsten door één en dezelfde vak- of beroepsorganisatie van Europese ambtenaren, in strijd was met het kiesreglement, en dat het de Union syndicale bijgevolg verzocht, een van de twee lijsten in te trekken en slechts één lijst in te dienen.
14 Op 7 november 1994 stemde de Union syndicale ermee in, de lijst "Research/Union syndicale" in te trekken en hem onder een nieuwe benaming opnieuw in te dienen, op voorwaarde dat het kiesbureau de definitieve aanvaarding van de twee lijsten garandeerde.
15 Op 8 november 1994 schreef de voorzitter van het kiesbureau in een nota aan de politiek secretaris van de Union syndicale, dat de door de Union syndicale gestelde voorwaarden voor de naamswijziging van een van haar lijsten door het bureau niet waren aanvaard, en dat de lijst "Research/Union syndicale" bijgevolg was geweigerd.
16 Op 8 november 1994 wendde verzoeker zich eveneens tot het kiesbureau met het verzoek, de lijst "Research/Union syndicale" onder een andere, niet naar die vak- of beroepsorganisatie verwijzende benaming te aanvaarden. De voorzitter van het kiesbureau wees dit verzoek af.
17 Daarop diende verzoeker op 10 november 1994 krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht in tegen al deze besluiten en tegen het nalaten van de Commissie om deze besluiten te voorkomen of ongedaan te maken alsmede, subsidiair, tegen het kiesreglement.
Procedure en conclusies van partijen
18 Op 11 november 1994 stelde verzoeker krachtens artikel 91, lid 4, van het Statuut bij het Gerecht een beroep in strekkende tot nietigverklaring van die besluiten en tot vergoeding van de schade die hij zijns inziens daardoor had geleden. Tevens verzocht hij in kort geding om uitstel en opschorting van de verkiezing.
19 Op 21 november 1994 gaf de president van het Gerecht een beschikking waarbij hij de verkiezing voor de plaatselijke afdeling Brussel van het personeelscomité van de Commissie opschortte, de vaststelling gelastte van een nieuwe termijn voor de indiening van nieuwe kandidatenlijsten waarvan de benaming geen aanleiding mocht geven tot verwarring met die van de reeds aanvaarde lijsten of van de vak- of beroepsorganisaties die deze hadden ingediend, en verzoeker de mogelijkheid bood zich kandidaat te stellen onder dezelfde voorwaarden als iedere andere kandidaat (zaak T-368/94 R, Blanchard, Jurispr. 1994, blz. II-1099).
20 Op 7 december 1994 publiceerde het kiesbureau derhalve een nieuwe aankondiging van verkiezing. De datum van die verkiezing was bepaald op 31 januari en 1 en 2 februari 1995. De nieuwe kandidaatstellingen moesten tussen 8 en 15 december 1994 worden ingediend.
21 Verzoeker diende een lijst in met de benaming "Together for Research", waarop hij als lijsttrekker stond. Deze lijst behaalde door "voorkeurstemmen" twee zetels, waarvan er een aan verzoeker werd toegewezen.
22 Op 24 februari 1995 wees de Commissie verzoekers klacht af. Zij stelde hem daarvan officieel in kennis op 1 maart 1995.
23 Op 24 maart 1995 verzocht de Union syndicale-Bruxelles, service public européen (hierna: "Union syndicale"), overeenkomstig artikel 115 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, in de onderhavige procedure te mogen tussenkomen ter ondersteuning van de conclusies van verzoeker.
24 Op 10 mei 1995 wees de president van de Vierde kamer van het Gerecht dit verzoek tot tussenkomst toe.
25 Interveniënte heeft geen memorie ingediend binnen de daartoe gestelde termijn.
26 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vierde kamer) besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 oktober 1995. De vertegenwoordigers van partijen zijn gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht.
27 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
nietig te verklaren
° ten principale
° het besluit of de besluiten van het kiesbureau (ingesteld bij artikel 2 van het reglement houdende procedure voor de verkiezing van het personeelscomité van de Commissie, vastgesteld op 15 september 1992 door de algemene vergadering van ambtenaren en andere personeelsleden van de Commissie van de Europese Gemeenschappen die door de plaatselijke afdeling Brussel van het personeelscomité worden vertegenwoordigd, en ongewijzigd overgenomen op 20 september 1994), vervat in een nota die de voorzitter van het kiesbureau op 3 november 1994 aan de politiek secretaris van de Union syndicale fédérale heeft gezonden;
° het besluit of de besluiten van het kiesbureau vervat in een nota die de voorzitter van het kiesbureau op 8 november 1994 aan de politiek secretaris van de Union syndicale fédérale heeft gezonden;
° voor zoveel nodig, het mondelinge besluit van de voorzitter van het kiesbureau of van het kiesbureau zelf van 8 november 1994 om 13 uur houdende weigering om een lijst met de 27 kandidatenkoppels van de lijst "Research/Union syndicale" te aanvaarden onder een andere benaming, waarin de naam "Union syndicale" niet meer voorkwam;
° het overeenkomstige nalaten van de Commissie om in haar hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag het eerste besluit of de eerste besluiten van het kiesbureau die hierboven zijn genoemd, te voorkomen of ongedaan te maken;
° het nalaten van het tot aanstelling bevoegd gezag om het tweede besluit of de tweede besluiten van het kiesbureau te voorkomen of ongedaan te maken;
° het nalaten van het tot aanstelling bevoegd gezag om het derde bestreden besluit te voorkomen of ongedaan te maken;
° subsidiair
° het kiesreglement van 15 september 1992, ongewijzigd overgenomen op 20 september 1994, ingeval het aldus moet worden uitgelegd, dat het een vak- of beroepsorganisatie verboden is meer dan een lijst van 27 kandidatenkoppels (werkende en plaatsvervangende kandidaten) voor de verkiezing van het personeelscomité in te dienen, en in dat geval het nalaten van het tot aanstelling bevoegd gezag om de vaststelling van dit reglement te voorkomen of ongedaan te maken;
de Commissie te veroordelen
° hem de morele schade te vergoeden die hij door het onrechtmatig karakter van de gelaakte besluiten heeft geleden;
° de kosten te betalen.
28 De Commissie concludeert, dat het het Gerecht behage:
° het beroep te verwerpen;
° de vordering tot vergoeding van de materiële en morele schade die verzoeker stelt te hebben geleden, af te wijzen;
° kosten rechtens.
De ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
29 Zonder een formele exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen vraagt de Commissie zich af, of verzoeker nog een procesbelang heeft bij een beroep tot nietigverklaring en schadevergoeding, aangezien de beschikking van de president van het Gerecht van 21 november 1994 het hem mogelijk heeft gemaakt, zich kandidaat te stellen en overigens te worden verkozen voor de nieuwe plaatselijke afdeling van het personeelscomité van de Commissie. Haars inziens zijn de bestreden besluiten voor hem niet meer bezwarend en heeft hij derhalve geen bestaand en daadwerkelijk procesbelang meer.
30 De Commissie vertrouwt, wat de ontvankelijkheid van het beroep betreft, op de wijsheid van het Gerecht, doch wijst erop, dat wanneer een vordering tot schadevergoeding samen met een vordering tot nietigverklaring wordt ingediend, de ontvankelijkheid van eerstgenoemde vordering nauw verband houdt met de ontvankelijkheid van laatstgenoemde vordering.
31 Verzoeker antwoordt allereerst, dat de omstreden besluiten niet alleen inbreuk hebben gemaakt op zijn recht om te worden verkozen, maar ook op zijn vrijheid van vereniging en op zijn recht om zijn kiesrecht onder volledig wettige voorwaarden uit te oefenen.
32 Hij heeft aan de verkiezing voor het personeelscomité kunnen deelnemen op grond van de voorlopige maatregelen die de president van het Gerecht bij beschikking van 21 november 1994 had getroffen. Indien zijn belang om een beroep ten gronde in te stellen zou kunnen worden aangetast door voorlopige maatregelen, zou dat betekenen, dat beschikkingen in kort geding definitieve gevolgen sorteren, hetgeen in strijd is met de vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht volgens welke de voorlopige maatregelen niet prejudiciëren op de beslissing in de hoofdzaak (beschikking van de president van de Derde kamer van het Hof van 11 juni 1985, zaak 146/85 R, Diezler, Jurispr. 1985, blz. 1805, r.o. 9). Daarbij komt, dat de beschikking hem weliswaar in staat heeft gesteld zich kandidaat te stellen samen met de andere kandidaten van zijn lijst, maar dat hij dit niet heeft kunnen doen onder de voorwaarden waaronder hij dit aanvankelijk wenste te doen, en die hij wettig achtte.
33 Verder heeft elke kiezer er een wettig belang bij, dat zijn kiesrecht gevolgen sorteert overeenkomstig de bepalingen van het Statuut en dat de vertegenwoordigers van zijn organisatie worden verkozen in omstandigheden en op basis van een kiesstelsel die eveneens in overeenstemming zijn met de bepalingen van het Statuut. Bovendien heeft elke kandidaat voor een verkiezing er een wettig belang bij, dat de door zijn kandidaatstelling ingeleide procedure overeenkomstig het Statuut en de verschillende kiesreglementen verloopt. Het resultaat van de verkiezing neemt niet weg, dat de bestreden besluiten hem nog steeds bezwaren en dit zowel in zijn hoedanigheid van kiezer als in zijn hoedanigheid van verkozen kandidaat en van lid en voormalig voorzitter van de Union syndicale.
34 Uit de rechtspraak blijkt ook, dat dit belang zowel bestaat in het geval van een verkiezing die reeds heeft plaatsgevonden, als in het geval van een toekomstige verkiezing (arrest Hof van 27 oktober 1987, gevoegde zaken 146/85 en 431/85, Diezler, Jurispr. 1987, blz. 4283, r.o. 9; arresten Gerecht van 8 maart 1990, zaak T-28/89, Maindiaux e.a., Jurispr. 1990, blz. II-59, r.o. 28, en 14 juli 1994, zaak T-534/93, Grynberg en Hall, JurAmbt. 1994, blz. II-595, r.o. 29 en 30). Hij behoudt in ieder geval een procesbelang met betrekking tot de toekomstige verkiezingen.
Beoordeling door het Gerecht
35 Het Gerecht herinnert er in de eerste plaats aan, dat het Hof heeft geoordeeld, dat "elke kiezer er belang bij heeft, dat de vertegenwoordigers van zijn organisatie worden gekozen in omstandigheden en op basis van een kiesstelsel die in overeenstemming zijn met de statutaire bepalingen inzake de verkiezing van het personeelscomité" en dat een ambtenaar "door het enkele feit dat hij kiezer is, (...) over een voldoende belang beschikt om zijn beroep ontvankelijk te doen zijn" (arrest Diezler, reeds aangehaald, r.o. 9). In het onderhavige geval handelt verzoeker evenwel als kiezer en als lid van een vak- of beroepsorganisatie.
36 Derhalve moet vervolgens worden onderzocht, of verzoeker, door te vorderen dat een verkiezing wordt georganiseerd in omstandigheden die in overeenstemming zijn met de bepalingen inzake de verkiezing, nadat hij in een overeenkomstig het dictum van de beschikking van de president van het Gerecht van 21 november 1994 georganiseerde verkiezing tot lid van het personeelscomité is verkozen, in feite geen beroep in het belang van de wet of de instellingen instelt of toekomstige en hypothetische belangen aanvoert zonder enige persoonlijke grief te kunnen aantonen.
37 Dienaangaande moet allereerst worden opgemerkt, dat verzoekers hoedanigheid van kiezer, ongeacht zijn verkiezing tot lid van het personeelscomité, al een voldoende bewijs is, dat hij niet enkel in het belang van de wet of de instelling handelt. Verder staaft verzoeker zijn beroep niet met toekomstige en hypothetische belangen waar hij stelt, dat de omstandigheden van zijn verkiezing en het resultaat van de door hem aangevoerde lijst verschillend hadden kunnen zijn, indien de bestreden besluiten in overeenstemming met het kiesreglement waren geweest. Ten slotte kan verzoeker persoonlijke grieven geldend maken, zowel in zijn hoedanigheid van kiezer die zijn stemrecht overeenkomstig het kiesreglement wil uitoefenen, als in zijn hoedanigheid van lid van een vak- of beroepsorganisatie waarvan het verkiezingsresultaat anders had kunnen zijn indien de bestreden besluiten waren gewijzigd in de zin van de tot staving van zijn beroep aangevoerde uitlegging van de toepasselijke regeling.
38 Uit het samenstel van deze elementen volgt derhalve, dat de vordering tot nietigverklaring ontvankelijk moet worden verklaard. Aangezien het lot van de vordering tot schadevergoeding in het onderhavige geval nauw verbonden is met dat van de vordering tot nietigverklaring, moet de vordering tot schadevergoeding eveneens ontvankelijk worden verklaard.
Ten gronde
De vordering tot nietigverklaring
39 Tot staving van zijn beroep voert verzoeker vijf middelen aan: schending van de artikelen 7 en 18 van het kiesreglement, omdat het kiesbureau, na in zijn vergadering van 19 oktober 1994 de twee lijsten van de Union syndicale te hebben aanvaard, niet meer kon terugkomen van dat besluit; schending van het kiesreglement, omdat daarin niet wordt verboden dat een vak- of beroepsorganisatie meer dan een lijst indient voor een zelfde verkiezing; schending van het beginsel van vrijheid en democratie of gelijke behandeling; schending van het beginsel van representativiteit en/of van het beginsel dat de mening van het personeel aan de dag moet kunnen treden en naar voren moet kunnen worden gebracht; schending van de vrijheid van vakvereniging en van het beginsel dat alle ambtenaren verkiesbaar zijn.
Eerste middel: schending van de artikelen 7 en 18 van het kiesreglement
° Argumenten van partijen
40 Verzoeker betoogt, dat het besluit van het kiesbureau van 3 november 1994 waarbij de Union syndicale werd verzocht een van haar twee lijsten in te trekken, onwettig is, omdat deze daardoor werd verzocht inbreuk te maken op artikel 7, tweede alinea, van het kiesreglement, volgens welke "de door het kiesbureau goedgekeurde voordrachten door de kandidaten niet meer kunnen worden ingetrokken".
41 Het kiesbureau was niet bevoegd om na een klacht een op basis van artikel 7 van het kiesreglement genomen besluit te wijzigen. Het kiesbureau heeft namelijk gehandeld krachtens artikel 18 van het kiesreglement, dat hem slechts de bevoegdheid verleent om te beslissen over geschilpunten die gedurende de verkiezingen rijzen. Artikel 18 vormt derhalve geen beroepsweg om op te komen tegen besluiten van het kiesbureau zelf en evenmin een procedure volgens welke het kiesbureau kan worden verzocht een van zijn besluiten in te trekken. Verzoeker baseert zijn betoog op de omstandigheid, dat in de artikelen 4 en 20 van dat reglement uitdrukkelijk wordt bepaald, dat de bezwaren tegen besluiten van het kiesbureau rechtstreeks of via het kiesbureau bij de administratie moeten worden ingediend.
42 Indien de bestreden besluiten een gedeeltelijke intrekking van het besluit van het kiesbureau van 19 oktober 1994 vormen, rijst de vraag, of een dergelijk besluit wettig is. Het gemeen recht, volgens hetwelk handelingen die subjectieve rechten in het leven roepen, kunnen worden ingetrokken wanneer zij onwettig zijn (arrest Hof van 12 juli 1957, zaak 7/56, Algera e.a., Jurispr. 1957, blz. 85), is in het onderhavige geval namelijk niet van toepassing wegens de bijzondere kenmerken van de beroepswegen ter zake van verkiezingen en wegens het feit dat de betrokken handeling geen administratieve handeling is.
43 Bovendien hebben de gemeenschapsinstellingen niet alleen het recht ambtshalve in te grijpen bij twijfel aan de regelmatigheid van de verkiezing van het personeelscomité, maar zij zijn ook gehouden tot een uitspraak over klachten dienaangaande die tot hen mochten zijn gericht in het kader van de procedure van de artikelen 90 en 91 van het Statuut (arresten Maindiaux, Diezler, Grynberg en Hall, reeds aangehaald, en arrest van 29 september 1976, zaak 54/75, De Dapper, Jurispr. 1976, blz. 1381, r.o. 19-25). Uit het arrest De Dapper, reeds aangehaald, blijkt eveneens, dat die beroepsweg het enige rechtsmiddel is in verkiezingsgeschillen.
44 Het kiesbureau had de twee klachten van 20 en 24 oktober 1994 derhalve niet-ontvankelijk moeten verklaren. Misschien had het kiesbureau zijn besluit om de lijsten van de Union syndicale te aanvaarden, eenzijdig ° en niet op basis van de klachten ° kunnen intrekken krachtens artikel 22 van het reglement, volgens hetwelk het bevoegd is om het reglement toe te passen.
45 De Commissie antwoordt allereerst, dat artikel 7 van het kiesreglement de kandidaten verbiedt een door het kiesbureau goedgekeurde voordracht in te trekken, maar het kiesbureau niet de mogelijkheid ontneemt, terug te komen van een besluit betreffende de toelating van ingediende voordrachten die aanvankelijk op de verkiesbaarheid van de kandidaten waren getoetst.
46 Volgens de in het reeds genoemde arrest Algera geformuleerde beginselen kan de intrekking van een onwettige administratieve handeling overigens niet worden uitgesloten, vooral wanneer zulks binnen een redelijke termijn geschiedt.
47 Door de Union syndicale de keuze te laten welke van beide lijsten zij wou intrekken, heeft de Commissie bovendien blijk gegeven van haar streven om tot een schikking te komen en heeft zij voldaan aan haar zorgplicht.
48 Ten slotte verleent artikel 18 van het kiesreglement het kiesbureau niet alleen het recht, maar legt het vooral de verplichting op, de wettigheid van de verkiezingsprocedure te verzekeren. Artikel 18 heeft niet enkel betrekking op de stemverrichtingen, zoals verzoeker stelt. Een dergelijke uitlegging spoort niet met de opzet van het reglement, noch met de rol van het kiesbureau, dat met name is belast met het in eerste aanleg beslissen over de geschilpunten die gedurende de verkiezing kunnen rijzen. Het kiesreglement bepaalt overigens uitdrukkelijk, bij voorbeeld in de artikelen 4 en 20, in welke gevallen het kiesbureau geen beslissingsbevoegdheid heeft.
49 Derhalve valt niet in te zien, om welke reden de beroepswegen bedoeld in de door verzoeker aangehaalde rechtspraak eraan in de weg zouden staan, dat het kiesbureau terugkomt van een besluit wanneer het vaststelt dat het een vergissing heeft begaan. Dit intrekkingsbesluit is overigens vatbaar voor beroep, zoals uit de onderhavige procedure blijkt, en doet derhalve geen afbreuk aan de mogelijkheid andere beroepswegen, zoals die van de artikelen 90 en 91 van het Statuut, te bewandelen. Deze analyse wordt overigens bevestigd in het reeds genoemde arrest De Dapper (inzonderheid de r.o. 23, 28 en 29) en in de conclusie van advocaat-generaal Mayras bij dat arrest (Jurispr. 1973, blz. 1391).
° Beoordeling door het Gerecht
50 Het Gerecht is allereerst van mening, dat het besluit van 3 november 1994 waarbij het kiesbureau de Union syndicale heeft verzocht slechts "één van de twee respectievelijk door P. Blanchard en de heer Halskov (voor L. Schubert) ingediende lijsten" uit haar naam voor te dragen, niet als een verzoek tot schending van artikel 7, tweede alinea, van het kiesreglement kan worden aangemerkt. Deze bepaling verbiedt een kandidaat namelijk zijn voordracht uit eigen beweging of op verzoek van de vak- of beroepsorganisatie op wier lijst hij staat, in te trekken, nadat de kandidatenlijst waarop hij voorkomt, bij het kiesbureau is ingediend. In het onderhavige geval werd de intrekking van een van de twee betrokken lijsten evenwel verricht ter uitvoering van een besluit van het kiesbureau. Het ging dus niet om een door artikel 7, tweede alinea, van het kiesreglement verboden intrekking, ook al liet het besluit van het kiesbureau de keuze van de in te trekken lijst aan de Union syndicale over.
51 Verder geeft verzoeker toe, dat het kiesbureau een besluit inzake de indiening van een kandidatenlijst uit eigen beweging kan intrekken krachtens zijn bevoegdheid ex artikel 22 van het kiesreglement, volgens hetwelk het met de toepassing van het kiesreglement is belast. Gelet op deze precisering, dient derhalve te worden onderzocht, of het kiesbureau artikel 18 van het kiesreglement schendt wanneer het, zoals in het onderhavige geval, een besluit inzake de indiening van een kandidatenlijst wijzigt of intrekt op een interventie van buiten.
52 De procedure van de artikelen 90 en 91 van het Statuut belet een belanghebbende niet zijn opmerkingen over de regelmatigheid van een besluit aan de auteur van dat besluit voor te leggen. Elke belanghebbende moet immers de gelegenheid hebben om vóór de instelling van de in die artikelen bedoelde rechtsmiddelen langs minnelijke weg met de auteur van het besluit te onderhandelen of te proberen diens standpunt om te buigen, met dien verstande dat een eventuele wijziging, of zelfs de intrekking, van een besluit geen afbreuk mag doen aan de rechtszekerheid. De wijziging of intrekking van een besluit na een dergelijke interventie moet derhalve binnen een redelijke termijn plaatsvinden. Het intrekkingsbesluit van 3 november 1994 is evenwel slechts 15 dagen na de vaststelling van het eerste besluit de dato 19 oktober 1994 genomen, hetgeen in het onderhavige geval niet als een onredelijke termijn kan worden aangemerkt.
53 Elk nieuw besluit dat na een dergelijke interventie wordt genomen, kan op zijn beurt onder dezelfde voorwaarden worden gewijzigd of ingetrokken en blijft vatbaar voor een beroep krachtens de artikelen 90 en 91 van het Statuut. De belanghebbenden behouden derhalve al hun procedurele rechten, met name ter zake van de beroepstermijnen. Deze worden niet aangetast door de wijziging of de intrekking van een besluit.
54 Verzoeker erkent, dat een administratieve handeling die subjectieve rechten in het leven roept, kan worden ingetrokken wanneer zij onwettig is. Bovendien heeft hij niet aangetoond, in welk opzicht het gemeen recht niet van toepassing is op de verkiezingsprocedure, en waarom het besluit van het kiesbureau van 19 oktober 1994 in het onderhavige geval geen administratieve handeling is, gelijk hij ter terechtzitting heeft betoogd.
55 De interventie van de twee vak- of beroepsorganisaties die aan de oorsprong van de bestreden besluiten ligt, kan niet als een klacht in de zin van de artikelen 90 en 91 van het Statuut worden aangemerkt. Het gaat immers om interventies bij de auteur van een besluit die deze vak- of beroepsorganisaties niet het recht ontnemen, binnen de daartoe gestelde termijnen de rechtsmiddelen van de artikelen 90 en 91 van het Statuut aan te wenden.
56 Gelet op een en ander levert het besluit van het kiesbureau houdende intrekking van zijn besluit van 19 oktober 1994, in het onderhavige geval geen schending op van artikel 18 van het kiesreglement, dat in het kader van de betrokken verkiezingsprocedure bevestigt dat de auteur van een administratief besluit zijn besluit kan intrekken behoudens uitdrukkelijke andersluidende bepaling.
57 Anders dan verzoeker stelt, mag de draagwijdte van artikel 18 van het kiesreglement trouwens niet worden beperkt tot de stemverrichtingen met uitsluiting van het tellen van de stemmen, daar artikel 18 een regel van gemeen recht bevestigt en, net als artikel 22, deel uitmaakt van de algemene bepalingen van het kiesreglement.
58 Mitsdien heeft het kiesbureau, door zijn besluit van 19 oktober 1994 in te trekken, artikel 7, tweede alinea, noch artikel 18 van het kiesreglement geschonden. Het eerste middel moet derhalve worden afgewezen.
Het tweede middel: het kiesreglement verbiedt uitdrukkelijk noch stilzwijgend dat een vak- of beroepsorganisatie meer dan een lijst indient
° Argumenten van partijen
59 Verzoeker betoogt allereerst, dat aan het kiesreglement geen enkel beslissend tekstargument kan worden ontleend. De artikelen 6 en 9 van dit reglement kunnen niet aldus worden uitgelegd, dat het de Union syndicale verboden is, meer dan een kandidatenlijst voor de verkiezing van het personeelscomité in te dienen.
60 Niet bij een vak- of beroepsorganisatie aangesloten ambtenaren en personeelsleden hebben namelijk het recht zoveel lijsten in te dienen als zij wensen, en niemand kan op goede gronden stellen, dat het kiesstelsel of de hogere beginselen die dit kiesstelsel beheersen, door deze mogelijkheid wordt aangetast.
61 Bijgevolg moet het kiesreglement systematisch en in overeenstemming met de ter zake geldende hogere normen worden uitgelegd, gelijk de rechtspraak van het Gerecht verlangt (arrest Grynberg en Hall, reeds aangehaald, r.o. 39 en 48).
62 In de eerste plaats berust het kiesstelsel op de individuele vrijheden en de vrijheid van vereniging van de ambtenaren ter zake van verkiezingen. De indiening van meer dan een kandidatenlijst door een zelfde vak- of beroepsorganisatie is evenwel niet in strijd met de individuele vrijheden ter zake van verkiezing.
63 In de tweede plaats aanvaardt het kiesstelsel individuele kandidaatstellingen, voorkeurstemmen en verdeling van de stemmen over verschillende lijsten en begunstigt het zelfs in beperkte mate de lijsten van kandidaten en de lijststemmen. De indiening van meer dan een lijst door een zelfde vak- of beroepsorganisatie is evenwel niet in strijd met het lijstsysteem, daar de gelijkheid tussen de twee wijzen van stemmen (lijststem en voorkeurstem) gehandhaafd blijft. De beperking tot 27 kandidaten per lijst verzet zich evenmin tegen de indiening van meer dan een lijst door een zelfde vak- of beroepsorganisatie, daar die beperking slechts een technische regel is om het aantal stemmen per kiezer te doen overeenkomen met het aantal beschikbare zetels. Die beperking geldt derhalve slechts binnen een zelfde lijst.
64 Ten derde eerbiedigt het kiesstelsel de vrijheid van vereniging en van vakvereniging, zonder dat het daarom op een systeem van kandidaatstelling door vak- of beroepsorganisaties berust. De enige specifieke maatregel betreffende de vak- en beroepsorganisaties staat in artikel 6, zesde alinea, van het kiesreglement, volgens hetwelk een door een vak- of beroepsorganisatie ingediende lijst niet door alle kandidaten moet zijn ondertekend. Aangezien het lidmaatschap van een vak- of beroepsorganisatie niet relevant is voor het kiesreglement, verleent dit reglement de Commissie niet het recht het optreden van de vak- en beroepsorganisaties in verkiezingsprocedures te regelen. De Commissie heeft enkel het recht toe te zien op de regelmatigheid van de door deze vak- en beroepsorganisaties ingediende lijsten. Het staat de ambtenaren vrij in het kader van de algemene vergadering van de ambtenaren te bepalen, volgens welke criteria zij zich wensen te verenigen, en die criteria moeten niet noodzakelijk overeenkomen met die voor de aansluiting bij een vak- of beroepsorganisatie. Bijgevolg moet het mogelijk zijn, dat binnen een zelfde vak- of beroepsorganisatie verschillende programma' s ontstaan en tot verschillende kieslijsten leiden.
65 Ten vierde beoogt het kiesstelsel in enigerlei mate te garanderen, dat alle groepen, categorieën en ambtelijke posities worden vertegenwoordigd, overeenkomstig het vereiste van artikel 1, vierde alinea, van bijlage II bij het Statuut. Welnu, de indiening van de lijst "Research/Union syndicale" was juist ingegeven door het streven, de vertegenwoordiging van alle groepen, categorieën en ambtelijke posities te verzekeren. In dit verband zij verwezen naar het in België geldende systeem van sociale verkiezingen.
66 Kortom, de indiening van meer dan een lijst door een zelfde vak- of beroepsorganisatie is in overeenstemming met het door het kiesreglement ingestelde kiesstelsel en kan derhalve niet in strijd zijn met een van de bepalingen van dit reglement.
67 De Commissie antwoordt in de eerste plaats, dat verschillende bepalingen van het kiesreglement, zoals artikel 6, zesde alinea, en artikel 9, tweede alinea, berusten op de premisse, dat elke politieke denkrichting één lijst met maximaal 27 kandidaten kan indienen. Ware dit anders, dan zou de mededinging tussen de vak- of beroepsorganisaties worden aangetast doordat een zelfde vak- of beroepsorganisatie in feite meer kandidaten zou kunnen voordragen dan er zetels beschikbaar zijn. Daardoor zou de regel volgens welke maximaal 27 kandidaten kunnen worden voorgedragen, worden omzeild. Deze uitlegging is meer in overeenstemming met de geest van een kiesstelsel waarin elke vak- of beroepsorganisatie, gelet op het aantal beschikbare zetels, op gelijke voet moet worden gesteld met de concurrerende vak- en beroepsorganisaties. Bovendien blijkt uit verzoekers argumenten, dat deze met zijn stelling, dat het door de Union syndicale voorgestane systeem meer in overeenstemming is met het beginsel van de gelijkheid van de twee wijzen van stemmen (lijststem en voorkeurstem), in feite de regels van het thans geldende stelsel wil overtreden.
68 In de tweede plaats is het beroep op de beginselen, volgens welke de algemene vergadering van de ambtenaren regelgevende bevoegdheid heeft ter zake van verkiezingen, de vrijheid van vereniging aan de ambtenaren is toegekend bij artikel 24 bis van het Statuut en de vak- en beroepsorganisaties en de autonome lijsten hun verkiezingsprogramma vrij kunnen bepalen, niet ter zake dienend, daar de Commissie deze beginselen op geen enkel ogenblik heeft betwist. Ook het voorbeeld van het stelsel van sociale verkiezingen in België is niet ter zake dienend, daar in dat stelsel de zetels zijn verdeeld over de verschillende categorieën van werknemers, hetgeen verklaart waarom de representatieve organisaties verschillende lijsten, namelijk een voor elke categorie van werknemers, indienen.
° Beoordeling door het Gerecht
69 Het Gerecht is van mening, dat eerst de tekst van de artikelen 6 en 9 van het kiesreglement moet worden onderzocht. Artikel 9, tweede alinea, bepaalt: "De volgorde van de namen op elke lijst moet overeenkomen met die van de namen op de overeenkomstige door elke vakbond of beroepsvereniging ingediende lijst." Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt, dat elke vak- of beroepsorganisatie slechts een kandidatenlijst mag indienen, gelijk de Commissie terecht stelt. De uitdrukkelijke regel van artikel 9, tweede alinea, van het kiesreglement kan niet in het geding worden gebracht door de bewoordingen van artikel 6 van het kiesreglement, die derhalve aldus moeten worden gelezen, dat zij eveneens uitgaan van de premisse dat elke vak- of beroepsorganisatie slechts één kandidatenlijst voor de verkiezing van het personeelscomité indient.
70 Blijkens de argumenten die partijen tijdens de schriftelijke en de mondelinge behandeling hebben aangevoerd, en inzonderheid de antwoorden van de Commissie op de mondelinge vragen van het Gerecht, wordt evenwel niet betwist, dat volgens de huidige versie van het kiesreglement elke verkiesbare ambtenaar en elk verkiesbaar personeelslid zich voor de verkiezing kandidaat kan stellen op een autonome lijst, ook al is hij lid, bestuurslid of zelfs voorzitter van een vak- of beroepsorganisatie. De Commissie erkent ook, dat de kandidaat op een autonome lijst openlijk mag uitkomen voor zijn lidmaatschap van een vak- of beroepsorganisatie en voor de functies die hij daarin bekleedt, en dat die autonome lijst en de daarop voorkomende kandidaten mondeling of schriftelijk hun sympathie of hun steun mogen betuigen voor de ideeën en programma' s die door een vak- of beroepsorganisatie worden verdedigd, zonder dat de lijst daardoor zijn autonoom karakter in de zin van het kiesreglement verliest.
71 In haar antwoord op een mondelinge vraag van het Gerecht heeft de Commissie evenwel verklaard, dat zij niet aanvaardt, dat de benaming van een autonome lijst, ook al vertoont die lijst de hierboven genoemde kenmerken, verwijst naar de naam van een vak- of beroepsorganisatie die een eigen lijst heeft ingediend, en dat die autonome lijst en de vak- of beroepsorganisatie in de verkiezingscampagne een gemeenschappelijk verkiezingsmanifest uitgeven. Dergelijke handelwijzen kunnen de kiezer op een dwaalspoor brengen omtrent de respectieve aard van de autonome lijst en de lijst van de vak- of beroepsorganisatie en moeten om die reden worden verboden.
72 Partijen zijn het er overigens over eens, dat alle lijsten, ongeacht hun oorsprong en de sympathie die de erop voorkomende kandidaten voor de andere lijsten kunnen uiten, onderling in concurrentie staan bij de verkiezing van het personeelscomité. Het kiesreglement bevat trouwens verschillende bepalingen die betrekking hebben op de kandidatenlijst. Zo komt het aantal kandidaat-leden en kandidaat-plaatsvervangende-leden per lijst precies overeen met het aantal beschikbare zetels en is er ook een systeem van lijststemming ingesteld.
73 De Commissie heeft het gebruik van de naam van een vak- of beroepsorganisatie in de benaming van een autonome lijst derhalve geweigerd om ° gelijk zij ter terechtzitting heeft beklemtoond ° elke vergissing of verwarring bij de kiezer te voorkomen.
74 De kiezer kan op twee verschillende manieren op een dwaalspoor worden gebracht omtrent de aard van een autonome lijst met de hierboven in rechtsoverweging 70 beschreven kenmerken. Het kan gebeuren dat de benaming van de autonome lijst geen enkele verwijzing naar de naam van een vak- of beroepsorganisatie bevat, gelijk de Commissie eist, terwijl de op die lijst voorkomende kandidaten lid zijn van een vak- of beroepsorganisatie, daar openlijk voor uitkomen en mondeling en schriftelijk hun sympathie en steun betuigen voor de ideeën en programma' s van die vak- of beroepsorganisatie, ofschoon de autonome lijst niet door die vak- of beroepsorganisatie is ingediend of voorgedragen. In dat geval dreigt de kiezer te geloven, dat de kandidaat of de kandidaten die hij wenst te steunen, niets te maken hebben met de vak- of beroepsorganisaties die eveneens een lijst hebben ingediend voor de verkiezing van het personeelscomité. Om dit soort vergissingen zo doeltreffend mogelijk te voorkomen, dient de autonome lijst evenwel te worden verplicht in haar benaming een verwijzing naar de naam van de betrokken vak- of beroepsorganisatie op te nemen, hetgeen meteen de doorzichtigheid van de verkiezingsstrijd tussen de verschillende kandidatenlijsten verhoogt.
75 Het kan ook gebeuren, dat de benaming van de autonome lijst uitdrukkelijk verwijst naar de naam van een vak- of beroepsorganisatie waarvan een aantal leden op die autonome lijst voorkomen, daar openlijk voor uitkomen en mondeling en schriftelijk hun sympathie en steun betuigen voor de ideeën en programma' s van die vak- of beroepsorganisatie, ofschoon de autonome lijst niet door die vak- of beroepsorganisatie is ingediend of voorgedragen. In dat geval dreigt de kiezer in verwarring te worden gebracht en te geloven, dat hij door een of meer kandidaten van die lijst te steunen, stemt voor de vak- of beroepsorganisatie wier naam in de benaming van die lijst voorkomt. Op het ogenblik van de stemming beschikt de kiezer evenwel over een stembiljet waarop alle lijsten en kandidaten voor de verkiezing staan, zodat hij tegelijkertijd kennis kan nemen van de benamingen van alle deelnemende lijsten en daaruit kan opmaken welke lijst door de vak- of beroepsorganisatie qualitate qua is ingediend. Dit vermindert reeds in aanzienlijke mate het gevaar dat de kiezer die vergissing begaat. De in het tweede geval genoemde vergissing kan alleen nadelig zijn voor de vak- of beroepsorganisatie wier naam in de benaming van de autonome lijst is gebruikt. Indien die vak- en beroepsorganisatie niet klaagt over het gebruik van haar naam door de kandidaten van een autonome lijst, mag in redelijkheid worden aangenomen, dat het gevaar voor genoemde vergissing nagenoeg onbestaand is.
76 Uit het samenstel van deze elementen volgt, dat in het eerste geval het ontbreken van een verwijzing naar de naam van de vak- of beroepsorganisatie in de benaming van de autonome lijst de doorzichtigheid van de verkiezingsstrijd tussen de verschillende kandidatenlijsten aanzienlijk vermindert en het gevaar voor een vergissing van de kiezer verhoogt, terwijl in het tweede geval ° indien de betrokken vak- of beroepsorganisatie zich niet tegen het gebruik van haar naam verzet ° de vermelding van de naam van de vak- of beroepsorganisatie in de benaming van de autonome lijst de doorzichtigheid van de verkiezingsstrijd verhoogt en het gevaar dat de kiezer in verwarring wordt gebracht en een vergissing begaat, aanzienlijk vermindert.
77 Gelet op al deze elementen en op het feit dat geen enkele bepaling van het kiesreglement daaraan in de weg staat, kunnen autonome lijsten in hun benaming verwijzen naar de naam van een vak- of beroepsorganisatie die zelf ook aan de verkiezing deelneemt, wanneer die vak- of beroepsorganisatie zich daartegen niet verzet door zich in voorkomend geval krachtens artikel 18 van het kiesreglement tot het kiesbureau te wenden. De verwijzing naar de naam van een vak- of beroepsorganisatie in de benaming van een autonome lijst met de hierboven in rechtsoverweging 70 beschreven kenmerken mag er evenwel niet op neerkomen, dat de naam waaronder de betrokken vak- of beroepsorganisatie zelf aan de verkiezing deelneemt, gewoon wordt overgenomen, eventueel met toevoeging van een cijfer om hem te onderscheiden van de "officiële lijst" van die vak- of beroepsorganisatie. Dit zou immers in strijd zijn met het kiesreglement, volgens hetwelk een vak- of beroepsorganisatie niet meer dan een kandidatenlijst voor de verkiezing van het personeelscomité mag indienen.
78 Bovendien kan het bestaan van verschillende autonome lijsten met een benaming waarin naar de naam van een vak- of beroepsorganisatie wordt verwezen op in de vorige rechtsoverweging toegestane wijze, de gelijkheid tussen de kandidatenlijsten en tussen de kandidaten zelf niet aantasten. Dit zijn namelijk de enige gelijkheden waarop het kiesreglement, inzonderheid de artikelen 6 en 9, vermoedelijk beoogt toe te zien. Vaststaat overigens, dat ook al leidt de toename van het aantal lijsten, ongeacht de oorsprong ervan, onvermijdelijk tot een wijziging van de verkiesbaarheidsratio' s, de gelijke behandeling van de kandidatenlijsten daardoor niet wordt aangetast, evenmin als de mededinging tussen de vak- en beroepsorganisaties, vermits deze qualitate qua slechts een enkele kandidatenlijst mogen indienen. Uit het kiesreglement blijkt ook niet, dat de bepalingen ervan berusten op de premisse, dat de vak- en beroepsorganisaties die een kandidatenlijst indienen voor de verkiezing van het personeelscomité, gelijk moeten worden behandeld om een gezonde onderlinge concurrentie te verzekeren.
79 Ten slotte kan de verwijzing naar de naam van een vak- of beroepsorganisatie in de benaming van een autonome lijst niet worden aangemerkt als een maneuver van die vak- en beroepsorganisatie om te ontsnappen aan de regel, dat elke lijst maximaal 27 koppels van een kandidaat-lid en een kandidaat-plaatsvervangend-lid mag bevatten, wanneer die lijst niet door de vak- of beroepsorganisatie is ingediend en de verwijzing naar de naam van de vak- of beroepsorganisatie voldoet aan de hierboven in rechtsoverweging 77 genoemde eisen.
80 De door verzoeker op 18 oktober 1994 bij het kiesbureau ingediende lijst "Research/Union syndicale" was gesteld op papier met het briefhoofd van de Union syndicale, dat overigens ook was gebruikt voor de lijst "Union syndicale", die dezelfde dag door de heer Halskov namens de heer Schubert is ingediend. Daarbij komt, dat de politiek secretaris van de Union syndicale in de brief die hij op 7 november 1994 aan het kiesbureau heeft gezonden als reactie op het besluit van dit bureau van 3 november 1994, niet betwist, dat de twee betrokken lijsten door de Union syndicale zijn ingediend. Ten slotte waren partijen het er zowel tijdens de schriftelijke behandeling als ter terechtzitting over eens, dat de lijst "Research/Union syndicale" en de lijst "Union syndicale" door dezelfde vak- of beroepsorganisatie zijn ingediend. Gelet op deze elementen levert het besluit van 3 november 1994, waarbij het kiesbureau de Union syndicale heeft verzocht "slechts de door de heer Blanchard of de door de heer Halskov (namens de heer Schubert) ingediende lijst uit haar naam in te dienen" geen schending van de bepalingen van het kiesreglement op, maar vormt het integendeel een correcte toepassing daarvan. Mitsdien moet het tweede middel worden afgewezen voor zover het strekt tot nietigverklaring van het besluit van het kiesbureau van 3 november 1994 en van het overeenkomstige nalaten van het tot aanstelling bevoegd gezag om dat besluit te voorkomen of ongedaan te maken.
81 In de brief die hij op 7 november 1994 aan het kiesbureau heeft gezonden als reactie op het besluit van dit bureau van 3 november 1994, stelde de politiek secretaris van de Union syndicale evenwel voor, het logo van zijn organisatie uit de lijst "Research/Union syndicale" te verwijderen en verzoeker te vragen, na raadpleging van de kandidaten van de door hem aangevoerde lijst het kiesbureau de nieuwe benaming van de lijst mee te delen, op voorwaarde evenwel, dat het bureau garandeert dat de kandidaatstellingen die op de twee in het besluit van 3 november 1994 bedoelde lijsten voorkomen, worden aanvaard. In zijn besluit van 8 november 1994 nam het kiesbureau akte van de aan dit voorstel verbonden voorwaarden, doch oordeelde het, dat deze niet spoorden "met zijn streven geen 108 kandidaten van een zelfde organisatie te aanvaarden" en besloot het "lijst nr. 1 'Research/Union syndicale' niet te aanvaarden".
82 Uit het door de politiek secretaris van de Union syndicale in zijn brief van 7 november 1994 geformuleerde voorstel blijkt evenwel, dat de Union syndicale zich ertoe verbond, de bepalingen van het kiesreglement na te leven, ook al was zij niet overtuigd door de uitlegging die daarvan was gegeven. Zij zou derhalve slechts één kandidatenlijst indienen en de kandidaten van de lijst "Research/Union syndicale" verzoeken zich op een lijst met een nieuwe naam kandidaat te stellen. Het aldus geformuleerde voorstel van de politiek secretaris van de Union syndicale was in overeenstemming met de bepalingen van het kiesreglement zoals die hierboven in de rechtsoverwegingen 69 tot en met 79 zijn geëxpliciteerd, zodat het kiesbureau met zijn besluit van 8 november 1994 een bijkomende voorwaarde voor de toelating van de kandidatenlijsten voor de verkiezing van het personeelscomité heeft gesteld, die bovendien in strijd was met de voorwaarden die in het kiesreglement staan. Volgens de redenering die het kiesbureau in zijn besluit van 8 november 1994 volgt, zouden de kandidaten van een autonome lijst met de hierboven in rechtsoverweging 70 beschreven kenmerken immers niet tot de verkiezing voor het personeelscomité kunnen worden toegelaten.
83 Om dezelfde redenen heeft het kiesbureau een bijkomende en met de voorwaarden van het kiesreglement strijdige voorwaarde gesteld door bij monde van zijn voorzitter de door verzoeker op 8 november 1994 ingediende lijst te weigeren, ofschoon in de benaming van die lijst niet meer naar de naam Union syndicale werd verwezen.
84 De twee besluiten van het kiesbureau van 8 november 1994 zijn derhalve in strijd met het kiesreglement en moeten om die reden nietig worden verklaard. De geldigheid van de verkiezingsprocedure die na de beschikking in kort geding van de president van het Gerecht van 21 november 1994 is ingeleid, en het resultaat van de verkiezing die op 31 januari en 1 en 2 februari 1995 heeft plaatsgevonden, worden door deze nietigverklaring evenwel onverlet gelaten, gelijk verzoeker en interveniënte ter terechtzitting hebben erkend.
85 Gelet op deze elementen, slaagt het tweede middel en moet het beroep gegrond worden verklaard, voor zover het strekt tot nietigverklaring van de besluiten van het kiesbureau van 8 november 1994. Over het gestelde nalaten van het tot aanstelling bevoegd gezag om de twee nietig verklaarde besluiten te voorkomen of ongedaan te maken, behoeft niet te worden beslist.
86 Bijgevolg moeten verzoekers overige middelen worden onderzocht voor zover zij betrekking hebben op de rest van zijn vordering tot nietigverklaring. Aangezien het Gerecht van oordeel is, dat het kiesreglement verbiedt dat een vak- of beroepsorganisatie meer dan een kandidatenlijst indient voor de verkiezing van het personeelscomité, dienen verzoekers andere middelen te worden onderzocht in het kader van de exceptie van onwettigheid die deze subsidiair opwerpt tegen het kiesreglement.
87 Verzoeker baseert de tegen het kiesreglement opgeworpen exceptie van onwettigheid op schending van de beginselen die hij heeft vermeld in het tweede, derde, vierde en vijfde middel tot staving van zijn vordering tot nietigverklaring. Het tweede middel was evenwel juist ontleend aan schending van het kiesreglement. Derhalve moeten voor de beoordeling van de exceptie van onwettigheid alleen het derde, vierde en vijfde middel worden onderzocht.
Derde middel: schending van het beginsel van vrijheid en democratie of gelijke behandeling
° Argumenten van partijen
88 Verzoeker betoogt, dat op het gebied van verkiezingen het beginsel van gelijke behandeling een bestanddeel vormt van het beginsel van democratie, volgens hetwelk de gelijkheid tussen de kiezers, tussen de kandidaten voor de verkiezing en tussen de vak- en beroepsorganisaties die kandidatenlijsten indienen, moet worden geëerbiedigd overeenkomstig het reeds genoemde arrest De Dapper en de door het Europees Parlement op 12 april 1989 goedgekeurde "Verklaring van de grondrechten en de fundamentele vrijheden" (inzonderheid artikel 17, lid 5).
89 Verder had het besluit van 3 november 1994 een beperking van verschillende electorale vrijheden tot gevolg, doordat het inbreuk maakte op de verkiesbaarheid van de kandidaten van de lijst "Research/Union syndicale", op de vrijheid van de Union syndicale om een lijst in te dienen en op de vrijheid van de kiezer om voor de lijst "Research/Union syndicale" te stemmen.
90 Dergelijke beperkingen kunnen slechts worden aanvaard, indien zij in overeenstemming zijn met de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen (volgens artikel 17, lid 5, van de door het Europees Parlement op 12 april 1989 goedgekeurde Verklaring van de grondrechten en de fundamentele vrijheden) of een proportioneel middel ter verwezenlijking van een wettig doel vormen, gelijk in de rechtspraak, en met name in de conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn bij het arrest Diezler (Jurispr. 1987, blz. 4298), is verklaard. De stelling van de Commissie, dat de vak- en beroepsorganisaties elk slechts één lijst mogen indienen omdat zij op gelijke voet moeten worden gesteld, kan evenwel niet worden gebaseerd op het beginsel van democratie of gelijke behandeling. Dat beginsel eist immers de gelijkheid van de Europese ambtenaren ter zake van kiesrecht en verkiesbaarheid, maar niet de gelijkheid van de vak- en beroepsorganisaties om kandidatenlijsten in te dienen. Bovendien komt de door de Commissie voorgestane wiskundige gelijkheid (één lijst per vak- of beroepsorganisatie) niet overeen met de gelijkheid die in de rechtspraak van het Hof en het Gerecht wordt bedoeld. Daarin gaat het om een wezenlijke gelijkheid voor de wet, in die zin dat gelijke zaken gelijk en verschillende zaken verschillend moeten worden behandeld.
91 Verder belet de houding van de Union syndicale de andere vak- en beroepsorganisaties niet meer dan een lijst in te dienen. Of het voor een vak- of beroepsorganisatie zin heeft meer dan een lijst in te dienen, hangt af van de mate van representativiteit van die lijsten en van de wil van de kandidaat-leden van een vak- of beroepsorganisatie om zich kandidaat te stellen voor de verkiezing. Het kiesreglement is daarentegen discriminerend, doordat het niet bij een vak- of beroepsorganisatie aangesloten ambtenaren toestaat zoveel lijsten in te dienen als zij willen, hetgeen een discriminatie op grond van aansluiting bij een vak- of beroepsorganisatie is, en doordat geen rekening wordt gehouden met de tussen de vak- en beroepsorganisaties bestaande objectieve verschillen inzake representativiteit.
92 De Commissie antwoordt hierop, dat het verbod voor een vak- of beroepsorganisatie om meer dan één lijst in te dienen voor de verkiezing van het personeelscomité van de Commissie, geen discriminatie van de op de lijst "Research/Union syndicale" voorkomende kandidaten heeft meegebracht. Het verbod op de indiening van meer dan een lijst door een zelfde organisatie beperkt immers noch de vrijheid van de ambtenaren om hun vertegenwoordigers aan te wijzen, noch het gelijke recht van de Europese ambtenaren om hun stem uit te brengen en verkozen te worden. Bovendien heeft die regel tot doel, de vak- en beroepsorganisaties op gelijke voet te stellen in een zelfde verkiezingsprocedure, terwijl hij de ambtenaren niet belet zich zelfstandig, los van hun lidmaatschap van een vak- of beroepsorganisatie, kandidaat te stellen. Er is dus geen sprake van discriminatie; integendeel, deze regel is de uitdrukking van een volstrekt geoorloofd beginsel van electorale gelijkheid. Er is ook geen sprake van discriminatie op grond van lidmaatschap van een vak- of beroepsorganisatie; de vrijheid van vakvereniging is in het onderhavige geval immers niet in het geding, daar elke vak- of beroepsorganisatie haar eigen kandidatenlijst vrij kan bepalen.
° Beoordeling door het Gerecht
93 In het kader van dit derde middel moet worden onderzocht, of het kiesreglement in enigerlei mate inbreuk maakt op het recht van een ambtenaar te worden verkozen, te kiezen en te stemmen voor een kandidatenlijst, en op de vrijheid van een vak- of beroepsorganisatie om een kandidatenlijst in te dienen. Verder moet worden nagegaan, of het verbod voor een vak- of beroepsorganisatie om meer dan een kandidatenlijst in te dienen, in strijd is met de beginselen van vrijheid en gelijke behandeling van de kandidatenlijsten, ongeacht hun oorsprong, en van gelijke behandeling van de kandidaten.
94 Ten eerste had het overeenkomstig het kiesreglement vastgestelde besluit van 3 november 1994 enkel tot doel, de Union syndicale te beletten onder haar eigen logo twee lijsten in te dienen. Uit het besluit van het kiesbureau van 3 november 1994 en de door de Commissie in de onderhavige procedure overgenomen argumenten blijkt immers, dat het kiesbureau de op de lijst "Research/Union syndicale" voorkomende kandidaten niet heeft willen beletten zich kandidaat te stellen voor de verkiezing van het personeelscomité, maar heeft geëist, dat dit gebeurt op de wijze als in het kiesreglement is bepaald.
95 Ten tweede maken de in het kiesreglement vastgestelde, en in de hierboven in de rechtsoverwegingen 69 tot en met 79 uiteengezette, voorwaarden voor de verkiesbaarheid van ambtenaren en andere personeelsleden geen inbreuk op het bestaan van dit recht, aangezien zij de draagwijdte ervan niet beperken. Ieder ambtenaar of personeelslid, ongeacht of hij lid is van een vak- of beroepsorganisatie, heeft immers het recht zich kandidaat te stellen voor de verkiezing van het personeelscomité, hetzij met toestemming van een vak- of beroepsorganisatie op een door deze ingediende lijst, hetzij op een autonome lijst, waarbij hij in dit laatste geval het recht behoudt om er openlijk voor uit te komen dat hij lid is van een vak- of beroepsorganisatie, om mondeling en schriftelijk zijn sympathie of steun te betuigen voor het programma van een vak- of beroepsorganisatie, en om, met inachtneming van de hierboven in rechtsoverweging 77 uiteengezette vereisten, in de benaming van de autonome lijst waarop hij kandidaat is, te verwijzen naar de naam van een vak- of beroepsorganisatie. Verzoeker kan derhalve niet volhouden, dat het overeenkomstig het kiesreglement vastgestelde besluit van het kiesbureau van 3 november 1994 inbreuk kan maken op een van de door hem aangevoerde rechten.
96 Ten derde vormt het besluit van het kiesbureau van 3 november 1994 geen aantasting van het recht van de Union syndicale om een kandidatenlijst in te dienen, daar het kiesreglement enkel verbiedt dat een zelfde vak- of beroepsorganisatie meer dan een kandidatenlijst indient.
97 Ten vierde beoogt het kiesreglement, gelijk bij de behandeling van het tweede middel is uiteengezet, de gelijke behandeling van de kandidatenlijsten te verzekeren. Zoals gezegd, kan het verbod voor een vak- of beroepsorganisatie om meer dan een kandidatenlijst in te dienen, de gelijke behandeling van de lijsten niet aantasten. Het kiesreglement schendt het beginsel van gelijke behandeling van de lijsten derhalve niet, maar verzekert juist de inachtneming ervan.
98 Ten vijfde moet worden nagegaan of de bepalingen van het kiesreglement een schending van het beginsel van gelijke behandeling van de kandidaten kunnen opleveren, doordat zij een discriminatie op grond van het lidmaatschap van een vak- of beroepsorganisatie in het leven roepen. Daartoe behoeft er slechts aan te worden herinnerd, dat het kiesreglement iedere ambtenaar en ieder personeelslid, ongeacht of hij lid is van een vak- of beroepsorganisatie, toestaat zich op een autonome lijst kandidaat te stellen, en dat hij gewag mag maken van zijn lidmaatschap van een vak- of beroepsorganisatie, ongeacht of hij zich op een lijst van een vak- of beroepsorganisatie dan wel op een autonome lijst kandidaat stelt. Het verbod voor een vak- of beroepsorganisatie om meer dan één kandidatenlijst in te dienen vormt dus geen discriminatie van kandidaten op grond van lidmaatschap van een vak- of beroepsorganisatie.
99 Het kiesreglement levert derhalve geen schending van de beginselen van vrijheid en democratie of gelijke behandeling op en kan derhalve niet onwettig worden verklaard. Het besluit van het kiesbureau van 3 november 1994 en het overeenkomstige nalaten van het tot aanstelling bevoegd gezag om dit besluit te voorkomen of ongedaan te maken, kunnen derhalve evenmin nietig worden verklaard op basis van de argumenten die verzoeker in het kader van dit middel heeft aangevoerd.
Vierde middel: schending van het beginsel van representativiteit en/of van het beginsel dat de mening van het personeel aan de dag moet kunnen treden en naar voren moet kunnen worden gebracht
° Argumenten van partijen
100 Verzoeker betoogt allereerst, dat het kiesreglement, door toe te staan dat de door de Union syndicale op 18 oktober 1994 ingediende lijst "Research/Union syndicale" bij besluit van het kiesbureau van 3 november 1994 werd uitgesloten, het personeel heeft beperkt in zijn mogelijkheden om bij monde van zijn kandidaten zijn mening aan de dag te doen treden en naar voren te brengen. De toename van het aantal kandidaten binnen de in het kiesreglement gestelde perken per lijst, voldoet immers aan het uitdrukkelijke vereiste van artikel 9, lid 3, van het Statuut.
101 Artikel 1, vierde alinea, van bijlage II bij het Statuut en artikel 6 van de door de Commissie op 27 april 1988 vastgestelde regeling, bepalen dat het personeelscomité zodanig dient te zijn samengesteld, dat alle categorieën van ambtenaren en alle groepen bedoeld in artikel 5 van het Statuut alsmede de personeelsleden bedoeld in artikel 7, eerste alinea, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen, daarin zijn vertegenwoordigd. Blijkens de rechtspraak is het onderliggende doel van deze bepalingen, te garanderen dat alle belangengroepen binnen het personeel vertegenwoordigd zijn. Het kiesstelsel moet deze doelstelling derhalve zoveel mogelijk nastreven (arrest De Dapper, reeds aangehaald, r.o. 16 en 17).
102 Artikel 1, vierde alinea, van bijlage II bij het Statuut volstaat daartoe evenwel niet, daar het enkel verwijst naar artikel 5, lid 1, laatste alinea, van het Statuut en naar artikel 7 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen. Die twee bepalingen doelen immers enkel op de groepen administratie en talendienst en houden geen rekening met de wetenschappelijke en technische groepen bedoeld in de artikelen 92 tot en met 101 van het Statuut en evenmin met de personeelsleden die onder de begrotingspost "Onderzoek en technologische ontwikkeling" vallen. Bijgevolg maakt het kiesreglement, inzonderheid de artikelen 8 en 12 daarvan, het niet mogelijk de doelstelling van een perfecte vertegenwoordiging van de verschillende belangengroepen van het personeel te verwezenlijken, daar het op basis van bijlage II bij het Statuut is vastgesteld. De indiening van sectoriële lijsten, zoals de Union syndicale voorstaat, is derhalve het middel om een dergelijke vertegenwoordiging te verzekeren.
103 Volgens de Commissie levert de vaststelling van regels voor de indiening van kandidaatstellingen geen kennelijke schending van de regels van de democratie op. Het voornaamste doel van artikel 9, lid 3, van het Statuut is, ervoor te zorgen dat de belangen van het personeel worden vertegenwoordigd en niet dat de vak- en beroepsorganisaties als afzonderlijke entiteiten worden vertegenwoordigd (arrest Gerecht van 12 januari 1994, zaak T-65/91, White, JurAmbt. 1994, blz. II-23, r.o. 102).
104 Luidens artikel 5, lid 1, van het Statuut bestaat er een wetenschappelijke en technische groep, onderscheiden van de groepen administratie en talendienst, gelijk door de rechtspraak is bevestigd (arrest Hof van 21 oktober 1986, gevoegde zaken 269/84 en 292/84, Fabbro, Jurispr. 1986, blz. 2983; arrest Gerecht van 9 oktober 1992, zaak T-50/91, De Persio, Jurispr. 1992, blz. II-2365, r.o. 17). Artikel 1, vierde alinea, van bijlage II bij het Statuut vormt derhalve een afdoende grondslag en de minimale vertegenwoordiging van de technische en wetenschappelijke groepen is derhalve gewaarborgd en in de artikelen 8 en 12 van het kiesreglement terecht bevestigd. Bovendien staat niets eraan in de weg, dat een autonome sectoriële lijst wordt ingediend die inzonderheid de belangen van de wetenschappelijke en technische groepen beoogt te behartigen.
105 Tot slot zij erop gewezen, dat de door verzoeker aangevoerde sectoriële lijst aan de verkiezing voor het personeelscomité van de Commissie heeft kunnen deelnemen dank zij de heropening van de termijnen overeenkomstig het dictum van de beschikking van de president van het Gerecht van 21 november 1994.
° Beoordeling door het Gerecht
106 Ter beoordeling van de opgeworpen exceptie van onwettigheid moet worden nagegaan, of het kiesreglement een schending oplevert van het beginsel van representativiteit, zoals dit is geformuleerd in artikel 9, lid 3, van het Statuut, in artikel 1, vierde alinea, van bijlage II bij het Statuut en in artikel 6 van de door de Commissie op 27 april 1988 vastgestelde regeling, doordat het een vak- of beroepsorganisatie verbiedt meer dan een kandidatenlijst in te dienen, en of de artikelen 8 en 12 van het kiesreglement ook zien op de wetenschappelijke en technische groepen.
107 Met betrekking tot de gestelde schending van het beginsel van representativiteit dienen de bewoordingen van de aangevoerde bepalingen in herinnering te worden gebracht. Artikel 9, lid 3, van het Statuut bepaalt:
"Het personeelscomité behartigt de belangen van het personeel bij de instelling en zorgt voor een voortdurend contact tussen haar en het personeel. Het draagt bij tot de goede werking van de dienst door de mening van het personeel aan de dag te doen treden en deze naar voren te brengen (...)"
Artikel 1, vierde alinea, van bijlage II bij het Statuut bepaalt:
"Het personeelscomité dat niet in plaatselijke afdelingen is verdeeld of, indien het personeelscomité wel in plaatselijke afdelingen is verdeeld, de plaatselijke afdeling, dient zodanig te zijn samengesteld dat alle categorieën van ambtenaren en alle groepen, bedoeld in artikel 5 van het statuut alsmede de personeelsleden, bedoeld in artikel 7, eerste alinea, van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen, daarin zijn vertegenwoordigd. Het centrale comité van een personeelscomité dat in plaatselijke afdelingen is verdeeld, is rechtsgeldig geconstitueerd zodra de meerderheid zijner leden is aangewezen."
Artikel 6 van de door de Commissie op 27 april 1988 vastgestelde regeling bepaalt:
"De regels omtrent de verkiezing voor de plaatselijke afdelingen en het centrale comité worden door de algemene vergadering van de ambtenaren van de Commissie aldus vastgesteld, dat in het centrale comité en, voor zover mogelijk, in elke plaatselijke afdeling, alle categorieën en groepen van ambtenaren alsmede de personeelsleden bedoeld in artikel 7, eerste alinea, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd zijn (...)"
108 Uit deze drie bepalingen blijkt, dat de diversiteit van de kandidaten uit het oogpunt van het behoren tot een bepaalde groep of een bepaalde categorie bijdraagt tot het doel, het personeel in staat te stellen zijn mening aan de dag te doen treden en naar voren te brengen. Het verbod voor een vak- of beroepsorganisatie om meer dan een kandidatenlijst in te dienen, doet evenwel geen afbreuk aan dit doel. Gelijk hierboven in rechtsoverweging 95 is verklaard, had het besluit van 3 november 1994 immers niet tot doel, de kandidaten van de door verzoeker aangevoerde lijst te beletten aan de verkiezing deel te nemen en derhalve een bijzondere categorie of groep van ambtenaren of personeelsleden te beletten haar mening aan de dag te doen treden en in het personeelscomité vertegenwoordigd te zijn.
109 Gelijk de Commissie terecht aanvoert, verlenen die drie bepalingen de vak- en beroepsorganisaties niet het recht om allemaal in het personeelscomité vertegenwoordigd te zijn. Volgens die bepalingen heeft het kiesstelsel immers tot doel, de opvattingen van het personeel te weerspiegelen, met name door ieder ambtenaar of personeelslid actief en passief kiesrecht te verlenen, met dien verstande evenwel dat dit doel niet aldus kan worden begrepen dat aan de verschillende vak- en beroepsorganisaties de zekerheid moet worden gegeven dat zij in het personeelscomité vertegenwoordigd zullen zijn.
110 Al is de indiening van verschillende sectoriële lijsten door een zelfde vak- of beroepsorganisatie in beginsel in overeenstemming met het door die bepalingen opgelegde doel, toch is dit niet het enige middel waarmee dit doel kan worden verwezenlijkt. De interne selectie van de kandidaten die op een door een vak- of beroepsorganisatie ingediende lijst voorkomen, de bepalingen van het kiesreglement en de mogelijkheid voor ieder ambtenaar of personeelslid om zich, zij het althans op een autonome lijst, kandidaat te stellen, zijn eveneens middelen om dit doel te bereiken.
111 Zelfs al zou het verbod voor een vak- of beroepsorganisatie om meer dan een kandidatenlijst in te dienen, kandidaten van een bepaalde groep beroven van een doeltreffend middel om te worden verkozen en daardoor de verwezenlijking van de in die bepalingen genoemde doelstelling in gevaar brengen, toch is dat verbod, zoals uiteengezet in rechtsoverweging 77 hierboven, een toepassingsmodaliteit van het beginsel van representativiteit, die de onwettigheid van de bepalingen van het kiesreglement niet kan meebrengen, omdat die toepassingsmodaliteit is aangebracht op basis van een besluit van de algemene vergadering van de ambtenaren, waarin alle categorieën en groepen van het personeel vertegenwoordigd zijn. Wat er ook van zij, verzoeker heeft in het onderhavige geval niet aangetoond, dat de op zijn lijst voorkomende kandidaten, gelet op de omstandigheid dat zij tot een bepaalde categorie behoorden, een grotere kans hadden om te worden verkozen op een door een vak- of beroepsorganisatie ingediende lijst, dan op een autonome lijst in de benaming waarvan naar de naam van een vak- of beroepsorganisatie wordt verwezen.
112 De artikelen 8 en 12 doelen overigens op alle groepen van het personeel, daaronder begrepen de wetenschappelijke en technische groepen, waartoe de kandidaten van de lijst "Research/Union syndicale" naar hun zeggen behoren. Het Hof en het Gerecht hebben immers reeds de gelegenheid gehad te preciseren, dat "het Statuut verschillende groepen heeft ingesteld (die voor de talendienst en de wetenschappelijke en technische groepen), met de mogelijkheid nog andere in te stellen om daarin de ambtenaren te kunnen indelen die bijzondere werkzaamheden verrichten waarvoor een specifieke kennis vereist is, teneinde aldus een afzonderlijke loopbaanontwikkeling, waarbij met die bijzonderheden rekening wordt gehouden, mogelijk te maken" (arresten Fabbro, reeds aangehaald, r.o. 21, en De Persio, reeds aangehaald, r.o. 17).
113 Uit het samenstel van deze elementen volgt, dat het kiesreglement niet in strijd is met het beginsel van representativiteit zoals dat in genoemde bepalingen is geformuleerd, en derhalve niet als onwettig kan worden beschouwd, en dat het besluit van het kiesbureau van 3 november 1994 en het overeenkomstige nalaten van het tot aanstelling bevoegd gezag om dat besluit te voorkomen of ongedaan te maken, evenmin nietig kunnen worden verklaard op basis van de argumenten die verzoeker in het kader van dit middel heeft aangevoerd.
Vijfde middel: schending van de vrijheid van vakvereniging en van het beginsel dat alle ambtenaren verkiesbaar zijn
° Argumenten van partijen
114 Verzoeker betoogt, dat het verbod om meer dan 27 kandidatenkoppels voor te dragen de leden van een vak- of beroepsorganisatie die naast die 27 kandidatenkoppels ook kandidaat willen zijn, voor de keuze plaatst tussen enerzijds de vak- of beroepsorganisatie verlaten en opkomen op een onafhankelijke lijst, en anderzijds afzien van kandidaatstelling. Het kiesreglement is ook in strijd met de vrijheid van vakvereniging, omdat de verplichting voor de vak- of beroepsorganisatie om een van haar twee lijsten in te trekken, deze vak- of beroepsorganisatie de volledige vrijheid ontneemt om de kandidatuur van verzoeker al dan niet te handhaven.
115 Volgens de Commissie is het verbod voor een vak- of beroepsorganisatie om meer dan een lijst in te dienen niet in strijd met artikel 24 bis van het Statuut en artikel 1, eerste alinea, in fine, van bijlage II bij het Statuut. Verzoekers vrijheid van vakvereniging wordt niet aangetast, daar zijn eigen organisatie hem niet wil opnemen op haar eerste lijst. Het Gerecht heeft er reeds aan herinnerd (arrest Maindiaux, reeds aangehaald), dat de modaliteiten van de verkiezing worden vastgesteld door de algemene vergadering van de ambtenaren van de instelling, die op de overeenkomstige standplaats in dienst zijn. Aangezien het besluit van de Union syndicale om verzoeker niet op haar eerste lijst te plaatsen een intern besluit van een vak- of beroepsorganisatie is, is er geen sprake van schending van artikel 24 bis van het Statuut. Verzoeker kan zijn passief kiesrecht immers nog steeds uitoefenen door zich kandidaat te stellen op een autonome lijst.
° Beoordeling door het Gerecht
116 Om te beginnen dient het onderzoek van de middelen die verzoeker in zijn vijfde middel heeft aangevoerd, in het kader van de behandeling van de subsidiair opgeworpen exceptie van onwettigheid beperkt te blijven tot de middelen die betrekking hebben op het besluit van het kiesbureau van 3 november 1994, aangezien het Gerecht het beroep tot nietigverklaring reeds gegrond heeft verklaard met betrekking tot de besluiten van het kiesbureau van 8 november 1994. Het Gerecht behoeft derhalve geen uitspraak te doen over de argumenten van partijen die betrekking hebben op laatstgenoemde besluiten.
117 Vaststaat allereerst, dat verzoeker in dit vijfde middel onder het mom van schending van de vrijheid van vakvereniging argumenten aanvoert die hij reeds in zijn vierde middel tot staving van de gestelde discriminatie op grond van lidmaatschap van een vak- of beroepsorganisatie heeft aangevoerd.
118 Verzoeker stelt, dat een vak- of beroepsorganisatie het recht heeft een van haar leden, in casu hemzelf, als kandidaat voor te dragen en dat het in het kiesreglement vervat liggende verbod voor een vak- of beroepsorganisatie om meer dan een lijst in te dienen, inbreuk maakt op de vrijheid van vakvereniging, die overigens in artikel 24 bis van het Statuut wordt erkend.
119 Artikel 24 bis van het Statuut bepaalt evenwel: "De ambtenaren hebben het recht van vereniging; zij kunnen met name lid zijn van vak- en beroepsorganisaties van Europese ambtenaren." De in artikel 24 bis van het Statuut omschreven vrijheid van vereniging betekent dus niet, dat een vak- of beroepsorganisatie in het kader van het kiesstelsel dezelfde rechten heeft als een ambtenaar. Ingevolge artikel 24 bis van het Statuut hebben de ambtenaren immers het recht zich te verenigen, met name in een vak- of beroepsorganisatie. De vak- of beroepsorganisatie is dus een van de wijzen waarop de aan elke ambtenaar verleende vrijheid van vereniging kan worden georganiseerd en het kiesreglement regelt overigens, hoe die organisatie aan de verkiezing kan deelnemen. De vak- of beroepsorganisatie kan dus niet met een beroep op artikel 24 bis van het Statuut dezelfde rechten claimen als die welke de ambtenaren zelf hebben wanneer zij kandidaat zijn voor de verkiezing van het personeelscomité.
120 Bovendien was verzoekers aanwezigheid op een van de twee lijsten die de Union syndicale op 18 oktober 1994 heeft ingediend, het resultaat van een intern besluit van die vak- of beroepsorganisatie. Verzoeker kan de gevolgen van de intrekking van de lijst van de Union syndicale derhalve alleen aan deze laatste verwijten, daar het kiesreglement een vak- of beroepsorganisatie verbiedt meer dan een lijst in te dienen en dit verbod geen inbreuk maakt op de door verzoeker aangevoerde rechten, gelijk het Gerecht hierboven in rechtsoverweging 96 heeft verklaard.
121 Verder staat het een ambtenaar die lid is van een vak- of beroepsorganisatie, vrij zich kandidaat te stellen op een autonome lijst, indien de vak- of beroepsorganisatie waarvan hij lid is, hem niet op haar lijst heeft geplaatst, en daarbij mag hij openlijk te kennen geven dat hij lid is van die vak- of beroepsorganisatie en haar programma steunt. Een ambtenaar die lid is van een vak- of beroepsorganisatie, kan dus lid van een vak- of beroepsorganisatie blijven en zich tegelijkertijd kandidaat stellen op een andere dan de door die vak- of beroepsorganisatie ingediende lijst.
122 Uit het samenstel van deze elementen volgt derhalve, dat het kiesreglement niet in strijd is met de in artikel 24 bis van het Statuut omschreven vrijheid van vakvereniging en evenmin met het beginsel dat alle ambtenaren verkiesbaar zijn. Bijgevolg kan het kiesreglement uit dien hoofde niet onwettig worden verklaard en kunnen ook het besluit van 3 november 1994 en het overeenkomstige nalaten van het tot aanstelling bevoegd gezag om dit besluit te voorkomen of ongedaan te maken niet nietig worden verklaard op basis van de argumenten die verzoeker tot staving van dit middel heeft aangevoerd.
123 De subsidiair tegen het kiesreglement opgeworpen exceptie van onwettigheid moet derhalve worden verworpen.
De vordering tot schadevergoeding
Argumenten van partijen
124 Verzoeker betoogt, dat de bestreden besluiten niet alleen onwettige, maar ook onrechtmatige handelingen zijn, en dat zij hem morele schade hebben berokkend, doordat hij zich niet op de door hem gewenste wijze kandidaat heeft kunnen stellen voor de verkiezing en zijn stemrecht niet heeft kunnen uitoefenen in omstandigheden die in overeenstemming zijn met het Statuut.
125 De Commissie betwist niet alleen dat de bestreden besluiten onwettig zijn, maar ontkent ook dat zij in het kader daarvan enige onrechtmatigheid zou hebben begaan. Zij had geen enkele reden om krachtens haar toezichtverplichting in te grijpen in een verkiezing die haars inziens volkomen correct verliep. Zij verwijt verzoeker bovendien, dat hij geen enkel bewijs heeft aangevoerd voor de morele en materiële schade die hij stelt te hebben geleden.
Beoordeling door het Gerecht
126 Overeenkomstig vaste rechtspraak is het Gerecht van oordeel, dat zelfs al zouden de door het kiesbureau op 8 november 1994 in strijd met het kiesreglement vastgestelde besluiten verzoeker enige morele schade hebben berokkend, deze laatste geen enkele schade als gevolg van de vaststelling van de bestreden besluiten heeft gesteld die door de nietigverklaring van de twee besluiten van 8 november 1994 niet op passende wijze kan worden hersteld (zie met name arresten Gerecht van 28 november 1991, zaak T-158/89, Van Hecken, Jurispr. 1991, blz. II-1341, r.o. 37, en 12 februari 1992, zaak T-52/90, Volger, Jurispr. 1992, blz. II-121, r.o. 46). Mitsdien moet de vordering tot schadevergoeding worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
127 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de vordering tot nietigverklaring ten dele gegrond is verklaard en verzoeker verwijzing van de Commissie in de kosten van onderhavige instantie heeft gevorderd, dient de Commissie, gelet op de omstandigheden van de onderhavige zaak, in de kosten te worden verwezen, met inbegrip van die welke op het kort geding zijn gevallen.
128 Volgens artikel 87, lid 4, van dat Reglement kan het Gerecht bepalen, dat andere interveniënten dan de Lid-Staten of de instellingen hun eigen kosten zullen dragen. In het onderhavige geval dient die bepaling te worden toegepast, gelet op het feit dat interveniënte geen memorie heeft ingediend tot staving van haar interventie ter ondersteuning van verzoeker en ter terechtzitting enkel heeft verwezen naar het pleidooi van de raadsman van verzoeker.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart de twee besluiten van het kiesbureau van 8 november 1994 nietig, met dien verstande dat die nietigverklaring het resultaat van de op 31 januari en 1 en 2 februari 1995 georganiseerde verkiezing voor het personeelscomité onverlet laat. Verwerpt het beroep tot nietigverklaring voor het overige.
2) Wijst de vordering tot schadevergoeding af.
3) Verstaat dat de Commissie de kosten van verzoeker, daaronder begrepen de kosten die op het kort geding zijn gevallen, en haar eigen kosten zal dragen. Verstaat dat interveniënte haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy