Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Procedure ° Interventie ° Kort geding ° Belanghebbenden ° Hoofdzaak betreffende nietigverklaring van besluit tot niet-toelating van kunstenaar tot wedstrijd voor selectie van kunstwerken bestemd voor gebouw van gemeenschapsinstelling ° Voorzitter en leden van personeelscomité van instelling ° Niet-ontvankelijkheid
(' s Hofs Statuut-EEG, art. 37, tweede alinea)
2. Kort geding ° Opschorting van tenuitvoerlegging ° Voorwaarden ° Ernstige en onherstelbare schade ° Afweging van betrokken belangen ° Verzoek om opschorting van werkzaamheden van comité belast met selectie van kunstwerken voor gebouw van gemeenschapsinstelling
(EEG-Verdrag, art. 185; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
Samenvatting
1. Het begrip belang bij de oplossing van een rechtsgeding in de zin van artikel 37, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EEG, is te verstaan als een rechtstreeks en concreet belang bij de toewijzing van de conclusies betreffende het specifieke besluit waarvan de nietigverklaring of opschorting wordt gevorderd.
In een kort geding in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een besluit houdende niet-toelating van een zelfstandig kunstenaar tot de tweede fase van een wedstrijd met het oog op de keuze van kunstwerken voor een nieuw gebouw van een gemeenschapsinstelling, is het verzoek van de voorzitter en de leden van het personeelscomité van de betrokken instelling om te worden toegelaten tot interventie ter ondersteuning van verzoekers conclusies strekkende tot opschorting van de werkzaamheden van het comité voor de selectie van de kunstwerken, dus niet-ontvankelijk. De verzoekers tot tussenkomst kunnen namelijk geen enkele bijzondere omstandigheid aanvoeren waaruit zou kunnen blijken van het bestaan van een persoonlijk belang bij verzoekers toelating tot de tweede fase van de wedstrijd, en kunnen niet aantonen dat hun situatie door de oplossing die het Gerecht aan het geding zal geven, voldoende ernstig zou worden aangetast.
2. De rechter in kort geding moet bij de beoordeling van de spoedeisendheid van voorlopige maatregelen onderzoeken of de toepassing van de bestreden handelingen, vóór de in de hoofdzaak te geven beslissing, de verzoekende partij onherstelbare schade kan berokkenen, die ook door nietigverklaring van het bestreden besluit niet zou kunnen worden goedgemaakt of die, ofschoon voorlopig, onevenredig zouden zijn aan het belang van de verwerende partij bij de uitvoering van haar besluiten ondanks het ingestelde beroep in rechte. Het staat aan de verzoekende partij het bewijs te leveren dat zij de uitspraak ten gronde niet kan afwachten zonder schade te lijden die ernstige en onherstelbare gevolgen teweeg brengt.
Aan deze voorwaarden voldoet niet het verzoek van een der deelnemende kunstenaars om opschorting van de werkzaamheden van een comité dat in het kader van een wedstrijd voor kunstenaars belast is met de selectie van kunstwerken voor een nieuw gebouw van een instelling, nu de omstandigheid dat de betrokkene geslaagd is voor het eerste onderdeel van de wedstrijd, hem geenszins garandeert dat zijn kunstwerk in de eindfase zal worden geselecteerd, niet is aangetoond dat verzoekers belangen in geval van toewijzing van zijn beroep ten gronde niet met terugwerkende kracht kunnen worden gevrijwaard, en de gestelde schade onevenredig is met het belang dat de instelling erbij heeft over de resultaten van de wedstrijd te kunnen beschikken op een tijdstip dat verenigbaar is met de datum van de inhuldiging van het gebouw.
Partijen
In zaak T-108/94 R,
E. Candiotte, zelfstandig kunstenares, wonende te Jambes (België), vertegenwoordigd door J. N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door Y. Cretien, juridisch adviseur, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij B. Eynard, directeur van het directoraat juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder,
betreffende een verzoek om opschorting van de procedure naar aanleiding van de wedstrijd voor kunstenaars (nr. 93/S 21-3373/FR) van 30 januari 1993, en meer in het bijzonder van de werkzaamheden van het comité voor de selectie van kunstwerken die dienen te worden geïntegreerd in het nieuwe gebouw van de Raad te Brussel,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Feiten en procesverloop
1 Bij op 16 maart 1994 ter griffie van het Gerecht ingediend verzoekschrift heeft verzoekster krachtens artikel 173, vierde alinea, van het EG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van:
° het besluit van het selectiecomité van de wedstrijd voor kunstenaars (nr. 93/S 21-3373/FR), namens de Raad van de Europese Unie (hierna: "Raad") vastgesteld op 14 januari 1994, waarbij verzoekster niet tot het tweede gedeelte van de wedstrijd werd toegelaten;
° het besluit van het selectiecomité om de nationale werkgroepen te belasten met de preselectie van de kandidaturen van de op hun nationaal grondgebied gevestigde kunstenaars;
° het besluit van dit comité om het in de fase van de preselectie door elke Lid-Staat aan te duiden aantal kunstenaars op drie te bepalen;
° het besluit om de lijst vast te stellen van de tot de tweede fase van de wedstrijd toegelaten kunstenaars.
Bovendien vordert verzoekster van de Raad een symbolische schadevergoeding van 1 ECU, ter vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden ten gevolge van de besluiten van het selectiecomité, en met name van het besluit tot afwijzing van haar kandidatuur.
2 Bij afzonderlijke akte, op dezelfde dag ingeschreven ter griffie van het Gerecht, heeft verzoekster krachtens artikel 185 EG-Verdrag en artikel 104, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een verzoek ingediend tot opschorting van de procedure volgend op de kennisgeving van de wedstrijd voor kunstenaars (nr. 93/S 21-3373/FR), gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 30 januari 1993 (PB 1993, S 21, blz. 48), en met name van de werkzaamheden van het comité voor de selectie van kunstwerken die dienen te worden geïntegreerd in het nieuwe gebouw van de Raad te Brussel.
3 Verweerder heeft op 28 maart 1994 schriftelijke opmerkingen ingediend over het onderhavige verzoek in kort geding.
4 Bij verzoekschrift ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 6 april 1994, hebben J. Willems, voorzitster van het personeelscomité van de Raad, en 21 leden van dit comité verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van verzoekster in de procedure in kort geding.
5 Bij brief ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 12 april 1994 concludeerde verweerder tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek tot tussenkomst en tot verwijzing van de verzoekers tot tussenkomst in de kosten van de onderhavige procedure. Verzoekster heeft op dit punt geen standpunt bepaald.
6 Alvorens nader in te gaan op de gegrondheid van de bij de rechter in kort geding ingediende verzoeken, dienen de aan het geding ten grondslag liggende feiten, zoals zij uit de door partijen ingediende memories blijken, kort te worden samengevat.
7 Bij besluit van 12 juni 1989, heeft de Raad een comité opgericht dat "tot taak [heeft] de kunstwerken te selecteren die dienen te worden aangekocht en in het nieuwe raadsgebouw dienen te worden geïntegreerd" (artikel 4). Met het oog hierop organiseert het comité "namens de Raad een prijsvraag [die open staat] voor alle kunstenaars van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap; meldt er zich een groot aantal deelnemers, dan kan de prijsvraag in twee fasen plaatsvinden" (artikel 5). Het comité telt vijftien leden, een vertegenwoordiger per Lid-Staat, een vertegenwoordiger van de architecten, een vertegenwoordiger van het secretariaat-generaal van de Raad, en een vertegenwoordiger van het personeelscomité van de Raad (artikel 2).
8 Het door het selectiecomité vastgestelde reglement van de wedstrijd is op 25 januari 1993 door het secretariaat-generaal van de Raad goedgekeurd. Punt 2 van dit reglement luidt: "De wedstrijd bestaat uit twee ronden: de eerste ronde bestaat uit het oproepen van gegadigden, waaruit een beperkt aantal kunstenaars op basis van hun documentatiedossier zal worden uitgekozen; de tweede ronde is een wedstrijd op basis van ontwerpen. Het doel hiervan is om uit de in de eerste ronde gekozen kunstenaars diegenen te selecteren waaraan zal worden verzocht de kunstwerken voor het gebouw te vervaardigen." In punt 4 van het reglement heet het, dat "het selectiecomité nationale werkgroepen heeft opgericht. Elke werkgroep bestaat uit een gewoon lid en een plaatsvervangend lid die een Lid-Staat vertegenwoordigen, alsmede uit de door hen gecooepteerde assessoren." Punt 7, sub c, bepaalt dat "op basis van de ingediende dossiers elke nationale werkgroep, in volgorde van voorkeur, een lijst opstelt van de kunstenaars die zij voordraagt voor deelneming aan de tweede ronde van de wedstrijd. Het selectiecomité wijst, op basis van de door de nationale werkgroepen opgestelde lijsten, maximaal 36 kunstenaars aan die aan de tweede ronde mogen deelnemen."
9 In het besluit van 14 januari 1994 tot afwijzing van verzoeksters sollicitatie heet het: "In aansluiting op de vergadering van 28 oktober 1993 heeft het comité voor de selectie van de kunstwerken die een plaats zullen krijgen in het nieuwe gebouw van de Raad, 36 kandidaten voor de tweede ronde van de wedstrijd geselecteerd. Tot onze spijt moeten wij U meedelen dat U niet tot deze geselecteerde kandidaten behoort."
In rechte
Het verzoek tot tussenkomst
10 Het verzoek tot tussenkomst is gedaan overeenkomstig artikel 115 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, krachtens artikel 37, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG, dat ingevolge 46, eerste alinea, van het Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht.
11 Volgens artikel 37, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG, heeft elke persoon die aannemelijk maakt belang te hebben bij de beslissing van het geding, het recht daarin te interveniëren.
Argumenten van partijen
12 Verzoekers tot tussenkomst stellen, dat zij in hun hoedanigheid van leden van het personeelscomité van de Raad hebben deelgenomen aan de aanwijzing van de gewone en plaatsvervangende leden van het selectiecomité van de betrokken wedstrijd, en dus belang hebben bij de beslissing van elk geding betreffende de regelmatigheid van de door dit comité ter uitvoering van zijn opdracht gevolgde procedure. Bovendien gaat het in het onderhavige geding over de keuze van kunstwerken die een plaats zullen krijgen in een gebouw van de Raad, zodat het geding rechtstreeks verband houdt met de arbeidsvoorwaarden van de ambtenaren van deze instelling. Dit rechtstreeks verband zou de grondslag vormen voor het belang dat alle leden van het personeelscomité bij de beslissing van het geding hebben, nu het personeelscomité bevoegd is inzake hygiëne en verfraaiing van de arbeidsplaats.
13 Verweerder daarentegen is van mening, dat de verzoekers tot tussenkomst niet doen blijken van enig rechtmatig belang bij een interventie aan verzoeksters zijde, aangezien zij met het geding niets uit te staan hebben. Zij zouden bovendien besloten hebben een gezamenlijk verzoek in te dienen om de vaste rechtspraak te omzeilen, die de personeelscomités het recht ontzegt een rechtsvordering in te stellen. Verweerder is in ieder geval van mening, dat de omstandigheid dat verzoekster niet tot het tweede deel van de betrokken wedstrijd is toegelaten, geen rechtstreekse gevolgen heeft voor de levens- en arbeidsomstandigheden van de ambtenaren.
Beoordeling door de rechter in kort geding
14 Er zij aan herinnerd, dat het onderhavige kort geding te zien is in de context van een hoofdgeding, dat in wezen strekt tot de nietigverklaring van het besluit waarbij verzoekster niet is toegelaten tot het tweede deel van de wedstrijd voor kunstenaars, georganiseerd met het oog op de selectie van kunstwerken die dienen te worden geïntegreerd in het nieuwe gebouw van de Raad.
15 In dit verband zij er op gewezen, dat volgens de rechtspraak het begrip belang bij de oplossing van een rechtsgeding in de zin van artikel 37, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG, is te verstaan als een rechtstreeks en concreet belang bij de toewijzing van de conclusies betreffende het specifieke besluit waarvan de nietigverklaring of opschorting wordt gevorderd (beschikking van het Gerecht van 15 juni 1993, gevoegde zaken T-97/92 en T-111/92, Rijnoudt en Hocken, Jurispr. 1993, blz. II-587, r.o. 16 en 21).
16 De verzoekers tot tussenkomst hebben evenwel geen enkele bijzondere omstandigheid aangevoerd waaruit zou kunnen blijken van het bestaan van een persoonlijk belang bij verzoeksters toelating tot de tweede fase van de wedstrijd, en hebben geenszins aangetoond dat hun situatie door de oplossing die het Gerecht aan het geding zal geven, voldoende ernstig zou worden aangetast. Onder deze voorwaarden dient de conclusie te luiden, dat verzoekers tot tussenkomst niet doen blijken van een belang bij een interventie aan de zijde van de verzoekster in het onderhavige kort geding.
17 Mitsdien moet het verzoek tot tussenkomst worden afgewezen.
Het verzoek om opschorting van de uitvoering
18 Ingevolge de artikelen 185 en 186 EG-Verdrag in samenhang met artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1988, L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB 1993, L 144, blz. 21), kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling gelasten dan wel de noodzakelijke voorlopige maatregelen opleggen.
19 Artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt, dat de verzoeken om voorlopige maatregelen als bedoeld in de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag een duidelijke omschrijving dienen te bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt. De maatregelen waarom is verzocht, moeten voorlopig zijn, in die zin dat zij de grond van de zaak niet prejudiciëren. In ieder geval staat het aan de verzoekende partij het bewijs te leveren dat zij de uitspraak ten gronde niet kan afwachten zonder schade te lijden die ernstige en onherstelbare gevolgen teweegbrengt (beschikking van de president van het Gerecht van 5 april 1993, zaak T-21/93 R, Peixoto, Jurispr. 1993, blz. II-463, r.o. 17, en laatstelijk, beschikking van de president van het Gerecht van 11 maart 1994, zaak T-56/94 R, De Santis, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, r.o. 15).
Argumenten van partijen
20 Wat de fumus boni juris betreft, voert verzoekster aan, dat de in het kader van de wedstrijd gehouden selectieprocedure in strijd is met het besluit van de Raad van 12 juni 1989 en met het reglement van de wedstrijd, nu het selectiecomité niet is overgegaan tot een vergelijking van de dossiers van alle kandidaten, doch de nationale werkgroepen heeft belast met het onderzoek van de dossiers van de op hun grondgebied gevestigde kandidaten. Verzoekster is van mening, dat het selectiecomité aldus voorbij is gegaan aan het wezen van het begrip wedstrijd, dat inhoudt dat een daadwerkelijke vergelijking plaatsvindt van alle kandidaturen en een lijst wordt opgesteld van de volgens verdienste gerangschikte geslaagde kandidaten. Volgens verzoekster is het besluit van het comité waarbij de keuze beperkt wordt tot drie kunstenaars per Lid-Staat, eveneens in strijd met het besluit van de Raad van 12 juni 1989, en verliest de wedstrijd hierdoor bovendien zijn internationaal karakter. In die omstandigheden is verzoekster van mening, dat de onregelmatigheid moet worden vastgesteld van de definitieve afwijzing van haar kandidatuur door de Belgische werkgroep, zonder dat haar dossier door het comité is onderzocht.
21 Wat de spoedeisendheid betreft, stelt verzoekster in wezen dat, indien de werkzaamheden van de wedstrijd zouden worden voortgezet, zij, gesteld dat het Gerecht haar beroep ten gronde zou toewijzen, niet opnieuw in de situatie zou kunnen worden geplaatst, waarin zij zich zou hebben bevonden indien het besluit tot afwijzing van haar kandidatuur niet was vastgesteld. Nu het comité de kunstwerken moet selecteren die in de loop van mei 1994 zullen moeten worden geïntegreerd in het nieuwe gebouw van de Raad, zou verzoeksters kans voorgoed verkeken zijn om één van haar werken te verkopen en in deze gebouwen te laten tentoonstellen, met de erkenning en de bekendheid in geheel Europa die hiervan het noodzakelijk gevolg zijn. In die omstandigheden is zelfs een vergoeding naar verhouding van de waarde van haar werkstuk geen toereikende vergoeding van de schade die voortvloeit uit de afwijzing van haar kandidatuur.
22 Verweerder van zijn kant is van mening, dat het selectiecomité heeft gehandeld in overeenstemming met het besluit van de Raad van 12 juni 1989, en niet buiten de grenzen is getreden van de ruime bevoegdheden die hem met het oog op de organisatie van de betrokken wedstrijd waren toegekend. Zo is volgens verweerder de omstandigheid dat het comité ten minste één kunstenaar per Lid-Staat op de lijst heeft willen plaatsen en maatregelen daartoe heeft genomen, ingegeven door overwegingen van politieke opportuniteit, waarvoor begrip kan worden opgebracht in het kader van de aankoop van kunstwerken voor een gebouw dat bestemd is voor de vergaderingen van de Raad. Wat meer in het bijzonder de invoering van een nationale preselectie van drie kandidaten betreft, inhoudende dat het onderzoek van de dossiers van de kandidaten per land aan een nationale werkgroep wordt toevertrouwd, is verweerder van mening, dat een dergelijke maatregel voor de hand lag, aangezien tussen 30 januari en 30 juni 1993 1 500 kandidaturen op het secretariaat-generaal van de Raad zijn binnengekomen. Overigens heeft het selectiecomité volgens verweerder bewust een regeling vastgesteld waarbij het in het kader van de tweede fase de keuze zou hebben uit 36 werken, wat hem bij de definitieve selectie in mei 1994 een voldoende ruime beoordelingsmarge laat.
23 Overigens is verweerder van mening, dat in casu uit niets blijkt dat er een risico van ernstige en onherstelbare schade is. Volgens verweerder zou in geval van toewijzing van verzoeksters beroep, de eventueel vastgestelde schade kunnen worden vergoed. In ieder geval heeft de omstandigheid dat verzoekster niet de kans heeft gekregen voor de betrokken wedstrijd te slagen, volgens verweerder slechts een theoretische schade tot gevolg ° in dit opzicht verschilt zij overigens niet van de 1 464 andere afgewezen kandidaten °, aangezien er geen enkele garantie was dat zij daadwerkelijk zou zijn geslaagd indien haar kandidatuur na de eerste fase toch was aanvaard. Wel is verweerder van mening, dat de opschorting van de thans lopende wedstrijdprocedure voor de Raad onoverkomelijke moeilijkheden zou teweegbrengen, die tot gevolg zouden hebben dat het gebouw van de Raad bij zijn inhuldiging, anders dan voorzien, niet met kunstwerken zou zijn versierd.
Beoordeling door de rechter in kort geding
24 Vooraf moet worden vastgesteld, dat de door verzoekster gevorderde voorlopige maatregelen in wezen strekken tot de opschorting van de procedure van een wedstrijd die inmiddels in zijn slotfase is gekomen.
25 Vervolgens zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak de rechter in kort geding bij de beoordeling van de spoedeisendheid van voorlopige maatregelen moet onderzoeken of de toepassing van de bestreden handelingen, vóór de in de hoofdzaak te geven beslissing, de verzoekende partij onherstelbare schade kan berokkenen, die ook door nietigverklaring van het bestreden besluit niet zou kunnen worden goedgemaakt of die, ofschoon voorlopig, onevenredig zouden zijn aan het belang van de verwerende partij bij de uitvoering van haar besluiten, ondanks het ingestelde beroep in rechte (beschikking van de president van de Derde kamer van het Hof van 11 juli 1988, zaak 176/88 R, Hanning, Jurispr. 1988, blz. 3915, r.o. 9).
26 Weliswaar heeft het litigieuze besluit verzoekster "een kans [ontnomen] om op de lijst te worden geplaatst van de kandidaten die worden uitgenodigd om een kunstwerk voor te stellen, en dus om haar werk aan de Raad te verkopen en in diens nieuwe gebouw te laten integreren", doch dit neemt niet weg dat, zelfs indien verzoeksters kandidatuur na de eerste fase van de wedstrijd was aanvaard, het niet zeker is dat zij voor de wedstrijd zou zijn geslaagd en dat de Raad na afloop daarvan haar kunstwerk zou hebben aangekocht en in zijn gebouw geïntegreerd. De omstandigheden waarop verzoekster zich beroept, kunnen dus niet worden beschouwd als noodzakelijke gevolgen van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten (beschikking van de president van het Gerecht van 7 januari 1994, zaak T-564/93 R, Hecq, JurAmbt. 1994, blz. II-1, r.o. 31).
27 In ieder geval moet erop worden gewezen dat, indien het Gerecht de gegrondheid zou erkennen van het beroep in de hoofdzaak, het aan verweerder zou staan om de noodzakelijke maatregelen vast te stellen ter verzekering van een afdoende bescherming van verzoeksters belangen. Verzoekster heeft evenwel geen enkele omstandigheid aangevoerd die zou kunnen verhinderen dat haar belangen met terugwerkende kracht worden gevrijwaard. In deze omstandigheden zou het achterwege blijven van de opschorting van de uitvoering van de bestreden handelingen niet tot onherstelbare schade kunnen leiden.
28 Uit een en ander volgt, dat verzoekster niet heeft aangetoond, dat bij ontbreken van de gevraagde voorlopige maatregelen, de litigieuze handelingen haar schade zouden kunnen berokkenen die niet meer zou kunnen worden goedgemaakt door de uitvoering van een arrest van het Gerecht, en in ieder geval, dat de schade die zij eventueel zou lijden in geen verhouding staat tot verweerders belang om de betrokken wedstrijdprocedure te beëindigen. Integendeel blijkt dat de opschorting van de betrokken wedstrijd kennelijk onevenredig is met het belang dat de Raad erbij heeft over de resultaten van deze wedstrijd te kunnen beschikken, met name gelet op de termijnen die zijn vastgesteld voor de inhuldiging van zijn nieuw gebouw.
29 Bijgevolg, en zonder dat behoeft te worden onderzocht, of de door verzoekster tot staving van het beroep in de hoofdzaak voorgedragen middelen en argumenten op het eerste gezicht gegrond voorkomen, is aan de voorwaarden die naar recht gelden voor de toewijzing van de gevraagde voorlopige maatregelen niet voldaan, zodat het verzoek moet worden afgewezen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
beschikt:
1) Het verzoek tot tussenkomst wordt afgewezen.
2) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
3) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 2 mei 1994.
Full & Egal Universal Law Academy