Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Procedure ° Interventie ° Personen die belang hebben ° Geschil betreffende nietigverklaring van besluit tot niet-toelating van kunstenaar tot wedstrijd voor selectie van kunstwerken voor gebouw van gemeenschapsinstelling ° Voorzitter en leden van personeelscomité van instelling ° Niet-ontvankelijkheid
(Statuut-EEG van het Hof van Justitie, art. 37, tweede alinea)
Samenvatting
Onder het begrip belang bij de beslissing van een geding in de zin van artikel 37, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EEG is te verstaan, een rechtstreeks en concreet belang bij de toewijzing van de conclusies betreffende het specifieke besluit waarvan de nietigverklaring of opschorting is gevorderd.
In een geding dat in wezen strekt tot nietigverklaring van het besluit tot niet-toelating van een zelfstandig kunstenaar tot de tweede fase van een wedstrijd met het oog op de selectie van kunstwerken voor een nieuw gebouw van een gemeenschapsinstelling, is het door de voorzitter en de leden van het personeelscomité van de instelling ingediende verzoek om toelating tot interventie aan de zijde van de verzoeker die de opschorting van de werkzaamheden van het selectiecomité vordert, dus niet-ontvankelijk. De voorzitter en de leden van het personeelscomité kunnen namelijk geen enkele bijzondere omstandigheid aanvoeren waaruit zou kunnen blijken van het bestaan van een persoonlijk belang bij de toelating van de verzoeker tot de tweede fase van de wedstrijd, en kunnen niet aantonen dat hun situatie door de oplossing die het Gerecht aan het geding zal geven, voldoende ernstig kan worden aangetast.
Partijen
In zaak T-108/94,
E. Candiotte, zelfstandig kunstenares, wonende te Jambes (België), vertegenwoordigd door J.-N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door Y. Crétien, juridisch adviseur, als gemachtigde, domicilie gekozen hebben te Luxemburg bij B. Eynard, directeur van het directoraat juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van het selectiecomité van de wedstrijd voor kunstenaars 93/S 21-3373/FR, namens de Raad vastgesteld op 14 januari 1994, waarbij verzoekster niet tot het tweede gedeelte van de wedstrijd is toegelaten; het besluit van het selectiecomité om de nationale werkgroepen te belasten met de preselectie van de kandidaturen van de op hun nationaal grondgebied gevestigde kunstenaars; het besluit van dit comité om het in de fase van de preselectie door elke Lid-Staat aan te duiden aantal kunstenaars op drie te bepalen, en het besluit om de lijst vast te stellen van de tot de tweede fase van de wedstrijd toegelaten kunstenaars,
geeft
DE PRESIDENT VAN DE VIERDE KAMER VAN HET GERECHT
VAN EERSTE AANLEG
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Feiten en procesverloop
1 Bij verzoekschrift ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 6 april 1994, hebben J. Willems, voorzitster van het personeelscomité van de Raad, en 21 leden van dit comité, vertegenwoordigd door G. Collin en T. Demaseure, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1, verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van verzoekster.
2 Het verzoek tot tussenkomst is gedaan overeenkomstig artikel 115 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, krachtens artikel 37, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG, dat ingevolge artikel 46, eerste alinea, van dit Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht.
3 Verzoekers tot tussenkomst stellen, dat zij in hun hoedanigheid van leden van het personeelscomité van de Raad hebben deelgenomen aan de aanwijzing van de gewone en plaatsvervangende leden van het selectiecomité van de betrokken wedstrijd, en dus belang hebben bij de beslissing van elk geding betreffende de regelmatigheid van de door dit comité ter uitvoering van zijn opdracht gevolgde procedure. Bovendien gaat het in het onderhavige geding over de keuze van kunstwerken die een plaats zullen krijgen in een gebouw van de Raad, zodat het geding rechtstreeks verband houdt met de arbeidsvoorwaarden van de ambtenaren van deze instelling. Dit rechtstreeks verband zou de grondslag vormen voor het belang dat alle leden van het personeelscomité bij de beslissing van het geding hebben, nu het personeelscomité bevoegd is inzake hygiëne en verfraaiing van de arbeidsplaats.
4 Het verzoek tot tussenkomst is overeenkomstig artikel 116, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering aan partijen in de zaak ten principale betekend. Bij op 19 april 1994 ter griffie neergelegde brief heeft verzoekster het Gerecht verzocht de tussenkomst toe te staan. Verweerder heeft niet binnen de gestelde termijn opmerkingen ingediend.
5 Volgens de rechtspraak is onder het begrip belang bij de beslissing van een geding in de zin van artikel 37, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG te verstaan, een rechtstreeks en concreet belang bij de toewijzing van de conclusies betreffende het specifieke besluit waarvan de nietigverklaring of opschorting is gevorderd (beschikking Gerecht van 15 juni 1993, gevoegde zaken T-97/92 en T-111/92, Rijnoudt en Hocken, Jurispr. 1993, blz. II-587, r.o. 16 en 21).
6 De verzoekers tot tussenkomst hebben evenwel geen enkele bijzondere omstandigheid aangevoerd waaruit zou kunnen blijken van het bestaan van een persoonlijk belang bij verzoeksters toelating tot de tweede fase van de wedstrijd, en hebben geenszins aangetoond dat hun situatie door de oplossing die het Gerecht aan het geding zal geven, voldoende ernstig zou worden aangetast.
7 Dat de verzoekers tot tussenkomst leden zijn van het personeelscomité, en dat het personeelscomité bevoegd is inzake hygiëne en verfraaiing van de arbeidsplaats, kan evenmin een grondslag vormen voor een belang bij de beslissing van het onderhavige geding. Het Gerecht wijst erop, dat volgens de rechtspraak van het Hof (beschikking van 14 november 1963, zaak 15/63, Lasalle, Jurispr. 1964, blz. 57, 72) het personeelscomité geen rechtsvordering kan instellen. Ook de omstandigheid dat de verzoekers tot tussenkomst ambtenaren van de Raad zijn, kan geen grond opleveren voor een persoonlijk belang bij de beslissing van dit geding, aangezien zelfs indien Candiotte op de lijst van de in de eerste fase geselecteerde kandidaten was geplaatst, het geenszins zeker is dat de keuze uiteindelijk op haar werken zou zijn gevallen. Niet duidelijk is dus, hoe de beslissing van het onderhavige geding een weerslag zou kunnen hebben op de arbeidsvoorwaarden van de ambtenaren.
8 In die omstandigheden moet worden vastgesteld, dat de verzoekers tot tussenkomst niet doen blijken van een belang bij een interventie in de onderhavige zaak, zodat het verzoek tot tussenkomst moet worden afgewezen.
9 Bij beschikking van 2 mei 1994 heeft de president van het Gerecht het verzoek in kort geding en het door J. Willems en anderen ingediende verzoek tot tussenkomst in het kort geding afgewezen, en de beslissing omtrent de kosten aangehouden, zodat hierover thans uitspraak dient te worden gedaan.
Dictum
DE PRESIDENT VAN DE VIERDE KAMER
VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
beschikt:
1) Het verzoek tot tussenkomst wordt afgewezen.
2) De verzoekers tot tussenkomst worden verwezen in hun eigen op het onderhavige verzoek tot tussenkomst gevallen kosten alsmede in hun eigen op het verzoek tot tussenkomst in het kort geding gevallen kosten.
Luxemburg, 10 oktober 1994
Full & Egal Universal Law Academy