Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Beroep tot nietigverklaring ° Natuurlijke of rechtspersonen ° Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken ° Tot Lid-Staten gerichte beschikking waarbij financiële steun wordt verleend voor acties betreffende bescherming van habitats en natuur ° In betrokken gebied werkzame landbouwers en hun verenigingen ° Niet-ontvankelijkheid
(EG-Verdrag, art. 173, vierde alinea; verordening nr. 1973/92 van de Raad)
Samenvatting
Een tot bepaalde Lid-Staten gerichte beschikking die tot doel heeft krachtens verordening nr. 1973/92 financiële steun te verlenen voor acties betreffende de bescherming van habitats en natuur, heeft ten aanzien van de landbouwers die in het bij een van die acties betrokken gebied werkzaam zijn, het karakter van een maatregel van algemene strekking, die objectief op bepaalde situaties van toepassing is en rechtsgevolgen heeft voor algemeen en in abstracto omschreven categorieën personen. Zij betreft hen niet uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander zou karakteriseren en hen derhalve zou individualiseren op soortgelijke wijze als de adressaat, en raakt hen dus niet individueel in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag.
Daar een vereniging in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van een groep van economische subjecten niet kan worden geacht, individueel te worden geraakt door een handeling die de algemene belangen van deze groep treft, en voornoemde beschikking ze niet op een andere wijze treft, worden verenigingen waarin de landbouwers van het betrokken gebied zich groeperen, evenmin individueel geraakt door die beschikking. Anderzijds kunnen de landbouwers en de verenigingen niet stellen, dat zij worden geïndividualiseerd door het feit dat zij hadden moeten worden geraadpleegd alvorens de beschikking werd vastgesteld, omdat een dergelijke verplichting tot raadpleging in de toepasselijke gemeenschapsbepalingen niet is voorzien.
Waar zij niet-ontvankelijk zijn om de nietigverklaring van de beschikking te vorderen, zijn de landbouwers en hun verenigingen a fortiori niet-ontvankelijk om op te komen tegen het contract dat ter uitvoering van de beschikking door de Commissie en de Lid-Staat waartoe het betrokken gebied behoort, is gesloten om te bepalen op welke wijze de financiële steun wordt toegekend en welke voorwaarden de begunstigde hiervan in acht moet nemen, en waarbij zij geen partij zijn.
Partijen
In zaak T-117/94,
Associazione agricoltori della provincia di Rovigo, Associazione polesana coltivatori diretti di Rovigo, Consorzio cooperative pescatori del Polesine, C. Brena, M. Girello et G. Daniele, allen vertegenwoordigd door I. Cacciavillani, advocaat te Venetië, domicilie gekozen hebbende ten kantore van A. Lorang, advocaat aldaar, Rue Albert 1er 51,
verzoekers,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door L. Gussetti, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 15 oktober 1993, voor zover daarbij financiële steun wordt verleend voor de uitvoering van acties in de zone van de Podelta, alsook van het daaruit voortgevloeide contract tussen de Commissie en het Italiaanse Ministerie van Milieubeheer,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, R. Schintgen en R. García-Valdecasas, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Bij verordening (EEG) nr. 1973/92 van 21 mei 1992 (PB 1992, L 206, blz. 1; hierna: "verordening nr. 1973/92") heeft de Raad een financieel instrument voor het milieu opgericht, "Life" genaamd, dat tot doel heeft bij te dragen tot de ontwikkeling en de uitvoering van het beleid en de wetgeving van de Gemeenschap op milieugebied, hoofdzakelijk door de financiering van prioritaire acties in de Gemeenschap. De in de bijlage bij de verordening omschreven actiegebieden komen voor financiële steun in aanmerking indien zij van communautair belang zijn, significant bijdragen tot de uitvoering van het milieubeleid van de Gemeenschap en voldoen aan de voorwaarden betreffende de toepassing van het beginsel dat de vervuiler betaalt.
2 Wat de bescherming van habitats en natuur betreft, vereist artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1973/92, dat de steun met name bijdraagt aan de medefinanciering van de maatregelen die nodig zijn voor het behoud, of het herstel in een gunstige staat van instandhouding, van de in de betrokken gebieden bestaande prioritaire typen natuurlijke habitats en prioritaire dier- en plantesoorten die worden vermeld in respectievelijk bijlage I en bijlage II bij richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992, L 206, blz. 7; hierna: "richtlijn 92/43").
3 Eind 1992 diende de Italiaanse Republiek bij de Commissie twee voorstellen van acties betreffende de zone van de Podelta in, waarvoor zij om financiering overeenkomstig artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1973/92 verzocht. De zone waarop die voorstellen van acties betrekking hebben, strekt zich gedeeltelijk over twee regio' s uit: de regio Emilia-Romagna en de regio Veneto. De eerste had bij regionale wet nr. 87 van 2 juli 1988 op haar grondgebied een regionaal park van de Podelta gesticht. De tweede heeft geen bijzondere beschermingsmaatregel genomen. Niettemin bepaalt wet nr. 394 van 6 december 1991, de raamwet inzake de beschermde zones, in artikel 35, lid 4, dat de betrokken regio' s, na overleg met het Ministerie van Milieubeheer, binnen twee jaar na de inwerkingtreding ervan een interregionaal natuurpark van de Podelta zullen stichten. Dezelfde bepaling preciseert, dat bij het ontbreken van dergelijke maatregelen de centrale regering in de betrokken zone een natuurpark zal stichten.
4 Daar het in casu om acties betreffende de instandhouding van prioritaire natuurlijke habitats gaat, diende de Commissie eerst, overeenkomstig de artikelen 3, 8 en 21 van richtlijn 92/43, bij het in artikel 20 van genoemde richtlijn bedoelde comité een voorstel in tot co-financiering van één enkel project, ontstaan uit de fusie van de twee voorstellen en getiteld "Instandhoudingsprogramma voor de geografische zone van de Podelta" (hierna: "Podeltaprogramma"). Met dat project was een bedrag van 1,5 miljoen ECU voor de eerste fase gemoeid. Het comité keurde dat project eenparig goed op 30 april 1993.
5 Vervolgens diende de Commissie bij het door artikel 13 van verordening nr. 1973/92 ingestelde comité een ontwerp in van verdeling van de op de begroting beschikbare bedragen voor de krachtens die verordening uitgevoerde acties, waaronder het Podeltaprogramma. Bedoeld comité keurde dat ontwerp eenparig goed op 16 juli 1993.
6 Op 15 oktober 1993 stelde de Commissie officieel de raambeschikking vast, waaraan de verschillende door de Commissie goedgekeurde acties ° waaronder het Podeltaprogramma ° en de verdeling van de kredieten daartussen werden aangehecht. In die beschikking is het door de twee voormelde comités goedgekeurde project opgenomen.
7 In de tussentijd had de Commissie over de uitvoeringsmodaliteiten van het Podeltaprogramma onderhandeld met de bij de uitvoering van het te financieren project betrokken partijen. Op 3 en 4 juni 1993 werd te Ferrara een vergadering belegd; daaraan namen, naast de Commissie, het Italiaanse Ministerie van Milieubeheer, het Italiaanse Ministerie voor de Cooerdinatie van het landbouw-, voedselvoorzienings- en bosbouwbeleid, de regio Veneto, de regio Emilia-Romagna, de betrokken provincies en de Lega italiana protezione uccelli (hierna: "LIPU") deel.
8 Op 31 december 1993 werd het in artikel 9, lid 5, sub b, van verordening nr. 1973/91 bedoelde contract ondertekend. De twee belangrijkste contracterende partijen zijn de Commissie en het Italiaanse Ministerie van Milieubeheer dat optreedt als verantwoordelijke dienst. Bij dit laatste sloten het Italiaanse Ministerie voor de Cooerdinatie van het landbouw-, voedselvoorzienings- en bosbouwbeleid, de regio Veneto en de LIPU zich aan.
9 In die omstandigheden hebben verzoekers bij op 23 maart 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
10 Bij beslissing van het Gerecht van 7 juli 1994 is, partijen in hun opmerkingen gehoord, de zaak naar de Vierde kamer, bestaande uit drie rechters, verwezen.
Conclusies van partijen
11 Verzoekers concluderen dat het het Gerecht behage:
° nietig te verklaren de beschikking van de Commissie van 15 oktober 1993 en het daaruit voortgevloeide contract van 31 december 1993 tussen de Commissie en het Italiaanse Ministerie van Milieubeheer, alsook elke andere met die beschikking samenhangende of daarop gebaseerde handeling;
° verweerster in de kosten te verwijzen.
De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk te verklaren;
° verzoekers in de kosten te verwijzen.
Middelen en argumenten van partijen
12 Tot staving van hun beroep voeren verzoekers drie middelen aan. Het eerste is ontleend aan "willekeur wegens onjuiste grondslag" en ontbreken van bevoegdheid. Het tweede middel berust op schending van artikel 2, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1973/92. Het derde middel is ontleend aan schending van artikel 1, tweede alinea, van verordening nr. 1973/92 en misbruik van bevoegdheid.
13 In het kader van die middelen voeren verzoekers in wezen aan, dat de Italiaanse Republiek, door het betrokken project bij de Commissie in te dienen, het Italiaanse recht en het beginsel van goed bestuur heeft geschonden en dat de Commissie, door voor een dergelijk project financiële steun te verlenen, inbreuk heeft gemaakt op verordening nr. 1973/92 en meer bepaald op artikel 2, lid 2, voor zover het vereist, dat de gefinancierde projecten "significant bijdragen tot de uitvoering van het milieubeleid van de Gemeenschap". Daar het in casu gaat om acties voor de bescherming van habitats en natuur, zou de derde alinea van die bepaling vereisen, dat deze steun met name bijdraagt "aan de medefinanciering van de maatregelen die nodig zijn voor het behoud, of het herstel in een gunstige staat van instandhouding, van de in de betrokken gebieden bestaande prioritaire typen natuurlijke habitats en prioritaire dier- en plantesoorten die worden vermeld in respectievelijk bijlage I en bijlage II bij richtlijn 92/43". De Commissie zou dus ook geen rekening hebben gehouden met de doelstellingen van het communautaire milieubeleid, zoals zij voortvloeien uit het Verdrag, verordening nr. 1973/92, richtlijn 92/43, richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 1985, L 175, blz. 40), het beleidsplan en actieprogramma van de Gemeenschap op het gebied van het milieu en duurzame ontwikkeling, dat het onderwerp was van resolutie 93/C 138/01 van de Raad en van de vertegenwoordigers der Lid-Staten, in het kader van de Raad bijeen, van 1 februari 1993 (PB 1993,C 138, blz. 1; hierna: "vijfde milieuactieprogramma") en verschillende resoluties van het Europees Parlement.
14 De Commissie heeft tegen het beroep een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, op grond dat de bestreden handelingen verzoekers, tot wie zij niet zouden zijn gericht, niet rechtstreeks en individueel zouden raken.
15 Zij betoogt, dat de natuurlijke personen door die handelingen enkel worden getroffen in hun objectieve hoedanigheid van grondeigenaars die een economisch relevante werkzaamheid verrichten, juist zoals ieder ander economisch subject dat zich feitelijk of potentieel in een gelijke situatie bevindt. De verzoekende verenigingen, van hun kant, zouden door de betrokken handelingen niet anders worden getroffen dan in hun hoedanigheid van vertegenwoordigers van de groep ondernemers waarvan de algemene belangen door bedoelde handelingen worden getroffen.
16 Bovendien zet de Commissie uiteen, dat verzoekers niet rechtstreeks worden geraakt door de handelingen die zij bestrijden, aangezien deze voor de Italiaanse Republiek louter een mogelijkheid openen, zonder te hunnen gunste rechten te doen ontstaan.
17 Verzoekers betogen, dat zij allen ontvankelijk zijn in hun vordering tegen de bestreden handelingen, aangezien zij allen hierdoor rechtstreeks en individueel worden geraakt. Zij zouden immers allen het recht hebben om aan de procedure tot uitwerking en opstelling van de door de betrokken handeling geprogrammeerde en gefinancierde actie deel te nemen. Dat recht zou voortvloeien uit artikel A, tweede streepje, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de artikelen 1 en 2 van verordening nr. 1973/92 alsook uit de geschiedenis van de totstandkoming hiervan, het vijfde milieuactieprogramma, de tabellen nrs. 10 en 18, de derde overweging van de considerans van richtlijn 92/43, de resolutie van het Europees Parlement van 10 juli 1987 inzake stichting en instandhouding van natuurreservaten van Europees belang (PB 1987, C 246, blz. 121), alsook artikel 7 van het voorstel voor een verordening COM (91) 0028 betreffende de oprichting van een financieel instrument voor het milieu (PB 1991, C 267, blz. 211). Bovendien zouden zij volgens de rechtspraak van het Hof (arrest van 24 maart 1993, zaak C-313/90, CIRFS e.a., Jurispr. 1993, blz. I-1125) een eigen en van dat van hun leden onderscheiden belang hebben, dat zou voortvloeien uit de Italiaanse grondwet en meer in het bijzonder uit artikel 2, dat de rol van de "sociale organisaties" bevestigt, junctis de artikelen 18, 49 en 97.
18 Verzoekers voegen daaraan toe, dat zij door de bestreden handelingen rechtstreeks worden geraakt, voor zover die een machtiging zijn tot financiering van een project dat zowel wat de inhoud als wat de adressaten ervan betreft, reeds is bepaald. Uit de bestreden beschikking zou de rechtstreekse functionele band tussen de medefinanciering en het Podeltaprogramma blijken. Door haar verzoek om de gemeenschapsbijdrage te ontvangen, zou de Italiaanse Republiek zich uitdrukkelijk hebben verbonden, de in dat programma beschreven acties uit te voeren. Zij zou dus geen enkele beoordelingsvrijheid meer hebben, te meer daar zij aldus aan de gemeenschapsautoriteiten van te voren de gedragslijn zou hebben meegedeeld die zij ten aanzien van de betrokken gemeenschapsbepalingen zou volgen (arrest Hof van 23 november 1971, zaak 62/70, Bock, Jurispr. 1971, blz. 897).
Beoordeling rechtens
19 Artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt, dat indien een partij erom verzoekt, het Gerecht uitspraak doet over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan, onder de in de leden 3 en 4 van dat artikel voorziene voorwaarden. In casu acht het Gerecht zich voldoende ingelicht door de stukken van het dossier, zodat er geen termen aanwezig zijn om tot de mondelinge behandeling over te gaan.
20 Krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag, dat artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag is geworden, hangt de ontvankelijkheid van een beroep van een natuurlijke of rechtspersoon tegen een niet tot hem gerichte beschikking af van de voorwaarde, dat de verzoeker door die beschikking rechtstreeks en individueel wordt geraakt.
21 Daar de litigieuze beschikking tot geen van de verzoekende natuurlijke personen en geen van de drie verzoekende verenigingen is gericht, dient te worden onderzocht of zij hen rechtstreeks en individueel raakt.
22 Volgens de rechtspraak van het Hof (zie arrest van 15 juli 1963, zaak 25/62, Plaumann, Jurispr. 1963, blz. 207) kunnen derden door een tot een andere persoon gerichte beschikking slechts individueel worden geraakt, indien deze beschikking hen betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortelijke wijze als de adressaat.
23 De bestreden beschikking heeft tot doel financiële steun te verlenen voor acties betreffende de bescherming van habitats en natuur. Zij is gericht tot alle toenmalige Lid-Staten, met uitzondering van België en het Groothertogdom Luxemburg. Eén van de acties waarvoor financiële steun wordt toegekend, is het Podeltaprogramma. De totale kostprijs van het project wordt geschat op 3 miljoen ECU, waarvan 50 % door de Gemeenschap voor haar rekening wordt genomen.
24 Ten aanzien van de drie verzoekende natuurlijke personen en van alle personen die in de betrokken zone werkzaam zijn, draagt die beschikking, voor zover zij financiële steun verleent voor het Italiaanse Podeltaprogramma, dus het karakter van een maatregel van algemene strekking, die objectief op bepaalde situaties van toepassing is en rechtsgevolgen heeft voor algemeen en in abstracto omschreven categorieën personen.
25 Bijgevolg betreft de litigieuze beschikking de verzoekende natuurlijke personen enkel in hun objectieve hoedanigheid van landbouwers die in de zone van de Podelta werkzaam zijn, juist zoals iedere andere landbouwer die zich feitelijk of potentieel in een gelijke situatie bevindt (arrest Hof van 14 juli 1983, zaak 231/82, Spijker, Jurispr. 1983, blz. 2559, r.o. 9).
26 Voorts moet worden onderzocht of de drie verzoekende verenigingen, gesteld dat zij alle landbouwers van de betrokken regio vertegenwoordigen, door de litigieuze beschikking individueel worden geraakt.
27 Dienaangaande volgt uit 's Hofs rechtspraak, dat er geen grond bestaat voor aanvaarding van het beginsel dat een vereniging, als vertegenwoordiger van een groep van ondernemers, individueel wordt geraakt door een handeling die de algemene belangen van deze groep treft (beschikking Hof van 11 juli 1979, zaak 60/79, Fédération nationale des producteurs de vins de table et vins de pays, Jurispr. 1979, blz. 2429, en arrest Hof van 10 juli 1986, zaak 282/85, DEFI, Jurispr. 1986, blz. 2469, r.o. 16).
28 In de onderhavige zaak worden de verzoekende verenigingen echter niet getroffen door de litigieuze beschikking, die de algemene belangen van de groep ondernemers die zij vertegenwoordigen op een andere wijze treft dan in hun hoedanigheid van vertegenwoordigers van die groep.
29 Niettemin houden zowel de verzoekende natuurlijke personen als de verzoekende rechtspersonen staande, dat zij door de bestreden beschikking individueel worden geraakt, omdat de Commissie verplicht was hen te raadplegen alvorens die beschikking vast te stellen, hetgeen zou volstaan om hen te individualiseren.
30 Het Gerecht stelt dienaangaande vast, dat geen van de door verzoekers vermelde bepalingen (zie hierboven, r.o. 17) voor de Commissie de verplichting meebrengt om, alvorens krachtens verordening nr. 1973/92 financiële steun te verlenen, de bijzondere situatie van elk van de landbouwers die in de bij de gefinancierde actieprogramma' s betrokken zones werkzaam zijn of elk van de verenigingen die deze vertegenwoordigen, in aanmerking te nemen of om hen te raadplegen.
31 Dat de Commissie niet verplicht is met de bijzondere situatie van de verschillende verzoekers rekening te houden en hen te raadplegen alvorens de litigieuze beschikking vast te stellen, wordt bevestigd door het feit, dat geen van de verzoekers tot staving van zijn beroep middelen heeft aangevoerd, ontleend aan schending van de beweerdelijk op de Commissie rustende verplichting hen te raadplegen, terwijl de Commissie, door geen van verzoekers weersproken, heeft gesteld, dat deze laatsten in geen geval zijn geraadpleegd vóór de vaststelling van de bestreden beschikking.
32 Uit het voorgaande volgt, dat geen van de verzoekende natuurlijke personen en verenigingen individueel wordt geraakt door de beschikking van de Commissie van 15 oktober 1993 tot het verlenen van financiële steun voor het instandhoudingsprogramma voor de geografische zone van de Podelta. Geen van hen is dus ontvankelijk om de nietigverklaring ervan te vorderen (arresten Hof van 17 januari 1985, zaak 11/82, Piraiki-Patraiki, Jurispr. 1985, blz. 207, en 26 juni 1990, zaak C-152/88, Sofrimport, Jurispr. 1990, blz. I-2477, r.o. 11-13).
33 Het Gerecht is van oordeel, dat die redenering a fortiori geldt voor het tussen de Commissie en de Italiaanse Republiek gesloten contract, dat bepaalt op welke wijze de financiële steun van de Gemeenschap wordt toegekend en welke voorwaarden de begunstigde hiervan in acht moet nemen. Verzoekers zijn immers geen partijen bij dat contract en worden hierdoor niet méér individueel geraakt dan door de beschikking van 15 oktober 1993, waarvan het trouwens slechts een uitvoeringshandeling is, zoals verzoekers lijken te erkennen, waar zij erop wijzen dat "aangezien het gaat om een eenvoudige uitvoeringshandeling van de bestreden beschikking, die zich ertoe beperkt de wijze van ontwikkeling van de communautaire financiering Life te regelen, de onwettigheid van de beschikking de onwettigheid meebrengt van het bestreden contract, dat dientengevolge elke logische en juridische grondslag verliest" (opmerkingen van verzoekers over de exceptie van niet-ontvankelijkheid, blz. 13).
34 Uit al het voorgaande volgt, dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
35 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekers in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoekers worden in de kosten verwezen.
Luxemburg, 21 februari 1995.
Full & Egal Universal Law Academy