Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Kort geding ° Opschorting van tenuitvoerlegging ° Voorwaarden ° Ernstige en onherstelbare schade ° "Fumus boni juris" ° Afweging van alle betrokken belangen ° Zekerheidstelling
(EEG-Verdrag, art. 185; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2, en 107, lid 2)
Samenvatting
De spoedeisendheid van een verzoek in kort geding als bedoeld in artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet worden getoetst aan de vraag, of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt. Deze partij moet het bewijs leveren, dat zij niet op de uitspraak in het hoofdgeding kan wachten zonder ernstige en onherstelbare schade te lijden.
Er moet worden aangenomen dat een dergelijke schade zich kan voordoen, wanneer de onmiddellijke tenuitvoerlegging van een beschikking van de Commissie waarbij de terugbetaling van communautaire bijstand wordt gelast, kan leiden tot de gerechtelijke vereffening van de debiteur, doordat de waarde van zijn activa lager is dan het teruggevorderde bedrag.
Onder deze omstandigheden en indien de middelen die verzoeksters aanvoeren om aan te tonen dat het beroep prima facie gegrond is, niet kennelijk elke grondslag lijken te ontberen, lijkt de opschorting van de tenuitvoerlegging gerechtvaardigd. Evenwel moet het belang van de verzoeksters bij de voorkoming van een gerechtelijke vereffening worden afgewogen tegen het belang van de Gemeenschap bij terugvordering van onverschuldigd betaalde bijstand en bij bestraffing van fraude in het kader van het stelsel van communautaire subsidies. Wanneer een van de verzoeksters reeds is vereffend, de andere nagenoeg geen eigen vermogen en eigen middelen hebben en de verzoeksters al verscheidene jaren geen activiteiten hebben ontplooid, moet, na afweging van de betrokken belangen, ter bescherming van het belang van de Gemeenschap de opschorting van de tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 107, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat verzoeksters een bankgarantie stellen om, in voorkomend geval, de terugbetaling van het gehele bedrag van de ontvangen bijstand te garanderen.
Partijen
In de zaken T-231/94 R, T-232/94 R en T-234/94 R,
Transacciones Marítimas, SA,
Recursos Marinos, SA
en
Makuspesca, SA,
vennootschappen naar Spaans recht, gevestigd te Vigo (Spanje), vertegenwoordigd door S. Martínez Lage, R. Allendesalazar Corcho en J. Vias Alonso, advocaten te Madrid, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. May, advocaat aldaar, Grand-Rue 31,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur F. Santaolalla en A. Alcover, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende
in zaak T-231/94 R: een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 2 van beschikking C(94) 670/3 van de Commissie van 24 maart 1994, waarbij de aan verzoekster toegekende communautaire financiële bijstand voor een project betreffende de bouw van een vissersvaartuig wordt ingetrokken;
in zaak T-232/94 R: een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 2 van beschikking C(94) 670/2 van de Commissie van 24 maart 1994, waarbij de aan verzoekster toegekende communautaire financiële bijstand voor een project betreffende de bouw van een vissersvaartuig wordt ingetrokken;
en in zaak T-234/94 R: een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 2 van beschikking C(94) 670/1 van de Commissie van 24 maart 1994, waarbij de aan verzoekster toegekende communautaire financiële bijstand voor een project betreffende de bouw van een vissersvaartuig wordt ingetrokken,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 Bij verzoekschriften, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 15 juni 1994, hebben verzoeksters krachtens artikel 173 EG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van respectievelijk de beschikkingen C(94) 670/3, C(94) 670/2 en C(94) 670/1 van de Commissie van 24 maart 1994, waarbij zij de communautaire financiële bijstand die zij bij beschikking C(87) 2200/137 van 21 december 1987, respectievelijk de beschikkingen C(89) 632/73 en C(89) 632/47 van 26 april 1989 had toegekend voor drie projecten betreffende de bouw van vissersvaartuigen, heeft ingetrokken.
2 Bij op 6 juli 1994 ter griffie van het Gerecht ingeschreven akten hebben verzoeksters krachtens artikel 185 EG-Verdrag drie verzoeken tot opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 2 van voormelde beschikkingen van 24 maart 1994, waarbij de terugbetaling van deze bijstand wordt gelast, ingediend.
3 Op 22 juli 1994 heeft de Commissie haar opmerkingen met betrekking tot deze verzoeken ingediend. Partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht ter terechtzitting van 9 augustus 1994.
4 Tijdens deze terechtzitting heeft de president van het Gerecht partijen verzocht de mogelijkheid van een minnelijke schikking te onderzoeken, en hun een termijn gesteld, die op 31 augustus 1994 afliep, om, bij ontstentenis van een dergelijke schikking, hem bepaalde gegevens met betrekking tot hun statuten, hun rechtspositie en vermogenstoestand en de eventueel bij banken aangegane schulden te doen toekomen. Verzoeksters is verder verzocht, zich binnen dezelfde termijn uit te spreken over de mogelijkheid om voor het gehele bedrag van de toegekende bijstand een bankgarantie te stellen. Aangezien partijen geen schikking hebben bereikt, hebben verzoeksters de griffie van het Gerecht op 31 augustus 1994 de gevraagde inlichtingen doen toekomen. Bij brief van 14 september 1994 heeft de Commissie haar opmerkingen met betrekking tot de door verzoeksters overgelegde documenten ingediend.
5 Alvorens de gegrondheid van deze verzoeken in kort geding te onderzoeken, dienen de feiten te worden gememoreerd, die ten grondslag liggen aan het geschil, zoals deze blijken uit de door partijen neergelegde memories en documenten en uit hun mondelinge verklaringen ter terechtzitting van 9 augustus 1994.
6 Verzoeksters zijn vennootschappen waarvan het statutaire doel de uitoefening van visserijactiviteiten is, en die dezelfde meerderheidsaandeelhouder en beheerder hebben. Transacciones Marítimas, SA (Tramasa) is opgericht in april 1984, terwijl Makuspesca, SA en Recursos Marinos, SA in november 1986 zijn opgericht.
7 Bij beschikking C(87) 2200/137 van 21 december 1987, die was vastgesteld krachtens verordening (EEG) nr. 4028/86 van de Raad van 18 december 1986 inzake communautaire acties voor verbetering en aanpassing van de structuur van de visserij en de aquicultuur (PB 1986, L 376, blz. 7; hierna: "verordening nr. 4028/86"), had de Commissie Tramasa een financiële bijstand van 39 283 091 PTA toegekend voor de bouw van een vissersvaartuig, genaamd "Tiburón III". Deze bijstand bedroeg 35 % van het door de Commissie voor subsidie in aanmerking genomen bedrag van 112 237 000 PTA. Dit bedrag was lager dan de totale kosten van het project, die 126 500 000 PTA beliepen. Zoals voorgeschreven in verordening nr. 4028/86, werd voor de bouw van de "Tiburón III" ook door de Spaanse autoriteiten een financiële bijdrage verstrekt.
8 Op 6 april 1988 verzocht Tramasa de Commissie, op basis van een factuur van de met de bouw belaste scheepswerf van 15 maart 1988, die bevestigde dat 51 % van de totale investering was betaald, een deel van de communautaire bijstand te betalen. Op 12 juli 1988 verrichtte de Commissie deze gedeeltelijke betaling. Op 25 oktober 1988 verzocht Tramasa de Commissie, op basis van een factuur van de scheepswerf, die bevestigde dat de gehele prijs van het vaartuig was betaald, het resterende bedrag van de bijstand te betalen, hetgeen de Commissie deed op 4 april 1989.
9 Op 9 oktober 1989 verkocht Tramasa de "Tiburón III" voor 112 857 453 PTA.
10 Bij beschikking C(89) 632/73 van 26 april 1989, die was vastgesteld krachtens verordening nr. 4028/86, had de Commissie Recursos Marinos een bijstand van 107 570 097 PTA toegekend voor de bouw van een vissersvaartuig, genaamd "Acechador". Deze bijstand bedroeg 35 % van het door de Commissie voor subsidie in aanmerking genomen bedrag van 307 344 850 PTA. Dit bedrag was lager dan de totale kosten van het project, die 322 300 000 PTA beliepen. Zoals voorgeschreven in verordening nr. 4028/86, werd voor de bouw van het betrokken vaartuig ook door de Spaanse autoriteiten een financiële bijdrage verstrekt.
11 Op 10 mei 1989 verzocht Recursos Marinos de Commissie, op basis van een factuur van de scheepswerf van 2 mei 1989, die bevestigde dat 94 % van de totale investering was betaald, een deel van de communautaire bijstand te betalen. Op 28 juli 1989 verrichtte de Commissie deze gedeeltelijke betaling. Op 21 november 1989 verzocht Recursos Marinos de Commissie, op basis van een factuur van de scheepswerf van 4 oktober 1989, die bevestigde dat de gehele prijs van het vaartuig was betaald, het resterende bedrag van de bijstand te betalen, hetgeen de Commissie deed op 28 november 1989.
12 In mei 1990 verkocht Recursos Marinos de "Acechador" voor 175 000 000 PTA.
13 Bij beschikking C(89) 632/47 van 26 april 1989, die was vastgesteld krachtens verordening nr. 4028/86, had de Commissie Makuspesca een bijstand van 79 934 630 PTA toegekend voor de bouw van een vissersvaartuig, genaamd "Makus". Deze bijstand bedroeg 35 % van het door de Commissie voor subsidie in aanmerking genomen bedrag van 214 070 374 PTA. Dit bedrag was lager dan de totale kosten van het project, die 217 250 000 PTA beliepen. Zoals voorgeschreven in verordening nr. 4028/86, werd voor de bouw van het vaartuig ook door de Spaanse autoriteiten een financiële bijdrage verstrekt.
14 Op 5 juni 1989 verzocht Makuspesca de Commissie, na overlegging van een factuur van de scheepswerf van 8 februari 1989, die bevestigde dat de gehele prijs van het vaartuig was betaald, de communautaire bijstand te betalen, hetgeen de Commissie deed op 8 juni 1989.
15 In juli 1992 verkocht Makuspesca de "Makus".
16 Tussen 25 en 31 maart 1990 voerden de diensten van de Commissie uit hoofde van de hun door artikel 46 van verordening nr. 4028/86 toegekende bevoegdheden bij verzoeksters inspecties uit teneinde de besteding van de toegekende bijstand te controleren. Deze inspecties betroffen in het bijzonder de boekhouding van deze vennootschappen. Na deze inspecties en op verzoek van de Commissie voerden de diensten van de Intervención General de la Administración del Estado in mei 1990 inspecties bij de drie ondernemingen uit. Uit de naar aanleiding van deze inspecties opgestelde rapporten blijkt onder meer, dat de legalisatie van de boekhouding van de betrokken vennootschappen voor het begrotingsjaar 1987 was geweigerd, dat de boekhouding voor het begrotingsjaar 1988 binnen en die voor 1989 buiten de door de Spaanse wetgeving gestelde termijn was gelegaliseerd. Naar aanleiding van deze inspecties hebben de Spaanse autoriteiten beschikkingen vastgesteld waarbij de door hen toegekende financiële bijdrage werd verminderd en de te veel betaalde steun werd teruggevorderd.
17 Blijkens de bij het dossier gevoegde stukken en de verklaringen van verzoeksters' advocaten ter terechtzitting van 9 augustus 1994 is Recursos Marinos vereffend en hebben de beide andere verzoeksters gedurende de laatste begrotingsjaren geen activiteiten ontplooid.
18 Gezien de verknochtheid van de drie verzoeken om opschorting van de tenuitvoerlegging van de in geding zijnde beschikkingen, dienen de zaken te worden gevoegd voor de onderhavige procedure in kort geding.
In rechte
19 Ingevolge het bepaalde bij de artikelen 185 en 186 EG-Verdrag, juncto artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1988, L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB 1993, L 144, blz. 21), kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
20 Artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt, dat de in de artikelen 185 en 186 van het Verdrag bedoelde verzoeken om voorlopige maatregelen een duidelijke omschrijving van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van de verzoeken blijkt, moeten bevatten, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt. De gevraagde maatregelen dienen een voorlopig karakter te hebben, in die zin dat zij de beslissing in de hoofdzaak niet mogen prejudiciëren (zie laatstelijk beschikking van de president van het Gerecht van 15 juli 1994, zaak T-239/94 R, EISA, Jurispr. 1994, blz. II-703, r.o. 9).
Argumenten van partijen
21 Teneinde aan te tonen dat hun vorderingen prima facie gegrond zijn, voeren verzoeksters onder verwijzing naar de door hen in hun beroep in de hoofdzaak ingediende memories vier middelen aan: schending van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van het evenredigheidsbeginsel en misbruik van bevoegdheid.
22 In het kader van hun eerste middel brengen verzoeksters om te beginnen in herinnering, dat bijna zes jaar is verstreken tussen het tijdstip waarop de Commissie is verzocht de in geding zijnde bijstand te betalen, en het tijdstip waarop zij de bijstand heeft teruggevorderd, en dat bijna drie jaar is verstreken tussen het tijdstip waarop de Commissie de inspectierapporten van de Spaanse autoriteiten heeft ontvangen, en dat waarop zij de bestreden beschikkingen heeft vastgesteld. Volgens de rechtspraak van het Hof levert een dergelijke handelwijze schending van het rechtszekerheidsbeginsel op.
23 Verzoeksters betogen voorts, dat de handelwijze van de Commissie eveneens schending van hun gewettigd vertrouwen oplevert, voor zover zij tussen het tijdstip van toekenning van de bijstand en het tijdstip van vaststelling van de beschikkingen waarbij de bijstand werd teruggevorderd, over geen enkele aanwijzing konden beschikken dat de Commissie van oordeel was, dat zij onregelmatigheden hadden begaan. Het stilzwijgen van de Commissie, zelfs nadat de Spaanse autoriteiten in 1991 een gedeelte van de door hen verstrekte steun hadden teruggevorderd, had verzoeksters in hun vertrouwen gesterkt, hetgeen volgens de rechtspraak van het Hof nietigverklaring van de bestreden beschikkingen rechtvaardigt (arrest van 3 maart 1982, zaak 14/81, Alpha Steel, Jurispr. 1982, blz. 749). Bovendien berusten de onregelmatigheden waarvan verzoeksters worden beticht, hoofdzakelijk op een verschil in uitlegging betreffende de berekeningswijze van de kosten van het vaartuig en leveren zij geen kennelijke schending van de toepasselijke regeling op.
24 Verzoeksters stellen verder, dat hun gewettigd vertrouwen niet is beïnvloed door de inspectiebezoeken van de ambtenaren van de Commissie op 30 maart 1990. Deze maatregel is niet meer dan een door de vigerende regeling geboden mogelijkheid, die geenszins betekent dat een verdenking wordt gekoesterd jegens de betrokken ondernemingen. In het onderhavige geval is overigens naar aanleiding van deze inspectiebezoeken geen proces-verbaal of enig ander document verzonden, waarin verzoeksters iets ten laste wordt gelegd.
25 Met hun tweede, subsidiair aangevoerde middel, betreffende schending van wezenlijke vormvoorschriften, stellen verzoeksters dat de Commissie de Spaanse autoriteiten niet in kennis heeft gesteld van het feit dat zij de procedure tot schorsing, vermindering of intrekking van de bijstand had ingeleid, zoals wordt voorgeschreven door artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1116/88 van de Commissie van 20 april 1988 inzake de wijze van uitvoering van de bijstandsbeschikkingen voor projecten betreffende communautaire acties voor verbetering en aanpassing van de structuur van de visserij en de aquicultuur en voor de inrichting van beschermde kustzones (PB 1988, L 112, blz. 1). Noch de mededeling van de Commissie aan het Secretaría General de Pesca Marítima, het orgaan dat in Spanje is belast met het beheer van de uit hoofde van verordening nr. 4028/86 toegekende bijstand, dat zij voornemens was de procedure in te leiden, noch de raadpleging van het Permanent comité voor de visserijstructuur kan worden geacht aan dit vereiste te voldoen.
26 Verzoeksters betogen voorts, dat met de vaststelling van de in geding zijnde beschikkingen artikel 190 van het Verdrag is geschonden, aangezien de beschikkingen onvoldoende met redenen zijn omkleed en de motivering voor alle beschikkingen gelijkluidend is, niettegenstaande dat de drie situaties feitelijk verschillen. Deze motivering is daarenboven vaag en onnauwkeurig, omdat enerzijds de aan verzoeksters verweten discrepanties tussen de gedeclareerde kosten en de daadwerkelijk voor de vaartuigen betaalde prijs niet zijn becijferd, en anderzijds in het midden wordt gelaten of de premies voor de scheepsbouw die de werven rechtstreeks van de nationale autoriteiten hebben ontvangen, al dan niet moeten worden meegeteld in de investeringsbedragen die voor subsidie in aanmerking komen. Ten slotte is de motivering van de beschikkingen gebaseerd op onjuiste of onjuist gekwalificeerde feiten.
27 Met hun eveneens subsidiair aangevoerde derde middel beroepen verzoeksters zich op schending van het evenredigheidsbeginsel, voor zover de Commissie van alle in verordening nr. 4028/86 voorziene sancties heeft gekozen voor intrekking van de bijstand, welke sanctie is gereserveerd voor de meest ernstige overtredingen. In casu is evenwel voldaan aan de voornaamste verplichting, te weten de bouw van de vaartuigen, en hebben de onregelmatigheden waarvan verzoeksters worden beticht, slechts betrekking op bijkomende verplichtingen.
28 Met hun vierde ° eveneens subsidiaire ° middel, betreffende misbruik van bevoegdheid door de Commissie, stellen verzoeksters dat de verwerende instelling middels de bestreden beschikkingen gewoonweg uitvoering tracht te geven aan een aanbeveling van de Rekenkamer, die is vervat in een Speciaal verslag over de toepassing van verordening nr. 4028/86, en die ertoe strekt te verhinderen dat met behulp van communautaire fondsen gebouwde vaartuigen binnen korte tijd worden doorverkocht.
29 Met betrekking tot de ernstige en onherstelbare schade die voor hen zou voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikkingen, stellen verzoeksters met een beroep op de beschikking van het Hof van 21 mei 1977 (gevoegde zaken 31/77 R en 53/77 R, Commissie/Groot-Brittannië, Jurispr. 1977, blz. 921), dat de gebreken die deze beschikkingen vertonen, zo ernstig zijn dat het bestaan van schade niet meer behoeft te worden aangetoond om het spoedeisend karakter van de opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikkingen te rechtvaardigen.
30 Verzoeksters stellen subsidiair, dat de tenuitvoerlegging van de in geding zijnde beschikkingen voor hen hoe dan ook ernstige en onherstelbare schade meebrengt. Zoals immers uit hun balansen blijkt, zou de terugbetaling van de toegekende bijstand het faillissement van de twee niet ontbonden vennootschappen (Makuspesca en Tramasa) tot gevolg hebben. Bovendien zou de terugbetaling zeer ernstige gevolgen kunnen hebben voor Recursos Marinos; zij is weliswaar reeds vereffend, maar tegen haar zou een rechtsvordering kunnen worden ingesteld en zij zou in voorkomend geval "met terugwerkende kracht failliet" kunnen worden verklaard.
31 Ten slotte is volgens verzoeksters de schade die zij lijden wanneer de litigieuze beschikkingen worden toegepast, veel groter dan die welke de opschorting van de tenuitvoerlegging voor het gemeenschapsbelang meebrengt. Het feit dat de Commissie pas vijf jaar na toekenning van de bijstand pogingen in het werk stelt om deze terug te vorderen, vormt hiervan een bewijs.
32 De Commissie gaat om te beginnen in op de vraag of Recursos Marinos, verzoekster in zaak T-232/94, juridisch nog bestaat. Zoals blijkt uit een door verzoekster zelf overgelegd bewijs van inschrijving in het handelsregister, is zij in december 1991 ontbonden en vereffend. De Commissie verzoekt het Gerecht overeenkomstig artikel 44, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering verzoekster een termijn te stellen om opheldering omtrent haar situatie te verschaffen.
33 Wat verzoeksters' eerste middel tot staving van de fumus boni juris van hun verzoeken betreft, is de Commissie van oordeel, dat het tijdsverloop vóór de vaststelling van de in geding zijnde beschikkingen, althans gedeeltelijk, is te wijten aan verzoeksters, die door hun obstructieve opstelling tijdens de inspectiebezoeken van de diensten van de Commissie in maart 1990 nieuwe inspecties door de Spaanse autoriteiten noodzakelijk hebben gemaakt. De Commissie wilde bovendien wachten op de uitspraak op het door verzoeksters ingestelde administratief beroep tegen de beschikkingen van de Dirección General de Estructuras Pesqueras, waarbij de hun toegekende nationale steun gedeeltelijk werd teruggevorderd. Volgens de Commissie waren deze beschikkingen voor verzoeksters een aanwijzing, dat de vermindering van de nationale steun geen verband hield met enige, eventueel door de Commissie op te leggen sanctie. Verzoeksters kunnen zich in elk geval niet op een gewettigd vertrouwen beroepen met betrekking tot een subsidie die, kennelijk in strijd met de geldende regeling, was toegekend op de grondslag van valse opgaven hunnerzijds. In dit verband wijst de Commissie erop, dat de door de scheepswerven opgemaakte facturen niet alleen niet in overeenstemming zijn met de door verzoeksters daadwerkelijk verrichte betalingen, maar ook niet de werkelijke investeringskosten weergeven, die beduidend lager zijn dan de aldaar vermelde bedragen. Bovendien stemmen de totale investeringsbedragen die zijn vermeld op de aanvraagformulieren voor communautaire bijstand en ° als zijnde betaald ° op de certificaten voor de betaling van de totale bijstand, in geen geval overeen met de door de scheepswerven aan de nationale autoriteiten opgegeven basiswaarde van de vaartuigen.
34 Met betrekking tot het tweede middel, betreffende de schending van wezenlijke vormvoorschriften, brengt de Commissie in de eerste plaats in herinnering, dat de Spaanse autoriteiten in kennis zijn gesteld van de procedure tot intrekking van de bijstand, alsmede van haar voornemen om deze bijstand terug te vorderen, en dat deze autoriteiten na deze contacten in december 1992 en maart 1993 hun eigen opmerkingen hebben ingediend. In de tweede plaats is de Commissie op grond van de rechtspraak van het Hof van oordeel, dat de litigieuze beschikkingen toereikend zijn gemotiveerd. In deze beschikkingen wordt in het bijzonder verwezen naar de inspectierapporten van de Spaanse autoriteiten, die aanwijzingen verschaffen omtrent het cijfermateriaal en omtrent de rechtstreeks door de scheepswerven ontvangen premies die zijn opgenomen in de investeringsbedragen waarvoor bijstand is toegekend.
35 Wat het middel van de schending van het evenredigheidsbeginsel betreft, verzoeksters hebben ° aldus de Commissie ° opzettelijk onjuiste gegevens verstrekt over de investeringsbedragen waarvoor bijstand is aangevraagd. Zou als reactie op die handelwijze de bijstand enkel naar evenredigheid van de vastgestelde onjuistheden worden verminderd, dan zou zulks tot frauduleuze handelingen aanzetten, terwijl juiste opgaven een essentieel bestanddeel van het subsidiestelsel zijn, daar het onmogelijk is alle ingediende aanvragen te controleren.
36 Ten slotte is de Commissie van mening dat verzoeksters geen argument tot staving van het door hen gestelde misbruik van bevoegdheid aanvoeren.
37 De Commissie betwist eveneens, dat er sprake is van spoedeisende omstandigheden die de opschorting van de bestreden beschikkingen rechtvaardigen. Verzoeksters oefenen geen activiteiten uit, met uitzondering van Makuspesca, wier activa na het inspectiebezoek van de diensten van de Commissie aanzienlijk zijn verminderd. Verzoeksters kunnen zich ter verkrijging van een opschorting van de tenuitvoerlegging van de litigieuze beschikkingen dus niet beroepen op een situatie die zijzelf in het leven hebben geroepen, blijkbaar met als enige doel om de terugbetaling van de ontvangen bijstand onmogelijk te maken.
38 Met betrekking tot de afweging van de betrokken belangen is de Commissie van oordeel, dat de schade die aan het gemeenschapsbelang zou worden toegebracht in geval van opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikkingen veel groter is dan de schade die verzoeksters zouden kunnen ondervinden als gevolg van de onmiddellijke toepassing ervan. Een dergelijke opschorting zou de geloofwaardigheid van het stelsel van structurele bijstand voor de visserijsector aantasten en terugvordering van de reeds betaalde bedragen onmogelijk maken.
Beoordeling door de rechter in kort geding
39 Om te beginnen moet worden onderzocht of Recursos Marinos, verzoekster in zaak T-232/94 R, bevoegd is om in rechte op te treden. Blijkens een door haar bij haar verzoekschrift gevoegd bewijs van inschrijving in het handelsregister van de provincie Pontevedra van 23 mei 1994 is de vennootschap in 1991 ontbonden en vereffend. De vereffenaar van de vennootschap bezit evenwel uit hoofde van de door een notaris te Vigo opgestelde volmacht, die eveneens bij het verzoekschrift is gevoegd, "voldoende rechtsbevoegdheid" om de daarin aangewezen advocaten onder andere te machtigen om de vennootschap in rechte te vertegenwoordigen, inzonderheid voor het Gerecht. Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van verzoekster gesteld, dat zij er belang bij heeft om de geldigheid van de beschikking van de Commissie in rechte aan te vechten, teneinde de nationaalrechtelijke consequenties van de tenuitvoerlegging van de beschikking te vermijden.
40 De vraag of een ontbonden en vereffende vennootschap ° die heeft besloten beroep in te stellen, ook al had zij zich op deze vereffening kunnen beroepen ° nog bevoegd is om in rechte op te treden, kan niet door de rechter in kort geding worden uitgemaakt. In dit stadium en gelet op alle beschikbare gegevens, dient hetgeen is vastgesteld door de notaris die de door verzoekster bij het dossier gevoegde volmacht voor de advocaat heeft opgesteld, te worden aanvaard. Zonder vooruit te lopen op de conclusie waartoe het Gerecht bij het onderzoek van het beroep in de hoofdzaak zal kunnen komen, moet in dit stadium derhalve worden aangenomen, dat verzoekster bevoegd is het onderhavige verzoek in kort geding in te dienen.
41 Volgens vaste rechtspraak moet de spoedeisendheid van een verzoek in kort geding worden getoetst aan de vraag, of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt (zie beschikking van de president van het Gerecht van 14 december 1993, zaak T-543/93 R, Gestevisión Telecinco, Jurispr. 1993, blz. II-1409, r.o. 27). De partij die om opschorting van de tenuitvoerlegging van een beschikking verzoekt, moet het bewijs leveren, dat zij niet op de uitspraak in het hoofdgeding kan wachten zonder ernstige en onherstelbare schade te lijden.
42 Dienaangaande betogen verzoeksters, dat de tenuitvoerlegging van de beschikkingen van de Commissie zal leiden tot hun gerechtelijke vereffening. Ter zake moet worden vastgesteld dat, gelet op de door verzoeksters verstrekte gegevens omtrent hun vermogenstoestand, hun gerechtelijke vereffening een reëel risico lijkt, aangezien het terug te betalen steunbedrag ° te weten respectievelijk 75 000 000, 107 000 000 en 39 000 000 PTA ° veel hoger is dan de waarde van hun activa. Ook al oefenen verzoeksters, zoals de Commissie terecht opmerkt, geen werkelijke economische activiteit uit en zouden de concrete consequenties van een dergelijke vereffening dus minder ernstig zijn dan wanneer een dergelijke activiteit wel werd uitgeoefend, het valt niet te ontkennen, dat zij naar alle waarschijnlijkheid de gedwongen ontbinding van de vennootschappen tot gevolg zal hebben en belangrijke persoonlijke consequenties voor de bestuurders en aandeelhouders zal meebrengen. Verzoeksters dreigen dus ernstige en onherstelbare schade te lijden, wanneer de beschikkingen van de Commissie onmiddellijk ten uitvoer zouden worden gelegd.
43 In dit stadium kan van sommige van de middelen die verzoeksters aanvoeren om aan te tonen dat hun beroepen prima facie gegrond zijn, met name de schending van algemene rechtsbeginselen of de schending van wezenlijke vormvoorschriften, niet worden gezegd dat zij kennelijk elke grondslag ontberen. In het bijzonder met betrekking tot het middel dat de Commissie, door het totaalbedrag van de toegekende bijstand terug te vorderen, in de omstandigheden van het onderhavige geval geen rekening heeft gehouden met de vereisten van het evenredigheidsbeginsel, is een diepgaand onderzoek van de feiten en van de juridische context van de zaak nodig, dat niet in het kader van de onderhavige procedure in kort geding kan worden verricht.
44 Zonder dat de andere door verzoeksters aangevoerde middelen en argumenten behoeven te worden onderzocht, moet onder deze omstandigheden worden vastgesteld dat, wat de onderhavige verzoeken in kort geding betreft, is voldaan aan de voorwaarden inzake het bestaan van een fumus boni juris en van het gevaar van ernstige en onherstelbare schade ingeval deze verzoeken niet worden toegewezen.
45 Evenwel moet het belang van verzoeksters bij voorkoming van gerechtelijke vereffening worden afgewogen tegen het belang van de Gemeenschap bij terugvordering van onverschuldigd betaalde bijstand en bij bestraffing van fraude in het kader van het stelsel van communautaire subsidies. Dienaangaande zij om te beginnen vastgesteld, dat de bestreden beschikkingen, voor zover daarbij de toegekende bijstand wordt teruggevorderd, zijn gemotiveerd met de vaststelling door de Commissie dat verzoeksters diverse ernstige onregelmatigheden hebben begaan, waarvoor in het dossier voldoende concrete aanwijzingen zijn te vinden. Voorts volgt uit alle gegevens in het dossier dat, indien de Commissie de uitspraak in de hoofdzaak moet afwachten, er een reëel risico bestaat, dat zij niet voldoende activa zal aantreffen voor de terugbetaling van de litigieuze bijstand ingeval de beroepen worden verworpen. Er moet immers in aanmerking worden genomen, dat een van de verzoeksters reeds is vereffend, dat de andere nagenoeg geen eigen vermogen en eigen middelen hebben en dat geen van verzoeksters gedurende de laatste jaren activiteiten heeft ontplooid.
46 Mitsdien moet, na afweging van de betrokken belangen, ter bescherming van het belang van de Gemeenschap de tenuitvoerlegging van de onderhavige beschikking overeenkomstig artikel 107, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat verzoeksters een bankgarantie stellen om, in voorkomend geval, de terugbetaling van het gehele bedrag van de ontvangen bijstand te garanderen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
beschikt:
1) De zaken T-231/94 R, T-232/94 R en T-234/94 R worden gevoegd voor de procedure in kort geding.
2) De tenuitvoerlegging van artikel 2 van de beschikkingen C(94) 670/3, C(94) 670/2 en C(94) 670/1 van de Commissie van 24 maart 1994, waarbij de aan elk van verzoeksters toegekende communautaire financiële bijstand voor een project betreffende de bouw van een vissersvaartuig wordt ingetrokken, wordt opgeschort tot de datum van het arrest van het Gerecht in de hoofdzaak.
3) De in het vorige punt gelaste opschorting van de tenuitvoerlegging wordt afhankelijk gesteld van de voorwaarde, dat verzoeksters ten gunste van de Commissie een bankgarantie stellen die tot de datum van het arrest van het Gerecht in de hoofdzaak het gehele bedrag van de toegekende bijstand dekt.
4) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 26 oktober 1994.
Full & Egal Universal Law Academy