Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Kort geding ° Opschorting van tenuitvoerlegging ° Opschorting van tenuitvoerlegging van boetebeschikking ° Voorwaarden ° Zekerheidstelling ° Toelaatbaarheid ° Buitengewone omstandigheden ° Termijn voor zekerheidstelling afhankelijk van voorwaarden ten einde belangen van Gemeenschap te beschermen ingeval van tussentijdse verslechtering van financiële situatie van verzoekster
(EG-Verdrag, art. 185; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
Samenvatting
De rechter in kort geding kan de opschorting van de tenuitvoerlegging van de aan verzoekster opgelegde verplichting om een bankgarantie voor de betaling van een opgelegde geldboete te stellen slechts in uitzonderlijke omstandigheden gelasten. De onmogelijkheid voor de onderneming om de noodzakelijke garantie te stellen, kan een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid zijn.
De moeilijkheden die verzoekster wegens haar financiële situatie ondervindt om de door de Commissie verlangde garantie bij een bank te verkrijgen, zijn niet als onoverkomelijk te beschouwen, enkel en alleen omdat de bank als voorwaarde voor haar hulp stelt, dat de andere vennootschappen van de groep waartoe verzoekster behoort, zich verbinden.
Een opschorting van de verplichting om zekerheid te stellen kan echter gerechtvaardigd zijn in verband met de tijd die nodig is om de vereiste stappen met het oog op die verbintenis te ondernemen. Bij het toestaan van een redelijke termijn voor het stellen van de zekerheid daartoe, moeten echter voorwaarden worden gesteld teneinde de belangen van de Gemeenschap te beschermen ingeval van tussentijdse verslechtering van de financiële situatie van verzoekster.
Partijen
In zaak T-308/94 R,
Cascades SA, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Bagnolet (Frankrijk),
vertegenwoordigd door J.-L. Fourgoux en J.-P. de La Laurencie, advocaten te Parijs, en door J.-Y. Art, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt, advocaat aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Lyal, lid van haar juridische dienst, en G. de Bergues, ter beschikking van de Commissie gesteld nationaal ambtenaar, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek:
° tot opschorting, tot de einduitspraak in de procedure in de hoofdzaak in zaak T-308/94, van de tenuitvoerlegging van de artikelen 3 en 4 van beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 ° Karton) (PB 1994, L 243, blz. 1), voor zover verzoekster daarin wordt verplicht, uiterlijk 4 november 1994 een geldboete van 16,2 miljoen ECU te betalen;
° als conservatoire maatregel, tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de artikelen 3 en 4 van de beschikking totdat uitspraak is gedaan op het onderhavige verzoek om voorlopige maatregelen of tot de datum die het Gerecht in goede justitie zal vaststellen,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 Op 13 juli 1994 stelde de Commissie beschikking 94/601/EG inzake een procedure op grond van artikel 85 EG-Verdrag (IV/C/33.833 ° Karton), gerectificeerd bij beschikking van 26 juli 1994 en als zodanig gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB 1994, L 243, blz. 1; hierna: "de beschikking"), vast. Volgens artikel 1 van de beschikking hebben de 19 aldaar genoemde kartonleveranciers, waaronder verzoekster, inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag gemaakt, door deel te nemen aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging die teruggaan tot medio 1986, en in het kader waarvan zij verschillende, in dit artikel 1 samengevatte handelingen hebben verricht, die de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt hebben verstoord.
2 In artikel 3 van de beschikking wordt verzoekster een geldboete van 16,2 miljoen ECU opgelegd wegens de in artikel 1 vastgestelde inbreuken. Ingevolge artikel 4 moeten de bij artikel 3 opgelegde geldboetes binnen drie maanden na kennisgeving van de beschikking in ecu worden betaald.
3 Bij brief van 1 augustus 1994 bracht de Commissie de beschikking ter kennis van verzoekster. In die brief deelde zij mee, dat zij, ingeval verzoekster beroep instelde bij het Gerecht, hangende het geding niet tot invordering van de geldboete zou overgaan, voor zover over de schuldvordering vanaf de datum van afloop van de betalingstermijn rente wordt betaald en voor zover op die datum naar behoren een bankgarantie ten belope van het verschuldigde bedrag, vermeerderd met interessen en/of toeslagen, wordt gesteld.
4 Bij op 6 oktober 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster krachtens artikel 173 EG-Verdrag beroep tot nietigverklaring van de beschikking ingesteld, voor zover deze op haar betrekking heeft, of, subsidiair, tot verlaging van de haar bij artikel 3 van de beschikking opgelegde geldboete.
5 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 november 1994, heeft verzoekster krachtens artikel 185 EG-Verdrag een verzoek ingediend, ertoe strekkende, enerzijds, dat de opschorting wordt gelast, tot de einduitspraak in de procedure in de hoofdzaak in zaak T-308/94, van de tenuitvoerlegging van de artikelen 3 en 4 van de beschikking, voor zover haar daarin een geldboete van 16,2 miljoen ECU wordt opgelegd, en, anderzijds, als conservatoire maatregel, dat de president van het Gerecht de Commissie gelast, de bij de artikelen 3 en 4 van de beschikking aan verzoekster opgelegde geldboete niet in te vorderen voordat uitspraak is gedaan op het onderhavige verzoek om voorlopige maatregelen of vóór de datum die de president in goede justitie zal vaststellen.
6 De Commissie heeft op 18 november 1994 haar schriftelijke opmerkingen betreffende het verzoek in kort geding ingediend. Partijen zijn gehoord ter terechtzitting van 25 november 1994.
7 Ter terechtzitting van 25 november 1994 heeft de president van het Gerecht partijen verzocht, de door hen gevoerde onderhandelingen voort te zetten teneinde te proberen hun meningsverschillen over de beoordeling van de relevante economische gegevens uit de weg te ruimen en zo mogelijk tot een akkoord te komen waarmee het aan de rechter in kort geding voorgelegde geschil kon worden opgelost. Tevens heeft hij hun verzocht, hem binnen een week na de terechtzitting het resultaat van hun besprekingen mee te delen, hetzij in de vorm van een gezamenlijk document waarin het bereikte akkoord wordt vastgelegd, hetzij in de vorm van afzonderlijke rapporten waarin zij hun respectieve conclusies te kennen geven. Bij brieven van 2 december 1994 hebben partijen om uitstel voor de overlegging van die gegevens verzocht, dat de president hun bij brief van dezelfde datum heeft verleend. Bij brieven van 8 december 1994 hebben partijen opnieuw om uitstel verzocht, dat hun op 9 december daaraanvolgend werd verleend. Ten slotte hebben partijen de president van het Gerecht op 15 december 1994, de laatste dag van de termijn, meegedeeld, dat hun onderhandelingen geen akkoord hadden opgeleverd. De brieven van 8 en 15 december 1994, die vergezeld waren van kopieën van de in het kader van de onderhandelingen gevoerde correspondentie, bevatten verklaringen betreffende het verloop van de onderhandelingen en de respectieve standpunten van partijen.
In rechte
Argumenten van partijen vóór de terechtzitting
8 Wat de draagwijdte van haar verzoek betreft, merkt verzoekster vooraf op, dat het enige geschilpunt tussen haar en de Commissie de vraag betreft, of de opschorting van de tenuitvoerlegging van de artikelen 3 en 4 van de beschikking afhankelijk moet worden gesteld van een bankgarantie voor de eventuele betaling van de geldboete, vermeerderd met de desbetreffende interessen.
9 Ter beantwoording van die vraag stelt verzoekster, dat niet behoeft te worden onderzocht, of voldaan is aan alle voorwaarden voor de opschorting van de tenuitvoerlegging, die in het Reglement voor de procesvoering worden gesteld, doch enkel of het vereiste van een bankgarantie rechtmatig is. Volgens de rechtspraak is een uitzondering op dat vereiste gerechtvaardigd, wanneer zich "uitzonderlijke omstandigheden" voordoen, wat in casu het geval zou zijn.
10 In verband met dit laatste schetst verzoekster om te beginnen haar eigen financiële situatie. Achtereenvolgens gaat zij in op de verliezen die zij heeft geleden, haar kaspositie, haar verbintenissen jegens een aantal financiële instellingen en de stappen die zij met het oog op het verkrijgen van de door de Commissie gevraagde bankgarantie heeft ondernomen. Aan het einde van deze analyse komt zij tot de slotsom, dat zij de betrokken garantie onmogelijk kan stellen.
11 Voorts verwijst verzoekster naar de financiële situatie van haar moedermaatschappij (hierna: "CPI"), alsmede naar die van de vennootschap die de meerderheid van het kapitaal van haar moedermaatschappij in handen heeft (hierna: "Cascades Inc."). Geen van deze vennootschappen zou in staat zijn de gevraagde garantie te stellen of bij de banken kunnen bemiddelen opdat zij de betrokken garantie voor rekening van verzoekster stellen. CPI bevindt zich volgens verzoekster in een uiterst precaire financiële situatie, in het bijzonder als gevolg van de door haar gecumuleerde verliezen, haar financiële verbintenissen en de precaire financiële situatie van haar dochterondernemingen, waaronder verzoekster. Cascades Inc. zou slechts een indirecte participatie in verzoekster hebben, die uiteindelijk minder dan 50 % bedraagt. Ook deze vennootschap zou financieel in een moeilijke situatie verkeren wegens de aanzienlijke verliezen die zij heeft geleden, en haar zware schuldenlast in verhouding tot haar eigen middelen. In die omstandigheden zou een beslissing van de bestuurders van Cascades Inc. om de activa van deze laatste te verbinden teneinde verzoekster in staat te stellen de gevraagde garantie te verkrijgen, kunnen worden beschouwd als een handeling waarvoor zij door de aandeelhouders van de vennootschap aansprakelijk kunnen zou worden gesteld.
12 Voor zover de rechter in kort geding het nodig mocht achten, na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden voor voorlopige maatregelen uit hoofde van artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, betoogt verzoekster dat in het onderhavige geval aan die voorwaarden is voldaan, zodat de gevraagde opschorting van de tenuitvoerlegging dient te worden gelast.
13 Aangezien de termijn voor betaling van de geldboete of voor het stellen van de bankgarantie op 4 november 1994 afliep, zou de Commissie volgens verzoekster vanaf 5 november 1994 de nodige maatregelen kunnen treffen om de geldboete in te vorderen, indien de rechter in kort geding niet de opschorting van de tenuitvoerlegging van de artikelen 3 en 4 van de beschikking gelast. Aan het vereiste van het spoedeisend karakter is dus voldaan.
14 In verband met het vereiste dat de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt, stelt verzoekster voorts, dat de argumenten waarop het beroep in de hoofdzaak berust, niet op het eerste gezicht kennelijk ongegrond zijn. Voor de onderhavige procedure in kort geding heeft verzoekster deze argumenten samengevat in drie middelen: schending van artikel 85 van het Verdrag en de op de uitvoering daarvan betrekking hebbende rechtsregels, schending van de rechten van de verdediging en schending van de wezenlijke vormvoorschriften die gelden in het kader van procedures die zijn ingesteld op grond van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204, hierna: "verordening nr. 17"), zoals gewijzigd, en verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1963, blz. 2268).
15 Tot staving van het middel betreffende de schending van artikel 85 van het Verdrag en de op de uitvoering daarvan betrekking hebbende rechtsregels voert verzoekster om te beginnen aan, dat volgens de rechtspraak van het Hof (arrest van 11 april 1989, zaak 66/86, Ahmed Saeed Flugreisen e.a., Jurispr. 1989, blz. 803) de door de Commissie vastgestelde overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging haar niet kunnen worden verweten, daar zij het rechtstreekse en uitsluitende gevolg zijn van de op haar uitgeoefende onweerstaanbare druk van de "kopstukken" van de gewraakte gedragingen. Daarbij komt dat, gelet op de criteria die de Commissie in de considerans van haar beschikking in aanmerking heeft genomen, de deelneming van de vennootschappen Kartonfabriek van Duffel en Djupafors AB aan de in artikel 1 van de beschikking bedoelde overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging niet vóór de datum waarop zij eigenaar van die vennootschappen is geworden, aan verzoekster kunnen worden toegerekend. Ook heeft verzoekster bezwaar tegen het buitensporig hoge bedrag van de haar opgelegde geldboete. Op dit punt is de beschikking haars inziens in strijd met artikel 15 van verordening nr. 17, alsmede met de praktijk van de Commissie in eerdere beschikkingen, doordat zij niet op passende wijze rekening houdt met de aard en de ernst van de verzoekster verweten inbreuk. De bedragen van de door de Commissie opgelegde geldboetes zijn overigens onvoldoende gemotiveerd in de beschikking, waarin bovendien geen rekening wordt gehouden met de verzachtende omstandigheden waarop verzoekster aanspraak kan maken.
16 Met betrekking tot het middel betreffende de schending van de rechten van de verdediging, voert verzoekster aan, dat de mededeling van de punten van bezwaar één van de in artikel 1 van de beschikking vermelde punten van bezwaar niet duidelijk doet uitkomen, namelijk die betreffende het bestaan van een "sectorieel plan" ter beperking van de mededinging en het houden van "regelmatige en geheime bijeenkomsten". Voorts spreekt het perscommuniqué van de Commissie van 13 juli 1994, anders dan de beschikking, waarin een referentieperiode van medio 1986 tot april 1991 wordt aangehouden, van het "succes" van zogenoemde "pogingen" vanaf de jaren zeventig om de betrokken markt te ordenen. Die inlichting zou de rechten van verzoekster aantasten, aangezien zij schuldig wordt verklaard zonder dat de procedure op tegenspraak van verordening nr. 17 is nageleefd.
17 Met betrekking tot de schending van wezenlijke vormvoorschriften verwijt verzoekster de Commissie, dat zij de in artikel 214 EG-Verdrag en artikel 20, lid 2, van verordening nr. 17 neergelegde geheimhoudingsplicht heeft geschonden, door aan de pers mee te delen dat spoedig een beschikking kon worden verwacht en dat verzoekster aan een verboden mededingingsregeling zou hebben deelgenomen. Voorts zou de Commissie ook het collegialiteitsbeginsel dat geldt voor de vaststelling van haar beschikkingen, hebben geschonden, door op 26 juli 1994 een beschikking vast te stellen waarbij de oorspronkelijke beschikking van 13 juli 1994 op wezenlijke punten is gerectificeerd, zonder dat wordt gepreciseerd hoe deze beschikking tot stand is gekomen.
18 Met betrekking tot de voorwaarde van een dreigende ernstige en onherstelbare schade betoogt verzoekster, dat haar financiële situatie ten gevolge van de betaling van de geldboete van 16,2 miljoen ECU dermate kritiek zou worden, dat een risico van een surséance van betaling of zelfs van een faillissement zou bestaan.
19 Onder verwijzing naar artikel 107, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht stelt zij, dat zij de door de Commissie gevraagde bankgarantie weliswaar niet kan stellen, maar dat zij wel een zekerheid ten belope van ongeveer 30 % van het bedrag van de geldboete, vermeerderd met de desbetreffende interessen, kan stellen, indien zij een fiscale vordering die zij op de Franse Staat heeft, te gelde kan maken. Bovendien heeft zij zich bereid verklaard de Commissie regelmatig de stukken betreffende haar financiële situatie te doen toekomen en jaarlijks samen met de Commissie de mogelijkheden te onderzoeken om bijkomende garanties te stellen. Op basis van redelijke commerciële prognoses zouden deze bijkomende garanties in verschillende schijven vóór 31 december 1997 moeten afkomen.
20 Alvorens op de gegrondheid van verzoeksters argumenten in te gaan, vraagt de Commissie zich in haar schriftelijke opmerkingen af, wat het voorwerp van het verzoek in kort geding is. Indien het Gerecht verzoeksters verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de artikelen 3 en 4 van de beschikking inwilligt, heeft dit volgens haar met name tot gevolg dat verzoekster geen interessen over de geldboete zou behoeven te betalen. Ingeval verzoekster dit laatste beoogt, moet dit gedeelte van het verzoek worden verworpen, omdat het, waar het geen spoedeisend karakter heeft, noodzakelijkerwijs ongegrond is (beschikking van de president van het Hof van 6 mei 1982, zaak 107/82 R, AEG, Jurispr. 1982, blz. 1549).
21 Nog steeds vooraf stelt de Commissie, dat het verzoek dat de president van het Gerecht de tenuitvoerlegging van de artikelen 3 en 4 van de beschikking opschort tot na de uitspraak over het verzoek om voorlopige maatregelen, zonder voorwerp is. Overeenkomstig haar vaste praktijk, zal zij niet de in artikel 192 EG-Verdrag, voorziene stappen ondernemen die nodig zijn voor de gedwongen uitvoering van de beschikking, zolang in de onderhavige procedure in kort geding geen eindbeschikking is gegeven.
22 Met betrekking tot de gegrondheid van verzoeksters argumenten merkt de Commissie om te beginnen op, dat het begrip "uitzonderlijke omstandigheden" in de zin van de desbetreffende rechtspraak (beschikking van de president van het Hof van 15 maart 1983, zaak 234/82 R, Ferriere di Roè Volciano, Jurispr. 1983, blz. 725; beschikking van de president van het Gerecht van 25 augustus 1994, zaak T-156/94 R, Aristrain, Jurispr. 1994, blz. II-715) restrictief moet worden uitgelegd. In het algemeen gezien vormt de verplichting een bankgarantie te stellen voor een bedrag ten belope van de opgelegde geldboete het minimum dat het communautaire openbaar belang vergt. Als kartonproducent die tot een belangrijke internationale groep behoort, voldoet verzoekster niet aan de voorwaarden die de rechtspraak met betrekking tot dat begrip stelt.
23 Ter zake van het spoedeisend karakter betoogt de Commissie, dat de door verzoekster te zamen met het verzoek in kort geding overgelegde documenten haar niet ervan hebben overtuigd, dat verzoekster en de groep waartoe zij behoort onmogelijk de opgelegde geldboete konden betalen, dan wel een bankgarantie voor het bedrag van zowel de geldboete als de interessen konden stellen.
24 Volgens de Commissie kan verzoekster zelf een bankgarantie stellen voor op zijn minst een gedeelte, namelijk bijna 50 %, van het bedrag van de geldboete. Dankzij voormelde schuldvordering op de Franse Staat beschikt zij immers over de nodige middelen om een garantie ten belope van 30 % van dat bedrag te verkrijgen. Voorts beschikt zij over toegestane, niet gebruikte kredietlijnen.
25 Voorts stelt de Commissie, dat bij de beoordeling van de vraag, of een onderneming het bedrag van een geldboete kan betalen of, wanneer dit niet het geval is, de verlangde zekerheid kan stellen, niet alleen rekening moet worden gehouden met de mogelijkheden van de betrokken onderneming, maar in voorkomend geval ook met die van de groep waartoe zij behoort. In dit verband dient niet alleen te worden nagegaan, of de andere vennootschappen van de groep in staat zijn ieder voor hun deel een zekerheid voor het bedrag van de geldboete te stellen, maar ook hoe de verschillende ondernemingen van de groep elk voor zich kunnen bijdragen tot het stellen van een bankgarantie ten belope van dat bedrag.
26 Wat CPI betreft, verwijt de Commissie verzoekster, dat deze geen documenten heeft overgelegd waaruit blijkt, dat deze vennootschap onmogelijk bij een of meer banken kan bemiddelen om de gevraagde waarborg geheel of gedeeltelijk te verkrijgen.
27 Met betrekking tot Cascades Inc. stelt de Commissie, dat aangezien de participatie van deze vennootschap in CPI nagenoeg 60 % bedraagt, mag worden aangenomen dat ook zij verzoekster controleert. Derhalve moet bij de beoordeling van de mogelijkheid van verzoekster om de verlangde garantie te stellen, rekening worden gehouden met de middelen van Cascades Inc., te meer daar in beide vennootschappen grotendeels dezelfde personen actief zijn. Het staat aan verzoekster aan te tonen, dat het Cascades Inc. onmogelijk is, op welke wijze dan ook bij te dragen tot het stellen van de zekerheid. Verzoekster heeft evenwel geen enkel document tot staving van die hypothese overgelegd. Integendeel, gelet op de niet gebruikte kredietlijnen, de recentelijk voldane schulden en de gedane investeringen, en na onderzoek van de boekhouding van de vennootschap dient te worden betwijfeld of het de vennootschap onmogelijk is om haar kleindochter-onderneming te helpen bij het stellen van de gevraagde zekerheid. Ten slotte wijst de Commissie het argument betreffende een eventuele aansprakelijkheidsvordering van de aandeelhouders af.
Argumenten van partijen na hun onderhandelingen
28 In de opmerkingen die zij na het mislukken van haar onderhandelingen met de Commissie heeft ingediend, komt verzoekster terug op haar vermogen de gevraagde garantie te stellen, en meer in het bijzonder op de mogelijkheden van de andere vennootschappen van de groep om bij het stellen van die garantie te bemiddelen. Voorts dient zij haar definitieve schikkingsvoorstel in, zet zij de modaliteiten daarvan uiteen, beschrijft zij de eisen die de Commissie in de laatste fase van de onderhandelingen heeft geformuleerd en, ten slotte, vermeldt zij de redenen waarom het haars inziens onmogelijk was aan al die eisen te voldoen.
29 Met betrekking tot haar vermogen de betrokken garantie te stellen, merkt verzoekster om te beginnen op, dat de Commissie in haar opmerkingen heeft erkend, dat verzoekster zelf niet in staat is onmiddellijk de gehele verlangde garantie te stellen. De Commissie lijkt volgens haar eveneens te hebben erkend, dat het gedeelte van de garantie dat verzoekster zelf op korte termijn kan stellen, beperkt is tot ongeveer 30 % van de totale geldboete, zoals die in rechtsoverweging 19 van deze beschikking is beschreven. Het verschil tussen beide bedragen zou dus moeten worden overbrugd met behulp van de andere vennootschappen van de groep.
30 Met betrekking tot CPI merkt verzoekster op, dat deze vennootschap in de opmerkingen van de Commissie of tijdens de vergaderingen tussen partijen nagenoeg nooit is vernoemd en dat de Commissie niets heeft aangevoerd tot staving van haar verklaring dat die vennootschap in staat is haar te helpen de gevraagde waarborg geheel of gedeeltelijk te stellen.
31 Zij herhaalt, dat Cascades Inc. op dit ogenblik niet over de middelen beschikt om haar te helpen het saldo van de garantie onmiddellijk te stellen. Gezien de situatie van Cascades Inc., in het bijzonder de schuldenlast van deze vennootschap, en gelet op het bescheiden karakter van de recent ingezette heropleving, zou in opdracht van deze vennootschap enkel een bankgarantie kunnen worden verkregen, indien zij tevoren bij de betrokken bank een tegengarantie voor hetzelfde bedrag zou stellen, die zou afhangen van het vermogen van de vennootschap om voldoende activa te mobiliseren. Uit de niet-geconsolideerde balans van Cascades Inc. van 30 september 1994 blijkt evenwel duidelijk, dat zij niet over activa beschikt die onmiddellijk kunnen worden gemobiliseerd. Voorts zouden er juridische en economische beletsels bestaan om andere activa dan die van Cascades Inc. zelf te mobiliseren. Het juridische beletsel is, dat volgens het nationale toepasselijke recht voor het mobiliseren van de activa van een dochteronderneming ten behoeve van een andere dochteronderneming van de groep aan strikte voorwaarden moet zijn voldaan. Wat de economische beletsels betreft, zijn er volgens verzoekster drie redenen waarom moet worden geconcludeerd dat de betrokken activa niet kunnen worden gemobiliseerd. In de eerste plaats zijn de activa van de groep over een groot aantal vennootschappen verspreid. In de tweede plaats gaat het hoofdzakelijk om industriële activa, waarvan de executiewaarde in de regel aanzienlijk lager is dan de boekhoudkundige waarde. Ten slotte zijn de meeste activa van de tot de groep behorende vennootschappen reeds aan bankinstellingen verpand.
32 Het aan de Commissie op 12 december 1994 voorgelegde definitieve schikkingsvoorstel, dat verzoekster, nu geen akkoord is bereikt, eveneens aan de rechter in kort geding voorlegt, bevat de navolgende twee onderdelen:
a) verzoekster verbindt zich ertoe, binnen een termijn van drie weken na de betekening van de beschikking van de president van het Gerecht een bankgarantie te verkrijgen ten belope van het bedrag dat in rechtsoverweging 19 van deze beschikking is vermeld;
b) zij verbindt zich ertoe, het saldo van de in de brief van de Commissie van 1 augustus 1994 gevraagde bankgarantie te stellen binnen een termijn van zes maanden na de betekening van de beschikking van de president van het Gerecht. Verzoekster zal deze waarborg met eigen middelen stellen, of anders met middelen die haar ter beschikking worden gesteld door Cascades Inc., onder voorbehoud van goedkeuring door de raad van bestuur, te verlenen vóór 31 januari 1995. Indien de goedkeuring niet binnen de gestelde termijn wordt verleend, zijn beide partijen (te weten de Commissie en verzoekster) ontslagen van hun verbintenissen uit hoofde van de schikking.
33 Ter rechtvaardiging van de sub b van haar voorstel genoemde termijn van zes maanden voert verzoekster aan, dat de middelen die haar in staat stellen het saldo van de garantie te stellen, zullen moeten komen van stappen die door haarzelf worden ondernomen op basis van de verbetering die haar resultaten tijdens het eerste semester van 1995 te zien zullen geven, dan wel van financiële steun van Cascades Inc. Deze steun zou kunnen worden verleend na heronderhandelingen over de bestaande kredietlijnen, onderhandelingen over nieuwe kredietlijnen, of door middel van een kapitaalsverhoging van Cascades Inc. Voor een kapitaalsverhoging moeten eerst een aantal formaliteiten worden vervuld; voor de uitbreiding van de kredietlijnen is vereist, dat de verbetering van de situatie en van de resultaten van de vennootschap doorzet en dat de betrokken banken zich "welwillend" opstellen.
34 Voorts merkt verzoekster op, dat haar voorstel twee preciseringen bevat waarom de Commissie in haar op 8 december 1994 bij het Gerecht neergelegd rapport had verzocht, betreffende, enerzijds, de uiterste datum voor de goedkeuring door de raad van bestuur van Cascades Inc., en, anderzijds, een clausule die beide partijen van hun verbintenissen ontslaat, indien de goedkeuring niet vóór die datum wordt verleend.
35 Verzoekster stelt, dat zij echter niet kan voldoen aan een derde eis die de Commissie in hetzelfde document heeft geformuleerd, namelijk dat Cascades Inc. zich ertoe moet verbinden de garantie voor rekening van verzoekster te verkrijgen, wanneer verzoekster daar vóór afloop van de termijn van zes maanden niet zelf in geslaagd is.
36 Zij acht deze eis om verschillende redenen ongerechtvaardigd. In de eerste plaats is de overdracht van de last van de geldboete op een andere vennootschap dan die waartoe de beschikking is gericht, wat het gevolg zou zijn van de eis van de Commissie, juridisch onaanvaardbaar. Het vermogen om de bankgarantie te stellen dient weliswaar op het vlak van de betrokken groep in zijn geheel te worden beoordeeld, doch de verplichting om de garantie te stellen, rust uitsluitend op de vennootschap die adressaat van de bestreden beschikking is. Voorts is het voorstel van de Commissie op wezenlijke punten in strijd met in de rechtspraak gestelde voorwaarden waaronder een moedermaatschappij aansprakelijk kan worden gesteld voor het met de mededingingsregels strijdige gedrag van haar dochterondernemingen. Resumerend, aangezien de geldboete aan verzoekster is opgelegd, kan alleen zij wettelijk verplicht worden om de verlangde bankgarantie te stellen.
37 In de tweede plaats betoogt verzoekster, dat het risico waartegen de Commissie zich wenst te beschermen, namelijk het verdwijnen van verzoekster vóór afloop van de termijn van zes maanden zonder dat zij de volledige waarborg heeft gesteld, niet verbonden is aan de verlenging van de termijn voor het stellen van de bankgarantie, doch inherent is aan de praktijk van de Commissie, om niet onmiddellijk over te gaan tot de tenuitvoerlegging van beschikkingen waarbij geldboetes worden opgelegd, en de ondernemingen een termijn van drie maanden te gunnen om de geldboete te betalen of, wanneer een beroep tot nietigverklaring wordt ingesteld, een bankgarantie te verlangen. Bovendien heeft de Commissie op geen enkele wijze aangetoond dat, in tegenstelling tot wat in een aan het verzoekschrift gehecht accountantsrapport wordt verklaard, de verlenging van de termijn voor het stellen van de garantie dit risico zou vergroten.
38 De Commissie van haar kant aanvaardt, dat verzoekster niet onmiddellijk de gehele waarborg kan stellen, doch is niettemin van mening, dat zij niet heeft aangetoond, dat de groep waartoe zij behoort, dat niet kan.
39 In antwoord op verzoeksters argument betreffende de door het nationale recht gestelde beperkingen merkt de Commissie op, dat geen enkele financiële overdracht tussen Cascades Inc. en haar dochterondernemingen nodig is, opdat eerstgenoemde vennootschap aan het stellen van een zekerheid kan bijdragen: het volstaat immers dat zij haar aandelen in het kapitaal van haar dochterondernemingen in pand geeft. Voorts is volgens de Commissie het in het betrokken nationale recht voorziene verbod slechts van toepassing, wanneer het verlenen van financiële hulp door een dochteronderneming tot de insolvabiliteit van deze laatste leidt; in casu heeft verzoekster niet gepoogd dit aan te tonen. Ook betwist de Commissie, dat nagenoeg alle activa van de vennootschappen van de groep reeds in pand zijn gegeven voor hun schulden. Haars inziens genieten zowel verzoekster als de groep waartoe zij behoort, het vertrouwen van de banken, wat blijkt uit het feit dat zij over langlopende kredietlijnen beschikken. Ten slotte is de situatie van de betrokken onderneming volgens de voorlopige cijfers voor 1994 in de loop van dat jaar aanzienlijk verbeterd.
40 Ten slotte acht de Commissie haar derde eis, namelijk die betreffende de door Cascades Inc. aan te gane verbintenis die in rechtsoverweging 35 van deze beschikking is beschreven, gerechtvaardigd, omdat zij zich dient te beschermen tegen het eventuele verdwijnen van verzoekster alvorens deze de verlangde garantie heeft kunnen stellen. De Commissie is immers van oordeel, dat de afwijking van de budgettaire regels die het gevolg is van het uitstel van de bankgarantie in geen geval een risico van niet-betaling mag meebrengen, zulks ter bescherming van het openbaar belang.
Beoordeling door de rechter in kort geding
41 Vooraf moet worden vastgesteld dat, gezien de verklaringen van de Commissie zoals die in rechtsoverweging 21 van deze beschikking zijn samengevat en ter terechtzitting zijn bevestigd, het onderhavige verzoek zonder voorwerp moet worden geacht, voor zover het strekt tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de artikelen 3 en 4 van de beschikking hangende de procedure in kort geding.
42 Bijgevolg behoeft alleen het verzoek van verzoekster te worden onderzocht, dat ertoe strekt haar te ontslaan van de verplichting, een bankgarantie te stellen voor een bedrag gelijk aan de haar opgelegde geldboete, die haar als voorwaarde om de onmiddellijke invordering van die geldboete te voorkomen, is opgelegd bij de in rechtsoverweging 3 van de onderhavige beschikking vermelde brief van de Commissie.
43 Volgens vaste rechtspraak kan een dergelijk verzoek slechts in uitzonderlijke omstandigheden worden ingewilligd (zie laatstelijk de beschikkingen van de president van het Gerecht van 21 december 1994, zaak T-295/94, Buchmann, en zaak T-301/94, Laakmann Karton, Jurispr. 1994, blz. II-1265, resp. II-1279). Deze voorwaarde moet in nauwe samenhang worden gezien met de voorwaarden die artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht stelt voor elk verzoek om voorlopige maatregelen in de zin van de artikelen 185 en 186 EG-Verdrag. Daaruit volgt, dat bij de beslissing over de vraag of het ontslag van een dergelijke verplichting mogelijk is, en zo ja, volgens welke modaliteiten, anders dan verzoekster stelt, te rade moet worden gegaan bij de voorwaarden van die bepaling (beschikking Aristrain, reeds aangehaald, r.o. 28), namelijk het voorhanden zijn van omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede van middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt. Volgens vaste rechtspraak onderstelt een beslissing tot opschorting ook, dat bij afweging van de betrokken belangen de balans doorslaat in het voordeel van het toestaan van die maatregel (beschikking van de president van het Hof van 11 maart 1994, zaak C-6/94, Descom, Jurispr. 1994, blz. I-867, r.o. 14).
44 Wat het spoedeisend karakter betreft, moet allereerst worden onderzocht, of, en zo ja in welke mate, prima facie is aangetoond, dat verzoekster de gevraagde garantie onmogelijk kan stellen.
45 Ter zake staat vast, dat verzoekster in de nabije toekomst en zonder hulp van een derde slechts het sub a van haar schikkingsvoorstel vermelde percentage van de betrokken garantie kan stellen. Of en binnen welke termijn zij het saldo van de garantie kan stellen, kan de rechter in kort geding in dit stadium van de procedure niet bepalen, daar de gegevens in het dossier niet nauwkeurig genoeg zijn.
46 Het is echter vaste rechtspraak, dat bij de beoordeling van de vraag of een marktdeelnemer in staat is de betrokken zekerheid te stellen, rekening moet worden gehouden met de groep van vennootschappen waarvan hij rechtstreeks of indirect afhangt (beschikking Laakmann Karton, reeds aangehaald, r.o. 26).
47 Met betrekking tot CPI moet worden vastgesteld dat verzoekster, door de Commissie niet weersproken, stelt dat deze vennootschap op dit ogenblik niet in staat is verzoekster bij het stellen van de gevraagde garantie te helpen.
48 Wat Cascades Inc. betreft, houdt het definitieve schikkingsvoorstel, dat is gedaan in verzoeksters brief van 15 december 1994 aan de president van het Gerecht, in dat wordt erkend dat die vennootschap in beginsel in staat is verzoekster de nodige hulp te bieden om het saldo van de garantie te stellen, nadat een aantal stappen zijn ondernomen, die een termijn van ongeveer zes maanden vergen. De Commissie, die overigens niet heeft gesteld, dat er sneller te verwezenlijken alternatieven zijn die verzoekster de nodige hulp voor het stellen van de garantie kunnen bieden, heeft geen kritiek aangaande die termijn.
49 Met betrekking tot de fumus boni juris van het beroep in de hoofdzaak moet worden vastgesteld, dat de door verzoekster aangevoerde middelen, waarover de Commissie zich in de onderhavige procedure in kort geding overigens niet heeft uitgesproken, op het eerste gezicht niet zonder meer ongegrond lijken. In het bijzonder het middel betreffende een schending van artikel 85 en de op de uitvoering daarvan betrekking hebbende rechtsregels verdient een grondig onderzoek. Een dergelijk grondig onderzoek, feitelijk en rechtens, valt buiten het kader van de onderhavige procedure in kort geding.
50 Onder die omstandigheden moet worden geconcludeerd, dat in casu voldaan is aan de voorwaarden betreffende het spoedeisend karakter en de fumus boni juris. Derhalve is het redelijk, een opschorting te gelasten voor de tijd die verzoekster nodig heeft om de garantie te stellen.
51 Bij de bepaling van de modaliteiten van die opschorting moeten evenwel de verschillende onderhavige belangen tegen elkaar worden afgewogen, in het bijzonder het belang van de Commissie om de geldboete te kunnen invorderen ingeval van verwerping van het beroep in de hoofdzaak, en het belang van verzoekster om te voorkomen dat, wanneer zij er niet in slaagt onmiddellijk de gehele garantie te stellen, de geldboete onmiddellijk wordt ingevorderd, hetgeen haar in haar bestaan zou bedreigen.
52 Verzoeksters voorstel, zoals dat in rechtsoverweging 32 van deze beschikking is samengevat, lijkt deze twee belangen met elkaar te verzoenen, behalve het risico van een eventueel faillissement tijdens de sub b van het voorstel bedoelde periode van zes maanden voor de communautaire rechtsorde en financiën, indien geen passende garantie is gesteld voor het verschuldigde saldo van het bedrag van de geldboete. In een dergelijk geval zou immers de loutere verbintenis van Cascades Inc. om, na goedkeuring door haar raad van bestuur, verzoekster te helpen bij het stellen van het saldo van de garantie, voor de Commissie elk nut kunnen verliezen.
53 Bijgevolg moet van verzoekster als voorwaarde voor het toestaan van een bijkomende termijn van zes maanden voor het stellen van het saldo van de bankgarantie worden verlangd, dat zij de verbintenis overlegt van Cascades Inc. om zelf die garantie voor rekening van verzoekster te stellen, voor het geval verzoekster vóór het verstrijken van die termijn in staat van faillissement wordt verklaard zonder de garantie te hebben gesteld.
54 De rechter in kort geding is van mening, dat verzoekster geen elementen heeft aangevoerd, die overtuigend genoeg waren om op het eerste gezicht te kunnen concluderen, dat Cascades Inc. niet in staat is een dergelijke verbintenis ter dekking van een eventueel faillissement van verzoekster tijdens de periode van zes maanden aan te gaan. Deze conclusie vloeit voort uit de vaststellingen in de rechtsoverwegingen 46 en 48 van deze beschikking. Verzoeksters argument, dat de voorgestelde oplossing, die impliceert dat de last van de geldboete wordt overgedragen op een andere vennootschap dan die welke adressaat van de beschikking is, onverenigbaar is met de voorwaarden waaronder die vennootschap aansprakelijk kan worden gesteld voor de gedragingen van één van haar dochterondernemingen, doet daaraan niet af. Indien de gevraagde opschorting namelijk afhankelijk wordt gesteld van een dergelijke verbintenis, wordt Cascades Inc. slechts eventueel en indirect debiteur van de Commissie, wanneer zij ermee instemt die verbintenis aan te gaan.
55 Het opleggen van een dergelijke voorwaarde voor de toekenning van de gevraagde opschorting lijkt voorts niet onevenredig, ongeacht de werkelijke omvang van het risico waartegen zij bescherming dient te bieden. Dienaangaande dient rekening te worden gehouden met het feit dat het uitstel, niet alleen voor de betaling van de geldboete, maar ook, gedurende zes maanden, voor het stellen van het saldo van de garantie, moet worden aangemerkt als een uitzonderlijk recht, dat ten gunste van verzoekster wordt verleend. Zo gezien kan, indien het risico dat verzoekster vóór het stellen van het saldo van de garantie in staat van faillissement wordt verklaard, groot is, de noodzaak van een daadwerkelijke garantie ten behoeve van het openbaar belang niet worden betwist. Indien dat risico daarentegen gering mocht blijken, zal de gevraagde verbintenis hoe dan ook niet gestand behoeven te worden gedaan. Voorts zij eraan herinnerd, dat de uitvoering van de door Cascades Inc. aan te gane verbintenis slechts kan worden verlangd, wanneer verzoekster vóór het verstrijken van de termijn van zes maanden in staat van faillissement wordt verklaard zonder dat zij zelf de gehele waarborg heeft gesteld. Wanneer verzoekster daarentegen aan het einde van die termijn niet in staat van faillissement is gesteld, wordt de geldboete onmiddellijk invorderbaar, voor zover verzoekster intussen de verlangde garantie niet heeft gesteld.
56 Niettemin moet nog het geval worden bezien, waarin verzoeksters situatie tijdens genoemde periode aanzienlijk verslechtert, zonder dat zij echter in staat van faillissement wordt verklaard. In dat geval kan de Commissie een rechtmatig belang erbij hebben om alle noodzakelijke maatregelen ter vrijwaring van de financiële belangen van de Gemeenschap te treffen, en inzonderheid om een wijziging van de onderhavige beschikking aan te vragen overeenkomstig artikel 108 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, teneinde met name te voorkomen, dat de gelaste maatregel zijn doel niet meer dient. Om de Commissie in staat te stellen op elk moment tijdens de betrokken periode te beslissen, of een dergelijk initiatief noodzakelijk is, moet zij op de hoogte worden gehouden van de evolutie van verzoeksters economische en financiële situatie. Met het oog daarop lijkt het dus redelijk, te gelasten dat verzoekster maandelijks en totdat het saldo van de garantie is gesteld ° dan wel uiterlijk voor het einde van vorenbedoelde periode van zes maanden ° cijfers meedeelt, aan de hand waarvan de Commissie de evolutie van verzoeksters vermogen om haar verbintenissen na te komen, kan beoordelen. Deze cijfers dienen met name betrekking te hebben op de evolutie van haar omzet en winst- en verliesrekening, alsmede op de wijzigingen van haar passiva en de samenstelling van haar activa. Ook dient verzoekster te worden gelast, de Commissie vooraf op de hoogte te stellen van elke beslissing die een belangrijke invloed kan hebben op haar financieel-economische situatie of haar rechtspositie. Onmiddellijk na de betekening van de onderhavige beschikking zal de Commissie verzoekster meedelen, om welke informatie het gaat, rekening houdend met de gebruiken inzake het beheer en de boekhouding van ondernemingen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
beschikt:
1) Verzoeksters verplichting om ten gunste van de Commissie een bankgarantie te stellen ter voorkoming van de onmiddellijke invordering van de geldboete die haar is opgelegd bij artikel 3 van beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 EG-Verdrag (IV/C/33.833 ° Karton) wordt opgeschort onder de navolgende voorwaarden:
a) verzoekster stelt deze garantie ten belope van 30 % van het bedrag van de geldboete, vermeerderd met de interessen die verschuldigd zijn volgens de kennisgevingsbrief van 1 augustus 1994, binnen een termijn van drie weken na de betekening van de onderhavige beschikking;
b) het saldo van de bankgarantie, vermeerderd met de hiervoor genoemde interessen, stelt zij binnen een termijn van zes maanden na dezelfde datum.
2) Totdat de volledige garantie is gesteld, dan wel uiterlijk voor het einde van de in punt 1, sub b, van het dictum van de onderhavige beschikking gestelde termijn, stelt verzoekster de Commissie op de hoogte:
a) van de voornaamste, door de Commissie onmiddellijk na de betekening van de onderhavige beschikking te bepalen gegevens betreffende haar financieel-economische situatie, en wel maandelijks;
b) van elke beslissing die haar economische situatie belangrijk kan beïnvloeden of ertoe strekt haar rechtspositie te wijzigen, zulks vóór deze beslissing wordt vastgesteld.
3) De in punt 1, sub b, van het dictum van de onderhavige beschikking gelaste opschorting geldt niet meer, indien verzoekster de Commissie niet binnen een termijn van drie weken na de betekening van de onderhavige beschikking op de hoogte stelt van:
a) de goedkeuring, door de raad van bestuur van Cascades Inc., van de maatregelen van deze vennootschap om verzoekster de noodzakelijke middelen ter beschikking te stellen voor het stellen van het saldo van de bankgarantie, zoals bepaald in punt 1, sub b, van het dictum van de onderhavige beschikking en binnen de daarin gestelde termijn;
b) de verbintenis van Cascades Inc. om voor rekening van verzoekster het saldo van de garantie, zoals bepaald in punt 1, sub b, van het dictum van de onderhavige beschikking te stellen, voor het geval verzoekster voor het verstrijken van de daarin gestelde termijn in staat van faillissement wordt verklaard zonder de garantie te hebben gesteld.
4) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 17 februari 1995.
Full & Egal Universal Law Academy