Zaak T‑331/94 DEP
IPK-München GmbH
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Procedure – Begroting van kosten”
Beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 13 januari 2006
Samenvatting van de beschikking
1. Procedure – Kosten – Begroting – Invorderbare kosten
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 91, sub b, en 102, lid 2)
2. Procedure – Kosten – Begroting – In aanmerking te nemen factoren
3. Procedure – Kosten – Begroting – In aanmerking te nemen factoren
1. Uit artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht volgt dat slechts invorderbaar zijn de kosten die in verband met de procedure voor de gemeenschapsrechter zijn gemaakt en die daartoe noodzakelijk waren. De kosten van reizen naar Luxemburg voor de indiening van memories kunnen niet als noodzakelijk worden aangemerkt, aangezien de gemeenschapswetgever in artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering met het oog hierop heeft voorzien in een termijn wegens afstand, en er andere veilige, onmiskenbaar goedkopere manieren bestaan om documenten bij de gemeenschapsrechter te bezorgen.
(cf. punten 42, 79‑80)
2. Aangezien een tariefregeling in het gemeenschapsrecht ontbreekt, moet het Gerecht de gegevens van de zaak vrijelijk beoordelen, daarbij rekening houdend met het voorwerp en de aard van het geding, het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad en het economische belang van het geding voor de partijen.
In een geding dat betrekking heeft op de niet-nakoming van de aan de toekenning van financiële bijstand verbonden voorwaarden en op de inmenging van de Commissie vóór en tijdens de uitvoering door de verzoeker van het gesubsidieerde project, brengt de noodzaak om de exacte omstandigheden van deze inmenging vast te stellen, alsmede om de gevolgen ervan voor de oplossing van het geschil grondig te analyseren, in zekere zin specifieke moeilijkheden met zich mee, die deze zaak onderscheiden van andere zaken betreffende de niet-nakoming van aan de toekenning van financiële bijstand verbonden voorwaarden.
In dit verband wordt het geding gekenmerkt door een zekere mate van nieuwheid en heeft het, bijgevolg, een zeker belang vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, voorzover het verduidelijking heeft gebracht in de verdeling van de op de partijen rustende bewijslast bij inmenging van de Commissie in de uitvoering van een gesubsidieerd project, waarvoor de instelling voor het overige stelt dat er sprake is van verwijtbare niet-nakoming.
(cf. punten 45, 53‑56)
3. Met betrekking tot de beoordeling van de werklast die de contentieuze procedure heeft kunnen veroorzaken, moet de gemeenschapsrechter het werk in aanmerking nemen dat objectief gezien noodzakelijk was voor de gehele gerechtelijke procedure. Wanneer de advocaten van een partij haar evenwel reeds hebben bijgestaan tijdens procedures of stappen voordat de zaak aan de rechter wordt voorgelegd, moet eveneens rekening worden gehouden met het feit dat die advocaten daardoor reeds bekend zijn met voor het geding relevante elementen, hetgeen hun werk vergemakkelijkt en de voor de contentieuze procedure benodigde voorbereidingstijd verkort. Omgekeerd moet de bijstand door advocaten tijdens de precontentieuze fase bij de beoordeling van de invorderbare kosten buiten beschouwing worden gelaten, indien komt vast te staan dat deze bijstand voor de contentieuze fase geen betekenis heeft.
(cf. punten 59‑60)
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Derde kamer)
13 januari 2006 (*)
„Procedure – Begroting van kosten”
In zaak T‑331/94 DEP,
IPK-München GmbH, gevestigd te München (Duitsland), vertegenwoordigd door H.‑J. Prieß, advocaat,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Grunwald als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek om begroting van de kosten, ingediend na het arrest van het Gerecht van 6 maart 2001, IPK-München/Commissie, T‑331/94, Jurispr. blz. II‑779,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: M. Jaeger, kamerpresident, J. Azizi en E. Cremona, rechters,
griffier: E. Coulon,
de navolgende
Beschikking
Feiten en procesverloop
1 Op 13 oktober 1994 heeft verzoekster bij het Gerecht beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 3 augustus 1994 houdende weigering om aan IPK 212 000 EUR uit te betalen als saldo van de financiële bijstand die aan verzoekster was verleend in het kader van haar project Ecodata betreffende de oprichting van een gegevensbestand over milieuvriendelijk toerisme in Europa (hierna: „project Ecodata” of „project”).
2 Bij arrest van het Gerecht van 15 oktober 1997, IPK/Commissie (T‑331/94, Jurispr. blz. II‑1665; hierna: „arrest van 15 oktober 1997”), is dit beroep verworpen. Op 22 december 1997 heeft verzoekster hogere voorziening tegen het arrest van 15 oktober 1997 ingesteld. Bij arrest van het Hof van 5 oktober 1999, IPK/Commissie (C‑433/97 P, Jurispr. blz. I‑6795; hierna: „arrest van 5 oktober 1999”), is het arrest van 15 oktober 1997 vernietigd en de zaak naar het Gerecht verwezen, met aanhouding van de beslissing omtrent de kosten.
3 Bij arrest van 6 maart 2001, IPK-München/Commissie (T‑331/94, Jurispr. blz. II‑779; hierna: „arrest van 6 maart 2001”), heeft het Gerecht verzoeksters verzoek ingewilligd en geoordeeld dat de Commissie haar eigen kosten alsmede alle door verzoekster voor het Gerecht en het Hof gemaakte kosten diende te dragen.
4 Bij arrest van het Hof van 29 april 2004, IPK-München/Commissie (C‑199/01 P en C‑200/01 P, Jurispr. blz. I‑4627), zijn de door verzoekster en de Commissie ingestelde hogere voorzieningen tegen het arrest van 6 maart 2001 afgewezen en heeft het Hof beslist, dat elk der partijen de eigen kosten van de hogere voorziening zou dragen.
5 Bij brief van 30 juli 2004 heeft verzoekster aan de Commissie laten weten dat haar invorderbare kosten bedoeld in het dictum van het arrest van 6 maart 2001 38 373,99 EUR bedroegen.
6 Bij brief van 22 september 2004 heeft de Commissie verzoeksters verzoek om betaling afgewezen op de grond dat de relevante rechtsvragen reeds in de precontentieuze procedure waren besproken. De Commissie was van mening dat enkel de kosten van juridisch advies, ten bedrage van 13 000 EUR, invorderbaar waren.
7 In die omstandigheden heeft verzoekster bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 25 oktober 2004, krachtens artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht om begroting van de kosten.
Conclusies van partijen
8 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage, het bedrag van de invorderbare kosten te stellen op 38 373,99 EUR of, subsidiair, op het bedrag dat het billijk acht.
9 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage, het bedrag van de invorderbare kosten te stellen op 13 000 EUR of, subsidiair, op het bedrag dat het passend acht.
In rechte
1. Argumenten van partijen
Argumenten van verzoekster
Specificatie van verzoeksters kosten
10 De kosten ten bedrage van 38 373,99 EUR die verzoekster vordert voor de zaken voor het Gerecht die hebben geleid tot de arresten van 15 oktober 1997 en 6 maart 2001 en voor de zaak voor het Hof die heeft geleid tot het arrest van 5 oktober 1999, omvatten volgens verzoekster de volgende elementen.
– Kosten van de procedure voor het Gerecht tot en met het arrest van 15 oktober 1997
11 Verzoekster verklaart dat zij ten behoeve van de verdediging van haar rechten in de procedure voor het Gerecht tot en met de uitspraak van het arrest van 15 oktober 1997, met haar advocaten een vast honorarium was overeengekomen ten bedrage van 630 000 BEF (15 617,29 EUR), vermeerderd met kosten. Hiertoe heeft zij twee facturen ten bedrage van respectievelijk 315 000 BEF en 15 000 DEM bijgevoegd.
12 Met de betaling van de overeengekomen 630 000 BEF konden volgens verzoekster de volgende diensten worden vergoed: het concept-verzoekschrift (60 bladzijden), de concept-repliek (80 bladzijden), de voorbereiding van de terechtzitting – met inbegrip van het antwoord op vragen van het Gerecht, het onderzoek van het rapport ter terechtzitting en de concept-pleitnota –, de deelname aan de terechtzitting en de correspondentie met de opdrachtgever en met het Gerecht.
13 Bovendien heeft verzoekster twee facturen bijgevoegd met een specificatie van de ten behoeve van deze procedure gemaakte kosten. De factuur van 26 oktober 1995 omvat de volgende kosten: bankkosten (745 BEF), portokosten (1 087 BEF), kosten van reizen naar Luxemburg (13 oktober 1994 en 18 april 1995) (9 074 BEF), kosten van onderzoek op basis van gegevens (455 BEF) en telecommunicatiekosten (9 094 BEF). De factuur van 14 juli 1997 omvat de volgende kosten: kopieerkosten (379 BEF), koerierskosten (661 BEF), faxkosten (1 026 BEF) en reiskosten (H. J. Prieß, reis naar Luxemburg, 24 en 25 juni 1997) (33 032 BEF).
14 Verzoekster meent derhalve dat het totaalbedrag van kosten en honoraria ten behoeve van haar verweer in de procedure voor het Gerecht tot en met de uitspraak van het arrest op 15 oktober 1997, 685 553 BEF (16 994,41 EUR), bedraagt.
– Kosten van de procedure voor het Hof tot en met het arrest van 5 oktober 1999
15 Verzoekster verklaart dat zij ten behoeve van de verdediging van haar rechten in de procedure voor het Hof in de hogere voorziening die heeft geleid tot het arrest van 5 oktober 1999, met haar advocaten een vast honorarium was overeengekomen van een bedrag van 307 500 BEF (7 622,73 EUR), vermeerderd met kosten.
16 Volgens verzoekster komt de betaling van 307 500 BEF overeen met het honorarium van haar advocaten voor de concept-hogere voorziening en de aan haar en aan het Hof gerichte correspondentie.
17 Bovendien geeft verzoekster in een factuur van 31 december 1999 een gedetailleerde beschrijving van de kosten die voor die procedure zijn gemaakt. In deze factuur worden de volgende kosten genoemd: bankkosten (560 BEF), kopieerkosten (5 140 BEF), portokosten (81 BEF), telecommunicatiekosten (2 441 BEF), taxikosten (440 BEF) en reiskosten (advocaat Andrade, reis naar Luxemburg op 22 december 1997) (3 399 BEF). Verzoekster preciseert in haar verzoekschrift dat de reiskosten van Andrade verband houden met de indiening van de hogere voorziening bij het Hof.
18 In totaal heeft verzoekster naar eigen zeggen voor de eerste hogere voorziening voor het Hof, die heeft geleid tot het arrest van 5 oktober 1999, 319 561 BEF (7 921 EUR) aan honoraria en kosten betaald.
– Kosten van de voortzetting van de procedure voor het Gerecht tot en met het arrest van 6 maart 2001
19 Verzoekster preciseert dat de advocatenhonoraria ten behoeve van de verdediging van haar rechten in de voortzetting van de procedure voor het Gerecht tot en met het arrest van 6 maart 2001, zijn berekend op uurbasis. Zij verklaart dat drie advocaten aan deze procedure hebben gewerkt. De honoraria van deze drie advocaten bedragen volgens verzoekster 10 535 EUR. De specificatie van deze honoraria wordt hierna vermeld.
20 Voor Prieß bedraagt het totaalbedrag aan honoraria 9 360 EUR, dat wil zeggen 20,8 uur tegen een uurtarief van 450 EUR. Deze hoeveelheid uren bestaat uit: 0,5 uur bestuderen van documenten en telefonisch overleg, 0,5 uur bestuderen van documenten, juridisch onderzoek en intern overleg, 9,5 uur zakenreis Berlijn‑Luxemburg en voorbereiding van de terechtzitting, 10 uur terechtzitting voor het Gerecht en zakenreis Luxemburg-Berlijn, en 0,3 uur bestuderen van documenten, juridisch onderzoek en telefonisch overleg.
21 Voor C. Pitschas bedraagt het totaalbedrag aan honoraria 650 EUR, dat wil zeggen twee uur tegen een uurtarief 325 EUR. Van deze twee uur was één uur gewijd aan het opstellen van een nota over de toelaatbaarheid van het aanvoeren van nieuwe feiten in geval van verwijzing naar het Gerecht, en één uur aan een interne vergadering met Prieß, met name met betrekking tot de terechtzitting voor het Gerecht.
22 Voor A.C. Muner bedraagt het totaalbedrag aan honoraria 525 EUR, dat wil zeggen vijf uur tegen een uurtarief 105 EUR. Deze werktijd komt overeen met 2,5 uur voor een nota over het aanvoeren van nieuwe feiten en 2,5 uur voor onderzoek van de rechtspraak inzake de vraag naar het aanvoeren van nieuwe feiten tijdens de schriftelijke procedure in geval van verwijzing naar het Gerecht.
23 Verzoekster preciseert dat de toegepaste uurtarieven corresponderen met de gebruikelijke marktvoorwaarden die worden gehanteerd door geassocieerde advocaten en advocaten in loondienst, gespecialiseerd in zaken van gemeenschapsrecht, en dat de advocatenhonoraria precies overeenstemmen met de werklast vanaf het arrest van 5 oktober 1999 tot en met het arrest van 6 maart 2001.
24 Aan het bedrag van 10 535 EUR aan honoraria zijn toegevoegd 1 066,61 EUR aan reiskosten alsmede de belasting over de toegevoegde waarde (BTW). De totale kosten van de voortzetting van de procedure voor het Gerecht tot en met het arrest van 6 maart 2001 bedragen derhalve 13 457,87 EUR.
Rechtvaardiging van verzoeksters kosten
25 Verzoekster meent dat het bedrag van 38 373,99 EUR, gelet op de rechtspraak inzake de begroting van kosten (beschikking Hof van 4 februari 2004, Commissie/Oder-Plan Architektur e.a., C‑77/99 DEP, Jurispr. blz. I‑1267, punt 18), volledig invorderbaar is.
26 In dit verband voert verzoekster ten eerste aan dat in de betrokken procedures zeer belangrijke vragen van gemeenschapsrecht aan de orde zijn gekomen. De betrokken procedures hebben volgens haar enerzijds betrekking op de vraag of de Commissie de betaling van een toegezegd deel van een subsidie kan weigeren op de grond dat het betrokken project niet voldoende was verwezenlijkt, wanneer de vertraging van de uitvoering van het project werd veroorzaakt door de inmenging van ambtenaren van de Commissie, en anderzijds op de vraag op wie de bewijslast rust ten aanzien van het bestaan of ontbreken van inmenging van een gemeenschapsinstelling in een dergelijk geval. Volgens verzoekster hebben de arresten van het Hof en het Gerecht belangrijke elementen aangedragen voor de opheldering van deze vragen.
27 Ten tweede meent verzoekster dat de betrokken procedures, die ten minste zeven jaar hebben geduurd, een aanzienlijke werklast met zich mee hebben gebracht, vanwege hun hoge moeilijkheidsgraad tengevolge van de talrijke, extreem complexe feitelijke en rechtsvragen die aan de gemeenschapsrechter zijn voorgelegd.
28 Dienaangaande beroept verzoekster zich op het feit dat zij zich diende te wijden aan een gedetailleerde uitlegging van de voorwaarden voor toekenning en uitbetaling van de subsidie. Bovendien beklemtoont zij dat zij enerzijds zeer nauwkeurig de concrete handelwijze diende aan te geven van diverse ambtenaren van het directoraat-generaal (hierna: „DG”) „Ondernemingenbeleid, handel, toerisme en sociale economie” van de Commissie en, anderzijds, deze handelwijzen correct moest kwalificeren en beoordelen binnen de context van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, en uit deze beginselen de relevante regels op het gebied van de bewijslast moest afleiden.
29 Overigens betwist verzoekster het standpunt van de Commissie volgens hetwelk zij vanaf de precontentieuze procedure kennis had van de wezenlijke elementen van het geschil. Volgens verzoekster vormden de wezenlijke vragen die tijdens de gerechtelijke procedures zijn opgeworpen, geen voorwerp van de precontentieuze discussie tussen haar en de Commissie. Verzoekster verwijst met name naar haar brief van 28 december 1993. Volgens verzoekster blijkt uit deze brief dat zij geen vragen ter sprake heeft gebracht die hebben geleid tot de weigering van de Commissie om het tweede deel van de subsidie te betalen, welke weigering het voorwerp vormde van het beroep tot nietigverklaring (arrest van 6 maart 2001, punten 35 e.v.). Volgens verzoekster wordt dit erkend door de Commissie, die een verzoek om verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift van 28 oktober 1994 heeft gemotiveerd door te wijzen op de omvang van de te bestuderen bijlagen en de noodzaak om de betrokken diensten te raadplegen. Bijgevolg is zij van mening dat de werklast van haar advocaten door de administratieve procedure geenszins is verlicht.
30 Verzoekster betwist voorts dat uit het feit dat zij de Commissie kosten van juridisch advies ten bedrage van 41 832 DEM als projectkosten in rekening heeft gebracht, kan worden afgeleid dat de voornaamste elementen van het geschil volledig aan haar raadslieden waren voorgelegd. Verzoekster is van mening, zoals reeds werd aangegeven in haar verzoekschrift van 13 oktober 1994, dat deze kosten waren gemaakt om adviezen in te winnen tijdens de onderhandelingen met de drie door de Commissie in het kader van het project Ecodata voorgeschreven contractspartners, en in verband met de onrechtmatige pogingen van bepaalde ambtenaren van het betrokken DG om zich in het project en de samenstelling van het consortium te mengen. Volgens verzoekster hebben deze adviezen geen enkel verband met de geschillen voor het Gerecht en het Hof, aangezien zij geen betrekking hebben op de weigering om het tweede deel van de subsidie te betalen.
31 Ten derde was het volgens verzoekster, op grond van de concrete werklast die voortvloeide uit de complexe kwesties die het geschil heeft doen rijzen, alleen al om redenen van doeltreffendheid geboden dat soms meerdere advocaten van het door haar gemachtigde kantoor zich met de verschillende aspecten van de zaak bezighielden. Zij beroept zich dienaangaande op vaste rechtspraak volgens welke voornamelijk moet worden uitgegaan van het globale aantal werkuren dat objectief gezien nodig was voor de procedure voor de gemeenschapsrechter, ongeacht het aantal advocaten waarover de verstrekte diensten zijn verdeeld (zie in die zin beschikkingen Gerecht van 15 juli 1998, Opel Austria/Raad, T‑115/94 DEP, Jurispr. blz. II‑2739, punt 29, en 10 januari 2002, Starway/Raad, T‑80/97 DEP, Jurispr. blz. II‑1, punt 31).
32 Ten vierde is verzoekster van mening dat het gevorderde bedrag wordt gerechtvaardigd door het economische belang dat het geschil voor haar vertegenwoordigt. Het tweede deel van de subsidie vertegenwoordigt meer dan 20 % van de totale financiering van het project, waarvan zij zelf 47 % moest bekostigen. Om die reden zou afwijzing van het beroep tot nietigverklaring voor haar ernstige financiële gevolgen hebben gehad, zoals het Gerecht heeft vastgesteld in punt 51 van zijn arrest van 15 oktober 1997.
33 Teneinde ook het economische belang dat het geschil voor haar vertegenwoordigt te rechtvaardigen, wijst verzoekster op de uitwerking van deze zaak op haar bedrijfsactiviteiten. Volgens verzoekster had het geschil met name betrekking op de kwaliteit van haar werk en op (ongefundeerde) grieven inzake collusie. Daardoor had het aanzienlijke schade hebben kunnen toebrengen aan haar bedrijfsactiviteiten.
Argumenten van verweerster
34 Volgens verweerster kunnen de door verzoekster in haar verzoekschrift aangevoerde argumenten een verzoek om terugbetaling van 38 373,99 EUR dat in overeenstemming is met de criteria van de rechtspraak, niet staven.
35 Wat in de eerste plaats het belang van het geschil vanuit gemeenschapsrechtelijk oogpunt betreft, betoogt verweerster dat de onderhavige zaak betrekking heeft op een niet volgens de regels uitgevoerd subsidieproject, dat wil zeggen op een categorie van zaken waarin het hoofdzakelijk draait om de feiten van het geval, en waaronder sinds lang talrijke zaken vallen.
36 Wat in de tweede plaats de hoge moeilijkheidsgraad van de onderhavige zaak betreft, merkt verweerster op dat dit hooguit gold voor de precontentieuze procedure, waarin, volgens het dossier, verzoeksters advocaten reeds een doorslaggevende rol hadden gespeeld en gedurende welke zij kennis hadden verworven die in de gerechtelijke procedure enkel nog hoefde te worden toegepast. Zelfs deze precontentieuze moeilijkheden waren niet zozeer juridisch, maar veeleer feitelijk van aard, aangezien verzoekster enerzijds haar goede relatie met de heer Tzoanos, het verantwoordelijke eenheidshoofd dat nadien corrupt bevonden werd en ontslag kreeg, niet in gevaar wilde brengen, en anderzijds de indruk wilde wekken dat zij de invloed die zou zijn uitgeoefend door de directeur-generaal van voornoemd eenheidshoofd, accepteerde. Volgens verweerster zijn de door verzoekster aangevoerde grondige uiteenzetting en analyse van de werkelijke handelwijze van de ambtenaren van de Commissie in het kader van het project niet eerst in de gerechtelijke procedure, maar reeds veel eerder naar voren gebracht, om welke reden de Commissie een bedrag van 41 832 DEM ter zake van kosten voor juridisch advies in rekening is gebracht.
37 Wat in de derde plaats de door verzoekster aangevoerde aanzienlijke werklast betreft, merkt verweerster op dat ook deze substantieel was verminderd door de precontentieuze procedure, alsmede door het feit dat verzoekster van de heer Tzoanos en/of een journalist illegaal interne documenten van de Commissie had ontvangen.
38 Bovendien is verweerster van mening dat, anders dan verzoekster beweert, alle wezenlijke elementen van de latere gerechtelijke procedure reeds ter sprake waren gebracht, reeds waren onderzocht door verzoeksters advocaten en reeds in aanmerking waren genomen tijdens de precontentieuze procedure. Verweerster voert in dit verband aan dat volgens verzoekster de grondige uiteenzetting en analyse van de werkelijke handelwijze van de ambtenaren van de Commissie in het kader van het project de kern vormden van de moeilijkheid van de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen en van de werklast die zij op zich moest nemen, en dat verzoekster toegeeft dat de gestelde kosten van juridisch advies verband hielden met de onrechtmatige pogingen van bepaalde ambtenaren van het betrokken DG om het project te beïnvloeden.
39 Ten slotte betoogt verweerster dat verzoekster een totaal onjuiste en misleidende stelling verkondigt door te beweren dat deze raadpleging van advocaten tijdens de precontentieuze procedure geen enkel verband hield met de gedingen voor het Gerecht en het Hof, aangezien verzoekster zelf juist heeft beargumenteerd dat deze beweerde beïnvloeding en het verzet ertegen de kern vormden van de procedure. Alleen dankzij dit element is haar beroep, ondanks een kennelijk gebrekkige uitvoering van het project, toegewezen.
40 Volgens verweerster zijn de advocatenkosten voortvloeiend uit de precontentieuze procedure niet invorderbaar in de zin van artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering en kunnen diezelfde kosten niet het voorwerp vormen van twee verzoeken om terugbetaling. Bijgevolg moet het door verzoekster in dit verband gevorderde worden afgewezen.
41 Gelet op alle overige elementen van deze zaak en andere, in wezen vergelijkbare, zaken, kan volgens verweerster het in casu passende bedrag van de invorderbare kosten worden gesteld op 8 000 EUR voor de procedures voor het Gerecht en op 5 000 EUR voor de procedure voor het Hof, dat wil zeggen op een totaalbedrag van 13 000 EUR.
2. Beoordeling door het Gerecht
Algemeen
42 Volgens artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering worden als invorderbare kosten aangemerkt „de door de partijen in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten, in het bijzonder de reis‑ en verblijfkosten en het honorarium van de gemachtigde, raadsman of advocaat”. Uit deze bepaling volgt dat slechts invorderbaar zijn de kosten die in verband met de procedure voor de gemeenschapsrechter zijn gemaakt en die daartoe noodzakelijk waren (beschikking Opel Austria/Raad, punt 31 supra, punt 26, en beschikking Gerecht van 19 september 2001, UK Coal/Commissie, T‑64/99 DEP, Jurispr. blz. II‑2547, punt 25).
43 Vervolgens dient eraan te worden herinnerd dat met „procedure” in artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering alleen de procedure voor de gemeenschapsrechter, en niet tevens de precontentieuze fase, wordt bedoeld. Dit blijkt met name uit artikel 90 van dit reglement, waar sprake is van de „procedure voor het Gerecht” (zie naar analogie beschikkingen Hof van 21 oktober 1970, Hake/Commissie, 75/69, Jurispr. blz. 901 en 902, en 30 november 1994, British Aerospace/Commissie, C‑294/90 DEP, Jurispr. blz. I‑5423, punten 11 en 12).
44 Wat de kosten van de procedure voor het Gerecht betreft, is het vaste rechtspraak dat de gemeenschapsrechter niet de door de partijen aan hun eigen advocaten verschuldigde honoraria kan vaststellen, maar kan bepalen tot welk bedrag die vergoedingen kunnen worden teruggevorderd van de partij die in de kosten is verwezen. Bijgevolg hoeft het Gerecht bij de beslissing op een verzoek om begroting van kosten geen rekening te houden met een nationaal tarief voor advocatenhonoraria of met een eventuele overeenkomst dienaangaande tussen de belanghebbende partij en haar gemachtigden of raadslieden (beschikking Gerecht van 8 november 1996, Stahlwerke Peine-Salzgitter/Commissie, T‑120/89 DEP, Jurispr. blz. II‑1547, punt 27, beschikking Opel Austria/Raad, punt 31 supra, punt 27, en beschikking UK Coal/Commissie, punt 42 supra, punt 26).
45 Het is eveneens vaste rechtspraak dat, aangezien een tariefregeling in het gemeenschapsrecht ontbreekt, het Gerecht de gegevens van de zaak vrijelijk moet beoordelen, daarbij rekening houdend met het voorwerp en de aard van het geschil, het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad en het economisch belang van het geschil voor de partijen (beschikking van de president van de Derde kamer van het Hof van 26 november 1985, Leeuwarder Papierwarenfabriek/Commissie, 318/82 DEP, Jurispr. blz. 3727, punten 2 en 3; beschikking Gerecht van 8 maart 1995, Air France/Commissie, T‑2/93 DEP, Jurispr. blz. II‑533, punt 16, beschikking Opel Austria/Raad, punt 31 supra, punt 28, en beschikking UK Coal/Commissie, punt 42 supra, punt 27).
46 De mate waarin de gemeenschapsrechter de waarde van het verrichte werk kan beoordelen, is afhankelijk van de nauwkeurigheid van de dienaangaande verstrekte informatie (beschikking Hof van 9 november 1995, Ahlström e.a./Commissie, C‑89/85 DEP, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 20; beschikking Gerecht Stahlwerke Peine-Salzgitter/Commissie, punt 44 supra, punt 31, en beschikking Gerecht van 28 juni 2004, Airtours/Commissie, T‑342/99 DEP, Jurispr. blz. II‑1785, punt 30).
47 Het bedrag van de in casu invorderbare kosten dient te worden begroot in het licht van deze elementen.
Voorwerp en aard van het geschil, belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht en moeilijkheid van de zaak
Aan het geding ten grondslag liggende omstandigheden
48 De in geding zijnde procedures hebben betrekking op financiële bijstand voor een project tot oprichting van een gegevensbestand over milieuvriendelijk toerisme in Europa.
49 Zowel vóór als na de verlening van deze financiële bijstand aan verzoeker, heeft de Commissie zich in verzoeksters zaken gemengd en getracht, voor de realisering van het project Ecodata Studienkreis für Tourismus eV, een onderneming die niet in verzoeksters voorstel voorkwam, aan haar op te dringen.
50 Bovendien heeft tijdens de uitvoering van het project een van de ambtenaren die met het project waren belast, de heer Tzoanos, zich in het beheer ervan gemengd door voor te stellen het grootste deel van de middelen toe te kennen aan een van de partners van verzoekster.
51 Ten slotte heeft de Commissie na de uitvoering van het project door verzoekster een beschikking gegeven waarbij uitbetaling van het saldo van de verleende financiële bijstand werd geweigerd, op grond dat verzoekster niet tijdig volledig had voldaan aan haar verplichtingen die voortvloeiden uit de beschikking tot toekenning van de subsidie.
52 Daarop heeft verzoekster het geschil tussen haar en de Commissie over de vraag of de weigering om het saldo van de financiële bijstand te betalen, gerechtvaardigd was, eerst aan het Gerecht en vervolgens aan het Hof voorgelegd.
Beoordeling van het voorwerp en de aard van het geding, het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht en de moeilijkheid van de zaak
53 Voorzover het geding betrekking heeft op de niet-nakoming van de aan de toekenning van financiële bijstand verbonden voorwaarden, onderscheidt het zich niet in het bijzonder van andere zaken op het gebied van financiële bijstand. De uitlegging van de voorwaarden van de beslissing tot toekenning van de bijstand vergt namelijk geen bijzonder ingewikkelde analyse. Bovendien levert de beoordeling van de nakoming van de voorwaarden die verbonden zijn aan de toekenning van financiële bijstand als thans in geding, geen specifieke juridische moeilijkheden op en heeft zij geen bijzonder belang voor het gemeenschapsrecht.
54 Het geding heeft evenwel ook betrekking op de inmenging van de Commissie vóór en tijdens de uitvoering door verzoekster van het gesubsidieerde project. De noodzaak om de exacte omstandigheden van deze inmenging vast te stellen, alsmede om de gevolgen ervan voor de oplossing van het geschil grondig te analyseren, brengt in zekere zin specifieke moeilijkheden met zich mee die deze zaak onderscheiden van andere zaken betreffende de niet-nakoming van aan de toekenning van financiële bijstand verbonden voorwaarden.
55 In casu heeft het Hof zich namelijk uitgesproken over de verdeling van de bewijslast over partijen bij inmenging van de Commissie in een gesubsidieerd project. Het Hof heeft gepreciseerd dat, aangezien verzoekster aanwijzingen voor inmenging door ambtenaren van de Commissie in het beheer van het project had verstrekt, en deze inmenging een goed verloop van het project kon hebben belemmerd, het aan de Commissie stond om aan te tonen dat verzoekster, ondanks deze inmenging, het project nog steeds op bevredigende wijze kon beheren. Op dit punt is het geding van belang voor het gemeenschapsrecht, voorzover het verduidelijking heeft gebracht in de verdeling van de op partijen rustende bewijslast bij inmenging van de Commissie in de uitvoering van een gesubsidieerd project, ten aanzien van welk project de instelling voor het overige stelt dat er sprake is van verwijtbare niet-nakoming.
56 Hieruit volgt dat het onderhavige geding wordt gekenmerkt door een zekere mate van nieuwheid en, bijgevolg, een zeker belang heeft vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht.
Werklast die de contentieuze procedure kan hebben opgeleverd
Opmerkingen vooraf
57 Aangaande de werklast die de procedure voor de gemeenschapsrechter heeft kunnen veroorzaken, volgt uit het voorgaande dat het geding inderdaad veel werk van verzoeksters raadslieden kan hebben gevergd.
58 Niettemin dient, om de omvang van het werk waartoe de contentieuze procedure aanleiding kan hebben gegeven volledig te kunnen beoordelen, ook rekening te worden gehouden met de kennis waarover de advocaten reeds beschikten en met de nauwkeurigheid van de met betrekking tot de aangevoerde kosten en honoraria verstrekte gegevens.
Kennis waarover de advocaten reeds beschikten
59 Met betrekking tot de beoordeling van de werklast die de contentieuze procedure heeft kunnen veroorzaken, zij erop gewezen dat de gemeenschapsrechter het werk in aanmerking moet nemen dat objectief gezien noodzakelijk was voor de gehele gerechtelijke procedure. Wanneer verzoeksters advocaten haar evenwel reeds hebben bijgestaan tijdens procedures of stappen voordat de zaak aan de rechter wordt voorgelegd, moet eveneens rekening worden gehouden met het feit dat die advocaten daardoor reeds bekend zijn met voor het geding relevante elementen, hetgeen hun werk vergemakkelijkt en de voor de contentieuze procedure benodigde voorbereidingstijd verkort (zie in die zin beschikkingen Gerecht van 8 november 2001, Kish Glass/Commissie, T‑65/96 DEP, Jurispr. blz. II‑3261, punt 25; 6 maart 2003, Nan Ya Plastics en Far Eastern Textiles/Raad, T‑226/00 DEP en T‑227/00 DEP, Jurispr. blz. II‑685, punt 43, en 7 december 2004, Lagardère en Canal+/Commissie, T‑251/00 DEP, Jurispr. blz. II‑4217, punt 30).
60 Hieruit volgt dat de bijstand door advocaten tijdens de precontentieuze fase bij de beoordeling van de invorderbare kosten buiten beschouwing moet worden gelaten, indien komt vast te staan dat deze bijstand voor de contentieuze fase geen betekenis heeft.
61 In casu wordt niet betwist dat zowel tijdens de precontentieuze als tijdens de contentieuze fase van het project dezelfde advocaten zijn opgetreden voor verzoekster.
62 Verzoekster merkt evenwel op dat de wezenlijke feitelijke en rechtsvragen die tijdens de procedures voor het Hof en het Gerecht zijn gerezen, niet het voorwerp waren van de precontentieuze discussie tussen haar en de Commissie (zie punten 29 en 30 supra). Zij verwijst in dit verband naar de brief van 28 december 1993, waarin zij, op de weigering van de Commissie om het saldo van de subsidie te betalen, heeft voorgesteld om tot een gezamenlijke oplossing te komen.
63 Het Gerecht is niettemin van oordeel, dat het feit dat tijdens de precontentieuze fase van het project is voorgesteld om tot een gezamenlijke oplossing te komen, in casu niet aantoont dat verzoeksters advocaten geen kennis hadden van feitelijke en juridische elementen die hun werk tijdens de contentieuze procedures betreffende het project Ecodata kunnen hebben vergemakkelijkt.
64 Om na de weigering van de Commissie om het saldo van een subsidie te betalen op grond dat het gesubsidieerde project door de schuld van de begunstigde niet is uitgevoerd, het voorstel te kunnen doen om tot een gezamenlijke oplossing te komen, dient toch ten minste een zekere kennis van de feitelijke context van deze weigering te zijn verworven en een eerste onderzoek te zijn verricht naar de gegrondheid van de daarvoor gegeven motivering.
65 Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het feit dat de Commissie een verzoek om verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift heeft gemotiveerd door te wijzen op de omvang van de te bestuderen bijlagen en de noodzaak, de betrokken diensten te raadplegen. Dit verzoek toont geenszins aan, dat verzoeksters advocaten tijdens de precontentieuze fase geen kennis hadden van relevante feitelijke en juridische elementen.
66 Verzoekster betwist voorts dat uit het feit dat zij de Commissie kosten van juridisch advies als projectkosten in rekening heeft gebracht, kan worden afgeleid dat haar advocaten tijdens de precontentieuze fase in kennis waren gesteld van alle voornaamste elementen van het geschil.
67 Het Gerecht merkt dienaangaande op dat verzoekster in de onderhavige zaak zelf heeft aangevoerd dat deze kosten met name zijn gemaakt in verband met de onrechtmatige pogingen van bepaalde ambtenaren van de Commissie om zich in het project en de samenstelling van het consortium te mengen.
68 Verder herinnert het Gerecht eraan dat, tijdens de contentieuze procedure die heeft geleid tot het arrest van 15 oktober 1997, verzoekster heeft betoogd dat de vertragingen in de uitvoering van het project waren veroorzaakt door bepaalde inmengingen van ambtenaren van de Commissie, met name door de inmengingen die erop gericht waren dat een groot gedeelte van de toegekende gelden zou toekomen aan een van de partners van verzoekster en dat Studienkreis für Tourismus eV als partner zou worden aanvaard. Reeds op deze grond viel het volgens verzoekster niet te rechtvaardigen dat zij werd bestraft doordat betaling haar juist wegens een tardieve uitvoering van het project werd geweigerd (arrest van 15 oktober 1997, punt 34).
69 Hieruit volgt dat over de inmengingen van de Commissie in het beheer van het project door verzoeksters advocaten tijdens de precontentieuze fase van het project advies is uitgebracht en dat deze inmengingen door verzoekster tijdens de contentieuze fase van het project zijn aangevoerd ter rechtvaardiging van haar tardieve uitvoering van het project. De door verzoekster tijdens de precontentieuze fase van het project ingewonnen adviezen, die als deel van de projectkosten in rekening zijn gebracht, hebben verzoeksters advocaten dus in staat gesteld kennis te nemen van bepaalde feitelijke en juridische elementen, die voor de contentieuze fase van het project relevant zijn geweest.
70 Deze adviezen aangaande de inmengingen van de Commissie in het beheer van het project zijn niet uitgebracht in verband met de weigering van de Commissie om het saldo van de subsidie te betalen – zij zijn gegeven vóór deze weigering – maar dit neemt niet weg dat deze adviezen verzoeksters advocaten in staat hebben gesteld om tijdens de precontentieuze fase te beoordelen of deze inmengingen reëel waren en welke rechtsgevolgen daaraan konden worden verbonden. Genoemde adviezen moeten derhalve het werk van verzoeksters advocaten hebben vergemakkelijkt en met name de voor de eerste contentieuze procedure benodigde voorbereidingstijd hebben verminderd. Voor de beoordeling van de implicaties van deze constatering moeten evenwel de honoraria zoals die in de onderhavige zaak zijn vastgesteld in de beschouwing worden betrokken.
Kosten en honoraria
71 Voor wat betreft de door verzoekster aangevoerde kosten en honoraria, moet haar standpunt worden bevestigd dat het haar vrijstond om de verdediging van haar belangen aan meerdere advocaten toe te vertrouwen, maar dat het Gerecht vooral rekening moet houden met het totale aantal arbeidsuren dat objectief gezien noodzakelijk kan worden geacht voor de contentieuze procedure, ongeacht het aantal advocaten waarover de verrichte diensten zijn verdeeld (beschikkingen Gerecht Nan Ya Plastics en Far Eastern Textiles/Raad, punt 59 supra, punt 44, en Airtours/Commissie, punt 46 supra, punt 30, en beschikking Gerecht van 29 oktober 2004, Schneider Electric/Commissie, T‑77/02 DEP, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 58).
72 De mogelijkheid voor de gemeenschapsrechter om de waarde van het verrichte werk te beoordelen, is evenwel afhankelijk van de nauwkeurigheid van de dienaangaande verstrekte informatie (zie punt 46 supra en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73 Aangaande de honoraria voor de procedures die hebben geleid tot de arresten van 15 oktober 1997 en 5 oktober 1999, verklaart verzoekster dat haar advocaten op forfaitaire basis hebben gewerkt en somt zij de prestaties op die door de betrokken forfaits werden gedekt. De facturen van verzoekster met betrekking tot deze forfaitaire honoraria bevatten evenwel geen enkele specificatie van de geleverde prestaties of het aantal gewerkte uren, hetgeen de verificatie van de voor deze procedures gemaakte kosten bemoeilijkt.
74 Los van de hiervóór in de punten 59 tot en 70 uiteengezette overwegingen met betrekking tot de kennis waarover de advocaten reeds beschikten, kunnen de gevorderde bedragen evenwel worden beschouwd als evenredig aan de werklast die de betrokken procedures hebben kunnen meebrengen. Deze kosten kunnen derhalve in redelijkheid worden aangemerkt als noodzakelijk in verband met deze procedures.
75 Ook de honoraria voor de procedure die heeft geleid tot het arrest van 6 maart 2001 kunnen, los van de hiervóór in de punten 59 tot en 70 geformuleerde overwegingen met betrekking tot kennis waarover de advocaten reeds beschikten, gelet op de werklast waartoe de betrokken procedure aanleiding kan hebben gegeven, als evenredig worden beschouwd. Deze kosten kunnen derhalve in redelijkheid worden aangemerkt als noodzakelijke kosten in verband met deze procedure.
76 Wat de overige kosten in verband met de drie procedures betreft, vordert verzoekster met name terugbetaling van bankkosten en van kosten van reizen naar Luxemburg.
77 De bankkosten die worden genoemd in de facturen van 26 oktober 1995 en 31 december 1991, kunnen naar het oordeel van het Gerecht niet worden vergoed. Verzoekster heeft immers niet kunnen aangeven in welk opzicht deze kosten dienen te worden aangemerkt als noodzakelijke kosten in verband met de procedure voor de gemeenschapsrechter.
78 Ten aanzien van de reiskosten merkt het Gerecht op dat verzoekster met name de terugbetaling vordert van de kosten die verband houden met de reizen naar Luxemburg op 13 oktober 1994 en 18 april 1995 voor de indiening van haar memories. Deze data corresponderen namelijk met respectievelijk de datum van neerlegging van het verzoekschrift en die van neerlegging van de repliek in de procedure die heeft geleid tot het arrest van 15 oktober 1997. Ook voor de zaak die heeft geleid tot het arrest van 5 oktober 1999 vordert verzoekster terugbetaling van de kosten van de reis naar Luxemburg op 22 december 1997, welke kosten, naar zij zelf toegeeft, verband houden met de neerlegging door Andrade van de hogere voorziening bij het Hof.
79 In de eerste plaats heeft de gemeenschapswetgever in artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering met het oog hierop voorzien in een termijn wegens afstand, en in de tweede plaats bestaan er andere veilige, onmiskenbaar goedkopere manieren om documenten bij de gemeenschapsrechter te bezorgen (zie in die zin beschikking Gerecht van 8 juli 2004, De Nicola/EIB, T‑7/98 DEP, T‑208/98 DEP en T‑109/99 DEP, JurAmbt. blz. IA‑219, II-973, punt 40).
80 Bijgevolg is het Gerecht van oordeel dat deze reiskosten niet als noodzakelijk kunnen worden aangemerkt.
81 De overige kosten waarvan verzoekster de terugbetaling vordert, worden door de Commissie niet betwist en lijken in redelijkheid te kunnen worden aangemerkt als noodzakelijk.
Economische belangen die het geschil voor partijen vertegenwoordigt
82 Voor wat betreft de economische belangen die op het spel stonden, moet gelet op de verklaringen van verzoekster, die door de Commissie niet zijn betwist en door de stukken in het dossier niet worden weersproken, worden geconcludeerd dat de uitkomst van de zaak voor haar een groot belang vertegenwoordigde.
Globale beoordeling
83 Gelet op het voorgaande acht het Gerecht het billijk om het totaalbedrag van de kosten die de Commissie verzoekster voor de betrokken zaken dient te vergoeden, vast te stellen op 34 260 EUR.
84 Aangezien partijen geen verzoek hebben ingediend om vergoeding van de kosten die voor de onderhavige kostenbegrotingsprocedure zijn gemaakt, hoeft hierop niet te worden beslist.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
beschikt:
Het totaalbedrag van de door de Commissie aan IPK-München te vergoeden kosten wordt vastgesteld op 34 260 EUR.
Luxemburg, 13 januari 2006.
De griffier
De president van de Derde kamer
E. Coulon
M. Jaeger
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy