BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Derde kamer)
18 november 1997 ( *1 )
In zaak T-367/94,
British Coal Corporation, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Londen, vertegenwoordigd door D. Vaughan, QC, D. Lloyd Jones, Barrister, en C. Mehta, Solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Loesch & Wolter, advocaten aldaar, Rue Goethe 11,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Currall, lid van haar juridische dienst, en R. Caudwell, bij haar gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
National Association of Licensed Opencast Operators, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Swindon (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door N. Green en M. Hoskins, Barristers, geïnstrueerd door D. Wilson, A. Dowie en C. Jobson, Solicitors, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van V. Gillen, advocaat aldaar, Rue Aldringen 13,
interveniente,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de stilzwijgende weigering van de Commissie om een op 15 juni 1994 door de National Association of Licensed Opencast Operators tegen verzoekster ingediende klacht af te wijzen,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer), samengesteld als volgt: V. Tiili, kamerpresident, C. P. Briët en A. Potocki, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
1
Overeenkomstig artikel 23 van 's Hofs Statuut-EGKS (hierna: „Statuut”), dat krachtens artikel 46 daarvan op het Gerecht van toepassing is, en de artikelen 64, lid 3, sub d, en 65, sub b, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft British Coal Corporation (hierna: „British Coal”) het Gerecht bij op 7 juli 1997 neergelegde memorie verzocht, de Commissie te gelasten haar een document te doen toekomen.
2
Plet zou hierbij gaan om een brief waarin de Commissie de National Association of Licensed Opencast Operators (nationale vereniging van vergunninghouders voor kolenwinning in dagbouw; hierna: „NALOO”) verzocht, haar opmerkingen te maken over een eventuele afwijzing van een tegen British Coal gerichte Wacht, die NALOO op 15 juni 1994 bij de Commissie had ingediend.
3
In die Macht betwistte NALOO in hoofdzaak de wettigheid — gelet op de artikelen 4, sub d, 65 en 66, lid 7, EGKS-Verdrag (hierna: „Verdrag”) — van de royalty's die haar leden van 1 januari 1973 tot en met 31 maart 1990 aan British Coal hadden moeten betalen over de in de mijnen van British Coal in dagbouw gewonnen steenkool.
4
Op verzoek van de Commissie deed British Coal deze instelling op 1 augustus 1994 haar opmerkingen betreffende de klacht toekomen. Bij die gelegenheid wendde zij zich op grond van artikel 35 van het Verdrag tot de Commissie met een verzoek dat primair strekte tot vaststelling, dat de Commissie niet bevoegd was de Macht te onderzoeken, en, subsidiair, tot afwijzing van de klacht volgens het recht, zonder de klacht inhoudelijk te onderzoeken.
5
Bij schrijven van 3 oktober 1994 liet de Commissie British Coal weten, dat zij niet gerechtigd was van de Commissie een beschiMdng van een bepaalde strekking te verlangen en dat het feit dat een klacht niet wordt afgewezen binnen de termijn die is gesteld door de onderneming waartegen die klacht is gericht, geen aanleiding kan zijn voor een procedure krachtens artikel 35 van het Verdrag.
6
Bij op 10 november 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft British Coal op grond van laatstgenoemde bepaling beroep ingesteld tot nietigverklaring van de stilzwijgende weigering die zou moeten worden afgeleid uit het feit dat de Commissie naliet de Macht van NALOO terstond en zonder inhoudelijk onderzoek af te wijzen.
7
Bij beschikking van de president van de Derde kamer van 24 maart 1997 is NALOO toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.
8
Bij op 9 juni 1997 ingeschreven memorie heeft NALOO haar memorie in interventie ingediend, waarop British Coal en de Commissie zijn uitgenodigd hun schriftelijke opmerldngen dienaangaande te maken.
9
Nadat British Coal het onderhavige verzoek om overlegging van een document had ingediend, heeft het Gerecht de Commissie en NALOO verzocht hun schriftelijke opmerkingen dienaangaande te maken.
10
Bij op 14 juli 1997 neergelegde memorie heeft de Commissie laten weten, dat zij zich — althans vooralsnog — niet verplicht acht, British Coal van de in genoemd verzoek bedoelde brief in kennis te stellen.
11
Bij schrijven van 21 juli 1997 heeft NALOO het Gerecht laten weten, dat zij geen bezwaar heeft tegen openbaarmaking van de betrokken brief aan British Coal.
12
Tot staving van haar verzoek om overlegging stelt British Coal in de eerste plaats, dat de brief van de Commissie van zeer groot belang is voor haar betoog in de zaak tegen deze instelling, voor zover daarin een voorlopig standpunt besloten ligt ten aanzien van de vraag, of aan NALOO's klacht al dan niet gevolg moet worden gegeven, alsmede de aan dat standpunt ten grondslag liggende motieven worden uiteengezet.
13
In de tweede plaats is het voor het uitwerken van haar opmerkingen betreffende NALOO's memorie in interventie essentieel, dat British Coal het laatste standpunt van de Commissie kent, zodat zij dit kan bespreken en het Gerecht in kennis kan stellen van de huidige stand van zaken met betrekking tot de klacht.
14
In de derde plaats verlangt het „equality of arms”-beginsel, dat British Coal inzage krijgt in de brief, omdat anders de kans bestaat, dat British Coal en de Commissie bij het maken van hun opmerkingen niet van dezelfde gegevens uitgaan. Het valt te verwachten, dat de Commissie in haar opmerkingen aandacht zal besteden aan die brief. Aangezien de Commissie in de loop van de procedure verscheidene malen van standpunt is veranderd, houdt achterhouding van de brief volgens British Coal bovendien het gevaar in, dat zij tijd besteedt aan het analyseren van een standpunt waarvan de Commissie inmiddels is teruggekomen.
15
In de vierde plaats biedt de betrokken brief — evenals een brief uit 1995, waarin de Commissie ook overwoog NALOO's klacht af te wijzen — steun aan de stelling van British Coal, dat de Commissie NALOO's klacht terstond had kunnen en moeten afwijzen. Zo het de Commissie wordt toegestaan, de in het onderhavige verzoek om overlegging bedoelde brief achter te houden, wordt British Coal een laatste mogelijkheid ontnomen om daarover schriftelijke opmerkingen te maken.
16
In de vijfde en laatste plaats merkt British Coal op, dat de Commissie de betrokken brief hoe dan ook zal moeten overleggen in het kader van de onderhavige procedure en dat er geen gegronde redenen zijn om dit niet terstond te doen.
17
De Commissie merkt op, dat het onjuist zou zijn indien zij werd gelast, British Coal van de brief in kennis te stellen, aangezien dit document niet behoort tot de „stukken welke (...) betrekking hebben” op de zaak die voor het Gerecht is gebracht, in de zin van artikel 23 van het Statuut. Doel van deze bepaling is haars inziens, de gemeenschapsrechter in staat te stellen kennis te nemen van de documenten betreffende de handeling of het nalaten waarop het geding betrekking heeft, dat wil zeggen enkel van die documenten die ten tijde van de gewraakte handeling of het gewraakte nalaten bestonden.
18
De Commissie stelt voorts, dat de aan British Coal geboden mogelijkheid om op NALOO's memorie in interventie te antwoorden, niet inhoudt dat zij de betrokken brief kan bespreken, maar dat zij opmerkingen kan maken over die memorie, waarvan het voorwerp wordt bepaald door dat van het geding. Indien de Commissie zou besluiten NALOO's klacht af te wijzen, zou British Coal daarvan in kennis worden gesteld en alsdan in de gelegenheid zijn haar argumenten naar voren te brengen. In een dergelijk geval zou zij daarbij echter geen belang meer hebben, aangezien zij precies datgene zou hebben bereikt wat met het onderhavige beroep wordt beoogd.
19
Het feit op zich dat British Coal op de hoogte zal worden gesteld van het uiteindelijke standpunt van de Commissie, hoe dit ook moge uitvallen, is volgens de Commissie geen reden om haar in dit stadium in kennis te stellen van de inhoud van een tot een derde gerichte brief, waarvan vooralsnog niet mag worden aangenomen, dat hij uiteindelijk zal leiden tot een beschikking waarbij de klacht wordt afgewezen. Wanneer de Commissie aanvankelijk van plan is aan de klacht geen gevolg te geven, is het alleen aan de indiener van de klacht om te trachten het besluit van de Commissie te beïnvloeden.
20
De Commissie merkt tot slot op, dat British Coal het standpunt van NALOO kent en op de hoogte is van haar eigen argumenten en zelfs van die van de ondernemingen waarvan het verzoek tot tussenkomst is afgewezen. Haars inziens is British Coal dus zeer wel in staat, haar opmerkingen over de opgeworpen vraag te maken. Dat British Coal de betrokken brief lijkt te willen gebruiken voor opmerkingen over vragen waarmee het Gerecht zich in casu niet behoeft bezig te houden, is volgens de Commissie reden genoeg om de brief niet aan haar over te leggen.
21
Het Gerecht brengt om te beginnen in herinnering, dat indien beroep wordt ingesteld tegen een beslissing die is genomen door een instelling van de Gemeenschap, deze instelling ingevolge artikel 23 van het Statuut gehouden is het Gerecht alle stukken over te leggen die betrekking hebben op de zaak die voor het Gerecht is gebracht.
22
Bovendien noemt artikel 64, lid 3, sub d, van het Reglement voor de procesvoering als maatregel tot organisatie van de procesgang de overlegging van documenten of stukken die betrekking hebben op de zaak.
23
Ten slotte vermeldt artikel 65, sub b, van het Reglement voor de procesvoering de overlegging van stukken als één van de maatregelen van instructie die door het Gerecht kunnen worden bevolen.
24
Het volstaat echter vast te stellen, dat de brief om overlegging waarvan in casu wordt verzocht, niet kan worden beschouwd als een stuk of document in de zin van genoemde bepalingen, die enkel zien op documenten die relevant zijn gelet op het eigenlijke voorwerp van het geding.
25
In casu nu betwist British Coal enkel de wettigheid van de beweerde stilzwijgende weigering van de Commissie om te voldoen aan haar verzoek om NALOO's klacht terstond en zonder inhoudelijk onderzoek af te wijzen.
26
Zoals uit haar hiervóór weergegeven opmerkingen blijkt, is de Commissie pas van plan een eindbeschikking op NALOO's klacht te geven, nadat zij deze eerst heeft onderzocht, en vormt de in geding zijnde brief slechts één van de etappes van dat onderzoek. De vraag van de wettigheid van een eventuele uitdrukkelijke beschikking tot afwijzing van de klacht is dus uiteraard een geheel andere dan die van de wettigheid van de stilzwijgende weigering die reeds heeft plaatsgevonden, en behoort dus niet tot het voorwerp van het onderhavige geding.
27
Hieruit volgt, dat British Coal op geen enkele wijze heeft aangetoond, dat de brief om overlegging waarvan zij heeft verzocht, voor het onderhavige geding relevant is.
28
Mitsdien moet haar verzoek worden afgewezen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
beschikt:
1)
Het verzoek van verzoekster dat strekt tot overlegging van de brief van de Commissie waarin de National Association of Licensed Opencast Operators werd verzocht, haar opmerkingen te maken over een eventuele beschikking tot afwijzing van haar klacht, wordt afgewezen.
2)
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 18 november 1997.
De griffier
H.Jung
De president van de Derde kamer
V. Tiili
( *1 ) Proccstaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy