Conclusie van de advocaat generaal
I - Vooraf
1 De vragen van het Bayerische Verwaltungsgericht Ansbach en het Finanzgericht Bremen betreffen de verenigbaarheid van Duitse rechtsregels inzake het openbaar ambt met het beginsel van gelijkheid van behandeling van mannen en vrouwen, dat is neergelegd in artikel 119 van het Verdrag en geregeld bij richtlijnen 75/117/EEG(1) (hierna: "richtlijn 75/117") en 76/207/EEG(2) (hierna: "richtlijn 76/207"). Met name is het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de regelmatigheid van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inhoudende dat deeltijdarbeid door de administratie volgens andere regels wordt meegeteld dan voltijdarbeid, met name in verband met bevorderingen en vrijstellingen van een staatsexamen.
II - De feiten
A - Zaak C-1/95
2 De feiten die ten grondslag liggen aan de prejudiciële vragen in zaak C-1/95, kunnen worden samengevat als volgt. H. Gerster (hierna: "verzoekster") is op 1 augustus 1966 in dienst getreden bij de belastingdienst van de Freistaat Bayern (hierna: "verweerder"). Zij is op 1 mei 1968 als ambtenaar op proef aangesteld, en op 27 juni 1977 als ambtenaar in vaste dienst. Van 7 september 1984 tot 6 september 1987 had zij verlof zonder wedde. Vanaf die datum heeft zij deeltijds, meer bepaald halftijds, gewerkt bij het plaatselijk bureau van de belastingdienst.
3 Bij brief van 2 december 1993 heeft verzoekster gesolliciteerd naar een vacante post bij het Finanzamt Nürnberg West. Daarbij verzocht zij bij de beoordeling van haar sollicitatie, voor de berekening van haar dienstanciënniteit rekening te houden met het volledige tijdvak van haar deeltijdarbeid vanaf september 1987.
4 Bij besluit van 5 januari 1994 heeft de Oberfinanzdirektion Nürnberg verzoeksters sollicitatie afgewezen, op grond dat de vacante post moest worden toegewezen aan een ambtenaar die vóór haar stond op de "lijst van voor bevordering in aanmerking komende kandidaten".
5 Bij besluit van 25 april 1994 heeft de Oberfinanzdirektion verzoeksters klacht tegen dit besluit ongegrond verklaard.
6 Op 20 mei 1994 heeft verzoekster bij de verwijzende rechter beroep tegen het definitief besluit ingesteld, stellende dat dit besluit in strijd was met de beginselen inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen, zoals neergelegd in het gemeenschapsrecht. Verzoekster stelde dat bij de toepassing van de relevante nationale voorschriften, de administratie bij de rangschikking van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren haar tijdvakken van deeltijdarbeid niet had meegeteld alsof het om tijdvakken van voltijdarbeid ging.
7 Gesteld dat artikel 119 van het Verdrag ook geldt voor ambtenaren, wenst de verwijzende rechter te vernemen of het bepaalde in § 13, lid 2, tweede zin, van de Beierse statutaire regeling ("Laufbahnverordnung") - bepalende dat bij de anciënniteitsberekening de periodes van deeltijdarbeid met een arbeidsduur van de helft tot twee derde van de normale arbeidsduur, voor twee derde van die normale arbeidsduur meetellen - verband kan houden met het begrip beloning in de zin van de bepalingen van het Verdrag.(3) Volgens de verwijzende rechter is de anciënniteit niet het enige element waar de administratie van uitgaat bij een bevorderingsbesluit, en dus bij de toekenning van de daarbij horende salarisverhoging. De onderhavige zaak verschilt dus van die waarover het Hof zich destijds in de zaak Nimz heeft uitgesproken. Het zou dus twijfelachtig zijn, dat in de onderhavige zaak naar bedoeld arrest zou kunnen worden verwezen.(4)
8 Vanuit een ander oogpunt beschouwd, stelt de verwijzende rechter de vraag aan de orde, of de betrokken statutaire regeling eventueel in strijd kan zijn met de gemeenschapsregels inzake gelijke toegang tot de promotiekansen. Niet alleen is de berekening van de dienstanciënniteit een factor bij de beoordeling van de sollicitaties en de rangschikking van de voor bevordering in aanmerking komende kandidaten, doch in bepaalde gevallen kunnen anciënniteitsvoorwaarden de toegang van de betrokkene tot een bevordering versperren.
9 Met het oog op de beslechting van het bij hem aanhangige geding, achtte de verwijzende rechter het nodig het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
"1) Is artikel 119 EEG-Verdrag van toepassing op ambtenaren?
2) Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, is er dan sprake van schending van artikel 119 EEG-Verdrag en van richtlijn 75/117/EEG van de Raad in de vorm van een $indirecte discriminatie van vrouwen', nu § 13, lid 2, tweede zin, van de Laufbahnverordnung (LbV) bepaalt, dat bij de berekening van de anciënniteit van ambtenaren de periodes van tewerkstelling met een arbeidsduur van ten minste de helft tot twee derde van de normale arbeidsduur, slechts voor twee derde meetellen?
3) Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, is er dan sprake van schending van richtlijn 76/207/EEG van de Raad in de vorm van $indirecte discriminatie van vrouwen' met betrekking tot de promotiekansen, nu § 13, lid 2, tweede zin, LbV bepaalt, dat bij de berekening van de anciënniteit van ambtenaren de periodes van tewerkstelling met een arbeidsduur van ten minste de helft tot twee derde van de normale arbeidsduur, slechts voor twee derde meetellen?"
10 In de loop van de behandeling zijn schriftelijke opmerkingen ingediend in de zin van artikel 20 van 's Hofs Statuut-EG door verzoekster, de betrokken administratie, de Ierse regering, de Britse regering en de Commissie, die ook ter terechtzitting mondelinge opmerkingen hebben gemaakt. De Griekse regering heeft alleen aan de mondelinge behandeling deelgenomen.
11 Ten slotte wijs ik er nog op, dat de nationale regeling in de loop van 1995 op belangrijke punten is gewijzigd. In de nieuwe versie van de statutaire bepalingen heet het, dat met ingang van 17 oktober 1995 bij de berekening van de dienstanciënniteit met het oog op bevordering deeltijdwerknemers en voltijdwerknemers gelijk worden behandeld.(5) Deze regeling geldt slechts voor de toekomst, en bevat geen bepalingen tot regeling van situaties die in het verleden zijn ontstaan.
B - Zaak C-100/95
12 De feiten van deze zaak kunnen worden samengevat als volgt.
Kording is geboren in 1953, en werkt als Sachbearbeiter bij de Oberfinanzdirektion te Bremen. Zij is in 1972 in overheidsdienst getreden, en heeft eerst - tot 14 november 1980 - voltijds gewerkt; dan heeft zij tot 31 oktober 1993 20 uur per week gewerkt; van 1 november 1993 tot 18 maart 1994 heeft zij halftijds gewerkt, en sedert 19 maart 1994 werkt zij 26 uur per week.
13 Bij brief van 21 oktober 1992 heeft Kording de toelatingscommissie voor belastingconsulenten bij de Senator für Finanzen om een bindend advies verzocht, inhoudende dat zij ingevolge haar deeltijdactiviteit bij de belastingadministratie voldeed aan de voorwaarden ratione temporis - 15 jaar dienst in de sector belastingzaken bij de federale belastingadministratie of bij die van een Land - zoals neergelegd in § 38, lid 1, punt 4, sub a, van het Steuerberatungsgesetz (wet betreffende het beroep van belastingadviseur), om te worden vrijgesteld van het examen dat toegang verleent tot het beroep van "belastingadviseur".(6)
14 Bij antwoord van 11 februari 1993 liet de commissie Kording weten, dat de praktijkervaring die de wetgever verlangt voor een vrijstelling van het examen moet worden geacht betrekking te hebben op voltijdarbeid. In het geval van een kandidaat die deeltijds werkt, kunnen de overeenkomstige periodes dus voor vrijstelling slechts in aanmerking worden genomen op basis van de verhouding tussen de reële arbeidsduur van de betrokkene en de normale arbeidsduur.(7)
15 Op 9 maart 1993 heeft Kording beroep ingesteld bij de verwijzende rechter en om nietigverklaring van het bindend advies verzocht, en gevraagd dat de administratie de verplichting zou worden opgelegd een advies vast te stellen inhoudende dat aan de voorwaarden voor vrijstelling van het toegangsexamen is voldaan. Volgens verzoekster is de omstandigheid dat zij deeltijds heeft gewerkt, irrelevant voor de berekening van de wettelijke termijn om voor vrijstelling in aanmerking te komen. De door de administratie toegepaste oplossing zou een discriminatie vormen ten nadele van de deeltijdwerknemers, die verboden is bij de Duitse grondwet en in strijd is met de beginselen van het gemeenschapsrecht ter zake. Deeltijdwerknemers zijn namelijk meestal vrouwen, en de betrokken regeling maakt het voor hen moeilijker om toegang te krijgen tot het beroep van belastingadviseur.(8)
16 Vanwege zijn twijfels over de verenigbaarheid van de Duitse regeling met de beginselen van richtlijn 76/207, heeft de verwijzende rechter de behandeling van de bij hem aanhangige zaak geschorst, en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vraag:
"Is er sprake van schending van artikel 3, lid 1, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40), of van een andere gemeenschapsrechtelijke bepaling, in de vorm van $indirecte discriminatie van vrouwen', indien volgens de nationale bepalingen (§ 38, lid 1, punt 4, sub a, en lid 2, juncto § 36, lid 3, Steuerberatungsgesetz) de als voorwaarde voor vrijstelling van het examen voor belastingadviseur vereiste activiteit van ten minste vijftien jaar als stafmedewerker ($Sachbearbeiter') van de belastingdienst, bij deeltijdarbeid van ten minste de helft van de normale arbeidsduur, met een overeenkomstige termijn wordt verlengd, en indien 110 van de 119 deeltijds werkende stafleden van de belastingdienst te Bremen vrouwen zijn (92,4 %)?"
17 De Commissie en de betrokken administratie hebben schriftelijke en mondelinge opmerkingen ingediend. De Britse en de Ierse regering hebben uitsluitend aan de mondelinge behandeling deelgenomen.
III - Bespreking van de punten in geding
18 In de twee zaken worden met de prejudiciële vragen in feite soortgelijke kwesties aan de orde gesteld. Het gaat er namelijk om te onderzoeken, of de nationale regeling die met betrekking tot de dienstanciënniteit een onderscheid maakt tussen voltijdwerknemers en deeltijdwerknemers - welk onderscheid hoofdzakelijk vrouwen treft - in strijd is met het beginsel van gelijkheid van behandeling van man en vrouw zoals vastgesteld en gepreciseerd in het gemeenschapsrecht.(9)
Met de prejudiciële vragen wordt bovendien de aandacht gevestigd op een nieuw aspect, nu, anders dan in de zaak Nimz - waarin de deeltijdwerknemer door de berekeningscriteria werd benadeeld - de toepasselijke Duitse regeling in het geval van Gerster gunstiger is dan wanneer haar deeltijdarbeid louter naar verhouding van de werkelijke arbeidsduur werd meegerekend; in het geval van Kording daarentegen wordt de arbeidsduur strikt volgens het proportionaliteitsbeginsel berekend.(10)
A - Zaak C-1/95
De eerste vraag
19 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of artikel 119 van het Verdrag ook geldt voor ambtenaren.
20 Hierover kan ik kort zijn. De verdragsregel is van dwingend recht. Daarin is een beginsel neergelegd - het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers - dat "een der grondslagen van de Gemeenschap is".(11) Deze regel moet dus worden toegepast op alle werknemers, zowel van de particuliere als van de openbare sector. Dit is een logische conclusie, die bevestiging vindt in de vaste rechtspraak van het Hof.
21 Wat het eerste aspect betreft, ware het in strijd met het doel van de regeling indien de sector overheidspersoneel van de werkingssfeer ervan was uitgesloten. De werknemers zouden in dat geval verschillend worden behandeld uitsluitend op grond van de hoedanigheid van de werkgever, overheid of particulier. Een dergelijke conclusie is onverenigbaar met de algemene - en principiële - doelstellingen van de verdragsbepaling.
22 Bovendien wordt deze zienswijze uitdrukkelijk bevestigd in de vaste rechtspraak van het Hof, waarin is erkend dat het geheel van normatieve handelingen waarin het beginsel van artikel 119 is uitgewerkt, van toepassing is op de openbare dienst. Het Hof heeft namelijk verklaard, dat:
"richtlijn nr. 76/207, zoals overigens ook richtlijn nr. 75/117, ook voor publiekrechtelijke dienstverhoudingen geldt. Evenals artikel 119 EEG-Verdrag hebben ook deze richtlijnen een algemene strekking, voortvloeiend uit de aard van de erin neergelegde beginselen; het gaat niet aan, nieuwe discriminaties in te voeren waardoor bepaalde categorieën personen worden uitgesloten van de toepassing van voorschriften die de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in alle sectoren van het beroepsleven moeten waarborgen."(12)
23 De rechtspraak is dus duidelijk, en noopt tot de conclusie - die overigens overeenkomt met de zienswijze van de verwijzende rechter en van de opmerkingen van alle partijen bij de procedure - dat de eerste vraag aan het Hof aldus moet worden beantwoord, dat artikel 119 van het Verdrag ook van toepassing is op publiekrechtelijke arbeidsverhoudingen.
De tweede en de derde vraag
24 Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen, of de regeling van § 13, lid 2, tweede zin, van de statutaire bepalingen in strijd is met artikel 119 van het Verdrag en met richtlijn 75/117, wegens onrechtstreekse discriminatie van vrouwen inzake beloning. Voorts wenst de verwijzende rechter, met zijn derde vraag, te vernemen, of deze nationale bepaling - voor zover zij meer in het bijzonder de toegang tot het arbeidsproces in ruime zin, daaronder begrepen de promotiekansen, betreft - integendeel moet worden getoetst aan de bepalingen van richtlijn 76/207.
25 Alvorens ten gronde op deze vragen in te gaan, moet de bevorderingsprocedure in herinnering worden gebracht die de Duitse administratie conform de instructies van de minister van Financiën van het Land Beieren heeft ingevoerd.
26 De bevordering naar een hogere rang, zoals geregeld in de bepalingen betreffende het carrièreverloop, geschiedt op basis van criteria gebaseerd op de verdienste en de anciënniteit.
Na de vaststelling van de beoordeling door de hiërarchieke chef van de ambtenaar, gaat een termijn, de zogeheten "minimum proeftijd", in vanaf de laatste bevordering van de ambtenaar, en bij het verstrijken van die termijn kan hij in een ambt van een hogere rang worden aangesteld. Een ambtenaar die de beoordeling "zeer goed" heeft gekregen, kan aldus worden bevorderd tot een post van een hogere rang wanneer hij een dienstanciënniteit heeft van ten minste drie en een half jaar. Had hij evenwel de beoordeling "voldoet ruimschoots aan de gestelde eisen" gekregen, dan zou deze termijn vijf jaar hebben bedragen.
Na het verstrijken van deze termijn, kan de ambtenaar vanaf de "theoretische datum voor bevordering", daadwerkelijk worden bevorderd, althans voor zover er een vacante post is. Na het verstrijken van de proeftijd gaat een zogeheten "wachttijd" in, in afwachting van een bevordering.
27 In de praktijk stelt de administratie een "lijst van voor bevordering in aanmerking komende personen" op. Daarop zijn de betrokkenen gerangschikt volgens "theoretische datum voor bevordering". Wanneer een post vrij komt, wordt hij aangeboden aan de ambtenaar die als eerste op de lijst staat, en die vrij beslist of hij de post aanvaardt of niet. Indien hij de post aanvaardt, wordt zijn naam doorgehaald op de lijst, en neemt de volgende kandidaat zijn plaats in. Weigert hij evenwel de post, dan wordt deze aangeboden aan de tweede kandidaat op de lijst en eventueel aan volgende kandidaten, tot iemand gevonden wordt die de post aanvaardt.
28 De vraag die ons thans bezighoudt, heeft hiermee te maken, dat op grond van de betrokken Duitse regeling, voor de bepaling van de "theoretische datum voor bevordering", van sommige deeltijdwerknemers de duur van hun tewerkstelling niet volledig is meegerekend. Wat de werknemers betreft waarvan de arbeidsduur de helft tot twee derde van de normale arbeidsduur bedraagt, wordt voor de anciënniteitsberekening twee derde van de normale arbeidsduur in aanmerking genomen. Voor deze werknemers zal de "minimum proeftijd" dus langer zijn dan die van de werknemers die dezelfde beoordeling hebben gekregen, doch voltijds werken. Hoe verder de ambtenaar op de lijst van voor bevordering in aanmerking komende kandidaten staat, hoe langer hij op zijn bevordering zal moeten wachten, met alle gevolgen van dien voor zijn bezoldiging.
29 De vraag is nu, of de hierboven uiteengezette regeling in de context van de onderhavige zaak moet worden onderzocht vanuit het oogpunt van de bepalingen van de richtlijn ter zake van de bezoldiging, dan wel vanuit die ter zake van de toegang tot het arbeidsproces.
30 Mijns inziens verdient het aanbeveling de zaak te onderzoeken vanuit het oogpunt van de gemeenschapsregels inzake gelijke toegang tot het arbeidsproces. De nationale regeling heeft namelijk alleen onrechtstreeks gevolgen voor de bezoldiging. Wanneer de ambtenaar op de lijst van voor bevordering in aanmerking komende kandidaten wordt geplaatst, is zijn overgang naar de hogere rang geen recht maar slechts een vooruitzicht. Of hij daadwerkelijk een bevordering krijgt, hangt daarnaast ook af van andere factoren: in de eerste plaats moet er een ambt van de hogere rang beschikbaar zijn, en in de tweede plaats moet hij op de "lijst van voor bevordering in aanmerking komende kandidaten" blijven staan, waarbij nog komt dat hij op de lijst een andere plaats kan krijgen, ingevolge de criteria inzake verdiensten, die in de regeling zijn vastgesteld.(13) Ik ben het dus met de verwerende administratie - en met de opmerkingen van de Ierse regering en de Commissie - eens, dat er in de onderhavige zaak, anders dan in verband met de regeling waarover het ging in de zaak Nimz, geen quasi-automatisch verband bestaat tussen de anciënniteit en de hoogte van de bezoldiging, wat voor het Hof grond was om te stellen dat de destijds aan de orde zijnde bepalingen van de BAT binnen het toepassingsgebied van artikel 119 vielen. De thans aan de orde zijnde bepaling van de regeling inzake het carrièreverloop is in feite in de eerste plaats bedoeld om te bepalen wanneer een ambtenaar toegang krijgt tot een hoger ambt. Zoals gezegd, heeft dit alleen indirecte gevolgen voor de hoogte van de bezoldiging van de betrokkene, wanneer de bevorderingsprocedure is beëindigd. Dit geldt temeer omdat, zoals de Commissie terecht opmerkt, het Hof in het arrest Defrenne III duidelijk is uitgegaan van een restrictieve interpretatie van het begrip gelijke beloning, waar het stelde dat de draagwijdte van dit beginsel "niet mag worden uitgebreid tot andere elementen in de arbeidsverhouding dan die waarop het uitdrukkelijk ziet".(14)
31 Voorts moet worden onderzocht, wat het doel is van de nationale regeling. Zij bepaalt wanneer de ambtenaar toegang krijgt tot een ambt van een hogere rang. Dus dienen de bepalingen van richtlijn 76/207 als criterium te worden gehanteerd om te onderzoeken of de nationale bepalingen inzake het carrièreverloop een discriminatie tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers in het leven hebben geroepen. De richtlijn bevat ter zake duidelijke bepalingen. Artikel 1, lid 1, bepaalt, dat de richtlijn "de tenuitvoerlegging in de Lid-Staten [beoogt] van het beginsel van gelijke behandeling (...) ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen" (cursivering van mij). Artikel 2, lid 1, bepaalt dat dit beginsel inhoudt, dat "iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect". Artikel 3, lid 1, preciseert, dat "de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling inhoudt dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van geslacht voor wat betreft de toegangsvoorwaarden, met inbegrip van de selectiecriteria, (...) tot alle niveaus van de beroepshiërarchie" (cursivering van mij).
Van belang is hier, hoe met het oog op de bevordering de arbeidsduur van een deeltijdwerknemer wordt berekend. Ik verwijs in dit verband naar de regels inzake de toegang tot het arbeidsproces (wat met name de selectiecriteria voor de toegang tot alle niveaus van de beroepshiërarchie betreft). Precies daarom moet mijns inziens de verenigbaarheid van de nationale regeling met het gemeenschapsrecht worden onderzocht aan de hand van de hierboven vermelde bepalingen.
32 Onderzocht moet dus worden of de nationale regeling in overeenstemming is met het communautaire gelijkheidsbeginsel, zoals ontwikkeld in de vaste rechtspraak van het Hof.
Inzake het bestaan van een discriminatie moet een tweeledig criterium worden gehanteerd. Eerst moet worden onderzocht of er daadwerkelijk sprake is van een verschil in behandeling - en of het gaat om rechtstreekse of onrechtstreekse discriminatie - en in de tweede plaats, of deze discriminatie al dan niet objectief gerechtvaardigd is op grond van andere factoren dan het geslacht.(15)
Bovendien heeft het Hof geen beperkingen gesteld aan de belangensfeer waar de nationale rechter van uit dient te gaan in verband met de vraag of een verschillende behandeling gerechtvaardigd is, maar het heeft wel de criteria vastgesteld waaraan een objectieve rechtvaardiging moet voldoen; de gekozen maatregelen dienen te beantwoorden aan een werkelijke behoefte van de onderneming, zij moeten geschikt zijn om het beoogde doel te bereiken, en zij moeten daarvoor noodzakelijk zijn.(16)
33 Zoals gezegd, heeft de bepaling van de betrokken regeling gevolgen voor de deeltijdwerknemers, en brengt zij mee dat zij minder gunstig worden behandeld dan voltijdwerknemers. Het opbouwen van hun anciënniteit verloopt namelijk langzamer dan bij de tweede groep werknemers. Zoals hierboven uiteengezet, laten de gevolgen daarvan zich voelen op het vlak van de promotiekansen.
34 Mijns inziens kan in verband met deze regeling niet worden gesproken van een directe discriminatie. De betrokken bepaling van de Beierse regeling inzake het carrièreverloop is sex-blind, regelt de situatie van de deeltijdwerknemers als zodanig, en zonder onderscheid naargelang het gaat om mannelijke dan wel vrouwelijke werknemers van deze categorie.
35 De feiten van de zaak, zoals door de verwijzende rechter uiteengezet, tonen evenwel duidelijk aan, dat er sprake kan zijn van indirecte discriminatie ten nadele van vrouwelijke ambtenaren.
36 Vaststaat dat deeltijdwerknemers objectief beschouwd minder gunstig worden behandeld, en daarbij komt nog, dat blijkens de statistieken betreffende de samenstelling van deze categorie werknemers zonder enige mogelijkheid van twijfel blijkt, dat de meeste deeltijdwerknemers vrouwen zijn. Zoals Gerster heeft verklaard, zijn in haar afdeling 87 % der deeltijdwerknemers vrouwen. Bovendien gaat ook de verwijzende rechter uit van de hypothese dat dit percentage geldt voor de Beierse overheidsdienst in zijn geheel beschouwd.(17)
37 In die omstandigheden leidt een bepaling, die zonder objectieve gronden regels vaststelt die nadelig zijn voor de rechtssituatie van deeltijdwerknemers, onvermijdelijk tot discriminatie op grond van het geslacht. Indien zij bovendien meebrengt dat het carrièreverloop van de betrokken vrouwelijke werknemers ten onrechte wordt vertraagd, kan worden gesproken van een onrechtstreekse discriminatie die in strijd is met de in richtlijn 76/207 neergelegde beginselen inzake toegang tot de promotiekansen.
38 Dit is dus de kwestie die moet worden onderzocht. Ik kan mij niet aansluiten bij de zienswijze van de Britse en de Ierse regering, dat het door het Hof in de zaak Helmig gehanteerde criterium ook in de onderhavige zaak dient te gelden, en dat daaruit moet worden afgeleid dat er geen verschil in behandeling is.(18) In dat arrest heeft het Hof namelijk geen ongelijkheid van behandeling van deeltijdwerknemers op de uitsluitende grond van een objectief en onbetwistbaar element betreffende de bezoldiging vastgesteld: bij overschrijding van de in de collectieve arbeidsovereenkomst overeengekomen normale arbeidsduur ontvingen deeltijd- en voltijdwerknemers bij een gelijk aantal arbeidsuren namelijk een identieke vergoeding voor overuren. De aanspraken op de vergoeding voor overuren als voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomst werden door het Hof evenwel afgewezen, voor zover zij uitgingen van deeltijdwerknemers en verband hielden met overuren ten opzichte van de in hun individuele arbeidsovereenkomst afgesproken arbeidsduur. Het Hof was niet van oordeel dat de betrokken regeling tot een ongelijke behandeling van de verschillende categorieën werknemers leidde, nu de daarin vastgestelde bezoldigingsregeling gebaseerd was op dezelfde objectieve criteria voor deeltijdwerknemers en voor voltijdwerknemers.(19) Aldus was de naleving verzekerd van artikel 1 van richtlijn 75/117, bepalende dat "het beginsel van gelijke beloning (...) inhoudt dat voor gelijke arbeid of voor arbeid waaraan gelijke waarde wordt toegekend ieder onderscheid naar kunne wordt afgeschaft ten aanzien van alle elementen en voorwaarden van de beloning".
39 De onderhavige zaak is evenwel zeer verschillend hiervan. Weliswaar wordt in de Duitse regeling, zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk benadrukt, de deeltijdarbeid meer dan naar verhouding meegerekend. Dit neemt evenwel niet weg, dat de nationale regeling ten aanzien van deeltijdwerknemers het hierboven uiteengezette effect kan teweegbrengen: indien hun carrière langzamer verloopt, komt de gelijkheid van behandeling inzake de toegang tot het arbeidsproces in het gedrang, die het uitdrukkelijke doel is van richtlijn 76/207.
40 In dit verband wil ik nog wijzen op het verschil tussen de zaak Helmig en de onderhavige zaak, mede onder verwijzing naar de criteria die het Hof in die zaak heeft toegepast om het bestaan van een verschil in behandeling uit te sluiten. In de onderhavige zaak is de langere termijn die voor deeltijdwerknemers is voorzien, anders dan in de zaak Helmig, niet gerechtvaardigd op basis van een objectief controleerbaar criterium, doch uitsluitend, om zo te zeggen, op basis van een vermoeden, dat ten grondslag ligt aan de bepalingen die gelden voor de bevordering van de ambtenaar. Er wordt namelijk van uitgegaan, dat de ambtenaar die deeltijds werkt, hetzelfde werk gedurende langere tijd zal moeten doen dan een voltijdwerknemer, alvorens hij de competentie en de professionele kwalificatie zal hebben verkregen die nodig is voor een ambt van een hogere rang.
Er is nog een tweede verschil, dat mijns inziens nog belangrijker is. Volgens mij is de toegang tot het arbeidsproces iets anders dan de beloning voor de gepresteerde arbeid, waarvoor wel een onderscheid kan worden gemaakt tussen voltijdarbeid en deeltijdarbeid. De toegang tot het arbeidsproces heeft te maken met het doel van richtlijn 76/207, dat kennelijk is ingegeven door het beginsel van gelijke kansen; wat de behandeling van mannen en vrouwen betreft, wordt de naleving van dit beginsel alleen geëerbiedigd, wanneer de vrouwelijke werknemer in wezen in dezelfde situatie verkeert als de mannelijke werknemer. Het dient dus te gaan om een gelijke behandeling op het vertrekpunt van de beroepsloopbaan, in die zin dat de minder gunstige positie van de vrouw ten opzichte van de man wordt gecompenseerd door de belemmeringen weg te nemen die een beletsel vormen voor de gelijkheid van kansen tussen man en vrouw inzake arbeid.(20)
41 Wanneer evenwel de bevorderingsmogelijkheden afhankelijk worden gemaakt van de evenredige berekening van de arbeidsduur, blijft de ongelijkheid ten nadele van vrouwelijke werknemers onverminderd bestaan in verband met de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, wegens de nadelen die het gevolg zijn van deeltijdarbeid. Dit criterium brengt mee, dat de situatie nog ongunstiger wordt. Deze aantasting van de gelijkheid, mede gelet op het arrest van het Hof in de zaak Kalanke, kan niet worden geregeld via de vaststelling van eventuele maatregelen ter verzekering van de gelijkheid van werknemers van verschillend geslacht "aan de eindstreep".(21) Het criterium van de relatie arbeidsduur-bezoldiging doet dus afbreuk aan de gelijkheid tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers, wanneer het wordt toegepast op de toegang tot het arbeidsproces, waarover het Hof zich thans heeft uit te spreken. Anders gezegd, niets verzet zich tegen verschillen in bezoldiging, vastgesteld op basis van de arbeidsduur van werknemers met identieke taken, in welk geval geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, ook niet indirect. De vraag waarover het in de onderhavige zaak evenwel gaat, is hoe mannen en vrouwen toegang kunnen krijgen tot het arbeidsproces in omstandigheden die in wezen gelijk zijn. Eerst wanneer deze preliminaire vraag is beantwoord, rijst de vraag hoe en wanneer mannelijke en vrouwelijke werknemers worden bezoldigd zodra zij een betrekking hebben gevonden. Dit doet niet af aan de juistheid van het criterium van de evenredige berekening van de bezoldiging naargelang de werknemer voltijds of deeltijds werkt.
42 Ik heb reeds uiteengezet, hoe de toepassing van dit criterium onrechtstreeks tot discriminatie kan leiden inzake de bevordering van vrouwelijke werknemers, aangezien meer vrouwen dan mannen deeltijds werken. De vraag is nu, of een dergelijk gevolg redelijk en gerechtvaardigd is.
43 Over dit probleem in zijn geheel zal uitspraak moeten worden gedaan door de nationale rechter. Deze zal moeten uitmaken of, en in hoeverre, de door de werkgever, in casu de Beierse administratie, aangevoerde argumenten kunnen worden beschouwd als objectief gerechtvaardigd.(22) Dit neemt evenwel niet weg, dat het Hof zich kan uitspreken over het ter rechtvaardiging van de betrokken nationale regeling aangevoerde criterium. Het Hof is een dergelijke toetsing in het verleden nooit uit de weg gegaan. Het Hof is daarbij niet ingegaan op de feiten, doch heeft zijn eigen beoordeling gegeven over de criteria die werden aangevoerd tot staving van discriminerende handelwijzen, en heeft de overeenstemming ervan getoetst met het objectiviteitscriterium dat in die zaken moest worden gehanteerd.(23) Het gaat er niet om, zoals de vertegenwoordiger van de Britse regering ter terechtzitting heeft gezegd, toe te geven aan de verleiding om de objectiviteit te toetsen van het door de nationale wetgever vastgestelde criterium.(24) De gemeenschapsrechter stelt zich niet in de plaats van de nationale rechter wat diens bevoegdheden betreft, maar dient hem alle elementen ter hand te stellen om, met inachtneming van het gemeenschapsrecht, het geschil op te lossen dat ten grondslag ligt aan de prejudiciële vraag.
44 Het systeem is dus gebaseerd op de hypothese dat de beroepsbekwaamheid toeneemt met het aantal gepresteerde uren. Zoals gezegd, is de regeling gewijzigd in 1995, in die zin dat deeltijdwerknemers op een lijn zijn geplaatst met voltijdwerknemers. Volgens de thans aan de orde zijnde bepalingen, wordt bij bevordering niet alleen rekening gehouden met de competentie, welk criterium direct op constitutionele regels is terug te voeren, doch ook op het anciënniteitscriterium. Het is een feit, dat de duur van de "minimum proeftijd" die moet zijn volbracht om te kunnen worden bevorderd, functie is van de beoordeling van de geschiktheid van de ambtenaar. Bij haar besluitvorming houdt de administratie evenwel ook rekening met het aantal arbeidsuren. Dit aantal uren is naast de geschiktheid een essentieel beoordelingscriterium, waarvan de bevordering van de ambtenaar afhankelijk is, en dat dus diens verdere carrièreverloop beïnvloedt.
45 Wat is de rechtvaardiging voor een dergelijke regeling? Verweerder stelt dat zij een redelijk uitvloeisel is van de noodzaak voor de administratie om principieel een anciënniteitscriterium te hanteren bij de beoordeling van de beroepservaring van werknemers die eventueel in aanmerking komen voor een bevordering naar een ambt van een hogere rang. Gelet op het grote aantal personen in overheidsdienst, is dit volgens verweerder een noodzakelijk instrument voor de overheid om het carrièreverloop van zijn personeel te beheren. Het logisch gevolg van een dergelijk vereiste - dat overigens in elke administratieve organisatie als norm wordt gehanteerd - is dus, dat deeltijdwerknemers, waarvan de praktijkervaring geringer is, het bewijs van hun geschiktheid moeten leveren over een langere periode. Dit komt in wezen overeen met het argument van de verwerende administratie en de Duitse regering in de zaak Nimz: de werknemer met het grootste aantal arbeidsuren, is noodzakelijkerwijs de meest ervaren werknemer.(25) Om deze reden komt hij sneller in aanmerking voor een hogere bezoldiging, wat in casu het belangrijkste aspect is van de verhoopte bevordering.
46 Ik kan mij evenwel bij deze redenering niet aansluiten. Het criterium dat ten grondslag ligt aan de betrokken regeling, heeft niets te maken met een objectieve beoordeling van de geschiktheid van de betrokkene voor een bevordering. Dit heeft te maken met de omstandigheid, dat het onderscheid tussen voltijdarbeid en deeltijdarbeid - in de onderhavige context, en gelet op de door de Duitse administratie toegepaste modaliteiten - in feite niet dient om naar behoren vast te stellen of althans te controleren of de deeltijdwerknemers werkelijk geschikt zijn voor hun huidige werkzaamheden en voor die waarmee zij na een eventuele bevordering zullen worden belast.
47 Dit beoordelingscriterium, betreffende de relatie tussen deeltijdarbeid en voltijdarbeid, mag in ieder geval niet abstract worden beschouwd. Dit criterium moet worden beschouwd in de context van de nationale regeling die de verwijzende rechter moet toepassen.
In de onderhavige zaak is het betrokken criterium omgezet in bepalingen waarvan de rationaliteit en objectiviteit niet voor de hand liggen. Deeltijdwerknemers met meer dan twee derde van de normale arbeidsduur worden beschouwd als voltijdwerknemers. De interne logica van het systeem ontbreekt. Er moet namelijk een keuze gemaakt worden uit twee opties. Men dient te aanvaarden of uit te sluiten dat er een essentieel en onmiskenbaar verband bestaat tussen de geschiktheid voor een bepaalde functie en de arbeidsduur, ook wat een eventuele promotie betreft. In het eerste geval bestaat de logische consequentie hierin, dat de arbeidsduur strikt proportioneel wordt berekend, zonder te worden afgerond of anderszins te worden gecorrigeerd, wat alleen mogelijk is op basis van mechanismen die gebaseerd zijn op hypothesen waarvan de rationaliteit twijfelachtig is. In het tweede geval worden deeltijdarbeid en voltijdarbeid integendeel als gelijkwaardig beschouwd, en wordt over de vraag of een ambtenaar promotie krijgt beslist op basis van diverse selectiemechanismen (zoals geschiktheidstests of regelmatige beoordelingen), die bedoeld zijn om op objectieve basis het actueel of potentieel rendement van de betrokkene vast te stellen.
48 De Duitse regeling nu heeft onlangs een keuze gemaakt tussen de twee hierboven uiteengezette mogelijkheden. De regeling inzake het carrièreverloop, zoals gewijzigd in 1995, houdt in dat de arbeidsduur van een deeltijdwerknemer als voltijdarbeid wordt meegeteld wat de beoordeling van ambtenaren met het oog op bevordering betreft. Deze wetswijziging strekt er kennelijk toe mannen en vrouwen in het kader van beroepsactiviteiten gelijk te behandelen. Verweerder heeft voor de nationale rechter erkend, dat de hervorming van 1995 bedoeld is "om bij te dragen tot de harmonie tussen beroepsleven en gezinsleven".(26) Ik zou daaraan willen toevoegen, dat de bescherming van de vrouw in het gezin én in het kader van haar beroepsactiviteiten, een beginsel is dat in de wetgevingen van de Lid-Staten van de Gemeenschap algemeen is erkend als een natuurlijk gevolg van de gelijkheid van man en vrouw. Het gaat om een beginsel dat deel uitmaakt van de gemeenschappelijke constitutionele principes, en dat in het Verdrag is erkend als een van de rechten van de menselijke persoon zowel op Europees als op nationaal vlak.
Voor de verdienstelijke ambtenaar verzekert de nieuwe Duitse wet dus een carrièreverloop dat los staat van de arbeidsduur; aldus neemt hij de belemmering weg die - onrechtstreeks, doch in feite onvermijdelijk - in de weg stond aan de volledige en passende erkenning van het recht van de werkende vrouw op gelijke kansen als de man. De invoering van deze garantie was mijns inziens een noodzaak om de nationale regeling in overeenstemming te brengen met het gemeenschapsrechtelijk beginsel inzake gelijke toegang van mannen en vrouwen tot het arbeidsproces en de promotiekansen. Ten aanzien van de werkende vrouw met gezinslast, gaat het eigenlijk slechts om een indirecte garantie. Op het vlak van de normatieve beoordeling geldt het criterium van de onafhankelijk van de arbeidsduur vastgestelde verdienste zonder onderscheid voor mannen én voor vrouwen. Dat het voordeel van voltijdarbeid ten opzichte van deeltijdarbeid is geneutraliseerd, heeft in de praktijk evenwel dezelfde gevolgen als een gelijkstelling van de arbeid van vrouwelijke werknemers, die anders, blijkens de statistieken, zonder objectieve gronden zouden worden benadeeld.
49 Uit een en ander volgt dus, dat de argumenten van de administratie geen rationele verklaring vormen voor de thans aan de orde zijnde nationale regeling. Dat voltijds werkende ambtenaren vóór hun deeltijds werkende collega's de geschiktheid en beroepservaring verwerven die nodig is voor overgang naar een hoger ambt, is, zoals gezegd, een hypothese, waarvan van geval tot geval door de nationale rechter moet worden onderzocht of zij met de werkelijkheid overeenstemt.(27) Het is namelijk niet uitgesloten dat, zelfs bij een gelijke beoordeling, de deeltijdwerknemer beter geschikt is en een hoger rendement haalt dan de voltijdwerknemer. Alleen is het zo, dat de hypothese dat de geschiktheid functie is van de arbeidsduur, in de regelgeving als uitgangspunt is gekozen, en wel in de regel die een discriminatie invoert tussen voltijdarbeid en deeltijdarbeid, en die door de nieuwe bevorderingsregeling is opgeheven. Niet toevallig heeft het Hof in zijn arrest in de zaak Nimz erop gewezen, dat het "objectieve karakter" van het criterium dat "anciënniteit en beroepservaring hand in hand gaan en een werknemer met beroepservaring in beginsel beter toegerust is voor de hem opgedragen werkzaamheden", afhangt van "de omstandigheden van het individuele geval", en met name van "het verband tussen de aard van de uitgeoefende functie en de ervaring die de uitoefening van deze functie na een bepaald aantal arbeidsuren verschaft".(28)
50 Gelet op deze precisering in de rechtspraak, is er een element waarop in casu in het bijzonder moet worden gewezen. Gerster werkte deeltijds, en heeft de voorbije tien jaar van haar carrière de functies waargenomen van een ambt van een hogere rang, waarin zij bevorderd wenste te worden.(29) De administratie heeft haar geschiktheid voor dergelijke opdrachten gunstig beoordeeld. Van belang is, dat hiermee onrechtstreeks wordt bevestigd, dat het beginsel inhoudende dat een langere proeftijd nodig is om de geschiktheid van de kandidaat voor een ambt van een hogere rang te bekleden, een discriminatie van deeltijdwerknemers kan uitmaken. Hiermee zijn wij dus terug bij de ongerechtvaardigde verschillende behandeling, die uiteindelijk in het nadeel van vrouwelijke werknemers uitvalt.
B - Zaak C-100/95
51 Deze zaak vertoont in tal van opzichten gelijkenissen met die welke ik hierboven heb besproken. In de twee gevallen worden deeltijdwerknemers anders behandeld dan voltijdwerknemers. Er is eveneens een gelijkenis op het vlak van de feitelijke situatie waarop de in de toepasselijke regeling vastgestelde criteria inzake carrièreverloop een weerslag hebben. De overwegingen die ik in verband met de vorige zaak heb geformuleerd, kunnen dus, zoals ik verder zal uiteenzetten, eveneens gelden voor de zaak Kording.
52 De nationale regeling, zoals toegepast door de toelatingscommissie en neergelegd in de latere wijzigingsbepalingen, houdt in dat deeltijdwerknemers om voor vrijstelling van het examen van belastingconsulent in aanmerking te komen, verhoudingsgewijs een langere anciënniteit moeten hebben dan voltijdwerknemers. In dit opzicht worden de werknemers van de twee categorieën dus verschillend behandeld.
53 Zoals de verwijzende rechter preciseert, zijn de gevolgen van de aldus geïnterpreteerde regeling voor de vrouwelijke werknemers in de onderhavige zaak nog ingrijpender dan in de vorige zaak. 92,4 % van de deeltijds werkende ambtenaren met de rang van "Sachbearbeiter" in de belastingadministratie te Bremen, zijn vrouwen.
Zoals in de vorige zaak, rijst dus ook hier de vraag, of het verschil in behandeling, dat onrechtstreeks de vrouwelijke werknemers treft, al dan niet objectief gerechtvaardigd is.
54 Volgens de interpretatie van de toelatingscommissie voor belastingconsulenten, vindt de bestreden regeling haar rechtvaardiging in de omstandigheid, dat ervan is uit te gaan dat deeltijdwerknemers meer tijd nodig hebben dan voltijdwerknemers om de ervaring te verwerven die noodzakelijk is voor de vrijstelling van deelneming aan het examen van belastingconsulent. Dit criterium verschilt niet in wezen van het criterium dat werd toegepast in zaak C-1/95. Het criterium is objectief noch redelijk, en is evenmin verenigbaar met het fundamenteel beginsel van gelijke toegang tot het arbeidsproces. In de onderhavige zaak wordt de toegang vergemakkelijkt via een vrijstelling van het examen. Anders dan in feite gebeurt, zou dit voordeel aldus dienen te worden toegepast, dat de categorie werknemers, waarvan hoofdzakelijk vrouwen deel uitmaken, van ongerechtvaardigde beperkingen geen nadeel ondervindt ten opzichte van de andere ambtenaren.
55 In tal van opzichten is de feitelijke context die tot het onderhavige geding heeft geleid, kenmerkend voor de moeilijkheden waarmee vrouwelijke werknemers worden geconfronteerd wanneer bij de beoordeling van de dienstanciënniteit een strikt evenredigheidscriterium wordt gehanteerd. In het geval van Kording hebben haar voltijds werkende collega's recht op vrijstelling na vijftien jaar dienst, terwijl zij zelf slechts zonder vrijstelling van het staatsexamen als belastingconsulente kan werken vanaf een leeftijd (ouder dan 50 jaar) waarop niet alleen de aanpassing aan een nieuw beroep zwaar valt, maar bovendien een deel van de werknemers eerder geneigd is de arbeidsmarkt te verlaten dan aan een nieuwe carrière te beginnen.
56 Concluderend zou ik dus willen stellen, dat het verschil in behandeling voortvloeit uit een niet-objectief en dus ongerechtvaardigd beoordelingscriterium. Een objectief criterium zou erin bestaan, te onderzoeken (via een aangepast examen en interne selectie) of ook de deeltijdwerknemer gekwalificeerd is voor de werkzaamheid van belastingconsulent. De enige rechtvaardiging voor de geldende regeling bestaat blijkbaar in het vermoeden, dat wie voltijds heeft gewerkt, verhoudingsgewijs meer ervaring en kennis heeft dan een deeltijdwerknemer. In sommige gevallen is dat vermoeden gegrond, en in andere niet; in de onderhavige zaak is het evenwel opgelegd als een regel, die moet worden toegepast telkens wanneer een ambtenaar aanspraak maakt op vrijstelling van het examen.(30) Het praktisch gevolg van deze regel is, dat inzake de toegang tot het arbeidsproces een discriminerende regeling wordt ingevoerd ten nadele van vrouwen. Het zijn namelijk bijna steeds vrouwen die niet voor de vrijstelling in aanmerking komen, omdat zij vroeger deeltijds hebben gewerkt, hoewel in concrete gevallen de beroepservaring en kwalificaties van de betrokkenen voldoende grond kunnen opleveren voor een dergelijke vrijstelling.
Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden als volgt:
Zaak C-1/95
"1) Artikel 119 van het Verdrag is van toepassing op ambtenaren.
2) Een regeling zoals die van § 13, lid 2, tweede zin, van de Beierse Laufbahnverordnung, bepalende dat periodes van tewerkstelling met een arbeidsduur van minder dan twee derde van de normale arbeidsduur, bij de anciënniteitsberekening slechts gedeeltelijk meetellen, valt niet binnen het toepassingsgebied van richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB 1975, L 45,blz. 19).
3) Artikel 2, lid 1, en artikel 3, lid 1, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1996, L 39, blz. 40), moeten aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die niet of niet volledig rekening houdt met de dienstanciënniteit in verband met de bevordering van deeltijds werkende ambtenaren, met een arbeidsduur die geringer is dan twee derde van de normale arbeidsduur, voor zover aanzienlijk minder mannen dan vrouwen deeltijds werken, en niet het bewijs is geleverd dat de regeling is gebaseerd op objectieve criteria die los staan van elke discriminatie op grond van geslacht, met name gelet op de relatie tussen de aard van de verrichte werkzaamheden en de verworven beroepservaring."
Zaak C-100/95
"Artikel 2, lid 1, en artikel 3, lid 1, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40), moeten aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzetten - wanneer aanzienlijk minder mannen dan vrouwen deeltijds werken - tegen een nationale regeling met het oog op de vrijstelling van het examen van belastingconsulent, bepalende dat de termijn van 15 jaar die geldt voor voltijdwerknemers naar evenredigheid moet worden verlengd voor de deeltijdwerknemers, voor zover niet is aangetoond dat de betrokken regeling haar grondslag vindt in objectieve redenen, die het verband rechtvaardigen dat ingevolge de nationale regeling wordt gelegd tussen de aard van de uitgeoefende werkzaamheid en de beroepservaring die uit die werkzaamheid voortvloeit met het oog op het opleidingsniveau dat voor die vrijstelling als noodzakelijk en toereikend wordt beschouwd."
(1) - Richtlijn van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB 1975, L 45, blz. 19).
(2) - Richtlijn van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40).
(3) - De statutaire regeling bepaalt: "de periodes van tewerkstelling tijdens welke de arbeidsduur minder dan de helft bedroeg van de normale arbeidsduur, worden niet in aanmerking genomen bij de anciënniteitsberekening. De periodes van tewerkstelling tijdens welke de arbeidsduur ten minste overeenkomt met de helft van de normale arbeidsduur, worden voor twee derde daarvan meegerekend bij de anciënniteitsberekening. De periodes van tewerkstelling tijdens welke de arbeidsduur meer dan twee derde van de normale arbeidsduur bedraagt, worden volledig meegerekend bij de anciënniteitsberekening" (cursivering van mij).
(4) - Arrest van 7 februari 1991 (zaak C-184/89, Jurispr. 1991, blz. I-297). In die zaak heeft het Hof onverenigbaar met artikel 119 van het Verdrag verklaard, een bepaling in een collectieve arbeidsovereenkomst voor de nationale openbare dienst, ingevolge welke voor de overgang naar een hogere salarisgroep de anciënniteit van werknemers die ten minste drie vierde van de normale arbeidstijd werken, volledig meetelt, en de anciënniteit van werknemers die de helft tot drie vierde van de normale arbeidstijd werken, slechts voor de helft. Deze regels waren neergelegd in het Bundesangestelltentarifvertrag (BAT, collectieve arbeidsovereenkomst voor arbeidscontractanten in openbare dienst) in verband met de automatische (of quasi-automatische) toegang tot een hogere salarisgroep voor werknemers met ten minste zes jaar anciënniteit.
(5) - § 13, lid 2, van de Laufbahnverordnung, in de meest recente versie (GVBl. 1996, blz. 99 e.v.). Voorts is daarin bepaald, dat teneinde uit te maken in hoeverre periodes van geringere tewerkstelling in aanmerking moeten worden bij de anciënniteitsberekening, alle omstandigheden van het geval in de beschouwing moeten worden betrokken.
(6) - Ingevolge de nationale regeling zijn van het toegangsexamen tot het beroep van belastingadviseur vrijgesteld, "de gewezen ambtenaren of stafleden van de belastingdienst die doen blijken van een ervaring van ten minste vijftien jaar op het gebied van belastingen die binnen de bevoegdheidssfeer vallen van de belastingdienst van de Bondsstaat of van een Land, op een post van $Sachbearbeiter' of ten minste op een gelijkwaardige post".
(7) - Deze zienswijze van de administratie vindt bevestiging in een wetswijziging van 1994, dus van na de feiten van de onderhavige zaak. § 36, lid 4, van de wet betreffende het beroep van belastingconsulent bepaalt, in zijn nieuwe versie, dat voor de berekening van de dienstanciënniteit deeltijdarbeid die minder bedraagt dat de helft van de normale arbeidsduur niet in aanmerking wordt genomen, en dat deeltijdarbeid die ten minste de helft of meer van de normale arbeidsduur bedraagt, moet worden meegeteld naar verhouding van de reële arbeidsduur.
(8) - Tot staving van deze redenering voerde Kording aan, dat de wetswijziging van 1972, waarbij de termijn van vijf op vijftien jaar is gebracht, was bedoeld om een "exodus" van ambtenaren naar de particuliere sector te voorkomen. Deze regeling heeft dus niets te maken met de werkelijke geschiktheid van deeltijdwerknemers om in aanmerking te komen voor de vrijstelling van het staatsexamen.
(9) - Zo gezien, moet het Hof in deze zaken uitspraak doen over de verenigbaarheid van nationale normatieve handelingen met het bepaalde in artikel 119 (het gaat daarbij niet om handelingen van particuliere werkgevers of om arbeidsovereenkomsten). Een soortgelijke situatie deed zich voor in zaak 171/88 (arrest van 13 juli 1989, Rinner-Kühn, Jurispr. 1989, blz. 2743).
(10) - In de zaak Nimz werd de deeltijdwerknemer benadeeld door de berekeningscriteria die door de administratie werden toegepast. Om in aanmerking te komen voor een salarisverhoging, werd de dienstanciënniteit van de werknemers die de helft tot drie vierde van de normale arbeidsduur werkten, namelijk slechts voor de helft meegeteld. Een aspect van de onderhavige zaak, namelijk de omstandigheid dat deeltijdarbeid die overeenkomt met minder dan de helft van de normale arbeidsduur bij de anciënniteitsberekening in het geheel niet wordt meegeteld, blijft in de prejudiciële vragen buiten beschouwing. Het gaat daarbij om een omstandigheid die zich in feite slechts in uitzonderlijke gevallen voordoet (zoals bijvoorbeeld in het geval van een ambtenaar met een politiek mandaat).
(11) - Arrest van 8 april 1976, zaak 43/75, Defrenne, Jurispr. 1976, blz. 455.
(12) - Arrest van 21 mei 1985, zaak 248/83, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1985, blz. 1459, r.o. 16. Wat de dwingende aard van deze bepaling betreft, en de toepasselijkheid ervan niet alleen op overheidsdiensten maar ook op alle overeenkomsten, zie arrest van 27 juni 1990, zaak C-33/89, Kowalska, Jurispr. 1990, blz. I-2591, r.o. 12; wat de irrelevantie betreft van het openbaar of particulier karakter van de dienst waarbij de werknemer is tewerkgesteld, zie arresten Defrenne (reeds aangehaald in voetnoot 11), r.o. 1, en Nimz (reeds aangehaald in voetnoot 4), r.o. 11.
(13) - Zoals de administratie opmerkt, is het mogelijk dat de ambtenaar op basis van een nieuwe beoordeling (die om de drie jaar wordt vastgesteld) gunstiger (of minder gunstig) wordt gerangschikt. Een verschillende beoordeling wordt gevolgd door een nieuwe berekening, die een wijziging van de rangschikking van de ambtenaar op de lijst kan teweegbrengen.
(14) - Arrest van 15 juni 1978, zaak 149/77, Defrenne III, Jurispr. 1978, blz. 1365, r.o. 20, en voorts r.o. 21-23.
(15) - Arresten van 13 mei 1986, zaak 170/84, Bilka, Jurispr. 1986, blz. 1607, r.o. 29, en 31 maart 1981, zaak 96/80, Jenkins, Jurispr. 1981, blz. 911, r.o. 13.
(16) - Arrest Bilka, aangehaald in voetnoot 15, r.o. 36.
(17) - Zie blz. 4 van de opmerkingen van de verwerende administratie, en blz. 15 van de verwijzingsbeschikking.
(18) - Arrest van 15 december 1994, gevoegde zaken C-399/92, C-409/92, C-425/92, C-34/93, C-50/93 en C-78/93, Jurispr. 1994, blz. I-5727.
(19) - Arrest van 15 december 1994, aangehaald in voetnoot 18, r.o. 27-29.
(20) - Zie conclusie van 6 april 1995 van advocaat-generaal Tesauro in zaak C-450/93, Kalanke, Jurispr. 1995, blz. I-3051, I-3053.
(21) - Arrest van 17 oktober 1995, zaak C-450/93, Kalanke, Jurispr. 1995, blz. I-3051. De citaten komen uit de conclusie van advocaat-generaal Tesauro in die zaak (punten 19 en 13).
(22) - Arresten Jenkins, r.o. 13, en Bilka, r.o. 36 (reeds aangehaald in voetnoot 16).
(23) - Arrest Rinner-Kühn, reeds aangehaald in voetnoot 9, en arrest van 7 februari 1991, Nimz, reeds aangehaald in voetnoot 4. Zie ook de conclusie van advocaat-generaal M. Darmon in zaak C-184/89 (Jurispr. 1991, blz. I-308, punten 10 en 11) en het arrest van 30 maart 1993, zaak C-328/91, Thomas e.a., Jurispr. 1993, blz. I-1247. Zie ten slotte het recente arrest van 6 februari 1996, zaak C-457/93, Lewark, Jurispr. 1996, blz. I-243, r.o. 32.
(24) - Notulen van de terechtzitting van 13 juni 1996.
(25) - Arrest van 7 februari 1991, reeds aangehaald in voetnoot 4, r.o. 13.
(26) - Zie verwijzingsbeschikking, blz. 10, in fine.
(27) - Ik breng in dit verband in herinnering wat advocaat-generaal Darmon in zijn conclusie in de zaak Nimz verklaarde betreffende de hypothese dat de ervaring functie is van de anciënniteit, waar hij in verband met de toegang tot een hoger ambt (zoals in casu het geval is) verklaarde: "Zelfs in een dergelijk geval moet (...) de aard van de betrokken functie in aanmerking worden genomen - ervaring is voor een betrekking bij het onderhoudspersoneel niet zo doorslaggevend als voor die van hoofd van een administratieve dienst - en kan in een dergelijke aangelegenheid geen genoegen worden genomen met een algemene en abstracte regel" (Jurispr. 1991, blz. I-308, punt 15). Hiermee werd een verband gelegd tussen de feiten van de zaak Nimz en de uitspraak van het Hof in de zaak Danfoss (arrest van 17 oktober 1989, zaak 109/88, Jurispr. 1989, blz. 3199, r.o. 24). Abstract beschouwd, is er weliswaar een verband tussen de anciënniteit en de prestaties, welk verband evenwel van geval tot geval moet worden onderzocht op basis van de omstandigheden van de zaak waarover de nationale rechter zich heeft uit te spreken.
(28) - Arrest Nimz, reeds aangehaald, r.o. 14. In de zaak Rinner-Kühn, reeds aangehaald in voetnoot 9, heeft het Hof op basis van soortgelijke overwegingen een criterium van de hand gewezen dat niet op objectieve maatstaven was gebaseerd. De Duitse regering had namelijk in de loop van die zaak uiteengezet, wat de toekenning door de wet van het recht op doorbetaling van het loon door de wetgever in geval van ziekte van de werknemer, doch uitsluitend voor zover deze een contract had voor een minimumaantal uren per week of maand, haar rechtvaardiging vond in de omstandigheid dat niet in deze categorie vallende werknemers "niet in dezelfde mate in het bedrijf zijn geïntegreerd en van het bedrijf afhankelijk zijn als andere werknemers". Het Hof heeft in dit verband verklaard, "dat deze overwegingen niet meer dan generaliserende uitspraken ten aanzien van bepaalde categorieën werknemers. Er kunnen geen objectieve criteria uit worden afgeleid die geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht" (r.o. 13 en 14).
(29) - Zie verzoeksters opmerkingen (door verweerder onbetwist), waarin zij uiteenzet, dat zij vanaf de dag van haar laatste bevordering, op 1 januari 1984, de functies heeft uitgeoefend van een ambt van de rang A 9 + Z, dus van dezelfde categorie als dat waar zij naar heeft gesolliciteerd. Zie opmerkingen van de verwerende partij, blz. 2.
(30) - Ik denk bijvoorbeeld aan het geval van een voltijdwerknemer die tijdens zijn carrière slechts te maken krijgt met één van de materies die binnen de bevoegdheid van de betrokken administratie vallen, terwijl het mogelijk is een deeltijdwerknemer achtereenvolgens in verschillende diensten van dezelfde administratie wordt tewerkgesteld. In een dergelijke hypothese zal de deeltijdwerknemer een ruimere (zij het minder diepgaande) ervaring hebben verworven dan de voltijdwerknemer.
Full & Egal Universal Law Academy