Conclusie van de advocaat generaal
1 In deze prejudiciële verwijzing wordt de vraag opgeworpen, of bepaalde Duitse rechtsregels waarbij onder meer wordt verboden, dat incassobedrijven in Duitsland zonder bijstand van een advocaat beroepsmatig langs gerechtelijke weg schuldvorderingen innen, verenigbaar zijn met de door het EG-Verdrag gewaarborgde vrijheid van dienstverlening.
I - Feiten en toepasselijke rechtsregels
2 Volgens § 828 van de Zivilprozessordnung (hierna: "ZPO") van 30 januari 1877, in de versie van 12 september 1950(1), vallen gerechtelijke handelingen met het oog op de gedwongen tenuitvoerlegging van schuldvorderingen (attachment order) in Duitsland onder de bevoegdheid van het Amtsgericht. Volgens § 78 van de ZPO is de bijstand van een advocaat enkel verplicht om voor de Landgerichte en alle hogere rechterlijke instanties op te treden. § 79 van de ZPO, die van toepassing is op het Amtsgericht, betreft het "Parteiprozess" en bepaalt:
"Voor zover vertegenwoordiging door een advocaat niet verplicht is, kunnen partijen het geding zelf voeren of zich daarvoor laten vertegenwoordigen door een tot procederen bevoegd persoon".
De gevallen waarin "vertegenwoordiging door een advocaat niet verplicht is", omvatten verzoeken om een "Pfaendungs- und UEberweisungsbeschluss" krachtens § 828.(2)
3 Artikel 1, lid 1, eerste alinea, van het Rechtsberatungsgesetz van 17 december 1935 (wet betreffende de verstrekking van rechtskundig advies, hierna: "RBerG")(3), bepaalt:
"De afhandeling van juridische aangelegenheden van derden, met inbegrip van het verstrekken van rechtskundig advies en het innen van schuldvorderingen van derden of van ter inning overgedragen schuldvorderingen, kan als beroep - hoofd- of bijberoep, onder bezwarende titel of om niet - enkel worden verricht door personen die daartoe van de bevoegde autoriteit vergunning hebben gekregen. De vergunning wordt telkens verleend voor een bepaald activiteitsgebied:
(...)
5. incassobedrijven, voor de buitengerechtelijke inning van schuldvorderingen (incassobureaus),
(...)
De activiteit mag enkel worden uitgeoefend onder de benaming die overeenkomt met de vergunning."
Volgens artikel 1, lid 1, tweede alinea, RBerG kan een vergunning alleen worden afgegeven indien de aanvrager de nodige betrouwbaarheid, persoonlijke geschiktheid en vakbekwaamheid bezit en niet reeds een voldoende aantal personen in de behoefte voorzien.(4) Volgens artikel 1, lid 3, laat de wet onder meer de beroepsactiviteiten van advocaten onverlet.
4 Uit het samenstel van deze voorschriften, volgt, dat bedrijven in Duitsland tot de buitengerechtelijke inning van schuldvorderingen kunnen worden gemachtigd.(5) Voor de gerechtelijke inning van schuldvorderingen is evenwel de bijstand van een advocaat vereist.(6)
5 Op 29 december 1992 kreeg Reisebuero Broede (hierna: "Broede") schuldeiseres in het hoofdgeding, een te Keulen gevestigd reisbureau zonder rechtspersoonlijkheid, een executoriale titel tegen de schuldenaar in het hoofdgeding, G. Sandker (hierna: de "schuldenaar"). Voor de tenuitvoerlegging van deze titel deed Broede op 8 mei 1994 een beroep op INC Consulting SARL (hierna: "INC") en machtigde het deze laatste om alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de schuldvordering volledig te innen. INC is een te Verneuil-en-Halatte (Frankrijk) gevestigde vennootschap.(7) Volgens de verwijzingsbeschikking houdt INC zich bezig met het innen van schuldvorderingen en het verstrekken van advies aan bedrijven en gaf zij, althans voor het onderhavige geval, haar gerante, M. Ramthun, een onbeperkte volmacht om te zorgen voor de gedwongen tenuitvoerlegging en om in haar naam alle desbetreffende maatregelen te nemen ten gunste van Broede. Ramthun woonde tijdens de relevante periode (en woont nog steeds) te Overath, Duitsland. Ter terechtzitting deelde zij het Hof mee, dat ofschoon INC in Duitsland alleen voor Broede schuldvorderingen inde, zij dat in Frankrijk(8) voor een aantal Franse en buitenlandse klanten deed.
6 Op 6 juni 1994 verzocht Ramthun het Amtsgericht Hagen om derdenbeslag tegen de schuldenaar. Bij beschikking van 23 augustus 1994 wees het Amtsgericht dit verzoek af, op grond dat Ramthun niet bevoegd was om dergelijk verzoek in te dienen, daar het incassobedrijven naar Duits recht verboden is als vertegenwoordigers in rechte op te treden. Het oordeelde, dat dit ook geldt voor buitenlandse incassobedrijven. Op 31 augustus 1994 stelde Ramthun tegen deze beschikking beroep in bij het Landgericht Dortmund (hierna: de "nationale rechter").
7 Volgens de nationale rechter is in casu beslissend, of artikel 1, lid 1, RBerG op INC kan worden toegepast. Volgens deze bepaling kunnen activiteiten als die welke INC beroepsmatig verricht, alleen worden uitgeoefend door personen "die daartoe van de bevoegde instantie een vergunning hebben gekregen, met dien verstande dat een vergunning voor incassobedrijven ingevolge artikel 1, lid 1, eerste alinea, tweede zin, sub 5, RBerG alleen de buitengerechtelijke inning van schuldvorderingen dekt". Volgens de nationale rechter is de "beslissende vraag" van gemeenschapsrecht, of dit voorschrift een ongeoorloofde discriminatie op grond van nationaliteit of een beperking van de door de artikelen 59 en 60 EG-Verdrag gewaarborgde vrijheid van dienstverlening vormt. Zijns inziens is in casu geen sprake van ongeoorloofde discriminatie, omdat de toepassing van de omstreden nationale regeling op buitenlandse incassobedrijven "gerechtvaardigd lijkt om dwingende redenen van openbaar belang (bescherming van schuldenaar en schuldeiser, en het algemene belang bij een goede rechtsbedeling). Verder is hij van mening, dat het algemeen belang in het land van vestiging (Frankrijk) niet in aanmerking lijkt te zijn genomen en dat dit doel ook niet met een minder drastische regeling kan worden bereikt". Aangezien de nationale rechter in het door Broede krachtens § 568, lid 2, van de ZPO ingeleide geding in laatste instantie beslist, heeft hij het Hof de navolgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"Staat artikel 59 EG-Verdrag in de weg aan een nationale regeling krachtens welke het een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming verboden is langs gerechtelijke weg schuldvorderingen van derden te innen, op grond dat deze activiteit volgens die nationale regeling is voorbehouden aan degenen die hiervoor een bijzondere administratieve vergunning hebben gekregen?
Ingeval deze vraag bevestigend wordt beantwoord, geldt dit dan ook wanneer op de invorderingsprocedure uitsluitend nationaal recht van toepassing is, omdat de bij de tenuitvoerlegging betrokken partijen in het land zelf zijn gevestigd en de executoriale titel eveneens aldaar is verkregen?"
II - Bij het Hof ingediende opmerkingen
8 Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend namens Broede, alsook namens de schuldenaar, de Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie. Mondelinge opmerkingen zijn gemaakt door de schuldenaar, Duitsland en de Commissie.
III - Bespreking van de gestelde vragen
9 Met de eerste vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of het feit dat incassobedrijven in Duitsland hun klanten niet voor de Duitse rechters kunnen vertegenwoordigen om in hun naam schuldvorderingen langs gerechtelijke weg te innen, verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Met de tweede vraag, die is gesteld voor het geval de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, wenst de rechter te vernemen, of dit antwoord bevestigend blijft wanneer de twee partijen bij de nationale procedure in dezelfde Lid-Staat wonen en de executoriale titel, die het voorwerp van de procedure tot gedwongen tenuitvoerlegging is, in deze Lid-Staat is verkregen.
10 Mijns inziens moet allereerst worden nagegaan, of de kennelijk nauwe band tussen Ramthun en Duitsland in casu het bestaan van een voor de toepasselijkheid van het gemeenschapsrecht vereist interstatelijk element uitsluit. In de tweede plaats dient te worden nagegaan, of de in de onderhavige verwijzingsbeschikking aan de orde zijnde feitelijke situatie de verdragsregels inzake de vrijheid van vestiging dan wel die inzake de vrijheid van dienstverlening betreft. Deze twee vragen zijn uitdrukkelijk opgeworpen door de Commissie en Duitsland. In de derde plaats zal ik de in de prejudiciële vragen aan de orde gestelde punten behandelen.
A - De toepasselijkheid van het gemeenschapsrecht
11 Volgens vaste rechtspraak van het Hof is voor de toepasselijkheid van de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van personen, een voldoende band tussen de feiten en het aangevoerde gemeenschapsrecht, dat wil zeggen een interstatelijk element vereist. Zo verklaarde het Hof bij voorbeeld in het arrest Saunders, dat de relevante verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers "niet [kunnen] worden toegepast op zuiver interne aangelegenheden van een Lid-Staat, dat wil zeggen op situaties waarbij iedere band met door het gemeenschapsrecht beoogde situaties ontbreekt".(9) Dit vereiste is van overeenkomstige toepassing op de verdragsbepalingen betreffende de vrijheid van dienstverlening, die alleen kunnen worden toegepast wanneer de diensten "een grensoverschrijdend karakter hebben".(10) Zoals advocaat-generaal Jacobs in de zaak Alpine Investments verklaarde, is "er (...) een grensoverschrijdend element aanwezig wanneer de dienstverrichter en de dienstontvanger in verschillende Lid-Staten gevestigd zijn".(11) Indien de feiten blijkens de verwijzingsbeschikking aldus zijn, dat Broede in de nationale procedure tot inning van de schuldvordering "vertegenwoordigd wordt door"(12) INC en dat INC niet om niet handelt, gaat het ongetwijfeld om het verrichten van een "grensoverschrijdende" dienst in de zin van artikel 59 EG-Verdrag.
12 In haar schriftelijke en mondelinge opmerkingen betwijfelde de Commissie, daarin ter terechtzitting ondersteund door Duitsland, of deze zaak eigenlijk wel een gemeenschapselement vertoont. Zij vroeg zich met name af, of Ramthun, een Duits onderdaan die in Duitsland woont, Broede eigenlijk niet als een van haar eigen klanten vertegenwoordigt onder het mom van INC te vertegenwoordigen. Dienaangaande merkte de gemachtigde van Duitsland ter terechtzitting op, dat de gerant van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Duits recht de vennootschap ambtshalve in rechte kan vertegenwoordigen. Door Ramthun uitdrukkelijk te machtigen in haar naam op te treden, heeft INC ofwel het Duitse recht verkeerd begrepen, ofwel in feite aan Ramthun een ondervolmacht gegeven. Mijns inziens is het evenwel niet de taak van het Hof deze twijfel op te heffen. Gelet op de bevoegdheidsverdeling in het kader van een procedure krachtens artikel 177 van het Verdrag, moet het Hof volgens vaste rechtspraak "zich er toe [beperken] de betekenis van de gemeenschapsnorm af [te] leiden uit letter en geest van het Verdrag, met dien verstande, dat de toepassing van de aldus geïnterpreteerde norm op het concrete geval aan de nationale rechter blijft voorbehouden".(13) De nationale rechter moet dus de nodige feitelijke vaststellingen doen en de door het Hof gegeven uitlegging van de relevante bepalingen van gemeenschapsrecht toepassen. Indien de nationale rechter tot de conclusie komt, dat Ramthun in casu eigenlijk in eigen naam en niet namens INC optrad, dan is er geen interstatelijk element waardoor de zaak binnen de werkingssfeer van het Verdrag valt, en kan de nationale rechter het voor hem aanhangige geding uitsluitend naar Duits recht beslechten. Dat was evenwel niet het uitgangspunt voor de verwijzing van de zaak door de nationale rechter. Behalve in evidente gevallen mag het Hof de goede trouw van partijen niet in twijfel trekken wanneer de nationale rechter die niet betwijfelt. Mijns inziens moet het Hof er bij de beantwoording van de vragen van de nationale rechter vanuit gaan, dat een echt probleem van toepassing van het gemeenschapsrecht rijst.
B - De toepasselijke verdragsbepalingen
13 De Commissie, ook op dit punt ter terechtzitting door Duitsland ondersteund, vraagt zich ook af, of de in de verwijzingsbeschikking aan de orde gestelde punten niet veeleer de verdragsbepalingen betreffende de vrijheid van vestiging betreffen, dan die betreffende de vrijheid van dienstverlening, zoals de nationale rechter aanneemt. Met name onder verwijzing naar het arrest Van Binsbergen(14) betoogt de Commissie, dat indien de door Ramthun in Duitsland namens INC verrichte activiteiten eigenlijk een permanente aanwezigheid van INC in Duitsland opleveren, de bevoegde nationale autoriteiten, om te voorkomen dat artikel 59 wordt gebruikt om aan de toepassing van door het algemeen belang gerechtvaardigde beroepsregels te ontsnappen, die beroepsregels op INC mogen toepassen.
14 Volgens vaste rechtspraak kan het Hof, "ten einde de rechterlijke instantie die een prejudiciële vraag heeft voorgelegd, een bruikbaar antwoord te geven, (...) bepalingen van het gemeenschapsrecht in aanmerking nemen, waarvan de nationale rechter in de formulering van zijn vraag geen melding heeft gemaakt. Daarentegen dient de nationale rechter te beslissen of de gemeenschapsregel, zoals deze door het Hof krachtens artikel 177 is uitgelegd, al dan niet van toepassing is op het hem ter beoordeling voorgelegde geval."(15) Op basis van de feiten van het hoofdgeding suggereren de Commissie en Duitsland, dat de zogenaamde Franse vestiging van INC niet meer is dan een middel om zich aan de eisen van het RBerG te onttrekken. Ter terechtzitting verklaarde de Commissie, dat zij het aan "de wijsheid van het Hof" overlaat, te oordelen of deze vermoedens gegrond zijn. Dit kan slechts worden uitgemaakt op basis van de nodige feitelijke vaststellingen, waarvoor alleen de nationale rechter bevoegd is, en het Hof kan de nationale rechter derhalve alleen uitleggingscriteria aanreiken.(16)
15 De bepalingen van de hoofdstukken van het Verdrag omtrent het recht van vestiging en dienstverlening "sluiten elkaar uit" en de laatste zijn alleen van toepassing wanneer de bepalingen betreffende het recht van vestiging niet toepasselijk zijn, met andere woorden, de artikelen 59 en 60 zijn subsidiair ten opzichte van de bepalingen betreffende het recht van vestiging.(17) Indien de nationale rechter tot de vaststelling komt, dat INC Ramthun's privé-woning in Duitsland gebruikt om "duurzaam [deel te nemen] aan het economisch leven van een andere Lid-Staat dan haar staat van herkomst [en] daar voordeel uit [te] halen", zal hij moeten aannemen, dat de feiten van deze zaak onder het "zeer ruime" begrip van vestiging in de zin van het Verdrag vallen.(18) De enige informatie waarover het Hof beschikt, is dat INC tussen 2 februari 1994 en 8 mei 1994 zesmaal namens Broede schulden in Duitsland heeft geïnd en dat zij, aldus Ramthun, andere buitenlandse klanten heeft waarvan sommige Duitser zijn. Het staat aan de nationale rechter te bepalen, of deze diensten van INC in Duitsland met voldoende tussenpozen zijn verricht om als tijdelijk te kunnen worden aangemerkt. De nationale rechter moet evenwel de door het Hof vastgestelde criteria hanteren. Hij moet met name rekening houden met de overweging van het Hof in het arrest Gebhard, dat "(...) het tijdelijk karakter van de (...) werkzaamheden niet enkel aan de hand van de duur van de dienst [moet] worden beoordeeld, doch tevens aan de hand van de frequentie, de periodiciteit of de continuïteit ervan".(19)
16 Derhalve sluit het tijdelijke karakter van een dienst als bedoeld in artikel 59 EG-Verdrag niet uit, "dat een dienstverrichter in de zin van het Verdrag zich in de Lid-Staat van ontvangst voorziet van een zekere infrastructuur (daaronder begrepen een kantoor of kabinet), wanneer die infrastructuur noodzakelijk is om de betrokken dienst te kunnen verrichten".(20) Ramthun deelde het Hof mee, dat de meeste klanten van INC Fransen zijn, en dat INC een vestiging in Frankrijk heeft. In de verwijzingsbeschikking vind ik geen gegevens om de zaak tegen een andere achtergrond dan die van artikel 59 te onderzoeken.
17 De kernvraag is, of een verbod als het in de Duitse wet geformuleerde verbod een ongerechtvaardigde beperking oplevert van de vrijheid om incassodiensten te verrichten.
C - De vrijheid om grensoverschrijdende incassodiensten te verrichten
i) De relevante beperkingen
18 Dat artikel 1, lid 1, RBerG op het eerste gezicht een met artikel 59 strijdige beperking van de vrijheid van dienstverlening is, zoals in casu ook door de nationale rechter en Duitsland wordt aanvaard, valt nauwelijks te betwijfelen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof verlangt "artikel 59 van het Verdrag (...) niet alleen de afschaffing van iedere discriminatie van de in een andere Lid-Staat gevestigde dienstverrichter op grond van diens nationaliteit, maar tevens de opheffing van iedere beperking - ook indien deze zonder onderscheid geldt voor binnenlandse dienstverrichters en dienstverrichters uit andere Lid-Staten - die de werkzaamheden van de dienstverrichter die in een andere Lid-Staat is gevestigd en aldaar rechtmatig gelijksoortige diensten verricht, verbiedt, belemmert of minder aantrekkelijk maakt".(21) Met name uit de door Duitsland ter terechtzitting gemaakte opmerkingen blijkt in casu duidelijk, dat het RBerG inderdaad twee verschillende beperkingen van de vrijheid van incassobedrijven om hun diensten beroepsmatig in Duitsland te verrichten, bevat; allereerst is voor de buitengerechtelijke inning van schuldvorderingen een vergunning van de bevoegde regionale instanties vereist; in de tweede plaats is er het verbod om zonder bijstand van een advocaat een schuldvordering langs gerechtelijke weg te innen.(22) Dat deze beperkingen niet discriminerend zijn, wordt niet betwist, doch is niet beslissend.
19 In het arrest Saeger bij voorbeeld verklaarde het Hof, dat een nationale wettelijke regeling die de verrichting van bepaalde diensten "door een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming afhankelijk stelt van de afgifte van een vergunning door de overheid, waartoe de aanvrager bepaalde beroepskwalificaties moet bezitten, een beperking op het vrij verrichten van diensten in de zin van artikel 59 EEG-Verdrag vormt".(23) Het toeval wil, dat het in dit arrest Saeger ging om een bepaling uit hetzelfde artikel van het RBerG waarbij het beroepsmatig verrichten van bepaalde routinematige taken van bewaking van octrooien voor advocaten en octrooigemachtigden werd voorbehouden. Mijns inziens vallen de in de onderhavige zaak in geding zijnde beperkingen onder het verbod van artikel 59. Aangezien zij evenwel gelijkelijk voor Duitse en buitenlandse incassobedrijven gelden, moet worden nagegaan, of zij gerechtvaardigd kunnen zijn.
ii) De rechtvaardiging
20 Ter terechtzitting was iedereen het erover eens, dat de nationale rechter zich bij de formulering van zijn eerste vraag heeft vergist, waar hij zegt, dat voor de gerechtelijke inning van schuldvorderingen een bijzondere officiële vergunning is vereist; dit is uiteraard het vereiste dat het RBerG stelt voor degenen die buitengerechtelijke diensten verrichten, terwijl het verrichten van gerechtelijke diensten volledig is voorbehouden voor advocaten, en bedrijven zoals INC geen vergunning kunnen krijgen voor het verrichten van deze diensten. Het beroepsmatig langs gerechtelijke weg innen van schuldvorderingen wordt noch door de ZPO noch door het RBerG toegestaan, en derhalve gaat het er niet om, of de Duitse autoriteiten het recht hebben, van een onderneming zoals INC te verlangen, dat deze een vergunning voor de buitengerechtelijke inning van schuldvorderingen verkrijgt.(24) Mijns inziens is de enige vraag van gemeenschapsrecht die hier rijst, de vraag of het in Duitsland voor personen die geen advocaat zijn, geldende verbod om schuldvorderingen langs gerechtelijke weg te innen, gerechtvaardigd is om "een dwingende reden van algemeen belang".(25)
a) Bij het Hof ingediende opmerkingen
21 Broede betoogt in haar schriftelijke opmerkingen, dat een Lid-Staat het verrichten van diensten op zijn grondgebied door een in een andere Lid-Staat gevestigd bedrijf niet aan alle voorwaarden die voor de op zijn grondgebied gevestigde bedrijven gelden, kan onderwerpen zonder de bepalingen van het EG-Verdrag omtrent de vrijheid van dienstverlening hun nuttige werking te ontnemen. Noch dwingende vereisten inzake consumentenbescherming, noch de goede rechtsbedeling rechtvaardigen de in artikel 1, lid 1, RBerG vervatte beperkingen. Deze doelstellingen kunnen ook met minder restrictieve middelen worden bereikt. Ter bescherming van de belangen van de schuldeiser zouden de bevoegde Duitse instanties, in plaats van te verlangen dat een buitenlandse dienstverrichter een vergunning verkrijgt, een door de bevoegde instanties van de Lid-Staat van vestiging van de dienstverrichter afgegeven attest betreffende diens integriteit of solvabiliteit dienen te aanvaarden. In de tweede plaats zouden de instanties van de staat van ontvangst, om een goede rechtsbedeling in die staat te waarborgen, ermee kunnen volstaan van het buitenlandse incassobedrijf domiciliekeuze voor de ontvangst van officiële correspondentie te verlangen.
22 Ook de Commissie is van mening, dat de nationale regeling een ongerechtvaardigde beperking van de vrijheid van dienstverlening is. Zij betoogt, dat in de omstandigheden van het onderhavige geval de beperkingen objectief noodzakelijk moeten zijn om de inachtneming van de beroepsregels te waarborgen en de ontvanger van de dienst te beschermen, en niet verder mogen gaan dan strikt noodzakelijk is. Dit is een vraag van gemeenschapsrecht en het Hof dient zich niet gebonden te achten aan de zienswijze van de nationale rechter.
23 Aangezien volgens § 79 van de ZPO naar Duits recht de bijstand van een advocaat niet nodig is om een verzoek om derdenbeslag in te dienen en de schuldeisers deze verzoeken dus zelf of via een door hen gemachtigde niet-professionele raadsman, eventueel met de hulp van de diensten van de griffie van het gerecht, kunnen indienen, zijn er geen goede gronden om ervaren incassobedrijven te verbieden hun klanten te vertegenwoordigen. Het belang van een goede rechtsbedeling vormt volgens de Commissie evenmin een rechtvaardiging voor het verbod, daar het voor deze gerechtsambtenaren, die in voorkomend geval bijstand moeten verlenen aan schuldeisers die totaal onwetend zijn van de toepasselijke wet en de wettelijke procedures, gemakkelijker zal zijn professionele incassobureaus bij te staan. Haars inziens staat een algemeen verbod als dat van het RBerG niet in verhouding tot het nagestreefde doel.
24 Ter beantwoording van de door het Hof ter terechtzitting gestelde vraag, waarom die mogelijkheid zou moeten worden gegeven aan Franse bedrijven die in Duitsland incassodiensten verrichten, terwijl concurrerende Duitse bedrijven zich door een advocaat moeten laten bijstaan, wees de Commissie op de haars inziens in het Duitse recht bestaande contradictie, dat behalve advocaten, eenieder die niet beroepsmatig handelt, de schuldeiser kan vertegenwoordigen. Volgens de Commissie beoogt het nationale recht eigenlijk het monopolie van de advocaten te beschermen; dat advocaten aan beroepsregels zijn onderworpen en plichten hebben jegens de gerechten waaraan zij zijn verbonden, betekent niet dat de bescherming van de consument of de rechtsbedeling eisen, dat niet-Duitse incassobedrijven zonder meer van de gerechtelijke inning van schuldvorderingen worden uitgesloten. De discriminatie van Duitse incassobedrijven, die voortvloeit uit het niet-toepassen van het verbod van het RBerG op het bij gelegenheid verrichten van incassodiensten in Duitsland door in een andere Lid-Staat daartoe gemachtigde bedrijven, moet volgens de Commissie bij gebreke van een geharmoniseerde gemeenschapsregeling worden aanvaard, en kan haars inziens geen rechtvaardiging vormen voor het aan buitenlandse bedrijven opgelegde verbod om incassodiensten te verrichten.
25 Duitsland betoogt, zoals de schuldenaar, dat de in het RBerG vervatte beperkingen gerechtvaardigd zijn door de dwingende vereisten van bescherming van de schuldenaars en schuldeisers en door het algemene belang bij een goede rechtsbedeling. Het verwijst in het bijzonder naar het arrest Saeger, waarin het Hof zijns inziens uitdrukkelijk de geldigheid heeft erkend van een nationale wettelijke regeling die de ontvangers van de betrokken diensten beoogde te beschermen tegen de schade die zij zouden kunnen ondervinden door juridische adviezen van personen die niet de vereiste bekwaamheid bezitten.(26) De beperkingen zouden worden gerechtvaardigd door de complexiteit van de procedures voor de gerechtelijke inning van schuldvorderingen, de verscheidenheid van de beschikbare methodes van tenuitvoerlegging en hun veelal erg uiteenlopende gevolgen voor schuldeiser en schuldenaar alsook door de noodzaak de inachtneming van het staatsmonopolie inzake aanwending van dwang in acht te nemen.
26 § 79 van de ZPO is niet-onverenigbaar met dit beleid. Het handelt niet over het verstrekken van juridisch advies aan derden, maar alleen over de civielrechtelijke procedure. Ten behoeve van partijen die niet de financiële middelen hebben om zich door een advocaat te laten bijstaan, erkent het dat een partij in sommige gevallen voor lagere rechtbanken zelf mag optreden, omdat in die gevallen alleen het belang van die partij en niet dat van een derde op het spel staat. Om minvermogende of kostenbewuste partijen verder ter hulp te komen, staat de ZPO hun ook toe, zich te laten bijstaan door verwanten of vrienden die door hun ervaring of anderszins beter in staat zijn een zaak te verdedigen dan de gedingvoerende partij. Volgens Duitsland mag deze mogelijkheid enkel worden gezien als een uitbreiding van het recht van de gedingvoerende partij om zelf op te treden en dus niet als iets dat verband houdt met de beroepsmatige vertegenwoordiging door een derde; het is deze laatste activiteit die door het RBerG wordt geregeld. De gevallen waarin een partij zelf optreedt, zijn uitzonderlijk, hetgeen volgens Duitsland strookt met de algemene doelstelling van zowel het RBerG als van de ZPO(27), namelijk ervoor te zorgen dat de vertegenwoordigers van partijen in gerechtelijke procedures zoveel mogelijk advocaten zijn.
b) Bespreking
27 Het is vaste rechtspraak van het Hof, dat "nationale maatregelen die de uitoefening van de in het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden kunnen belemmeren of minder aantrekkelijk kunnen maken, aan vier voorwaarden moeten voldoen: zij moeten zonder discriminatie worden toegepast, zij moeten hun rechtvaardiging vinden in dwingende redenen van algemeen belang, zij moeten geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en zij mogen niet verder gaan dan nodig is voor het bereiken van dat doel".(28)
28 In het arrest Reyners bevestigde het Hof, dat de uitoefening van een beroep als dat van advocaat onderworpen blijft aan het recht van de verschillende Lid-Staten.(29) In de rechtspraak van het Hof wordt erkend, dat "elke Lid-Staat, bij gebreke van specifieke gemeenschapsbepalingen ter zake, vrij (is) om de uitoefening van het beroep van advocaat op zijn grondgebied te regelen".(30) Het Hof erkende ook de "bijzondere kenmerken van het beroep van advocaat".(31) Deze vloeien vooral voort uit het feit dat advocaten niet alleen verplichtingen hebben jegens hun cliënten, maar ook met betrekking tot de rechtsbedeling in het rechtsstelsel van de staat waar zij zijn gevestigd en, bij de grensoverschrijdende verrichting van juridische diensten, in het rechtsstelsel van de staat van ontvangst. Deze verplichting blijkt uit de richtlijn van 1977, die de advocaten die tijdelijk diensten in een andere Lid-Staat verrichten, verplicht "de beroepsregels van de Lid-Staat van ontvangst in acht [te nemen], onverminderd de verplichtingen waaraan hij in de Lid-Staat van herkomst dient te voldoen".(32) Dienaangaande overwoog het Hof in het arrest Saeger in verband met het verstrekken van juridisch advies, dat het openbaar belang van de bescherming van de ontvangers van die diensten "tegen de schade die zij zouden kunnen ondervinden door juridische adviezen van personen die niet de vereiste beroeps- of morele bekwaamheden bezitten (...) een beperking op de vrije dienstverrichting rechtvaardigt".(33)
29 Ongetwijfeld kunnen de Lid-Staten in het belang van de ontvangers van juridische diensten, van door het verrichten van deze diensten geraakte derden en van de goede werking van de nationale rechtsorde, het recht om beroepsmatig derden voor hun rechters te vertegenwoordigen, in beginsel op niet-discriminerende wijze beperken tot personen die daarvoor de nodige kwalificaties en persoonlijke geschiktheid hebben. In casu is het dus de vraag, of het monopolie van advocaten een geschikt middel is om het rechtmatige nationale beleid van bescherming van de schuldeisers en schuldenaars in procedures van gerechtelijke inning van schuldvorderingen en de goede werking van de nationale rechtsorde te verwezenlijken en in het bijzonder, of dit met minder restrictieve middelen kan worden bereikt.
30 Zoals advocaat-generaal Jacobs in zijn conclusie in de zaak Saeger verklaarde, zal "de vereiste rechtvaardiging (...) van de aard van de dienst en van de beperking afhangen".(34) Hij wees erop, dat het RBerG een tweeledig doel heeft, namelijk: "particulieren te beschermen tegen de schade die zij zouden kunnen ondervinden als gevolg van juridische adviezen van ongekwalificeerde personen" en "advocaten te beschermen tegen oneerlijke concurrentie van ongekwalificeerde personen die niet zijn onderworpen aan dwingende beroepsregels".(35) In de onderhavige zaak, waarin het gaat om het recht van personen die geen advocaat zijn, om in rechte op te treden, moet de noodzaak om de goede werking van de rechtsorde te beschermen, worden gevoegd bij de met klem geuite bezorgdheid waarvan advocaat-generaal Jacobs blijk gaf waar hij zei, dat "het publiek moet worden beschermd tegen ongekwalificeerde leken die zich voordoen als advocaten, net zo goed als zij moeten worden beschermd tegen charlatans die zich voordoen als doktoren".(36) Wanneer dergelijke fundamentele belangen op het spel staan, is mijns inziens grote omzichtigheid geboden om de evenredigheid van zonder onderscheid toepasselijke nationale maatregelen op basis van artikel 59 van het Verdrag te betwisten. Anders dan in de zaak Saeger, gaat het in casu niet om het verrichten van in wezen routinematige quasi-juridische diensten die "eenvoudig van aard" zijn.(37) Bovendien worden de betrokken diensten, anders dan in de zaak Saeger, vaak verricht "ten behoeve van Jan met de pet"(38), aangezien niet kan worden aangenomen, dat personen met uitstaande handelsvorderingen vertrouwd zijn met de wet, noch dat de schulden van alle klanten van incassobedrijven uit handelstransacties zijn ontstaan.
31 Mijns inziens is het voor incassobedrijven geldende verbod om de schuldvorderingen van hun klanten langs gerechtelijke weg te innen, een gerechtvaardigde, geschikte en evenredige maatregel die is ingegeven door twee dwingende redenen van openbaar belang, namelijk de schuldenaar en de schuldeiser te beschermen en de goede rechtsbedeling te waarborgen. Het betoog van Broede en de Commissie over de onevenredigheid van het in het RBerG geformuleerde verbod gaat vooral uit van de belangen van de schuldeisers en de rechtsorde. Volgens Broede kan bij voorbeeld worden volstaan met maatregelen ter bescherming van de financiële belangen van de schuldeisers voor het geval het incassobureau de betaling van de schuldenaar ontvangt vooraleer het de schuldeiser betaalt. Dit argument overtuigt mij niet. Een dergelijke maatregel beschermt hooguit de schuldeiser tegen incassobureaus zonder financiële scrupules. Hij biedt geen bescherming tegen de ernstige gevolgen voor zowel schuldeisers als schuldenaars en tegen de ontwrichting van de rechtsorde die kunnen voortvloeien uit de onbekwaamheid of het gebrek aan kundigheid van dergelijke incassobureaus bij het verrichten van diensten in verband met de gerechtelijke inning van schuldvorderingen.
32 Mijns inziens maakt Duitsland terecht onderscheid tussen enerzijds de persoonlijke verschijning van een partij in een gerechtelijke procedure en, bij uitbreiding, de persoonlijke doch niet beroepsmatige vertegenwoordiging van die particulier door een andere particulier, en anderzijds de beroepsmatige vertegenwoordiging in rechte van die particulier door derden. In sommige Lid-Staten kunnen particulieren in alle gevallen, ongeacht het niveau van de betrokken rechterlijke instantie, zichzelf vertegenwoordigen.(39) Het ongecontroleerd verrichten van juridische diensten door niet-gekwalificeerde personen is een andere zaak. De gevaren ervan voor een goede rechtsbedeling zijn welbekend. De potentiële slachtoffers van dergelijke niet-gecontroleerde personen zijn niet enkel hun klanten, doch ook hun opponenten, het gerecht en het publiek. De last die de goede rechtsbedeling ondervindt van het instellen van gedingen (of het verweer daarin) door minvermogenden, wordt, zo niet door alle, dan toch door vele Lid-Staten, althans tot op zekere hoogte, aanvaard.(40) Ingeval Frankrijk incassobedrijven bij voorbeeld zou toestaan bij de bevoegde Franse rechters zonder bijstand van een advocaat een verzoek om derdenbeslag in te dienen, ofschoon het Hof daaromtrent geen aanwijzingen heeft, eist artikel 59 van het Verdrag mijns inziens niet, dat het Duitse rechtsstelsel de lasten draagt die voortvloeien uit het voor de in Frankrijk gevestigde incassobureaus vergemakkelijken van het beroepsmatig verrichten van juridische diensten voor Duitse rechterlijke instanties. Voor een nationaal rechtsstelsel, als dat van Duitsland, is het bij tijd en wijle beschikbaar stellen van de diensten (en de tijd) van haar gerechtsambtenaren aan gedingvoerende particulieren mijns inziens heel wat anders dan van die gerechtsambtenaren te verlangen dat zij toezicht uitoefenen op de werkzaamheden van professionele incassobedrijven om te garanderen dat deze hun klanten geen slechte diensten bewijzen, en om, gelet op de gevolgen die een onder valse voorwendsels verkregen derdenbeslag met name voor schuldenaars kan hebben, te beletten dat die incassobedrijven de rechters bij wie verzoeken om tenuitvoerlegging worden ingediend, misleiden.
33 Mijns inziens vindt deze conclusie steun in de relevante rechtspraak van het Hof. In het arrest Van Binsbergen, waarin het ging om de beroepsmatige verrichting van juridische diensten voor een Nederlandse rechter in sociale zaken door iemand die geen advocaat was (Kortmann), was de vertegenwoordiging door een advocaat niet verplicht. De omstandigheden van die zaak zijn dus fundamenteel verschillend van de onderhavige zaak, waarin alleen advocaten cliënten in Duitsland beroepsmatig mogen vertegenwoordigen. Het is mijns inziens significant dat het Hof in het arrest Van Binsbergen verklaarde:
"Dat evenwel, in verband met de bijzondere aard van sommige diensten, niet als onverenigbaar met het Verdrag kunnen worden beschouwd specifieke eisen welke aan de dienstverrichter worden gesteld wegens de toepasselijkheid van beroepsregels die hun grond vinden in het algemeen belang - met name regels betreffende organisatie, bekwaamheid, beroepsethiek, toezicht en aansprakelijkheid - en die voor iedereen gelden die gevestigd is op het grondgebied van de Staat waar de dienst wordt verricht, voor zover zulke eisen nodig zijn om te voorkomen dat de dienstverrichter door zijn vestiging in een andere Lid-Staat aan de greep van die regels zou ontsnappen."
Daar de werkzaamheid van adviseurs zoals Kortmann in Nederland volkomen vrij was, verklaarde het Hof, dat "het vereiste van vestiging op het grondgebied van die Staat een met de artikelen 59 en 60 van het Verdrag onverenigbare beperking vormt, wanneer in een goede rechtsbedeling kan worden voorzien door minder stringente maatregelen, zoals het vereiste van keuze van een domicilie waarheen de op het geding betrekking hebbende stukken kunnen worden gezonden".
34 In casu eist het RBerG volgens de uitlegging van de Duitse rechter niet, dat de incassobedrijven in Duitsland gevestigd zijn, doch alleen dat zij een beroep doen op een advocaat wanneer zij namens hun klanten schuldvorderingen langs gerechtelijke weg innen.(41) Zoals Duitsland ter terechtzitting uitdrukkelijk aanvaardde, hoeven dat geen Duitse advocaten te zijn. Een onderneming als INC kan dus bij voorbeeld een beroep doen op een Franse advocaat om in Duitsland in haar naam het relevante verzoek te gaan indienen. Dienaangaande acht ik het nuttig eraan te herinneren, dat het Hof in de zaak Commissie/Duitsland(42) onder meer oordeelde, dat Duitsland door een niet-Duitse advocaat/dienstverrichter te verplichten, samen te werken met een op Duits grondgebied gevestigde advocaat, ook wanneer naar Duits recht bijstand van een advocaat niet verplicht is, de verplichtingen niet was nagekomen die krachtens de artikelen 59 en 60 van het Verdrag en krachtens de richtlijn van 1977 op hem rustten. De Commissie vergist zich derhalve waar zij beweert, dat het vereiste van het RBerG de Duitse markt beoogt af te schermen ter bescherming van het monopolie van de advocaten. Nationale of buitenlandse incassobedrijven kunnen een beroep doen op advocaten uit andere Lid-Staten telkens wanneer zij het nodig achten zich namens hun klanten/schuldeisers tot het Duitse gerecht te wenden. Niets belet niet-Duitse incassobedrijven dus, klanten wier schuldenaars in Duitsland zijn gevestigd, een volledige incassodienst aan te bieden.
35 Voor zover het RBerG ertoe strekt de advocaten uit de Gemeenschap het monopolie van de beroepsmatige vertegenwoordiging in rechte in Duitsland te geven, is de handhaving daarvan in de huidige stand van het gemeenschapsrecht gerechtvaardigd door het algemeen belang. Praktizerende advocaten zijn gekwalificeerde vakmensen die onafhankelijk zijn en, zoals blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof, zowel in het belang van hun cliënten als in dat van de rechtsbedeling moeten optreden er daarom aan strikte beroepsregels onderworpen zijn.(43) De handhaving van deze beroepsverplichtingen van de advocaten zorgt ervoor, dat de eindverbruikers van de juridische diensten (hier de schuldeisers), de schuldenaars en de rechtsorde de nodige waarborgen van integriteit en deskundigheid krijgen. Het verbod van het RBerG is dus zowel geschikt als noodzakelijk om de bescherming van die belangen te waarborgen.
36 Het passend karakter van de Duitse regeling wordt mijns inziens niet ondermijnd door het enkele feit dat een andere Lid-Staat - in casu Frankrijk - niet dezelfde wetgevende keuze maakt. Zoals het Hof in de zaak Alpine Investments met betrekking tot een nationale regeling ter bescherming van de goede naam van een nationale financiële sector overwoog, "betekent het feit dat in de ene Lid-Staat minder strikte bepalingen gelden dan in een andere, niet dat deze laatste onevenredig zijn en derhalve onverenigbaar met het gemeenschapsrecht".(44)
37 Bijgevolg zijn de betrokken bepalingen van Duits recht, voor zover zij het verrichten van diensten in verband met de gerechtelijke inning van schuldvorderingen voorbehouden voor advocaten, mijns inziens niet onverenigbaar met artikel 59 van het Verdrag. De tweede vraag behoeft dus niet te worden beantwoord.
IV - Conclusie
38 Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vragen van het Landgericht Dortmund te beantwoorden als volgt:
"Artikel 59 EG-Verdrag staat niet in de weg aan een nationale regeling waarbij het een in een andere Lid-Staat gevestigd bedrijf verboden is, schuldvorderingen van derden langs gerechtelijke weg te innen omdat deze activiteit volgens de nationale regeling voor advocaten is voorbehouden."
(1) - BGBl. I, blz. 455.
(2) - Dit soort beschikking is te vergelijken met een "attachment order" naar Angelsaksisch recht en met een "saisie-arrêt" naar continentaal recht. Gemakshalve wordt het hierna "derdenbeslag" genoemd.
(3) - BGBl. I, blz. 1478.
(4) - Deze laatste voorwaarde geldt enkel voor aanvragers die geen onderdaan van een EG-Lid-Staat of van een EER-Staat zijn.
(5) - Ter terechtzitting betoogde de gemachtigde van Duitsland, dat het begrip "beroepsmatig" doorgaans een bij herhaling verrichte bezigheid aanduidt, doch dat het volgens de rechtspraak van het Bundesgerichtshof volstaat ereloon aan te nemen opdat er sprake zou zijn van het als beroep verrichten van diensten.
(6) - Ter terechtzitting wees de gemachtigde van Duitsland erop, dat de gerechtelijke inning van schuldvorderingen door incassobedrijven in Duitsland "volstrekt verboden is". Met name werd verwezen naar § 3 Bundesrechtsanwaltordnung (BRAO), volgens welke de advocaat de onafhankelijke professionele raadsman is door wie partijen zich bij alle juridische aangelegenheden, met name voor de rechter, kunnen laten vertegenwoordigen.
(7) - INC is een ter griffie van het Tribunal de commerce de Senlis in Frankrijk onder nr. 391 100 021 (93B185) geregistreerde vennootschap.
(8) - Volgens de aan het Hof verstrekte gegevens bestaat er in Frankrijk geen bijzondere regeling voor de activiteiten van incassobedrijven.
(9) - Arrest van 28 maart 1979, zaak 175/78, Saunders, Jurispr. 1979, blz. 1129, r.o. 11.
(10) - Arrest van 26 april 1988, zaak 352/85, Bond van Adverteerders e.a., Jurispr. 1988, blz. 2085, r.o. 13.
(11) - Arrest van 10 mei 1995, zaak C-384/93, Alpine Investments, Jurispr. 1995, blz. I-1141, punt 27 van de conclusie.
(12) - Het Duitse origineel bezigt de woorden "vertreten durch".
(13) - Arrest van 27 maart 1963, gevoegde zaken 28/62, 29/62 en 30/62, Da Costa e.a., Jurispr. 1963, blz. 61.
(14) - Arrest van 3 december 1974, zaak 33/74, Van Binsbergen, Jurispr. 1974, blz. 1299.
(15) - Arrest van 20 maart 1986, zaak 35/85, Tissier, Jurispr. 1986, blz. 1207, r.o. 9.
(16) - Zie, bij voorbeeld, arrest van 23 november 1989, zaak C-150/88, Parfuemeriefabrik 4711, Jurispr. 1989, blz. 3891, r.o. 12.
(17) - Arrest van 30 november 1995, zaak C-55/94, Gebhard, Jurispr. 1995, blz. I-4165, r.o. 20 en 23.
(18) - Zie arrest Gebhard, reeds aangehaald, r.o. 25.
(19) - Arrest Gebhard, r.o. 27; zie ook de diepgaande behandeling van de vraag in de conclusie van advocaat-generaal Léger, in het bijzonder de punten 32-38.
(20) - Ibidem.
(21) - Zie bij voorbeeld het arrest van 28 maart 1996, zaak C-272/94, Guiot, Jurispr. 1996, blz. I-1905.
(22) - Ter terechtzitting wees Duitsland erop, dat het niet noodzakelijk een "Rechtsanwalt" moet zijn, maar dat het ook een in een andere Lid-Staat ingeschreven advocaat kan zijn die overeenkomstig richtlijn 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten (PB 1977, L 78, blz. 17, hierna: de "richtlijn van 1977") zijn werkzaamheid in Duitsland uitoefent.
(23) - Arrest van 25 juli 1991, zaak C-76/90, Saeger, Jurispr. 1991, blz. I-4221, r.o. 14.
(24) - Daarom spreek ik mij niet uit over de vraag, of de toepassing op een in een andere Lid-Staat gevestigd incassobedrijf van de criteria van artikel 1, lid 1, tweede alinea, RBerG gerechtvaardigd is.
(25) - Zie arrest Alpine Investments, reeds aangehaald in voetnoot 11, r.o. 44.
(26) - Ofschoon Duitsland niet uitdrukkelijk naar rechtsoverweging 16 van dit arrest verwees, had het vermoedelijk deze overweging op het oog. Zie verder punt 28.
(27) - Volgens § 157, lid 1, van de ZPO zijn personen die anderen beroepsmatig vertegenwoordigen, van de terechtzitting uitgesloten; krachtens lid 2 kan een rechter partijen, hun vertegenwoordigers of raadslieden die niet bij een balie zijn ingeschreven, het recht ontnemen om voor het gerecht op te treden, wanneer zij niet naar behoren kunnen pleiten.
(28) - Arrest Gebhard, r.o. 37.
(29) - Arrest van 21 juni 1974, zaak 2/74, Reyners, Jurispr. 1974, blz. 631, r.o. 48. Een voorstel voor een richtlijn betreffende het vestigingsrecht van advocaten, wordt thans op politiek niveau in de Gemeenschap besproken; zie COM(94) 572 def. van 21 december 1994.
(30) - Arrest van 12 juli 1984, zaak 107/83, Klopp, Jurispr. 1984, blz. 2971, r.o. 17.
(31) - Ibidem, r.o. 20.
(32) - Reeds aangehaald in voetnoot 22, artikel 4, lid 2.
(33) - Zie r.o. 16 en 17 van het arrest.
(34) - Zie punt 28 van de conclusie.
(35) - Ibidem, punt 31.
(36) - Ibidem, punt 32.
(37) - Zie r.o. 18 van het arrest.
(38) - Zie de conclusie van advocaat-generaal Jacobs, punt 35.
(39) - In het Verenigd Koninkrijk en Ierland bij voorbeeld kunnen natuurlijke personen zelf optreden tot voor de hoogste rechterlijke instanties, dat wil zeggen het House of Lords respectievelijk de Supreme Court. In Ierland behoort dat recht tot de onbenoemde persoonlijke grondrechten die door artikel 40, lid 3, van de Grondwet worden gewaarborgd. Zie bij voorbeeld de uitspraak van rechter Kenny in Macauley/Minister for Posts and Telegraphs (1966) IR 345. Een rechtspersoon moet zich, althans volgens de in Engeland en Wales, Ierland en Noord-Ierland geldende common law, steeds door een advocaat laten vertegenwoordigen; zie (althans voor Ierland) het arrest Battle/Irish Art Promotion Centre Ltd (1968) IR 252. Natuurlijke personen mogen evenwel, noch naar de common law in deze rechterlijke instanties noch tot op heden volgens artikel 40, lid 3, van de Ierse Grondwet, andere natuurlijke personen aanwijzen om in hun naam al dan niet beroepsmatig op te treden; zie bij voorbeeld de uitspraak van rechter Budd van de Ierse High Court van 5 mei 1992 in P.M.L.B./P.H.J.
(40) - Opgemerkt zij dat in artikel 6, lid 3, sub c, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, uitdrukkelijk wordt bepaald, dat eenieder tegen wie een vervolging wordt ingesteld, het recht heeft "zich zelf te verdedigen".
(41) - Ter terechtzitting is met name gewezen op het arrest van het Bundesgerichtshof van 7 november 1995, waarin onder verwijzing naar artikel 12 van de Duitse grondwet, betreffende de vrijheid van beroep ("Berufsfreiheit"), het verband tussen § 3 BRAO en artikel 1 RBerG aldus is uitgelegd, dat het incassobedrijven uitdrukkelijk wordt toegestaan, zich voor de gerechtelijke inning van schuldvorderingen door advocaten te laten bijstaan wanneer zij door de schuldeiser vooraf zijn gemachtigd de schuldvordering te innen. Het is de incassobedrijven dus niet verboden zich tot de rechter te wenden, alleen kunnen zij zelf niet beroepsmatig optreden.
(42) - Arrest van 25 februari 1988, zaak 427/85, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1988, blz. 1123.
(43) - Zie in het algemeen het arrest van 19 januari 1988, zaak 292/86, Gullung, Jurispr. 1988, blz. 111.
(44) - Zie r.o. 51 van dat arrest. Ik ben het eens met advocaat-generaal Jacobs, dat "ware dit niet zo, (...) de Lid-Staten bij gebreke van harmonisatie hun wettelijke regeling zouden moeten afstemmen op die van de Lid-Staat die de minst strenge eisen stelt" (punt 90 van de conclusie).
Full & Egal Universal Law Academy