CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. LA PERGOLA
van 14 november 1995 ( *1 )
Inleiding
1.
Het onderhavig beroep werpt vragen op die verband houden met de opstelling van de gemeenschapsbegroting en de verdeling van de bevoegdheden tussen de twee instellingen die de begrotingsautoriteit vormen, het Parlement en de Raad. Het Hof wordt namelijk verzocht zich uit te spreken over de vraag, of deze beide instellingen op de in geding zijnde punten tijdens de procedure die is afgesloten met de verklaring van de voorzitter van het Parlement houdende vaststelling van de begroting 1995, hun bevoegdheden op wettige wijze hebben uitgeoefend.
De feiten van de zaak
2.
Met zijn op 17 februari 1995 ingesteld beroep vecht de Raad de handeling aan waarbij de voorzitter van het Parlement op 15 december 1994 de definitieve vaststelling van de begroting 1995 heeft geconstateerd. ( 1 ) De Raad verzoekt het Hof krachtens artikel 173 EG-Verdrag en artikel 146 EGA-Verdrag ( 2 ), de door hem bestreden handeling nietig en bijgevolg de begroting 1995 ongeldig te verklaren, met instandhouding evenwel van de handelingen tot uitvoering van deze begroting, die tot de datum van de eventuele gegrondverklaring van het beroep zijn verricht.
3.
De aan dit beroep ten grondslag liggende feiten laten zich als volgt kort samenvatten.
Het Parlement heeft wijzigingen aangebracht in enkele lijnen van de begroting, die in eerste lezing door de Raad waren goedgekeurd. Deze lijnen waren door de Raad beschouwd als verplichte uitgaven. Het Parlement merkte ze daarentegen aan als niet-verplichte uitgaven en meende zelfs ingevolge artikel 203 van het Verdrag ten aanzien daarvan amendementen — en dus niet wijzigingsvoorstellen — te moeten aannemen (wijzigingsvoorstellen hebben immers betrekking op verplichte uitgaven). Zoals hierna zal worden uiteengezet, bleef de Raad de betrokken uitgaven beschouwen als verplichte uitgaven en behandelde hij de desbetreffende door het Parlement aangebrachte wijzigingen dan ook niet als amendementen, maar als wijzigingsvoorstellen, juist omdat het verplichte uitgaven zouden zijn.
De 131 omstreden begrotingslijnen staan in onderafdeling BI (EOGFL-Garantie), behalve één, die tot onderafdeling B7 (Internationale visserij overeenkomsten) behoort. Voor elke begrotingslijn van onderafdeling B1 werden de door het Parlement in de vorm van amendementen aangebrachte wijzigingen voorzien van een commentaar waaruit zou moeten blijken dat het om niet-verplichte uitgaven gaat en waarin werd verwezen naar de „speelruimte” of „flexibiliteit” die de Commissie ingevolge de „basisverordeningen” had bij de uitvoering van de maatregel. Wat de begrotingslijn in onderafdeling B7 betreft, wordt het daarop betrekking hebbende commentaar door het door het Parlement goedgekeurde amendement aldus gewijzigd, dat een krediet van 1 miljoen ECU wordt uitgetrokken voor de dekking van uitgaven voor een internationale visserijovereenkomst die de Gemeenschap met Rusland moest sluiten ter financiering van de haringvisserij. Bij de in geding zijnde begrotingslijnen wijzigde het Parlement in enkele gevallen tevens de hoogte van het krediet dat in de oorspronkelijk door de Raad opgestelde ontwerpbegroting was voorzien.
Tijdens de tweede lezing op 16 november 1994 verwierp de Raad de door het Parlement in eerste lezing aangenomen amendementen, op grond dat het bij de in geding zijnde begrotingslijnen ging om wijzigingsvoorstellen betreffende verplichte uitgaven, overeenkomstig de begrotingspraktijk van de instellingen en de classificatie volgens de Gezamenlijke verklaring van 1982. ( 3 )
De in de notulen van de betrokken zitting van de Raad gegeven motivering voor de afwijzing van de door het Parlement voorgestelde amendementen, werd herhaald in de motivering betreffende het resultaat van de tweede lezing van de gemeenschapsbegroting door de Raad. Dit document werd op 16 november 1994 aan het Parlement gezonden.
De fungerend voorzitter van de Raad bevestigde vervolgens het standpunt van zijn instelling betreffende de classificatie van de omstreden begrotingslijnen in een brief van 2 december 1994 aan de voorzitter van het Parlement, waarin hij de opvatting van de Raad herhaalde, dat de onder het landbouwrichtsnoer vallende uitgaven ingevolge de Gezamenlijke verklaring van 1982 en het Interinstitutioneel akkoord van 1993 ( 4 ) verplichte uitgaven zijn.
De Raad handhaafde dit standpunt tijdens de tweede lezing in het Parlement. In de zitting van 13 december 1994 verklaarde de fungerend voorzitter van de Raad namelijk, dat de Raad met betrekking tot de in geding zijnde begrotingslijnen niet kon „aanvaarden” dat de classificatie van de uitgaven werd gewijzigd, omdat „tijdens de onderhandelingen voor het Interinstitutioneel akkoord” overeen was gekomen dat „alle uitgaven van de rubrieken 2 en 3” voortaan als niet-verplicht zouden worden geclassificeerd, met dien verstande dat de classificatie van alle andere uitgaven, waaronder die van rubriek 1, ongewijzigd moest blijven.
In het daarop volgende parlementaire debat werden uiteenlopende opvattingen over de classificatie van de in geding zijnde uitgaven naar voren gebracht. Op 15 december nam het Parlement in elk geval een resolutie aan van de volgende strekking: „[le Parlement] approuve dans ces circonstances le maintien en deuxième lecture de tous les amendements considérés par le Conseil comme des ‚codifications’, et qui concernent des lignes pour lesquelles, selon la réglementation en vigueur, la Commission doit respecter le montant inscrit dans le budget en vertu de son pouvoir discrétionnaire de gestion”.
4.
Op 15 december 1994 vond de laatste handeling van de complexe procedure tot vaststelling van de gemeenschapsbegroting plaats.
Tijdens het debat ter vergadering en na de stemming waarbij de resoluties van het Parlement werden goedgekeurd, verklaarde de fungerend voorzitter van de Raad, Haller, het volgende:
„Het standpunt van de Raad ter zake is aan het Parlement medegedeeld in een schrijven van 2 december 1994 van de fungerend voorzitter van de Raad en door mijzelf in mijn verklaring van 13 december 1994. Ik zie mij derhalve genoodzaakt erop te wijzen, dat de Raad zich dienaangaande alle rechten voorbehoudt. Tevens zou ik erop willen wijzen, dat de instemming van de Raad met het nieuwe percentage van de niet-verplichte uitgaven is gebaseerd op het door de Raad vastgestelde standpunt ter zake.”
Op verzoek van de voorzitter van de begrotingscommissie van het Parlement en na tussenkomst van enkele andere parlementsleden, verklaarde de voorzitter van het Parlement daarop:
„Ik stel vast dat ondanks de meningsverschillen met betrekking tot bepaalde punten overeenkomstig artikel 203 EG-Verdrag overeenstemming met de Raad is bereikt over het maximumstijgingspercentage. De begrotingsprocedure kan bijgevolg met succes worden afgesloten.”
Na deze verklaring ging de voorzitter van het Parlement over tot de vaststelling van de begroting in de zittingszaal, in aanwezigheid van de fungerend voorzitter van de Raad, Halier, het Commissielid Schmidhuber, de rapporteurs en de voorzitter van de begrotingscommissie van het Parlement.
De toepasselijke bepalingen
5.
De gemeenschapsbepalingen waar het in de onderhavige zaak om gaat, zijn neergelegd in artikel 203, leden 4 tot en met 10, van het Verdrag. ( 5 ) Deze bepalingen betreffen, zoals bekend, de bevoegdheden van de twee instellingen ten aanzien van de opstelling van de begroting, de voorgeschreven meerderheden en het verloop van de procedure.
De ontvankelijkheid
6.
Het Parlement werpt om te beginnen een exceptie van niet-ontvankelÏjkheid op tegen het beroep, voor zover het Hof daarin wordt verzocht de begroting 1995 ongeldig te verklaren. Dit verzoek zou niet-ontvankelijk zijn daar het overbodig is, omdat de begroting, zo het Hof de handeling van de voorzitter van het Parlement houdende constatering dat de begroting is vastgesteld, nietig zou verklaren, daarmee hoe dan ook zou komen te vervallen.
De Raad brengt daartegen in, dat hij uitsluitend om ongeldigverklaring van de begroting heeft verzocht als rechtstreeks en natuurlijk gevolg van de nietigverklaring van de handeling van de voorzitter van het Parlement, en dat hij de reden — de strekking, zoals hij het uitdrukt— van de door het Parlement opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheÍd dan ook niet begrijpt.
7.
Deze vraag wordt naar míjn mening in de rechtspraak van het Hof duidelijk beantwoord. Voor zover in casu noodzakelijk, verwijs ik hiernaar enkel om in herinnering te brengen, dat „nietigverklaring van de handeling van de voorzitter van het Parlement tot gevolg [heeft], dat de begroting (...) ongeldig is”. ( 6 ) Het Hof behoeft dan ook niet, zoals het in dat arrest verklaarde, te beslissen over „de vordering van de Raad” die — evenals in casu— strekte „tot gedeeltelijke nietigverklaring van de begroting”.
Aanvaard is derhalve, dat de toewijzing van de principale vordering tot ongeldigverklaring van de constateringshandeling van de voorzitter van het Parlement, impliciet leidt tot ongeldigheid van de gehele begroting. Dit brengt mijns inziens mee, dat indien de Raad zoals in het onderhavige geval met het tegen de handeling van de voorzitter gerichte beroep ook verzoekt om ongeldigverklaring van de begroting, dit verzoek niet niet-ontvankelijk is: zulks omdat het geen zelfstandig verzoek is, maar noodzakelijkerwijs accessoir aan de principale vordering, waarvan niemand de ontvankelijkheid betwijfelt. Aangezien de ongeldigheid van de begroting onvermijdelijk voortvloeit uit de ongeldigheid van de handeling van de voorzitter, moet het verzoek aan het Hof, te verklaren dat deze ongeldigheid dit bijkomend gevolg heeft, worden geacht reeds te zijn ingewilligd door de eventuele toewijzing van de principale vordering. Overigens, indien de exceptie van niet-ontvankelijkheid zoals zij door het Parlement is geformuleerd, door het Hof zou worden aanvaard en anderzijds de handeling van de voorzitter ongeldig zou worden geacht en nietig verklaard, zou de consequentie van een dergelijke beslissing zijn, dat de gehele begroting haar geldigheid verliest. Het praktisch nut van de opgeworpen exceptie valt derhalve niet in te zien. Hieraan behoeft nauwelijks te worden toegevoegd, dat deze vordering als accessoire vordering noodzakelijkerwijs als afgewezen is te beschouwen in het omgekeerde geval, dat het Hof het beroep van de Raad ongegrond zou verklaren.
Ten gronde
Argumenten van partijen
8.
Dan kom ik nu tot de grond van de zaak. De constateringshandeling van de voorzitter wordt door de Raad aangevochten op grond dat de begroting waarvan de voorzitter van het Parlement de vaststelling heeft geconstateerd, niet op wettige wijze tot stand is gekomen. Volgens verzoeker heeft het Parlement zijn bevoegdheden overschreden door de bepalingen van de begroting betreffende de verplichte uitgaven te wijzigen, terwijl het niet bevoegd is deze te amenderen, maar alleen daarop wijzigingen voor te stellen, die de goedkeuring van de Raad behoeven, welke in casu niet is verleend.
9.
Nauwkeuriger bezien is de kritiek van de Raad tweeërlei. Het Parlement zou zowel in strijd hebben gehandeld met de bepalingen waarbij de Raad de bevoegdheden inzake de verplichte uitgaven worden verleend, als met de interinstitutionele akkoorden, waarin in overeenstemming met en ter uitvoering van die bepalingen de op de in geding zijnde begrotingslijnen betrekking hebbende uitgaven in concreto als verplicht zijn geclassificeerd: de schending van het bepaalde in die akkoorden zou bovendien een niet-nakoming inhouden van de verplichting van de instellingen om zich loyaal te gedragen.
10.
Hiertegen brengt het Parlement allereerst in, dat het zijn taak is, in tweede lezing uitgaven waarvan de aard door de twee takken van de begrotingsautoriteit verschillend wordt gezien, definitief als niet-verplicht te herclassificeren.
Wat het bezwaar betreffende het akkoord van 1993 betreft, verklaart het Parlement, dat dit akkoord de uitgaven die betrekking hebben op de begrotingslijnen van de rubrieken 2 en 3, als niet-verplicht classificeert, terwijl de classificatie van uitgaven van rubriek 1 in het midden blijft. Het feit dat het akkoord over laatstgenoemde uitgaven zwijgt, betekent evenwel niet, dat dit verplichte uitgaven zijn: het stilzwijgen van de instellingen wil alleen zeggen, dat er over de aard van deze uitgaven geen overeenstemming bestaat.
Anderzijds moet de classificering van uitgaven als al dan niet verplichte uitgaven plaatsvinden aan de hand van het objectieve karakter van de normatieve handeling waarop zij berusten. Derhalve moet in concreto per lijn worden nagegaan, of de basishandeling de Commissie bij het beheer van de uitgaven bindt, dan wel haar de discretionaire bevoegdheid laat waardoor deze uitgaven als niet-verplicht worden gekenmerkt. De classificatie van 1982 acht het Parlement achterhaald, hetzij omdat de begroting van 1995 niet meer overeenkomt met de in de Gezamenlijke verklaring uit die tijd bedoelde begrotingslijnen, hetzij omdat in het akkoord van 1993 in elk geval van de in die verklaring bedoelde classificatie van de uitgaven is afgeweken.
11.
De Raad brengt tegen het standpunt van het Parlement in, dat de classificatie van de uitgaven niet eenzijdig mag geschieden, maar tot stand moet komen door overeenstemming tussen de twee takken van de begrotingsautoriteit. Van de Gezamenlijke verklaring van 1982 is op het in geding zijnde punt bij de Interinstitutionele akkoorden van 1988 en 1993 niet afgeweken. Men kan immers, aldus de Raad, op grond van het feit dat het akkoord van 1993 niets zegt over de uitgaven van rubriek 1, niet stellen, dat deze het karakter van verplichte uitgaven dat hun bij de Gezamenlijke verklaring van 1982 was verleend, hebben verloren. Zo men de uitgaven van rubriek 1 tot de niet-verplichte uitgaven zou rekenen, zou dit uiteindelijk het akkoord van 1993 zinledig maken. Dit akkoord voorziet in bijlage II in een speciale procedure van afstemming tussen de drie instellingen betreffende de hoogte van de verplichte uitgaven. Deze procedure zou derhalve niet kunnen worden toegepast, indien de uitgaven van rubriek 1 het karakter van verplichte uitgaven zou worden ontzegd, terwijl dit juist de enige uitgaven zijn die dit karakter nog bezitten.
12.
De bezwaren van het Parlement tegen de opvatting van de Raad hebben niet alleen betrekking op de criteria die in abstracto de classificatie van de uitgaven bepalen. De Raad heeft volgens het Parlement hoe dan ook reeds ingestemd met de herkwalificatie van de betrokken uitgaven als niet-verplichte uitgaven, daar hij zijn goedkeuring in de zin van artikel 203 van het Verdrag heeft gehecht aan de verhoging van het maximumstijgingspercentage. Dit maximumstijgingspercentage en de categorie niet-verplichte uitgaven waarop het moet worden toegepast, zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden; er bestaat dan ook slechts instemming met de vaststelling van het maximumstijgingspercentage, voor zover de Raad zich met het Parlement akkoord heeft verklaard over de uitgaven waarop dit percentage moet worden toegepast. Ingevolge artikel 203, lid 9, vierde en vijfde alinea, heeft het maximumstijgingspercentage, en dus het nieuwe percentage dat het Parlement en de Raad in onderlinge overeenstemming moeten vaststellen zo dit hoger is dan het eerder voorziene percentage, uitsluitend betrekking op de niet-verplichte uitgaven. Beslissend voor de beslechting van het onderhavige geschil is derhalve de vaststelling, of de twee takken van de begrotingsautoriteit tot overeenstemming zijn gekomen over de niet-verplichte uitgaven.
Om in casu aan te tonen, dat overeenstemming bestond over zowel het maximumstijgingspercentage als de daaraan ten grondslag liggende classificatie van de uitgaven als niet-verplichte uitgaven, formuleert het Parlement in zijn verweerschrift een aantal argumenten. Allereerst zou de fungerend voorzitter van de Raad hebben ingestemd met het standpunt van het Parlement in de door hem tijdens het debat over de tweede lezing van de begroting in de vergadering afgelegde verklaring, die ik reeds heb aangehaald. Voorts zou de voorzitter van de Raad tijdens de parlementaire behandeling een houding hebben aangenomen waaruit licht zou kunnen worden afgeleid, dat hij instemde met de constatering van de voorzitter van het Parlement, dat de begroting was vastgesteld. De praktijk van de relaties tussen de twee instellingen inzake de opstelling van de begroting zou in de door het Parlement verdedigde richting gaan. Op de Raad rust immers de verplichting — waaraan hij tot dusverre steeds had voldaan— om tijdig en ondubbelzinnig te wijzen op eventuele gebreken die kunnen leiden tot de ongeldigheid van de uiteindelijke constateringshandeling, welke tot de bevoegdheid van de voorzitter behoort. In casu is hiervan evenwel volgens het Parlement geen sprake geweest. De Raad heeft het standpunt van het Parlement niet uitdrukkelijk verworpen, zoals hij in eerdere gevallen had gedaan, en heeft zich integendeel via zijn fungerend voorzitter achter de betuigingen van instemming geschaard die op de vaststelling van de begroting en de constateringshandeling van de voorzitter zijn gevolgd. Het Parlement ziet deze houding van de Raad als een vorm van courtoisie tussen de instellingen: een uiting van de comitas van een soevereine instelling jegens een andere, welke evenwel volgens het Parlement ook rechtsgevolgen heeft, getuige de rechtspraak van het Internationaal Gerechtshof op het gebied van het volkenrecht. ( 7 ) De Raad brengt hiertegen in, dat fungerend voorzitter Haller niet bevoegd was, van het door de instelling ingenomen standpunt terug te komen en dus ook niet in staat was het maximumstijgingspercentage te aanvaarden dat het gevolg zou zijn geweest van de door het Parlement verrichte en door de Raad betwiste herclassificatie van de betrokken uitgaven. Het Parlement meent evenwel, dat het hoe dan ook aan de fungerend voorzitter van de Raad stond, de wil van de door hem vertegenwoordigde instelling uit te leggen, uit te dragen en uit te voeren. De voorzitter van het Parlement moest volledig kunnen vertrouwen op de ter zitting door voorzitter Haller namens de Raad afgelegde verklaring en had geen reden eraan te twijfelen, dat het de wil van deze instelling was, het nieuwe maximumstijgingspercentage te aanvaarden.
13.
Verzoeker vestigt er evenwel de aandacht op, dat de overeenstemming over het maximumstijgingspercentage alleen dan kan worden geacht wettig tot stand te zijn gekomen, indien de twee takken van de begrotingsautoriteit het eens zijn geworden over de vaststelling van de niet-verplichte uitgaven, waarop dit percentage moet worden toegepast. Onenigheid over de vraag, welke deze niet-verplichte uitgaven zijn, betekent derhalve dat de Raad onmogelijk op geldige wijze met het maximumstijgingspercentage kon instemmen.
Volgens de Raad bestond er in casu in geen geval overeenstemming over het maximumstijgingspercentage. Voorzitter Haller had het Parlement de brief van 2 december 1994 gezonden en ter zitting van 13 december van dat jaar een- en andermaal de in geding zijnde herkwalificatie van de uitgaven als niet-verplichte uitgaven betwist, met een duidelijke waarschuwing aan het Parlement voor alle mogelijke consequenties van deze situatie.
De ter zitting door voorzitter Halier na afloop van het debat over de begroting op 15 december 1994 afgelegde verklaring kan niet anders worden opgevat. Ook ditmaal kon de Raad zijn instemming met het maximumstijgingspercentage slechts betonen „gebaseerd op het door de Raad vastgestelde standpunt ter zake”. Er was derhalve geen sprake van instemming en er zou ook alleen dan instemming zijn gegeven, indien de door het Parlement als niet-verplicht geclassificeerde uitgaven als verplicht zouden worden beschouwd, zodat het nieuwe maximumstijgingspercentage kon worden berekend en toegepast op grondslag van de uitgaven welke uit de door de Raad voorgestane classificatie voortvloeide.
De Raad merkt voorts op, dat de Franse vertaling van de in het Duits gestelde verklaring van voorzitter Haller luidt: „le Conseil donne son accord”, terwijl de oorspronkelijke tekst luidt: „die Zustimmung des Rates (...) erfolgt”. Aangezien de verklaring van de voorzitter van de Raad afhing van voorwaarden waaraan nog niet was voldaan, had de oorspronkelijke tekst moeten worden vertaald met het werkwoord in de toekomende tijd: „l'accord du Conseil interviendra”. Het Parlement ziet het gebruik van de tegenwoordige tijd in de Franse versie als bewijs voor een daadwerkelijke en onvoorwaardelijke instemming van de Raad met het maximumstijgingspercentage. Het zal volgens de Raad evenwel moeten erkennen, dat aan de voor een dergelijke instemming noodzakelijke voorwaarde niet is voldaan, aangezien nog steeds onenigheid bestond over de classificatie van de omstreden uitgaven. Zelfs zo men de lezing die het Parlement aan de betrokken verklaring wenst te geven, zou aanvaarden, kan deze niettemin niet anders dan tegenstrijdig worden genoemd. De enige mogelijke wijze om ze te begrijpen, is de duidelijke en logische verwijzing van voorzitter Halier naar het door de Raad ingenomen standpunt: overeenstemming zou enkel dan kunnen worden en zijn bereikt, indien het Parlement dit standpunt ten aanzien van het karakter van de in geding zijnde uitgaven had aanvaard.
Ten slotte ontkent de Raad, dat voorzitter Haller met de handelwijze van het Parlement zou hebben ingestemd, en in het bijzonder met die van zijn voorzitter bij zijn constatering van de vaststelling van de begroting. Voorzitter Halier had gehandeld zoals hij moest handelen, aangezien het niet de taak van de Raad is, in te grijpen in de uitoefening van de prerogatieven die artikel 203, lid 7, van het Verdrag uitsluitend aan de voorzitter van het Parlement verleent. Evenmin kunnen uitingen van courtoisie tussen de instellingen aan rechterlijke toetsing worden onderworpen.
Analyse
14.
Hoe moeten nu de tegenover elkaar staande standpunten van de Raad en het Parlement worden beoordeeld? Met een vereenvoudiging van het twistpunt kan men stellen, dat het in het onderhavige geschil uiteindelijk draait om de classificatie van enkele begrotingslijnen van het landbouwrichtsnoer en één andere op het gebied van de visserijovereenkomsten. Indien de aldaar voorziene uitgaven niet-verplicht zijn, moet ingevolge artikel 203 worden erkend, dat het Parlement bevoegd is de in geding zijnde amendementen definitief aan te nemen, en de begroting moet dan worden geacht op geldige wijze te zijn goedgekeurd. Zo niet, dan is het beroep gegrond.
Na het probleem aldus te hebben gesteld, merk ik meteen al op, dat in de tot dusver over de opstelling van de gemeenschapsbegroting gewezen arresten niet rechtstreeks het verschil in karakter van verplichte en niet-verplichte uitgaven is besproken en gedefinieerd. ( 8 ) Het Hof heeft wel gepreciseerd, op grond van welk criterium, of liever gezegd, welk juridisch instrument, tussen deze twee categorieën van uitgaven verschil moet worden gemaakt.
15.
Gelet op de rechtspraak kan men ervan uitgaan, dat „het probleem van de onderlinge afbakening van de niet-verplichte en de verplichte uitgaven het voorwerp vormt van een interinstitutionele verzoeningsprocedure, ingesteld bij de ‚gemeenschappelijke verklaring’ van Europees Parlement, Raad en Commissie van 30 juni 1982 (...), en in dat kader kan worden opgelost”. ( 9 )
De aldus geformuleerde opvatting van het Hof is duidelijk: de betrokken instellingen moeten de classificatieknopen in onderlinge overeenstemming doorhakken. De materie kan immers alleen worden geregeld in een akkoord tussen de Raad en het Parlement. Er bestaat thans een aantal van zulke akkoorden. Een eerste classificatie is te vinden in de verklaring van 1982. ( 10 ) Vervolgens sloten de drie bij de opstelling van de begroting betrokken instellingen op 29 juni 1988 een „Interinstitutioneel akkoord over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure” ( 11 ) en op 29 oktober 1993 het eerder genoemde Interinstitutioneel akkoord van 1993.
In het eerste van de twee laatstgenoemde akkoorden wordt geen onderscheid gemaakt tussen de twee categorieën uitgaven. In het tweede wel, maar de bepalingen daarvan worden door het Parlement en de Raad verschillend uitgelegd ( 12 ).
16.
Dan zal ik nu de eerste, voor de hand liggende, consequentie bespreken van de — volgens mij verplichte— toepassing van het in de rechtspraak helder geformuleerde criterium. Het akkoord tussen de instellingen is het juridische middel voor de concrete classificatie van de uitgaven, de procedure voor de tenuitvoerlegging van de desbetreffende verdragsbepalingen. Dan is het uitgesloten, dat het Parlement eenzijdig het karakter zou kunnen bepalen van de uitgaven ten aanzien waarvan het bevoegd is amendementen aan te nemen.
Het akkoord moet het karakter van de uitgaven vaststellen en daarmee de materiële werkingssfeer — zo te zeggen de prealabele voorwaarde— van de bevoegdheid die de Raad en het Parlement toekomt bij de opstelling van de begroting voor elk begrotingsjaar opnieuw. Zoals in de punten 10 en 11 is uiteengezet, geven partijen uiteenlopende lezingen aan de interinstitutionele akkoorden waarbij de betrokken uitgaven geclassificeerd zouden moeten zijn. Mijns inziens behoeft het Hof niet in te gaan op de bepalingen van die akkoorden, Voor de beslissing volstaat het, de aandacht te richten op het andere geschilpunt in deze zaak, namelijk de vraag of er sprake is geweest van overeenstemming over het nieuwe maximumstijgingspercentage in de zin van artikel 203, lid 9, vijfde alinea, van het Verdrag.
Welbeschouwd presenteren verzoeker en verweerder het geschil op die manier, teneinde hun beider tegengestelde standpunten naar voren te brengen. Het is immers onbetwist, dat alleen dan sprake is van een akkoord over het maximumstijgingspercentage, wanneer overeenstemming is bereikt over zowel het stijgingspercentage als de totale hoogte van het bedrag van de uitgaven, aan de hand waarvan dit percentage moet worden berekend. Het percentage wordt telkens opnieuw vastgesteld. De berekeningsgrondslag ervan wordt vastgesteld door het Verdrag, Deze grondslag wordt gevormd door alle niet als verplicht geclassificeerde uitgaven. Met het akkoord over het stijgingspercentage wordt derhalve bepaald, hoeveel en welke van die uitgaven, anders dan de overige uitgaven van de begroting, niet-verplicht zijn. Indien er geen akkoord tot stand komt omdat er verschil van mening bestaat over de classificatie van de uitgaven, en zolang de zaak tussen de Raad en het Parlement niet is opgelost, kan de begroting niet regelmatig worden vastgesteld. Dit is in de rechtspraak vastgesteld ( 13 ) en er is geen reden om deze te heroverwegen.
17.
Ik zal daarom nagaan of, en zo ja, hoe de Raad in casu akkoord is gegaan, of juist niet.
Allereerst zal ik de handeling onderzoeken welke met het beroep wordt bestreden. Deze handeling, waarmee de voorzitter van het Parlement de vaststelling van de begroting 1995 heeft geconstateerd, luidt: „Ik stel vast dat ondanks de meningsverschillen met betrekking tot bepaalde punten overeenkomstig artikel 203 EG-Verdrag overeenstemming met de Raad is bereikt over het maximumstij gingspercentage. De begrotingsprocedure kan bijgevolg met succes worden afgesloten.” De voorzitter heeft niet gezegd, waaruit de meningsverschillen tussen de twee instellingen bestonden en evenmin, welke consequenties deze konden hebben; hij stelt alleen vast, dat er ondanks het verschil in standpunt tussen de Raad en het Parlement overeenstemming over het maximumstijgingspercentage was bereikt. Nagegaan moet worden, wat de rechtvaardiging van deze verklaring kan zijn. Volgens verweerder heeft de voorzitter van het Parlement de regelmatige goedkeuring van de begroting vastgesteld door te bevestigen wat de voorzitter van de Raad in de zitting van 15 december 1994 had verklaard. Ik zal daarom bij laatstgenoemde verklaring stilstaan.
Het punt waar het hier om draait, is dat de Raad, bij monde van zijn vertegenwoordiger in de parlementszitting en nogmaals wijzende op het verplicht karakter van de in geding zijnde uitgaven, alle rechten ter verdediging van zijn standpunt heeft voorbehouden, daaronder begrepen het recht om dit aan het Hof ter beoordeling voor te leggen. Voorzitter Halier verklaarde immers ook: „Gleichzeitig möchte ich darauf hinweisen, daß die Zustimmung des Rates zu dem neuen Satz für die nicht obligatorischen Ausgaben auf der Grundlage der dargelegten Haltung des Rates erfolgt.” ( 14 ) Zoals gezegd hebben partijen in hun memories en ter terechtzitting over de strekking van deze verklaring geredetwist.
18.
Verweerder beroept zich op de Franse vertaling van de woorden van voorzitter Halier en leidt daaruit af, dat hij door zijn verklaring heeft ingestemd met het maximumstijgingspercentage, zonder dit punt aan te houden tot een latere beslissing. Het feit ligt er evenwel, dat de instemming van de Raad met het maximumstijgingspercentage uitdrukkelijk afhankelijk is gesteld van voorwaarden waaraan op dat tijdstip niet was voldaan. Het Parlement erkent dit uiteindelijk ook zelf, wanneer het zegt dat de classificatie van de in geding zijnde uitgaven niet kon worden geacht te zijn vastgesteld op grond van het akkoord van 1993 en dus nog nader moest worden bepaald; hiervoor — de opvatting van het Hof laat daarover geen twijfel bestaan ( 15 ) — was een nieuwe overeenstemming tussen de twee instellingen die te zamen de begrotingsautoriteit vormen, noodzakelijk. Daarvan was evenwel geen sprake.
Evenmin overtuigend is hetgeen het Parlement afleidt uit het optreden van voorzitter Haller ter zitting van het Parlement. Deze zou de regelmatigheid van de goedkeuring van de begroting niet hebben betwist, of zich zelfs hebben geschaard achter de uiterlijke blijken van instemming met of goedkeuring van deze gebeurtenis. Het Parlement kan niet met recht eisen, dat de voorzitter van een andere instelling zijn bevoegdheden te buiten gaat ( 16 ) de voorzitter van de Raad had ter zitting uitdrukkelijk een voorbehoud gemaakt ten aanzien van de besluiten van het Parlement en beschikte niet over andere titels of middelen om te verhinderen dat laatstgenoemde instelling en haar voorzitter zouden handelen zoals zij hebben gedaan.
Ook kan men in redelijkheid niet stellen, dat de voorzitter van de Raad door zijn houding tegenover het Parlement de regels van de courtoisie tussen instellingen had moeten overtreden: het feit dat hij zich daaraan heeft gehouden, betekent evenwel niet, dat hij het eens was met het in casu door verweerder verdedigde standpunt. Overigens worden de betrekkingen tussen de gemeenschapsinstellingen uitsluitend door de bepalingen van het Verdrag beheerst. ( 17 ) De regels welke volgens het internationale recht kunnen gelden voor bindende wilsuitingen van soevereine staten en waarop verweerder zich in verband met het onderhavige geval beroept, vinden geen toepassing in de betrekkingen tussen de instellingen binnen de Gemeenschap. ( 18 )
Dan moet nu nog worden gepreciseerd, dat voorzitter Haller ter zitting niet eens uiting had kunnen geven aan een ander dan het door de Raad ten aanzien van de onderhavige vraagstukken vastgestelde standpunt. Hij is enkel opgetreden als woordvoerder van de instelling en heeft een zienswijze verwoord die hij in geen geval kon herzien of wijzigen. ( 19 ) Evenmin kan ik het eens zijn met de stelling van het Parlement, dat de Raad het onderhavige beroep onmiddellijk na de officiële mededeling van de goedkeuring van de begroting had moeten instellen. De Raad heeft beroep bij het Hof ingesteld binnen de in het Verdrag neergelegde termijn en dit is het enige wat voor deze zaak telt.
19.
Ten slotte wil ik preciseren, tot welke conclusie het voorgaande mij brengt.
De uitdrukkelijke verwijzing naar de voorwaarden waaraan de instemming met het maximumstij gingspercentage moest worden geacht te zijn onderworpen, zoals deze blijkt uit de verklaring van voorzitter Halier, sluit objectief uit, dat de Raad zou hebben ingestemd met de classificatie van de in geding zijnde uitgaven in de door het Parlement gewenste zin. De Raad heeft met het Parlement geen overeenstemming bereikt over de classificatie op basis waarvan het maximumstijgingspercentage moest worden berekend en toegepast.
Het gebrek dat de door de Raad bestreden handeling en de gehele begroting aankleeft, vloeit, zoals gezegd, voort uit de schending van het beginsel, dat de classificatie van uitgaven als al dan niet verplicht uitsluitend kan geschieden door middel van een akkoord tussen de twee betrokken instellingen. Dit maakt elke andere door verzoeker aangevoerde grond voor schending van artikel 203 van het Verdrag overbodig. Immers, bij gebreke van een akkoord over het niet-verplichte karakter van de uitgaven ten aanzien waarvan het Parlement amendementen heeft aangenomen, is niet voldaan aan de voorwaarde waaronder deze instelling voor de in geding zijnde begrotingslijnen wettig de goedgekeurde amendementen kon aannemen. Het eerste middel van het beroep blijkt aldus gegrond te zijn.
20.
Het Parlement stelt ten slotte, dat de Raad de verplichting tot loyale samenwerking tussen de instellingen niet is nagekomen. Het Parlement beklaagt zich er daarmee over, zou men moeten zeggen, dat de Raad enerzijds zijn akkoord aan dit percentage had gegeven en er anderzijds zijn akkoord aan had onthouden, door te weigeren het standpunt van het Parlement te aanvaarden over de grondslag van de uitgaven waarop het maximumstijgingspercentage noodzakelijkerwijs van toepassing was. Zoals gezegd, heeft de Raad evenwel met duidelijke wilsverklaringen de instemming met dit percentage geweigerd, en daardoor een standpunt ingenomen dat van dat van het Parlement verschilde. Om dezelfde reden moet de stelling worden verworpen die verhuld in de memories van verweerder is vervat, namelijk dat de ontvankelijkheid van het beroep wordt verhinderd door het beginsel patere legem quam ipse fecisti, of dat de Raad zelfs in het geheel geen belang bij het beroep heeft. ( 20 ) In de termen waarin zij door verweerder is geformuleerd, kan de gestelde schending van bedoelde verplichting overigens niet losstaan van de niet-nakoming van de verdragsbepalingen die de opstelling van de begroting regelen en de respectieve bevoegdheden van het Parlement en de Raad omschrijven. ( 21 ) Door te weigeren zijn goedkeuring te hechten aan de classificatie van de uitgaven, heeft de Raad een bevoegdheid uitgeoefend die hem stellig toekomt. Het is in casu niet noodzakelijk na te gaan, of de eenzijdig door het Parlement verrichte classificatie van de niet-verplichte uitgaven, zoals de Raad in zijn tweede middel stelt, strijdig is met de akkoorden tussen de twee instellingen. Zelfs als men zover mogelijk met verweerders stelling meegaat, laat het laatstgesloten akkoord, dat van 1993, de vraag van de classificatie van de in geding zijnde uitgaven en begrotingslijnen onbeantwoord. Een akkoord was derhalve noodzakelijk en dit akkoord is niet tot stand gekomen, noch ter zake van het nieuwe maximumstijgingspercentage noch ter zake van de daarmee samenhangende vraag van de vaststelling van de verplichte uitgaven. De bestreden handeling is nietig omdat zij is vastgesteld in strijd met het beginsel van het akkoord en niet zozeer wegens strijd met een bepaald akkoord.
21.
Er zij mij een laatste opmerking vergund over de de fundamentele waarde die dit beginsel toekomt, zoals het Hof dit heeft vastgelegd. In de wetgevingen van de Lid-Staten kunnen akkoorden tussen instellingen een middel tot meer samenhang in het constitutionele stelsel vormen, wanneer die akkoorden worden gesloten teneinde met name wat de uitlegging betreft, eventuele leemten op te vullen in de verdeling van bevoegdheden, in het bijzonder wetgevende bevoegdheden, tussen de organen wier autonomie grondwettelijk op dezelfde titel is gewaarborgd.
In de communautaire rechtsorde vervult het interinstitutioneel akkoord een onmisbare instrumentele rol bij de opstelling van de begroting, die van onbetwist en doorslaggevend belang is voor het concrete functioneren van het gehele institutionele stelsel. Het is een akkoord dat bedoeld is om de grens af te bakenen tussen de inzake de uitgaven aan respectievelijk het Parlement en de Raad verleende bevoegdheden: zo het de basisbepalingen van het Verdrag al niet aanvult, draagt het stellig bij tot de uitvoering ervan. Het bedoelde beginsel — en het gaat hier om een keuze die ik van constitutionele orde zou willen noemen — legt de gelijkwaardigheid vast van de instellingen die het moeten toepassen en in acht nemen, alsook de gelijkwaardige situatie waarin zij zich bevinden. Hier is derhalve waarlijk sprake van een vorm van codecisie.
Verder denk ik aan de gehele begrotingsprocedure waarbinnen deze bijzondere regeling van consensuele classificatie van de uitgaven past. Idealiter gaat deze regeling, voor zover zij aan de volksvertegenwoordiging de bevoegdheid verleent de ontwerpbegroting te verwerpen, vooraf aan een aan het Parlement toekomende overeenkomstige eindbevoegdheid in de procedure, die laatstelijk door artikel 189 B van het Verdrag is ingesteld en inderdaad als codecisie is gedefinieerd. Het is waar, dat in deze procedure meer plaats is ingeruimd voor het akkoordbeginsel: in zekere zin blijkt dit op het ogenblik dat de voorzitter van het Parlement en die van de Raad de vastgestelde handelingen ondertekenen.
In de begrotingsprocedure behoort de handeling houdende constatering dat de begroting is vastgesteld, tot de uitsluitende bevoegdheid van de voorzitter van het Parlement. Dit neemt evenwel niet weg, dat het akkoordbeginsel als een essentieel element is te beschouwen, daar het cruciale punt in de procedure regelt, namelijk dat waarop, ook bij de vaststelling van het maximumstijgingspercentage, de uitgaven worden geclassificeerd.
Wordt dit beginsel niet in acht genomen, dan komt het evenwicht tussen de Raad en het Parlement in gevaar, waarvan bij de vaststelling van de begroting moet worden uitgegaan: deze niet-inachtneming, die de legitimiteit van de constateringshandeling van de voorzitter aan de wortel aantast, kenmerkt juist liet onderhavige geval. In mijn conclusie heb ik de reeds door de rechtspraak aangewezen weg gevolgd om dit geval aan het in acht te nemen beginsel te toetsen.
22.
Ik geef dan ook in overweging, de handeling van de voorzitter van het Parlement, waarbij deze de vaststelling van de begroting 1995 heeft geconstateerd, nietig te verklaren, met de gevolgen die uit deze uitspraak voortvloeien: de begroting komt te vervallen en de daarop betrekking hebbende procedure moet opnieuw beginnen op het tijdstip van de nietigverklaarde handeling van de voorzitter.
De gevolgen van de nietigverklaring
23.
De Raad heeft het Hof voorts verzocht, gebruik te maken van zijn bevoegdheid ingevolge artikel 174 EG-Verdrag ( 22 ) en de op de datum van de uitspraak bestaande handelingen tot uitvoering van de begroting in stand te laten. ( 23 ) Tijdens de procedure heeft de Raad zijn verzoek uitgebreid en het Hof verzocht, alle gevolgen van de ongeldig geworden begroting in stand te laten tot de datum waarop het Parlement en de Raad zelf de gemeenschapsbegroting 1995 definitief zullen hebben vastgesteld. Het Parlement heeft dienaangaande in zijn memories geen nader standpunt ingenomen.
Naar ik meen, wordt het verzoek van de Raad ruimschoots gerechtvaardigd door het belang van de begroting voor de continuïteit van de werkzaamheid van de Gemeenschap. Het verdient in overweging te worden genomen, mede gelet op de moeilijkheid om in casu de twaalfdenregeling van artikel 204 van het Verdrag toe te passen. Deze twaalfden zouden immers moeten worden berekend op basis van de begroting 1994, die is vastgesteld door de uit twaalf Lid-Staten bestaande Gemeenschap, om te worden toegepast op de inmiddels tot vijftien Lid-Staten uitgebreide Gemeenschap. Ik geef dan ook in overweging, het verzoek van de Raad zoals ter terechtzitting opnieuw geformuleerd, toe te wijzen overeenkomstig de in andere arresten door het Hof reeds uitgezette lijn. ( 24 )
Kosten
24.
Krachtens artikel 69, lid 3, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering geef ik, gelet op het grote institutionele belang van het geding en de door partijen in rechte opgeworpen beginselvragen, in overweging de kosten te compenseren.
Conclusie
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging,
—
het beroep van de Raad gegrond te verklaren en de handeling houdende constatering van de definitieve vaststelling van de gemeenschapsbegroting 1995 nietig te verklaren, met als gevolg dat zodra de begroting vervalt, de betrokken procedure moet worden hervat vanaf het tijdstip dat de betrokken handeling door de voorzitter van het Parlement is verricht;
—
de gevolgen van de vervallen begroting in stand te laten tot het tijdstip waarop het Parlement en de Raad definitief de begroting 1995 zullen hebben vastgesteld;
—
de kosten tussen partijen te compenseren.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) PB 1994, L 369, blz. 1.
( 2 ) De Raad heeft het beroep niet mede gebaseerd op de overeenkomstige bepalingen van het EGKS-Vcrdrag. Mijns inziens is het beroep volgens de rechtspraak niettemin ontvankelijk. Het Hof heeft immers enerzijds aanvaard, dat een krachtens een bepaling van een van de Verdragen opgeworpen grief kan worden uitgebreid tot de overeenkomstige bepaling van het andere Verdrag [„De noodzaak van een volledige en samenhangende toetsing van de wettigheid gebiedt een uitlegging van (artikel 173 EEG-Vcrdrag) in die zin, dat zij de bevoegdheid van het Hof om in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een op het EEG-Verdrag gebaseerde handeling een grief inzake schending van een bepaling van het EGA-Verdrag of het EGKS-Vcrdrag te onderzoeken, niet kan uitsluiten” (arrest van 29 maart 1990, zaak C-62/88, Griekenland/Raad, Jurispr. 1990, blz. I-1527, r. o. 8)]. Anderzijds heeft het Hof beroepen ontvankelijk geacht die -waren ingesteld over binnen de sfeer van versendende Verdragen vallende onderwerpen, ook wanneer deze waren ingesteld op basis van de bepalingen van een van deze Verdragen [„wanneer de bestreden handeling tegelijkertijd en onsplitsbaar binnen de sfeer van verschillende Verdragen valt, (is) het beroep ontvankelijk voor zover de bevoegdheden van het Hof en de rechtswegen voorzien in de relevante bepalingen van één der Verdragen zich tot een dergelijke handeling uitstrekken” (arrest van 11 juli 1984, zaak 222/83, Gemeente Differdange, Jurispr. 1981, blz. 2889, r. o. 6)]. Voor deze oplossing pleiten ook het arrest van het Hof van 3 juli 1986 (zaak 34/86, Raad/Parlement, Jurispr. 1986, blz. 2155) en de latere arresten op begrotingsgebied, waarin in aanmerking werd genomen dat de begroting, waarin het beginsel van eenheid en universaliteit tot uitdrukking komt, een onsplitsbaar karakter heeft.
( 3 ) Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 30 juni 1982 betreffende verschillende maatregelen ter verzekering van een beter verloop van de begrotingsprocedure (PB 1982, C 194, biz. 1).
( 4 ) Interinstitutioneel akkoord van 29 oktober 1993 over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure (PB 1993, C 133, bh. 1).
( 5 ) De leden 4 tot en met 10 van artikel 203 luiden als volgt:
„4.
De ontwerpbegroting moet uiterlijk op 5 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het betrokken begrotingsjaar aan het Europees Parlement -worden voorgelegd.
Het Europees Parlement heeft het recht om de ontwerpbegroting met meerderheid van de stemmen van zijn leden te amenderen en om aan de Raad, met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen, wijzigingen in het ontwerp voor te stellen met betrekking tot de uitgaven die verplicht voortvloeien uit het Verdrag of de ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten.
Indien het Europees Parlement binnen een termijn van vijfenveertig dagen na voorlegging van de ontwerpbegroting zijn goedkeuring heeft verleend, is de begroting definitief vastgesteld.
Indien het Europees Parlement binnen die termijn de ontwerpbegroting niet heeft geamendeerd of geen wijzigingen daarin heeft voorgesteld, wordt de begroting geacht definitief te zijn vastgesteld. Indien het Europees Parlement binnen die termijn amendementen heeft aangenomen of wijzigingen heeft voorgesteld, wordt de aldus geamendeerde of van wijzigingsvoorstellen voorziene ontwerpbegroting aan de Raad gezonden.
5.
Na over de ontwerpbegroting te hebben beraadslaagd met de Commissie en, in voorkomend geval, met de andere betrokken instellingen, neemt de Raad een besluit onder de volgende voorwaarden:
a)
de Raad kan elk der door het Europese Parlement aangenomen amendementen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wijzigen;
b)
wat de wijzigingsvoorstellen betreft:
—
indien een door het Europees Parlement voorgestelde wijziging niet leidt tot stijging van het totale bedrag van de uitgaven van een instelling, met name doordat de stijging van de uitgaven die daarvan het gevolg zou zijn, uitdrukkelijk wordt gecompenseerd door één of meer voorgestelde wijzigingen die een overeenkomstige daling van de uitgaven tehelzen, kan de Raad dit wijzigingsvoorstel met gekwalificeerde meerderheid van stemmen afwijzen. Bij gebreke van een afwijzend besluit is het wijzigingsvoorstel aanvaard;
—
indien een door het Europees Parlement voorgestelde wijziging leidt tot stijging van het totale bedrag van de uitgaven van een instelling, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen dit wijzigingsvoorstel aanvaarden. Bij gebreke van een besluit tot aanvaarding is het wijzigingsvoorstel afgewezen;
—
indien de Raad overeenkomstig één van beide vorige alinea's een wijzigingsvoorstel heeft afgewezen, kan hij met gekwalificeerde meerderheid van stemmen of wel het in de ontwerpbegroting voorkomende bedrag handhaven, of wel een ander bedrag vaststellen.
De ontwerpbegroting wordt gewijzigd overeenkomstig de door de Raad aangenomen wijzigingsvoorstellen.
Indien de Raad binnen een termijn van vijftien dagen na voorlegging van de ontwerpbegroting geen der door het Europees Parlement aangenomen amendementen heeft gewijzigd en indien de door het Parlement ingediende wijzigingsvoorstellen zijn aanvaard, wordt de begroting geacht definitief te zijn vastgesteld. De Raad stelt het Europees Parlement ervan m kennis dat hij geen der amendementen heeft gewijzigd en dat de wijzigingsvoorstellen zijn aanvaard.
Indien de Raad binnen deze termijn een of meer der door het Europees Parlement aangenomen amendementen heeft gewijzigd of indien de door het Parlement ingediende wijzigingsvoorstellen zijn afgewezen of gewijzigd, wordt de gewijzigde ontwerpbegroting opnieuw aan het Europees Parlement toegezonden. De Raad zet het resultaat van zijn beraadslagingen aan het Europees Parlement uiteen.
6.
Binnen cen termijn van vijftien dagen na voorlegging van de ontwerpbegroting kan het Europees Parlement, na te zijn ingelicht over Tiet gevolg dat zijn wijzigingsvoorstellen is gegeven, met meerderheid van de stemmen van zijn leden en met drie vijfde van het aantal uitgebrachte stemmen de door de Raad ín zíjn amendementen aangebrachte wijzigingen amenderen of afwijzen en stelt liet dienovereenkomstig de begroting vast. Indien het Europees Parlement geen besluit heeft genomen bínnen deze termijn, wordt de begroting geacht definitief te zíjn vastgesteld.
7.
Wanneer de ín dít artikel omschreven procedure is afgesloten, constateert de Voorzitter van het Europees Parlement dat de begroting definitief is vastgesteld,
8.
Het Europees Parlement kan evenwel, met meerderheid van de stemmen van zijn leden en met twee derde van het aantal uitgebrachte stemmen, om gewichtige redenen, de ontwerp-b egro ting afwijzen en verzoeken dat hem een nieuw ontwerp wordt voorgelegd.
9.
Voor alle andere uitgaven dan die welke verplicht voortvloeien uit het Verdrag of de ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten, wordt elk jaar een maximumpercentage van de stijging ten opzichte van de uitgaven van dezelfde aard van het lopende begrotingsjaar vastgesteld. Na raadpleging van het Comité voor de economische politiek constateert de Commissie dít maximumpercentage, dat voortvloeit uit: — de ontwikkeling van het bruto nationaal produkt naar volume ín de Gemeenschap, — de gemiddelde variatie van de begrotingen der Lid-Staten en uit — het verloop van de kosten van levensonderhoud in het laatste begrotingsjaar. Het maximumpercentage wordt vóór 1 mei aan alle instellingen van de Gemeenschap medegedeeld. Deze dienen dit percentage te respecteren zolang de begrotingsprocedure loopt, behoudens het bepaalde in de vierde en de vijfde alinea. Indien voor de andere uitgaven dan die welke verplicht voortvloeien uit het Verdrag of de ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten, het stijgingspercentage dat volgt uit de door de Raad opgestelde on twerp-beg roting meer dan de helft van het maximumpercentage bedraagt, Kan het Europees Parlement, in de uitoefening van zijn recht van amendement, het totale bedrag van deze uitgaven alsnog verhogen tot de helft van het maximumpercentage. Is het Europees Parlement, de Raad of de Commissie van oordeel dat äc activiteiten van de Gemeenschappen een overschrijding van het volgens de procedure van dit lid bepaalde percentage nodig maken, dan kan een nieuw percentage worden vastgesteld in onderlinge overeenstemming tussen de Raad, die besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, en het Europees Parlement, dat besluit met meerderheid van de stemmen van zijn leden en van drie vijfde van het aantal uitgebrachte stemmen.
10.
Elke instelling oefent de haar bij het onderhavige artikel toegekende bevoegdheden uit onder eerbiediging van de bepalingen van het verdrag en de ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten, met name inzake de eigen middelen van e Gemeenschappen en het evenwicht tussen ontvangsten en uitgaven.”
( 6 ) Arrest van 3 juli 1986 (zaak 34/86, aangehaald ín voetnoot 2).
( 7 ) Het Parlement verwijst met zoveel woorden naar het arrest van het Internationaal Gerechtshof in de zaak „Temple de Préah Vihéar” (ICJ Reports 1962, blz. 64) en naar het arrest „Arbitraal vonnis van de koning van Spanje” van 23 december 1906 (ICJ Reports 1910, blz. 192).
( 8 ) In het arrest van 27 september 1988 (zaak 204/86, Griekenland/Raad, Jurispr. 1988, blz. 5323) is wel onderzocht, of bepaalde begrotingslijnen wettig als verplicht konden worden geclassificeerd, maar het Hof leidde het karakter van de betrokken uitgaven af uit daarvoor kenmerkende omstandigheden. Het stelde niet de algemene criteria vast aan de hand waarvan zij in concreto konden worden geclassificeerd.
( 9 ) Arrest van 3 juli 1986 (zaak 34/86, aangehaald in voetnoot 2).
( 10 ) Het institutionele proces dat tot de gezamenlijke verklaring van 1982 heeft geleid, is door advocaat-generaal Mancini gereconstrueerd in zijn conclusie bij het arrest van 3 juli 1986 (zaak 34/86, reeds aangehaald), waarnaar ik hier verwijs.
( 11 ) PB 1988, L 185, blz. 33.
( 12 ) Bijzondere aandacht verdienen de volgende bepalingen van het Interinstitutioneel akkoord van 1993:
„III. VERBETERING VAN DE BEGROTINGSPROCEDURE
16.
De Instellingen verbinden zich ertoe de begroting van de nodige kredieten te voorzien om, met inachtneming van de begrotingsdiscipline en het bepaalde in punt 13, vierde alinea, de juridische verplichtingen en de interne en externe politieke verbintenissen van de Gemeenschap na te komen.
Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie bevestigen de voor het landbouwrichtsnoer vastgestelde beginselen en mechanismen overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Edinburgh.
De Instellingen zijn het erover eens dat alle uitgaven van de rubrieken 2 en 3 van de financiële vooruitzichten niet-verplichte uitgaven zijn.
De Instellingen komen overeen een procedure voor interinstitutionele samenwerking op begrotingsgebied in te stellen. De wijze van toepassing van deze samenwerking is aangegeven in bijlage II, die integrerend deel uitmaakt van ait Akkoord.
17.
De twee takken van de begrotingsautoritcit komen overeen voor de begrotingsjaren 1993-1999 de maximale stijgingspercentages van de niet-verplichte uitgaven te aanvaarden die voortvloeien uit de begrotingen welke binnen de grenzen van de in de financiële vooruitzichten bepaalde maxima zijn opgesteld.”
„Verklaring betreffende de bepalingen inzake begrotingsprocedure van het Verdrag
(ad punt 16, derde alinea)
De Instellingen zijn van oordcel dat de bepalingen inzake begrotingsprocedure, inclusief de regeling betreffende de verplichte uitgaven en de niet-verplichte uitgaven, opnieuw zulten moeten worden onderzocht tijdens de Intergouvernementele Conferentie welke in 1996 zal worden gehouden ten einde tot een interinstitutionele samenwerking in de vorm van partnerschap te komen.”
( 13 ) Arresten van 3 juli 1986 (zaak 34/86, reeds aangehaald) en 27 september 1988 (zaak 204/86, aangehaald in voetnoot 8).
( 14 ) Voor de vertaling zie punt 4 supra.
( 15 ) Zie arrest van 27 september 1988 (zaak 204/86, aangehaald in voetnoot 8).
( 16 ) Dienaangaande volstaat het, te venvijzen naar artikel 4, lid 1, van het Verdrag, dat bepaalt: „redere instelling handelt binnen de grenzen van de haar door dit Verdrag verleende bevoegdheden.”
( 17 ) Arrest van 23 februari 1988 (zaak 68/86, Verenigd Koninkrijk/Raad, Jurispr. 1988, blz. 855), waarin het Hof overwoog, dat „de regels betreffende de besluitvorming van de gemeenschapsinstellingen worden vastgesteld door het Verdrag en (...) niet ter beschikking staan van de Lid-Staten of van de instellingen zelf”.
( 18 ) Arrest van 18 maart 1980 (zaak 92/79, Commissie/Italië, Jurispr. 1980, blz. 1115, r. o. 7). Het Hof verklaarde bij die gelegenheid, dat „een handeling welke zowel op grond van naar doel als wegens het institutionele kader Dinnen hetwelk zij wordt verricht, de kenmerken van een genteenschappelijk ‚besluit’ draagt, niet als ‚internationale overeenkomst’ kan worden gekwalificeerd. Dit geldt ook voor een richtlijn van de Raad.”
( 19 ) Artikel 203, lid 9, laatste alinea, van het Verdrag schrijft onder meer voor, dat de Raad tot zijn besluit over het nieuwe maximumstijgingspercentage komt bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen. Voor het Parlement geldt een overeenkomstig voorschrift, daar dit met meerderheid van de stemmen van zijn leden en drie vijfde van het aantal uitgebrachte stemmen moet besluiten.
( 20 ) Het zou eventueel, in de door het Parlement aan dit begrip gehechte betekenis, eerder gaan om het ontbreken van procesbevoegdheid dan om het ontbreken van procesbeiang.
( 21 ) Arrest Verenigd Koninkrijk/Raad (aangehaald in voetnoot 17).
( 22 ) De Raad heeft verzocht om handhaving van de gevolgen van de begroting op de enkele grondslag van de bepaling in het EG-Verdrag, artikel 174, zonder te verwijzen naar de overeenkomstige bepaling van artikel 147 EGA-Verdrag. Om de reeds in voetnoot 2 uiteengezette redenen betreffende de mogelijkheid om de gevolgen van het op grond van een van de Verdragen ingestelde beroep tot nietigverklaring uit te breiden tot de overeenkomstige bepalingen van de andere gemeenschapsverdragen, ben ik dienovereenkomstig van mening, dat de grondslag van artikel 174 EG-Verdrag toereikend is om de vraag van de handhaving van de gevolgen van de begroting binnen de bevoegdheid van het Hof te brengen, ongeacht het Verdrag waarnaar is verwezen.
( 23 ) Artikel 174 bepaalt letterlijk, dat het Hof alleen in het geval van verordeningen de gevolgen kan aanwijzen welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd. In tal van arresten heeft het Hof analogisch de toepassing van deze bepaling uitgebreid tot andere handelingen dan de in dat artikel genoemde en met name tot richtlijnen (arresten van 7 juli 1992, zaak C-295/90, Parlement/Raad, Jurispr. 1992, blz. I-4193, en 5 juli 1995, zaak C-21/94, Parlement/Raad, Jurispr. 1995, blz. I-1827) en met betrekking tot de begroting (arresten van 3 juli 1986, zaak 34/86, reeds aangehaald, en 31 maart 1992, zaak C-284/90, Raad/Parlement, Jurispr. 1992, blz. I-2277). Ik ben dan ook van mening, dat gezien dit punt in de rechtspraak reeds is opgelost, er ook in het onderhavige geval niets in de weg staat aan toepassing van artikel 174,
( 24 ) Arresten van 7 juli 1992 (zaak C-295/90, aangehaald in voetnoot 23), 1 juni 1994 (zaak C-388/92, Parlement/Raad, Jurispr. 1994, blz. I-2067) en 5 juli 1995 (zaak C-21/94, aangehaald in voetnoot 23).
Full & Egal Universal Law Academy