CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. LA PERGOLA
van 23 mei 1996 ( *1 )
I — Inleiding
1.
Dc door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vraag betreft de uitlegging van het discriminatieverbod van artikel 6 van het Verdrag. De verwijzende rechter wenst in het bijzonder te vernemen, of de verplichting tot zekerheidstelling voor de proceskosten (cautio judicatum solvi), die naar Zweeds recht geldt voor buitenlandse eisers die een rechtsvordering willen instellen tegen Zweedse onderdanen of rechtspersonen, en die niet op grond van enige internationale overeenkomst op het gebied van rechtsvordering van die verplichting zijn vrijgesteld, verenigbaar is met de in de verwijzingsbeschikking genoemde bepaling van het Verdrag.
II — De feiten
2.
In mei 1993 dagvaardde de Britse vennootschap MSL Dynamics Ltd (hierna: „MSL”) de Zweedse vennootschap Data Delecta Aktiebolag (hierna: „Data Delecta”) en R. Forsberg. Zij verzocht het Solna tingsrått, gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van 173355 USD, dat haar toekwam omdat de vordering die zij op Data Delecta had, niet op de overeengekomen vervaldata was voldaan. Die vordering hield verband met de verkoop van computerapparatuur door MSL aan Data Delecta tussen april 1990 en september 1991. Forsberg werd gedagvaard omdat hij zich persoonlijk garant had gesteld voor de schulden van Data Delecta.
3.
Gedaagden betwistten de ingestelde rechtsvordering en vorderden van hun kant, dat eiseres zou worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van 500000 SKR bij wijze van zekerheidstelling voor de proceskosten waarin zij eventueel zou worden verwezen. Het Solna tingsrätt wees die vordering af met de overweging, dat de betrokken Zweedse wettelijke bepaling in strijd was met het Verdrag van Lugano, dat bovendien in casu zou voorgaan boven de algemeen Zweedse regeling.
4.
Gedaagden stelden tegen die beslissing hoger beroep in bij het Svea hovrätt, dat op 8 februari 1994 het in eerste aanleg gewezen vonnis bevestigde. Data Delecta en Forsberg wendden zich daarop tot de Högsta Domstol, dat zich genoodzaakt zag het Hof de volgende prejudiciële vraag voor te leggen:
„Is het in strijd met het EG-Verdrag, in het bijzonder met artikel 6 (voorheen artikel 7), een dergelijke zekerheidstelling te verlangen van een eiser die een Britse rechtspersoon is, wanneer een overeenkomstige eis niet kan worden gesteld aan Zweedse rechtspersonen?”
III — De in geding zijnde nationale bepalingen
5.
Blijkens de verwijzingsbeschikking bepaalt § 1 van de Zweedse wet 1980: 307, dat een niet in Zweden woonachtige buitenlander of een buitenlandse rechtspersoon, die voor een Zweedse rechter een vordering wil instellen tegen een Zweeds onderdaan of een Zweedse rechtspersoon, op verzoek van de gedaagde partij zekerheid dient te stellen voor de proceskosten waarin hij bij een in kracht van gewijsde gegane uitspraak zou kunnen worden verwezen. Volgens § 4 van dezelfde wet dient de door de eiser ingestelde rechtsvordering te worden afgewezen, indien niet een door de gedaagde of de rechter genoegzaam geachte zekerheid is gesteld. Luidens § 5 zijn buitenlandse rechtspersonen van die verplichting vrijgesteld, voor zover zulks in voor Zweden verbindende internationale verdragen is overeengekomen.
De verwijzende rechter merkt voorts op, dat onderdanen van en rechtspersonen uit verschillende landen van de verplichting tot zekerheidstelling zijn vrijgesteld, doordat die staten partij zijn bij verdragen als bedoeld in § 5 van de wet van 1980: 307. Alle onderdanen van de landen van West-Europa genieten die vrijstelling. Dit geldt tevens voor de meeste rechtspersonen uit die landen, met uitzondering van die uit Groot-Brittannië, Griekenland en Ierland. Doordat Zweden is toegetreden tot het Verdrag van Lugano van 16 september 1988, dat op 1 januari 1993 voor dit land in werking is getreden (wet 1992: 794), zijn Zweedse vonnissen en beslissingen rechtstreeks uitvoerbaar in Groot-Brittannië, dat ook tot dat verdrag is toegetreden. Het Verdrag van Lugano is echter nog niet door alle Lid-Staten van de Gemeenschap geratificeerd.
6.
De verwijzende rechter suggereert, dat dank zij genoemde verdragsregeling de noodzaak om de in geding zijnde bepaling van wet 1980: 307 toe te passen, in casu is komen te vervallen. Wat hiervan ook zij, het aan het Hof voorgelegde probleem —het enige waarmee het zich bezig dient te houden— betreft de bepalingen van het EG-Verdrag en niet die van enige andere internationale verdragsregeling die de Högsta Domstol bij de beslechting van het aan hem voorgelegde geschil in aanmerking zou kunnen nemen.
IV — Opmerkingen over de ontvankelijkheid van de vraag
7.
De cautio judicatum solvi is in de Zweedse rechtsorde geregeld in een bepaling van burgerlijk procesrecht. De vraag is, of een dergelijke bepaling van nationaal recht, die, zoals gezegd, uitsluitend van toepassing is op buitenlandse onderdanen of rechtspersonen — in casu onderdanen van of rechtspersonen uit andere Lid-Statcn dan Zweden —, in strijd is met het in artikel 6 van het Verdrag neergelegde discriminatieverbod, waarop de verwijzende rechter zich beroept.
8.
Laat ik vooropstellen, dat het in mijn ogen twijfelachtig is, of de vraag, zoals zij door de verwijzende rechter is geformuleerd, wel ontvankelijk ís.
Zoals het Hof heeft verklaard, „eist” artikel 6 van het Verdrag, „dat personen die zich in een door het gemeenschapsrecht beheerste situatie bevinden (...) volkomen gelijk worden behandeld” ( 1 ) (cursivering van mij). De vraag is gesteld, op grond dat de in de Zweedse wettelijke regeling bij wijze van beschermingsmaatregel geformuleerde cauticplicht in het nadeel zou werken van natuurlijke en rechtspersonen uit andere staten van de Gemeenschap en bovendien, zij het zijdelings, zou leiden tot verschillen — nog altijd in het nadeel van die personen — waar het gaat om de mogelijkheden om gebruik te maken van een door het Verdrag gewaarborgde vrijheid, namelijk die betreffende het goederenverkeer. Als gevolg van de omstreden cauticplicht zou het namelijk voor buitenlandse marktdeelnemers moeilijker zijn, vorderingen te innen die voortspruiten uit overeenkomsten en transacties waarmee gestalte wordt gegeven aan het vrije verkeer van goederen. Het gevolg hiervan zou zijn, dat wegens het afschrikkende karakter van de maatregel wordt gediscrimineerd ten aanzien van de uitoefening van een recht dat het Verdrag aan buitenlandse marktdeelnemers onder volkomen gelijke voorwaarden toekent als aan Zweedse onderdanen. De Griekse en de Zweedse regering, die evenals de Ierse regering opmerkingen hebben ingediend, zijn de mening toegedaan, dat de gestelde vraag aldus moet worden opgevat. De Commissie deelt dit standpunt. Het staat buiten kijf, dat het Hof van een dergelijke vraag kennis kan nemen. Dat ik niettemin twijfel aan de ontvankelijkheid van de vraag, is toe te schrijven aan het feit dat de handelstransactie die ten grondslag ligt aan de vordering waarom het in het hoofdgeding draait, dateert van de periode tussen april 1990 en september 1991, toen Zweden nog niet tot de Gemeenschap was toegetreden. Gelet op deze omstandigheid kan dus niet worden aangenomen, dat de civiele procedure die MSL met het oog op de inning van haar vordering bij het Solna tingsrätt aanhangig heeft gemaakt, het gevolg is van, althans verband houdt met enige rechtshandeling of-betrekking die op het moment van haar totstandkoming onder de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht kon vallen en dus onderworpen kon zijn aan het in de verwijzingsbeschikking genoemde beginsel. Het Hof heeft herhaaldelijk verklaard, dat het geen uitspraak kan doen over een prejudiciële vraag, wanneer de uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met de „feiten” en, uiteraard, het voorwerp van het geschil in het hoofdgeding. ( 2 ) Naar het mij voorkomt, wordt in dit verband met „feiten” ook gedoeld op de toepasselijkheid ratione temporis van de gemeenschapsbepalingen.
9.
Wij hebben hier te maken met een geval waarin het gemeenschapsrecht jus superveniens is voor de nationale rechter die de prejudiciële vraag stelt. ( 3 ) Indien wij dit aspect van de zaak uitsluitend bezien in het licht van en met behulp van de uitspraken van het Hof, stuiten wij op de recentelijk geformuleerde regel, dat het gemeenschapsrecht terugwerkende kracht kan hebben, indien men het in verband brengt met het fundamentele beginsel, dat de gunstigste strafwet moet worden toegepast. ( 4 ) Het is echter duidelijk, dat deze regel in de onderhavige zaak niet van toepassing is. Het jus superveniens bestaat hier uitsluitend in het algemene discriminatieverbod. Dit gezegd zijnde, wil ik herinneren aan de bewoordingen waarin de verwijzende rechter, geconfronteerd met de in de Zweedse wetgeving geformuleerde cautieplicht, het Hof verzoekt zich uit te spreken over de uitlegging (en de eventuele schending) van het bepaalde in artikel 6 van het Verdrag. Het discriminatieverbod zou niet alleen zijn uitwerking moeten hebben op het terrein van het procesrecht, waar in de regel het beginsel geldt, dat later vastgestelde bepalingen ook van toepassing zijn op feiten die vóór hun inwerkingtreding hebben plaatsgevonden of procedures die vóór die tijd zijn aangespannen. Het zou ook in materieel opzicht van betekenis zijn, daar de in geding zijnde regeling een discriminerend effect kan hebben waar het gaat om de uitoefening van door het Verdrag gewaarborgde rechten en vrijheden. De Zweedse rechter heeft echter op geen enkele wijze duidelijk gemaakt, waarom de toepassing van het gemeenschapsrecht in het bij hem aanhangig geding gerechtvaardigd zou zijn. Wij weten niet hoe, noch waarom de zaak waarover hij zich dient uit te spreken, in verband wordt gebracht met het discriminatieverbod zoals dit van toepassing is volgens het Verdrag, en niet volgens het Verdrag van Lugano of, eventueel, andere rechtsbronnen volgens welke dat beginsel in acht moet worden genomen. ( 5 )
De twijfel aangaande de ontvankelijkheid vloeit naar mijn mening dus vooral voort uit het feit, dat de relevantie van de vraag niet duidelijk is gemaakt. Voor het geval het Hof van oordeel zou zijn, dat het die twijfel uit de weg kan ruimen, dan wel dat het hoe dan ook aan de verwijzende rechter moet worden overgelaten te beoordelen, of het gemeenschapsrecht in het bij hem aanhangig gemaakt geding van toepassing is, ga ik thans over tot een onderzoek van de vraag ten gronde.
V — Ten gronde
De rechtsgrondslag van het discriminatieverbod
10.
Het Hof heeft zich in twee met de onderhavige zaak vergelijkbare zaken ( 6 ) bezighouden met de vraag, welke invloed het discriminatieverbod heeft op nationale regels van procesrecht. De vraagstelling en de door het Hof gegeven oplossing zijn in beide zaken verschillend. In de zaak Hubbard ging het om de Duitse wettelijke regeling inzake cautio judicatum solvi, die door het Hof in strijd werd geacht met het in de artikelen 59 en 60 van het Verdrag geformuleerde beginsel van gelijke behandeling. Ofschoon het door de verwijzende rechter was verzocht, zich tevens uit te spreken over artikel 7 (thans artikel 6) van het Verdrag, baseerde het Hof zijn uitspraak uitsluitend op de specifieke bepalingen inzake het vrije verkeer van diensten, die in die zaak relevant waren. Daarmee volgde het de suggestie van advocaat-generaal Darmon, die op zijn beurt een beroep had gedaan op het beginsel specialia generalibus derogant. Luidcns artikel 6 van het Verdrag is het discriminatieverbod immers van toepassing „onverminderd de bijzondere bepalingen” van het Verdrag. In de zaak Hubbard ging het, zoals gezegd, om een verplichting tot zekerheidstelling voor de proceskosten naar Duits recht, die enkel voor buitenlandse onderdanen gold en die gevolgen had voor het vrij verrichten van diensten, doordat zij voor onderdanen van andere Lid-Staten een belemmering vormde om in Duitsland beroepswerkzaamheden te verrichten.
11.
In de zaak Mund & Fester werd het Hof vervolgens geconfronteerd met het probleem van de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van een bepaling van de Duitse Zivilprozessordnung, volgens welke het leggen van conservatoir beslag op goederen is toegestaan, wanneer de vrees bestaat dat „zonder een dergelijke maatregel de tenuitvoerlegging van het vonnis onmogelijk of aanzienlijk moeilijker zal worden”. De in geding zijnde bepaling bepaalde bovendien bij wijze van een vermoeden juris et de jure: „Wanneer het vonnis in het buitenland ten uitvoer zal moeten worden gelegd, geldt dit als voldoende grond voor een conservatoir beslag.” Ik herinner eraan, dat de vraag van de verwijzende rechter in die zaak gebaseerd was op het Executieverdrag. Op aanraden van advocaat-generaal Tesauro werd de vraag evenwel door het Hof aldus geherformuleerd, dat zij ertoe strekte te vernemen, of de in geding zijnde nationale bepaling een door artikel 7 van het Verdrag verboden discriminatie op grond van nationaliteit opleverde.
Na het probleem aldus te hebben geformuleerd, loste het Hof het op door te overwegen, dat artikel 7 ook op de betrokken zaak van toepassing was, zij het gelezen in samenhang met artikel 220 van het Verdrag en met de relevante bepalingen van het Executieverdrag. Het achtte de Duitse regel van procesrecht onverenigbaar met genoemde bepalingen van het gemeenschapsrecht, in onderlinge samenhang gelezen.
12.
Hoc moet, gelet op de rechtspraak van het Hof, het antwoord op de vraag van de Högsta Domstol worden geformuleerd? Laat ik allereerst nagaan, of voor de oplossing van de onderhavige zaak kan worden volstaan met de toepassing van de algemene bepaling van artikel 6, dan wel of aan het discriminatieverbod, voor zover voor de onderhavige zaak van belang, nader gestalte is gegeven in enige andere bepaling van het Verdrag, die betrekking heeft op het aan het Hof voorgelegde specifieke probleem.
Er is reeds veel gezegd over de werkingssfeer van artikel 6. Zo zou deze bepaling een sluitstuk van het systeem vormen en de mogelijkheid bieden, eventuele leemten in de communautaire rechtsorde op te vullen. Zo gezien, heeft zij, zo durf ik te stellen, een subsidiair karakter ten opzichte van de bepalingen die specifiek bepaalde situaties beogen te regelen. Wij zagen bovendien, dat artikel 6 in een concreet geval buiten toepassing kan worden gelaten op grond van het beginsel specialia generalibus derogant. Anders gezegd, artikel 6 is algemeen van toepassing, maar specifieke bepalingen kunnen (voor zover redelijk en gerechtvaardigd) ervan afwijken.
13.
Wat de onderhavige zaak betreft, moet mijns inziens worden onderzocht, of de Zweedse wettelijke bepaling rechtstreeks dan wel slechts zijdelings een door de communautaire rechtsorde beschermde rechtspositie schaadt. Wat ik hier zeg, is zeker niet nieuw. Het Hof heeft zich, zij het in de kiem, deze andere lezing van artikel 6 reeds eigen gemaakt in zijn arrest in de zaak Phil Collins e. a. ( 7 )
14.
In laatstgenoemd arrest gaf het Hof er de voorkeur aan, de bescherming van het auteursrecht en de naburige rechten, „zonder dat zij zelfs maar in verband behoeven te worden gebracht met de specifieke bepalingen van de artikelen 30, 36, 59 en 66 van het Verdrag”, onder de werkingssfeer van het algemene discriminatieverbod van artikel 7 te laten vallen. In een zaak waarin een beroep was gedaan op verschillende bepalingen van het Verdrag, overwoog het Hof dus, daarbij in het bijzonder de aard van de betrokken rechten in aanmerking nemend, dat eventuele discriminaties ten nadele van dergelijke rechten in strijd zijn met de door de communautaire rechtsorde gewaarborgde vrijheden en een adequate bescherming vinden in artikel 7 (thans artikel 6) van het Verdrag.
Zoals terecht is opgemerkt ( 8 ), hadden de bij die gelegenheid aan de kaak gestelde bepalingen geen rechtstreekse gevolgen voor het vrije goederenverkeer. Zij zaten niet zo in elkaar, dat zij de uitoefening van die vrijheid bemoeilijkten. De Duitse wet had evenwel een negatief effect, zij het slechts zijdelings, op de rechtspositie van de auteursrechthebbenden, doordat zij de hun geboden rechtsbescherming beperkte. Om die reden werd gerefereerd aan het discriminatieverbod zoals dat was geformuleerd in de alomvattende bepaling van artikel 7.
15.
Het antwoord dat in de onderhavige zaak moet worden gegeven, vloeit naar mijn mening voort uit de zojuist besproken rechtspraak van het Hof. De thans in geding zijnde Zweedse bepaling is duidelijk procesrechtelijk van aard. Gelet op haar inhoud, kan niet worden gezegd, dat zij op zichzelf bestemd is om een handelsactiviteit te beheersen, noch dat zij belemmeringen wil opwerpen voor het vrije goederenverkeer. Zij is echter indirect van invloed op de uitoefening van die vrijheid, doordat zij de oplossing van geschillen die voortspruiten uit transacties en overeenkomsten die verband houden met het vrije verkeer van goederen, bemoeilijkt.
De autonomie van artikel 6 van het Verdrag
16.
Uit het voorgaande blijkt, dat de verwijzende rechter terecht een beroep heeft gedaan op artikel 6 als de bepaling aan de hand waarvan moet worden beoordeeld, of de Zweedse wet verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. De enige vraag is dus nog, of het hier een beoordelingsmaatstaf betreft die niet alleen noodzakelijk, maar ook voldoende is om het onderzoek dat de vraag die ons bezighoudt, verlangt, tot een goed einde te brengen. Ik zeg dit, omdat het Hof in met de onderhavige zaak vergelijkbare zaken heeft geoordeeld, dat het discriminatieverbod enkel kon worden toegepast in samenhang met door de Lid-Statcn vastgestelde verdragsbepalingen op het gebied van rechterlijke samenwerking. Ik denk hierbij meer in het bijzonder aan de in de zaak Mund & Fester ( 9 ) gekozen oplossing. Blijkens die uitspraak is de vergelijkbare Duitse bepaling van burgerlijk procesrecht onverenigbaar met artikel 7 juncto artikel 220 van het Verdrag, zij het gelezen in samenhang met het Executieverdrag, 's Hofs antwoord in die zaak was evenwel beïnvloed door de formulering van de vraag, waarin de nationale rechter, zoals gezegd, enkel het Executieverdrag had genoemd. Ikzelf ben de mening toegedaan, dat het feit dat het Hof genoemd verdrag in zijn antwoord betrok, uitsluitend verband hield met de specifieke omstandigheden van het geval en met de noodzaak, de uitlegging van artikel 7 aan te passen aan de bewoordingen waarin de verwijzende rechter de prejudiciële vraag had geformuleerd. De gecombineerde bepalingen waarop het Hof in die zaak — waarin het artikel 7 van het Verdrag in verband bracht met de bepalingen van het Executieverdrag — zijn redenering baseerde, moeten naar mijn mening dan ook worden geacht ad abundantiam te zijn aangevoerd.
17.
Dat het discriminatieverbod van artikel 6 volkomen autonoom is en dat het voor de toepasselijkheid ervan ten aanzien van nationale regels van procesrecht niet noodzakelijk is, dat het in verband wordt gebracht met door de Lid-Staten gesloten verdragen op het gebied van rechterlijke samenwerking, blijkt ook duidelijk genoeg uit andere rechtspraak van het Hof. Ik kan hier volstaan met, behalve aan het reeds genoemde arrest Phil Collins e. a. ( 10 ), te herinneren aan de welbekende uitspraak in de zaak Cowan ( 11 ), waarin het Hof met zoveel woorden verklaarde, dat „het door het gemeenschapsrecht gewaarborgde recht op gelijke behandeling niet afhankelijk kan worden gesteld van het bestaan van een wederkerighcidsovereenkomst tussen de betrokken Lid-Staat en het land waarvan de belanghebbende de nationaliteit heeft”. Indien dit zo is, staat niets meer de conclusie in de weg, dat de omstreden Zweedse bepaling, ook bij ontbreken van specifieke internationale instrumenten ter zake, niet langer mag worden toegepast ten aanzien van personen die zich in een door het gemeenschapsrecht beheerste situatie bevinden. Het tegengestelde standpunt van de Zweedse regering moet van de hand worden gewezen. Juist op grond van het in het Verdrag neergelegde discriminatieverbod zijn de Lid-Staten, wanneer het gemeenschapsrecht van toepassing is, werkelijk gehouden dergelijke beslissingen over en weer te erkennen. Artikel 220 van het Verdrag en het Executieverdrag hebben — nog steeds binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht — niet tot doel, uitvoering te geven aan het discriminatieverbod, doch strekken tot vereenvoudiging en eenmaking van de formaliteiten waaraan de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen onderworpen is.
18.
Tot slot nog een korte opmerking over de rechtstreekse toepasselijkheid van artikel 6. Zoals het Hof reeds heeft gepreciseerd ( 12 ), heeft deze bepaling rechtstreekse werking, uiteraard ook in de verhouding tussen particulieren, onder meer omdat zij tot het primaire recht van de Gemeenschap behoort.
VI — Conclusie
19.
Voor het geval het Hof zou besluiten, het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk te verklaren, geef ik het derhalve in overweging, de gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
„Artikel 6 EG-Verdrag staat eraan in de weg, dat van communautaire onderdanen een zekerheidstelling voor de proceskosten, zoals voorgeschreven in § 1 van wet 1980: 307 van het Koninkrijk Zweden, wordt verlangd in gedingen die verband houden met de uitoefening van uit de communautaire rechtsorde voortvloeiende rechten.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) Arrest van 2 februari 1989 (zaak 186/87, Cowan, Jurispr. 1989, blz. 195).
( 2 ) Zie onder meer beschikking van 9 augustus 1994 (zaak C-378/93, La Pyramide, Jurispr. 1994, blz. I-3999).
( 3 ) Een vergelijkbaar geval was aan de orde in het arrest van 15 maart 1994 (zaak C-387/92, Banco Exterior de España, Jurispr. 1994, biz. I-877). In dat arrest verklaarde het Hof, dat bepaalde van de door de Spaanse rechter gestelde prejudiciële vragen niet ter zake dienend waren, daar zij betrekking hadden op situaties van vóór de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Europese Gemeenschappen.
( 4 ) Arresten van 23 januari 1995 (gevoegde zaken C-358/93 en C-416/93, Bordessa e. a., Jurispr. 1995, blz. I-361) en 14 december 1995 (gevoegde zaken C-163/94, C-165/94 en C-250/94, Sanz de Lera, Jurispr. 1995, blz. 4821).
( 5 ) Een vergelijkbare opmerking kan worden gemaakt met betrekking tot de eventuele toepassing in de onderhavige zaak van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waarbij Zweden partij is. Deze overeenkomst, die is gepubliceerd in PB 1994, L 1, blz. 3, is immers pas op 1 januan 1994 in werking getreden, dat wil zeggen nadat de feiten van het hoofdgeding zich hadden voorgedaan. Artikel 4 van de overeenkomst bepaalt: „Binnen de werkingssfeer van deze Overeenkomst en onverminderd de daarin vervatte bijzondere bepalingen, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.”
( 6 ) Arresten van 1 juli 1993 (zaak C-20/92, Hubbard, Jurispr. 1993, blz. I-3777) en 10 februari 1994 (zaak C-398/92, Mund & Fester, Jurispr. 1994, blz. I-467).
( 7 ) Arrest van 20 oktober 1993 (gevoegde zaken C-92/92 en C-326/92, Jurispr. 1993, blz. I-5145).
( 8 ) Rossi: „Principio di non discriminazione c diritti connessi al diritto di autore”, in Foro Italiano, 1994, deel IV, kolom 316.
( 9 ) Reeds aangehaald in voetnoot 5.
( 10 ) Reeds aangehaald in voetnoot 6.
( 11 ) Reeds aangehaald in voetnoot 1, alsmede het eerdere arrest van 22 juni 1972 (zaak 1/71, Prilli, Jurispr. 1972, blz. 457).
( 12 ) Arrest Phil Collins, reeds aangehaald.
Full & Egal Universal Law Academy