CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 11 januari 1996 ( *1 )
1.
De Arbeidsrechtbank te Doornik (België) heeft het Hof een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de bepalingen van het EG-Verdrag inzake het vrij verkeer van personen en diensten, teneinde uitspraak te kunnen doen over feiten die dateren van vóór de inwerkingtreding op 1 juli 1982 van verordening (EEG) nr. 1390/81 van de Raad van 12 mei 1981 houdende uitbreiding van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, tot zelfstandigen en hun gezinsleden (hierna: „verordening nr. 1390/81”). ( 1 )
2.
De feiten van het hoofdgeding kunnen als volgt worden samengevat: Kemmler is een Duits advocaat die gedomicilieerd en werkzaam was in Duitsland en tegelijk woonplaats had in België, waar hij als advocaat was ingeschreven bij de balie van Brussel, in welke stad hij in een advocatenkantoor werkzaam was. Blijkens het dossier vorderde het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (hierna: „RSVZ”), verzoekster in het hoofdgeding, van Kemmler 331271 BFR niet-betaalde bijdragen over 1981 en de eerste twee kwartalen van 1982. Verweerder weigerde te betalen, op grond dat hij in diezelfde periode aangesloten was bij de Duitse verplichte socialezekerheidsregeling voor zelfstandigen, wat hij ook bewees.
3.
Om het geschil te kunnen oplossen, achtte de nationale rechter een antwoord op de volgende vraag noodzakelijk:
„Moeten de artikelen 48, 51, 52 en 59 EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat zij eraan in de weg staan, dat vóór 1 juli 1982 een Lid-Staat (België) onderdanen van een andere Lid-Staat (de voormalige Bondsrepubliek Duitsland), die op zijn grondgebied een zelfstandige beroepswerkzaamheid verrichtten terwijl zij diezelfde beroepswerkzaamheid ook in de andere Lid-Staat verrichtten, alwaar zij gedomicilieerd waren en onder de socialezekerheidsregeling vielen, onderwerpt aan een bijdrageplicht in de socialezekerheidsregeling voor zelfstandigen, met name wanneer deze bijdrageplicht aan die onderdanen geen enkele extra bescherming kon bieden?”
4.
Kort samengevat wenst de nationale rechter dus te vernemen, of een Lid-Staat vóór genoemde datum een onderdaan van een andere Lid-Staat die als zelfstandige hetzelfde beroep in twee Lid-Staten uitoefende, ertoe kon verplichten bij te dragen aan zijn socialezekerheidsregeling voor zelfstandigen, wanneer de betrokkene reeds was aangesloten bij een gelijkwaardige socialezekerheidsregeling in de andere Lid-Staat waar hij gedomicilieerd was, en de betaling van bijdragen aan een tweede regeling hem geen enkele extra sociale bescherming kon bieden.
5.
Alleen de Commissie heeft in deze zaak opmerkingen ingediend. Om te beginnen merkt zij op, dat volgens artikel 2 van verordening nr. 1390/81 aan deze verordening geen enkel recht kan worden ontleend voor een tijdvak dat aan haar inwerkingtreding op 1 juli 1982 voorafgaat. Omdat de perioden waarover in het hoofdgeding bijdragen worden gevorderd, vóór die datum liggen, is naar de mening van de Commissie de verordening hierop niet van toepassing en moet voor het antwoord op de prejudiciële vraag worden uitgegaan van het Verdrag, inzonderheid van artikel 52, omdat Kemmler zowel in Duitsland als in België als zelfstandige werkzaam was.
6.
De Commissie zegt verder, dat het Hof reeds herhaaldelijk uitspraak heeft gedaan over artikel 52 van het Verdrag en dat die rechtspraak voor de onderhavige vraag van belang is. Daarbij gaat het meer bepaald om de arresten Stanton ( 2 ) en Wolf e. a. ( 3 ) Zij stelt het Hof dan ook voor te antwoorden, dat artikel 52 van het Verdrag zich ertegen verzet, dat een Lid-Staat onderdanen van een andere Lid-Staat die op zijn grondgebied als zelfstandige een beroep uitoefenen, terwijl zij dat beroep ook uitoefenen in een andere Lid-Staat waar zij gedomicilieerd zijn en onder de sociale zekerheid vallen, ertoe verplicht bij te dragen aan de socialezekerheidsregeling voor zelfstandigen, wanneer die verplichting hun geen extra sociale bescherming biedt.
7.
De werkingssfeer van bepaalde beginselen van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ( 4 ) (hierna: „verordening 1408/71”), welke beginselen uitsluitend op de in het intitule genoemde groepen van toepassing waren, werden bij verordening nr. 1390/81 uitgebreid tot zelfstandigen. Zo onder meer het beginsel, dat op het gebied van de sociale zekerheid de werknemer aan de wetgeving van slechts een enkele Lid-Staat kan worden onderworpen.
8.
De concrete situatie van Kemmler is beschreven in artikel 14 bis, lid 2, van verordening nr. 1408/71 zoals gewijzigd, dat luidt:
„Op degene die gewoonlijk op het grondgebied van twee of meer Lid-Staten werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, is de wetgeving van de Lid-Staat van toepassing op het grondgebied waarvan hij woont, indien hij een deel van zijn werkzaamheden op het grondgebied van die Lid-Staat uitoefent (...)”
9.
Volgens artikel 2 van verordening nr. 1390/81 geeft deze verordening echter geen enkel recht voor de perioden die aan haar inwerkingtreding voorafgaan. Aangezien zij in werking is getreden op 1 juli 1982, dat wil zeggen na de perioden waarover de RSVZ bijdragen vordert, zijn de bepalingen van de verordening niet van toepassing in het hoofdgeding, dat dus uitsluitend op grond van de verdragsbepalingen moet worden opgelost.
10.
Uitgaande van de feiten zoals de verwijzende rechter die heeft uiteengezet, stel ik mij op het standpunt van de Commissie, dat Kemmlers situatie niet valt onder de artikelen 48 en 51 van het Verdrag, die het vrije verkeer van werknemers betreffen, noch onder artikel 59, aangaande het vrij verrichten van diensten, maar onder artikel 52, waarin het recht van vestiging als volgt is omschreven:
„In het kader van de volgende bepalingen worden de beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van een andere Lid-Staat tijdens de overgangsperiode geleidelijk opgeheven. Deze geleidelijke opheffing zal eveneens betrekking hebben op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een Lid-Staat die op het grondgebied van een Lid-Staat zijn gevestigd.
De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan, alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.”
11.
Reeds in het arrest Klopp ( 5 ) overwoog het Hof, dat „de vrijheid van vestiging niet beperkt is tot het recht om binnen de Gemeenschap één vestiging te hebben, maar mede de mogelijkheid omvat om, met inachtneming van de voor het beroep geldende gedragsregels, binnen de Gemeenschap meer dan één centrum van werkzaamheid in te richten en te behouden”.
12.
In 1988 wees het Hof de arresten Stanton ( 6 ) en Wolf. ( 7 ) De feiten die in die zaken aanleiding hadden gegeven tot de prejudiciële vragen van de Belgische rechters, komen grotendeels overeen met die van de onderhavige zaak. In elk van die gevallen ging het om de toepassing van dezelfde bepaling als thans aan de orde is: artikel 3, paragraaf 1, van koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. Ingevolge die bepaling moet elke natuurlijke persoon die in België een beroepsbezigheid uitoefent buiten een arbeidsovereenkomst, aan de socialezekerheidsregeling bijdragen. Het is dus de uitgeoefende beroepsbezigheid en niet de woonplaats die de bijdrageplicht doet ontstaan.
13.
In bovengenoemde zaken vorderden de Belgische autoriteiten de betaling van bijdragen aan de Belgische socialezekerheidsregeling voor zelfstandigen van een Britse en twee Duitse onderdanen; dezen werkten in hun eigen land in loondienst, terwijl zij in België bestuurder van een Belgische vennootschap waren, als hoedanig zij als zelfstandige werden aangemerkt. Ook in die zaken lagen de perioden waarover bijdragen werden gevorderd, vóór het tijdstip van inwerkingtreding van verordening nr. 1390/81. Het enige verschil tussen die twee gevallen en het onderhavige ligt hierin, dat Kemmler in zijn land van oorsprong als zelfstandige werkzaam was.
14.
Voor het antwoord op de prejudiciële vraag zal ik eerst onderzoeken, of de nationale wetgeving in overeenstemming is met het beginsel van gelijke behandeling van onderdanen van de andere Lid-Staten, dat ingevolge artikel 52, tweede alinea, van het Verdrag geldt voor de toegang tot werkzaamheden andere dan in loondienst en de uitoefening daarvan. Vervolgens zal ik nagaan, of deze nationale wetgeving een beperking van de vrijheid van vestiging mag inhouden en, zo ja, of die beperking gerechtvaardigd is.
15.
Wat om te beginnen het beginsel van gelijke behandeling betreft, geloof ik dat, evenals in de zaken Stanton en Wolf, die nationale regel zonder onderscheid van toepassing is op elke zelfstandige die in België een beroepsbezigheid uitoefent, en dat hij geen discriminatie op grond van nationaliteit inhoudt, ook niet indirect. Enerzijds ontstaat de bijdrageplicht immers door het enkele feit dat men in dat land als zelfstandige werkzaam is, en anderzijds is het niet zo, dat een dergelijke bepaling uitsluitend of voornamelijk onderdanen van andere Lid-Staten raakt.
16.
In de tweede plaats moeten, zoals het Hof in de arresten Stanton ( 8 ) en Wolf ( 9 ) in herinnering heeft gebracht, „ingevolge artikel 52, eerste alinea, van het Verdrag de beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van een andere Lid-Staat worden opgeheven. Deze gemeenschapsbepaling heeft volgens vaste rechtspraak van het Hof rechtstreekse werking.” Hieruit leidde het Hof af, dat de Lid-Staten deze bepaling in acht moeten nemen, ook al blijven zij bevoegd het sociaal statuut der zelfstandigen te regelen zolang een gemeenschapsregeling ter zake ontbreekt, zoals ten tijde van de zaken Stanton en Wolf en ook in Kemmlers situatie het geval was.
17.
Voorts herinner ik eraan, dat „de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van personen beogen, het de gemeenschapsonderdanen gemakkelijker te maken om het even welk beroep uit te oefenen op het gehele grondgebied van de Gemeenschap, en in de weg staan aan een nationale regeling die deze onderdanen minder gunstig behandelt wanneer zij op het grondgebied van meer dan één Lid-Staat werkzaam willen zijn”. ( 10 )
18.
Gelet op deze rechtspraak staat het buiten twijfel, dat een regeling van een Lid-Staat zoals hierboven omschreven — die elke zelfstandige die op het grondgebied van die Lid-Staat werkzaam is, ertoe verplicht bij te dragen aan zijn regeling voor zelfstandigen, zonder vrijstelling van die bijdrageplicht mogelijk te maken voor personen die als zelfstandige tevens werkzaam zijn in een andere Lid-Staat, waar zij onder een gelijkwaardige socialezekerheidsregeling vallen —, ongunstig is voor wie, zoals Kemmler, ook buiten laatstbedoelde Lid-Staat zijn beroep wenst uit te oefenen.
19.
Zoals eenieder echter weet, kan het vrije verkeer van personen „als grondbeginsel van het Verdrag (...) slechts (...) worden beperkt door regelingen die hun rechtvaardiging vinden in het algemeen belang en die gelden voor iedere persoon of onderneming die bedoelde werkzaamheden op het grondgebied van de betrokken staat uitoefent, voor zover dit belang al niet wordt gewaarborgd door regels waaraan de gemeenschapsonderdaan onderworpen is in de Lid-Staat waar hij is gevestigd”. ( 11 ) De vraag is dus, of er in het geval van Kemmler, die reeds in Duitsland bijdragen betaalde, dwingende redenen van algemeen belang bestonden die de verplichting om ook in België bijdragen te betalen, rechtvaardigden.
20.
Wanneer een Lid-Staat er al een algemeen belang bij heeft, dat personen die op zijn grondgebied als zelfstandige werkzaam zijn, bij zijn socialezekerheidsregeling zijn aangesloten, dan zou dat belang er mijns inziens in moeten bestaan, dat wordt voorkomen dat die personen niet tegen bepaalde risico's verzekerd zijn. Omdat Kemmler tijdens dezelfde periode reeds in een andere Lid-Staat op grond van een gelijkwaardige socialezekerheidsregeling verzekerd was, kan in zijn geval de toepassing van de Belgische regeling niet uit hoofde van het algemeen belang gerechtvaardigd worden geacht.
21.
Verder wil ik er nog op wijzen, dat toepassing van de omstreden nationale bepaling voor verzoeker in het hoofdgeding zou neerkomen op een fiscale last, aangezien de aansluiting bij een tweede socialezekerheidsregeling hem geen enkele extra bescherming biedt.
22.
Uit het voorgaande volgt, dat waar de toepassing van een nationale regeling zoals hierboven omschreven, op een onderdaan van een andere Lid-Staat in een situatie als die van Kemmler, de uitoefening van beroepsbezigheden buiten het grondgebied van één Lid-Staat duurder maakt, die toepassing een ongerechtvaardigde beperking van de vrijheid van vestiging vormt en dus onverenigbaar is met artikel 52 van het Verdrag.
Conclusie
23.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Arbeidsrechtbank te Doornik te beantwoorden als volgt:
„Artikel 52 EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het zich ertegen verzet, dat een Lid-Staat een onderdaan van een andere Lid-Staat, die als zelfstandige eenzelfde activiteit in twee Lid-Staten tegelijk uitoefent, ertoe verplicht bij te dragen in zijn socialezekerheidsregeling voor zelfstandigen, wanneer de betrokkene aantoont dat hij tijdens dezelfde periode in de andere Lid-Staat, waar hij gedomicilieerd was, bij een gelijkwaardige socialezekerheidsregeling was aangesloten, en de betaling van bijdragen aan een tweede socialezekerheidsregeling hem geen extra sociale bescherming biedt.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Spaans.
( 1 ) PD 1981, L 143, blz. 1.
( 2 ) Arrest van 7 juli 1988 (zaak 143/87, Jurispr. 1988, blz. 3877).
( 3 ) Arrest van 7 juli 1988 (gevoegde zaken 154/87 en 155/87, Jurispr. 1988, blz. 3897).
( 4 ) PB 1971, L 149, blz. 2.
( 5 ) Arrest van 12 juli 1984 (zaak 107/83, Jurispr. 1984, blz. 2971, r. o. 19).
( 6 ) Reeds aangehaald in voetnoot 2.
( 7 ) Reeds aangehaald in voetnoot 3.
( 8 ) Reeds aangehaald in voetnoot 2, r. o. 10.
( 9 ) Reeds aangehaald in voetnoot 3, r. o. 10.
( 10 ) Zie de arresten Stanton en Wolf, reeds aangehaald in de voetnoten 2 en 3, r. o. 13.
( 11 ) Arrest van 20 mei 1992 (zaak C-106/91, Ramrath, Jurispr. 1992, blz. I-3351, r. o. 29).
Full & Egal Universal Law Academy