Conclusie van de advocaat generaal
1 Met de onderhavige hogere voorziening verzoekt H. de Compte (hierna: "requirant") het Hof om vernietiging van het arrest van 26 januari 1995(1) (hierna: "arrest"), waarbij het Gerecht van eerste aanleg twee beroepen tot nietigverklaring heeft verworpen die hij had ingesteld tegen twee hem betreffende besluiten van het Europees Parlement.
Deze beroepen strekten met name tot nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement van 18 april 1991 houdende intrekking(2) met terugwerkende kracht van een besluit van 24 januari 1991, waarbij het Parlement de beroepsmatige oorsprong had erkend van een ziekte waaraan requirant leed, en tot nietigverklaring van een besluit van 20 januari 1992 houdende definitieve weigering van het Europees Parlement om de beroepsmatige oorsprong van bedoelde ziekte te erkennen.
De feiten
2 De feiten die aan de oorsprong liggen van deze lange en ingewikkelde reeks rechtszaken, gaan terug tot 1982, toen de president van het Europees Parlement, in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag, een tuchtprocedure inleidde tegen requirant, die destijds ambtenaar in de rang A 3 van deze instelling was, en als rekenplichtige werkzaam was. De procedure werd afgesloten met een eerste besluit (24 mei 1984), waarbij het tot aanstelling bevoegd gezag requirant, die zich schuldig had gemaakt aan diverse onregelmatigheden bij de uitoefening van zijn functies, de tuchtsanctie van terugzetting naar de rang A 7, salaristrap 6, oplegde.
Dit besluit werd bij een arrest van het Hof van 20 juni 1985(3) nietig verklaard wegens een vormgebrek; daarop werd de procedure heropend, en afgesloten met een besluit van 18 januari 1988. Ook tegen dit tweede besluit, waarbij het tot aanstelling bevoegd gezag de tuchtsanctie van terugzetting in rang bevestigde, werd door requirant beroep ingesteld bij het Gerecht, welk beroep bij arrest van 17 oktober 1991(4) werd verworpen. Daarop heeft requirant tegen dit arrest hogere voorziening ingesteld voor het Hof, dat de hogere voorziening bij arrest van 2 juni 1994(5) heeft verworpen.
3 Intussen had requirant, op 14 juni 1988, bij het Parlement een verzoek ingediend, waarin hij verklaarde dat hij in de loop van de tuchtprocedure een beroepsziekte had opgelopen, en om de toekenning verzocht van de uitkeringen bedoeld in artikel 73 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut"), zulks overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de Regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten (hierna: "Regeling")(6).
In een eerste rapport als bedoeld in artikel 19 van de Regeling, heeft de door de instelling aangewezen arts geweigerd de beroepsmatige oorsprong van de ziekte van requirant te erkennen. Daarop heeft het tot aanstelling bevoegd gezag hem een ontwerp van besluit tot afwijzing van zijn verzoek laten toekomen. Requirant heeft zich hiertegen verzet, waarop overeenkomstig artikel 23 van de Regeling een medische commissie is samengesteld, die op 22 januari 1991 de volgende conclusies heeft ingediend:
"1. H. de Compte lijdt aan een zware anxiodepressieve decompensatie van melancholische en paranoïde aard, die haar oorsprong vindt in zijn beroep en is ontstaan in een toestand van stress veroorzaakt door als lasterlijk ervaren beschuldigingen die tot terugzetting in rang en psychisch letsel hebben geleid.
2. De betrokkene heeft deze ziekte opgelopen door de uitzonderlijke pathogene factoren waarmee hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden werd geconfronteerd.
3. (...)
4. De factoren die de ziekte hebben veroorzaakt, zijn de subjectieve en objectieve beleving van de beschuldigingen die jegens de betrokkene zijn geuit. Deze twee soorten beleving hebben op gelijke en beslissende wijze ingewerkt op een aanleg tot paranoia.
5. (...)
6. De blijvende invaliditeit wordt vastgesteld op 40 % (veertig percent).
(...)"
Op basis van dat rapport heeft het tot aanstelling bevoegd gezag bij besluit van 24 januari 1991 de beroepsmatige oorsprong van de ziekte van requirant erkend en besloten hem voor de door zijn ziekte veroorzaakte blijvende gedeeltelijke invaliditeit een bedrag van 9 147 091 BFR uit te keren.
4 Bij besluit van 18 april 1991 heeft het tot aanstelling bevoegd gezag met terugwerkende kracht het besluit van 24 januari 1991 ingetrokken, op grond dat dit besluit gebaseerd zou zijn geweest op een onjuiste interpretatie van het begrip beroepsziekte. Tot staving van deze intrekking voerde het tot aanstelling bevoegd gezag onder verwijzing naar het arrest Rienzi(7) aan, dat een ziekte van een ambtenaar slechts als beroepsziekte kan worden aangemerkt indien zij is ontstaan in of bij de regelmatige uitoefening door de betrokkene van zijn werkzaamheden. In casu staat vast dat, zoals in het rapport van de medische commissie is uiteengezet, de ziekte haar oorsprong vond in de depressieve toestand waarin requirant verkeerde ten gevolge van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen en de tuchtsanctie, en niet in de uitoefening (a fortiori niet in de regelmatige uitoefening) van zijn beroepsactiviteiten.
In het beschikkend gedeelte van het besluit van 18 april 1991 heette het voorts, dat het tot aanstelling bevoegd gezag voornemens was een nieuw besluit vast te stellen na de uitspraak van het arrest van het Gerecht in zaak T-26/89, waarin het, zoals gezegd, ging over de regelmatigheid van de tuchtsanctie van terugzetting in rang.
5 Op 4 juni 1991 heeft requirant tegen het besluit van 18 april 1991 een klacht ingediend, die op 23 september 1991 door het tot aanstelling bevoegd gezag is afgewezen. Requirant heeft tegen dit besluit en tegen de afwijzing van zijn klacht beroep ingesteld bij het Gerecht (zaak T-90/91).
Op 20 januari 1992, dat wil zeggen nadat het Gerecht bij voormeld arrest van 17 oktober 1991 de rechtmatigheid had erkend van de aan requirant opgelegde tuchtsanctie, heeft het tot aanstelling bevoegd gezag het besluit vastgesteld dat in het vooruitzicht was gesteld in het beschikkend gedeelte van het besluit van 18 april 1991, en dat in de plaats moest komen van het besluit van 24 januari 1991. Bij bedoeld besluit van 20 januari 1992 werd de toepassing van het aan het arrest Rienzi ontleende beginsel in de onderhavige zaak bevestigd, en vastgesteld dat de ziekte waaraan requirant leed, niet van beroepsmatige oorsprong was in de zin van de Regeling.
Op 10 april 1992 diende verzoeker tegen het besluit van 20 januari 1992 een klacht in, die op 4 juni 1992 door het tot aanstelling bevoegd gezag werd afgewezen. Daarop heeft requirant tegen dit besluit en tegen de afwijzing van zijn klacht beroep ingesteld bij het Gerecht (zaak T-62/92).
6 Bij arrest van 26 januari 1995, waartegen de onderhavige hogere voorziening is gericht, heeft het Gerecht de twee beroepen verworpen, en het Parlement veroordeeld om aan requirant een bedrag van 200 000 BFR te betalen ter vergoeding van de door hem geleden morele schade ten gevolge van de miskenning door de bevoegde diensten van hun zorgplicht bij de behandeling van de zaak.
De hogere voorziening 7 Requirant verzoekt het Hof:
- het arrest te vernietigen behoudens voor zover het Parlement daarbij wordt veroordeeld om hem ter vergoeding van de door hem geleden morele schade een bedrag van 200 000 BFR te betalen;
- de aanvankelijk door requirant bij het Gerecht ingestelde beroepen gegrond te verklaren.
De hogere voorziening is gebaseerd op schending van het gemeenschapsrecht, meer in het bijzonder: a) schending van artikel 33 van 's Hofs Statuut-EG, betreffende de motiveringsplicht; b) schending van artikel 73 van het Statuut en van artikel 3 van de Regeling, betreffende de uitkeringen aan ambtenaren in geval van beroepsziekte en betreffende het begrip beroepsziekte; c) schending van bepaalde algemene rechtsbeginselen, te weten de beginselen van rechtszekerheid, goede trouw, bescherming van het gewettigd vertrouwen, de zorgplicht, het beginsel van de redelijke termijn voor de nietigverklaring van administratieve handelingen, alsmede het beginsel dat elke administratieve handeling gebaseerd moet zijn op gronden die "wettelijk toelaatbaar" zijn.
De hogere voorziening is gebaseerd op vijf verschillende middelen, die in wezen overeenkomen met de middelen waarover het Gerecht zich reeds had uit te spreken, en die dat heeft verworpen.
Het eerste middel
8 Met het eerste middel komt requirant op tegen de schending van artikel 33 van 's Hofs Statuut-EG, bepalende dat de arresten met redenen zijn omkleed. In werkelijkheid komt requirant evenwel niet op tegen ontbreken van motivering, doch betwist hij het arrest van het Gerecht ten gronde, voor zover daarbij de ongeldigheid is bevestigd van het besluit van 24 januari 1991 en dus ook de geldigheid van het latere besluit tot intrekking daarvan.
In de rechtsoverwegingen 42 tot en met 47 van het arrest heeft het Gerecht onder verwijzing naar de eerdere rechtspraak ter zake, nogmaals uiteengezet welke grenzen zijn gesteld aan de bevoegdheid van de medische commissie als bedoeld in artikel 23 van de Regeling, waarvan de beoordelingen beperkt dienen te blijven tot het gebied van de medische vraagstukken. De juridische beoordeling van de gevolgen die aan de medische conclusies moeten worden verbonden, komt namelijk toe aan de administratieve instanties, en kan eventueel door de rechter worden getoetst.(8)
9 Wat de onderhavige zaak betreft, heeft het Gerecht verklaard, dat de medische commissie in haar rapport van 22 januari 1991 heeft vastgesteld dat de ziekte van requirant was terug te voeren op de tuchtprocedure en de aard van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen, en vervolgens zijn aandoening heeft aangemerkt als een beroepsziekte, wat te beschouwen is als een juridische beoordeling waarmee zij buiten de grenzen is getreden van haar bevoegdheden zoals hierboven afgebakend.
Volgens het Gerecht is het rapport van de medische commissie dus gebaseerd op een onjuiste interpretatie van het begrip beroepsziekte. Bijgevolg is ook het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag, dat zelf gebaseerd is op de conclusies van voormeld rapport, om dezelfde reden ongeldig, zodat het kon worden ingetrokken.
10 Requirant daarentegen stelt in de eerste plaats, dat de medische commissie, waar zij zijn aandoening als beroepsziekte heeft gekwalificeerd, zich niet op het terrein van de juridische beoordeling heeft begeven, doch binnen de perken is gebleven van de opdracht waarmee zij door het Parlement was belast, en die erin bestond "de beroepsmatige oorsprong van de ziekte" vast te stellen; in de tweede plaats stelt requirant zich op het standpunt, dat het rapport van de medische commissie niet onregelmatig was.
Voorts stelt requirant, dat het Gerecht, waar het de ongeldigheid heeft bevestigd van het ingetrokken besluit, in feite ten onrechte zijn beoordeling van de beroepsmatige oorsprong van de ziekte in de plaats van die van de medische commissie heeft gesteld, hoewel deze bij uitsluiting bevoegd is om zich hierover uit te spreken; en voorts, dat het in het arrest gehanteerde begrip beroepsziekte onjuist is, in die zin dat een ziekte die niet haar oorsprong vindt in omstandigheden die verband houden met iemands privéleven (sport, vakanties, familieleven, enz.), per definitie als een beroepsziekte is aan te merken.
11 Het komt mij voor, dat de zienswijze van het Gerecht correct is, aangezien het hier niet uitsluitend om een beoordeling van medische aard gaat. Voor de kwalificatie van een aandoening als beroepsziekte, is het mogelijk dat naast de beoordeling van de medische aspecten ook andere overwegingen, buiten de medische sfeer, een rol dienen te spelen. De medische commissie beperkt zich dus tot technisch-medische beoordelingen, en laat aan de administratie de bevoegdheid om daaraan op het administratieve en juridische vlak de passende gevolgtrekkingen te verbinden. Zou de medische commissie conclusies of beoordelingen formuleren van een andere dan louter medische aard, dan zou het om irrelevante beoordelingen gaan, die in geen enkel opzicht afdoen aan de beoordelingsbevoegdheid van het tot aanstelling bevoegd gezag en van de rechter.
Anders gezegd, de bevoegdheid van de administratie om de resultaten van het onderzoek van de medische commissie op juridisch vlak te toetsen, blijft onverkort bestaan. Hierbij denk ik bijvoorbeeld aan de voorwaarde betreffende de regelmatige uitoefening door de betrokkene van zijn werkzaamheden, in de zin van het arrest Rienzi; het ligt voor de hand, dat de administratie, die op de hoogte is van de gegevens en elementen feitelijk en rechtens betreffende het concrete geval, niet anders kan dan zich uitspreken over de vraag of aan deze voorwaarde is voldaan. Eveneens evident is, dat inzake het begrip beroepsziekte de rechter bevoegd is de beoordeling van de medische commissie en die van het tot aanstelling bevoegd gezag te toetsen.
12 Zo gezien, behoeft niet eens te worden ingegaan op het argument dat het Gerecht zich op het terrein van de medische commissie zou hebben begeven door zijn zienswijze in de plaats te stellen van die van de commissie in verband met de beoordeling van de beroepsmatige oorsprong van de ziekte van de betrokkene. Het Gerecht heeft zich beperkt tot een uitspraak over de door de medische commissie erkende "beroepsmatige" oorsprong van de ziekte van requirant, evenwel zonder de conclusies van medische aard van de commissie opnieuw ter discussie te stellen.
13 Wat voorts de juistheid betreft van het begrip beroepsziekte in de zin van het arrest, is de bewering van requirant, dat elke ziekte die niet ontstaat in de particuliere levenssfeer, per definitie een beroepsziekte is, duidelijk in strijd met het gezond verstand en in ieder geval met het arrest Rienzi. Anders dan requirant beweert, ware het ongerechtvaardigd iemand bepaalde voordelen toe te kennen wegens een beroepsziekte die is ontstaan in het kader van de uitoefening van een ambt op een wijze die in strijd is met de verplichtingen van het Statuut.
Anders gezegd, en om dit punt af te sluiten, de vaststelling door de medische commissie dat de ziekte van beroepsmatige oorsprong is, kan niet definitief zijn, in die zin dat zij de administratie zou binden. Zo niet, zou de administratie (en in voorkomend geval, de rechter) geen enkele controlebevoegdheid worden gelaten in verband met deze en andere elementen feitelijk en rechtens die met het oog op deze kwalificatie van beslissend belang kunnen blijken te zijn.
14 Nog steeds in het kader van het eerste middel, betwist requirant rechtsoverweging 45 van het arrest, waarin het Gerecht heeft gesteld, dat de ziekte van requirant niet kan worden geacht van beroepsmatige oorsprong te zijn, ook niet wanneer zou blijken dat zij haar oorsprong vindt in "onrechtmatige" handelingen of gedragingen vanwege het Parlement ten opzichte van requirant. Volgens het Gerecht zouden deze handelingen of gedragingen geen verband houden met een normale uitoefening van de functies van de betrokkene, en zou in het gunstigste geval kunnen worden gedacht aan een niet-contractuele aansprakelijkheid van de instelling.
In dit verband kan worden volstaan met erop te wijzen dat deze bewering, die bovendien een incidenteel karakter heeft aangezien zij niet beslissend is voor de toewijzing of afwijzing van de door requirant ingestelde vordering tot vernietiging, hoe dan ook niet afdoet aan de aard van het probleem. Mitsdien is deze grief mijns inziens volkomen irrelevant.
Het tweede middel
15 Met het tweede middel komt requirant op tegen rechtsoverweging 48 van het arrest, waarin het Gerecht heeft verklaard, dat de bevoegdheid van de betrokken instelling om een besluit in te trekken met een beroep op de onregelmatigheid ervan, een noodzakelijk uitvloeisel is van deze onregelmatigheid, in die zin dat deze de voorwaarde is voor de intrekking van een besluit dat voor de adressaat ervan subjectieve rechten in het leven heeft geroepen. In die optiek heeft het Gerecht verder verklaard, dat de bewering van requirant dat "de ongeldigheid van het besluit op rechtmatige wijze moet kunnen worden aangevoerd" op zich geen enkele betekenis heeft, nu aan deze voorwaarde is voldaan wanneer de intrekking binnen een redelijke termijn plaatsvindt en rekening is gehouden met het gewettigd vertrouwen van de adressaat van het besluit.
Requirant daarentegen stelt zich op het standpunt, dat deze twee voorwaarden niet volstaan, en verwijt het Gerecht dat het geen onderscheid maakt tussen de mogelijkheid om op rechtmatige wijze de ongeldigheid van een besluit aan te voeren met het oog op de intrekking ervan, en voormelde twee voorwaarden, namelijk de redelijke termijn en het gewettigd vertrouwen, terwijl het zijns inziens om onderscheiden grieven gaat. Requirant preciseert meer in het bijzonder, dat het Parlement zich niet rechtmatig op de ongeldigheid van het besluit kon beroepen, nu de procedure te ver gevorderd was toen het zich beriep op het arrest Rienzi, waarvan het nochtans op de hoogte had moeten zijn.
16 Ik houd het bij de duidelijke en vaste rechtspraak van het Hof, waarop het Gerecht zich in casu heeft beroepen, dat de intrekking van een ongeldig besluit dat ten gunste van de adressaat ervan rechten in het leven heeft geroepen, onderworpen is aan de voorwaarde van een redelijke termijn en van de eerbiediging van het gewettigd vertrouwen.(9) Dit zijn de enige voorwaarden voor een intrekking met terugwerkende kracht van een handeling. Ik sluit mij derhalve volledig aan bij de zienswijze van het Gerecht, dat deze grief van requirant in wezen samenvalt met de gestelde schending van de verplichting om een redelijke termijn in acht te nemen en van het vertrouwensbeginsel, waarover het gaat in de volgende (derde en vierde) middelen. Ook het tweede middel is derhalve ongegrond.
Het derde middel
17 Met zijn derde middel verwijt requirant het Gerecht dat het de termijn van minder dan drie maanden, binnen welke het besluit van 24 januari 1991 is ingetrokken, ten onrechte als redelijk beschouwt in de zin van de rechtspraak van het Hof.
Requirant stelt namelijk dat deze termijn niet dient in te gaan op de datum van vaststelling van het bestreden besluit, doch wel op de datum waarop het rapport van de medische commissie is opgesteld (volgens hem, 24 augustus 1990); bovendien is hij van mening, dat een termijn van drie maanden hoe dan ook te lang en onredelijk is.
18 Het eerste argument is kennelijk ongegrond. Het ligt voor de hand, dat alleen reeds om redenen van rechtszekerheid de betrokken termijn slechts kan ingaan vanaf het tijdstip waarop het bestreden besluit rechtsgevolgen begint te sorteren ten opzichte van de adressaat ervan, dat wil zeggen vanaf de datum van vaststelling van het bestreden besluit.
Ook het tweede argument is volkomen ongegrond. In een soortgelijke zaak heeft het Hof een termijn van zes maanden als redelijk beschouwd(10); bovendien stelt het Parlement terecht, dat deze termijn niet langer is dan die waarover de adressaat van een individueel besluit ingevolge het Statuut beschikt om daartegen een klacht in te dienen.
Het vierde middel
19 Voorts betwist requirant meer in het algemeen de rechtsoverwegingen (59-62) van het arrest, waarin het Gerecht het argument heeft weerlegd ontleend aan schending van de verplichting voor de instelling om rekening te houden met het gewettigd vertrouwen van de adressaat inzake de geldigheid van het ingetrokken besluit. Volgens requirant heeft de omstandigheid dat het Parlement niet van meet af aan naar het arrest Rienzi heeft verwezen, bij hem niet alleen een gewettigd vertrouwen, doch zelfs de "absolute zekerheid" doen ontstaan dat hij de beroepsmatige oorsprong van zijn ziekte zou kunnen doen erkennen.
Ook dit argument moet ongetwijfeld van de hand worden gewezen. In de eerste plaats moet, zoals gezegd, worden opgemerkt dat het tijdstip dat bepalend is voor de beoordeling van de bescherming van het gewettigd vertrouwen van de adressaat inzake de geldigheid van het ingetrokken besluit, de datum van dat besluit is, en niet die van de aanvang van de procedure. Eerst vanaf de datum van vaststelling ervan brengt de handeling definitieve rechtsgevolgen teweeg, die een gewettigd vertrouwen inzake de geldigheid ervan kunnen rechtvaardigen. In ieder geval is het besluit ingetrokken precies omdat ten onrechte geen toepassing is gemaakt van de beginselen van het arrest Rienzi. Het probleem blijft dus hetzelfde.
20 Bovendien moet rekening worden gehouden met een belangrijke feitelijke omstandigheid die het Gerecht, door partijen onweersproken, heeft vastgesteld: zoals blijkt uit de processtukken, is requirant reeds tussen 1 en 13 maart 1991 er door de bevoegde diensten van het Parlement op attent gemaakt, dat er problemen waren ontstaan in verband met de uitbetaling van het bedrag dat hem was toegekend, precies omdat in verband met de geldigheid van dat besluit vragen waren gerezen.(11) Hieruit blijkt, dat requirant dus hooguit iets meer dan een maand zijn vertrouwen heeft kunnen stellen in de regelmatigheid van het besluit.
Ten slotte zij erop gewezen, dat precies vanwege de aan requirant veroorzaakte schade ten gevolge van de onzorgvuldigheid waarmee de bevoegde diensten van het Parlement het dossier hebben behandeld, de instelling is veroordeeld om hem ter vergoeding van de geleden morele schade 200 000 BFR te betalen. Mijns inziens heeft het arrest requirant aldus meer dan naar behoren recht laten wedervaren.
Het vijfde middel
21 Het vijfde middel betreft het gedeelte van het arrest van het Gerecht dat uitsluitend betrekking heeft op zaak T-62/92. Requirant stelt dat het tijdsverloop tussen het (ingetrokken) besluit van 24 januari 1991 en dat van 20 januari 1992, waarbij het tot aanstelling bevoegd gezag definitief heeft geweigerd de beroepsmatige oorsprong van zijn ziekte te erkennen, anders dan in het arrest is beweerd, niet redelijk is. Hij verwijst in dat verband naar "dezelfde argumenten" als in verband met het derde middel reeds uiteengezet.
Ook op dit punt is mijns inziens evenwel niets aan te merken op de motivering van het arrest. Zoals het Gerecht uitdrukkelijk heeft gesteld, heeft het tot aanstelling bevoegd gezag gewacht op de uitspraak in zaak T-26/89 (betreffende de rechtmatigheid van de tuchtsanctie) alvorens een definitieve beslissing in de zaak te nemen, aangezien bedoeld arrest beslissend kon zijn voor de inhoud die aan het besluit moest worden gegeven.
Ook deze laatste grief is derhalve ongegrond.
22 Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging:
- de hogere voorziening ongegrond te verklaren;
- requirant te verwijzen in de kosten.
(1) - Gevoegde zaken T-90/91 en T-62/92 (De Compte, JurAmbt blz. II-1).
(2) - Voetnoot 2 betreft uitsluitend de Italiaanse tekst: niet vertaald.
(3) - Zaak 141/84 (De Compte, Jurispr. 1985, blz. 1951).
(4) - Zaak T-26/89 (De Compte, Jurispr. 1991, blz. II-781).
(5) - Zaak C-326/91 P (De Compte, Jurispr. 1994, blz. I-2091).
(6) - Artikel 73 van het Statuut bevat de criteria voor de berekening van de uitkeringen waarop de ambtenaren recht hebben in geval van beroepsziekte of ongeval, en artikel 17 van de Regeling betreft de wijze van indiening van het desbetreffende verzoek.
(7) - Arrest van 21 januari 1987 (zaak 76/84, Jurispr. 1987, blz. 315, r.o. 10 en 11).
(8) - Arrest van 4 oktober 1991 (zaak C-185/90 P, Gill, Jurispr. 1991, blz. I-4779, r.o. 24); zie ook arrest Rienzi (reeds aangehaald, r.o. 9).
(9) - Zie arresten van 3 maart 1982 (zaak 14/81, Alpha Steel, Jurispr. 1982, blz. 749, r.o. 10) en 26 februari 1987 (zaak 15/85, Consorzio Cooperative d'Abruzzo, Jurispr. 1987, blz. 1005, r.o. 12).
(10) - Arrest van 12 juli 1957 (gevoegde zaken 7/56 en 3/57-7/57, Algera e.a., Jurispr. 1957, blz. 85).
(11) - Zie r.o. 53 en 61 van het arrest.
Full & Egal Universal Law Academy