Conclusie van de advocaat generaal
1 In het kader van een procedure met betrekking tot de geldigheid van een navordering van invoerrechten heeft het Tribunal Tributário de Segunda Instância de Lisboa het Hof een aantal prejudiciële vragen gesteld, die noodzakelijk werden geacht ter beslechting van het bij hem aanhangig geding.
I - Het rechtskader
A - Besluit 86/283 van de Raad
2 Bij besluit 86/283/EEG(1) heeft de Raad een aantal regels betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee (hierna: "LGO's") met de Europese Economische Gemeenschap vastgesteld.
3 In het tweede gedeelte van dit besluit, dat de instrumenten van de EEG-LGO-samenwerking betreft, bepaalt artikel 70, lid 1:
"1. Produkten van oorsprong uit de landen en gebieden overzee worden met vrijdom van douanerechten en van heffingen van gelijke werking in de Gemeenschap ingevoerd."
4 Ingevolge artikel 182 trad het besluit op 1 juli 1986 in werking, terwijl het ingevolge artikel 183 van toepassing was tot en met 28 februari 1990.(2)
5 Artikel 184, lid 1, vermeldt, dat de landen en gebieden waarop het besluit van toepassing is, in bijlage I zijn opgenomen.
6 Bijlage I bevat de "lijst van de landen en gebieden" overzee waarop besluit 86/283 van toepassing is, en vermeldt onder meer Groenland als land dat speciale banden met het Koninkrijk Denemarken heeft.
7 Bijlage II bij het besluit bevat een reeks bepalingen betreffende "de definitie van het begrip produkten van oorsprong en de methoden van administratieve samenwerking".
8 Titel I (artikelen 1-5) definieert het begrip "produkten van oorsprong".
9 In concreto bepaalt artikel 1:
"1. Voor de toepassing van het besluit en onverminderd de leden 3 en 4 worden beschouwd als:
(...)
b) produkten van oorsprong uit de landen en gebieden: 1. geheel en al in een of meer landen of gebieden verkregen produkten,
(...)"
10 Artikel 2 bepaalt:
"Als $geheel en al verkregen' in een of meer landen of gebieden of in de Gemeenschap (...) in de zin van artikel 1, lid 1, onder a), punt 1, onder b), punt 1, en de leden 3 en 4 worden beschouwd:
(...)
f) produkten van de zeevisserij en andere door hun schepen uit de zee gewonnen produkten."
(...)
11 In titel II van bijlage II bij het besluit worden de methoden van administratieve samenwerking tussen de Lid-Staten en de LGO's vastgesteld.
12 Artikel 6, lid 1, sub a, bepaalt:
"1. a) Als bewijs van het karakter van oorsprong van de produkten in de zin van deze bijlage geldt een certificaat inzake goederenverkeer EUR. 1, (...)"
13 Artikel 7 luidt:
"1. Certificaten inzake goederenverkeer EUR. 1 worden bij uitvoer van de goederen waarop zij betrekking hebben door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat of van het land of gebied van uitvoer afgegeven. Zij worden ter beschikking van de exporteur gehouden, zodra de werkelijke uitvoer plaatsvindt of is verzekerd.
(...)
5. Verzoeken om certificaten inzake goederenverkeer moeten door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat, het land of gebied van uitvoer gedurende ten minste drie jaar worden bewaard."
14 Artikel 8 bepaalt:
"1. Certificaten inzake goederenverkeer EUR. 1 worden door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat, het land of gebied van uitvoer afgegeven, indien de goederen kunnen worden beschouwd als produkten van oorsprong in de zin van deze bijlage.
2. Ten einde na te gaan of aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden is voldaan, kunnen de douaneautoriteiten alle bewijsstukken eisen en iedere controle uitoefenen die zij dienstig achten.
(...)"
15 Artikel 10 bepaalt:
"1. Om afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR. 1 dient, onder aansprakelijkheid van de exporteur, door deze of door zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger te worden verzocht.
2. De exporteur of diens vertegenwoordiger dient te zamen met zijn verzoek elk nuttig bewijsstuk in dat kan dienen om aan te tonen dat de uit te voeren goederen in aanmerking kunnen komen voor de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR. 1."
16 Artikel 12 luidt:
"In de Lid-Staat, het land of gebied van invoer worden certificaten inzake goederenverkeer EUR. 1 aan de douaneautoriteiten overgelegd volgens de voorschriften van die Staat of van dat land of gebied. Deze autoriteiten hebben het recht daarvan een vertaling te eisen. Zij kunnen bovendien eisen dat de invoerafgifte wordt aangevuld met een verklaring van de importeur dat de goederen voldoen aan de voorwaarden voor de toepassing van het besluit."
17 Artikel 23 bepaalt:
"Om de juiste toepassing van deze titel te verzekeren, verlenen de Lid-Staten en de verantwoordelijke autoriteiten van de landen en gebieden (...) elkaar, via hun respectieve douanediensten, bijstand ten aanzien van de controle van de echtheid van de certificaten inzake goederenverkeer EUR. 1, de juistheid van de inlichtingen betreffende de werkelijke oorsprong van de betrokken produkten (...)"
18 Artikel 24 luidt:
"Tegen een ieder die, ten einde een goed onder de preferentiële regeling te doen vallen, hetzij een document met onjuiste gegevens opstelt of laat opstellen om een certificaat inzake goederenverkeer EUR. 1 te verkrijgen, (...) worden sancties getroffen."
19 Ten slotte bepaalt artikel 25:
"1. De controle a posteriori van de certificaten inzake goederenverkeer EUR. 1 (...) geschiedt door middel van steekproeven en telkens wanneer de douaneautoriteiten van de Lid-Staat, het land of gebied van invoer gegronde twijfel koesteren over de echtheid van het document of de juistheid van de gegevens betreffende de werkelijke oorsprong van het betrokken goed.
2. Voor de toepassing van lid 1 zenden de douaneautoriteiten van de Lid-Staat, het land of gebied van invoer het certificaat inzake goederenverkeer EUR. 1 (...) of een fotokopie van dat certificaat (...) terug aan de douaneautoriteiten van de Lid-Staat, het land of gebied van uitvoer, en vermelden eventueel de materiële of formele redenen die een onderzoek rechtvaardigen. Zij voegen bij het certificaat EUR. 1 (...) indien dit is overgelegd, de factuur of een afschrift daarvan en verstrekken alle verkregen inlichtingen die doen vermoeden dat de op dit certificaat (...) vermelde gegevens onjuist zijn.
(...)
3. De resultaten van de controle worden binnen uiterlijk drie maanden ter kennis van de douaneautoriteiten van de Lid-Staat, het land of gebied van invoer gebracht. Aan de hand daarvan moet kunnen worden vastgesteld of het betwiste certificaat inzake goederenverkeer (...) geldt voor de werkelijk uitgevoerde goederen en of de preferentiële regeling inderdaad daarop kan worden toegepast.
Wanneer deze geschillen niet tussen de douaneautoriteiten van de Lid-Staat, het land of gebied van invoer en die van de Lid-Staat, het land of gebied van uitvoer kunnen worden geregeld, of wanneer zich daarbij een probleem betreffende de interpretatie van deze bijlage voordoet, worden zij voorgelegd aan het Comité Oorsprong van goederen, ingesteld bij verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip $oorsprong van goederen'.
In alle gevallen is de regeling van geschillen tussen de importeur en de douaneautoriteiten van de Lid-Staat het land of gebied van invoer onderworpen aan de wetgeving daarvan."
B - Overige relevante bepalingen van de gemeenschapsregeling
20 Richtlijn 79/623/EEG van de Raad van 25 juni 1979 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen op het gebied van de douaneschuld(3), bepaalt in artikel 2, sub a, dat er een douaneschuld bij invoer ontstaat wanneer goederen die aan rechten bij invoer onderworpen zijn, in het douanegebied van de Gemeenschap in het vrije verkeer worden gebracht.
21 Volgens artikel 3, sub a, van die richtlijn wordt het tijdstip waarop de douaneschuld bij invoer ontstaat, in de gevallen als bedoeld in artikel 2, sub a, geacht het tijdstip te zijn waarop het aanvaarden door de bevoegde autoriteiten van de aangifte tot het in het vrije verkeer brengen van de goederen of elke andere handeling plaatsvindt die volgens de geldende bepalingen dezelfde juridische gevolgen heeft.
22 Richtlijn 79/623 is met ingang van 1 januari 1989 ingetrokken bij artikel 13, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 2144/87 van de Raad van 13 juli 1987 inzake de douaneschuld.(4)
23 In punt A, "Douaneschuld bij invoer", van titel I betreffende het ontstaan van de douaneschuld bepaalt artikel 2, lid 1, sub a:
"1. Er ontstaat een douaneschuld bij invoer:
a) wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer worden gebracht of wanneer dergelijke goederen onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten worden geplaatst;
(...)"
24 Artikel 3 van die verordening luidt:
"Het tijdstip waarop de douaneschuld bij invoer ontstaat, wordt geacht te zijn:
a) in de gevallen bedoeld in artikel 2, lid 1, onder a): het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten de aangifte tot het in het vrije verkeer brengen of de tijdelijke invoer van de goederen aanvaarden of waarop enige andere handeling plaatsvindt die volgens de geldende bepalingen dezelfde rechtsgevolgen heeft als deze aanvaarding;
(...)"
25 Ingevolge artikel 14, tweede alinea, is verordening nr. 2144/87 van toepassing met ingang van 1 januari 1989.
26 Verordening (EEG) nr. 1031/88 van de Raad van 18 april 1988 betreft de vaststelling van de personen die gehouden zijn tot betaling van een douaneschuld.(5)
27 In titel I van die verordening, betreffende personen die gehouden zijn tot betaling van de douaneschuld bij invoer, bepaalt artikel 2:
"1. Wanneer een douaneschuld krachtens artikel 2, lid 1, onder a) of f), van verordening (EEG) nr. 2144/87 is ontstaan, geldt als persoon die gehouden is tot betaling van deze schuld, degene op wiens naam de aangifte dan wel enige andere handeling met dezelfde rechtsgevolgen is verricht.
(...)"
28 Artikel 12, eerste alinea, bepaalt, dat verordening nr. 1031/88 van toepassing is met ingang van 1 januari 1989.
29 Bij artikel 251 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: "douanewetboek")(6), zijn onder meer de verordeningen nrs. 2144/87 en 1031/88 ingetrokken.
30 Blijkens het opschrift wordt in het eerste hoofdstuk van titel I van het douanewetboek het toepassingsgebied ervan vastgesteld. Artikel 3, lid 1, vermeldt uitdrukkelijk, dat het douanegebied van de Gemeenschap het grondgebied van het Koninkrijk Denemarken omvat, met uitzondering van onder meer Groenland.
31 In de artikelen 201 tot en met 208 van het douanewetboek wordt bepaald, onder welke omstandigheden een douaneschuld bij invoer ontstaat en wie de schuldenaren daarvan zijn. Artikel 201 bepaalt:
"1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
a) wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer worden gebracht, of
b) wanneer dergelijke goederen onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van rechten bij invoer worden geplaatst.
2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneaangifte wordt aanvaard.
3. Schuldenaar is de aangever. In geval van indirecte vertegenwoordiging is de persoon voor wiens rekening de douaneaangifte wordt gedaan, eveneens schuldenaar.
Wanneer een douaneaangifte voor een van de in lid 1 bedoelde regelingen is opgesteld op basis van gegevens die ertoe leiden dat de wettelijk verschuldigde rechten geheel of gedeeltelijk niet worden geheven, kunnen de personen die deze voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt, terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren, overeenkomstig de geldende nationale bepalingen eveneens als schuldenaar worden beschouwd."
32 Ingevolge artikel 253, tweede alinea, is het douanewetboek van toepassing met ingang van 1 januari 1994.
33 Verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 regelt de navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide.(7)
34 Artikel 2 van die verordening bepaalt:
"1. Wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat het gehele of gedeeltelijke bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat wettelijk verschuldigd is voor een goed dat is aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, niet van de belastingschuldige is opgeëist, leiden zij een procedure in tot navordering van de niet geheven rechten.
(...)
2. De procedure tot navordering in de zin van lid 1 wordt ingeleid door kennisgeving aan de betrokkene van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat hij verschuldigd is.
(...)"
35 Aanvankelijk waren de voorwaarden voor terugbetaling of kwijtschelding van ten onrechte geheven in- of uitvoerrechten geregeld bij verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979.(8) Artikel 13 van die verordening, in de bij verordening (EEG) nr. 3069/86 van de Raad van 7 oktober 1986(9) gewijzigde versie, bepaalde:
"1. Tot terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten kan worden overgegaan in (...) bijzondere situaties (...) die het gevolg zijn van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de kant van de betrokkene inhouden.
(...)"
36 Bij verordening (EEG) nr. 3799/86 van de Commissie van 12 december 1986 waren de uitvoeringsbepalingen van de artikelen 4 bis, 6 bis, 11 bis en 13 van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad betreffende terugbetaling of kwijtschelding van de in- of uitvoerrechten vastgesteld.(10) Titel I, sub B, bevatte de specifieke uitvoeringsbepalingen van artikel 13 van verordening nr. 1430/79, in de gewijzigde versie, waarbij het in concreto ging om bepaalde "bijzondere situaties op grond waarvan de terugbetaling of kwijtschelding van de invoerrechten al dan niet kan worden toegestaan".
37 Artikel 4 van verordening nr. 3799/86 bepaalde:
"In de zin van artikel 13, lid 1 (...) en onverminderd andere situaties die naar gelang van het geval moeten worden beoordeeld (...):
1. (...)
2. is er op zichzelf geen sprake van een bijzondere situatie die het gevolg is van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de betrokkene inhouden:
(...)
c) wanneer, met het oog op het verkrijgen van een preferentiële tariefregeling voor voor het vrije verkeer aangegeven goederen, zelfs indien dit te goeder trouw geschiedt, bescheiden worden overgelegd waarvan naderhand wordt vastgesteld dat zij vals, vervalst of voor het verkrijgen van deze preferentiële tariefregeling ongeldig waren."
II - De feiten
38 Tussen 1988 en 1989 voerde Pascoal & Filhos, een vennootschap naar Portugees recht (hierna: "Pascoal"), vier partijen kabeljauw uit Groenland in Portugal in. Voor elk van deze partijen werd een certificaat inzake goederenverkeer EUR. 1 (hierna: "certificaten EUR. 1") afgegeven, waarin werd verklaard, dat de betrokken goederen van oorsprong uit Groenland waren.(11)
39 De Portugese autoriteiten stonden toe, dat die goederen zonder betaling van douanerechten in de Gemeenschap werden ingevoerd. De aangiften ten invoer werden door de importeur op 23 en 30 september 1988 en op 25 juli 1989 gedaan.
40 Vervolgens verzochten de Portugese douaneautoriteiten de Groenlandse douaneautoriteiten om in samenwerking met vertegenwoordigers van de Commissie een controle achteraf te verrichten, teneinde na te gaan of de voor de invoer van de genoemde goederen afgegeven certificaten EUR. 1 juist waren.
41 Na afloop van deze controle stelden de Groenlandse autoriteiten en de vertegenwoordigers van de Commissie gezamenlijk een rapport op (hierna: "basisrapport"), dat onder meer de volgende passage bevatte:
"In het kader van een administratieve samenwerkingsmissie met de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn op 5 en 7 september schriftelijke stukken onderzocht (aangiften ten invoer en ten uitvoer, certificaten EUR. 1 inzake doorvoer en goederenverkeer vanaf 1988 tot op heden, waarover deze dienst binnen het kader van zijn bevoegdheid beschikt)."
Wat in het bijzonder de betwiste certificaten betreft vermeldt het basisrapport het volgende:
"EUR. 1-certificaten nr. 76 106 van 19 september 1988, (...) nr. 76 092 van 6 september 1988, nr. 77 525 van 14 juli 1989 en nr. 77 526 van 14 juli 1989: op grond van de door genoemde onderneming verstrekte relevante documenten is vastgesteld, dat de hoeveelheden verse Groenlandse kabeljauw die voor latere verwerking aan boord van de fabrieksschepen werden geladen, afgaande op het meegedeelde verwerkingsresultaat, ontoereikend waren om de hoeveelheden eindproducten te verkrijgen die met de genoemde certificaten in de EEG zijn ingevoerd (...)"
42 Op basis van dat rapport zonden de Groenlandse autoriteiten de Portugese administratie de volgende schriftelijke mededeling (hierna: "mededeling"):
"Aangezien controles die in samenwerking met EG-vertegenwoordigers zijn verricht, hebben uitgewezen, dat sommige in Groenland afgegeven EUR. 1-certificaten, wat de vaststelling van het land van oorsprong betreft, niet in overeenstemming met de voorschriften van bijlage II bij het LGO-besluit zijn, wordt u vriendelijk verzocht ervoor te zorgen, dat de volgende certificaten worden ingetrokken en ongeldig worden verklaard.
(...)"(12)
43 Het door de Groenlandse autoriteiten en de vertegenwoordigers van de Commissie gezamenlijk opgestelde rapport was echter niet bij deze mededeling gevoegd.
44 Van mening aan deze mededeling gebonden te zijn en zonder te trachten de werkelijke oorsprong van de goederen vast te stellen, leidden de Portugese douaneautoriteiten tegen Pascoal een procedure in tot navordering van de invoerrechten voor elk van de vier partijen kabeljauw. Die procedures eindigden met navorderingsaanslagen voor een totaalbedrag van 61 709 940 ESC.
45 Meteen nadat zij kennis had gekregen van de door de Groenlandse autoriteiten aan de Portugese administratie gezonden mededeling, onderzocht Pascoal het door de bevoegde overheidsdienst geopende navorderingsdossier. Volgens de verwijzende rechter kreeg Pascoal pas bij de indiening van haar repliek tijdens de procedure in hoger beroep inzage in het basisrapport.
46 Pascoal is van oordeel, dat de aanslagen tot navordering van de invoerrechten ongeldig waren en wel om twee redenen: in de eerste plaats omdat de bevoegde autoriteiten inbreuk hadden gemaakt op een wezenlijk vormvoorschrift, in de vorm van ontoereikende motivering, doordat zij het basisrapport niet aan de belanghebbende ter kennis hadden gebracht; in de tweede plaats omdat die autoriteiten tevens de gemeenschapswetgeving hadden geschonden, doordat niet aan de voorwaarden voor navordering was voldaan en er bovendien een rekenfout was gemaakt. Derhalve stelde Pascoal bij het Tribunal Fiscal Aduaneiro do Porto een beroep in tot nietigverklaring van de betwiste aanslagen. Dat beroep werd verworpen, omdat de door de Groenlandse autoriteiten gezonden mededeling als motivering voldoende werd geacht.
47 Pascoal is van deze beslissing in hoger beroep gegaan bij het Tribunal Tributário de Segunda Instância de Lisboa.
III - De prejudiciële vragen
48 Aangezien het twijfelde aan de uitlegging van de gemeenschapsbepalingen die zijns inziens de oplossing van het geschil beheersen, heeft het Tribunal Tributário de Segunda Instância de Lisboa bij beschikking van 29 november 1994 het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Strekt de aansprakelijkheid van de exporteur, bedoeld in artikel 10, lid 1, van bijlage II bij besluit 86/283/EEG van de Raad van 30 juni 1986, zich uit tot de douanerechten die verschuldigd zijn wegens de ongeldigverklaring van certificaten inzake goederenverkeer EUR. 1, die zijn afgegeven op basis van een onjuiste aangifte betreffende de oorsprong van de goederen?
2) Welke betekenis en draagwijdte heeft het bijwoord $eveneens' in artikel 201, lid 3, tweede alinea, van het communautair douanewetboek, in het bijzonder wanneer naar nationaal douanerecht de uitsluitende aansprakelijkheid voor de verschuldigde rechten over de betrokken goederen berust bij degene die de douanevoorschriften heeft overtreden?
3) Kan het arrest van het Hof van Justitie van 7 december 1993 (zaak C-12/92, Huygen e.a., Jurispr. 1993, blz. I-6381), ook al heeft dit betrekking op de vrijhandelsovereenkomst EEG-Oostenrijk, worden toegepast op het onderhavige geschil, dat de uitlegging en de toepassing van besluit 86/283/EEG van de Raad betreft?
4) Wat is de betekenis, de draagwijdte en de strekking van de resultaten van de controle, bedoeld in artikel 25, lid 3, van bijlage II bij besluit 86/283/EEG van de Raad?
5) Mag een procedure tot navordering in de Lid-Staat van invoer worden ingeleid en beëindigd voordat de douaneautoriteiten van het land van uitvoer de resultaten van de controle aan de douaneautoriteiten van het land van invoer hebben toegezonden en zonder dat de importeur op de hoogte is van die resultaten?
6) Is het feit dat de importeur te goeder trouw wordt verplicht tot betaling van de douanerechten die verschuldigd zijn voor goederen ten aanzien waarvan de exporteur de douanevoorschriften heeft overtreden, aan welke overtreding de importeur part noch deel had, in strijd met het rechtvaardigheidsbeginsel, het verbod van ongerechtvaardigde verrijking en de beginselen van evenredigheid, rechtszekerheid en goede trouw?
7) Wanneer de douaneautoriteiten van het land van uitvoer hebben nagelaten vóór de afgifte van de certificaten inzake goederenverkeer EUR. 1 een controle te verrichten bij de exporteur en de Portugese importeur deze nalatigheid niet ongedaan kon maken, kan de importeur zich dan tegen de navordering verzetten met een beroep op overmacht?"
IV - Antwoorden op de prejudiciële vragen
49 Het lijkt mij wenselijk de vragen in vijf aparte groepen te onderzoeken: om te beginnen de eerste en de tweede vraag, daarna de zesde vraag, vervolgens de derde vraag, daarna de vierde en de vijfde vraag, en ten slotte de zevende vraag.
A - De eerste twee vragen
50 Met zijn eerste twee vragen verzoekt de nationale rechter het Hof om een definitie van de "aansprakelijkheid" van de exporteur in de zin van artikel 10, lid 1, van bijlage II bij het besluit en artikel 201, lid 3, van het douanewetboek, en om met name te verklaren, of die exporteur verplicht is tot betaling van de verschuldigde douanerechten in geval van ongeldigverklaring van certificaten EUR. 1, wanneer die zijn afgegeven op basis van een onjuiste aangifte betreffende de oorsprong van de goederen.
51 Hoewel hij beseft, dat het douanewetboek pas na het ontstaan van de schuld in werking is getreden (punt 3 van de verwijzingsbeschikking), verzoekt de nationale rechter toch om uitlegging van artikel 201 van het douanewetboek, omdat de vroegere, thans ingetrokken regeling, dat wil zeggen die van de artikelen 2 en 3 van verordening nr. 1031/88(13), hetzelfde probleem betrof en in dat artikel is overgenomen.
52 Bij deze twee vragen doet zich uiteraard een ontvankelijkheidsprobleem voor.
53 Volgens de Portugese regering en de Commissie is de tweede vraag niet- ontvankelijk, omdat het douanewetboek pas vanaf 1 januari 1994 van toepassing is, terwijl de feiten van deze zaak zich in 1988 en 1989 hebben voorgedaan en dus onder de aan het douanewetboek voorafgaande regeling vallen. Onder verwijzing naar 's Hofs vaste rechtspraak(14) stellen zij, dat een eventueel antwoord op die vraag geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding en dus voor de beslechting van het geschil niet noodzakelijk is.
54 De Commissie wijst erop, dat het douanewetboek enkel van toepassing is binnen het douanegebied van de Gemeenschap, waarvan Groenland volgens artikel 3 geen deel uitmaakt. Ook beklemtoont zij, dat sommige bepalingen van het douanewetboek blijkens artikel 2, lid 2, buiten het douanegebied van de Gemeenschap van toepassing kunnen zijn in het kader van specifieke regelingen, dan wel van internationale overeenkomsten. Die specifieke regeling bestaat inderdaad (namelijk besluit 86/283) en betreft de samenwerking met de landen en gebieden overzee, waaronder ook die tussen Groenland en de Gemeenschap, maar dat besluit regelt volgens de Commissie enkel de methodes ter controle van de oorsprong van goederen die een preferentiële behandeling kunnen krijgen, maar niet wie de invoerrechten moet betalen wanneer de aangifte met betrekking tot de oorsprong van de goederen onjuist is. Daaruit concludeert zij, dat in casu geen beroep kan worden gedaan op de bepalingen van het douanewetboek.
55 Los daarvan is er mijns inziens nog een belangrijke reden om deze twee vragen niet te beantwoorden. Omdat volgens het Portugese recht degene die de douanevoorschriften heeft overtreden, voor de betaling van de nagevorderde rechten aansprakelijk is, vraagt de nationale rechter zich af, of uit de gemeenschapsregels die in de eerste twee prejudiciële vragen worden genoemd, eenzelfde beginsel voortvloeit, zodat in geval van aansprakelijkheid van de exporteur aansprakelijkheid van de importeur te goeder trouw zou zijn uitgesloten.(15)
56 Die veronderstelling is evenwel onjuist. Ongeacht of artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1031/88 dan wel artikel 201, lid 3, van het douanewetboek in het hoofdgeding wordt toegepast, in beide gevallen zal de aangever/importeur schuldenaar zijn. De eventuele aansprakelijkheid van een derde volstaat niet om hem van zijn eigen aansprakelijkheid te bevrijden.
57 Zo werkt het gemeenschapsrecht nu eenmaal en dus behoeft geen aandacht meer te worden besteed aan Portugese regels met betrekking tot de aansprakelijkheid van de exporteur.
58 In die omstandigheden, en ongeacht de vraag of genoemd artikel van het douanewetboek in het hoofdgeding van toepassing is en of het kan worden toegepast op een in Groenland gevestigde exporteur, behoeven de eerste en de tweede vraag hoe dan ook niet te worden beantwoord, omdat de nationale rechter daarin duidelijk uitgaat van de misvatting, dat de eventuele aansprakelijkheid van de exporteur naar gemeenschapsrecht volstaat om de importeur van zijn aansprakelijkheid te bevrijden; een eventueel antwoord is dus niet noodzakelijk ter beslechting van het bij de nationale rechter aanhangige geding.
B - De zesde vraag
59 Met zijn zesde vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of het in strijd is met het "rechtvaardigheidsbeginsel" en met de beginselen van ongerechtvaardigde verrijking, evenredigheid, rechtszekerheid en goede trouw, wanneer van de importeur te goeder trouw douanerechten worden ingevorderd, terwijl die rechten zijn opgelegd na ongeldigverklaring van EUR. 1-certificaten die op basis van een frauduleuze aangifte van de exporteur met betrekking tot de herkomst van de goederen zijn afgegeven.
60 Onder verwijzing naar de Portugese Grondwet, waarin wordt bepaald, dat de overheid moet handelen met inachtneming van het "rechtvaardigheidsbeginsel", is de verwijzende rechter van mening, dat de Portugese douaneautoriteiten burgers niet kunnen onderwerpen aan "onrechtvaardige belastingen" die derden zouden moeten betalen. In een dergelijk geval is zijns inziens niet enkel sprake van schending van het rechtvaardigheidsbeginsel, maar ook van ongerechtvaardigde verrijking van de overtreder van de douanevoorschriften.
61 De importeur te goeder trouw als schuldenaar beschouwen is volgens de nationale rechter tevens in strijd met het evenredigheidsbeginsel, want de invordering van douanerechten van die importeur, die part noch deel aan de overtreding van de douanevoorschriften heeft gehad, treft hem hard en gaat verder dan ter bescherming van de gemeenschapsbelangen noodzakelijk is. Volgens de nationale rechter is die oplossing bovendien in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, "doordat de contractuele basis wordt aangetast en de omstandigheden op grond waarvan partijen besloten de overeenkomst te sluiten, aanzienlijk worden gewijzigd".
62 Ten slotte spreekt de nationale rechter van een ernstige schending van het beginsel van de goede trouw, omdat de verplichting van de importeur om de douanerechten te betalen, niet tot de risico's behoort die inherent zijn aan overeenkomsten als de onderhavige, waarbij het om een internationale verkoopovereenkomst gaat en niet om een kansovereenkomst. Bovendien is hij van mening, dat het Hof in zijn rechtspraak geen rekening houdt met de bijzondere aard van internationale verkoopovereenkomsten, zoals blijkt uit het arrest van 11 december 1980 in de zaak Acampora(16), waarin het verklaarde, dat de importeur te goeder trouw de risico's van de door hem betreden markt moet kunnen incalculeren en als een van de normale schaduwzijden van de handel moet kunnen aanvaarden.
63 Zoals reeds gezegd, is de importeur/aangever op grond van de gemeenschapswetgeving hoe dan ook schuldenaar van de nagevorderde douanerechten. Volgens de huidige regeling vormt de goede trouw van de importeur geen reden voor het tenietgaan van de douaneschuld.(17)
64 Ook uit de rechtspraak van het Hof volgt mijns inziens, dat de goede trouw van de importeur hem niet bevrijdt van zijn aansprakelijkheid tot betaling van nagevorderde rechten.
65 In de zaak Acampora(18) was een prejudiciële vraag gesteld naar aanleiding van de weigering van een importeur om de douaneschuld te betalen die was ontstaan bij de invoer van goederen uit een derde land. Op die goederen was een preferentiële tariefregeling toegepast, omdat de importeur in zijn aangifte ten invoer had verklaard, dat zij "van oorsprong" waren uit een land waaraan de Gemeenschap tariefpreferenties had toegekend. Bij controle achteraf door de bevoegde douaneautoriteiten was echter aan het licht gekomen, dat die goederen niet aan de voorwaarden voor de toepassing van die preferentiële regeling voldeden.
66 Weliswaar realiseerde het Hof zich, dat de importeur te goeder trouw die uiteindelijk wordt verplicht tot nabetaling van douanerechten, in moeilijkheden kan komen, maar het verleende voorrang aan het belang dat de Gemeenschap bij inning van die rechten heeft. Zo verklaarde het Hof in de eerste plaats, dat "de mogelijkheid van controle na invoer zonder dat de importeur vooraf is gewaarschuwd, deze laatste in moeilijkheden kan brengen indien hij - vertrouwend op certificaten die buiten zijn weten onjuist of vervalst waren - te goeder trouw heeft gemeend goederen in te voeren die voor tariefpreferenties in aanmerking kwamen", maar het voegde daaraan toe, dat "de Gemeenschap niet de schadelijke gevolgen van het onbehoorlijk handelen van de leveranciers van haar onderdanen hoeft te dragen, (...) dat de importeur tegen degene die zich aan de vervalsing heeft schuldig gemaakt, een vordering tot schadevergoeding kan instellen, (...) en dat een voorzichtig handelaar die de regeling kent, bij het berekenen van de voordelen welke de handel in voor preferentiële tarieven in aanmerking komende produkten hem kan opleveren, die risico's van de door hem betreden markt moet kunnen incalculeren en als één van de normale schaduwzijden van de handel moet kunnen aanvaarden".(19)
67 Bij de door het Hof in die zaak gekozen oplossing zouden wij in deze zaak ook kunnen aanknopen. Dat wordt door de verwijzende rechter echter afgewezen, omdat een dergelijke oplossing zijns inziens niet kan worden toegepast in het kader van overeenkomsten als de onderhavige, waarbij het om een internationale verkoopovereenkomst en niet om een kansovereenkomst gaat. Hij preciseert echter nergens, welke "bijzonderheden" een dergelijke overeenkomst heeft en waarom die de toepassing van het arrest Acampora in deze zaak zouden uitsluiten.
68 Met betrekking tot de schending van het evenredigheidsbeginsel als gevolg van de navordering van douanerechten van de importeur te goeder trouw, wil ik beklemtonen, dat het feit dat de importeur/aangever de douanerechten moet betalen, voor de Gemeenschap een werkelijk passend middel is om de haar verschuldigde douanerechten te kunnen innen. Die maatregel treft de importeurs, want zij zijn bij de douaneautoriteiten bekend, juist doordat zij de aangifte tot het in het vrije verkeer brengen van de aan douanerechten onderworpen goederen hebben ingediend. Die maatregel is ook noodzakelijk, omdat wanneer de importeur/aangever werd ontzien, de Gemeenschap de schadelijke gevolgen van het onbehoorlijk handelen van de leveranciers van haar onderdanen zou moeten dragen.
69 Zoals de Commissie terecht opmerkt (punt 13 van haar schriftelijke opmerkingen), vormt de regeling van de gemeenschapswetgever voor de navordering van douanerechten een goed evenwicht tussen tegenstrijdige belangen: enerzijds het algemeen belang bij de juiste toepassing van de regeling, en anderzijds het particulier belang van marktdeelnemers om niet te worden bestraft voor feiten waarvoor zij subjectief niet aansprakelijk zijn, en dat van andere marktdeelnemers die, nadat zij vooraf alle denkbare maatregelen hebben genomen om het risico van objectieve aansprakelijkheid zoveel mogelijk te verminderen, van bepaalde invoerhandelingen hebben afgezien, omdat zij twijfelden aan de winstgevendheid ervan.(20)
70 Navordering van douanerechten van de importeur te goeder trouw is dus noodzakelijk en tevens passend ter verwezenlijking van het legitiem nagestreefde doel, en de nadelen ervan zijn niet groter dan de voordelen.(21)
71 Onder verwijzing naar 's Hofs rechtspraak(22) waarin het verklaarde, dat het verbod van ongerechtvaardigde verrijking ten koste van een derde een algemeen beginsel van het gemeenschapsrecht is, meent de nationale rechter, dat invordering van douanerechten van de importeur te goeder trouw in strijd is met dat beginsel, omdat dat tot een ongerechtvaardigde verrijking van de overtreder van de douanevoorschriften leidt.
72 Afgezien van de vraag of een dergelijk algemeen beginsel in de door de nationale rechter bedoelde zin bestaat, kan er in casu volgens mij geen sprake zijn van een ongerechtvaardigde verrijking van de exporteur, gepaard gaande met een verarming van de importeur te goeder trouw, want zoals het Hof in het arrest Acampora(23) ook heeft beklemtoond, de importeur behoudt het recht om de door hem betaalde bedragen van de exporteur terug te vorderen.
73 Met betrekking tot het door de nationale rechter genoemde "rechtvaardigheidsbeginsel", dat de overheid zou binden en zou uitsluiten dat de importeur te goeder trouw "ongerechtvaardigde belastingen" krijgt te dragen, wanneer de exporteur de douanevoorschriften heeft overtreden, moet worden opgemerkt, dat het gemeenschapsrecht geen algemeen beginsel van hogere rang met een dergelijke inhoud kent.(24)
74 In elk geval lijkt het mij nuttig er eerst op te wijzen, dat er volgens artikel 4, lid 2, sub c, van verordening nr. 3799/86 van de Commissie betreffende de terugbetaling van invoerrechten(25), op zich geen sprake is van een bijzondere situatie die het gevolg is van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de betrokkene inhouden, met name wanneer met het oog op het verkrijgen van een preferentiële tariefregeling voor voor het vrije verkeer aangegeven goederen, zelfs indien dit te goeder trouw geschiedt, bescheiden worden overgelegd waarvan naderhand wordt vastgesteld dat zij vals, vervalst of voor het verkrijgen van deze preferentiële tariefregeling ongeldig waren. Die bepaling van verordening nr. 3799/86 was volgens het Hof geldig(26) en beperkte de algemene billijkheidsclausule in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 niet meer dan noodzakelijk. Daarbij herinnerde het Hof aan zijn vaste rechtspraak(27), dat "controles achteraf goeddeels zinloos zouden worden, indien het gebruik van valse certificaten op zichzelf al voldoende zou zijn om een kwijtschelding te rechtvaardigen". Het voegde daaraan toe(28), dat "de andere oplossing ertoe [zou] leiden dat de marktdeelnemers minder goed opletten en een risico dat hoofdzakelijk op de marktdeelnemers rust, op de schatkist afwentelen".
75 De nationale rechter wijst eveneens op het rechtszekerheidsbeginsel en meent, dat navordering van douanerechten van de importeur te goeder trouw in strijd met dit beginsel is.
76 Volgens vaste rechtspraak van het Hof(29) vereist het beginsel van rechtszekerheid, dat de rechtsregels in het kader waarvan de instellingen hun bevoegdheden uitoefenen en particulieren hun activiteiten verrichten, duidelijk en nauwkeurig zijn. Ik acht dit beginsel niet geschonden door van een importeur te goeder trouw douanerechten na te vorderen. In het kader van de door de gemeenschapswetgever vastgestelde navorderingsprocedure is immers uitdrukkelijk voorzien in de mogelijkheid van controles achteraf en in de waarschijnlijkheid van invordering van douanerechten, wanneer is aangetoond dat bepaalde goederen ten onrechte met vrijstelling van rechten zijn ingevoerd.
77 Tot slot verwijst de nationale rechter naar de contractuele basis die navordering van douanerechten van de importeur te goeder trouw zou verbieden, omdat de omstandigheden op grond waarvan partijen met de overeenkomst instemden, daardoor aanzienlijk zouden worden gewijzigd.
78 Die verwijzing naar de contractuele basis en de contractuele betrekkingen kan volgens mij enkel de betrekkingen tussen importeurs en exporteurs betreffen. De betrekking tussen de importeur en de douaneautoriteiten van het land van invoer speelt daarbij geen rol en zijn verplichting tot betaling van een eventuele navordering van invoerrechten blijft in elk geval in stand.
79 Er moet dus worden geconcludeerd, dat de navordering van douanerechten van een importeur te goeder trouw niet in strijd is met de beginselen van ongerechtvaardigde verrijking, evenredigheid, rechtszekerheid en goede trouw.
C - De derde vraag
80 Het arrest van 7 december 1993 in de zaak Huygen(30) (hierna: "arrest Huygen") staat centraal bij het in de derde vraag opgeworpen probleem. In die zaak waren de autoriteiten van het land van invoer niet in staat de werkelijke oorsprong van het goed vast te stellen. Volgens de punten 1 en 2 van het dictum van dat arrest zijn de autoriteiten van het land van invoer, wanneer de autoriteiten van het land van uitvoer hun na een door hen gevraagde controle achteraf antwoorden, dat zij er niet in zijn geslaagd de juiste oorsprong van het goed vast te stellen, wat hun invordering van niet-betaalde douanerechten betreft, niet definitief gebonden, doch kunnen zij andere bewijzen van oorsprong van het goed in aanmerking nemen.
81 Volgens de Portugese regering verschilt de zaak Huygen in diverse opzichten van de onderhavige zaak. In de eerste plaats hebben de Groenlandse autoriteiten in casu zonder voorbehoud geantwoord, dat de certificaten EUR. 1 ongeldig moesten worden verklaard; in de tweede plaats, wanneer het resultaat van de controle onduidelijk is, zijn de autoriteiten van het land van invoer niet verplicht zelf te controleren of de certificaten eventueel geldig zijn, maar slechts daartoe bevoegd; ten slotte kan de door het Hof op grond van bepaalde feitelijke omstandigheden in dat arrest gekozen oplossing niet automatisch tot andere omstandigheden worden uitgebreid. Derhalve komt de Portugese regering tot de conclusie dat, wanneer de bevoegde autoriteiten van het land van uitvoer aan de bevoegde autoriteiten van het land van invoer mededelen, dat bepaalde certificaten EUR. 1 niet volgens de regels van bijlage II bij het besluit zijn afgegeven, de resultaten van de controle de autoriteiten van het land van invoer, zonder hun enige beoordelingsruimte te laten, binden en volstaan om de ongeldigverklaring van de certificaten te rechtvaardigen.
82 Ik meen, dat de verwijzende rechter met zijn vraag in wezen wenst te vernemen, of de douaneautoriteiten van het land van invoer, gelet op besluit 86/283, zich ten onrechte definitief gebonden achtten door de inlichtingen die door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer in het kader van hun controle achteraf van de certificaten EUR. 1 waren verstrekt, terwijl zij al het noodzakelijke hadden kunnen en moeten doen om de juiste oorsprong van de goederen vast te stellen.
83 Artikel 25, lid 3, van bijlage II bij het besluit bepaalt, dat de resultaten van de op verzoek van de douaneautoriteiten van de Lid-Staat, het land of gebied van invoer verrichte controle van de certificaten EUR. 1 uiterlijk binnen drie maanden door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer ter kennis van die autoriteiten worden gebracht. Volgens dezelfde bepaling moeten geschillen, wanneer die niet tussen de douaneautoriteiten van de Lid-Staat, het land of gebied van invoer en die van de Lid-Staat, het land of gebied van uitvoer kunnen worden geregeld, of wanneer zich daarbij een probleem betreffende de uitlegging van bijlage II voordoet, op verzoek van de autoriteiten van de Lid-Staat of van de autoriteiten van het LGO worden voorgelegd aan het Comité Oorsprong van goederen, ingesteld bij verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad.(31)
84 Uit het feit dat aan de Lid-Staten van invoer de mogelijkheid is toegekend om de resultaten van de controle te betwisten, en in het bijzonder uit artikel 25, lid 3, van bijlage II bij het besluit, bepalende dat elk geschil aan het Comité Oorsprong van goederen moet worden voorgelegd, blijkt mijns inziens, dat het antwoord/de kennisgeving van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer inzake de resultaten van de controle, de douaneautoriteiten van het land van invoer niet automatisch bindt en dat zij niet zonder meer verplicht zijn overeenkomstig de resultaten van die controle tot navordering van invoerrechten te besluiten. Zouden die autoriteiten zich daarentegen niet tot het Comité Oorsprong van goederen wenden, dan bestond die verplichting wel.
85 Dus, wanneer de douaneautoriteiten van het land van invoer het als hun plicht zien de bevindingen van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer ter zake van de geldigheid van de certificaten EUR. 1 te volgen, en weigeren om aan de hand van de resultaten na te gaan, of er aanleiding is ze voor het Comité Oorsprong van goederen te betwisten, dan zou dat mijns inziens in strijd met de betrokken gemeenschapsregels zijn.(32)
86 Juist dat lijkt zich in casu te hebben voorgedaan, want bij de ontvangst van de mededeling van de Groenlandse douaneautoriteiten heeft, volgens de verwijzingsbeschikking, "de Conferência Final da Alfândega do Porto [de douane-inspectie te Porto], die zich door die mededeling gebonden achtte, en zonder te trachten de werkelijke oorsprong van het goed te achterhalen, vier navorderingsprocedures tegen verzoekster ingeleid; die procedures hebben geleid tot de betwiste aanslagen (...)" (cursivering van mij).
D - De vierde en de vijfde vraag
87 In zijn vierde en zijn vijfde vraag verzoekt de nationale rechter het Hof in de eerste plaats om precisering van de betekenis van de term "resultaten van de controle" in artikel 25, lid 3, van bijlage II bij besluit 86/283, en in de tweede plaats om aan te geven, welke gevolgen de kennisgeving van die resultaten door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer aan de douaneautoriteiten van het land van invoer heeft.
88 De Commissie twijfelt aan de ontvankelijkheid van de vierde vraag. Haars inziens heeft de controle bedoeld in artikel 25, lid 3, van bijlage II bij het besluit, in dit geval niet plaatsgehad. Die controle behoefde ook niet te worden verricht, want na een controle ter plaatse hebben de Groenlandse autoriteiten zelf vastgesteld, dat de afgegeven certificaten ongeldig waren. Op grond van die omstandigheid acht zij het belang van de vraag voor de beslechting van het geschil twijfelachtig.
89 Uit de door de nationale rechter vastgestelde omstandigheden blijkt, dat de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer hebben verzocht om een controle van de certificaten EUR. 1 voor vier reeds in Portugal ingevoerde partijen kabeljauw. Of het daarbij om een in genoemd artikel bedoelde controle ging, dat wil zeggen om een controle op verzoek van de douaneautoriteiten van het land van invoer, is uitsluitend een vraag voor de nationale rechter.(33) Daar de gestelde vraag de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht betreft die in beginsel verband houdt met het voorwerp van het hoofdgeding, moet het Hof hem mijns inziens wel beantwoorden.(34)
90 De nationale rechter is van mening, dat het antwoord waarmee de douaneautoriteiten van het land van uitvoer om ongeldigverklaring van de certificaten EUR. 1 hebben verzocht, geen kennisgeving vormt van de op verzoek van de douaneautoriteiten van het land van invoer verrichte controle achteraf, maar een eenvoudige mededeling. Ook vraagt hij zich af (punt 4.3 van de verwijzingsbeschikking), of de controleresultaten vergezeld moeten gaan van een gedetailleerde beschrijving van het in het bedrijf van de exporteur verrichte onderzoek, en van de redenen die rechtens en feitelijk tot de slotsom hebben geleid, dat de certificaten EUR. 1 ten onrechte waren afgegeven.
91 Pascoal betoogt, dat de navorderingsaanslagen ongeldig zijn, omdat zij niet zijn gemotiveerd. Haar is namelijk niet duidelijk medegedeeld, op grond van welke feiten de douaneautoriteiten van het land van uitvoer tot de ongeldigheid van de certificaten EUR. 1 hebben geconcludeerd.(35) Juist omdat zij de redenen voor de ongeldigverklaring van de certificaten EUR. 1 niet kende, had zij zich niet tegen het besluit van de douaneautoriteiten van het land van invoer kunnen verweren.
92 Volgens de Commissie betreft de vijfde vraag het probleem, of een navorderingsprocedure kan worden ingeleid zonder de in artikel 25, lid 3, van bijlage II bij het besluit bedoelde controle van de certificaten, of in afwachting van de resultaten van een dergelijke controle; met andere woorden, voor de Commissie gaat het om de vraag, of een verzoek om controle achteraf en meer in het bijzonder de ontvangst van de resultaten van die controle een onmisbare voorwaarde voor een navorderingsprocedure vormen. Iets dergelijks valt volgens haar uit de bewoordingen of uit de geest van de huidige bepalingen echter niet af te leiden. Zij is dan ook van mening, dat een navorderingsprocedure tevens kan worden ingeleid wanneer een dergelijke controle ontbreekt, mits de douaneautoriteiten van het land van invoer beschikken over alle elementen die noodzakelijk zijn om de preferentiële oorsprong te kunnen afwijzen en het aangeboden certificaat te kunnen weigeren.
93 Mijn antwoord op de derde vraag brengt de oplossing voor de thans onderzochte vragen al mee. Ik herinner eraan, dat de autoriteiten van de Lid-Staat, het land of gebied van invoer volgens artikel 25, lid 3, van bijlage II bij het besluit de resultaten van de op hun verzoek door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer verrichte controle kunnen aanvechten door zich tot het bij verordening nr. 802/68 ingestelde Comité Oorsprong van goederen te wenden, en dat de bevoegde autoriteiten van het land van invoer, wanneer zij die mogelijkheid onbenut laten, aan de resultaten van de door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer verrichte controle gebonden zijn.
94 Opdat de Lid-Staat van invoer gebruik kan maken van de in artikel 25, lid 3, van bijlage II bij het besluit geboden mogelijkheid zich tot het Comité Oorsprong van goederen te wenden, is het mijns inziens onontbeerlijk, dat de door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer verzonden kennisgeving hem in staat stelt zich een mening te vormen over de vraag, of hij die resultaten al dan niet bevredigend acht en of zij overtuigend zijn. Om dat mogelijk te maken, mag het antwoord van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer in geen geval al te oppervlakkig zijn.
95 Op grond van de resultaten van de controle moet kunnen worden vastgesteld, of het betwiste certificaat voor de daadwerkelijk uitgevoerde goederen geldig blijft, en dus, of de preferentiële regeling daadwerkelijk op die goederen kan worden toegepast. Vaststaat, dat artikel 25, lid 3, de omvang van de controlegegevens niet begrenst en dat die bepaling ook niet is geschreven om de geldigheid en de motivering van de administratieve ongeldigverklaring van de certificaten EUR. 1 te kunnen toetsen. Maar wat de betrekkingen tussen douaneautoriteiten betreft, moet het controleresultaat duidelijk en onomwonden zijn en moeten de douaneautoriteiten van het land van invoer nauwkeurig worden ingelicht over de vraag, of de gecontroleerde certificaten al dan niet geldig zijn. Aangezien de douaneautoriteiten van het land van invoer, wanneer de betrokken resultaten hun ter kennis zijn gebracht, zich in geval van twijfel tot het Comité Oorsprong van goederen kunnen wenden, moet de kennisgeving van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer een minimale toelichting bevatten met de redenen waarop hun conclusie steunt, dat wil zeggen de redenen waarom de afgifte van de certificaten inzake goederenverkeer EUR. 1 uiteindelijk onwettig wordt geacht. Anders gezegd, de controleresultaten moeten een minimale analyse bevatten en een beknopte, voor de lezer duidelijke motivering, zodat hij de in de genoemde bepalingen geboden mogelijkheid kan benutten. Aan die voorwaarde wordt niet voldaan, wanneer het antwoord van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer oppervlakkig is.
96 In casu voldoet het antwoord/de mededeling van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer niet aan die voorwaarden. Weliswaar bestond duidelijkheid over de vraag of de douaneautoriteiten de certificaten geldig achtten(36), maar geen enkele duidelijkheid over de redenen die tot die slotsom hadden geleid. Pas veel later, bij de toezending van het basisrapport, is een toelichting gegeven.
97 Gelet op het voorgaande, en in het bijzonder op mijn onderzoek van de derde vraag, ben ik van mening, dat een eenvoudige mededeling van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer niet kan worden beschouwd als een kennisgeving van de resultaten van de controle in de zin van artikel 25, lid 3, van bijlage II bij het besluit en door de bevoegde douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer dus niet kan worden gebruikt om een procedure tot navordering van invoerrechten in te leiden en zeker niet om die ten einde te voeren.(37)
98 De nationale rechter merkt eveneens op (punt 4.4 in fine van de verwijzingsbeschikking), dat ook het basisrapport niet volstond, omdat de douaneautoriteiten van het land van uitvoer er niet in zijn geslaagd, de oorsprong van de kabeljauw nauwkeurig vast te stellen, maar eenvoudig hebben aangenomen, dat die niet van oorsprong uit Groenland was. Gelet op het voorgaande, ben ik van mening, dat die tekortkoming van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer, voor zover uit de resultaten van de controle duidelijk blijkt waarom de certificaten EUR. 1 ten onrechte zijn afgegeven, niet van zoveel gewicht is, dat het aan de douaneautoriteiten van het land van invoer gezonden basisrapport daardoor ongeldig zou worden.(38)
99 De volgende vraag is, of en wanneer de importeur/aangever kennis moet nemen van de resultaten van de controle, wanneer hij niet wist onder welke omstandigheden de uitvoer heeft plaatsgevonden en ten aanzien van de juistheid van de certificaten EUR. 1 op de exporteur vertrouwde, maar na een navorderingsprocedure wel kan worden verplicht tot betaling van het uit dien hoofde nagevorderde bedrag. Onderzoek van dat probleem is overbodig wanneer wij ervan uitgaan, dat een eenvoudige mededeling geen kennisgeving van de resultaten van de controle vormt. Aangezien het hierbij echter gaat om een fundamentele vraag, die rechtstreeks verband houdt met de eerbiediging van de rechten van de verdediging, moet het Hof hem mijns inziens beantwoorden.
100 Volgens vaste rechtspraak van het Hof(39) is "de eerbiediging van de rechten van de verdediging in iedere procedure (...) die tot een bezwarend besluit kan leiden, (...) te beschouwen als een grondbeginsel van gemeenschapsrecht, dat zelfs bij ontbreken van iedere regeling inzake de betrokken procedure in acht moet worden genomen". Zoals het Hof beklemtoont, houdt dit beginsel in, "dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk beïnvloeden, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken", en garandeert het aan "een ieder jegens wie een bezwarende handeling kan worden verricht, het recht (...) vooraf te worden gehoord".
101 De fundamentele verplichting tot eerbiediging van de rechten van de verdediging, die in het kader van hun betrekkingen met belanghebbenden(40) ook op de nationale autoriteiten rust, houdt volgens mij in, dat de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer, alvorens de navorderingsprocedure ten einde te voeren, de eventuele schuldenaar, bijvoorbeeld de importeur/aangever, de mogelijkheid moeten bieden zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken, door hem de voornaamste redenen mede te delen op grond waarvan zij van mening zijn, dat de door hem overgelegde certificaten EUR. 1 niet tot toepassing van de preferentiële regeling kunnen leiden.
E - De zevende vraag
102 Met zijn zevende vraag wenst de nationale rechter te vernemen, in hoeverre de importeur ter voorkoming van de navordering van invoerrechten een beroep op "overmacht" kan doen, wanneer de douaneautoriteiten van het land van uitvoer hebben nagelaten om vóór de afgifte van de certificaten EUR. 1 een preventieve controle in de entrepots van de exporteur te verrichten, zonder dat de importeur zich tegen die nalatigheid kan wapenen.
103 Volgens vaste rechtspraak van het Hof "kan overmacht slechts worden aangenomen, wanneer de door rechtssubjecten ingeroepen, van buiten komende oorzaak onvermijdelijke en onafwendbare gevolgen heeft die het de betrokkenen objectief onmogelijk maken hun verplichtingen na te komen".(41) Het begrip overmacht houdt in, "dat zich abnormale en onvoorzienbare omstandigheden hebben voorgedaan, die vreemd zijn aan degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden, zodat in bepaalde omstandigheden de handelwijze van de overheid een geval van overmacht kan uitmaken".(42)
104 Volgens artikel 8, lid 2, van bijlage II bij het besluit kunnen de autoriteiten van het land van uitvoer "alle bewijsstukken eisen en iedere controle uitoefenen die zij dienstig achten". Ze zijn daartoe dus niet verplicht, maar hebben wel de mogelijkheid ertoe.
105 Gelet op het hiervoor omschreven begrip overmacht en de bepalingen van artikel 8, lid 2, ben ik van mening, dat een waakzame marktdeelnemer zou moeten weten, dat de douaneautoriteiten van het land van uitvoer enkel de mogelijkheid hebben controle uit te oefenen, en dat dus de kans dat het certificaat EUR. 1 door het ontbreken van stelselmatige controle een onjuistheid bevat, niet volstrekt uitgesloten moet worden geacht.
V - Conclusie
106 Mitsdien geef ik in overweging de vragen van het Tribunal Tributário de Segunda Instância de Lisboa te beantwoorden als volgt:
"1) Navordering van douanerechten van een importeur die te goeder trouw was met betrekking tot de geldigheid van certificaten inzake goederenverkeer EUR. 1 die na een controle achteraf uiteindelijk ongeldig zijn verklaard, is niet in strijd met de beginselen van goede trouw, ongerechtvaardigde verrijking, evenredigheid en rechtszekerheid.
2) De resultaten van een controle die door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer is verricht op grond van artikel 25, lid 3, van bijlage II bij besluit 86/283/EEG van de Raad van 30 juni 1986 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Economische Gemeenschap, binden de douaneautoriteiten van het land van invoer niet automatisch, want zij hebben de mogelijkheid de resultaten te betwisten door ze voor te leggen aan het Comité Oorsprong van goederen, ingesteld bij verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip oorsprong van goederen.
3) a) Artikel 25, lid 3, van bijlage II bij besluit 86/283 van de Raad moet aldus worden uitgelegd, dat de woorden $de resultaten van de controle worden ter kennis gebracht' verwijzen naar de conclusies die, vergezeld van een korte uiteenzetting van de redenen waarop zij berusten, door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer aan die van het land van invoer moeten worden meegedeeld en die de vraag betreffen, of het betwiste certificaat EUR. 1 al dan niet op de daadwerkelijk uitgevoerde goederen van toepassing is, en dus, of de betrokken goederen daadwerkelijk aanleiding kunnen geven tot toepassing van de preferentiële regeling.
b) Alvorens een procedure tot navordering van invoerrechten in de Lid-Staat, het land of gebied van invoer kan worden ingeleid en voltooid, moeten de douaneautoriteiten van het land van uitvoer binnen de vastgestelde termijn van drie maanden aan de douaneautoriteiten van het land van invoer de resultaten van de controle mededelen en moet de importeur daarvan kennis hebben genomen en in staat zijn gesteld zijn eventuele opmerkingen te maken.
4) Het feit dat de douaneautoriteiten van het land van uitvoer geen enkele controle hebben verricht vóór de afgifte van het certificaat EUR. 1, waarvan de ongeldigverklaring tot navordering van invoerrechten heeft geleid, levert geen geval van overmacht op waarop de importeur een beroep kan doen teneinde zich te bevrijden van zijn verplichting tot betaling van het uit hoofde van de invoerrechten verschuldigde bedrag."
(1) - Besluit van de Raad van 30 juni 1986 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Economische Gemeenschap (PB 1986, L 175, blz. 1).
(2) - Op 1 maart 1990 trad in werking besluit 91/482/EEG van de Raad van 25 juli 1991 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Economische Gemeenschap (PB 1991, L 263, blz. 1). Ingevolge artikel 240, lid 1, is dat besluit van toepassing voor een periode van tien jaar.
(3) - PB 1979, L 179, blz. 31.
(4) - PB 1987, L 201, blz. 15.
(5) - PB 1988, L 102, blz. 1.
(6) - PB 1992, L 302, blz. 1.
(7) - PB 1979, L 179, blz. 1. Deze problemen zijn met ingang van 1 januari 1994 geregeld in het douanewetboek (reeds aangehaald in voetnoot 6).
(8) - PB 1979, L 175, blz. 1. Deze problemen zijn met ingang van 1 januari 1994 geregeld in het douanewetboek (reeds aangehaald in voetnoot 6).
(9) - PB 1986, L 286, blz. 1.
(10) - PB 1986, L 352, blz. 19.
(11) - De betrokken certificaten EUR. 1 zijn als volgt gedateerd en genummerd: nr. 76 092 van 6 september 1988, nr. 76 106 van 19 september 1988, nrs. 77 525 en 77 526 van 14 juli 1989.
(12) - Het gaat hier om de voorschriften van bijlage II bij besluit 86/283.
(13) - Reeds aangehaald in voetnoot 5.
(14) - Met name noemen zij het arrest van 16 juli 1992, zaak C-343/90, Lourenço Dias, Jurispr. 1992, blz. I-4673, r.o. 17 e.v.
(15) - Volgens Pascoal en de nationale rechter is de exporteur, wanneer hem iets te verwijten valt, als enige voor de betaling van de nagevorderde invoerrechten aansprakelijk, tenzij de importeur medeaansprakelijk wordt geacht, omdat hij eveneens bij de handeling betrokken was. Daarentegen is de Portugese regering van mening, dat de exporteur naar Portugees recht als enige de voor betaling van de invoerrechten aansprakelijk is, enkel wanneer de betrokken goederen toebehoren aan degene die de overtreding heeft begaan; in alle overige gevallen, dat wil zeggen wanneer de goederen toebehoren aan personen die niets met de overtreding te maken hebben, zijn die personen enkel voor het bedrag van de rechten aansprakelijk. Daaruit concludeert zij, dat de importeur als enige voor betaling van het totaal van de rechten aansprakelijk is.
(16) - Zaak 827/79, Jurispr. 1980, blz. 3731.
(17) - Zie artikel 9, leden 1 en 2, sub a, van richtlijn 79/623 (reeds aangehaald in voetnoot 3); artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2144/87 (reeds aangehaald in voetnoot 4), en artikel 233 van het douanewetboek (reeds aangehaald in voetnoot 6).
(18) - Reeds aangehaald in voetnoot 16.
(19) - R.o. 8.
(20) - In zijn conclusie in de zaak Huygen e.a. (punt 29 in fine) betoogde advocaat-generaal Gulmann: "[De importeur] moet er uiteraard op voorbereid zijn, dat hij een risico loopt wanneer hij in zee gaat met een exporteur zonder zich tevoren ervan te hebben vergewist, dat deze beschikt over bewijzen van de oorsprong van het goed. Kan de exporteur niet voldoen aan de (...) op hem rustende verplichting tot overlegging van de benodigde bewijsstukken, dan moet de importeur de gevolgen hiervan dragen in de vorm van betaling van douanerechten." Deze zaak leidde tot het arrest van 7 december 1993, zaak C-12/92, Jurispr. 1993, blz. I-6381.
(21) - Voor het evenredigheidsbeginsel, zie met name arrest van 11 juli 1989, zaak 265/87, Schräder, Jurispr. 1989, blz. 2237, r.o. 21; voorts arresten van 4 juli 1996, zaak C-295/94, Hüpeden, en zaak C-296/94, Pietsch, Jurispr. 1996, blz. I-3375, r.o. 14, resp. blz. I-3409, r.o. 15.
(22) - Arrest van 11 juli 1968, zaak 26/67, Danvin, Jurispr. 1968, blz. 444. In dat arrest verklaarde het Hof, dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking, wanneer de verarming van de ene partij gepaard gaat met ongegronde verrijking van de wederpartij.
(23) - Reeds aangehaald in voetnoot 16 (r.o. 8).
(24) - In zijn arrest van 13 juli 1962, gevoegde zaken 17/61 en 20/61, Klöckner-Werke en Hoesch, Jurispr. 1962, blz. 643, verwijst het Hof naar het rechtvaardigheidsbeginsel in de zin van het evenredigheidsbeginsel. Zo besliste het met betrekking tot de bevoegdheden van de Hoge Autoriteit van de EGKS bij de voorbereiding en uitvoering van de financiële stelsels die zij ter waarborging van het marktevenwicht heeft ingesteld, dat de Hoge Autoriteit "verplicht is rekening te houden met de economische werkelijkheid, waarop deze stelsels moeten worden toegepast, opdat de beoogde doeleinden onder de gunstigste omstandigheden en met zo gering mogelijke offers voor de betrokken ondernemingen kunnen worden bereikt; dat dit rechtvaardigheidsbeginsel evenwel in overeenstemming moet worden gebracht met het beginsel van de rechtszekerheid". Die beide beginselen moesten volgens het Hof zodanig op elkaar worden afgestemd, dat zij voor alle onderdanen van de Gemeenschap minimale offers meebrachten.
(25) - Reeds aangehaald in voetnoot 10.
(26) - Zie arrest van 18 januari 1996, zaak C-446/93, SEIM, Jurispr. 1996, blz. I-73, r.o. 48.
(27) - Arrest SEIM (r.o. 44). Zie eveneens arrest van 13 november 1984, gevoegde zaken 98/83 en 230/83, Van Gend & Loos, Jurispr. 1984, blz. 3763, r.o. 13. Verder is het nuttig eraan te herinneren, dat het Hof in zijn arrest Van Gend & Loos (r.o. 20), maar ook in zijn arrest van 14 mei 1996, gevoegde zaken C-153/94 en C-204/94, Faroe Seafood e.a., Jurispr. 1996, blz. I-2465, betreffende de navordering van invoerrechten door de douaneautoriteiten van het Verenigd Koninkrijk voor visproducten van oorsprong uit de Faröer, van oordeel was (r.o. 93), dat de belastingplichtige "een gewettigd vertrouwen in de geldigheid van certificaten niet kan baseren op het feit dat de douaneautoriteiten van een Lid-Staat ze voorshands heeft aanvaard: de rol van die autoriteiten bij de eerste aanvaarding van een aangifte vormt immers geen beletsel voor latere controles".
(28) - Arrest SEIM, reeds aangehaald in voetnoot 26, r.o. 45.
(29) - Zie bijvoorbeeld arrest van 16 juni 1993, zaak C-325/91, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1993, blz. I-3283, r.o. 26. Zie eveneens arrest van 9 februari 1994, zaak C-119/92, Commissie/Italië, Jurispr. 1994, blz. I-393, r.o. 17.
(30) - Reeds aangehaald in voetnoot 20. Die zaak betreft een verzoek van het Belgische Hof van Cassatie om uitlegging van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Oostenrijk, ondertekend te Brussel op 22 juli 1972 en namens de Gemeenschap gesloten en goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2836/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB 1972, L 300, blz. 1), en in het bijzonder van Protocol nr. 3 bij die overeenkomst.
(31) - Verordening van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip "oorsprong van goederen" (PB 1968, L 148, blz. 1); die verordening is ingetrokken bij verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (reeds aangehaald in voetnoot 6); op het tijdstip waarop de douaneautoriteiten van het land van uitvoer de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer de resultaten van de controle toezonden, was artikel 25, lid 3, van het besluit echter nog van kracht en dat artikel voorzag in de mogelijkheid elk eventueel geschil aan het Comité Oorsprong van goederen ter beoordeling voor te leggen.
(32) - De beoordeling van de controleresultaten door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer, teneinde te bepalen of er aanleiding is om ze aan het Comité Oorsprong van goederen voor te leggen, is volgens mij volledig in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof, dat de douaneautoriteiten van het land van uitvoer, en niet de douaneautoriteiten van het land van invoer, in beginsel verplicht zijn tot vaststelling van de oorsprong van goederen die voor een preferentiële tariefbehandeling in aanmerking komen, terwijl laatstgenoemden verplicht zijn de door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer afgegeven certificaten EUR. 1 te erkennen; zie arresten van 12 juli 1984, zaak 218/83, Les Rapides Savoyards e.a., Jurispr. 1984, blz. 3105, r.o. 27; 5 juli 1994, zaak C-432/92, Anastasiou e.a., Jurispr. 1994, blz. I-3087, in het bijzonder r.o. 38 en 39, en het arrest Faroe Seafood (reeds aangehaald in voetnoot 27, r.o. 18-22). Mijn standpunt houdt niet in, dat de douaneautoriteiten van het land van invoer de controleresultaten kunnen negeren; zij hebben eenvoudig de mogelijkheid ze te onderzoeken en ze, in geval van een geschil, aan het Comité Oorsprong van goederen voor te leggen.
(33) - Zie bijvoorbeeld arrest van 18 oktober 1990, gevoegde zaken C-297/88 en C-197/89, Dzodzi, Jurispr. 1990, blz. I-3763, r.o. 39.
(34) - Zie met name arrest van 16 juli 1992, zaak C-67/91, Asociación Española de Banca Privada e.a., Jurispr. 1992, blz. I-4785, r.o. 25 en 26.
(35) - Pascoal beroept zich in dit verband op het Portugese rechtsbeginsel, dat een fiscale beschikking zodanig moet worden gemotiveerd, dat de belastingplichtige in staat is de redenen ervoor te begrijpen. Bijgevolg moeten ook controleresultaten dezelfde kenmerken hebben als een volledig gemotiveerde rechtshandeling en kunnen zij niet beperkt blijven tot een simpele beslissing of conclusie.
(36) - De kennisgeving vermeldde om te beginnen, dat "in samenwerking met EEG-vertegenwoordigers verrichte controles hebben uitgewezen, dat sommige in Groenland afgegeven certificaten EUR. 1 niet voldoen aan de voorschriften van bijlage II bij het LGO-besluit", en vervolgt, dat de douaneautoriteiten van het land van uitvoer de douaneautoriteiten van het land van invoer "vriendelijk [hebben] verzocht ervoor te zorgen dat de volgende certificaten worden ingetrokken en ongeldig worden verklaard (...)" (cursivering van mij).
(37) - De Franse regering heeft erop gewezen, dat men op het certificaat EUR. 1, waarvan een model is opgenomen in bijlage 5 van bijlage II bij het besluit, in punt 14, "uitslag van de controle", kan volstaan met aankruising van het dienovereenkomstige vak om aan te geven of het certificaat EUR. 1 "voldoet aan de voorwaarden inzake echtheid en juistheid". Haars inziens is het mogelijk om op die manier te antwoorden op een door de douaneautoriteiten van het land van invoer aan de douaneautoriteiten van het land van uitvoer gericht verzoek om controle achteraf. Op zich kan dat feit echter niet volstaan als argument voor de stelling, dat de wetgever zou hebben gewild dat een oppervlakkige aanwijzing/mededeling van de bevoegde autoriteiten van het land van uitvoer voldoende is om rechtsgevolgen teweeg te brengen, zonder een korte uiteenzetting te verlangen van de redenen waarop hun conclusies berusten, zodat de betrokkenen hun verweer kunnen voorbereiden.
(38) - Het zou ook onlogisch zijn om van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer te verlangen, dat zij niet enkel vaststellen of het goed, in casu de kabeljauw, al dan niet uit Groenland afkomstig was, maar bovendien, dat zij de juiste herkomst ervan bepalen, omdat de vangst met de huidige en ultramoderne middelen immers had kunnen plaatsvinden overal waar zich kabeljauw met dezelfde kenmerken als Groenlandse kabeljauw bevindt.
(39) - Zie bijvoorbeeld arrest van 24 oktober 1996, zaak C-32/95 P, Jurispr. 1996, blz. I-5373, r.o. 21 en 30. Zie eveneens arresten van 29 juni 1994, zaak C-135/92, Fiskano, Jurispr. 1994, blz. I-2885, r.o. 39, en 12 februari 1992, gevoegde zaken C-48/90 en C-66/90, Nederland e.a./Commissie, Jurispr. 1992, blz. I-565, r.o. 44.
(40) - Zie arrest van 10 november 1993, zaak C-60/92, Otto, Jurispr. 1993, blz. I-5683, r.o. 14; het Hof verklaarde, dat het betrokken beginsel moet worden geëerbiedigd, dat wil zeggen, dat de rechten van de verdediging van betrokkenen bij de vaststelling van de juiste procedure voor de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag in het nationale recht gewaarborgd moeten zijn.
(41) - Zie arrest Huygen, reeds aangehaald in voetnoot 20 (r.o. 31). Zie eveneens arrest van 18 maart 1980, gevoegde zaken 154/78, 205/78, 206/78, 226/78-228/78, 263/78 en 264/78, 31/79, 39/79, 83/79 en 85/79, Valsabbia e.a., Jurispr. 1980, blz. 907, r.o. 140.
(42) - Zie onder meer arrest Huygen, reeds aangehaald (r.o. 31), en arresten van 17 december 1970, zaak 11/70, Internationale Handelsgeselschaft, Jurispr. 1970, blz. 1125, r.o. 23; 22 januari 1986, zaak 266/84, Denkavit France, Jurispr. 1986, blz. 149, r.o. 27; 7 mei 1991, zaak C-338/89, Organisationen Danske Slagterier, Jurispr. 1991, blz. I-2315, r.o. 16, en 18 maart 1993, zaak C-50/92, Molkerei-Zentrale Süd, Jurispr. 1993, blz. I-1035, r.o. 11.
Full & Egal Universal Law Academy