Conclusie van de advocaat generaal
1. In de onderhavige zaak verzoekt het Polymeles Protodikeio Athinon het Hof, voor het eerst bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitlegging van artikel 7, lid 2, van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de cooerdinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten(1) (hierna: "richtlijn").
I - Het hoofdgeding
2. Blijkens het verwijzingsvonnis heeft G. Kontogeorgas bij het Polymeles Protodikeio Athinon een vordering ingesteld tegen de naamloze vennootschap Kartonpak AE Anonymos Viomichaniki kai Emporiki Etairia Eidon Syskevasias, waarvan de zetel is gevestigd te Neochorouda Thessalonikis (hierna: "Kartonpak"). In zijn vordering zet verzoeker het volgende uiteen: op 10 februari 1981 sloot hij met verweerster een agentuurovereenkomst, bepalende dat hij per 1 januari 1981 de handelsagent van verweerster voor de verkoop van haar produkten in de departementen Achaïa en Ilia zou zijn, in ruil voor een provisie van 3 % over de daar bereikte omzet. Volgens verzoeker verkocht verweerster vanaf 1981 haar produkten aan klanten uit voornoemd gebied, doch verborg hij die transacties voor verzoeker, om hem de verschuldigde provisie niet te moeten betalen. Verzoeker betoogt voorts, dat verweerster de tussen hen bestaande overeenkomst heeft opgezegd, zonder de overeengekomen termijn van twee maanden in acht te nemen. Bijgevolg concludeert verzoeker dat het het Protodikeio behage; verweerster te veroordelen om hem een bedrag te betalen dat overeenkomt met de verschuldigde provisie, en schadevergoeding wegens niet-inachtneming van de gestelde termijn van twee maanden voor opzegging van de overeenkomst.
3. Verweerster weerlegt de beweringen van verzoeker en betoogt in haar conclusies voor het Polymeles Protodikeio Athinon: a) dat de vennootschap Anonymos Etairia kataskevis kai emporias kartokivotion kai loipon eidon syskevasias Kartonpak AE in 1985 fuseerde met de vennootschap Saint Ritsis Ellas AVEE, die hetzelfde doel had als verweerster, en b) dat verzoeker geen recht had op provisie, omdat enerzijds de klanten waarnaar hij verwijst, geen klanten zijn die hij zelf had gevonden, maar oude klanten van de gefuseerde vennootschap Saint Ritsis, en anderzijds bepaalde onder hen hun zetel niet hadden in het gebied waar verzoeker werkzaam was.
4. Het Polymeles Protodikeio Athinon overwoog, dat de voor hem aanhangige zaak een vraag van uitlegging van het gemeenschapsrecht, inzonderheid van artikel 7, lid 2, van de richtlijn deed rijzen, en besloot dus de behandeling van de zaak te schorsen en krachtens artikel 177 EG-Verdrag bepaalde prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen.
II - De prejudiciële vragen
5. Het Polymeles Protodikeio Athinon verzoekt het Hof om een uitspraak over de volgende vragen(2):
"1) Heeft een handelsagent aan wie een bepaald geografisch gebied is toegewezen, eveneens recht op provisie voor transacties die zonder enige tussenkomst van zijnentwege zijn gesloten, ongeacht of hij de betrokken klanten zelf heeft gevonden, dan wel enkel voor transacties die in zijn gebied zijn gesloten na zijn optreden en met klanten die hij zelf heeft gevonden?
2) Met name wanneer de klant een vennootschap is waarvan de zetel niet is gevestigd in de plaats waar zij haar bedrijfs- en handelsactiviteiten uitoefent, verwijst het woord $uit' dan naar de zetel van die vennootschap dan wel naar de plaats waar deze de facto haar handelsactiviteiten uitoefent en/of in voorkomend geval naar de vestigingsplaats van haar fabrieken of andere installaties waarvoor de transactie waarover provisie wordt gevorderd, bestemd is, met dien verstande dat de betrokken transactie waarvoor de handelsagent recht heeft op provisie, op die tot zijn geografisch gebied behorende plaats is gesloten?"(3)
III - Het toepasselijke recht
6. Artikel 7 van de richtlijn bepaalt in lid 1:
"Voor een tijdens de duur van de agentuurovereenkomst gesloten handelstransactie heeft de handelsagent recht op de provisie:
a) indien de transactie is gesloten dank zij zijn optreden, of
b) indien de transactie is gesloten met een derde die in een eerder stadium door hem als klant was aangebracht voor een dergelijke transactie."
7. Lid 2 van dat artikel 7, om uitlegging waarvan in casu wordt verzocht, luidt als volgt:
"Voor een tijdens de duur van de agentuurovereenkomst gesloten transactie heeft de handelsagent eveneens recht op de provisie
- indien hem een bepaald geografisch gebied of een bepaalde groep personen is toegewezen,
- of indien hij ten aanzien van een bepaald geografisch gebied of een bepaalde groep personen het alleenrecht heeft,
en de transactie werd gesloten met een klant uit dat gebied of uit die groep.
De Lid-Staten moeten één van de beide hierboven genoemde mogelijkheden in hun wetgeving opnemen."
8. De Griekse wetgever heeft artikel 7, lid 2, van de richtlijn in nationaal recht omgezet bij artikel 6, lid 1, van presidentieel decreet nr. 219/91(4), dat als volgt is geformuleerd:
"Voor een tijdens de duur van de agentuurovereenkomst gesloten handelstransactie heeft de handelsagent recht op de provisie indien hem een bepaald geografisch gebied is toegewezen en de transactie werd gesloten met een klant uit dat gebied."(5)
IV - Opmerkingen over de ontvankelijkheid
9. Ter terechtzitting heeft verweerster in het hoofdgeding, onder verwijzing naar haar in de loop van de schriftelijke behandeling ingediende opmerkingen, betoogd, dat de prejudiciële vragen niet ten gronde behoefden te worden beantwoord. Volgens haar, zijn zij immers niet objectief noodzakelijk voor de oplossing van het geschil, aangezien verzoeker in het hoofdgeding nooit een contractuele band met de met Kartonpak gefuseerde vennootschap Saint Ritsis heeft gehad en dus in elk geval geen recht heeft op provisie voor met klanten van deze laatste vennootschap gesloten overeenkomsten.
10. Verweerster had immers voor de verwijzende rechter betoogd (zie ook hierboven, punt 3), dat de tegen haar gerichte vordering moest worden afgewezen, onder meer op grond dat de klanten waarnaar verzoeker verwees, oude klanten van de vennootschap Saint Ritsis waren, waarmee hij geen enkele contractuele band had. Desondanks overwoog de nationale rechter (misschien omdat verzoeker voor hem heeft betoogd, dat hij "recht heeft op provisie, ongeacht of het gaat om klanten die hij zelf heeft gevonden, dan wel om klanten van de vennootschap Saint Ritsis, waarmee zonder zijn optreden transacties zijn gesloten"), dat hij, alvorens zich over het al dan niet gegrond zijn van verweersters stellingen uit te spreken, aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen over de juiste draagwijdte van artikel 7, lid 2, van de richtlijn moest voorleggen, en behield hij zich, zoals hij uitdrukkelijk in het verwijzingsvonnis vermeldt, het recht voor om na de uitspraak van het arrest van het Hof en "op voorwaarde dat de conclusies van het verzoekschrift in beginsel rechtens gegrond zijn (...) de door verweerster opgeworpen excepties te onderzoeken".
11. Volgens 's Hofs rechtspraak is het een zaak van de nationale rechter om, gelet op de bijzonderheden van het geval dat hem is voorgelegd, te oordelen over de noodzaak van een prejudiciële beslissing van het Hof en over de relevantie van de prejudiciële vragen(6), maar ook om te beslissen, in welk stadium van de procedure die vragen naar het Hof moeten worden verwezen.(7) In het licht van deze rechtspraak en gezien het feit, dat de prejudiciële vragen van het Polymeles Protodikeio Athinon niet als kennelijk zonder belang voor de oplossing van het bij hem aanhangig geschil kunnen worden beschouwd, moet in ieder geval de stelling van verweerster in het hoofdgeding worden verworpen, dat die vragen niet objectief noodzakelijk zijn voor de oplossing van het geschil, te meer daar die stelling van verweerster verband houdt met de beoordeling van feitelijke gegevens, waarvan de vaststelling (vooral wanneer, zoals in casu het geval is, partijen het daarover oneens zijn(8)), in het stelsel van artikel 177 van het Verdrag, tot de exclusieve bevoegdheid van de nationale rechter behoort.(9)
12. Bovendien heeft verweerster in het hoofdgeding ter terechtzitting betoogd, dat indien de prejudiciële vragen ontvankelijk worden verklaard, de eerste van die vragen moet worden geherformuleerd. Volgens haar, leidt de uitlegging van het verwijzingsvonnis in zijn geheel tot de vaststelling, dat de eerste prejudiciële vraag ertoe strekt te vernemen of, in de zin van artikel 7, lid 2, tweede streepje, van de richtlijn en overeenkomstig de artikelen 17 en 19 van de Derde richtlijn betreffende fusies van naamloze vennootschappen(10), de handelsagent eveneens recht heeft op provisie voor transacties die zijn gesloten met klanten van een derde vennootschap, die de vennootschap waarmee die agent zelf een overeenkomst had gesloten, heeft overgenomen.
13. Dienaangaande volstaat het eraan te herinneren, dat volgens vaste rechtspraak artikel 177 van het Verdrag de bevoegdheden in het kader van de prejudiciële procedure aldus verdeelt, dat het uitsluitend een zaak is van de nationale rechter, het voorwerp te bepalen van de prejudiciële vragen die hij aan het Hof wenst te stellen; dit zou dus niet, op verzoek van een partij in het hoofdgeding, een vraag kunnen onderzoeken die niet door de nationale rechter is voorgelegd, of het voorwerp van de voorgelegde vraag kunnen verruimen.(11) In casu bevat het verwijzingsvonnis geen elementen die de door verweerster in het hoofdgeding voorgestane uitlegging van de eerste vraag zouden rechtvaardigen. Zou deze uitlegging worden aanvaard, dan zou dus in feite het voorwerp van de vraag worden verruimd, hetgeen, hoofdzakelijk om voornoemde reden, niet is toegestaan.
14. Alvorens de zaak ten gronde te onderzoeken, is het dienstig het volgende te preciseren: artikel 11 van presidentieel decreet nr. 219/91 bevat overgangsbepalingen, die overeenkomen met de overgangsbepalingen van artikel 22, lid 1, van de richtlijn. Volgens lid 1 van voornoemd artikel 11 zijn de bepalingen van presidentieel decreet nr. 219/91 van toepassing op de overeenkomsten die na de inwerkingtreding van het decreet worden gesloten. Bovendien bepaalt lid 2 van datzelfde artikel: "Met betrekking tot de rechten en verplichtingen die voor de partijen uit vóór de inwerkingtreding van het onderhavige presidentieel decreet gesloten overeenkomsten voortvloeien, zijn de bepalingen van dit decreet van toepassing op 1 januari 1994." Presidentieel decreet nr. 219/91, dat op 30 mei 1991 in het Grieks Staatsblad is bekendgemaakt, is dus van toepassing op de nieuwe overeenkomsten, dat wil zeggen die welke vanaf deze datum zijn gesloten. Het presidentieel decreet is daarentegen niet van toepassing op de oude overeenkomsten, dat wil zeggen die welke vóór genoemde datum waren gesloten en waarvoor een overgangsperiode tot 1 januari 1994 geldt. Tot 31 december 1993 waren deze overeenkomsten dus aan de vroegere regeling onderworpen.
15. Uit de stukken blijkt, dat de litigieuze agentuurovereenkomst vóór de inwerkingtreding van presidentieel decreet nr. 219/91, meer bepaald op 10 februari 1981 was gesloten. Zij valt dus slechts onder de nieuwe regeling van genoemd decreet, indien zij nog van kracht was op 1 januari 1994, de datum waarop dat decreet ook op de oude overeenkomsten van toepassing werd. Uit het verwijzingsvonnis blijkt bovendien, dat verweerster de overeenkomst op een niet nader bepaalde datum had opgezegd. Indien de litigieuze overeenkomst vóór 1 januari 1994 was verstreken, valt het dus buiten het toepassingsgebied van presidentieel decreet nr. 219/91 en verliezen de prejudiciële vragen automatisch iedere relevantie voor de uitkomst van het hoofdgeding. Voor zover de nationale rechter evenwel als vaststaand aanneemt, dat het voor hem aanhangig geding onder de regeling van presidentieel decreet nr. 219/91 valt, moeten de boven aangehaalde prejudiciële vragen ten gronde worden onderzocht.
V - De eerste prejudiciële vraag
16. Met deze vraag verzoekt de nationale rechter het Hof te preciseren, of de handelsagent die, volgens de overeenkomst, met een bepaald geografisch gebied is belast of ten aanzien van een bepaald geografisch gebied het alleenrecht heeft, recht heeft op provisie, zelfs wanneer de handelstransactie niet dank zij zijn persoonlijk optreden is gesloten.
17. In het verwijzingsvonnis huldigt de nationale rechter de opvatting, dat "een transactie, zelfs indien zij zonder enige tussenkomst van de handelsagent is gesloten met een klant die hij niet zelf heeft gevonden, de handelsagent recht geeft op provisie, voor zover zij is gesloten in het geografisch gebied waar hij werkzaam is". Verzoeker, de Commissie en de Franse, de Duitse en de Griekse regering, die schriftelijke opmerkingen hebben ingediend, delen deze zienswijze.
18. De bewoordingen en de structuur van artikel 7, leden 1 en 2, van de richtlijn pleiten voor die stelling. In artikel 7, lid 1, sub a en b, gaat de wetgever uit van het beginsel, dat zo de handelsagent recht wil hebben op provisie, de overeenkomst dank zij zijn persoonlijk optreden moet zijn gesloten. Het bestaan van een oorzakelijk verband tussen het sluiten van bedoelde overeenkomst en het optreden van de agent is dus vereist. Het in lid 2 van artikel 7 bedoelde geval daarentegen veronderstelt niet het bestaan van een dergelijk verband. De handelsagent aan wie een gebied is toegewezen, heeft recht op provisie voor iedere met een klant uit dat gebied gesloten transactie. De enige voorwaarde voor het ontstaan van het recht op provisie is in dit geval het sluiten van de overeenkomst met een klant uit het gebied, en niet het sluiten ervan dank zij het optreden van de agent. Het recht op provisie staat hier dus los van dit optreden. Zo wordt het recht op provisie niet beïnvloed door het feit, dat de overeenkomst rechtstreeks met de principaal is gesloten, wanneer de medecontractant een klant is uit het gebied dat aan de handelsagent is toegewezen.
19. Deze uitlegging is in overeenstemming met de bewoordingen van artikel 7, lid 2, bepalende dat de agent "eveneens recht [heeft] op de provisie" in de daar bedoelde gevallen. Uit die bewoordingen blijkt, dat lid 2 van artikel 7 verder gaat dan lid 1. Het sluiten van de overeenkomst dank zij het optreden van de agent is dus volgens bedoeld lid 2 geen voorwaarde voor het ontstaan van het recht op provisie. Indien ook in de in lid 2 bedoelde gevallen aan die voorwaarde zou moeten worden voldaan, zou dat lid trouwens overbodig zijn.
20. Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord: "Artikel 7, lid 2, van de richtlijn moet aldus worden uitgelegd, dat een handelsagent aan wie een bepaald geografisch gebied is toegewezen, eveneens recht heeft op provisie voor overeenkomsten die zonder enige tussenkomst van zijnentwege zijn gesloten."
VI - De tweede prejudiciële vraag
21. De tweede prejudiciële vraag betreft de uitlegging van de woorden "klant uit dat gebied", meer bepaald wanneer de klant een vennootschap is. In dat geval kan het woord "uit" betrekking hebben op hetzij de zetel van die vennootschap, hetzij de plaats waar haar handelsactiviteit daadwerkelijk wordt uitgeoefend of, eventueel, waar haar fabrieken of andere installaties zich bevinden.
22. Volgens de nationale rechter heeft de handelsagent recht op provisie voor een transactie met een klant die hij niet zelf heeft gevonden "voor zover zij is gesloten in het geografisch gebied waar hij werkzaam is, ongeacht of zich daar al dan niet de zetel of enige andere installatie bevindt". Verweerster betoogt, dat de plaats waar het zwaartepunt van de besluitvorming en uitvoering van alle voor het sluiten van de overeenkomst noodzakelijke handelingen zich bevindt, een beslissende rol speelt. Volgens de Commissie moet rekening worden gehouden met de plaats waar de handelsactiviteit van de klant daadwerkelijk wordt uitgeoefend, tenzij uit de betrokken agentuurovereenkomst blijkt, dat partijen het anders hebben gewild. Volgens de Griekse regering staat het aan de nationale rechter, in het licht van de bijzondere kenmerken van iedere transactie vast te stellen, of het gaat om een klant uit het geografisch gebied dat aan de handelsagent is toegewezen. De Duitse regering merkt op, dat de gemeenschapswetgever ter zake de keuze van de Duitse wetgever heeft gevolgd; zij beklemtoont, dat de richtlijn is opgesteld naar het model van de sinds 1953 geldende Duitse regeling ter zake en stelt een uitlegging voor, die in de lijn ligt van de Duitse rechtspraak betreffende § 87, lid 2, Handelsgesetzbuch (hierna: "HGB"). De formulering van die bepaling stemt overeen met die van artikel 7, lid 2, van de richtlijn.(12) Zo is het volgens de Duitse regering beslissend, of de klant in het betrokken gebied zijn vestiging of zetel heeft. Wanneer een klant verschillende ondernemingen leidt of wanneer een onderneming verschillende dochterbedrijven heeft, moet de onderneming of het dochterbedrijf dat de bestelling heeft geplaatst, in aanmerking worden genomen.
23. Mijns inziens moet de betekenis van de woorden "klant uit een geografisch gebied" worden bepaald op grond van de tussen partijen gesloten agentuurovereenkomst. Daar het gaat om contractuele betrekkingen, die in de regel door het beginsel van de wilsautonomie worden beheerst, staat het in de eerste plaats aan de partijen, de klantenkring te bepalen, waarvoor de handelsagent als tussenpersoon optreedt.(13) In ieder geval moet dus worden onderzocht wat de partijen hebben gewild. Dat onderzoek behoort natuurlijk uitsluitend tot de bevoegdheid van de nationale rechter.
24. Wanneer de wil van de partijen niet uit de overeenkomst blijkt, moet echter het criterium worden bepaald, op grond waarvan zal worden beoordeeld of het een klant uit het gebied van de agent betreft. Met betrekking tot natuurlijke personen is het fundamentele criterium, of de persoon in het toegewezen gebied woont. Indien het om een handelaar gaat, moet in beginsel worden aangenomen, dat hij op de plaats van zijn beroepsmatige vestiging woont.(14)
25. Wat rechtspersonen en inzonderheid vennootschappen betreft, kan in de eerste plaats een beroep worden gedaan op het criterium van de zetel. Dit criterium mag echter niet als absoluut worden beschouwd, zo niet ontstaan er problemen wanneer er, bij voorbeeld, verschillende beroepsmatige vestigingen, filialen enz. bestaan. De onderhavige prejudiciële vraag stelt vooral die problemen in het licht. Blijkens de aan het oordeel van de nationale rechter onderworpen feiten, had een van de klanten haar zetel in Attica, maar haar fabriek in een ander gebied, meer bepaald het gebied waar verzoeker zijn activiteit als handelsagent uitoefende. In een dergelijk geval zou de toepassing van het criterium van de zetel ertoe leiden, dat enkel aan de agent die op de plaats van de zetel van de vennootschap zijn activiteiten uitoefent, recht op provisie wordt verleend.
26. Het is een oplossing die bijzonder weinig speling toelaat, en onbillijke gevolgen heeft wanneer de bestelling of het initiatief tot de bestelling uitgaat van het filiaal of de fabriek in het gebied van een andere agent. In een dergelijk geval kunnen de bestelling en het sluiten van de overeenkomst terecht worden toegeschreven aan het geheel van de activiteiten die deze laatste agent, ter behartiging van de belangen van zijn principaal in het toegewezen gebied, aan de dag heeft gelegd. Ofschoon losstaand van zijn concrete optreden, vormt het recht van de agent op provisie voor met klanten uit het hem toegewezen gebied gesloten overeenkomsten, in wezen een "indirecte" beloning, niet enkel voor iedere overeenkomst in het bijzonder, maar ook voor het geheel van zijn activiteit in het hem toegewezen geografisch gebied.(15) Gelet op een en ander, moet aan het materiële criterium, te weten wie de bestelling heeft geplaatst, de voorkeur worden gegeven boven het formele criterium van de zetel. Wanneer het filiaal of de fabriek als onafhankelijke vestigingen functioneren en door de centrale administratie van de rechtspersoon gemachtigd zijn, bestellingen te plaatsen, moeten zij, in de zin van de uitgelegde bepaling, als klanten uit het aan de agent toegewezen gebied worden beschouwd. Zoals de Duitse regering in haar opmerkingen heeft uiteengezet, is deze oplossing gekozen door de Duitse rechterlijke instanties belast met de uitlegging van § 87, lid 2, HGB, die, zoals gezegd, een op artikel 7, lid 2, van de richtlijn gelijkende bepaling bevat.(16) Volgens deze uitlegging heeft de handelsagent recht op provisie voor overeenkomsten die door de principaal zijn gesloten, na een bestelling afkomstig van een vestiging van de vennootschap, die binnen zijn gebied als onafhankelijke eenheid functioneert, zelfs indien de overeenkomst buiten het toegewezen gebied is gesloten. De handelsagent kan echter geen aanspraak maken op provisie voor een overeenkomst die door de principaal is gesloten met een klant die niet een klant uit zijn gebied is, in de boven uiteengezette zin, zelfs indien de overeenkomst binnen zijn gebied is gesloten.(17) Het aanvullende criterium dat de nationale rechter, volgens de bewoordingen van de tweede prejudiciële vraag, ook in aanmerking lijkt te willen nemen, namelijk de plaats waar de overeenkomst is gesloten, heeft dus geen invloed in het kader van de richtlijn.
27. Mitsdien moet op de tweede prejudiciële vraag worden geantwoord: "De woorden $klant uit dat gebied', aan het einde van de eerste alinea van lid 2 van artikel 7 van de richtlijn, moeten, in alle gevallen waarin de klant een rechtspersoon met verschillende vestigingen is, behoudens beding van het tegendeel aldus worden uitgelegd, dat zij betrekking hebben op de vestiging die de bestelling heeft geplaatst."
VII - Conclusie
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de door het Polymeles Protodikeio Athinon gestelde prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
"1) Artikel 7, lid 2, van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de cooerdinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten, moet aldus worden uitgelegd, dat een handelsagent aan wie een bepaald geografisch gebied is toegewezen, eveneens recht heeft op provisie voor overeenkomsten die zonder enige tussenkomst van zijnentwege zijn gesloten.
2) De woorden $klant uit dat gebied', aan het einde van de eerste alinea van lid 2 van artikel 7 van de richtlijn, moeten, in alle gevallen waarin de klant een rechtspersoon met verschillende vestigingen is, behoudens beding van het tegendeel aldus worden uitgelegd, dat zij betrekking hebben op de vestiging die de bestelling heeft geplaatst."
(1) - PB 1986, L 382, blz. 17.
(2) - PB 1995, C 174, blz. 3.
(3) - Opgemerkt zij, dat de Griekse regering, ofschoon concluderend dat de prejudiciële vragen moeten worden beantwoord, terloops opmerkt dat het betrokken geschil een interne situatie betreft. Dat is in casu duidelijk irrelevant, aangezien de prejudiciële vragen bepalingen betreffen van een richtlijn tot harmonisatie van de nationale wetgevingen op een bepaald gebied, vastgesteld op grond van de artikelen 57, lid 2, en 100, van het Verdrag.
(4) - Decreet inzake handelsagenten, houdende uitvoering van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen (Grieks Staatsblad A 81, van 30 mei 1991).
(5) - Tegen alle verwachting in, bevatte presidentieel decreet nr. 219/91, in zijn oorspronkelijke versie, geen bepaling tot omzetting van lid 1 van artikel 7 van de richtlijn. Wellicht heeft de Griekse wetgever ten onrechte gemeend, dat de laatste alinea van lid 2 van artikel 7 de Lid-Staten niet de keuze liet tussen de twee in dat lid genoemde alternatieve oplossingen, maar tussen de bepalingen van lid 1, enerzijds, en lid 2, anderzijds. Bovendien had het in de tekst geciteerde artikel 6, lid 1, van presidentieel decreet nr. 219/91 (in strijd met het bepaalde in artikel 7, lid 2, van de richtlijn) geen betrekking op de betaling van provisie aan een handelsagent aan wie een bepaalde groep personen is toegewezen. Na de uitspraak van het verwijzingsvonnis van het Protodikeio Athinon is artikel 6, lid 1, van presidentieel decreet nr. 219/91 echter vervangen door artikel 4, lid 2, van presidentieel decreet nr. 312/95 (Grieks Staatsblad A 168, van 22 augustus 1995), dat de bepalingen van artikel 7, leden 1 en 2, van de richtlijn mijns inziens wel correct in nationaal recht omzet.
(6) - Zie, bij voorbeeld, arresten van 5 oktober 1988 (zaak 247/86, Alsatel, Jurispr. 1988, blz. 5987, r.o. 8), en 30 november 1995 (zaak C-134/94, Esso Española, Jurispr. 1995, blz. I-4223, r.o. 9).
(7) - Zie arrest van 10 maart 1981 (gevoegde zaken 36/80 en 71/80, Irish Creamery Milk Suppliers Association e.a., Jurispr. 1981, blz. 735, r.o. 5 e.v.), alsook arresten van 21 april 1988 (zaak 338/85, Pardini, Jurispr. 1988, blz. 2041, r.o. 8), en 27 juni 1991 (zaak C-348/89, Mecanarte, Jurispr. 1991, blz. I-3277, r.o. 48).
(8) - Uit het verwijzingsvonnis blijkt, dat verzoeker het oneens is met verweersters stelling, dat de klanten die hij in zijn vordering noemt, oude klanten van Saint Ritsis waren.
(9) - Zie, bij voorbeeld, arresten van 29 april 1982 (zaak 17/81, Pabst & Richarz, Jurispr. 1982, blz. 1331, r.o. 12), en 2 juni 1994 (zaak C-30/93, AC-ATEL Electronics Vertriebs, Jurispr. 1994, blz. I-2305, r.o. 16 en 17).
(10) - Verweerster doelt kennelijk op richtlijn 78/855/EEG van de Raad van 9 oktober 1978 (PB 1978, L 295, blz. 36).
(11) - Zie, bij voorbeeld, arresten van 9 januari 1990 (zaak C-337/88, SAFA, Jurispr. 1990, blz. I-1, r.o. 20), en 24 maart 1992 (zaak C-381/89, Syndesmos Melon tis Eleftheras Evangelikis Ekklisias e.a., Jurispr. 1992, blz. I-2111, r.o. 18 en 19), alsook het hierboven in voetnoot 9 aangehaalde arrest AC-ATEL Electronics Vertriebs, r.o. 19.
(12) - § 87, lid 2, HGB luidt als volgt: "Ist dem Handelsvertreter ein bestimmter Bezirk oder ein bestimmter Kundenkreis zugewiesen so hat er Anspruch auf Provision auch fuer Geschaefte, die ohne seine Mitwirkung mit Personen seines Bezirkes oder seines Kundenkreises waehrend des Vertragsverhaeltnisses abgeschlossen sind".
(13) - De door de richtlijn ingevoerde regels (en dus ook de bepalingen die ze in nationaal recht omzetten) zijn in beginsel aanvullend recht (jus dispositivum; zie, als uitzondering, de bepalingen van artikel 5 van de richtlijn).
(14) - Vergelijk A. Liakopoulos: Geniko Emporiko Dikaio (2e druk), blz. 120; D. Brueggemann, Staub, Grosskommentar HGB (4e druk), § 87 HGB, r.o. 38 e.v.
(15) - Vergelijk Brueggemann, op. cit., punt 32.
(16) - Lid 2 van § 87 HGB gebruikt de woorden "personen uit zijn gebied" ("Personen seines Bezirkes").
(17) - Vergelijk Brueggemann, op. cit., punt 38.
Full & Egal Universal Law Academy