Conclusie van de advocaat generaal
Inleiding
1 Overeenkomstig verordening (EEG) nr. 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten(1) (hierna: "verordening"), worden restituties bij uitvoer voor landbouwproducten in het algemeen betaald, wanneer is vastgesteld, dat het product het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten.
Voor bepaalde landbouwproducten gelden echter restitutievoeten die verschillen naar gelang het derde land van bestemming. Deze zogenoemde gedifferentieerde restituties worden enkel betaald indien het bewijs wordt geleverd, dat de douaneformaliteiten in het land van bestemming zijn vervuld.
In deze zaak legt de Polymeles Protodikeio te Athene, Griekenland, het Hof een prejudiciële vraag over de uitlegging van de verordening voor, in het kader van een zaak waarin een product, na het geografisch grondgebied van de Gemeenschap te hebben verlaten, maar vóór het land van bestemming te hebben bereikt, door overmacht verloren is gegaan.
De relevante regels van de verordening
2 De negende, de zestiende en de zeventiende overweging van de considerans luiden als volgt:
"Overwegende dat bepaalde uitvoertransacties tot misbruiken aanleiding kunnen geven; dat, ten einde dergelijke misbruiken te voorkomen, de uitbetaling van de restitutie bij deze transacties afhankelijk moet worden gesteld niet alleen van de voorwaarde dat het produkt het geografisch grondgebied van de Gemeenschap verlaten heeft, maar ook van de voorwaarde dat het produkt in een derde land is ingevoerd en, in het voorkomende geval, in het derde land werkelijk in het vrije verkeer is gebracht;
(...)
Overwegende dat, wanneer de restitutievoet verschilt naar gelang van de bestemming van de produkten, men zich ervan dient te vergewissen dat het produkt is ingevoerd in het derde land of in één van de derde landen waarvoor de restitutie werd voorzien; (...)
Overwegende dat, ten einde de uitvoertransacties waarvoor naar gelang van de bestemming verschillende restituties worden toegekend, op gelijke voet te stellen met de andere uitvoertransacties, dient te worden bepaald dat het gedeelte van de restitutie, berekend op basis van de laagste restitutievoet, wordt uitbetaald zodra de exporteur het bewijs heeft geleverd dat het produkt het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten."
De artikelen 9, 10, 20, 21 en 22 van de verordening luiden als volgt:
"Artikel 9
1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 10, 20 en 26, mag de restitutie slechts worden uitbetaald, wanneer het bewijs wordt geleverd dat het produkt waarvoor de douaneformaliteiten bij uitvoer werden vervuld, uiterlijk binnen een termijn van 60 dagen te rekenen vanaf de dag van vervulling van deze formaliteiten:
- (...)
- in ongewijzigde staat het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten (...)
(...)
Artikel 10
1. Voor betaling van de restitutie geldt niet alleen de voorwaarde dat het produkt het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten, maar ook dat het produkt, tenzij het onderweg als gevolg van overmacht teloor is gegaan, is ingevoerd in een derde land en eventueel in een bepaald derde land:
a) wanneer ernstige twijfel bestaat omtrent de werkelijke bestemming van het produkt, of
b) wanneer het produkt opnieuw in de Gemeenschap zou kunnen worden ingevoerd als gevolg van het verschil tussen het restitutiebedrag voor het uitgevoerde produkt en het bedrag van de rechten bij invoer op een zelfde produkt op de dag waarop de douaneformaliteiten bij uitvoer worden vervuld.
(...)
4. Wanneer het produkt na het geografisch grondgebied van de Gemeenschap te hebben verlaten, onderweg als gevolg van overmacht teloor gaat,
- wordt in geval van een gedifferentieerde restitutie het overeenkomstig artikel 21 bepaalde gedeelte van de restitutie betaald,
- wordt in geval van een niet-gedifferentieerde restitutie het totale restitutiebedrag betaald.
(...)
Artikel 20
1. Voor naar bestemming gedifferentieerde restituties geldt, behoudens het bepaalde in artikel 21, als voorwaarde voor de betaling van de restitutie voor uitvoer naar derde landen, dat het produkt is ingevoerd in het derde land of in een van de derde landen waarvoor de restitutie is vastgesteld.
2. Het produkt wordt als ingevoerd beschouwd wanneer de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in het derde land zijn vervuld.
(...)
Artikel 21
1. In afwijking van artikel 20, wordt echter, zodra het bewijs wordt geleverd dat het produkt het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten en onverminderd de toepassing van het bepaalde in artikel 10 naar gelang van het geval, overgegaan tot betaling van:
(...)
2. Het bepaalde in lid 1 geldt slechts voor zover voor een bepaald produkt voor alle derde landen een restitutie is vastgesteld:
(...)
Artikel 22
(...)
2. Wanneer evenwel een uitgevoerd produkt waarvoor een uitvoer- of voorfixatiecertificaat met verplichte opgave van bestemming is afgegeven, door overmacht een andere bestemming krijgt dan die waarvoor het certificaat is afgegeven, wordt de restitutie die van toepassing is voor de werkelijke bestemming van het produkt, op verzoek van de exporteur uitbetaald indien deze het bewijs levert van de overmacht en van de werkelijke bestemming van het produkt; het bewijs omtrent de werkelijke bestemming wordt getest overeenkomstig het bepaalde in artikel 20.
(...)"
3 De bijlage bij verordening (EEG) nr. 229/81 van de Commissie van 29 januari 1981 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor granen en bepaalde soorten van meel, gries en griesmeel van tarwe of van rogge(2), bevat de volgende tabel:
"(...)
Tariefnummer
Omschrijving
Bedrag van de restitutie
(...)
ex 11.01 A
(...)
(...)
Meel van zachte tarwe: - asgehalte van 0 t/m 520:
- voor uitvoer naar USSR
- voor uitvoer naar andere derde landen
(...)
(...)
-
72,00
(...)
(...)"
De procedure voor de nationale rechter
4 In april 1981 verkocht een Griekse vennootschap 1 900 ton tarwemeel aan een in Vietnam gevestigde onderneming. Tijdens het vervoer over zee naar Vietnam ging de handelswaar door schipbreuk op 37 zeemijlen ten westen van Port Saïd in Egypte verloren. De Griekse vennootschap had een verzekering tegen verlies van de restitutie bij uitvoer als gevolg van schipbreuk of een ander met de zee verband houdend risico gesloten. Nadat zij aan de bij haar verzekerde vennootschap een schadeloosstelling had betaald, stelde de verzekeringsmaatschappij, Astir AE (hierna: "Astir"), bij de verwijzende rechter beroep in tegen de Griekse Staat, waarin zij betaling van 7 351 674 DR aan restituties bij uitvoer vorderde, op grond dat zij gesubrogeerde in de rechten van de verkoper was geworden voor een bedrag dat overeenkwam met de restitutie. De Griekse Staat weigerde betaling, op grond dat daarvoor iedere rechtsgrondslag ontbrak.
De prejudiciële vraag
5 Onder deze omstandigheden heeft de verwijzende rechter bij beschikking van 29 maart 1990, binnengekomen bij de griffie van het Hof op 3 april 1995, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
"Heeft volgens de juiste uitlegging van het bepaalde in artikel 10, lid 4, van verordening (EEG) nr. 2730/79 juncto het bepaalde in de artikelen 20 en 21 van die verordening, de exporteur van een landbouwproduct, meer in het bijzonder van tarwemeel, recht op een restitutie wanneer dit voor uitvoer bestemde product, na het geografisch grondgebied van de Gemeenschap te hebben verlaten, onderweg door overmacht verloren is gegaan en voor dit product voor alle derde landen (buiten de EG) een zelfde restitutie is vastgesteld, behalve voor de Sovjet-Unie, waarvoor met betrekking tot dit product geen enkele restitutie is vastgesteld?"
Juridische beoordeling
6 De vraag of een verzekeringsmaatschappij gesubrogeerde in de rechten van de verzekerde wordt, wanneer zij het door de verzekering gedekte bedrag uitbetaalt, wordt door het gemeenschapsrecht kennelijk niet geregeld en valt daarom onder het nationale recht.
7 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in feite te vernemen, of er sprake is van een gedifferentieerde restitutie, wanneer voor alle derde landen een zelfde restitutievoet is vastgesteld, behalve voor één derde land, waarvoor geen enkele restitutievoet is vastgesteld (zie de hierboven opgenomen tabel voor de restituties bij uitvoer die, voor meel van zachte tarwe van tariefnummer ex 11.01 A, na de vermelding "voor uitvoer naar USSR", enkel een streepje bevat, zodat voor dit land geen restitutievoet is vastgesteld).
Gaat het in casu niet om een gedifferentieerde restitutie, dan bestaat er namelijk recht op restitutie overeenkomstig de algemene regel van artikel 9 van de verordening, dat enkel verlangt dat het product het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten.
Moet echter worden geantwoord, dat er sprake is van een gedifferentieerde restitutie, dan is artikel 20, dat is opgenomen in titel 3, afdeling 2, inzake gedifferentieerde restituties, het toepasselijke artikel. Volgens dit artikel vindt betaling van de restitutie alleen plaats, indien het bewijs wordt geleverd dat de douaneformaliteiten in het land van bestemming zijn vervuld. Overeenkomstig artikel 21, lid 1, is het echter mogelijk, vooraf de laagste restitutievoet te betalen. Op grond van artikel 21, lid 2, geldt deze bepaling evenwel alleen, indien een restitutie voor alle derde landen is vastgesteld. De verwijzende rechter wenst voorts te vernemen, of artikel 21, lid 2, aldus moet worden uitgelegd, dat de niet-vaststelling van een restitutievoet (aangegeven door: "-") moet worden gelijkgesteld met de vaststelling van een restitutievoet die nul bedraagt, zodat de in die bepaling opgenomen voorwaarde, namelijk dat voor alle derde landen een restitutie is vastgesteld, als vervuld moet worden beschouwd. Bovendien moet de verwijzende rechter helderheid worden verschaft over de vraag, of het voor de betaling van de restitutie een relevant gegeven is, dat het product, na het geografisch grondgebied van de Gemeenschap te hebben verlaten, door overmacht verloren is gegaan.
De vraag van de gedifferentieerde restitutie
8 Volgens Astir kan alleen van een gedifferentieerde restitutie worden gesproken, wanneer voor verschillende landen verschillende restitutievoeten zijn vastgesteld. Wanneer er geen restitutievoet is vastgesteld, gaat het niet om een differentiatie, maar om een uitzondering op het recht op restitutie voor bepaalde bestemmingen. Een uitzondering heeft niet dezelfde betekenis als een differentiatie. In het onderhavige geval, waarin voor alle landen een restitutie is vastgesteld en voor één land niet, gaat het niet om een differentiatie, maar om een uitzondering. Deze uitzondering geldt niet wanneer het product door overmacht verloren is gegaan. Daarom moet de voor alle landen geldende restitutie worden betaald.
9 De Griekse regering stemt in met de opmerking van de Commissie, dat de onderhavige zaak valt onder artikel 8, lid 2, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 2746/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende algemene regels voor de toekenning van restituties bij de uitvoer en criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag in de sector granen.(3) Deze bepaling staat afwijkingen op de regel van artikel 8, lid 2, eerste alinea, toe, volgens welke de gedifferentieerde restitutie alleen wordt betaald, indien het bewijs wordt geleverd dat het product de bestemming heeft bereikt waarvoor de restitutie was vastgesteld. Artikel 8, lid 2, tweede alinea, van deze verordening vormt dus de rechtsgrondslag van artikel 21 van de verordening, waar het in deze zaak om gaat.
10 De Commissie heeft uiteengezet, dat de niet-vaststelling van een restitutievoet voor de Sovjet-Unie destijds te wijten was aan een embargo. De niet-vaststelling van een restitutievoet had tot doel, te garanderen dat geen enkele steun werd verleend voor uitvoer naar de Sovjet-Unie. Volgens de Commissie moet het niet vaststellen van een restitutievoet worden gelijkgesteld met een differentiatie. Wanneer voor de meerderheid van de derde landen een restitutievoet van 72 ECU is vastgesteld, maar voor één derde land geen restitutievoet is vastgesteld, is er sprake van een differentiatie van restitutievoeten op grond van de bestemming. In feite zou hetzelfde resultaat kunnen worden bereikt door een restitutievoet van nul vast te stellen.
11 Ter terechtzitting heeft de Commissie uiteengezet, dat er sprake is van een niet-gedifferentieerde restitutie, wanneer de restitutievoet voor alle landen gelijk is. De Commissie heeft de niet-vaststelling van een restitutievoet voor een bepaald land altijd aldus uitgelegd, dat de exporteurs die naar dit land hebben uitgevoerd, geen enkele restitutie moeten ontvangen. Met andere woorden, de laagste restitutievoet kan eveneens voortvloeien uit de niet-vaststelling van een restitutievoet. Dit blijkt op een ander gebied bijvoorbeeld uit verordening (EEG) nr. 776/78 van de Commissie van 18 april 1978 met betrekking tot de toepassing van de laagste restitutievoet bij uitvoer van zuivelprodukten en tot intrekking of wijziging van enkele verordeningen.(4) Luidens de achtste overweging van de considerans van deze verordening, "vloeit de laagste restitutievoet eveneens voort uit de niet-vaststelling van een restitutie". Er is in casu dus sprake van een gedifferentieerde restitutie, want er is geen restitutie voor de Sovjet-Unie vastgesteld.
12 Desgevraagd heeft de Commissie ter terechtzitting verklaard, dat er niettemin een verschil is tussen een streepje en een restitutievoet die op nul is vastgesteld. In de eerste plaats vormt nul een restitutievoet en deze kan daarom vooraf worden vastgesteld. De afgifte van een certificaat met een restitutievoet nul geeft de exporteur de mogelijkheid om zich gedurende de volledige geldigheidsduur van het certificaat te verzekeren voor deze restitutievoet. Dit is met name interessant in geval van spanningen op de wereldmarkt, die kunnen leiden tot de vaststelling van uitvoerrechten. Overeenkomstig verordening (EEG) nr. 120/89 van de Commissie van 19 januari 1989 tot vaststelling van de gemeenschappelijke bepalingen voor de toepassing van heffingen en belastingen bij uitvoer van landbouwprodukten(5), wordt een vooraf vastgestelde restitutie niet beïnvloed door een latere heffing bij uitvoer, die wordt verlangd op een datum voorafgaande aan de beëindiging van de douaneformaliteiten. In de tweede plaats geldt verordening (EEG) nr. 565/80 van de Raad van 4 maart 1980 betreffende de vooruitbetaling van de uitvoerrestituties voor landbouwprodukten(6), voor producten waarvoor een restitutie van gelijk aan of hoger dan nul is vastgesteld.
13 Ik wil beklemtonen, dat ingevolge artikel 9, lid 1, van de verordening de restituties slechts worden uitbetaald, indien het bewijs wordt geleverd dat het product het grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten. Volgens artikel 20, lid 1, geldt voor naar bestemming gedifferentieerde restituties als voorwaarde voor de betaling van de restitutie, dat het product is ingevoerd in het derde land of in een van de derde landen waarvoor de restitutie is vastgesteld. Overeenkomstig artikel 20, lid 2, moet het bewijs worden geleverd, dat de douaneformaliteiten in het land van bestemming zijn vervuld. Blijkens de negende en de zestiende overweging van de considerans van de verordening is artikel 20, lid 1, ingegeven door de zorg misbruik te voorkomen. Bij gebreke van een zelfde restitutievoet voor alle derde landen bestaat er daarom een risico, dat het product wordt heruitgevoerd naar een land waarvoor een lagere restitutievoet geldt.
14 Mijns inziens bestaat dit risico van misbruik niet alleen, wanneer voor verschillende landen verschillende restitutievoeten zijn vastgesteld, waaronder een restitutievoet nul, maar eveneens wanneer voor een of meerdere landen geen restitutievoet is vastgesteld. In de beide gevallen voorziet artikel 20, lid 1, dus in een behoefte. In navolging van de Commissie, wier verklaring van de praktijk op het gebied van de vaststelling van een restitutievoet nul of de niet-vaststelling van een restitutievoet als uitgangspunt moet worden genomen, ben ik daarom van mening, dat er sprake is van een gedifferentieerde restitutie wanneer voor alle derde landen een zelfde restitutievoet is vastgesteld, met uitzondering van één land, waarvoor geen restitutievoet is vastgesteld.
De uitlegging van artikel 21, lid 2
15 Wanneer men aanneemt, dat er sprake is van een gedifferentieerde restitutie, dan moet, zoals gezegd, artikel 20 van de verordening worden toegepast. Dit artikel wijkt ten dele af van artikel 21, lid 1, op grond waarvan een gedeelte van de restitutie kan worden betaald zodra het bewijs wordt geleverd, dat het product het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten. Artikel 21, lid 1, wordt in de zeventiende overweging van de considerans van de verordening gemotiveerd: hier wordt vermeld dat, teneinde de uitvoertransacties waarvoor naar gelang van de bestemming verschillende restituties worden toegekend, op gelijke voet te stellen met de andere uitvoertransacties, dient te worden bepaald dat het gedeelte van de restitutie, berekend op basis van de laagste restitutievoet, wordt uitbetaald zodra de exporteur het bewijs heeft geleverd dat het product het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten. Artikel 21, lid 1, stelt niet als voorwaarde, dat het product op de bestemming is aangekomen. Geldt deze bepaling, dan heeft Astir dus recht op de laagste restitutievoet. Artikel 21, lid 1, geldt op grond van lid 2 van dit artikel echter alleen, indien voor een bepaald product voor alle derde landen een restitutie is vastgesteld. Het gaat daarom om de vraag, of het feit dat geen restitutievoet is vastgesteld, moet worden gelijkgesteld met de vaststelling van een restitutievoet nul, zodat de voorwaarde van artikel 21, lid 2, als vervuld kan worden beschouwd. Eventueel moet ook de vraag worden beantwoord, welke restitutievoet de laagste is.
16 De Commissie en de Griekse regering hebben betoogd, dat de voorwaarde van artikel 21, lid 2, in casu niet is vervuld, omdat wegens een embargo geen restitutie voor de Sovjet-Unie was vastgesteld. Zelfs indien men aanneemt, dat de niet-vaststelling van een restitutievoet neerkomt op een restitutie die nul bedraagt en de voorwaarde van artikel 21, lid 2, dus was vervuld, staat artikel 21, lid 1, geen betaling vooraf toe, omdat deze bepaling voorziet in de betaling van de laagste restitutievoet, die in casu nu juist nul was. Dit volgt uit het arrest van het Hof in de zaak Tara Meat Packers.(7)
17 In die zaak heeft het Hof zich over een soortgelijke vraag in verband met verordening nr. 3665/87 van de Commissie(8) uitgesproken. Deze verordening verving de verordening die thans aan de orde is en bevatte zowel een codificatie van talrijke wijzigingen als verschillende aanpassingen.(9) Artikel 20, dat in de hierna volgende rechtsoverwegingen van het arrest van het Hof wordt genoemd, komt qua inhoud overeen met artikel 21 van de verordening in deze zaak. De rechtsoverwegingen 13 tot en met 16 van het arrest luiden als volgt:
"13 Hierbij zij in aanmerking genomen dat krachtens de bepalingen van artikel 20 die, zoals in de dertiende overweging van de considerans wordt vermeld, bedoeld zijn om de uitvoertransacties waarvoor verschillende restituties worden vastgesteld, op gelijke voet te stellen met de andere uitvoertransacties, een deel van de restitutie kan worden betaald zelfs voordat, volgens de algemene regel, het bewijs is geleverd dat de goederen werkelijk op de opgegeven plaats van bestemming zijn aangekomen.
14 Tegenover deze mogelijkheid tot vooruitbetaling van een deel van de restitutie bepaalt artikel 20, lid 2, als voorzorgsmaatregel om te garanderen dat de goederen de opgegeven bestemming bereiken, dat de betaling niet hoger mag zijn dan het restitutiebedrag dat aan de hand van de laagst toepasselijke restitutievoet is berekend en dat in ieder geval wordt betaald ongeacht het land van de opgegeven eindbestemming.
15 Een dergelijk stelsel is derhalve niet van toepassing in de omstandigheden van het hoofdgeding, waarin geen restitutievoeten voor alle bestemmingen waren vastgesteld.
16 Een andere gevolgtrekking is niet mogelijk, zelfs aangenomen, zoals [Tara Meat Packers] betoogt, dat wanneer geen restitutievoet is vastgesteld, van een restitutievoet nul moet worden uitgegaan. Dan zou immers de in ieder geval voor alle landen van uitvoer geldende restitutievoet de nulvoet zijn en zouden de handelaars dus geen recht hebben op enige vooruitbetaling krachtens artikel 20."
18 Gelet op rechtsoverweging 15 van bovenstaand arrest moet wel worden geconcludeerd, dat de niet-vaststelling van een restitutievoet, voor de toepassing van artikel 21 van de verordening niet kan worden gelijkgesteld met de vaststelling van een nulvoet. Zelfs indien dit mogelijk was, zou men hoogstens kunnen spreken van de toepassing van een restitutievoet nul, zodat de exporteur geen recht heeft op vooruitbetaling uit hoofde van artikel 21 (zie r.o. 16 van bovengenoemd arrest). Dit betekent, dat de restitutiebetaling uit hoofde van artikel 20 enkel mogelijk is indien het product, overeenkomstig de voorwaarde van dit artikel, is ingevoerd in het derde land of in een van de derde landen waarvoor de restitutie is vastgesteld.
Overmacht
19 Astir heeft betoogd, dat uit artikel 10, lid 4, van de verordening duidelijk blijkt, dat altijd een restitutie moet worden betaald wanneer een product, na het geografisch grondgebied van de Gemeenschap te hebben verlaten, als gevolg van overmacht verloren is gegaan. De betaling vindt niet haar rechtvaardiging in de verwezenlijking van de uitvoertransactie, maar dient als schadeloosstelling van de exporteur, die niet verantwoordelijk is voor de niet-verwezenlijking ervan. De verordening bepaalt in elk geval niet, dat de exporteur ieder recht op restitutie verliest; zij bevat alleen voorschriften ter bepaling van het restitutiebedrag.
20 De Commissie en de Griekse regering hebben uiteengezet, dat in geval van een gedifferentieerde restitutie, de betaling enkel overeenkomstig artikel 21 kan geschieden. Overmacht heeft daarom geen invloed op de betaling van het restitutiebedrag. Dit volgt uit het hierboven genoemde arrest van het Hof in de zaak Tara Meat Packers.
21 Ter terechtzitting heeft de Griekse regering opgemerkt, dat het wellicht zinvol is na te gaan, of de artikelen 10, 20 en 21 in situaties van overmacht aldus moeten worden uitgelegd, dat de laagste restitutievoet, opgevat als de laagste restitutievoet boven nul, moet worden betaald, op voorwaarde dat uit de beschikbare informatie blijkt, dat de handelswaar op het moment waarop zij verloren is gegaan op weg was naar een land waarvoor een restitutievoet was vastgesteld.
22 Ik wil erop wijzen dat in artikel 10, lid 4, is bepaald, dat wanneer het product door overmacht verloren gaat, in geval van een gedifferentieerde restitutie het overeenkomstig artikel 21 bepaalde gedeelte van de restitutie wordt betaald. Mijns inziens bevat artikel 10, lid 4, geen bepaling die, voor de onderhavige zaak, niet reeds rechtstreeks uit artikel 21 voortvloeit. Artikel 10, lid 4, beoogt waarschijnlijk enkel vast te stellen, dat artikel 21 eveneens geldt in de specifieke gevallen van misbruik, genoemd in artikel 10, lid 1. Uit het dossier blijkt niet, dat er in casu sprake is van een van deze specifieke gevallen van misbruik, zodat in dit geval noch artikel 10, lid 1, noch artikel 10, lid 4, dat verband houdt met lid 1, toepassing vindt.
23 Maar zelfs al zou artikel 10, lid 4, van toepassing zijn, dan nog kan Astir hieraan mijns inziens geen rechten ontlenen. Wat gedifferentieerde restituties betreft moet de bepaling, zoals gezegd, aldus worden opgevat, dat artikel 21 eveneens geldt in de specifieke situaties van misbruik, bedoeld in artikel 10, lid 1. Artikel 10, lid 4, bepaalt dus de inhoud van het voorbehoud van overmacht in artikel 10, lid 1. Mijns inziens is het enige doel dat men aan dit voorbehoud kan toeschrijven, de specifieke situaties van misbruik vrij te stellen van de bijzondere eisen die anders op basis van artikel 10, lid 1, kunnen worden gesteld. Men mag er echter niet van uitgaan, dat dit voorbehoud de restitutiebetaling in een grotere mate beoogt te waarborgen dan voortvloeit uit de algemene regels van de verordening.
24 De verordening bevat derhalve geen bepalingen op grond waarvan gevallen van overmacht anders dan volgens de algemene regels van de artikelen 9, 20 en 21 van de verordening moeten worden behandeld. In dit verband kan worden volstaan met te verwijzen naar artikel 10, lid 4, op grond waarvan in geval van een gedifferentieerde restitutie, indien het product door overmacht verloren gaat, de betaling plaatsvindt overeenkomstig de algemene regel van artikel 21. Dit is overigens wat het Hof in de zaak Tara Meat Packers, reeds aangehaald, heeft gedaan. Het in dat arrest genoemde artikel 5, lid 3, van verordening nr. 3665/87 komt overeen met artikel 10, lid 4, van de hier aan de orde zijnde verordening. De rechtsoverwegingen 17 en 18 van het arrest luiden als volgt:
"17 Met betrekking tot het verlorengaan van de goederen tijdens het vervoer als gevolg van overmacht, zij erop gewezen dat, in geval van een gedifferentieerde restitutie, krachtens artikel 5, lid 3, van verordening nr. 3665/87 slechts een overeenkomstig artikel 20 bepaald gedeelte van de restitutie wordt toegekend.
18 In omstandigheden als die van het hoofdgeding, staat het in aanmerking nemen van een geval van overmacht derhalve geheel los van de betaling van een gedifferentieerde restitutie."
25 In dit verband moet niet uit het oog worden verloren dat, zoals gezegd, artikel 10, lid 4, enkel betrekking heeft op overmacht in de specifieke gevallen van misbruik van artikel 10, lid 1, welke in casu niet relevant zijn.
De communautaire wetgever heeft het niet zinvol geacht in de artikelen 20 en 21 een uitzondering op te nemen voor gevallen van overmacht. Dit volgt overigens a contrario uit artikel 22, dat uitdrukkelijk een dergelijk voorbehoud maakt voor de bijzondere gevallen waarin het product een andere bestemming bereikt dan voorzien.
26 Onder deze omstandigheden moet ik concluderen, dat gevallen van overmacht geen van de algemene regels van de verordening afwijkende behandeling rechtvaardigen.
Conclusie
27 Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
"De artikelen 20 en 21 van verordening (EEG) nr. 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten, moeten aldus worden uitgelegd, dat de uitvoer geen recht geeft op restitutie, wanneer het betrokken product, na het geografisch grondgebied van de Gemeenschap te hebben verlaten, onderweg als gevolg van overmacht verloren is gegaan, en voor dat product een zelfde restitutievoet is vastgesteld voor alle derde landen, behalve voor één land, waarvoor geen restitutie is vastgesteld."
(1) - PB 1979, L 317, blz. 1, laatstelijk gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1180/87 van de Commissie van 29 april 1987 (PB 1987, L 113, blz. 27). Deze verordening is ingetrokken bij verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (PB 1987, L 351, blz. 1).
(2) - PB 1981, L 26, blz. 40.
(3) - PB 1975, L 281, blz. 78.
(4) - PB 1978, L 105, blz. 5.
(5) - PB 1989, L 16, blz. 19, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1431/93 van de Commissie van 10 juni 1993 (PB 1993, L 140, blz. 27).
(6) - PB 1980, L 62, blz. 5, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2026/83 van de Raad van 18 juli 1983 (PB 1983, L 199, blz. 12).
(7) - Arrest van 25 mei 1993 (zaak C-321/91, Jurispr. 1993, blz. I-2811).
(8) - Aangehaald in voetnoot 1.
(9) - Zie de eerste overweging van de considerans van verordening nr. 3665/87 van de Commissie.
Full & Egal Universal Law Academy