Conclusie van de advocaat generaal
++++
1 Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 27 april 1976 en namens de Gemeenschap gesloten bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978(1) (hierna: "Overeenkomst").
Meer bepaald vraagt de Centrale Raad van Beroep, of krachtens artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst ook de niet-actieve echtgenote van een Marokkaanse werknemer recht kan doen gelden op de in de betrokken nationale wettelijke regeling voor de onderdanen vastgelegde overgangsvoordelen betreffende het ouderdomspensioen.
2 Vooraf dienen de belangrijkste bepalingen van de Overeenkomst en de relevante nationale wettelijke bepalingen in herinnering te worden gebracht.
De Overeenkomst heeft ten doel een algemene samenwerking tussen de partijen bij de Overeenkomst te bevorderen, teneinde bij te dragen tot de economische en sociale ontwikkeling van Marokko en de versteviging van hun betrekkingen in de hand te werken (artikel 1). Deze samenwerking komt tot stand en wordt geregeld op drie gebieden: de economische, technische, en financiële samenwerking (titel I), het handelsverkeer (titel II) en de arbeidskrachten (titel III).
In casu zijn de bepalingen van titel III, dus die betreffende de arbeidskrachten, van belang. De bepaling waarvan de uitlegging wordt gevraagd, artikel 41, lid 1, bepaalt dat behoudens het bepaalde in de volgende leden de werknemers van Marokkaanse nationaliteit en de bij hen woonachtige gezinsleden op het gebied van de sociale zekerheid onder een regeling vallen die wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen deze werknemers en de eigen onderdanen van de Lid-Staten waar zij werkzaam zijn. De volgende leden regelen het recht voor Marokkaanse werknemers op samentelling van de in de verschillende Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering of van woonplaats voor bepaalde uitkeringen (lid 2), het recht op gezinsbijslagen voor gezinsleden die binnen de Gemeenschap woonachtig zijn (lid 3) en de vrijheid van overmaking naar Marokko van ouderdomspensioenen en -renten (lid 4). Voor de in de leden 1, 3 en 4 van artikel 39 neergelegde regeling geldt de voorwaarde van reciprociteit ten aanzien van in Marokko werkzame werknemers die onderdaan van de Lid-Staten zijn (lid 5). Voorts verleent artikel 42, lid 1, de Samenwerkingsraad de bevoegdheid om binnen een jaar na inwerkingtreding van de Overeenkomst de nodige bepalingen vast te stellen teneinde de toepassing van de in artikel 41 genoemde beginselen te verzekeren. Ingevolge de artikelen 44 en 45 ten slotte, die tot de algemene en slotbepalingen (titel IV) behoren, heeft de Samenwerkingsraad, samengesteld uit leden van de Raad en van de Commissie van de Europese Gemeenschappen enerzijds en leden van de Marokkaanse regering anderzijds, beslissingsbevoegdheid voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst en zijn zijn besluiten bindend voor de partijen bij de Overeenkomst.
3 Wat de in geding zijnde nationale bepalingen betreft, zij er allereerst aan herinnerd, dat bij de Algemene Ouderdomswet (hierna: "AOW"), die in werking is getreden op 1 januari 1957, een pensioenstelsel is ingevoerd waaronder het bedrag van het ouderdomspensioen in beginsel uitsluitend op basis van de vervulde verzekeringsjaren wordt berekend. Krachtens de AOW zijn verplicht verzekerd alle Nederlanders die in Nederland wonen, alsmede zij die ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de Nederlandse loonbelasting zijn onderworpen.
Wie krachtens de AOW verzekerd is geweest, heeft aanspraak op een ouderdomspensioen na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Het maximale ouderdomspensioenbedrag wordt bereikt na een verzekeringsloopbaan van 50 jaar, welke aanvangt bij de 15e en eindigt bij de 65e verjaardag; voor ieder niet-verzekerd jaar wordt een korting van 2 % toegepast.
Aangezien de AOW in werking is getreden op 1 januari 1957, was verzekering vóór dat tijdstip uiteraard niet mogelijk, zodat niemand vóór het jaar 2007 aanspraak had kunnen maken op een volledig ouderdomspensioen. Daarom heeft de Nederlandse wetgever een overgangsregeling ingesteld bij de artikelen 55 en 56 AOW, op grond waarvan als verzekeringstijdvakken in de zin van de AOW worden aangemerkt, de tijdvakken die gelegen zijn tussen het 15e levensjaar van de verzekerde en 1 januari 1957, mits de betrokkene aan drie eisen voldoet: a) tussen de voleinding van zijn 59e en van zijn 65e levensjaar in Nederland hebben gewoond (de "zes jaren"-wooneis)(2); b) Nederlander of daarmee gelijkgesteld zijn (deze voorwaarde geldt uiteraard niet voor gemeenschapsonderdanen die gebruik maken van het recht van vrij verkeer in de zin van verordening nr. 1408/71); c) na het bereiken van zijn 65e jaar in Nederland blijven wonen (de "actuele wooneis".(3)
Wat de onderhavige zaak betreft, zij er in het bijzonder op gewezen, dat ingevolge artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 november 1985 naast degenen die in de zin van de regeling vrij verkeer genieten, ook met Nederlanders zijn gelijkgesteld diegenen die na het bereiken van de 20-jarige leeftijd gedurende vijftien jaren al dan niet onafgebroken in Nederland hebben gewoond, mits zij gedurende de vijf aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd onmiddellijk voorafgaande jaren onafgebroken in Nederland hebben gewoond.
4 Ten slotte herinner ik eraan, dat verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: "de verordening")(4), ingevolge artikel 2, lid 1, van toepassing is op "werknemers op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der Lid-Staten, dan wel op het grondgebied van een der Lid-Staten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen". De materiële werkingssfeer van de verordening wordt afgebakend in artikel 4. Wat de onderhavige zaak betreft, zij erop gewezen, dat uitkeringen bij ouderdom uitdrukkelijk worden genoemd onder de uitkeringen waarop de verordening van toepassing is (artikel 4, lid 1, sub c).
Op dit punt moet worden beklemtoond, dat de Raad, in verband met het feit dat de voordelen van vorengenoemde overgangsregeling - die berust op criteria van nationaliteit en woonplaats - niet voor alle migrerende werknemers toegankelijk waren, in de verordening ad hoc-bepalingen heeft opgenomen teneinde mogelijke discriminatie te voorkomen. Onderdeel J (Nederland), punt 2, van bijlage VI bij de verordening betreffende de "toepassing van de Nederlandse Algemene Ouderdomswet" bepaalt onder meer:
"a) De korting als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de Algemene Ouderdomswet wordt niet toegepast voor kalenderjaren of delen van kalenderjaren welke voor 1 januari 1957 zijn gelegen en gedurende welke de rechthebbende die niet voldoet aan de voorwaarden op grond waarvan deze jaren kunnen worden gelijkgesteld met tijdvakken van verzekering, tussen zijn 15e en 65e jaar in Nederland heeft gewoond of gedurende welke hij, op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonende, in Nederland arbeid heeft verricht in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever.
In afwijking van artikel 7 van de Algemene Ouderdomswet komt voor de gelijkstelling ook in aanmerking de rechthebbende die uitsluitend vóór 1 januari 1957 overeenkomstig de bovenvermelde bepalingen in Nederland heeft gewoond of gewerkt.
b) De korting bedoeld in artikel 13, lid 1, van de Algemene Ouderdomswet wordt evenmin toegepast voor kalenderjaren of delen van kalenderjaren welke vóór 2 augustus 1989 zijn gelegen en gedurende welke een gehuwde of gehuwd geweest zijnde vrouw tussen haar 15e en 65e jaar, wonende op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan Nederland, niet ingevolge genoemde wet verzekerd was, voor zover het kalenderjaren of delen van kalenderjaren betreft die samenvallen met verzekeringstijdvakken die door haar echtgenoot krachtens bedoelde wet zijn vervuld, dan wel met kalenderjaren of delen van kalenderjaren die in aanmerking moeten worden genomen krachtens het bepaalde onder a).
De hierboven bedoelde vrouw wordt in afwijking van het bepaalde in artikel 7 van de Algemene Ouderdomswet als rechthebbende aangemerkt.
(...)
e) Het bepaalde onder a), b), c) en d) geldt alleen indien de rechthebbende na het bereiken van de 59-jarige leeftijd gedurende zes jaren op het grondgebied van een of meer Lid-Staten heeft gewoond en zolang hij op het grondgebied van één deze Lid-Staten woont.
(...)
h) Het bepaalde onder a), b), c) en d) geldt niet voor tijdvakken welke samenvallen met tijdvakken die in aanmerking kunnen worden genomen bij de berekening van pensioenrechten ingevolge de ouderdomspensioenregeling van een andere Lid-Staat dan Nederland en evenmin voor tijdvakken gedurende welke de betrokkene ingevolge een dergelijke regeling een pensioen ontving."
Een en ander komt erop neer, dat volgens de aangehaalde bepalingen de AOW-gerechtigde die niet voldoet aan de voorwaarden op grond waarvan hij recht zou hebben op gelijkstelling van vóór 1 januari 1957 gelegen tijdvakken met verzekeringstijdvakken, niettemin recht heeft - mits hij na het voleindigen van zijn 59e levensjaar gedurende zes jaren op het grondgebied van een of meer Lid-Staten heeft gewoond - op gelijkstelling van vóór 1 januari 1957 gelegen tijdvakken gedurende welke hij na de leeftijd van vijftien jaar in Nederland heeft gewoond of gedurende welke hij weliswaar op het grondgebied van een andere Lid-Staat heeft gewoond, maar arbeid heeft verricht in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever. Het betreft derhalve bepalingen op grond waarvan men zijn recht op de overgangsvoordelen terugkrijgt, zij het slechts gedeeltelijk, aangezien de gelijkstelling met verzekeringsjaren van dergelijke vóór 1 januari 1957 gelegen tijdvakken enkel kan plaatsvinden voor tijdvakken waarin door wonen of werken een bijzondere band tussen de betrokkene en het Nederlandse uitkeringsstelsel heeft bestaan. Door toe te staan dat aan het recht op overgangsvoordelen bijzondere woonplaatsvoorwaarden worden gesteld, staat de regeling van de in geding zijnde bijlage derhalve - het zij beklemtoond - een uitzondering toe op de in artikel 10 van de verordening gestelde verplichting tot opheffing van de bepalingen inzake de woonplaats.
5 Dan kom ik thans toe aan de feiten die aanleiding zijn geweest tot het onderhavige geschil. Mevrouw Hallouzi-Choho, van Marokkaanse nationaliteit, woont in Nederland met haar Marokkaanse echtgenoot, die na in die Lid-Staat arbeid in loondienst te hebben verricht, aldaar een pensioen ontvangt ingevolge de AOW. Bij beslissing van 5 juli 1991 werd Hallouzi-Choho, die in de Gemeenschap nooit werkzaamheden heeft verricht, door het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (de uitkeringsinstantie; hierna: "SVB") een ouderdomspensioen ingevolge de AOW toegekend met ingang van 1 juli 1991, de datum dat zij de 65-jarige leeftijd bereikte. Dit pensioen, dat haar in haar hoedanigheid van zelfstandig verzekerde werd toegekend, bedroeg 22 % van het wettelijk pensioenbedrag voor een gehuwde. Het was gebaseerd op de tijdvakken gedurende welke zij als ingezetene van Nederland verzekerd was geweest ingevolge de AOW, te weten van 12 september 1977 tot 1 januari 1982 en van 26 februari 1985 tot 1 juli 1991.
In zijn beslissing van 5 juli 1991 weigerde de SVB op grond van de Marokkaanse nationaliteit van verzoekster, voor de pensioenberekening mede in aanmerking te nemen de fictieve verzekeringstijdvakken van haar vijftiende levensjaar tot 1 januari 1957, de datum waarop de AOW in werking trad. Aangezien onbetwist is, dat Hallouzi-Choho zowel aan de "zes jaren"-wooneis als aan de "actuele wooneis" voldoet, berust de niet-inaanmerkingneming van de tijdvakken vóór 1 januari 1957 derhalve uitsluitend op de niet-Nederlandse nationaliteit van verzoekster.
Tegen de beslissing van 5 juli 1991 werd door Hallouzi-Choho beroep ingesteld bij de Raad van Beroep te Amsterdam. Deze verklaarde het beroep ongegrond bij uitspraak van 21 april 1992. Hiervan kwam Hallouzi-Choho in beroep bij de Centrale Raad van Beroep, waarbij zij stelde dat ingevolge artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst werknemers van Marokkaanse nationaliteit en de bij hen woonachtige gezinsleden onder een regeling vallen die wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit ten opzichte van de eigen onderdanen van de Lid-Staten waar deze werknemers werkzaam zijn, zodat haar de overgangsvoordelen van de AOW onmogelijk kunnen worden ontzegd met een beroep op enige nationaliteitsvoorwaarde.
6 Bij de verwijzende rechter is twijfel gerezen ten aanzien van de vraag of het in artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst neergelegde beginsel van non-discriminatie ook toepasselijk is op de overgangsvoordelen van de AOW en hij heeft het Hof daarom de volgende prejudiciële vraag gesteld: "Dient artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Marokko zo te worden uitgelegd, dat deze bepaling in de weg staat aan het stellen van de voorwaarde inzake het bezit van de Nederlandse nationaliteit aan de echtgenote - gezinslid in de zin van artikel 41, lid 1, van die Overeenkomst - van een Marokkaanse werknemer, ter verkrijging van de aanspraak op overgangsvoordelen in de zin van de Nederlandse Algemene Ouderdomswet?"
Deze vraag beoogt derhalve de vaststelling, of de overgangsvoordelen van de AOW krachtens het in artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst vastgelegde beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit, ook gelden voor de niet-actieve echtgenote van een Marokkaanse werknemer.
7 Vooraf herinner ik eraan, dat het Hof zich in de arresten Kziber(5) en Yousfi(6) reeds heeft kunnen uitspreken over de uitlegging van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst. In deze arresten heeft het Hof, na nog eens de voorwaarden te hebben genoemd waaraan een bepaling van een overeenkomst moet voldoen om rechtstreekse werking te hebben, zeer duidelijk gesteld, dat "uit de bewoordingen van artikel 41, lid 1, evenals uit het voorwerp en de aard van de Overeenkomst waarin deze bepaling is opgenomen, volgt dat deze bepaling rechtstreeks kan worden toegepast".(7)
In deze arresten verklaarde het Hof bovendien dat "het begrip sociale zekerheid in de zin van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst moet worden begrepen analoog aan het identieke begrip in verordening (...) nr. 1408/71".(8)
8 De rechtstreekse werking van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst en de omstandigheid dat het daarin gebezigde begrip sociale zekerheid moet worden uitgelegd aan de hand van het overeenkomstige begrip in verordening nr. 1408/71, zijn overigens twee punten die enkel door de Franse regering ter terechtzitting ter discussie zijn gesteld, zulks evenwel in tegenspraak tot de vaste rechtspraak van het Hof.
Aangezien voorts evenmin is betwist dat Hallouzi-Choho in haar hoedanigheid van lid van het gezin van een Marokkaans werknemer volledig binnen de personele werkingssfeer van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst valt, behoeft enkel nog te worden onderzocht, of de overgangsvoordelen ingevolge de artikelen 55 en 56 AOW onder het begrip sociale zekerheid in de zin van de verordening en dus binnen de materiële werkingssfeer van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst vallen.
9 Dienaangaande behoeft er thans slechts aan te worden herinnerd, dat artikel 4, lid 1, van de verordening, dat nauwkeurig de takken van sociale zekerheid opsomt die binnen haar werkingssfeer vallen, sub c uitdrukkelijk de uitkeringen bij ouderdom noemt. De overgangsvoordelen van de AOW, die leiden tot een verhoging van het aan de betrokkene toekomende pensioen, vallen dan ook zonder enige twijfel ten volle binnen de werkingssfeer van de verordening en daarmee ook binnen die van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst.
Voor de onderhavige zaak betekent dit, dat ook verzoekers van Marokkaanse nationaliteit die werknemer of gezinslid van een werknemer zijn, zich teneinde in aanmerking te komen voor de overgangsvoordelen van de AOW op de desbetreffende bepalingen van de Overeenkomst kunnen beroepen.
10 De verwijzende rechter spreekt in dit verband evenwel zijn twijfel uit en wijst erop, dat enerzijds de Overeenkomst dienaangaande geen enkele uitdrukkelijke bepaling bevat, en anderzijds het Hof - gelet op de bijzondere kenmerken van de regeling betreffende de overgangsvoordelen - de wettigheid zou hebben erkend van de in de AOW neergelegde woonplaatsvoorwaarden, welke zijn afgezwakt in bijlage VI, onderdeel J, punt 2, waarin zoals gezegd juist een uitzondering wordt toegestaan op de in artikel 10 van de verordening gestelde verplichting tot opheffing van de bepalingen inzake de woonplaats. Uitgaande van deze gedachtengang hebben de Nederlandse regering en de SVB vervolgens in de procedure betoogd, dat artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst in geen geval kan worden uitgelegd als verdergaand dan in deze bijlage is bepaald. Met andere woorden, het Hof wordt verzocht de bepalingen van de bijlage analogisch toe te passen op het onderhavige geval.
Inderdaad heeft het Hof onder verwijzing naar de bijzonderheden bij de toepassing van de AOW, die zijn neergelegd en geclausuleerd in bijlage VI, onderdeel J, punt 2, bij de verordening, erkend, dat "de regel van artikel 10 inzake de opheffing van de bepalingen inzake woonplaats (...) niet zonder meer (kan) worden toegepast op een stelsel van algemene ouderdomsverzekering, waaronder het enkele feit dat men Nederlands ingezetene is, volstaat om verzekerd te zijn".(9) Hieruit wordt evenwel geconcludeerd, dat de werking van "de bepalingen inzake woonplaats ten aanzien van de overgangsvoordelen van de AOW (wordt) gewettigd door de bepalingen van bijlage VI, die in zoverre de werkingssfeer van artikel 10 beperken".(10) Met andere woorden, aangezien de woonplaats het enige criterium voor de AOW-verzekering is en de overgangsvoordelen geen betrekking hebben op werkelijke verzekeringstijdvakken, nu de verzekerden geen premie verschuldigd zijn, heeft het Hof verklaard, dat de in de AOW gestelde voorwaarden inzake de woonplaats door de betrokken bepalingen van de bijlage werden gerechtvaardigd.
11 Ik wijs er evenwel op, dat deze rechtspraak voor het onderhavige geval volslagen irrelevant is. Zoals reeds opgemerkt voldoet Hallouzi-Choho immers zowel aan de "zes jaren"-wooneis (na het voleindigen van het 59e levensjaar gedurende zes jaren in Nederland hebben gewoond) als aan de "actuele wooneis" (na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar in Nederland blijven wonen). De weigering van de SVB om de overgangsvoordelen toe te kennen berust derhalve niet op het woonplaatsvereiste maar op de omstandigheid dat het iemand betreft die geen Nederlandse is en evenmin met een Nederlandse kan worden gelijkgesteld op grond van eerdergenoemd koninklijk besluit van 15 november 1985.
Gelet op dit laatste punt acht ik eveneens irrelevant de door de SVB en de Nederlandse regering ter terechtzitting naar voren gebrachte omstandigheid dat Hallouzi-Choho, mits zij in tussentijd in Nederland blijft wonen, met ingang van februari 1996 op grond van dit koninklijk besluit van november 1985 voor gelijkstelling met Nederlanders en dus voor de in geding zijnde overgangsvoordelen in aanmerking komt. In wezen is dit immers een verdergaande wooneis dan waaraan Nederlanders worden onderworpen en dus strijdig met het in artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst neergelegde beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit.
12 De SVB betwist in feite niet, dat de echtgenote van een Marokkaanse werknemer binnen de personele werkingssfeer van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst en de in geding zijnde uitkering binnen de materiële werkingssfeer daarvan vallen. Zoals de SVB ter terechtzitting heeft uiteengezet, berust de weigering aan Hallouzi-Choho de overgangsvoordelen toe te kennen in wezen op de overtuiging dat de in geding zijnde uitkering niet kan worden uitgebreid tot de echtgenote van een Marokkaanse werknemer. De SVB verwijst in hoofdzaak naar het onderscheid tussen eigen rechten en afgeleide rechten, zoals het Hof dat heeft gehanteerd in een aantal arresten waarin het zich over de omvang van de personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 heeft uitgesproken(11) (hierna: "Kermaschek-rechtspraak"). In die arresten verklaarde het Hof namelijk, dat terwijl degenen die de hoedanigheid van werknemer hebben, uit hoofde van eigen recht aanspraak kunnen maken op de in verordening nr. 1408/71 bedoelde rechten, de gezinsleden van een werknemer alleen aanspraak kunnen maken op afgeleide rechten, dat wil zeggen de rechten die zij in de hoedanigheid van gezinslid van een werknemer hebben verkregen.
Aangezien alle Nederlandse ingezetenen van 15 tot 65 jaar, ongeacht geslacht en huwelijkse staat, rechtstreeks en persoonlijk ingevolge de AOW verzekerd zijn, ligt het voor de hand, dat de aanspraak op een pensioen geen aan de hoedanigheid van gezinslid of nagelaten betrekking van een migrerend werknemer gebonden recht is, doch een eigen recht, zodat de aansluiting bij een stelsel van vrijwillige verzekering in beginsel moet worden aangemerkt als een aan een ieder die aan de in de betrokken nationale regeling neergelegde criteria voldoet, toekomend recht. Op het onderhavige geval toegepast zou de Kermaschek-rechtspraak evenwel tot gevolg hebben, dat Hallouzi-Choho, als Marokkaanse die nooit in Nederland werkzaam is geweest, geen enkel recht zou kunnen doen gelden op de overgangsvoordelen van de AOW.
13 Om te beginnen herinner ik er in dit verband aan, dat het Hof in het reeds herhaaldelijk aangehaalde arrest Kziber, betreffende de omvang van de rechten van een gezinslid van een Marokkaanse werknemer op een werkloosheidsuitkering voor jonge werkzoekenden heeft verklaard dat "het in artikel 41, lid 1, neergelegde beginsel van het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit op het gebied van de sociale zekerheid impliceert, dat de belanghebbende die voldoet aan alle door een nationale wetgeving gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor een werkloosheidsuitkering voor jonge werkzoekenden, het recht op deze uitkeringen niet mag worden ontzegd op grond van zijn nationaliteit".(12)
Deze benadering werd nader uitgewerkt in het latere arrest Krid(13), waarin het ging om artikel 39, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst met Algerije(14), dat dezelfde inhoud heeft als de thans in geding zijnde bepaling. Het Hof, dat uitdrukkelijk was verzocht de Kermaschek-rechtspraak ook toe te passen op gezinsleden van werknemers van derde landen waarmee de Gemeenschap samenwerkingsovereenkomsten heeft gesloten, besliste in dat arrest met name dat die rechtspraak niet kon worden toegepast, waar de personele werkingssfeer van deze bepaling van de overeenkomst "niet dezelfde is als die van artikel 2 van verordening nr. 1408/71".
14 Uiteraard gelden dezelfde overwegingen ook voor het onderhavige geval. De Nederlandse regering en de SVB stellen evenwel, dat de niet-Nederlandse echtgenote van een werknemer die de nationaliteit van een Lid-Staat heeft, geen recht heeft op de in geding zijnde overgangsvoordelen, ook niet op grond van bijlage VI van de verordening. Zij betogen derhalve, dat wanneer het Hof zou verklaren, dat de Kermaschek-rechtspraak niet toepasselijk is op de gezinsleden van werknemers uit derde landen die binnen de personele werkingssfeer van de samenwerkingsovereenkomsten vallen, dit resultaat onaanvaardbaar zou zijn en zeker niet in overeenstemming met de bedoeling van de overeenkomstsluitende partijen.
De verwijzende rechter merkt op, dat aldus voor gezinsleden van werknemers uit de Gemeenschap een minder gunstige regeling zou gelden dan voor gezinsleden van werknemers met de nationaliteit van een derde land waarmee de Gemeenschap een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten, en verwijst ter illustratie naar het ten tijde van het verwijzingsbevel bij het Hof aanhangige geval Cabanis-Issarte, dat eveneens de overgangsvoordelen van de AOW betreft. De redenering is, kort gezegd, dat het in artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst neergelegde non-discriminatiebeginsel niet los kan worden gezien van de vraag of het eigen dan wel afgeleide rechten betreft, aangezien het gelijkheidsbeginsel van artikel 3, lid 1, van de verordening "behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening" enkel op de gezinsleden van werknemers wordt toegepast wanneer zij zich beroepen op afgeleide rechten.
15 Er valt niet aan te twijfelen, dat de uitsluitende toepassing van het onderscheid tussen eigen en afgeleide rechten op gezinsleden van communautaire werknemers en niet op gezinsleden van werknemers met de nationaliteit van een land waarmee de Gemeenschap een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten, tot discriminatie kan leiden die moeilijk te begrijpen valt, met name gelet op de draagwijdte van het Verdrag in vergelijking met een samenwerkingsovereenkomst. Afgezien van de juridische relevantie van een dergelijk onderscheid, staat evenzeer buiten twijfel, dat deze ongerijmdheid moet worden verholpen, echter stellig niet in de thans voorgestelde zin. Overeind blijft immers, dat artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst het beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit vastlegt, en derhalve geen enkele steun biedt voor het standpunt van de SVB en de Nederlandse regering.
Genoemde ongerijmdheid kan in wezen enkel worden verholpen door opnieuw te rade te gaan met de Kermaschek-rechtspraak. Dit is ook precies wat in het recente arrest Cabanis-Issarte(15) is gebeurd. Daarin verklaarde het Hof immers, dat artikel 3, lid 1, van de verordening "het recht op gelijke behandeling toe(kent) bij de toepassing van de wettelijke regelingen van de Lid-Staten inzake sociale zekerheid, zonder onderscheid te maken al naargelang de betrokken persoon werknemer, gezinslid dan wel weduwe of weduwnaar van een werknemer is. Elke afwijking van de gelijkheid van behandeling op grond van een van de in artikel 3, lid 1, bedoelde bepalingen van de verordening, moet hoe dan ook objectief gerechtvaardigd zijn, daar anders het grondbeginsel van non-discriminatie, dat artikel 3, lid 1, vastlegt op het gebied van de sociale zekerheid, zou worden uitgehold" (r.o. 26). In dit arrest wees het Hof er tevens op, dat "het onderscheid tussen eigen rechten en afgeleide rechten (...) tot gevolg kan hebben, dat afbreuk wordt gedaan aan een fundamenteel vereiste van de communautaire rechtsorde, te weten de eenvormige toepassing van haar voorschriften, doordat het de toepasselijkheid van die voorschriften op particulieren laat afhangen van de vraag, of de toepasselijke nationale wetgeving de in geding zijnde uitkeringen als eigen recht of als afgeleid recht kwalificeert, afhankelijk van de bijzonderheden van het nationale stelsel van sociale zekerheid" (r.o. 31).
16 Ingevolge dit arrest hebben derhalve zowel de gezinsleden van werknemers uit de Gemeenschap (Cabanis-Issarte), als die van onderdanen van derde landen waarmee de Gemeenschap een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten (Hallouzi-Choho), recht op de in geding zijnde uitkeringen ingevolge de AOW op dezelfde voorwaarden als de onderdanen van de Lid-Staat zelf. Dit is een resultaat dat stellig met bijval moet worden begroet, aangezien het een onderscheid uit de weg ruimt dat een zeker onbehagen teweegbracht en bovendien in strijd was met de letter en de geest van artikel 3, lid 1, van de verordening.(16)
Voor de onderhavige zaak betekent dit, dat het argument dat niet-toepasselijkheid van de Kermaschek-rechtspraak op het onderhavige geval zou leiden tot discriminatie van gezinsleden van onderdanen van een Lid-Staat ten opzichte van gezinsleden van een werknemer uit een derde land waarmee de Gemeenschap een samenwerkingsovereenkomst van het thans in geding zijnde type heeft gesloten, thans niet meer zo actueel is.
17 Nog een laatste opmerking. De Franse regering, die ter terechtzitting heeft geïntervenieerd, heeft het Hof verzocht, voor het geval het tot de slotsom zou komen dat het in artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst neergelegde beginsel van non-discriminatie in die zin moet worden uitgelegd dat de overgangsvoordelen van de AOW niet mogen worden ontzegd aan het gezinslid van een Marokkaanse werknemer, de effecten van het te wijzen arrest in de tijd te beperken, in verband met de ernstige of in elk geval onvoorzienbare financiële gevolgen die dit voor het Nederlandse sociale-zekerheidsstelsel zou hebben.
Ik merk hierover slechts op, dat in de eerste plaats noch de Nederlandse regering, noch de SVB een verzoek in die zin heeft gedaan, of hoe dan ook heeft gesteld, dat het arrest van het Hof ernstige financiële gevolgen zou hebben voor het Nederlandse sociale-zekerheidsstelsel; in de tweede plaats, dat de uitlegging van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst, gelet op de rechtspraak ter zake na het eerder aangehaalde arrest Kziber, niet tot enige onzekerheid aanleiding heeft kunnen geven. Nog afgezien van het feit dat het verzoek een ritueel karakter lijkt te hebben, is in casu derhalve in geen geval voldaan aan de strikte voorwaarden die volgens vaste rechtspraak van het Hof(17) aan de beperking in de tijd van de effecten van uitleggingsarresten moeten worden gesteld.
18 Gezien het voorafgaande geef ik het Hof in overweging, de vraag van de Centrale Raad van Beroep te beantwoorden als volgt:
"Artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 27 april 1976 en namens de Gemeenschap gesloten bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978, dient aldus te worden uitgelegd, dat deze bepaling eraan in de weg staat dat een Lid-Staat weigert, een gezinslid van een Marokkaanse werknemer dat bij hem woont de overgangsvoordelen voor de pensioenvaststelling toe te kennen die in zijn wettelijke regeling worden toegekend aan Nederlanders, op grond dat de betrokkene de Marokkaanse nationaliteit bezit."
(1) - PB 1978, L 264, blz. 1.
(2) - Deze voorwaarde wordt echter afgezwakt door artikel 2 van een koninklijk besluit van 3 december 1985, bepalende dat iemand die Nederland heeft verlaten, maar steeds krachtens de AOW verzekerd is gebleven, met het oog op de "zes jaren"-eis wordt geacht aldaar woonachtig te zijn.
(3) - Deze voorwaarde, die eveneens wordt afgezwakt door een bepaling in het koninklijk besluit van 3 december 1985, geldt niet voor degenen die vanaf 1 januari 1957 tot hun 65ste verjaardag onafgebroken verzekerd zijn geweest krachtens de AOW.
(4) - In de versie van verordening nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6).
(5) - Arrest van 31 januari 1991, zaak C-18/90 (Jurispr. 1991, blz. I-199).
(6) - Arrest van 20 april 1994, zaak C-58/93 (Jurispr. 1994, blz. I-1353).
(7) - Arrest Kziber, reeds aangehaald, r.o. 23; arrest Yousfi, reeds aangehaald, r.o. 17.
(8) - Arrest Kziber, reeds aangehaald, r.o. 25; arrest Yousfi, reeds aangehaald, r.o. 24.
(9) - Arrest van 2 mei 1990, zaak C-293/88, Winter-Lutzins (Jurispr. 1990, blz. I-1623, r.o. 16). Zie voorts arrest van 25 februari 1986, zaak 284/84, Spruyt (Jurispr. 1986, blz. 685).
(10) - Arrest Winter-Lutzins, reeds aangehaald, r.o. 18.
(11) - Zie arrest van 23 november 1976, zaak 40/76, Kermaschek (Jurispr. 1976, blz. 1669, r.o. 8). In dezelfde zin nadien arrest van 27 mei 1993, zaak C-310/91, Schmid (Jurispr. 1993, blz. I-3011, r.o. 12).
(12) - Arrest Kziber, reeds aangehaald, r.o. 28.
(13) - Arrest van 5 april 1995, zaak C-103/94 (Jurispr. 1995, blz. 719).
(14) - Overeenkomst ondertekend te Algiers op 26 april 1976 en namens de Gemeenschap gesloten bij verordening (EEG) nr. 2210/78 van de Raad van 26 september 1978 (PB 1978, L 263, blz. 1).
(15) - Arrest van 30 april 1996, zaak C-308/93 (Jurispr. 1996, blz. I-0000).
(16) - Deze aspecten zijn door mij uitvoerig besproken in mijn conclusie van 29 februari 1996 in de zaak Cabanis-Issarte, in het bijzonder in de punten 6 en 7, en 11 tot en met 14.
(17) - Zie arrest van 8 april 1976, zaak 43/75, Defrenne (Jurispr. 1976, blz. 455, r.o. 69-75); en recentelijk het arrest van 30 april 1996, Cabanis-Issarte, reeds aangehaald, r.o. 46-48.
Full & Egal Universal Law Academy