Conclusie van de advocaat generaal
1 In de onderhavige zaak heeft de Pretura circondariale di Genova (Italië) zich tot het Hof gewend met vragen omtrent de uitlegging van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden(1), en van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid.(2)
2 Die vragen zijn gesteld in het kader van een nationale regeling die bepaalt, dat de vrouwelijke werknemers van een in staat van crisis verklaarde onderneming vanaf de leeftijd van 50 jaar met vervroegd pensioen kunnen gaan en recht hebben op een krediet van aanvullende pensioenbijdragen voor de periode tot het bereiken van de leeftijd van 55 jaar, terwijl de overeenkomstige leeftijdsgrenzen voor mannen 55 respectievelijk 60 jaar bedragen.
De toepasselijke nationale wetgeving
3 Krachtens artikel 9 van wet nr. 218/1952 hebben mannelijke werknemers recht op pensioen op de leeftijd van 60 jaar en vrouwelijke werknemers op de leeftijd van 55 jaar. Voor beide categorieën werknemers is dit recht afhankelijk van de voorwaarde, dat aan de betrokkene ten minste 180 maandelijkse of 780 wekelijkse bijdragen zijn gecrediteerd.
4 In haar arrest nr. 371 van 6 juli 1989(3) verklaarde de Corte costituzionale, dat zowel mannen als vrouwen het recht hadden om tot de leeftijd van 60 jaar te blijven werken. Een vrouw die verkiest, niet op de leeftijd van 55 jaar met pensioen te gaan, heeft het recht om bijdragen te blijven betalen en dus een hoger pensioen op te bouwen voor de dag waarop zij de arbeidsmarkt zal verlaten.
5 Artikel 16 van wet nr. 155 van 23 april 1981(4) (hierna: "wet") regelt het vervroegd pensioen van werknemers van door het CIPI (Comitato interministeriale per il coordinamento della politica industriale) in staat van crisis verklaarde ondernemingen. In dergelijke ondernemingen kunnen vrouwen op de leeftijd van 50 en mannen op de leeftijd van 55 jaar met vervroegd pensioen gaan, op voorwaarde dat zij ten minste 180 maandelijkse bijdragen hebben betaald. Het toepasselijke pensioen wordt berekend op grond van de duur van de bijdragebetaling, vermeerderd met een periode, gelijk aan die tussen de datum van ontbinding van hun arbeidsovereenkomst en de datum waarop zij de leeftijd van 55 jaar voor vrouwen en 60 jaar voor mannen bereiken. Het genot van het ouderdomspensioen wordt dus ten hoogste 5 jaar vervroegd, en de werknemer, man of vrouw, wordt gecrediteerd met aanvullende bijdragen voor de periode tot het bereiken van de normale pensioengerechtigde leeftijd. Aanvankelijk werden de kosten van deze maatregel door de staat gedragen. Thans moet de onderneming echter een bedrag, gelijk aan 50 % van die kosten, in de schatkist storten.
De feiten
6 L. Balestra was werkneemster van een door het CIPI in staat van crisis verklaarde onderneming, en diende bij het Istituto nazionale della previdenza sociale (hierna: "INPS") een verzoek in om vervroegd pensioen overeenkomstig artikel 16 van de wet. Omdat zij op dat ogenblik 54 jaar en 7 maanden oud was, ontving zij van het INPS een krediet gelijk aan 5 maanden bijdragen, hetgeen overeenkwam met de periode die zij bij de verbreking van haar arbeidsovereenkomst te kort kwam om de leeftijd van 55 jaar te bereiken en dus recht te hebben op een rustpensioen.
7 Op 13 april 1993 stelde Balestra beroep in bij de Pretura circondariale di Genova en verzocht zij om een bijdragekrediet voor de gehele in artikel 16 van de wet bedoelde periode van 5 jaar. Zij beriep zich op discriminatie op grond van geslacht, in strijd met de artikelen 3, 37 en 38 van de Italiaanse Grondwet.
8 Bij arrest nr. 404 van 18 november 1993 in de zaak Miniati/INPS(5), verklaarde de Corte costituzionale, dat het stelsel van artikel 16 van de wet verenigbaar is met de Italiaanse Grondwet, omdat het een aan de pensioengerechtigde leeftijd aangepaste, volkomen gelijke behandeling van mannen en vrouwen invoert.
9 Daarop betoogde Balestra, dat artikel 16 van de wet in strijd was met het in de richtlijnen 76/207 en 79/7 neergelegde beginsel van gelijke behandeling.
De relevante bepalingen van het gemeenschapsrecht
10 Artikel 119, eerste alinea, van het Verdrag poneert het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid. Luidens de tweede alinea dient onder beloning te worden verstaan het gewone basis- of minimumloon of -salaris, en alle overige voordelen in geld of in natura die de werkgever direct of indirect aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking betaalt.
11 Richtlijn 76/207 bevat onder meer de volgende bepalingen: "Artikel 1
1. Deze richtlijn beoogt de tenuitvoerlegging in de Lid-Staten van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen, en tot de beroepsopleiding, alsmede ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden en, onder de voorwaarden bedoeld in lid 2, de sociale zekerheid. Dit beginsel wordt hierna $beginsel van gelijke behandeling' genoemd.
2. Ten einde de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid te waarborgen, stelt de Raad op voorstel van de Commissie bepalingen vast waarbij met name de inhoud, de draagwijdte en de wijze van toepassing van dat beginsel nader worden omschreven.
Artikel 2
1. Het beginsel van gelijke behandeling in de zin van de hierna volgende bepalingen houdt in dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name de echtelijke staat of de gezinssituatie.
(...)
Artikel 5
1. De toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden, houdt in dat voor mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden, zonder discriminatie op grond van geslacht.
(...)"
12 Richtlijn 79/7 bepaalt onder meer:
"Artikel 1
Deze richtlijn beoogt de geleidelijke tenuitvoerlegging, voor wat betreft de in artikel 3 genoemde gebieden van de sociale zekerheid en van de andere factoren van sociale bescherming, van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, hierna $beginsel van gelijke behandeling' genoemd.
Artikel 2
Deze richtlijn is van toepassing op de beroepsbevolking - met inbegrip van zelfstandigen, van werknemers en zelfstandigen wier arbeid is onderbroken door ziekte, ongeval of onvrijwillige werkloosheid en van werkzoekenden - alsmede op gepensioneerde of invalide werknemers en zelfstandigen.
Artikel 3
1. Deze richtlijn is van toepassing op:
a) de wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen de volgende eventualiteiten:
(...)
- ouderdom,
(...)
- werkloosheid;
(...)
Artikel 4
1. Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot:
- de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake toelating tot de regelingen,
- de verplichting tot premiebetaling en de premieberekening,
- de berekening van de prestaties, waaronder begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende personen, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op de prestaties.
(...)
Artikel 7
1. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om van haar werkingssfeer uit te sluiten:
a) de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties;
(...)"
De prejudiciële vragen
13 Bij beschikking van 19 april 1995 heeft de Pretura circondariale di Genova het Hof de navolgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Is de vaststelling van uiteenlopende leeftijdsgrenzen voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor de toegang tot vervroegd pensioen uit hoofde van artikel 16 van wet nr. 155/81, de ontbinding van de arbeidsverhouding en de berekening van de uitkeringen bij vervroegd pensioen in strijd met de genoemde richtlijnen (artikelen 1, 2, 3, 4 en 5 van richtlijn 79/7/EEG en de artikelen 1, 2 en 5 van richtlijn 76/207/EEG)?
2) Is het verschil in behandeling (op het vlak van de individuele arbeidsverhouding en de sociale zekerheid) dat het gevolg is van de vaststelling van uiteenlopende leeftijdsgrenzen, in strijd met de aangehaalde bepalingen van voornoemde richtlijnen, in een regeling als de Italiaanse, waarin de leeftijdsgrens voor het verrichten van beroepswerkzaamheden (de enige grens die voor vervroegde pensionering relevant is) zowel voor mannen als voor vrouwen is vastgesteld op 60 jaar?"
14 De formulering van de gestelde vragen is niet volkomen duidelijk. De eerste vraag lijkt op zeer algemene wijze betrekking te hebben op de draagwijdte van het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van het ontslag, het recht op vervroegd pensioen en de berekening van de uitkeringen. De tweede vraag herhaalt in ruime mate de eerste, onder meer wat het recht op vervroegd pensioen en de berekening van de uitkeringen betreft, doch preciseert, dat de vraag wordt gesteld in het kader van een regeling als de Italiaanse, waarin zowel mannen als vrouwen het recht hebben om tot 60 jaar te blijven werken.
15 In dit verband zij echter opgemerkt, dat Balestra blijkens de stukken niet heeft betoogd, dat zij ten onrechte tegen haar wil was gepensioneerd. Zij maakt integendeel aanspraak op een krediet van aanvullende pensioenbijdragen om een hoger totaal pensioen te kunnen genieten. De gestelde vragen overschrijden dus het kader van het hoofdgeding.
16 In de verwijzingsbeschikking stelt de verwijzende rechter vast, dat de in artikel 16 van de wet gestelde leeftijdsgrens van 50 jaar voor vrouwen en 55 jaar voor mannen, in de praktijk betekent, dat vrouwen op de leeftijd 50, en mannen eerst op de leeftijd 55 jaar op vervroegd pensioen worden gesteld. Zelfs dan valt echter moeilijk in te zien, waarom 's Hofs antwoord op de vraag of een dergelijk stelsel zich met het gemeenschapsrecht verdraagt, relevant is voor het hoofdgeding. Zoals gezegd, heeft Balestra juist niet gesteld, dat zij tegen haar wil en ten onrechte op vervroegd pensioen is gesteld. Mijns inziens heeft het Hof zich dus niet uit te spreken over deze vraag, die met betrekking tot het hoofdgeding louter hypothetisch is.
Voor het geval het Hof, gezien zijn rechtspraak volgens welke het in beginsel aan de verwijzende rechter staat, de relevantie van de gestelde vragen te beoordelen, toch op die vraag zou willen antwoorden, herinner ik eraan, dat het Hof in het arrest van 26 februari 1986 (zaak 152/84, Marshall, Jurispr. 1986, blz. 723, r.o. 38) heeft verklaard, dat artikel 5, lid 1, van richtlijn 76/207, betreffende de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden, aldus moet worden uitgelegd, dat een algemeen ontslagbeleid, dat inhoudt dat een vrouw wordt ontslagen op de enkele(6) grond dat zij de leeftijd waarop zij recht op een staatspensioen heeft, heeft bereikt of overschreden, welke leeftijd ingevolge de nationale wetgeving voor mannen en vrouwen verschillend is, een door deze richtlijn verboden discriminatie op grond van geslacht vormt.(7) Het is derhalve strijdig met artikel 5, lid 1, van richtlijn 76/207, een voor mannen en vrouwen verschillende wettelijke leeftijdsgrens vast te stellen, die de werknemer verplicht met pensioen te gaan, wanneer hij of zij de vastgestelde leeftijdsgrens heeft bereikt. Dat is ook het geval indien bij dat vertrek een vervroegd rustpensioen wordt toegekend.(8) Indien de bepalingen van artikel 16, lid 1, van de wet tot gevolg hebben, dat de vrouwelijke werknemers van een in staat van crisis verklaarde onderneming over het algemeen tegen hun wil op vervroegd pensioen worden gesteld wanneer zij de leeftijd van 50 jaar en ouder hebben bereikt, terwijl de mannen enkel op vervroegd pensioen worden gesteld wanneer zij 55 jaar en ouder zijn, is er dus met richtlijn 76/207 strijdige discriminatie. Dat is het geval, zelfs indien een dergelijk verschil de voor de toekenning van een ouderdomspensioen vastgestelde leeftijdsgrenzen volgt.(9)
17 Evenmin relevant voor het hoofdgeding lijkt mij het antwoord op de vraag, of een leeftijdsgrens van 50 jaar voor vrouwen en 55 jaar voor mannen, om met vervroegd pensioen te kunnen gaan, verenigbaar is met het beginsel van gelijke behandeling. Een dergelijke leeftijdsgrens leidt immers in voorkomend geval tot discriminatie van mannelijke, en niet van vrouwelijke werknemers, en het hoofdgeding is aangespannen door een vrouwelijke werknemer die betoogt, dat het Italiaanse stelsel vrouwen discrimineert. Ook op dit onderdeel van de gestelde vragen moet het Hof dus niet antwoorden.
18 Te beantwoorden blijft dan de vraag die relevant is voor het hoofdgeding. In feite wenst de verwijzende rechter een uitspraak van het Hof over de vraag, of de richtlijnen 76/207 en 79/7 aldus moeten worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen een nationaal stelsel van vervroegd pensioen, krachtens hetwelk de mannelijke en vrouwelijke werknemers van een in staat van crisis verklaarde onderneming recht hebben op een krediet van aanvullende pensioenbijdragen van maximum 5 jaar, voor de periode tussen hun vertrek en de leeftijd waarop zij aanspraak kunnen maken op ouderdomspensioen, namelijk 55 jaar voor vrouwen en 60 jaar voor mannen.
De procedure voor het Hof
19 De verwijzende rechter heeft erop gewezen, dat de leeftijdsgrens van 55 jaar voor het bijdragekrediet dat vrouwen kunnen genieten, betekent dat vrouwen die deze leeftijdsgrens hebben overschreden, ofschoon zij zoals mannen het recht hebben om tot de leeftijd van 60 jaar te blijven werken, geen enkel bijdragekrediet ontvangen. Bovendien zijn, volgens de verwijzende rechter, de uitzonderingsbepalingen van artikel 7, lid 1, van richtlijn 79/7 in casu niet van toepassing. Enerzijds is het vervroegd pensioen, dat de voortijdige ontbinding van de arbeidsverhouding meebrengt, van invloed op de arbeidsvoorwaarden bedoeld in richtlijn 76/207, dat geen dergelijke uitzonderingsbepalingen bevat. Anderzijds betreft de onderhavige zaak niet enkel de discriminatie inzake de leeftijd voor vervroegd pensioen, maar ook de criteria voor het bepalen van het bijdragekrediet, dat werknemers bij vervroegde pensionering ontvangen.
20 Het INPS heeft betoogd, dat een regeling krachtens welke vrouwen van 50 tot 55 jaar, ongeacht hun werkelijke leeftijd bij het verbreken van de arbeidsverhouding, aanspraak zouden kunnen maken op een bijdragekrediet van 5 jaar, tot discriminatie van mannen zou leiden, aangezien mannelijke werknemers slechts een dergelijk krediet kunnen ontvangen, indien zij op hun 55ste verjaardag met vervroegd pensioen gaan. De bepalingen van artikel 16 houden in, dat zowel mannen als vrouwen een bijdragekrediet ontvangen voor de periode tot het bereiken van de leeftijd waarop zij recht hebben op ouderdomspensioen. Het gestelde verschil in behandeling is dus een gevolg van het aan vrouwen toegekende voorrecht, op hun 55ste recht te hebben op ouderdomspensioen. Het INPS heeft verder aangevoerd, dat een eventuele discriminatie binnen het toepassingsgebied van de uitzonderingsbepalingen van artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 viel. Ten slotte is, wanneer een vrouw van 55 jaar of ouder de arbeidsmarkt verlaat, geen sprake van vervroegd pensioen, maar van pensioen.
21 Volgens de Commissie is hier sprake van sociale zekerheid, en niet van beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag, en is richtlijn 79/7 van toepassing, wanneer het vervroegd pensioen het gevolg is van een werkelijke keuze. Die richtlijn strekt zich uit tot het vervroegd pensioen. Naar de mening van de Commissie leidt het stelsel van artikel 16 van de wet tot discriminatie van vrouwelijke werknemers. Na de leeftijd van 55 jaar heeft de vrouw, anders dan de man, geen recht meer op een krediet van pensioenbijdragen. Onder overigens gelijke omstandigheden zal de mannelijke werknemer die op de leeftijd van 55 jaar met vervroegd pensioen gaat, een hogere uitkering ontvangen dan de vrouw van 55 jaar die met pensioen gaat. De vrouw moet immers tot de leeftijd van 60 jaar blijven werken, om hetzelfde pensioen te krijgen als de mannelijke werknemer. Volgens de Commissie valt deze discriminatie niet binnen de werkingssfeer van de uitzonderingsbepalingen van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn, daar zij geen objectieve en noodzakelijke band heeft met het verschil in pensioengerechtigde leeftijd. Naar de mening van de Commissie moet de vrouwelijke werknemer dus, evenals de mannelijke, recht hebben op een krediet van maximum 5 jaar pensioenbijdragen voor de periode tussen 55 en 60 jaar.
Standpuntbepaling
Welke gemeenschapshandeling is relevant?
22 Allereerst moet worden nagegaan, op grond van welke bepalingen van gemeenschapsrecht de gestelde vraag, zoals boven geherformuleerd, moet worden beantwoord.
23 Luidens artikel 5, lid 1, heeft richtlijn 76/207 betrekking op de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden. De beloning, die een zeer belangrijke arbeidsvoorwaarde is, valt echter niet onder deze richtlijn, maar onder artikel 119 van het Verdrag en onder richtlijn 75/117/EEG van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers(10) die de betrokken verdragsbepaling preciseert. In zijn rechtspraak heeft het Hof het begrip "beloning" aldus uitgelegd, dat het ook betrekking heeft op uitkeringen die na de beëindiging van de arbeidsverhouding uit hoofde van de dienstbetrekking worden betaald, bijvoorbeeld in de vorm van een ontslagvergoeding of een pensioenuitkering.(11) Dat de uitkering bij wet is geregeld, is niet doorslaggevend.(12)
24 Richtlijn 76/207 heeft evenmin betrekking op sociale-zekerheidsuitkeringen. De sociale zekerheid, waarvoor krachtens artikel 1, lid 2, van de richtlijn een bijzondere regeling moet worden vastgesteld, wordt beheerst door richtlijn 79/7. Bovendien blijkt uit 's Hofs rechtspraak, dat sociale-zekerheidsuitkeringen die rechtstreeks bij wet worden geregeld en verplicht van toepassing zijn op algemene categorieën van werknemers, niet onder artikel 119 vallen, omdat zij niet zozeer worden bepaald door de arbeidsverhouding, als wel door overwegingen van sociale politiek.(13) Bijgevolg moet tussen die twee regelingen worden gekozen.
25 Wat de verhouding tussen artikel 119 van het Verdrag en richtlijn 76/207 betreft, heeft het Hof in het arrest Burton(14), betreffende een regeling inzake vrijwillige uittreding, onderzocht of de gestelde vraag betrekking had op de uittredingsvergoeding zelf, dan wel op de vraag of de voorwaarden om tot de regeling te worden toegelaten - dat wil zeggen de leeftijdsgrenzen - discriminerend waren.
26 Op dezelfde wijze heeft het Hof, wat de afbakening tussen richtlijn 76/207 en richtlijn 79/7 betreft, in rechtsoverweging 32 van voornoemd arrest Marshall(15) onderzocht, of de gestelde vraag betrekking had op de toegang tot een wettelijke of beroepspensioenregeling, dat wil zeggen de voorwaarden voor toekenning van het ouderdoms- of rustpensioen (richtlijn 79/7), dan wel op de vaststelling van een leeftijdsgrens met het oog op de beëindiging van de arbeidsverhouding (richtlijn 76/207).
27 Uit die rechtspraak kan mijns inziens worden opgemaakt, dat artikel 119 van het Verdrag van toepassing is op alle voordelen (in geld of in natura), met inbegrip van pensioenuitkeringen en ontslagvergoedingen, die uit hoofde van de arbeidsverhouding tussen de werknemer en de werkgever worden toegekend, terwijl richtlijn 79/7 betrekking heeft op de prestaties (in geld of in natura), die deel uitmaken van bij wet geregelde algemene stelsels en hoofdzakelijk door overwegingen van sociale politiek worden ingegeven. Richtlijn 76/207 is dus een residuele handeling, en betreft onder meer de arbeids- en ontslagvoorwaarden die betrekking hebben op iets anders dan op prestaties in geld of in natura, ongeacht of deze van wettelijke of contractuele oorsprong zijn.
28 Om deze redenen kan worden vastgesteld, dat richtlijn 76/207 niet van toepassing is op dit onderdeel van de gestelde vraag. Vervolgens dient te worden nagegaan, of de in artikel 16 van de wet bedoelde uitkering, in het licht van voornoemde rechtspraak, als beloning of als sociale zekerheid moet worden aangemerkt.
29 Uit de stukken blijkt, dat het voordeel tot doel heeft, de herstructurering van in staat van crisis verklaarde ondernemingen te vergemakkelijken. Het stelsel moet het een onderneming in crisis mogelijk maken, zich te ontdoen van overtollig personeel. De uitkering is dus afhankelijk van het feit, dat de begunstigde zijn betrekking in een bepaalde, in staat van crisis verklaarde onderneming opgeeft. Er bestaat dus een zeker verband met een bepaalde arbeidsverhouding. Niettemin ben ik van mening, dat een regeling als die van artikel 16, lid 1, van de wet, als sociale zekerheid moet worden aangemerkt, omdat zij een integrerend deel is van het stelsel van sociale zekerheid.(16) De uitkering bestaat in de vervroegde uitbetaling van het algemene wettelijke ouderdomspensioen, en kan dus moeilijk worden onderscheiden van het algemene stelsel van sociale zekerheid. Bovendien wordt het werkgeversaandeel van de aan het krediet verbonden kosten, zoals een belasting, aan de schatkist betaald.
30 Gelet op het voorgaande ben ik van mening, dat de vraag op grond van richtlijn 79/7 moet worden beantwoord.
De werkingssfeer van richtlijn 79/7
31 Luidens artikel 3, lid 1, is richtlijn 79/7 van toepassing op de wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen bepaalde eventualiteiten, waaronder ouderdom en werkloosheid.
32 Volgens de rechtspraak van het Hof is artikel 3, lid 1, van toepassing op prestaties die deel uitmaken van een wettelijke regeling tot bescherming tegen de genoemde eventualiteiten.(17) Een prestatie biedt bescherming tegen een van de genoemde eventualiteiten, wanneer zij rechtstreeks en daadwerkelijk verband houdt met de bescherming tegen de betrokken eventualiteit.(18) Over de juiste inhoud van dit criterium heeft het Hof zich laatstelijk uitgesproken in het arrest Atkins, betreffende een door een plaatselijke overheid verleende prestatie in de vorm van tariefreducties voor bejaarde of gehandicapte gebruikers van het openbaar vervoer. Het Hof is van oordeel, dat een dergelijke prestatie niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 79/7 valt, en motiveert dit als volgt, in de rechtsoverwegingen 16 tot en met 19 van het arrest:
"(...) een prestatie (...) die bestaat in tariefreducties voor het openbaar vervoer die kunnen worden verleend aan verschillende categorieën van personen, zoals pensioengerechtigden, bepaalde jongeren of gehandicapten alsmede iedere andere bij ministerieel besluit aan te wijzen categorie, [biedt] niet rechtstreeks en daadwerkelijk bescherming (...) tegen een van de in artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7 opgesomde eventualiteiten.
Een dergelijke regeling heeft immers tot doel het openbaar vervoer toegankelijker te maken voor bepaalde categorieën van personen die, naar algemeen wordt erkend, om uiteenlopende redenen in grotere mate zijn aangewezen op het openbaar vervoer en die het om die redenen financieel en materieel minder gemakkelijk hebben.
Ouderdom en invaliditeit, die mede worden genoemd onder de in artikel 3, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 opgesomde eventualiteiten, zijn dus slechts twee van de criteria die kunnen worden aangehouden bij de afbakening van de categorieën van personen die voor een dergelijke regeling inzake tariefreducties voor het openbaar vervoer in aanmerking komen. De omstandigheid dat degene die voor een prestatie in aanmerking komt, zich in feite in een van de in artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7 bedoelde situaties bevindt, volstaat evenwel niet om die prestatie als zodanig binnen de werkingssfeer van de richtlijn te doen vallen (zie arrest van 16 juli 1992, gevoegde zaken C-63/91 en C-64/91, Jackson en Cresswell, Jurispr. 1992, blz. I-4737, r.o. 18 en 19)."
33 Het Hof hecht dus veel belang aan het hoofddoel van de prestatie, in casu tariefreducties voor het openbaar vervoer. Het is niet voldoende, dat de criteria voor het verlenen van de prestatie, in artikel 3, lid 1, sub a, genoemde eventualiteiten zijn, en dat de prestatie ten goede komt aan groepen die, wegens die eventualiteiten, bijzondere sociale behoeften hebben. Op het eerste gezicht kan het arrest aldus worden gelezen, dat de subjectieve bedoeling van de nationale wetgever moet worden beoordeeld, maar een dergelijke uitlegging is niet doelmatig. Het fundamentele vereiste van een rechtstreekse en daadwerkelijke bescherming, is op zichzelf het beslissende objectieve criterium dat aan de rechtsoverwegingen 16 en 17 van het arrest lijkt te kunnen worden ontleend.
34 Men kan niet zeggen, dat het arrest Atkins de afbakening van de werkingssfeer van richtlijn 79/7 veel duidelijker heeft gemaakt; het heeft integendeel de nationale wetgevers een zekere vrijheid gelaten om regelingen ten gunste van in de richtlijn bedoelde risicogroepen in te voeren zonder het fundamentele beginsel van gelijke behandeling in acht te nemen, wanneer de prestatie geen deel uitmaakt van het stelsel van sociale zekerheid, dat door het arrest strikt wordt uitgelegd. Richtlijn 79/7 geldt dus enkel voor prestaties die objectief tot de kern van de sociale zekerheid behoren. Bijgevolg moet een prestatie, om binnen de werkingssfeer van de richtlijn te vallen, onlosmakelijk verbonden zijn met de bescherming tegen een van de in artikel 3, lid 1, sub a, van de richtlijn opgesomde eventualiteiten. Als voorbeeld van een dergelijke prestatie kan worden aangehaald, de vrijstelling van medische kosten, die het onderwerp was van de zaak Richardson.(19) Een dergelijke prestatie is onlosmakelijk verbonden met de eventualiteit ziekte, daar vrijwel niemand enkel op recept verstrekte medicijnen wil of kan verkrijgen zonder ziek te zijn. Moeilijker is het gelegen, wanneer de prestatie in een geldsom of ander voordeel bestaat, en blijkens het arrest Atkins geen beslissend belang kan worden gehecht aan het enkele feit, dat een van de in richtlijn 79/7 opgesomde eventualiteiten een rechtstreeks bij wet vastgesteld criterium voor het verlenen van de prestatie is. In dergelijke gevallen moet op grond van de objectieve kenmerken van de prestatie worden nagegaan, of zij rechtstreeks en daadwerkelijk verband houdt met de bescherming tegen een van de in de richtlijn bedoelde eventualiteiten. Dit zal een in de praktijk bijzonder moeilijk toe te passen criterium blijken.
35 Het in artikel 3, lid 1, sub a, gestelde vereiste, dat er een wettelijke regeling moet zijn, betekent volgens de rechtspraak, dat de prestatie bij wet moet zijn vastgesteld.(20) Aan de financiering van de prestatie wordt echter geen betekenis gehecht. Richtlijn 79/7 betreft dus zowel bijdrageplichtige als volledig uit de schatkist gefinancierde prestaties.(21)
36 Zoals gezegd, is de regeling van artikel 16 van de wet ingesteld om de herstructurering van in staat van crisis verklaarde ondernemingen te vergemakkelijken. Om het vervroegd pensioen aantrekkelijk te maken voor werknemers die een zekere leeftijd hebben bereikt, wordt hun een krediet van pensioenbijdragen toegekend voor de periode tussen hun vertrek en de datum waarop zij de leeftijd bereiken die recht geeft op ouderdomspensioen.
37 De omstandigheid, dat de regeling bedoeld is om de herstructurering van in staat van crisis verklaarde ondernemingen te vergemakkelijken, zou, mijns inziens, als zodanig niet noodzakelijk volstaan om de betrokken regeling aan de werkingssfeer van richtlijn 79/7 te onttrekken, ofschoon de redenering van het Hof in het arrest Atkins in die richting gaat. Die subjectieve bedoeling van de wetgever doet immers niets af aan het feit, dat dit doel wordt nagestreefd via een sociale uitkering die ertoe strekt, een bepaalde categorie van personen, namelijk vrouwen van 50 tot en met 54 en mannen van 55 tot en met 59 jaar, een inkomen te verzekeren, dat hen in staat stelt, ten vroegste 5 jaar voor hun recht op ouderdomspensioen ingaat, de arbeidsmarkt te verlaten. Een dergelijk stelsel, waarbij een krediet van pensioenbijdragen wordt toegekend, betekent in feite, dat de datum waarop een werknemer recht heeft op ouderdomspensioen, met 5 jaar wordt vervroegd, en dat de werknemer, wat de uitkering betreft, wordt behandeld alsof hij was blijven werken tot het tijdstip waarop hij normaliter recht zou hebben gehad op ouderdomspensioen. Het ouderdomspensioen wordt dus ten hoogste 5 jaar vervroegd. De uitkering vertoont dus een beslissende gelijkenis en samenhang met het gewone ouderdomspensioen, dat immers ook wil verzekeren, dat personen die een zekere leeftijd hebben bereikt, de arbeidsmarkt kunnen verlaten en een bepaald inkomen blijven ontvangen.
38 De uitkering is afhankelijk van het feit, dat de begunstigde een bepaalde minimumleeftijd heeft bereikt. Het volstaat niet, dat de betrokkene werknemer van een in staat van crisis verklaarde onderneming is; hij moet ook tot een bepaalde leeftijdscategorie behoren. De uitkering wordt dus verleend, wanneer een bepaalde gebeurtenis zich voordoet, namelijk het feit, dat een werknemer de arbeidsmarkt verlaat, omdat hij een bepaalde, bij wet vastgestelde leeftijd heeft bereikt. De leeftijd is dus, volgens mij, de hoofdvoorwaarde voor het verlenen van de uitkering.(22)
39 Gelet op het voorgaande ben ik van mening, dat een uitkering als die van artikel 16 van de wet, rechtstreeks en daadwerkelijk verband houdt met de eventualiteit ouderdom, en dus moet worden geacht binnen de werkingssfeer van richtlijn 79/7 te vallen.
Leidt artikel 16 van de wet tot discriminatie van vrouwelijke werknemers?
40 Zoals gezegd, is de pensioengerechtigde leeftijd in Italië, zowel voor mannen als voor vrouwen, 60 jaar. Anders dan mannen, hebben vrouwen echter al vanaf de leeftijd van 55 jaar recht op ouderdomspensioen. Krachtens artikel 16 van de wet hebben de vrouwelijke werknemers van een in staat van crisis verklaarde onderneming recht op vervroegd pensioen vanaf de leeftijd van 50 jaar, terwijl dat voor mannen 55 jaar is. Zowel vrouwelijke als mannelijke werknemers hebben recht op een krediet van pensioenbijdragen van ten hoogste 5 jaar, overeenkomend met de periode tussen hun vertrek en de datum waarop zij de leeftijd bereiken die recht geeft op ouderdomspensioen.
41 Het is duidelijk - maar niet relevant voor het hoofdgeding -, dat een dergelijk stelsel leidt tot discriminatie van mannelijke werknemers, die 5 jaar later dan vrouwen recht hebben op vervroegd pensioen. Het stelsel kan echter ook voor vrouwen discriminaties meebrengen. Een vrouwelijke werknemer die op de leeftijd van 55 jaar met pensioen gaat, zal, onder overigens gelijke omstandigheden, in het kader van dit stelsel een lager pensioen ontvangen dan de mannelijke werknemer van 55 jaar, die aanspraak maakt op vervroegd pensioen. De mannelijke werknemer zal immers 5 jaar aanvullende bijdragen ontvangen, en dus, ondanks het feit dat hij niet méér bijdragen dan de vrouwelijke werknemer heeft betaald, een hoger pensioen krijgen. Aangezien de vrouw, anders dan de man, geen recht heeft op vervroegd pensioen, zal zij tot 60 jaar moeten werken en bijdragen betalen, om hetzelfde rustpensioen te ontvangen. Mijns inziens leidt het stelsel dus tot discriminatie van vrouwen, in de zin van artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7.
Valt de discriminatie onder artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7?
42 Luidens artikel 7, lid 1, sub a, doet richtlijn 79/7 geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties van haar werkingssfeer uit te sluiten. Als afwijking van een fundamenteel beginsel moet artikel 7, lid 1, sub a, strikt worden uitgelegd.(23)
43 Volgens 's Hofs rechtspraak doelt deze afwijking slechts op discriminaties die objectief noodzakelijk zijn om te vermijden, dat het financiële evenwicht van het pensioenstelsel in gevaar wordt gebracht of, indien het om andere stelsels gaat, om te vermijden, dat het financiële evenwicht van het gehele sociale-zekerheidsstelsel wordt verstoord, en om de samenhang tussen het stelsel van rustpensioenen en de andere uitkeringsregelingen te bewaren.(24) Uit die rechtspraak blijkt voorts, dat het feit dat de afschaffing van die discriminatie de financieringslasten van de Lid-Staat zou verzwaren, niet volstaat om van verstoring van het financiële evenwicht te spreken. Het staat de Lid-Staten immers vrij, bij het bepalen van hun sociaal beleid de aard en de omvang van de sociale prestaties vast te stellen, op voorwaarde dat daarbij het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in acht wordt genomen.(25)
44 Een uitkering als die van artikel 16 van de wet, gaat in wanneer de begunstigde de arbeidsmarkt verlaat, en berust op de pensioenuitkering die hij in het kader van het gewone stelsel van rustpensioenen heeft verworven. Door de toekenning van het rustpensioen te vervroegen en een bijdragekrediet te verlenen voor de periode tot het recht op rustpensioen normaliter ontstaat, behandelt de wet de werknemer, wat het pensioen betreft, alsof hij de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt.
45 Het ligt derhalve voor de hand, een stelsel van vervroegd pensioen als dat van artikel 16 van de wet, als een ouderdoms- en rustpensioen te beschouwen. Toch moet ermee rekening worden gehouden, dat het gaat om een bijzondere uitkering, waarvan de betaling begint vóór het tijdstip waarop het recht op een gewoon ouderdomspensioen wordt verkregen. Bijgevolg moet worden nagegaan, of de discriminatie objectief noodzakelijk is om de samenhang tussen het vervroegd pensioen en het gewone rustpensioen te verzekeren.
46 Zoals gezegd, financieren de ondernemingen 50 % van de aan het bijdragekrediet verbonden kosten. Een verlenging van de periode gedurende welke vrouwen een bijdragekrediet ontvangen, zal dus de totale pensioenkosten verhogen en de financieringslasten van de Lid-Staat verzwaren, zodat ook de belastingdruk op de ondernemingen zal toenemen. Dat volstaat volgens mij echter niet om te stellen, dat de afschaffing van de discriminatie, door ook aan vrouwen tussen 55 en 59 jaar een bijdragekrediet van ten hoogste 5 jaar toe te kennen, het financiële evenwicht van het pensioenstelsel zou verstoren.
47 Wat de vraag van de samenhang tussen het algemene stelsel van rustpensioenen en het stelsel van vervroegd pensioen betreft, moet zeker worden verwezen naar het arrest van het Hof in de zaak Graham e.a.(26), betreffende een invaliditeitspensioen dat werd betaald aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hadden bereikt, en gelijk was aan het bedrag van een volledig ouderdomspensioen van overheidswege. Na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, die voor vrouwen 60 en voor mannen 65 jaar bedroeg, werd de uitkering beperkt tot het bedrag van het reële ouderdomspensioen, dat uit de betaalde bijdragen voortvloeit.
In rechtsoverweging 14 verklaarde het Hof, dat invaliditeitsuitkeringen het door de beroepsbezigheid verworven inkomen moesten vervangen, zodat niets een Lid-Staat belette te bepalen, dat de betaling ervan wordt stopgezet en dat zij worden vervangen door het ouderdomspensioen op het moment waarop de begunstigde zijn werk hoe dan ook wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zou staken.
In de rechtsoverwegingen 15 tot en met 18 voegde het Hof daaraan toe, dat de omgekeerde uitlegging het recht van de Lid-Staat om voor mannen en vrouwen verschillende pensioengerechtigde leeftijden vast te stellen, zou beperken, en bovendien tot gevolg zou hebben, enerzijds, dat de Lid-Staat zou worden belet om aan arbeidsongeschikte mannen die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt, een invaliditeitsuitkering te verlenen die meer bedraagt dan het ouderdomspensioen dat hun verschuldigd zou zijn, tenzij aan vrouwen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben overschreden, een hoger ouderdomspensioen wordt verleend dan dat wat hun daadwerkelijk verschuldigd is, en anderzijds, dat vrouwen tussen hun 60ste en 65ste jaar - dat wil zeggen nadat zij de pensioengerechtigde leeftijd zijn gepasseerd -, indien hun arbeidsongeschiktheid vóór de pensioengerechtigde leeftijd is ontstaan, een hoger ouderdomspensioen zouden ontvangen dan dat waarop zij recht zouden hebben indien dit niet het geval is. Het Hof, dat om die redenen concludeerde dat artikel 7, lid 1, sub a, van toepassing was, hechtte dus veel belang aan het feit, dat de uitkeringen objectief waren bestemd om elkaars plaats in te nemen, en dat de afschaffing van de discriminatie tot een andere vorm van discriminatie zou leiden.
48 Een uitkering als die van artikel 16 van de wet, heeft een objectieve band met de leeftijdsgrens voor de toekenning van een rustpensioen. Zowel voor mannen als voor vrouwen geldt, dat zij ten hoogste 5 jaar vóór zij de leeftijd bereiken die recht geeft op rustpensioen, met vervroegd pensioen kunnen gaan, en dat zij een krediet van pensioenbijdragen ontvangen voor de periode tussen hun vertrek en de datum waarop zij die leeftijd bereiken.
49 De uitdrukking "vervroegd pensioen" toont aan, dat het gaat om een uitkering die wordt betaald vóór het tijdstip waarop de begunstigde met pensioen gaat en dus het rustpensioen begint te ontvangen. De uitkering is dus bedoeld om een inkomen te verzekeren aan personen die de arbeidsmarkt verlaten vóór zij recht hebben op een rustpensioen. Er is een duidelijke samenhang tussen de leeftijdsgrens voor de toekenning van een rustpensioen, en die waaraan de toekenning van een vervroegd pensioen krachtens artikel 16 van de wet is onderworpen. Toch dient te worden onderzocht of dit noodzakelijk betekent, dat aan vrouwen, die inderdaad het recht hebben om tot de leeftijd van 60 jaar te blijven werken, een bijdragekrediet kan worden geweigerd voor het geheel of een deel van de periode na het bereiken van de leeftijd van 55 jaar, waarop hun recht op rustpensioen ingaat.
50 De samenhang tussen het vervroegd pensioen en het rustpensioen brengt mee, dat een vrouw ouder dan 55 jaar niet met vervroegd pensioen zal kunnen gaan, maar enkel een rustpensioen zal kunnen krijgen. Om deze redenen lijkt het mij niet logisch, dat een vrouwelijke werknemer die op de leeftijd van 54 jaar met vervroegd pensioen gaat, recht heeft op een krediet van pensioenbijdragen van 5 jaar, en dus een hoger pensioen ontvangt dan de vrouwelijke werknemer die op de leeftijd van 55 jaar met pensioen gaat. Mijns inziens is er op dit punt gelijkenis met voornoemd arrest Graham.
51 Bovendien zou de door Balestra gewenste oplossing zelf aanleiding kunnen geven tot discriminaties, met name jegens mannelijke werknemers. De mannelijke werknemer die op de leeftijd van 58 jaar met vervroegd pensioen gaat, zal in het kader van het Italiaanse stelsel recht hebben op een krediet van pensioenbijdragen van 2 jaar, terwijl de vrouwelijke werknemer, die ook 2 jaar vóór de datum waarop haar rustpensioen ingaat - dus op 53 jaar - met vervroegd pensioen gaat, volgens de redenering van Balestra recht zal hebben op een bijdragekrediet van 5 jaar.
52 Om de voorgaande redenen ben ik van mening, dat de discriminatie van vrouwen met betrekking tot een bijdragekrediet, die voortvloeit uit een stelsel als dat van artikel 16 van de wet, een noodzakelijk gevolg is van het feit, dat vrouwen op de leeftijd van 55 jaar recht hebben op een rustpensioen, terwijl mannen de leeftijd van 60 jaar moeten hebben bereikt, en dat de discriminatie derhalve onder de uitzonderingsbepalingen van artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 valt. Het betrokken stelsel waarborgt, dat de werknemer, man of vrouw, die met vervroegd pensioen gaat, een krediet van pensioenbijdragen ontvangt van die omvang, dat de betrokkene, wat het pensioen betreft, wordt behandeld alsof hij met pensioen was gegaan op de leeftijd waarop hij recht heeft op rustpensioen.
Conclusie
53 Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vragen van de Pretura circondariale di Genova te beantwoorden als volgt:
"Artikel 1, lid 1, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, en de artikelen 3, lid 1, sub a, en 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij zich niet verzetten tegen een nationaal stelsel van vervroegd pensioen, krachtens hetwelk de mannelijke en vrouwelijke werknemers van een in staat van crisis verklaarde onderneming recht hebben op een krediet van pensioenbijdragen van ten hoogste 5 jaar, overeenkomend met de periode tussen hun vertrek en de datum waarop zij de leeftijd bereiken die recht geeft op rustpensioen, namelijk 60 jaar voor mannen en 55 jaar voor vrouwen."
(1) - PB 1976, L 39, blz. 40.
(2) - PB 1979, L 6, blz. 24.
(3) - Zie Giust. Civ. 1989, blz. 1983.
(4) - GURI nr. 114 van 27.4.1981.
(5) - Zie Giust. Civ. 1994, blz. 8.
(6) - Cursivering van mij.
(7) - Zie ook arresten van 30 maart 1993 (zaak C-328/91, Thomas e.a., Jurispr. 1993, blz. I-1247, r.o. 17), en 26 februari 1986 (zaken 262/84, Beets-Proper, Jurispr. 1986, blz. 773, r.o. 40, en 151/84, Roberts, Jurispr. 1986, blz. 703, r.o. 37).
(8) - Zie in dit verband arrest Roberts (aangehaald in voetnoot 7, r.o. 32).
(9) - Zie Marshall (reeds aangehaald, r.o. 36 en 37).
(10) - PB 1975, L 45, blz. 19.
(11) - Zie arresten van 17 mei 1990 (zaak C-262/88, Barber, Jurispr. 1990, blz. I-1889, r.o. 13 en 28); 28 september 1994 (zaak C-7/93, Beune, Jurispr. 1994, blz. I-4471, r.o. 24) en, stilzwijgend, 16 februari 1982 (zaak 19/81, Burton, Jurispr. 1982, blz. 555, r.o. 8 juncto r.o. 12).
(12) - Zie bijvoorbeeld arrest Barber (aangehaald in voetnoot 11, r.o. 16).
(13) - Het Hof heeft dit reeds vastgesteld in het arrest van 25 mei 1971 (zaak 80/70, Defrenne, Jurispr. 1971, blz. 445, r.o. 8).
(14) - R.o. 8 van het in voetnoot 11 aangehaalde arrest.
(15) - Zie ook de arresten Beets-Proper en Roberts (aangehaald in voetnoot 7, r.o. 34 en r.o. 30).
(16) - Zie, bij wijze van hypothese, arrest van 17 februari 1993 (zaak C-173/91, Commissie/België, Jurispr. 1993, blz. I-673, r.o. 20).
(17) - Zie arrest van 24 juni 1986 (zaak 150/85, Drake, Jurispr. 1986, blz. 1995, r.o. 21).
(18) - Zie arresten van 4 februari 1992 (zaak C-243/90, Smithson, Jurispr. 1992, blz. I-467, r.o. 14); 16 juli 1992 (gevoegde zaken C-63/91 en C-64/91, Jackson en Cresswell, Jurispr. 1992, blz. I-4737, r.o. 15); 19 oktober 1995 (zaak C-137/94, Richardson, Jurispr. 1995, blz. I-3407, r.o. 9), en 11 juli 1996 (zaak C-228/94, Atkins, Jurispr. 1996, blz. I-3633, r.o. 11).
(19) - Zie arrest Richardson (aangehaald in voetnoot 18).
(20) - Zie arrest Richardson (aangehaald in voetnoot 18, r.o. 11) en arrest Atkins (reeds aangehaald, r.o. 13).
(21) - Zie arrest Richardson (aangehaald in voetnoot 18), betreffende een door de staat gefinancierd stelsel van vrijstelling van medische kosten, en het arrest van 7 juli 1992 (zaak C-9/91, Equal Opportunities Commission, Jurispr. 1992, blz. I-4297), betreffende een bijdrageplichtig stelsel van ouderdomspensioenen.
(22) - Zie, in dit verband, arrest Drake (aangehaald in voetnoot 24, r.o. 24), dat betrekking had op een invaliditeitsuitkering die werd betaald aan de persoon die een gehandicapte verzorgt. Het Hof kwam tot de conclusie, dat een dergelijke uitkering onder richtlijn 79/7 viel.
(23) - Zie arrest Thomas (aangehaald in voetnoot 7, r.o. 8).
(24) - Zie arrest Equal Opportunities Commission (aangehaald in voetnoot 21, r.o. 18); arrest Thomas (aangehaald in voetnoot 7, r.o. 18); arrest van 11 augustus 1995 (zaak C-92/94, Graham e.a., Jurispr. 1995, blz. I-2521, r.o. 12), en arrest Richardson (aangehaald in voetnoot 18, r.o. 19).
(25) - Zie arrest van 24 februari 1994 (zaak C-343/92, Roks e.a., Jurispr. 1994, blz. I-571, r.o. 28, 29 en 37) en arrest Richardson (aangehaald in voetnoot 18, r.o. 24).
(26) - Zie arrest Graham (aangehaald in voetnoot 24).
Full & Egal Universal Law Academy