Conclusie van de advocaat generaal
A - Inleiding
1 De onderhavige hogere voorziening van de Commissie is gericht tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 7 maart 1995 in de gevoegde zaken T-432/93, T-433/93 en T-434/93.(1) Bij dat arrest heeft het Gerecht op verzoek van de ondernemingen Socurte, Quavi en Stec een beschikking van de Commissie nietig verklaard, waarbij deze het bedrag van een financiële bijdrage van het Europees Sociaal Fonds voor een project waaraan verzoeksters in eerste aanleg hadden deelgenomen, had verlaagd.
2 Volgens artikel 1, lid 2, sub a, en artikel 3, lid 1, van het in de betrokken periode geldende besluit 83/516/EEG van de Raad van 17 oktober 1983 betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds(2), neemt het Europees Sociaal Fonds (hierna: "ESF") deel in de financiering van acties op het gebied van de beroepsopleiding en de beroepskeuzevoorlichting, die in het kader van het arbeidsmarktbeleid van de Lid-Staten worden uitgevoerd. De goedkeuring van een aanvraag brengt volgens artikel 5, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2950/83 van de Raad van 17 oktober 1983 houdende toepassing van besluit 83/516/EEG(3), de uitkering mee van een voorschot van 50 % van de toegekende steun op de voor de aanvang van de actie vastgestelde datum.
3 Artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 bepaalde:
"Indien de bijstand van het ESF niet wordt gebruikt op de wijze als in het goedkeuringsbesluit bepaald, kan de Commissie deze bijstand opschorten, verminderen of doen vervallen, na de betrokken Lid-Staat de gelegenheid te hebben geboden zijn opmerkingen te maken."
4 In 1986 verzocht het Departamento para os Assuntos do Fundo Social Europeu (dienst belast met de aangelegenheden van het ESF; hierna: "DAFSE") het ESF om bijstand voor een aantal beroepsopleidingsacties die door diverse ondernemingen waren voorgesteld, waaronder verzoeksters in eerste aanleg. Bij beschikking van 7 mei 1986 besloot de Commissie, dat het ESF voor een bepaald bedrag aan dat project zou bijdragen. DAFSE stelde verzoeksters in eerste aanleg in kennis van dat besluit en deelde hun tegelijkertijd het bedrag van de bijdrage van het ESF in de kosten van de door hen voorgenomen acties mee. Daarop werd verzoeksters in eerste aanleg het voorziene voorschot uitgekeerd.
5 Na voltooiing van de beroepsopleidingsacties dienden verzoeksters in eerste aanleg een aanvraag in om betaling van het saldo van de financiële bijstand van het ESF. Tot deze betaling is het evenwel niet gekomen. Integendeel, bij brief van 18 maart 1991 vorderde DAFSE, zich beroepend op een beschikking van de Commissie, van verzoeksters in eerste aanleg terugbetaling van een gedeelte van de hun reeds uitgekeerde bijstand.
6 Bij brief van 15 april 1991 verzocht de advocaat van de betrokken ondernemingen DAFSE hem de redenen voor het verzoek om terugbetaling van de genoemde bedragen mede te delen en hem een kopie te zenden van de beschikking van de Commissie waarnaar in de brief van DAFSE van 18 maart 1991 werd verwezen.
7 In een brief van 24 april 1991, die verzoeksters in eerste aanleg op 30 april daaraanvolgend ontvingen, gaf DAFSE verzoeksters in eerste aanleg te kennen, dat de Commissie als bijdrage van het ESF uiteindelijk een lager bedrag dan oorspronkelijk voorzien had vastgesteld.(4) Daartoe baseerde DAFSE op een brief van de bevoegde diensten van de Commissie van 14 februari 1991, die door DAFSE tegelijkertijd aan verzoeksters in eerste aanleg werd doorgezonden. In deze korte brief werd gezegd, dat de Commissie het verzoek om betaling van het saldo had onderzocht, wat tot de vaststelling van het uiteindelijke bedrag van de bijstand op het betrokken peil had geleid. Daarbij was "rekening gehouden" met een aantal overeenkomsten en controlebezoeken.
8 Daarop verzochten verzoeksters in eerste aanleg in een brief van 14 mei 1991 aan DAFSE en in een brief van 17 mei 1991 aan de Commissie om toezending van gewaarmerkte kopieën van het oorspronkelijke besluit van de Commissie waarbij de financiële bijstand van het ESF was verleend en van de beschikking van de Commissie betreffende hun aanvraag om betaling van het saldo van die bijdrage.
9 Bij brief van 30 juli 1991 zond DAFSE verzoeksters in eerste aanleg "een gewaarmerkte kopie van de kennisgeving van het goedkeuringsbesluit van de Commissie" in de betrokken zaak. Bij dit document ging het om een brief van de Commissie van 10 juli 1991 aan DAFSE, waarin de redenen voor de verlaging van de financiële bijdrage in detail waren uiteengezet.
De Commissie stelde in die brief met name, dat bij een controlebezoek aan Stec tussen 26 en 29 juli 1988 aan het licht was gekomen, dat sommige uitgaven onvoldoende waren gerechtvaardigd en dat enkele posten niet op passende wijze waren geëvalueerd. Daarop had de Commissie zelf onderzocht, welke kosten redelijk waren, wat tot een verlaging van de oorspronkelijke bijdrage heeft geleid.
Voorts stelde zij in die brief, dat de nationale autoriteiten daaromtrent hun opmerkingen kenbaar hadden gemaakt.
10 Daarop stelden de betrokken ondernemingen bij op 10 oktober 1991 ter griffie van het Hof(5) neergelegde verzoekschriften beroep in. Zij verzochten onder meer om nietigverklaring van de in de brief van de Commissie van 10 juli 1991 aan DAFSE vervatte handeling. De Commissie concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring of tot ongegrondverklaring van de beroepen.
11 Het Gerecht oordeelde, dat het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk én gegrond was.
12 Wat de ontvankelijkheid betreft, wees het Gerecht er om te beginnen op, dat verzoeksters op 30 april 1991 in het bezit waren van de brief van de Commissie van 14 februari 1991 en daarmee "dus kennis [hadden] gekregen, enerzijds van een beschikking van de Commissie tot vermindering van de bijstand van het ESF en van haar weigering om een saldo te betalen, en anderzijds van de gevolgen die deze beschikking voor hen meebracht, die door de bevoegde nationale instantie in de brieven van 18 maart en 24 april 1991 waren uiteengezet".(6) Deze brief van 14 februari 1991 bevatte evenwel slechts een "abstracte en algemene motivering", doch niet de "precieze redenen voor het geven van deze beschikking". Onmiddellijk na de ontvangst van de brief van DAFSE van 24 april 1991 hebben verzoeksters de Commissie en DAFSE verzocht, hun de precieze gronden van die beschikking mee te delen. Deze redenen zijn hun pas medegedeeld op 30 juli 1991, de datum waarop DAFSE hun de brief van de Commissie van 10 juli 1991 toezond. Pas daardoor waren verzoeksters voldoende ingelicht over de gronden van de beschikking van de Commissie, zodat zij "vanaf die datum met vrucht daartegen beroep konden instellen".(7)
Het beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie, zoals deze blijkt uit de brief van 10 juli 1991, was dus tijdig ingesteld.
13 Met betrekking tot de gegrondheid van het beroep tot nietigverklaring overwoog het Gerecht, dat de bij artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 aan de betrokken Lid-Staat geboden mogelijkheid om vóór de totstandkoming van een beschikking van de Commissie tot vermindering van de bijstand van het ESF zijn opmerkingen kenbaar te maken over zowel de vermindering op zich als de precieze omvang ervan, een "wezenlijk vormvoorschrift" vormt.(8) Vervolgens onderzocht het Gerecht de door de Commissie overgelegde documenten, waarop deze zich had beroepen. Deze documenten betroffen drie door de Commissie in de periodes van 27 oktober tot en met 3 november 1986, 28 september tot en met 2 oktober 1987 en 26 tot en met 29 juli 1988 afgelegde controlebezoeken, alsook twee vergaderingen in juni 1988 tussen vertegenwoordigers van de Commissie en de Portugese autoriteiten. Volgens het Gerecht kon uit die documenten niet worden afgeleid, dat de Commissie had voldaan aan de krachtens artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 op haar rustende verplichting.
Het Gerecht verklaarde de beschikking tot vermindering van de bijstand van het ESF dan ook nietig.
14 Verzoeksters hadden bovendien verzocht de Commissie te verplichten tot betaling van het saldo van de oorspronkelijk vastgestelde bijstand. Het Gerecht achtte die conclusie niet-ontvankelijk en verwierp bijgevolg het beroep voor het overige.
15 De Commissie heeft tegen dit arrest hogere voorziening ingesteld. Zij verzoekt het arrest te vernietigen en verweersters in de kosten te verwijzen.
16 Verzoeksters in eerste aanleg concluderen tot verwerping van de hogere voorziening en tot veroordeling van de Commissie in de kosten van de procedure.
B - Standpuntbepaling
Voorafgaande opmerking
17 Volgens de letter van het verzoekschrift van de Commissie betreft dit het arrest van het Gerecht in zijn geheel. Uit de hogere voorziening blijkt evenwel, dat de Commissie tegen het arrest slechts opkomt in zoverre het beroep ten dele gegrond is verklaard. Verweersters hebben de hogere voorziening overigens in die zin begrepen. De hogere voorziening betreft dus niet de uitspraak van het Gerecht waarbij het beroep voor het overige wordt verworpen.
18 De Commissie bestrijdt het arrest in twee opzichten. Haars inziens gaat het Gerecht er enerzijds ten onrechte van uit, dat de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring tegen de beschikking van de Commissie pas op 30 juli 1991 was ingegaan. De beschikking is vastgesteld op 14 februari 1991. Op 30 april 1991 is zij aan de betrokken ondernemingen meegedeeld, waardoor de beroepstermijn is beginnen te lopen. Anderzijds heeft het Gerecht het bij het verkeerde eind, waar het oordeelde dat de Commissie de krachtens artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 op haar rustende verplichting om de betrokken Lid-Staat te horen, niet is nagekomen.
De ontvankelijkheid van het beroep
19 Het Gerecht stelde, dat "het bij gebreke van kennisgeving of openbaarmaking op de weg ligt van degene die kennis krijgt van het bestaan van een hem betreffende handeling, om binnen een redelijke termijn de volledige tekst ervan op te vragen, en dat bij inachtneming van deze voorwaarde de beroepstermijn pas ingaat op de dag waarop de betrokken derde kennis krijgt van de exacte inhoud en van de motivering van de betrokken handeling, zodat hij met vrucht van zijn beroepsrecht gebruik kan maken".(9)
20 Deze stelling is in overeenstemming met de vaste rechtspraak, die het Gerecht op die plaats heeft aangehaald(10) en die door de Commissie ook niet wordt betwist. Evenmin bekritiseert de Commissie - en terecht - de mening van het Gerecht, dat verzoeksters in eerste aanleg binnen een redelijke termijn om overlegging van de volledige tekst van de beschikking hebben verzocht.
21 De Commissie is evenwel van mening, dat voormelde rechtspraak in casu niet kan worden toegepast, omdat deze slechts opgaat in het geval waarin de beschikking niet is gepubliceerd of niet ter kennis is gebracht. In de onderhavige zaak is de beschikking van 14 februari 1991 de betrokken ondernemingen echter op 30 april 1991 ter kennis gebracht.
22 Het uitgangspunt van deze redenering is ongetwijfeld juist. Immers, reeds uit de bewoordingen van het aangehaalde citaat blijkt, dat die rechtspraak slechts ter zake dienend is, indien de betrokken beschikking niet is gepubliceerd of ter kennis gebracht. Onder "bekendmaking" in de zin van artikel 173, vijfde alinea, EG-Verdrag moet daarbij de "kennisgeving" in de zin van artikel 191 EG-Verdrag worden verstaan.(11) Anders dan bijvoorbeeld de Franse en de Engelse versie, is de Duitse versie van artikel 173, vijfde alinea, weliswaar geformuleerd op een wijze die tot een misverstand zou kunnen leiden, doch alleen de hierboven gegeven uitlegging strookt met de zin het doel van de aangehaalde rechtspraak. De ingangsdatum van de in artikel 173 bedoelde beroepstermijn kan alleen worden opgeschoven, indien de beschikking niet is gepubliceerd of de belanghebbende niet formeel ter kennis is gebracht. Alleen in dat geval kan de belanghebbende een specifiek te beschermen twijfel koesteren omtrent de inhoud en de motivering van de beschikking.
23 In casu nu is de beschikking de belanghebbenden niet ter kennis gebracht. Het feit dat de Portugese autoriteiten in hun brief van 24 april 1991 de brief van de Commissie van 14 februari 1991 hebben meegedeeld, volstaat als zodanig niet. Bij die brief heeft DAFSE alleen maar de tot de betrokken Lid-Staat gerichte beschikking ter kennis van verzoeksters in eerste aanleg gebracht. Aangezien de mededeling van de - summiere en beknopte - brief van de Commissie van 14 februari 1991 de belanghebbenden niet in de gelegenheid stelde, te beslissen of zij al dan niet van hun beroepsrecht gebruik dienden te maken, ging de beroepstermijn pas in op het ogenblik waarop zij de - door hen tijdig gevraagde - volledige tekst van de beschikking hebben ontvangen.
24 Bovendien heeft de stelling van de Commissie ongewenste gevolgen. Ondernemingen die zich in de situatie van verzoeksters in eerste aanleg bevinden, zouden immers onmiddellijk beroep moeten instellen, willen zij hun rechten vrijwaren. Het is echter duidelijk, dat de beschikking van de Commissie, zoals vervat in de brief van 14 februari 1991, niet voldeed aan de in artikel 190 EG-Verdrag gestelde motiveringsvereisten, en dus zonder meer nietig verklaard had moeten worden. De stelling van de Commissie zou dus tot een nutteloze toename van het contentieux leiden.
25 Bijgevolg moet het eerste middel van de hogere voorziening worden afgewezen.
Schending van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83
26 Zoals reeds gezegd, heeft het Gerecht overwogen, dat de in de betrokken bepaling neergelegde hoorplicht een wezenlijk vormvoorschrift is. Het Gerecht verwees naar de rechtspraak(12) en stelde vast, dat verzoeksters in eerste aanleg zich op schending van die voorschriften konden beroepen.
27 Vervolgens stelde het Gerecht, dat aan de verplichting om de betrokken Lid-Staat in de gelegenheid te stellen zijn opmerkingen kenbaar te maken, moet zijn voldaan voordat de beschikking is gegeven, hetgeen "met voldoende duidelijkheid" moet komen vast te staan en niet "op grond van vermoedens kan worden aangenomen".(13)
28 Met betrekking tot het door de Commissie opgestelde verslag van het controlebezoek van 27 oktober tot en met 3 november 1986 stelde het Gerecht vast, dat dit geen melding maakt van eventuele opmerkingen van de Portugese autoriteiten. Hetzelfde geldt voor het verslag van het controlebezoek van 28 september tot en met 2 oktober 1987. Uit het verslag van het controlebezoek van 26 tot en met 29 juli 1988 blijkt weliswaar, dat de Commissie voornemens was de bijstand van het ESF te verminderen en tegelijkertijd af te zien van de terugvordering van de reeds uitgekeerde bedragen, maar niet dat de Portugese autoriteiten daarover hun opmerkingen kenbaar hebben kunnen maken.(14)
29 Met betrekking tot de twee vergaderingen van juni 1998, waaraan de Commissie heeft gerefereerd, is het Gerecht tot dezelfde conclusie gekomen. Als bewijs voor de eerste vergadering verwees de Commissie naar het verslag van het controlebezoek van 26 tot en met 29 juli 1988, waaruit echter - zoals reeds gezegd - volgens het Gerecht niet kan worden afgeleid, dat de Commissie de betrokken Lid-Staat in de gelegenheid heeft gesteld zijn opmerkingen kenbaar te maken. Wat de tweede vergadering betreft, verwees het Gerecht naar een door de Commissie in verband daarmee opgestelde en aan de Portugese autoriteiten gezonden nota, waarin werd gezegd, dat de Commissie "een onderzoek ter plaatse en/of beantwoording van de aanvullende vragen" wenselijk achtte. Het Gerecht leidde daaruit af, dat de Commissie op dat ogenblik nog geen beslissing kon hebben genomen waarover de nationale autoriteiten hun opmerkingen kenbaar zouden hebben gemaakt.(15) Het Gerecht werd in die overtuiging nog gesterkt door een nota van het bevoegde lid van de Commissie van 19 oktober 1988, volgens welke de Commissie op de vergaderingen van juni 1988 de Portugese autoriteiten een aantal voorstellen voor "soortgelijke dossiers" heeft gedaan. Het Gerecht concludeerde daaruit, dat niet is aangetoond dat in het in casu aan de orde zijnde dossier eveneens dergelijke voorstellen zijn gedaan.(16)
30 Op grond van het vorenstaande kwam het Gerecht tot de slotsom, dat de Commissie niet kon worden geacht te hebben voldaan aan haar verplichting om overeenkomstig artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 de betrokken Lid-Staat de gelegenheid te bieden zijn opmerkingen te maken.
31 De Commissie brengt daartegen in, dat de Portugese autoriteiten op de hoogte waren van de controlebezoeken en daaraan deel hadden genomen. Zij waren dus op de hoogte van de bedenkingen van de Commissie die naar aanleiding van die bezoeken zijn besproken. De uiteindelijk gekozen oplossing was tijdens een gesprek tussen een lid van de Commissie en de bevoegde Portugese minister besproken, en door de Commissie tijdens het overleg van juni 1988 andermaal voorgesteld. Er was een voortdurende uitwisseling van informatie geweest, zodat de Portugese autoriteiten reeds op voorhand de gelegenheid hadden gehad om kennis te nemen van de hoofdlijnen van de nadien gekozen oplossing en dienaangaande hun standpunt kenbaar te maken.
32 Mijns inziens faalt dit middel van de hogere voorziening. In feite stelt de Commissie, dat het Gerecht de hem voorgelegde bewijsmiddelen onjuist heeft uitgelegd. Zoals zij terecht in haar repliek stelt, gaat het in casu om de vraag, of uit de op basis van de door haar in de procedure voor het Gerecht overgelegde elementen met voldoende zekerheid kon worden geconcludeerd, dat zij de op haar rustende hoorplicht was nagekomen. Het Gerecht heeft die vraag ontkennend beantwoord, en ik kan daarin geen fout ontwaren.
33 De Commissie betwist niet de wijze waarop het Gerecht de diverse stukken heeft uitgelegd. Haars inziens heeft het Gerecht evenwel de context waarin die stukken passen, onvoldoende in aanmerking genomen. Het gaat hier dus in wezen om een vraag betreffende de beoordeling van de bewijzen, welke vraag mijns inziens niet het voorwerp kan zijn van een hogere voorziening, daar deze laatste zoals bekend beperkt is tot rechtsvragen. Alleen indien het Gerecht bij de beoordeling van de bewijzen een dwaling ten aanzien van het recht had begaan, was hogere voorziening wel mogelijk geweest.
34 De Commissie lijkt zo een dwaling ten aanzien van het recht te zien in het feit dat het Gerecht een expliciet bewijs van de naleving van de hoorplicht heeft verlangd. Ik kan de Commissie daarin niet volgen. De nauwe samenwerking tussen de diensten van de Commissie en die van de betrokken Lid-Staat, waaraan de Commissie zoveel gewicht hecht, is wat de materie die ons hier bezighoudt betreft, vanzelfsprekend. Zo deze nauwe samenwerking op zich reeds zou volstaan als bewijs dat de Commissie de betrokken Lid-Staat in de gelegenheid heeft gesteld zijn opmerkingen kenbaar te maken voordat zij de beschikking gaf, dan zou dat voorbijgaan aan het feit dat de in artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 neergelegde verplichting een formeel vormvoorschrift is. In feite beperkt de Commissie zich hier - zoals verzoeksters in eerste aanleg terecht hebben gesteld - tot de bewering, dat zij die verplichting is nagekomen, zonder dat evenwel in concreto te bewijzen. Dat kan niet volstaan.
35 Volgens de Commissie heeft de opvatting van het Gerecht tot gevolg, dat het bewijs dat de betrokken hoorplicht is nageleefd, slechts kan worden geleverd aan de hand van documenten waarin uitdrukkelijk naar artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 wordt verwezen. Dit argument acht ik niet relevant. Weliswaar kan men het standpunt van de Commissie bijtreden in die zin, dat ter zake van de tenuitvoerlegging van de hoorplicht geen bijzondere formaliteiten zijn opgelegd, doch dat ontslaat de Commissie niet van de verplichting - zoals verzoeksters in eerste aanleg terecht hebben opgemerkt - om in voorkomend geval aan te tonen, dat de betrokken Lid-Staat in de gelegenheid is gesteld om zijn opmerkingen kenbaar te maken. Juist dat bewijs ontbreekt in casu.
Voorts beroept de Commissie zich tot staving van haar standpunt ten onrechte op het arrest van 25 mei 1993 in de zaak C-199/91.(17) In dat arrest concludeerde het Hof uit een aantal voorgelegde stukken weliswaar, dat de Commissie haar hoorplicht was nagekomen met betrekking tot sommige dossiers die in die zaak aan de orde waren, doch met betrekking tot de overige dossiers stelde het vast, dat uit de stukken niet kon worden afgeleid, dat de Commissie de betrokken Lid-Staat in de gelegenheid had gesteld zijn opmerkingen betreffende de voorgenomen beschikkingen kenbaar te maken.(18)
36 Bijgevolg faalt ook het tweede middel van de hogere voorziening.
37 Mitsdien moet de hogere voorziening worden verworpen. De beslissing omtrent de kosten moet worden genomen overeenkomstig de artikelen 122, 118 en 69 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
C - Conclusie
38 Derhalve geef ik het Hof in overweging de hogere voorziening te verwerpen en de Commissie in de kosten van de procedure te verwijzen.
(1) - Socurte e.a., Jurispr. 1995, blz. II-503.
(2) - PB 1983, L 289, blz. 38.
(3) - PB 1983, L 289, blz. 1.
(4) - De uiteindelijk goedkeurde bijstand bedroeg in totaal 437 452 918 ESC (zijnde 50 % van de oorspronkelijk voorziene bijstand).
(5) - Ingevolge de nadien gewijzigde bevoegdheidsverdeling heeft het Hof deze zaken bij beschikking van 27 september 1993 naar het Gerecht van eerste aanleg verwezen.
(6) - T.a.p., voetnoot 1, r.o. 46.
(7) - T.a.p., voetnoot 1, r.o. 50.
(8) - T.a.p., voetnoot 1, r.o. 65.
(9) - T.a.p., voetnoot 1, r.o. 49.
(10) - Zie onder meer arrest Hof van 6 juli 1988 (zaak 236/86, Dillinger, Jurispr. 1988, blz. 3761, r.o. 14) en arrest Gerecht van 19 mei 1994 (zaak T-456/93, Consorzio gruppo di azione locale "Murgia Messapica", Jurispr. 1994, blz. II-361, r.o. 29). Zie ook arrest Gerecht van 8 mei 1996 (zaak T-19/95, Adia interim, Jurispr. 1996, blz. II-321, r.o. 33).
(11) - Zie ook H. Krueck in Von der Groeben/Thiesing/Ehlermann (Hrsg.), Kommentar zum EWG-Vertrag, vierde uitgave, Baden-Baden 1991, art. 173, punt 66. De in artikel 173, vijfde alinea, bedoelde "bekendmaking" stemt overeen met de "kennisgeving" van artikel 191.
(12) - Zie bijvoorbeeld arrest Hof van 7 mei 1991 (zaak C-304/89, Oliveira, Jurispr. 1991, blz. I-2283, r.o. 17).
(13) - T.a.p., voetnoot 1, r.o. 66.
(14) - T.a.p., voetnoot 1, r.o. 68-70.
(15) - T.a.p., voetnoot 1, r.o. 72.
(16) - T.a.p., voetnoot 1, r.o. 73 en 74.
(17) - Foyer Culturel du Sart-Tilman, Jurispr. 1993, blz. I-2667.
(18) - T.a.p., voetnoot 17, r.o. 32.
Full & Egal Universal Law Academy