CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. LA PERGOLA
van 25 april 1996 ( *1 )
1.
Bij vonnis van 4 april 1995 heeft het Tribunal de police de Toulouse het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
„Is de procedure tot vaststelling van strafbare feiten, zoals deze voortvloeit uit de wet van 1 augustus 1905 inzake fraude en vervalsing op het gebied van produkten en diensten wat de etikettering en presentatie van levensmiddelen betreft, en meer bepaald het feit dat het proces-verbaal niet ter ondertekening wordt voorgelegd aan degene bij wie de onderzoeken worden gedaan, verenigbaar met de door het Hof van Justitie geformuleerde algemene rechtsbeginselen, zoals de eerbiediging van de rechten van de verdediging en van het recht van hoor en wederhoor?”
2.
De aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten kunnen worden samengevat als volgt. J.-L. Maurin (verdachte in het hoofdgeding; hierna: „verdachte”) staat terecht ter zake van het te koop aangeboden hebben van levensmiddelen waarvan de uiterste verkoopdatum was verstreken, hetgeen strafbaar is gesteld bij artikel 18 van decreet nr. 84-1147 van 7 december 1984. Dit strafbaar feit werd door de Franse bevoegde autoriteiten vastgesteld tijdens een in het bedrijf van verdachte verrichte controle. Het op 15 juni 1993 opgemaakte proces-verbaal werd op 18 juni daaraanvolgend toegezonden aan de procureur de la République de Toulouse en, ten slotte, op 22 juni 1993 aan verdachte betekend. Voor de nationale rechter heeft verdachte aangevoerd, dat genoemd procesverbaal nietig was, op grond dat het niet was ondertekend door degene bij wie de onderzoeken waren gedaan, hetgeen volgens verdachte in strijd is met de in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens geformuleerde beginselen, meer in het bijzonder het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en van het recht van hoor en wederhoor.
In het verwijzingsvonnis wordt gepreciseerd, dat de voor de oplossing van de onderhavige zaak relevante nationale bepalingen niet verlangen, dat het proces-verbaal door de betrokkene wordt ondertekend. De verwijzende rechter vraagt het Hof evenwel, of dit vereiste kan worden afgeleid uit de „door het Hof van Justitie geformuleerde algemene rechtsbeginselen, zoals de eerbiediging van de rechten van de verdediging en van het recht van hoor en wederhoor”.
3.
De Commissie en de Franse en de Britse regering hebben aangevoerd, dat het Hof niet bevoegd is de gestelde prejudiciële vraag te beantwoorden, daar het hoofdgeding betrekking heeft op een zaak die buiten het toepassingsgebied van het gemeenschapsrecht valt. Er zou, beter gezegd, sprake zijn van een zaak die uitsluitend wordt beheerst door het nationale recht: de verwijzende rechter zou een sanctie moeten toepassen die de Franse wetgeving voorziet in geval van schending van een bepaling die op haar beurt door de nationale rechtsorde is vastgesteld. De voorwaarde waaraan moet zijn voldaan, wil het gemeenschapsrecht kunnen worden toegepast en wil het Hof bijgevolg bevoegd zijn, zou in casu dus niet zijn vervuld.
4.
Dit standpunt moet naar mijn mening worden onderschreven. Allereerst heeft de zaak waarom het in het hoofdgeding draait, geen enkel aanknopingspunt met de communautaire rechtsorde. Richtlijn 79/112/EEG ( 1 ) bevat voorschriften inzake de etikettering van levensmiddelen en bepaalt in dit verband ook, dat op die produkten onder meer de datum van minimale houdbaarheid moet worden vermeld. Het doel van de richtlijn is echter, zoals blijkt uit de eerste overweging van de considerans ervan, „de verschillen die (...) bestaan tussen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten inzake de etikettering van levensmiddelen”, welke verschillen „het vrije verkeer van deze produkten belemmeren en kunnen leiden tot ongelijke concurrentievoorwaarden”, uit de weg te ruimen. Hiertoe is het noodzakelijk gebleken, „de lijst vast te stellen van de vermeldingen die in beginsel op de etiketten van alle levensmiddelen moeten voorkomen”. ( 2 ) De richtlijn tracht dit doel te bereiken door eenvoudig uniforme criteria voor de etikettering van levensmiddelen vast te stellen. De bepalingen van de richtlijn kunnen dus enkel worden geschonden door middel van de verhandeling van produkten waarvan de etikettering niet aan die criteria voldoet. De richtlijn geeft echter geen regeling voor het geval waarom het in het hoofdgeding gaat, waarin een produkt waarvan de etikettering in overeenstemming is met de communautaire voorschriften, te koop wordt aangeboden na het verstrijken van de op de verpakking ervan vermelde uiterste consumptiedatum. Het gaat er in casu dus niet om, te beoordelen of de etikettering van de produkten in overeenstemming was met de in de richtlijn geformuleerde criteria, in welk geval de zaak zou moeten worden geacht daadwerkelijk door het gemeenschapsrecht te worden beheerst. Het gaat integendeel om de vraag, hoe het in de handel brengen van levensmiddelen waarvan de uiterste consumptiedatum is verstreken, wordt bestraft: hiermee houdt echter noch genoemde richtlijn, noch enige andere bepaling van gemeenschapsrecht zich bezig, Dit is een probleem dat tot de bevoegdheid van de nationale wetgever behoort. De partijen die opmerkingen hebben ingediend, hebben derhalve terecht aangevoerd, dat het bij de tegen verdachte aanhangig gemaakte strafzaak gaat om schending van een nationaal voorschrift dat geen enkel aanknopingspunt met het gemeenschapsrecht heeft.
Het Hof heeft herhaaldelijk overwogen, dat „het tot zijn taak behoort, de eerbiediging van de grondrechten op de door het gemeenschapsrecht geregelde gebieden te verzekeren, maar dat het niet bevoegd is om de verenigbaarheid met het Europees Verdrag te beoordelen van een nationale wet die niet binnen het kader van het gemeenschapsrecht valt”. ( 3 ) Daar, zoals wij hebben gezien, de aan verdachte opgelegde straf is voorzien in een nationale bepaling die niet is vastgesteld ter uitvoering van enige bepaling van gemeenschapsrecht, is het Hof niet bevoegd te beoordelen, of de procedurele modaliteiten betreffende de toepassing van die straf al dan niet in overeenstemming zijn met de algemene rechtsbeginselen, meer in het bijzonder het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en van het recht van hoor en wederhoor, waarvan het Hof de inachtneming heeft te verzekeren.
Conclusie
5.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, de door het Tribunal de police de Toulouse gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
„Ofschoon het aan het Hof staat om de eerbiediging van de fundamentele rechten op het specifieke gebied van het gemeenschapsrecht te verzekeren, is het niet zijn taak te onderzoeken, of een nationale regeling die, zoals in casu, buiten het toepassingsgebied van het gemeenschapsrecht valt, verenigbaar is met het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en van het recht van hoor en wederhoor.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) Richtlijn van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB 1979, L 33, blz. 1).
( 2 ) Zie de zevende overweging van de considerans van de richtlijn.
( 3 ) Arrest van 30 september 1987 (zaak 12/86, Demirel, Jurispr. 1987, blz.3719, r. o. 28). Zie ook arrest van 11 juli 1985 (gevoegde zaken 60/84 en 61/84, Cinétlièque e. a., Jurispr. 1985, blz. 2605, r. o. 26).
Full & Egal Universal Law Academy