Conclusie van de advocaat generaal
1 De onderhavige zaak, een prejudicieel verzoek van het Dioikitiko Efeteio Athinon (Administratief Hof van Beroep, Athene), betreft een door E. Evrenopoulos bij de Dimosia Epicheirisi Ilektrismou (openbaar elektriciteitsbedrijf; hierna "DEI"), de vroegere werkgever van zijn overleden vrouw, ingediende aanvraag om een weduwnaarspensioen. Evrenopoulos betoogt, dat hij op grond van zijn geslacht wordt gediscrimineerd, omdat hij geen weduwnaarspensioen ontvangt dat gelijk is aan het pensioen waarop een weduwe in zijn situatie recht zou hebben. Verder stelt hij, dat die discriminatie in strijd met artikel 119 EG-Verdrag is. Het gaat in deze zaak dus om de werkingssfeer van artikel 119 met betrekking tot bedrijfspensioenrechten.
2 Artikel 119, dat het beginsel inhoudt dat mannen en vrouwen voor gelijke arbeid gelijk moeten worden beloond, definieert "beloning" als "het gewone basis- of minimumloon of -salaris, en alle overige voordelen in geld of in natura die de werkgever direct of indirect aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking betaalt".
3 In 1976 besliste het Hof in de zaak Defrenne(1), dat voor de nationale rechterlijke instanties een beroep op dat beginsel kon worden gedaan. In 1990 besliste het Hof in de zaak Barber(2), dat vervangende bedrijfspensioenregelingen onder de werkingssfeer van artikel 119 vielen, zodat verschillen in pensioengerechtigde leeftijd verboden waren. Ten slotte moest het Hof in de zaak Beune(3), waarover straks meer, beoordelen of artikel 119 van toepassing was op een pensioenregeling voor ambtenaren die in bepaalde opzichten op een bedrijfspensioenregeling leek.
De nationale regels
4 In de verwijzingsbeschikking wordt DEI beschreven als een rechtspersoonlijkheid bezittend overheidslichaam sui generis, dat voor het merendeel van haar taken, waaronder die van werkgever, onder het privaatrecht valt. Haar personeel is verzekerd krachtens wet nr. 4491/1966 betreffende de personeelsverzekering van de Dimosia Epicheirisi Ilektrismou (hierna: "wet").(4) Volgens die wet wordt de pensioenregeling door DEI beheerd; in die hoedanigheid valt zij onder het publiekrecht. De uitvoering van de verzekeringsregeling is opgedragen aan een speciale afdeling die door de Raad van Bestuur van DEI is opgericht bij een in het officiële publicatieblad bekendgemaakte beschikking. In artikel 1 van de wet wordt die afdeling de "verzekeringsafdeling" genoemd. Ieder die een arbeidsverhouding met DEI heeft, of een salaris van haar ontvangt, alsmede zijn gezinsleden zijn verplicht en rechtens bij de regeling verzekerd (artikel 2 van de wet). De regeling omvat een pensioenverzekering, een ziektekostenverzekering en een sociale-bijstandsverzekering (artikel 3). Bij de wet is ook een uit elf leden bestaande verzekeringsraad opgericht, die onder meer: i) de door de betrokkenen vervulde tijdvakken van verzekering vaststelt; ii) beslist over de toekenning van de wettelijke uitkeringen, en iii) aan de Raad van Bestuur van DEI voorstellen doet voor maatregelen ter verbetering van de krachtens de wet voor het personeel van DEI geldende verzekeringsvoorwaarden (artikel 4). De voor de regeling beschikbare middelen bestaan uit bijdragen van verzekerden en gepensioneerden. Die middelen "komen toe aan DEI, die dient te zorgen voor kostendekking en naleving van de algemene verplichtingen van de bij deze wet ingestelde regeling" (artikel 7). Het pensioenbedrag wordt berekend naar de beloning in het laatste dienstjaar en staat rechtstreeks in verband met de vervulde diensttijd: de voor de toekenning van het pensioen vereiste verzekeringsduur komt overeen met de duur van de dienstbetrekking bij DEI (artikel 8). In haar schriftelijke opmerkingen verklaart de Griekse regering echter, dat elders in de publieke sector vervulde tijdvakken van verzekering (bijvoorbeeld een dienstbetrekking bij de overheid of bij publiekrechtelijke rechtspersonen en tijdvakken van militaire dienst) ook in aanmerking worden genomen.
5 In deze zaak gaat het om artikel 9, lid 1, sub a, van de wet. Daarin wordt bepaald dat "in geval van overlijden van de pensioengerechtigde of de verzekerde (...) de weduwe, en wanneer de verzekerde een vrouw is, de weduwnaar die geen middelen van bestaan heeft, volledig arbeidsongeschikt is en gedurende de gehele periode van vijf jaar voorafgaande aan haar overlijden door haar werd onderhouden, recht op een pensioen heeft".
Het hoofdgeding
6 Evrenopoulos, een advocaat in overheidsdienst, verzocht bij brief van 23 januari 1989 de directeur personeelsverzekeringen van DEI, na het overlijden van zijn echtgenote, die een gepensioneerde van DEI was, om toekenning van een weduwnaarspensioen. Die aanvraag doorliep diverse stadia, waarop ik dieper moet ingaan, teneinde een van de vragen aan het Hof te verklaren (en te kunnen beantwoorden).
7 De brief bleef aanvankelijk onbeantwoord, en dus stelde Evrenopoulos op 12 juni 1989 tegen de daaruit volgende stilzwijgende afwijzing van zijn aanvraag beroep in bij het Dioikitiko Protodikeio Athinon (Administratieve Rechtbank van eerste aanleg, Athene). Het beroep lijkt binnen de gestelde termijn te zijn ingesteld. Bij beschikking van 21 september 1989, terwijl het beroep nog steeds aanhangig was, wees de directeur personeelsverzekeringen van DEI de aanvraag van Evrenopoulos af, omdat hij niet aan de in artikel 9, lid 1, sub a, van de wet gestelde voorwaarden voor de toekenning van een weduwnaarspensioen zou voldoen.
8 Bij uitspraak nr. 8361/90 van 26 november 1990 verwierp het Dioikitiko Protodikeio Athinon de aanvraag van Evrenopoulos, omdat hij niet vooraf bij de verzekeringsraad van DEI een bezwaarschrift tegen het besluit van 21 september 1989 had ingediend. Aangezien de directeur hem echter niet van de mogelijkheid tot indiening van een dergelijk bezwaarschrift in kennis had gesteld, gunde de rechter Evrenopoulos een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de kennisgeving van de uitspraak, om zulks alsnog te doen. Vervolgens diende Evrenopoulos op 4 februari 1991 bij de verzekeringsraad van de DEI een bezwaarschrift in; dat bezwaarschrift werd bij beschikking van 26 maart 1991 afgewezen om dezelfde redenen als welke in het besluit van de directeur waren vermeld. Op 2 mei 1991 stelde Evrenopoulos bij het Dioikitiko Protodikeio Athinon tegen de beslissing van de verzekeringsraad een geslaagd beroep in. Dat gerecht besliste, dat Evrenopoulos recht op een weduwnaarspensioen had krachtens het in de artikelen 4 en 116 van de Griekse Grondwet en in het gemeenschapsrecht neergelegde beginsel van gelijke behandeling.
9 Op 12 juni 1992 stelde DEI tegen deze uitspraak hoger beroep in bij het Dioikitiko Efeteio Athinon, de verwijzende rechter. Zij voerde onder meer aan, dat in de betwiste uitspraak ten onrechte was aangenomen, dat artikel 9, lid 1, sub a, van de wet in strijd met het gemeenschapsrecht was: daarvoor deed zij onder meer een beroep op de uitzondering krachtens artikel 7, lid 1, sub c, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid.(5)
10 Na aanhoring van deze argumenten besloot het Dioikitiko Efeteio Athinon de zaak naar het Hof te verwijzen. Het verzoekt een antwoord op de volgende vragen:
"1) Is de (...) verzekeringsregeling van DEI een ondernemingsregeling of een wettelijk stelsel?
2) Is artikel 119 EG-Verdrag of richtlijn 79/7 op de regeling en, in het bijzonder op de daarin voorziene uitkeringen voor nabestaanden van toepassing?
3) Is artikel 9, lid 1, sub a, van wet nr. 4491/1966 in strijd met artikel 119 EG-Verdrag?
4) Mag deze bepaling op grond van enige andere gemeenschapsregel in stand blijven?
5) Is artikel 119 EG-Verdrag op de onderhavige zaak van toepassing, gelet op Protocol nr. 2 bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en op het feit, dat geïntimeerde zijn oorspronkelijke vordering vóór 17 mei 1990, namelijk op 12 juni 1989, heeft ingesteld, maar deze vordering bij uitspraak nr. 8361/1990 van het Dioikitiko Protodikeio Athinon is afgewezen, omdat geen bezwaarschrift tegen het besluit van de directeur personeelsverzekeringen was ingediend (administratief beroep), en in die uitspraak hem een termijn van drie maanden voor de indiening van dat bezwaarschrift is gegund?
6) Bij een bevestigend antwoord op de derde en de vijfde vraag: heeft een weduwnaar die ingevolge die bepaling (artikel 9, lid 1, sub a, van wet nr. 4491/1966) geen pensioen of andere uitkering voor nabestaanden ontvangt, recht op pensioen en uitkeringen voor nabestaanden onder dezelfde voorwaarden als voor weduwen gelden?"
11 Schriftelijke opmerkingen werden ingediend door DEI en Evrenopoulos, en door Griekenland, het Verenigd Koninkrijk en de Commissie, die allen bij de mondelinge behandeling vertegenwoordigd waren.
De eerste en de tweede vraag
12 Met de eerste en de tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of een pensioenregeling als die van DEI, die in uitkeringen voor nabestaanden voorziet, door artikel 119 EG-Verdrag wordt gedekt, of binnen de werkingssfeer van richtlijn 79/7(6) valt.
13 Het antwoord op die vragen volgt duidelijk uit de bestaande rechtspraak, in het bijzonder het arrest van het Hof in de zaak Beune.(7) In die zaak was het Hof een soortgelijke vraag met betrekking tot de pensioenregeling voor Nederlandse ambtenaren voorgelegd. Mijn conclusie volgend, onderzocht het Hof het belang van verschillende criteria teneinde vast te stellen of de betrokken voordelen als "beloning" in de zin van artikel 119 EG-Verdrag moesten worden beschouwd.(8) Het Hof stelde vast, dat criteria zoals i) het wettelijk karakter van de pensioenregeling; ii) de vraag of de regeling voortvloeit uit een overeenkomst tussen werkgevers en werknemers; iii) de aanvullende aard van de pensioenuitkeringen; iv) de wijze van financiering en beheer van de regeling; v) en de vraag of de regeling enkel geldt voor een bepaalde beroepsgroep, op zich niet beslissend zijn voor de vaststelling of de regeling onder artikel 119 valt. Het Hof was van oordeel:
"Uit al het voorgaande volgt in feite, dat enkel het criterium dat is ontleend aan de vaststelling, dat het pensioen aan de werknemer wordt uitgekeerd op grond van de arbeidsverhouding tussen de betrokkene en zijn voormalige werkgever, dat wil zeggen het aan de bewoordingen van artikel 119 ontleende criterium van de dienstbetrekking, beslissend kan zijn."(9)
14 Het Hof voegde daaraan toe, dat zelfs dat criterium niet voldoende kan worden geacht, omdat in pensioenen die op grond van wettelijke regelingen van sociale zekerheid worden uitbetaald, eventueel rekening wordt gehouden met het arbeidsloon in een eerdere dienstbetrekking.(10) Het Hof concludeerde echter:
"Overwegingen van sociaal beleid, betreffende de organisatie van de staat, van ethische of zelfs van budgettaire aard, die een rol hebben of kunnen hebben gespeeld toen de nationale wetgever een regeling als de in het geding zijnde vaststelde, kunnen echter niet doorslaggevend zijn indien het pensioen slechts geldt voor een bijzondere categorie van werknemers, indien het rechtstreeks afhankelijk is van het aantal dienstjaren en indien het bedrag ervan wordt berekend op basis van het eindloon van de ambtenaar. Het door de werkgever in de openbare sector uitgekeerde pensioen is dan volstrekt vergelijkbaar met het pensioen dat een werkgever in de particuliere sector aan zijn voormalige werknemers zou uitkeren."(11)
15 In mijn conclusie in de zaak Beune was ook ik van mening, dat de enige factor die echt doorslaggevend is, de omstandigheid is dat de aanspraak van de werknemer op pensioen voortvloeit uit de arbeidsverhouding en kan worden beschouwd als een, zij het toekomstig, onderdeel van zijn bezoldiging.(12)
16 Op basis van de door de verwijzende rechter gegeven uiteenzetting van de regeling van DEI twijfel ik er niet aan, dat het recht van het DEI-personeel op een pensioen krachtens de regeling voortvloeit uit hun arbeidsverhouding, en dat de uitkeringen daarom onder de werkingssfeer van artikel 119 EG-Verdrag vallen. De regeling, daaronder begrepen de pensioenuitkeringen, is voorbehouden aan het personeel van DEI en hun gezinsleden. Het pensioen betreft daarom enkel een bijzondere categorie van werknemers, en het bedrag ervan wordt berekend op basis van het eindloon van de werknemer. Het pensioen wordt gefinancierd door bijdragen van de werknemers, de gepensioneerden en de werkgever. Het is dus duidelijk, dat het pensioen als een toekomstige beloning moet worden beschouwd.
17 Het is niet van belang, dat de hier in het geding zijnde uitkeringen weduwnaarspensioenen zijn. Het recht op dergelijke uitkeringen vloeit eveneens voort uit de arbeidsverhouding, niet tussen de weduwnaar en zijn werkgever, maar tussen de overleden vrouw van de weduwnaar en haar voormalige werkgever. In de zaak Coloroll Pension Trustees(13) aanvaardde het Hof dat zowel werknemers als hun rechtverkrijgenden een beroep op de rechtstreekse werking van artikel 119 kunnen doen.
18 Niettemin zijn DEI en de Griekse regering van mening, dat de uitkeringen niet binnen de werkingssfeer van artikel 119 vallen. Tot staving van die mening verwijzen zij naar diverse andere criteria en in het bijzonder naar: i) het wettelijke karakter van de pensioenen; ii) het feit dat de bedragen ervan niet bij een overeenkomst of door een eenzijdige beslissing van de werkgever worden vastgesteld; iii) het feit dat zij geen aanvulling op een algemene pensioenregeling op het gebied van de sociale zekerheid vormen; iv) de financiering van de regeling. Deze criteria werden echter door het Hof in de zaak Beune onderzocht en verworpen. Deze zaak laat dan ook zien, dat de door het Hof in de zaak Beune gevolgde weg de juiste is. Wanneer het basiscriterium van de arbeidsverhouding uit het oog wordt verloren, zou het uiterst moeilijk zijn om, zoals in de zaak Beune het geval zou zijn geweest, op basis van de verschillende genoemde criteria vast te stellen of de betrokken uitkeringen al dan niet een beloning waren.
19 In elk geval is een aantal van de in deze zaak aangevoerde argumenten niet overtuigend. DEI en de Griekse regering beklemtonen, dat het bedrag van de pensioenuitkeringen niet op een overeenkomst tussen DEI en haar werknemers berust, maar rechtstreeks bij de wet wordt vastgesteld. Dat mag waar zijn, maar aangezien de uitkeringen worden berekend op basis van de bijdragen aan de regeling in het laatste dienstjaar, bestaat er een duidelijk verband met loononderhandelingen in het algemeen: de bijdragen worden vastgesteld als een percentage van het werknemerssalaris en men mag aannemen, dat de werknemers zich ervan bewust zijn, dat een eventuele salariswijziging gevolgen voor hun toekomstige pensioenen heeft.
20 Evenmin kan ik het argument aanvaarden, dat de regeling, voor zover zij door eigen bijdragen van de werknemers wordt gefinancierd, niet door de werkgever wordt gefinancierd en geen deel van de beloning van de werknemers uitmaakt. Aangezien de werknemersbijdrage wordt vastgesteld als een percentage van hun beloning, is zij een functie van die beloning en maakt zij dientengevolge daarvan indirect deel uit. Wanneer een werknemer van DEI een salarisverhoging krijgt, heeft dat zijn weerslag in zijn pensioenbijdragen en zal het bedrag van zijn pensioen, wanneer het zijn laatste dienstjaar is, daardoor worden beïnvloed.
21 Ik acht het niet noodzakelijk om alle andere hier aangevoerde argumenten te onderzoeken, omdat zij, zoals het Verenigd Koninkrijk ter terechtzitting opmerkte, neerkomen op een poging tot heropening van de discussie die werd afgesloten in de zaak Beune, een zaak die tijdens een reeks zaken met betrekking tot de toepassing van artikel 119 op bedrijfspensioenen werd onderzocht en die door het voltallig Hof na een zeer diepgaande analyse werd beslist. Heropening van die discussie is mijns inziens niet noodzakelijk en zou opnieuw tot rechtsonzekerheid leiden.
22 Bijgevolg concludeer ik, dat een pensioenregeling die uitkeringen voor nabestaanden inhoudt, zoals de door DEI beheerde regeling, geacht moet worden binnen de werkingssfeer van artikel 119 EG-Verdrag te vallen.
De derde, de vierde en de zesde vraag
23 Met deze vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, wanneer de regeling onder artikel 119 valt, het verschil in behandeling tussen weduwen en weduwnaars van overleden voormalige werknemers verenigbaar met die bepaling is en zo nee, of een weduwnaar recht op een pensioen en uitkeringen voor nabestaanden heeft onder dezelfde voorwaarden als die welke voor weduwen zijn vastgesteld.
24 De antwoorden op die vragen zijn duidelijk. Met betrekking tot de derde vraag is het sinds het arrest in de zaak Defrenne vaste rechtspraak, dat alle vormen van rechtstreekse discriminatie waaronder in het bijzonder die "welke hun oorsprong vinden in wettelijke bepalingen" en die men "door zuiver juridische analyse op het spoor kan komen"(14), verboden zijn. Het in artikel 9, lid 1, sub a, van de wet neergelegde verschil in behandeling tussen weduwen en weduwnaars is een schoolvoorbeeld van een dergelijke rechtstreekse discriminatie.
25 Met betrekking tot de vierde vraag is verder duidelijk, dat de betwiste bepaling niet op grond van enige andere gemeenschapsregel in stand mag blijven. Het Verdrag voorziet niet in afwijkingen van artikel 119 die daartoe aanleiding zouden kunnen geven en het spreekt daarom vanzelf, dat de gemeenschapswetgeving - waaronder artikel 7, lid 1, sub c, van richtlijn 79/7 - al helemaal niet in dergelijke afwijkingen kan voorzien.
26 De zesde vraag (of artikel 119 vereist, dat de weduwnaar recht op pensioen heeft onder dezelfde voorwaarden die voor weduwen gelden) lijkt te zijn gesteld, omdat DEI heeft betoogd, dat de betwiste bepaling, wanneer zij discriminerend is, naar Grieks recht zowel voor weduwen als voor weduwnaars ongrondwettelijk en ongeldig is. Dat ligt in het gemeenschapsrecht evenwel anders. In de zaak Coloroll Pension Trustees, waarin dit punt uitvoerig werd besproken, wees het Hof erop dat, wanneer het bestaan van discriminatie is vastgesteld en zolang geen maatregelen zijn getroffen om gelijke behandeling tot stand te brengen "de naleving van artikel 119 slechts kan worden verzekerd, door de leden van de benadeelde groep dezelfde voordelen toe te kennen als de leden van de bevoordeelde groep genieten".(15) Er zij aan herinnerd, dat het in die zaak niet enkel om de rechten van werknemers ging, maar ook om uitkeringen voor nabestaanden.
27 Bijgevolg concludeer ik, dat het juiste antwoord op de derde, de vierde en de zesde vraag is dat:
i) een verschil in behandeling tussen weduwen en weduwnaars, zoals aan de orde in het hoofdgeding, onverenigbaar met artikel 119 EG-Verdrag is;
ii) instandhouding ervan niet op grond van enige andere gemeenschapsbepaling is toegestaan; en
iii) zolang geen maatregelen zijn getroffen om gelijke behandeling tot stand te brengen, de naleving van artikel 119 slechts kan worden verzekerd door pensioenen en andere uitkeringen voor nabestaanden aan weduwnaars toe te kennen onder dezelfde voorwaarden als die welke voor weduwen gelden.
De vijfde vraag
28 De vijfde vraag doet een moeilijker probleem rijzen. De oorsprong ervan ligt in de welbekende beperking in de tijd van de gevolgen van het arrest Barber. In de zaak Barber stelde het Hof voor het eerst vast, dat artikel 119 EG-Verdrag ook van toepassing is op pensioenen die uit vervangende bedrijfspensioenregelingen worden betaald, en heeft het bij uitzondering, om dwingende overwegingen van rechtszekerheid, de gevolgen in de tijd van zijn arrest in de volgende bewoordingen beperkt:
"Mitsdien moet worden beslist, dat op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag geen beroep kan worden gedaan om aanspraak te maken op een pensioen vanaf een tijdstip gelegen vóór de datum van dit arrest [17 mei 1990], behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingesteld."(16)
29 De juiste uitlegging van die beslissing leidde tot een uitgebreide discussie, en werd door het Hof verduidelijkt in de zaak Ten Oever.(17) Die uitlegging is thans opgenomen in Protocol nr. 2 bij het EG-Verdrag, ingevoegd bij het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat luidt als volgt:
"Voor de toepassing van artikel 119 van het Verdrag worden uitkeringen uit hoofde van een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid niet als beloning beschouwd indien en voor zover zij kunnen worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid vóór 17 mei 1990, behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingesteld."
30 In de onderhavige zaak gaat het om de uitzondering op de beperking in de tijd. Uit de zaken Coloroll Pension Trustees en Beune blijkt duidelijk, dat het protocol in beginsel van toepassing is op het soort uitkeringen waarom Evrenopoulos had verzocht. In de zaak Coloroll Pension Trustees(18) bevestigde het Hof, dat de beperking in de tijd van de werking van het arrest Barber van toepassing is op uitkeringen voor nabestaanden, en in de zaak Beune besliste het Hof, dat het protocol van toepassing was op het daar in het geding zijnde ambtenarenpensioen, dat moest worden beschouwd als een uitkering uit hoofde van een ondernemings- of sectoriële regeling in de zin van het protocol:
"Ofschoon die uitkering bij wet wordt geregeld, biedt zij de ambtenaar immers bescherming tegen de eventualiteit van ouderdom en is zij aan te merken als een door de werkgever in de openbare sector aan de werknemer uit hoofde van diens dienstbetrekking betaald voordeel, dat vergelijkbaar is met het voordeel dat door een werkgever in de particuliere sector uit hoofde van een bedrijfsregeling wordt betaald."(19)
Hetzelfde geldt mijns inziens voor een weduwnaarspensioen zoals hier in geding.
31 Op het eerste gezicht lijkt een beslissing over dat punt niet noodzakelijk, omdat het protocol in geen geval aan het beroep van Evrenopoulos in de weg kon staan. Zijn aanvankelijke vordering diende hij ruim vóór 17 mei 1990 in: zijn eerste brief dateert van 23 januari 1989 en hij stelde op 12 juni 1989 beroep in. Zoals reeds gezegd(20), verliep zijn beroep bij de Griekse rechterlijke instanties echter niet rimpelloos.
32 Volgens Evrenopoulos en de Commissie is onder de omstandigheden in deze zaak de uitzondering voor degenen die vóór 17 mei 1990 een rechtsvordering hadden ingesteld, van toepassing.
33 Evrenopoulos is van mening, dat het op 12 juni 1989 door hem ingestelde beroep op dat tijdstip volledig in overeenstemming met de relevante procedurele regels was. In antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof, heeft hij zijn opvatting over die regels uitvoerig uiteengezet. Volgens zijn verklaring was hij, aangezien de directeur personeelsverzekeringen van DEI zijn eerste brief van 23 januari 1989 onbeantwoord liet, gedwongen om binnen een bepaalde termijn een procedure in te leiden, wat hij ook heeft gedaan. Terwijl het beroep nog aanhangig was, besloot de directeur zijn vordering af te wijzen. Die beslissing werd beschouwd als het voorwerp van de aanvankelijke procedure, maar het beroep werd verworpen, omdat Evrenopoulos had verzuimd om tegen de beslissing van de verzekeringsafdeling een bezwaarschrift in te dienen. Met toepassing van de rechtspraak van de Symvoulio tis Epikrateias (Raad van State) besliste het Dioikitiko Protodikeio Athinon, dat de directeur Evrenopoulos in kennis had moeten stellen van de mogelijkheid om een dergelijk bezwaarschrift binnen de voorgeschreven termijn van drie maanden in te dienen, en werd Evrenopoulos daarom de gelegenheid geboden om zulks binnen drie maanden na kennisgeving van de uitspraak alsnog te doen. Hij maakte van die gelegenheid gebruik en begon op 2 mei 1991 een nieuwe procedure tegen de afwijzing van zijn bezwaarschrift.
34 Evrenopoulos voert in wezen aan, dat zijn eerste beroep naar Grieks recht ontvankelijk was, en dat de noodzaak om een tweede beroep in te stellen enkel
voortvloeide uit het feit dat DEI niet tijdig uitdrukkelijk besloot om zijn vordering af te wijzen. Volgens hem kunnen die beslissing noch het tweede beroep de gevolgen van het eerste beroep ongedaan maken. Aangezien het eerste beroep ontvankelijk werd geacht, is zijn conclusie, dat hij in aanmerking zou moeten komen voor de uitzondering "ten behoeve van personen die tijdig het initiatief hebben genomen om hun rechten veilig te stellen".(21)
35 Volgens de Commissie is de uitzondering van toepassing op alle werknemers of hun rechtverkrijgenden die op een of andere wijze (langs administratieve of gerechtelijke weg) vóór 17 mei 1990 een beroep op schending van artikel 119 hebben gedaan. In de onderhavige zaak is niet van belang, dat het eerste beroep om procedurele redenen werd verworpen. Uiteindelijk is Evrenopoulos in het gelijk gesteld, en dat is voldoende.
36 In hun schriftelijke opmerkingen betogen DEI en het Verenigd Koninkrijk, dat Evrenopoulos niet in aanmerking komt voor de uitzondering voor degenen die vóór 17 mei 1990 een procedure hebben ingeleid. Ter terechtzitting werd dat standpunt eveneens namens de Griekse regering ingenomen.
37 DEI is van mening dat, aangezien het op 12 juni 1989 ingestelde beroep niet aan de door het Griekse recht gestelde procedurele vereisten voldeed, Evrenopoulos niet vóór 17 mei 1990 "een rechtsvordering of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering heeft ingesteld".
38 In zijn schriftelijke opmerkingen betoogde het Verenigd Koninkrijk eveneens, dat de uitzondering niet van toepassing is, wanneer een vordering wordt afgewezen om reden dat het begin van de procedure naar nationaal recht ongeldig was. Een rechthebbende die vóór 17 mei 1990 geen rechtsgeldige procedure heeft ingeleid - bijvoorbeeld omdat hij niet voldeed aan de termijn waarbinnen de procedure naar nationaal recht moet beginnen - verkeert niet in een andere positie dan een rechthebbende die helemaal geen rechtsvordering heeft ingesteld. Bij de indiening van zijn schriftelijke opmerkingen was het Verenigd Koninkrijk kennelijk niet bekend met het precieze verloop van de gebeurtenissen, dat niet volledig was weergegeven in de verwijzingsbeschikking waarop die opmerkingen waren gebaseerd. Op dat tijdstip leek het eerste beroep van Evrenopoulos te zijn verworpen, omdat het niet binnen de in de beschikking van de directeur personeelsverzekeringen van DEI gestelde termijn van drie maanden was ingesteld.
39 Ter terechtzitting wijzigde het Verenigd Koninkrijk zijn standpunt in het licht van de gegevens over het verloop van de procedure die Evrenopoulos in antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof had verstrekt en die ik reeds heb samengevat. De vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk beklemtoonde, dat iemand die vóór de datum van het arrest Barber naar nationaal recht een vordering had ingesteld of een procedure had ingeleid, na afwijzing van zijn vordering dan vervolgens niet het recht heeft om na die datum een nieuwe procedure in te leiden. De beperking in de tijd verhindert, dat vorderingen die na de datum van het arrest Barber zijn ingesteld terugwerkende kracht hebben, ongeacht de vraag of een eerder beroep al dan niet is geslaagd. Is het echter naar Grieks recht juist, dat Evrenopoulos wel steeds de goede procedure heeft gevolgd, dan moeten volgens het Verenigd Koninkrijk de latere beslissingen van de Griekse rechterlijke instanties worden beschouwd als even zovele fases van een procedure die in 1989 is begonnen. In dat geval zou Evrenopoulos niet door de beperking in de tijd worden gehinderd.
40 In beginsel is volgens mij duidelijk, dat een vordering die vóór de datum van het arrest Barber volledig in strijd met de regels is ingesteld, zodat een nieuwe vordering na de datum van dat arrest noodzakelijk werd, niet onder de uitzondering op de beperking in de tijd in het arrest Barber valt. Zowel in het arrest Barber als in het protocol is sprake van het instellen van een rechtsvordering of een "naar geldend nationaal recht" daarmee gelijk te stellen vordering. Het is duidelijk, dat dergelijke vorderingen in overeenstemming met de geldende procedurele regels moeten zijn ingesteld. Indien het gemeenschapsrecht zelf niet in een bijzondere procedure voorziet, zoals in het onderhavige geval, worden vorderingen die op dat recht steunen, beheerst door de relevante regels in de nationale rechtsorde (met dien verstande dat dergelijke regels niet ongunstiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen en de uitoefening van de betrokken gemeenschapsrechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk moeten maken).(22) Het enkele feit dat het arrest Barber en het protocol de betrokken uitzondering toestaan, kan een beroep dat anders naar nationaal recht niet-ontvankelijk is, niet alsnog ontvankelijk doen zijn.
41 Rest de vraag, hoe die beginselen in een zaak als deze moeten worden toegepast. Het antwoord op de vraag ligt volgens mij bij het feit, of de gebeurtenissen zodanig zijn verlopen, dat de thans bij de nationale rechter aanhangige procedure deel uitmaakt van een gang van zaken, die met een vóór 17 mei 1990 naar behoren ingestelde vordering is begonnen.
42 Ik heb reeds gezegd(23), dat de rechter in eerste aanleg het eerste beroep van Evrenopoulos weliswaar verwierp, maar hem een termijn van drie maanden gunde om bij de verzekeringsraad van de DEI een bezwaarschrift tegen het afwijzingsbesluit van de directeur in te dienen, wat hij ook deed. In zijn tweede beroep betwiste hij de afwijzing van zijn bezwaarschrift door deze raad. Het hoger beroep bij de verwijzende rechter gaat nu over de beslissing van de nationale rechter in eerste aanleg. In dat beroep zal uiteindelijk worden beslist over de aanvankelijke vordering van Evrenopoulos die vóór de kritische datum van 17 mei 1990 is ingesteld. Met andere woorden, de hier in het geding zijnde administratieve beschikking is het afwijzingsbesluit met betrekking tot het bezwaarschrift van Evrenopoulos tegen het besluit om zijn aanvankelijke vordering af te wijzen. Mijns inziens is dat voldoende om vast te stellen, dat de vóór 17 mei 1990 ingestelde vordering het voorwerp van deze procedure is.
43 Bovendien, ook al zou er sprake zijn van een onregelmatigheid in de nationale procedure, zoals de Griekse regering betoogt, kan dat wat het gemeenschapsrecht betreft, niet van invloed zijn op het resultaat van een vóór de kritische datum ingestelde vordering in een zaak waarin de nationale rechterlijke instanties zelf hebben aanvaard, dat de onregelmatigheid ongedaan kan worden gemaakt, en bereid zijn de inhoud van de aanvankelijke vordering te onderzoeken.
44 Een extra element in de onderhavige zaak kan zijn, dat een beslissing dat Evrenopoulos geen rechten kan vorderen, ertoe zou leiden, dat het pensioenfonds van zijn eigen onrechtmatig gedrag profiteert, omdat de noodzaak van een tweede beroep duidelijk voortvloeide uit het feit dat de directeur niet tijdig schriftelijk antwoord had gegeven en Evrenopoulos niet in kennis had gesteld van de mogelijkheid om bij de verzekeringsraad een bezwaarschrift in te dienen. Zelfs als dat element geen rol speelt, blijf ik van mening, dat de vordering van Evrenopoulos om de overige door mij genoemde redenen moet slagen.
45 Die mening wordt sterker, wanneer de uitzondering ten behoeve van degenen die reeds een vordering hadden ingesteld niet strikt wordt uitgelegd, wat mijns inziens de juiste benadering is. In afwijking van de normale uitleggingsregels dient de beperking in de tijd van het arrest Barber echter wel strikt te worden uitgelegd. Volgens mij kan een niet-beperkende uitlegging van de uitzondering voor degenen die vóór de datum van het arrest rechtsvorderingen hebben ingesteld geen risico meebrengen voor de beoogde handhaving van de rechtszekerheid, dat zich ertegen verzet "dat rechtssituaties waarvan alle gevolgen in het verleden zijn uitgewerkt, weer in geding worden gebracht, daar in dergelijke gevallen het financiële evenwicht van een aantal vervangende pensioenregelingen met terugwerkende kracht verstoord zou kunnen worden".(24) Het is duidelijk, dat het aantal personen dat voor de uitzondering in aanmerking zal komen in elk geval gering zal zijn.
Conclusie
46 Bijgevolg moeten de vragen van het Dioikitiko Efeteio Athinon mijns inziens worden beantwoord als volgt:
"1) De uitkeringen die uit hoofde van een pensioenregeling als de regeling van DEI worden toegekend, daaronder begrepen uitkeringen voor nabestaanden, vallen binnen de werkingssfeer van artikel 119 EG-Verdrag.
2) Een bepaling van die regeling volgens welke de weduwnaar, wanneer de verzekerde een vrouw was, enkel recht op een uitkering voor nabestaanden heeft, wanneer hij geen middelen van bestaan heeft, volledig arbeidsongeschikt is en gedurende de gehele periode van vijf jaar voorafgaande aan haar overlijden door haar werd onderhouden, terwijl geen enkele andere regel van die aard de rechten van de weduwe van een verzekerde van het mannelijk geslacht beperkt, is onverenigbaar met artikel 119 EG-Verdrag en wordt door geen enkele andere bepaling van het gemeenschapsrecht toegestaan.
3) Zolang geen maatregelen zijn getroffen om de gelijke behandeling tot stand te brengen, heeft de weduwnaar recht op pensioen en andere uitkeringen voor nabestaanden onder dezelfde voorwaarden als weduwen.
4) Ter verkrijging van gelijke behandeling ter zake van uitkeringen voor nabestaanden krachtens een bedrijfspensioenregeling, wanneer het gaat om uitkeringen die kunnen worden toegerekend aan tijdvakken vóór 17 mei 1990, kan op de rechtstreekse werking van artikel 119 enkel een beroep worden gedaan door werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingesteld. Wanneer een vóór die datum ingestelde vordering wordt gevolgd door een gerechtelijke procedure die wordt onderbroken en vervolgens een nieuwe procedure wordt ingeleid, is het voldoende, dat het in de lopende procedure gaat om de beslissing over de aanvankelijke vordering."
(1) - Arrest van 8 april 1976, zaak 43/75, Jurispr. 1976, blz. 455.
(2) - Arrest van 17 mei 1990, zaak C-262/88, Jurispr. 1990, blz. I-1889.
(3) - Arrest van 28 september 1994, zaak C-7/93, Jurispr. 1994, blz. I-4471.
(4) - Publicatieblad van de Helleense Republiek A1.
(5) - PB 1979, L 6, blz. 24.
(6) - Aangehaald in voetnoot 5.
(7) - Aangehaald in voetnoot 3.
(8) - Zie r.o. 22 e.v. van het arrest en punten 22 e.v. van de conclusie.
(9) - R.o. 43.
(10) - R.o. 44.
(11) - R.o. 45.
(12) - Zie punt 38 van mijn conclusie.
(13) - Arrest van 28 september 1994, zaak C-200/91, Jurispr. 1994, blz. I-4389.
(14) - Aangehaald in voetnoot 1, r.o. 21 van het arrest.
(15) - Aangehaald in voetnoot 13, r.o. 32 van het arrest.
(16) - Aangehaald in voetnoot 2, r.o. 45 van het arrest.
(17) - Arrest van 6 oktober 1993, zaak C-101/91, Jurispr. 1993, blz. I-4879, r.o. 15-20.
(18) - Aangehaald in voetnoot 13, r.o. 51-56 van het arrest.
(19) - Aangehaald in voetnoot 3, r.o. 57 van het arrest.
(20) - Zie de punten 7-9 hiervoor.
(21) - De zaak Barber, aangehaald in voetnoot 2, r.o. 44.
(22) - Zie arresten van 16 december 1976, zaak 33/76, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 1989, en zaak 45/76, Comet, Jurispr. 1976, blz. 2043.
(23) - Zie punten 7-9 hiervoor.
(24) - Arrest Barber, aangehaald in voetnoot 2, r.o. 44.
Full & Egal Universal Law Academy