Conclusie van de advocaat generaal
1 Met een beroep krachtens artikel 173 van het Verdrag verzoekt het Koninkrijk Spanje het Hof om nietigverklaring van beschikking 95/438/EG van de Commissie van 14 maart 1995 betreffende de door Spanje ten behoeve van de onderneming Piezas y Rodajes SA, een in de provincie Teruel, Aragón, Spanje, gevestigde staalgieterij, toegekende investeringssteun(1) (hierna: "beschikking"). Bij deze beschikking verklaarde de Commissie deze steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, en verklaarde zij dat deze moest worden terugbetaald.
Tot staving van haar verzoek beroept de Spaanse regering zich op schending van artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag en op een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten waarop de Commissie de onverenigbaarheid van de steun heeft gebaseerd; voorts op schending van het evenredigheidsbeginsel en van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen bij de steunontvanger door de terugbetalingsverplichting en de door de Commissie gevorderde rente.
De feiten
2 De feiten die tot het onderhavige geschil aanleiding hebben gegeven, dateren uit het begin van de jaren negentig, toen de Spaanse overheid aan Piezas y Rodajes SA (hierna: "PYRSA") de omstreden steun verleende voor de uitvoering van een investeringsprogramma ten belope van 2 788 300 000 PTA. De steun was bestemd voor de bouw van een gieterij voor de productie van drijfwielen (door kettingen aangedreven tandwielen die voornamelijk worden gebruikt in de mijnindustrie) en GET-uitrusting (onderdelen voor egalisatie- en graafwerkzaamheden). Zij bestond uit de volgende bedragen:
a) een subsidie van 975 905 000 PTA van de Spaanse regering;
b) subsidies en andere steun van verschillende plaatselijke overheidsinstanties, in het bijzonder:
- een subsidie van 182 000 000 PTA van de autonome regio Aragón;
- een subsidie van 2 300 000 PTA van de gemeente Monreal del Campo;
- een bankgarantie van de autonome regio Aragón ter dekking van een lening van 490 000 000 PTA,
- een rentesubsidie van 7 % gedurende vijf jaar van de provincie Teruel voor voorgaande lening.
3 Op 24 april 1991 gaf de Commissie, na een klacht van de vennootschap William Cook, de grootste Europese onderneming in de gieterijsector (hierna: "Cook"), beschikking 91/C 178/04 (steun nr. NN 12/91), waarin zij verklaarde "geen bezwaar te maken" tegen de door de Spaanse autoriteiten aan PYRSA verleende steun.(2)
Op het daartegen door Cook ingestelde beroep verklaarde het Hof bij arrest van 19 mei 1993 de beschikking nietig.(3) De nietigverklaring werd hoofdzakelijk aldus gemotiveerd, dat de Commissie, ofschoon geconfronteerd met een situatie waarin een ingewikkelde analyse en aanvullende onderzoeken nodig waren, het ontbreken van overcapaciteit in de betrokken subsector had geconstateerd en had verklaard geen bezwaar te hebben tegen de steun, zonder de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in te leiden, zoals zij had moeten doen.
4 Op 28 juli 1993, na het arrest van het Hof, leidde de Commissie de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in en sloot deze af met de in geding zijnde beschikking. Bij deze beschikking verklaarde zij, zoals gezegd, de door de plaatselijke overheden aan PYRSA verleende steun onrechtmatig en met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar, en gelastte zij bijgevolg de terugbetaling ervan, met rente vanaf de datum van uitkering van de steun.
5 De beschikking berust hoofdzakelijk op de toetsing van de gevolgen van de omstreden steun voor de sector, die door de Commissie is uitgevoerd op basis van de inlichtingen en gegevens die werden verstrekt door belanghebbende derden die desverzocht hun opmerkingen kenbaar hebben gemaakt(4) en de resultaten van een onderzoek door een onafhankelijk deskundige. Het resultaat van deze toetsing als blijkend uit de motivering van de beschikking, kan worden samengevat als volgt:
- in tegenstelling tot het eerder ingenomen standpunt is de referentiesector voor de toetsing van de gevolgen van de bestreden steun niet de sector tandwielen en GET-uitrusting, maar de gieterijsector in zijn geheel;
- deze sector (en in elk geval ook de subsector tandwielen en GET-uitrusting) werd in de jaren waarover de Commissie gegevens had verzameld (1990-1993) gekenmerkt door een duidelijke en toenemende overcapaciteit;
- ondanks het ontbreken van nauwkeurige gegevens dienaangaande mag op basis van de tabel met gegevens van het Comité des associations européennes de fonderie (hierna: "CAEF") worden aangenomen, dat reeds in 1988 (het jaar waarin de steunmaatregelen door de Spaanse autoriteiten werden goedgekeurd en met de uitkering werd begonnen) de sector werd gekenmerkt door een overcapaciteit die even groot, zo niet groter was dan in de daaropvolgende jaren;
- de betrokken steunmaatregelen, die om de uiteengezette redenen niet verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, komen niet in aanmerking voor één van de uitzonderingen van artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag, aangezien zij bijdragen tot de verslechtering van de situatie van overcapaciteit in de sector; het betrof weliswaar steun verleend aan een onderneming die is gevestigd in een streek waar de levensstandaard abnormaal laag is en waar ernstige werkloosheid heerst(5), maar er is niet voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van deze uitzondering, zoals die in de recente rechtspraak van het Hof zijn gepreciseerd(6);
- evenmin kan de steun onder de afwijking van artikel 92, lid 3, sub c, vallen; zij draagt weliswaar bij aan de ontwikkeling van de regio waar de krachtens deze bepaling steun ontvangende onderneming is gevestigd, maar de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, worden zodanig veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.
Het eerste middel
6 Met haar eerste middel verwijt de Spaanse regering, zoals gezegd, de Commissie onjuiste toepassing van artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag. In het bijzonder betoogt zij, dat de Commissie bij de beoordeling van de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van steun verleend aan ondernemingen die zijn gevestigd in de in die bepaling bedoelde regio's, in hoofdzaak moet letten op de eventuele gunstige gevolgen van de steun zelf voor de ontwikkeling van de betrokken regio, en niet zozeer op de mogelijke ongunstige consequenties van die steun voor het handelsverkeer.
Met andere woorden, volgens de Spaanse regering moet bij de toepassing van artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag weliswaar met de vereisten van bescherming van het gemeenschappelijk belang rekening worden gehouden, maar moet daaraan niet noodzakelijk voorrang worden gegeven bij de beoordeling van de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van steun die, zoals in casu, aanzienlijk kan bijdragen aan de ontwikkeling van een achterstandsregio. Deze uitlegging zou worden bevestigd door het verschil in formulering met punt c van deze bepaling; dit punt, dat zowel op sectoriële als op regionale steun betrekking heeft (zonder evenwel te eisen dat het om achterstandsregio's gaat), stelt immers aan de toelaatbaarheid van deze steun de voorwaarde dat daardoor het handelsverkeer niet zodanig wordt veranderd "dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad"(7); dit betekent volgens de Spaanse regering, dat steun die onder punt a van dit artikel valt, hoofdzakelijk zo al niet uitsluitend moet worden getoetst aan de voordelen die zij oplevert voor de ontwikkeling van de betrokken (achterstands-)regio.
Een correcte toepassing van de in geding zijnde bepaling brengt derhalve volgens de Spaanse regering mee, dat de in geding zijnde steun, die is verleend aan een onderneming gevestigd in een onder de bepaling vallende regio, voor de hier bedoelde uitzondering in aanmerking komt.
7 Laat ik meteen stellen, dat ik mij niet kan vinden in de door de Spaanse regering aan de bepaling gegeven uitlegging. Mijns inziens mag uit de omstandigheid dat artikel 92, lid 3, sub a, de Commissie niet uitdrukkelijk opdraagt de invloed van de steun op het handelsverkeer te toetsen en de verenigbaarheid hiervan afhankelijk te stellen, niet worden afgeleid, dat de Commissie bij het goedkeuren van een steunmaatregel zou mogen afzien van een behoorlijke afweging van het gemeenschappelijk belang. Integendeel, ik meen dat ook voor de toelaatbaarheid van regionale steunmaatregelen die onder artikel 92, lid 3, sub a, vallen, hoe dan ook moet worden onderzocht, welke daarvan de sectoriële gevolgen en de effecten op het handelsverkeer zijn.
Zou men het tegengestelde geval toestaan, zoals de Spaanse regering eigenlijk voorstelt, dan zou men immers in wezen erkennen dat een steunmaatregel met de in artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag beschreven kenmerken verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, los van enig onderzoek naar de sectoriële gevolgen ervan of de effecten ervan op het handelsverkeer. Dit zou overduidelijk in strijd zijn met de ratio van het arrest Cook, waarin het Hof de beschikking van de Commissie om "geen bezwaar te maken" tegen de aan PYRSA verleende steun (die regionale steun was) nietig verklaarde, juist omdat "het al dan niet bestaan van overcapaciteit in de subsector tandraderen en GET-onderdelen niet duidelijk werd aangetoond" en derhalve "een ingewikkelde analyse van de betrokken subsector" nodig zou zijn; daartoe had de Commissie dan ook de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag moeten inleiden.(8)
8 Met andere woorden, gelijk ik ook reeds in mijn conclusie in de zaak Cook heb opgemerkt, ik acht het essentieel, dat de Commissie zich ook bij de toepassing van de uitzondering van artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag niet beperkt tot de regionale implicaties van een bepaald overheidsingrijpen, maar zich inspant om ook de sectoriële effecten die dit ingrijpen kan veroorzaken, in hun volle omvang te meten; en wel om te voorkomen dat onder de dekmantel van eerzame regionale doelen zich kunstmatige ontwikkelingen in de sector kunnen voordoen die schadelijk zijn voor het algemeen belang.(9)
Het is immers evident, dat regionale steun ter financiering van productie-investeringen in sectoren met structurele overcapaciteit de onevenwichtigheid op de betrokken markten alleen maar zal vergroten en het prijsniveau nog meer onder druk zetten en/of de economische problemen in de sector, alsook de daarmee samenhangende werkgelegenheidsproblematiek, zal doorschuiven naar andere regio's van de Gemeenschap en de aldaar gevestigde ondernemingen, die bovendien niet van soortgelijke steuninterventies profiteren. Dergelijke steun lijkt derhalve zeker niet in overeenstemming te zijn met het doel van het stelsel van regionale steunverlening, namelijk dat op efficiënte en permanente wijze de ontwikkelingsproblemen van de betrokken regio's worden opgelost, en moet derhalve met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar worden verklaard.(10)
9 Ook het door de Spaanse regering tot staving van haar opvatting aangevoerde verschil in formulering tussen artikel 92, lid 3, sub a, en artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag kan mijns inziens niet tot een andere opvatting leiden. De redenen voor dit verschil in formulering (van bepalingen die niettemin deels dezelfde werkingssfeer hebben) moeten eenvoudig worden gezocht in de grotere "soepelheid" die de Commissie zou moeten betrachten bij de beoordeling van de verenigbaarheid van steun waarvan het voornaamste doel is, bij te dragen aan de economische ontwikkeling van achterstandsregio's. Het spreekt evenwel vanzelf, dat om de zo-even uiteengezette redenen steeds wél de eisen van de bescherming van het algemeen belang moeten worden geëerbiedigd, teneinde te voorkomen dat de positieve effecten van de steun voor de steunontvangende onderneming of de regio waar deze is gevestigd, uiteindelijk negatieve repercussies hebben voor concurrerende ondernemingen of, erger nog, voor de economie van andere regio's in de Gemeenschap, die mogelijk ook in een achterstandsituatie verkeren.(11)
Wat het onderhavige geval betreft, ben ik derhalve van mening, dat de Commissie terecht heeft verklaard dat de in geding zijnde steun zou kunnen bijdragen tot de verslechtering van de situatie in een sector die reeds werd gekenmerkt door een grote overcapaciteit, en op grond daarvan de toepassing van de uitzondering van artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag heeft uitgesloten.
Het eerste middel moet derhalve worden afgewezen.
Het tweede middel
10 Met het tweede middel vecht de Spaanse regering zoals gezegd de keuze aan van de feitelijke en juridische omstandigheden waarop de Commissie de bestreden beschikking heeft gegrond. In het bijzonder zouden de statistische gegevens en de door de Commissie gebruikte inlichtingen niet representatief zijn, omdat deze afkomstig waren van een te gering aantal ondernemingen, die bovendien concurrenten van PYRSA waren. Bovendien hadden zij betrekking op jaren (1990 en later) na die waarin de besluiten tot steunverlening waren gevallen en de steun was uitbetaald.
11 Deze argumenten lijken mij in wezen evenmin gegrond. In de eerste plaats blijkt uit de beschikking duidelijk, dat de Commissie niet alleen rekening heeft gehouden met de bij derde belanghebbenden ingewonnen inlichtingen en gegevens, maar ook met de gegevens die PYRSA zelf had verschaft en met die van het CAEF, een in deze sector voldoende representatief orgaan.
Bovendien moet worden bedacht, en dit lijkt mij beslissend, dat de Commissie zich daarnaast heeft gebaseerd op de resultaten van een onderzoek dat zij aan een onafhankelijk deskundige had opgedragen, en wel juist om de beschikking te verkrijgen over objectieve informatie en beoordelingen over bepaalde technische kwesties. Mijns inziens is er derhalve geen aanleiding, de onpartijdigheid van de door de Commissie opgestelde feitenreconstructie in twijfel te trekken.
12 In het bijzonder acht ik eveneens ongegrond, zo niet irrelevant, de kritiek op het tijdvak dat de Commissie voor de beoordeling van de effecten van de steun op de betrokken sector in aanmerking heeft genomen. Enerzijds namelijk lijkt mij dat de Commissie, die uit de door het CAEF verstrekte statistieken betreffende de productiecapaciteit van de jaren 1990 en later heeft afgeleid dat deze capaciteit in de twee daaraan voorafgaande jaren vergelijkbaar was, correct heeft geredeneerd. Derhalve is de veronderstelling dat de overcapaciteit in deze sector in die jaren ten minste gelijk was aan die in het tijdvak daarvóór, alleszins redelijk.
Voorts herinner ik eraan, dat de in geding zijnde steun niet bestond uit één bedrag, maar uit subsidies van uiteenlopende aard, waarvan er enkele ver na 1988 zijn uitbetaald. Men denke bij voorbeeld aan de tranche van 182 miljoen PTA van de autonome regio Aragón, die blijkens een brief van deze autoriteit aan de Commissie is betaald tussen 1990 en 1992.(12) Bovendien waren enkele subsidies, los van hun toekenningsdatum, hoe dan ook naar hun aard bestemd om zich over lange tijd uit te strekken: bijvoorbeeld de bankgarantie van 490 miljoen PTA, die een totale looptijd heeft van elf jaar.
Ook het tweede middel is derhalve ongegrond.
Het derde middel
13 Met het derde middel kant de Spaanse regering zich tegen de haar in artikel 3 van de beschikking opgelegde verplichting om de steun terug te vorderen. In het bijzonder stelt zij, dat de steun, ook wanneer deze onrechtmatig en met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar wordt geacht, hoe dan ook niet behoeft te worden terugbetaald, omdat beschikking 91/C 178/04, waarin de Commissie had verklaard "geen bezwaar te maken" tegen de toekenning ervan, bij de ontvangende onderneming een te beschermen gewettigd vertrouwen had gewekt, dat deze steun rechtmatig was.
Gelet op deze omstandigheid zou de verplichting tot terugvordering van de in geding zijnde steun in casu strijdig zijn met de beginselen van gelijkheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, die beide deel uitmaken van de communautaire rechtsorde.
14 Zoals bekend heeft het Hof zich reeds herhaaldelijk uitgesproken over de verplichting van de ontvangende onderneming tot terugbetaling van ten onrechte ontvangen steun teneinde de vroegere toestand te herstellen. In het bijzonder heeft het Hof verklaard, dat de terugvordering van dergelijke steun in beginsel niet is te beschouwen als een maatregel die onevenredig is ten opzichte van de doelstellingen van de verdragsbepalingen inzake staatssteun.(13)
Met name ten aanzien van de grenzen van de bescherming van het gewettigd vertrouwen van steunontvangers in de wettigheid van reeds ontvangen steun die vervolgens door de Commissie met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar is verklaard, heeft het Hof vastgesteld, dat ofschoon het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen deel uitmaakt van de communautaire rechtsorde, dit enkel toepassing kan vinden wanneer de steun met inachtneming van de daartoe voorziene procedure is toegekend, en dat een behoedzame ondernemer in staat moet zijn, zich ervan te vergewissen of deze procedure is gevolgd.(14)
Eveneens op het punt van het gewettigd vertrouwen in de rechtmatigheid van onwettige steun heeft het Hof voorts een belangrijk onderscheid aangebracht tussen de positie van de ontvangende onderneming en die van de uitkerende staat. Enerzijds immers heeft het Hof verklaard dat "niet (valt) uit te sluiten, dat de ontvanger van onwettig toegekende steun zich kan beroepen op uitzonderlijke omstandigheden die zijn vertrouwen in de rechtmatigheid van de steun konden wettigen, en zich bijgevolg tegen de terugvordering ervan kan verzetten".(15) Anderzijds heeft het steeds uitgesloten dat een Lid-Staat die in strijd met de procedureregels steun heeft verstrekt, de mogelijkheid heeft zich "op het gewettigd vertrouwen van de ontvangers van de steun te beroepen om zich te onttrekken aan zijn verplichting, de nodige maatregelen te treffen voor de uitvoering van een beschikking waarbij de Commissie hem gelast de steun terug te vorderen".(16)
15 Onmiskenbaar is in casu de steun toegekend en tevens uitbetaald in strijd met artikel 93 van het Verdrag, zodat deze onwettig moet worden geacht. De enkele toepassing van de door het Hof vastgelegde beginselen brengt dus mee, dat het middel van de Spaanse regering ongegrond moet worden geacht.
Niettemin beroept de Spaanse regering zich op de verwachtingen die zijn gewekt door beschikking 91/C 178/04, waarin de Commissie de steun in wezen had goedgekeurd, en zij betoogt, dat zich in casu inderdaad de bijzondere omstandigheden voordoen die volgens de rechtspraak van het Hof bij de ontvangende onderneming een gewettigd vertrouwen in de wettigheid van de steun hebben gewekt, zodat terugvordering ervan uitgesloten is.
16 Het argument van de Spaanse regering verdient in beginsel wel enige aandacht. Het valt immers niet bij voorbaat uit te sluiten, dat in de omstandigheden van het geval de ontvangende onderneming inderdaad redelijkerwijs kon vertrouwen op de rechtmatigheid van de steun, waarvan de toekenning weliswaar onrechtmatig was geweest, maar die vervolgens (zij het ten onrechte) door de Commissie bij formele beschikking was goedgekeurd.(17)
Mijns inziens is het het Hof in de context van het onderhavige geding evenwel niet mogelijk, hierop nader in te gaan en het probleem tevens ten gronde te beoordelen.
17 De Spaanse regering beroept zich voor haar verzet tegen de terugvordering immers uitdrukkelijk (en uitsluitend) op het gewettigd vertrouwen in de wettigheid van de steun bij de onderneming die de steun heeft ontvangen. Met andere woorden, zij betwist de haar in de beschikking gestelde verplichting tot terugvordering van de steun met een beroep op de noodzaak van bescherming van een rechtspositie die niet de hare is, maar die van een rechtssubject, de begunstigde onderneming, die in het onderhavige geding geen partij of interveniënt is; bovendien ontbreekt hoe dan ook een specifieke normatieve bepaling die haar eventueel een dergelijk afgeleid recht zou verlenen.
Deze omstandigheid betekent mijns inziens, dat het door de Spaanse regering voorgedragen middel moet worden afgewezen.
18 Deze conclusie lijkt mij overigens in overeenstemming met de door het Hof ter zake geformuleerde beginselen, al is het onderwerp zelf niet eerder aanleiding geweest tot specifieke overwegingen.
Niet voor niets immers heeft het Hof, zoals gezegd, uitdrukkelijk uitgesloten dat de Lid-Staat die de onwettige steun heeft verleend zich, om aan de verplichting deze steun terug te vorderen te ontkomen, kan beroepen op de bescherming van het gewettigd vertrouwen van de onderneming die de steun heeft ontvangen, terwijl het dit de begunstigde onderneming heeft toegestaan, zij het alleen in uitzonderlijke gevallen.(18) Ofschoon dit niet met zoveel woorden wordt gezegd, is toch duidelijk dat dit moet gebeuren in de daartoe aangewezen processuele context.(19)
Concluderend ben ik derhalve van mening, dat ook het derde middel ongegrond is, en dat de bij de beschikking aan de Spaanse regering gestelde verplichting tot terugvordering van de aan PYRSA verleende steun in stand moet worden gelaten.
Het vierde middel
19 Gelet op mijn conclusie met betrekking tot de voorgaande middelen, in het bijzonder het derde middel, acht ik het niet noodzakelijk mij over het vierde middel uit te laten, waarmee de Spaanse regering de juistheid van de door de Commissie berekende vertragingsrente over de terug te vorderen bedragen aanvecht, ervan uitgaande dat de terugvorderingsverplichting uitsluitend betrekking heeft op de steun die is toegekend na de vaststelling van de bestreden beschikking.
Duidelijk is immers, dat dit middel enkel zin heeft indien het Hof het derde middel, althans gedeeltelijk, gegrond zou verklaren en het derhalve noodzakelijk zou zijn de in geding zijnde bedragen opnieuw te berekenen.
20 Gelet op het voorgaande geef ik het Hof derhalve in overweging:
- het beroep te verwerpen;
- de Spaanse regering te verwijzen in de kosten.
(1) - PB 1995, L 257, blz. 45.
(2) - PB 1991, C 178, blz. 4. De beschikking had in wezen enkel betrekking op de subsidies van de plaatselijke overheden, aangezien de subsidie van 975 905 000 PTA van de Spaanse regering was aangemerkt als onderdeel van een algemeen stelsel van regionale steunverlening waarvan de Commissie reeds eerder in kennis was gesteld en dat zij had goedgekeurd, en waarvan de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt derhalve niet in geding was. Van deze constatering was Cook overigens in kennis gesteld bij brief van 13 maart 1991.
(3) - Zaak C-198/91, Cook, Jurispr. 1993, blz. I-2487.
(4) - Het betreft met name een aantal concurrenten van PYRSA in Spanje, Frankrijk, Italië, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, PYRSA zelf en het Comité van Europese Verenigingen van Gieterijen, die een tabel heeft overgelegd met gegevens betreffende de staalgieterijcapaciteit in verschillende Europese landen.
(5) - De provincie Teruel wordt met zoveel woorden genoemd onder de regio's die voor toepassing van artikel 92, lid 3, sub a, in aanmerking komen in een mededeling van de Commissie dienaangaande (88/C 212/02, PB 1988, C 212, blz. 2, in het bijzonder in deel I, punt 4, en bijlage I).
(6) - De beschikking verwijst uitdrukkelijk naar het arrest van 14 september 1994 (gevoegde zaken C-278/92, C-279/92 en C-280/92, Spanje/Commissie - Hytasa, Jurispr. 1994, blz. I-4103) en stelt dat het Hof in dit arrest zou hebben verklaard, dat "op grond van een ad hoc-besluit verleende steun beschouwd kan worden als regionale steun die verenigbaar is met artikel 92, lid 3, onder a), indien de steun in feite bijdraagt tot de ontwikkeling van het gebied op lange termijn zonder het gemeenschappelijk belang en de mededingingsvoorwaarden binnen de Gemeenschap ongunstig te beïnvloeden". Dit citaat klopt eigenlijk niet, aangezien deze zinsnede de opvatting van de Commissie beoogde weer te geven (r.o. 50). In werkelijkheid formuleert het Hof zijn standpunt op dit punt eerst daarna, waar het verklaart dat de Commissie in het kader van artikel 92, lid 3, van het Verdrag "over een ruime beoordelingsvrijheid (beschikt), waarvan de uitoefening een afweging van economische en sociale gegevens impliceert, die dient te geschieden in een communautair kader" (r.o. 51).
(7) - Artikel 92, lid 3, van het Verdrag is geformuleerd als volgt: "Als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd: a) steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst, (...) c) steunmaatregelen om de economische ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad (...)".
(8) - Arrest Cook (aangehaald in voetnoot 3), r.o. 37 en 38.
(9) - Conclusie van 31 maart 1993 in de zaak Cook, reeds aangehaald, punt 53. Dit vereiste, dat door de Commissie reeds uitdrukkelijk was geformuleerd in het eerste verslag over het mededingingsbeleid (punt 142), werd bevestigd in de mededeling inzake de wijze van toepassing van artikel 92, lid 3, sub a, van het EEG-Verdrag op regionale steunmaatregelen (aangehaald in voetnoot 5), waarin de Commissie preciseerde, dat een steunmaatregel om voor de uitzondering van artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag in aanmerking te komen niet tot overcapaciteit in de bedrijfstak moet leiden waardoor het probleem voor de bedrijfstak in de Gemeenschap ernstiger wordt dan het aanvankelijke regionale probleem.
(10) - Reeds aangehaalde conclusie, punt 53.
(11) - Deze redenering lijkt mij overigens volkomen in overeenstemming met de door de Commissie herhaaldelijk geformuleerde hoofdlijnen (bij voorbeeld in de eerder aangehaalde mededeling van 1988) en met de conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de zaak Spanje/Commissie (aangehaald in voetnoot 6, punten 43-45), die echter door de Spaanse regering zijn aangehaald tot staving van haar standpunt.
(12) - Zie paragraaf V, vierde alinea, van de beschikking.
(13) - Bijvoorbeeld arrest van 21 maart 1990 (zaak C-142/87, België/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-959, r.o. 66).
(14) - Arrest van 20 september 1990 (zaak C-5/89, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1990, blz. I-3437, r.o. 14).
(15) - In een dergelijk geval staat het aan de nationale rechter, zo die wordt aangezocht, de omstandigheden van het geval te beoordelen (arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, r.o. 16).
(16) - Arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, r.o. 17; zie ook, meer recent, arrest Spanje/Commissie, reeds aangehaald, r.o. 76.
(17) - Ik herinner er in dit verband aan, dat in het enige geval waarin het Hof heeft erkend dat het gewettigd vertrouwen van een onderneming die steun had ontvangen rechtens moest worden beschermd, het Hof het optreden van de Commissie in de omstandigheden van het geval doorslaggevend achtte. Ik doel op het arrest RSV, waarin het Hof verklaarde dat de vertraging (van meer dan 26 maanden) waarmee de Commissie een beschikking ingevolge artikel 93, lid 2, had gegeven "bij verzoekster een gewettigd vertrouwen kon wekken, dat eraan in de weg staat dat de Commissie de Nederlandse overheid kan gelasten terugbetaling van de steun te vorderen"; een en ander terwijl het in casu duidelijk was, dat de steun vóór de aanmelding was uitgekeerd (arrest van 24 november 1987, zaak 223/85, Jurispr. 1987, blz. 4617, r.o. 16 en 17).
(18) - Arrest Commissie/Duitsland, reeds meermalen aangehaald.
(19) - In de praktijk in een rechtstreeks beroep krachtens artikel 173, maar door de onderneming ingesteld bij het Gerecht van eerste aanleg; ook eventueel voor de nationale rechter in het kader van een verweer tegen de terugvordering door de staat ter uitvoering van de beschikking van de Commissie. Ik herinner er in dit verband aan, dat het arrest RSV (aangehaald in voetnoot 17) werd uitgesproken op een beroep tot nietigverklaring (destijds bij het Hof) van de onderneming, die zich beriep op haar gewettigd vertrouwen.
Full & Egal Universal Law Academy