CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 25 april 1996 ( *1 )
A — Inleiding
1.
Het verzoek van het Belgische Hof van Cassatie om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 69, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1408/71 ( 1 ) (hierna: „verordening”), dat een bijzondere bepaling voor België bevat.
2.
Op grond van artikel 69, lid 1, van de verordening behoudt de werkloze die zich naar een andere Lid-Staat begeeft om aldaar werk te zoeken, in beginsel het recht op werkloosheidsuitkeringen gedurende een periode van drie maanden. In artikel 69, lid 2, tweede volzin, is de mogelijkheid opgenomen om deze termijn in buitengewone gevallen te verlengen. Indien de werkloze binnen deze periode in de bevoegde staat terugkeert, behoudt hij krachtens artikel 69, lid 2, het recht op uitkeringen in deze staat. Volgens dezelfde bepaling verliest hij echter dit recht, indien hij na afloop van deze termijn in de bevoegde staat terugkeert. Voor het geval dat hij na deze termijn terugkeert, bevat artikel 69, lid 4, een speciale bepaling voor België, op grond waarvan de werkloze gedurende ten minste drie maanden in België werkzaamheden moet hebben uitgeoefend om daar opnieuw recht op uitkeringen te krijgen.
3.
De vraag waarover het Plof zich in deze zaak moet uitspreken is dus of, indien de betrokkene aan alle voorwaarden voldoet waarvan het recht van de Lid-Staat de verkrijging van het recht op werkloosheidsuitkeringen afhankelijk stelt, hij bovendien moet voldoen aan de voorwaarde van artikel 69, lid 4, van de verordening, namelijk dat hij eerst gedurende drie maanden werkzaamheden moet hebben uitgeoefend.
4.
Verzoeker en verweerder in cassatie in het hoofdgeding (hierna: „verzoeker”) genoot in België werkloosheidsuitkeringen, toen hij zich op 14 juli 1985 naar zijn land van herkomst, Italië, begaf om aldaar werk te zoeken, daarbij gebruik makend van de mogelijkheid van artikel 69, lid 1, van de verordening om zijn recht op werkloosheidsuitkeringen te behouden. Hij keerde echter niet ten laatste op 13 oktober 1985 naar België terug, zoals hij verplicht was, maar pas midden december 1985, zonder werk te hebben gevonden. Op 3 januari 1986 vond hij in België werk in de bouwsector. Op 20 januari 1986 werd hij als gevolg van slechte weersomstandigheden opnieuw werkloos en vroeg hij een werkloosheidsuitkering aan, die de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (hierna: „RVA”) hem op grond van artikel 69, lid 4, van de verordening weigerde. Tegen deze beschikking stelde verzoeker beroep in, dat tot voor het Arbeidshof te Luik slaagde. Uit het arrest kan worden opgemaakt, dat verzoeker zich voor het behoud van zijn hoedanigheid als rechthebbende weliswaar niet kan beroepen op artikel 123 ( 2 ) van het koninklijk besluit van 20 december 1963 (hierna: „koninklijk besluit”), doch dat hij wel voldoet aan alle voorwaarden om in het genot te worden gesteld van een uitkering in de zin van artikel 118 van het koninklijk besluit, dat wil zeggen dat hij in de loop van een referentieperiode van 27 maanden ten minste 450 arbeidsdagen of daarmee gelijkgestelde dagen kan aantonen, zodat hij recht heeft op werkloosheidsuitkeringen.
5.
Tegen dit arrest stelde de RVA cassatieberoep in bij het Hof van Cassatie, op grond dat de werkloze die zich met gebruikmaking van de mogelijkheden van artikel 69 van verordening nr. 1408/71 naar een andere Lid-Staat begeeft om daar werk te zoeken, bij overschrijding van de in dat artikel voorziene termijn in elk geval minstens drie maanden moet hebben gewerkt voordat hij in België weer werkloosheidsuitkeringen kan genieten.
6.
Het Hof van Cassatie heeft het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
„Moet artikel 69, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2001/83, aldus worden uitgelegd, dat het vereiste dat de werkloze na zijn terugkeer naar België gedurende ten minste drie maanden werkzaamheden heeft uitgeoefend, van toepassing is, wanneer de werkloze zich ten betoge van het behoud van zijn recht op werkloosheidsuitkering niet beroept op artikel 123 van het koninklijk besluit van 20 december 1963, maar aantoont, dat hij op de datum van zijn aanvraag voldoet aan de voor de verkrijging van het recht op deze uitkering gestelde voorwaarden inzake wachttijd?”
7.
In de procedure voor het Hof hebben de RVA als eiser in cassatie in het hoofdgeding, de Belgische en de Franse regering alsmede de Commissie opmerkingen ingediend. Op deze opmerkingen zal in het kader van de juridische beoordeling worden ingegaan.
B — Juridische beoordeling
8.
De uitlegging van artikel 69, lid 4, van de verordening heeft in het verleden reeds geleid tot een prejudiciële uitspraak ( 3 ), waarin de juridische problematiek echter anders lag dan in dit geval. In die zaak ging het uiteindelijk om de vraag, of de uitoefening van werkzaamheden gedurende drie maanden in de zin van artikel 69, lid 4, op zich voor de werkloze zijn hoedanigheid van rechthebbende doet herleven, ongeacht andere voorwaarden van het recht van de Lid-Staat. Het arrest Di Conti loopt daarom niet vooruit op de prejudiciële vraag in deze zaak.
9.
Men kan de alleen voor België geldende bepaling van artikel 69, lid 4, niet volledig los zien van de Belgische wettelijke bepalingen. Zo oordeelde het Hof in het arrest Di Conti, dat artikel 69, lid 4, niet kon worden uitgelegd zonder rekening te houden met de bijzondere kenmerken van de Belgische wettelijke regeling.
10.
Deze bijzondere kenmerken zijn mijns inziens ook in deze zaak van doorslaggevend belang. In artikel 118 van het koninklijk besluit van 1963 ( 4 ) zijn de voorwaarden vastgelegd voor de verkrijging van het recht op werkloosheidsuitkeringen. Per leeftijdsgroep worden in het artikel bepaalde minimumtijdvakken van arbeid respectievelijk daarmee gelijkgestelde tijdvakken vastgelegd binnen een bepaalde referentieperiode. Volgens de stukken dient verzoeker 450 arbeidsdagen respectievelijk daarmee gelijkgestelde dagen binnen een tijdvak van 27 maanden te kunnen aantonen.
11.
In artikel 123 van het koninklijk besluit ( 5 ) zijn daarentegen de voorwaarden opgenomen voor de herkrijging van het recht op uitkeringen na bepaalde tijdvakken van onderbreking van de uitkering. Volgens de hoofdregel ( 6 ) behoudt de werkloos geworden werknemer zijn hoedanigheid van rechthebbende, indien de uitkering niet langer dan drie jaar werd onderbroken.
12.
Daarom moet onderscheid worden gemaakt tussen de verkrijging, het behoud en de herkrijging (herstel) van het recht op uitkeringen. Deze begrippen worden overigens ook gebruikt in artikel 67 van de verordening.
13.
Uiteindelijk gaat het erom vast te stellen, of aan de in artikel 69, lid 4, van de vcrordening voorziene voorwaarde dat men gedurende drie maanden een werkzaamheid moet hebben uitgeoefend, moet worden voldaan in elk geval waarin een werkloosheidsuitkering wordt aangevraagd, ongeacht de grond waarop de aanvrager zijn aanvraag baseert, wanneer hij eenmaal gebruik heeft gemaakt van de door artikel 69, lid 1, van de verordening geboden mogelijkheid en het in die bepaling genoemde tijdvak heeft overschreden.
14.
Eiser in cassatie, de RVA, gaat ervan uit, dat artikel 69, lid 4, van de verordening een facultatieve bijzondere regeling vormt, die enkel dan toepassing vindt, indien de betrokkene daarom vraagt en daarmee afziet van de toepassing van de algemene regelingen van de bevoegde staat. De RVA stelt zich op het standpunt, dat de voorwaarde van een voorafgaande werkzaamheid van drie maanden moet worden vervuld in elk geval waarin een beroep wordt gedaan op artikel 69, lid 1, van de verordening, omdat artikel 69, lid 4, anders zinledig zou worden. Het bepaalde in artikel 123 van het koninklijk besluit over het behoud van de hoedanigheid van rechthebbende kan niet los worden gezien van de verkrijging van die hoedanigheid ingevolge artikel 118 van het koninklijk besluit. Overigens zou de toepassing van de artikelen 118 en 123 van het koninklijk besluit dikwijls tot hetzelfde resultaat leiden. Zo had verzoekers recht op uitkeringen in deze zaak kunnen worden gebaseerd op zowel artikel 118 als artikel 123. Het onderscheid tussen de verkrijging en het behoud van het recht op uitkeringen zou bij de toepassing van artikel 69, lid 4, van de verordening gekunsteld zijn, aangezien de werknemer in dit kader altijd voordien werkloosheidsuitkeringen heeft ontvangen. Het begrip „herstel van het recht op uitkering” is een algemeen begrip, zodat men, gelet op het vroegere recht op uitkeringen, bij artikel 69, lid 4, ervan kan uitgaan, dat deze voorwaarde steeds wordt vervuld.
15.
De Belgische regering baseert haar betoog op de rechtspraak van het Hof. In het arrest Testa ( 7 ) heeft het Hof vastgesteld, dat artikel 69 van de verordening een autonome, van de regels van nationaal recht afwijkende regeling bevat, die in alle Lid-Staten eenvormig moet worden uitgelegd. Het in artikel 69, lid 2, van de verordening voorziene verlies van het recht op uitkeringen bij een ongeoorloofde overschrijding van de termijn van drie maanden kan daarom niet worden opgevat als een terugwijzing naar het recht van de Lid-Staat, maar als een autonoom geval van het verlies van rechten.
16.
Zo vormt ook artikel 69, lid 4, een bijzondere bepaling voor de herkrijging van het recht op uitkeringen voor naar België terugkerende werklozen. In het licht van het arrest Testa kon artikel 69 slechts zo worden uitgelegd, dat men met het beroep op dit artikel afziet van de toepassing van de algemene nationale regeling, en dat in geval van overschrijding van de termijn van drie maanden dus geen beroep kan worden gedaan op artikel 123 van het koninklijk besluit. De toekenning van werkloosheidsuitkeringen was alleen mogelijk geweest, indien een werkzaamheid van drie maanden was uitgeoefend en indien, op het moment van de nieuwe aanvraag, werd voldaan aan alle voorwaarden voor de verkrijging van het recht op werkloosheidsuitkeringen van artikel 118 van het koninklijk besluit.
17.
Deze uitlegging heeft het Hof in het arrest Di Conti ( 8 ) echter niet gevolgd, aangezien het er in die zaak van uitging, dat de aanspraak herleeft, indien de werkloze zijn hoedanigheid van rechthebbende in de zin van artikel 123 van het koninklijk besluit heeft behouden en ten minste drie maanden werkzaam is geweest.
18.
De eenvormige toepassing van artikel 69 van de verordening in alle Lid-Staten is derhalve onzeker, aangezien alle andere Lid-Staten hun nationale regelingen inzake de herkrijging respectievelijk het behoud van het recht op uitkeringen buiten toepassing kunnen laten, terwijl in België op basis van artikel 69, lid 4, van de verordening de nationale regelingen gelden, mits de termijn van een werkzaamheid van drie maanden in acht wordt genomen. Een werkloze kan in België dus praktisch altijd een nieuwe aanspraak op uitkeringen verkrijgen, door zich te baseren op vóór zijn vertrek vervulde tijdvakken van arbeid met als enig voorbehoud artikel 69, lid 4, van de verordening, terwijl cen werkloze in andere Lid-Staten geen beroep kan doen op cen resterende aanspraak op werkloosheidsuitkeringen, maar hoogstens een beroep zou kunnen doen op de sociale bijstand.
19.
In casu baseert verzoeker zijn aanspraak op de algemene voorwaarden voor de verkrijging van het recht op uitkeringen van artikel 118 van het koninklijk besluit. In het arrest Di Conti lijkt het Hof inderdaad te hebben willen zeggen, dat artikel 69, lid 4, van de verordening enkel geldt voor gevallen van herkrijging respectievelijk behoud van rechten, doch niet voor de verkrijging ervan. Indien men verzoeker een recht op uitkeringen zou willen toekennen op basis van artikel 118 van het koninklijk besluit, zou dit uiteindelijk ook in strijd zijn met het arrest Di Conti, omdat hij niet eens een werkzaamheid van drie maanden in de zin van artikel 69, lid 4, van de verordening behoeft te kunnen aantonen. Aangezien artikel 69, lid 4, van de verordening een bijzondere bepaling vormt, zou de werkzaamheid van drie maanden in geval van een ongeoorloofde overschrijding van de termijn van artikel 69, lid 1, van de verordening in elk geval moeten worden vervuld, voordat er opnieuw sprake is van een recht op werkloosheidsuitkeringen.
20.
De Franse regering trekt onder verwijzing naar het arrest in de zaak Pinna II ( 9 ) de rechtmatigheid van de voor België geldende bijzondere regeling in twijfel. Haars inziens verschuilt de RVA zich achter het gemeenschapsrecht, om op die manier de gunstiger nationale regeling niet te hoeven toepassen. Artikel 69, lid 4, van de verordening is cen bijzondere regeling, die, zoals uitzonderingsrcgelingen in het algemeen, eng moet worden uitgelegd. Indien de door de RVA verdedigde uitlegging werd gevolgd, zou dit erop neerkomen, dat het gemeenschapsrecht een extra hinderpaal voor het vrije verkeer van werknemers opwerpt, hetgeen in strijd is met zowel artikel 69 van de verordening als de door het gemeenschapsrecht nagestreefde doeleinden. De Franse regering verwijst in dit verband naar de arresten Petroni ( 10 ), Baccini ( 11 ) en Romano ( 12 ), ten betoge dat niet kan worden aanvaard, dat een werknemer door liet gemeenschapsrecht voordelen verliest die hem op grond van de nationale rechtsorde alleen toekomen. Ten slotte wijst de Franse regering erop, dat artikel 69, lid 2, in sommige Lid-Staten, —ten dele uit juridische overwegingen ( 13 ), ten dele op basis van een vaste praktijk ( 14 ) —, geregeld buiten toepassing blijft.
21.
De Commissie tracht een coherente uitlegging aan de betrokken bepaling en aan de op basis daarvan tot stand gekomen rechtspraak te geven. Uitgaande van het arrest Di Conti stelt zij zich op het standpunt, dat artikel 69, lid 4, van de verordening enkel geldt voor gevallen van herkrijging van het recht op uitkeringen. Het standpunt van de RVA, dat de bij artikel 69, lid 4, van de verordening vereiste werkzaamheid van drie maanden een aanvullende voorwaarde voor de verkrijging van het recht op uitkeringen vormt — een standpunt dat in de zaak Di Conti reeds is aangevoerd — kan daarom niet worden aanvaard. De termijn van drie maanden speelt geen rol bij de voorwaarden voor de verkrijging van dit recht.
22.
Overigens ziet de Commissie geen enkele tegenspraak tussen de arresten Testa en Di Conti. In het arrest Testa heeft het Hof weliswaar geoordeeld ( 15 ), dat artikel 69 ten gunste van werknemers die van deze bepaling gebruik willen maken, een autonome uitzonderingsregeling bevat ten opzichte van het nationale recht, ongeacht de vorm van de nationale bepalingen inzake het behoud en het verlies van het recht op uitkeringen. ( 16 ) Deze autonome uitzonderingsregeling heeft echter betrekking op het voorlopige behoud van het recht op uitkeringen voor de rechthebbende die zich naar een andere Lid-Staat begeeft om daar werk te zoeken. Op grond van het arrest Testa kan echter niet worden aangenomen, dat artikel 69 van de verordening eveneens een autonome uitzonderingsregeling bevat voor de materiële voorwaarden inzake de verkrijging van het recht op uitkeringen. Men mag er daarom evenmin van uitgaan, dat artikel 69, lid 4, van de verordening in zoverre uitputtende regelingen voor België bevat.
23.
Aangaande de draagwijdte van artikel 69, lid 4, van de verordening in het licht van de huidige rechtspraak moet mijns inziens in de eerste plaats duidelijkheidshalve worden gepreciseerd, dat het arrest Testa weliswaar is gewezen met betrekking tot artikel 69 van de verordening en in het bijzonder de gevolgen van het tweede lid ervan, doch dat het geen betrekking had op lid 4 ervan. In het arrest Testa heeft het Hof beslist, dat de werknemer die na het verstrijken van de in artikel 69, lid 1, sub c, van de verordening bedoelde termijn van drie maanden terugkeert naar de bevoegde staat, ingevolge artikel 69, lid 2, eerste volzin, tegenover de bevoegde staat in beginsel geen aanspraak meer kan doen gelden op uitkeringen. Zo apodictisch deze uitspraak op het eerste gezicht ook moge lijken, zij kan evenwel niet op het arrest Testa worden gebaseerd, want zij geldt ook volgens dit arrest slechts, voorzover vorenbedoelde termijn niet krachtens artikel 69, lid 2, tweede volzin, is verlengd. ( 17 )
24.
Bij het onderzoek naar de verenigbaarheid van artikel 69, lid 2, tweede volzin, met de door de communautaire rechtsorde gewaarborgde fundamentele rechten voerde het Hof duidelijk een evenredighcidstoets uit, die evenwel niet rechtstreeks voortvloeit uit de tekst van de verordening als zodanig. In het arrest werd gesteld:
„Tenslotte zij opgemerkt dat artikel 69, lid 2, tweede volzin, die in buitengewone gevallen in een verlenging van de in artikel 69, lid 1, sub c, bedoelde termijn van drie maanden voorziet, de mogelijkheid biedt onredelijke resultaten ten gevolge van de toepassing van artikel 69, lid 2, te voorkomen. In [zijn] arrest van 20 maart 1979 (...) heeft het Hof voor recht verklaard, dat verlenging van bedoelde termijn ook geoorloofd is wanneer het verzoek daartoe eerst na afloop van deze termijn wordt ingediend. (...) de bevoegde diensten en organen van de staten [beschikken] bij het besluit over de eventuele verlenging van de in de verordening voorziene termijn weliswaar over een ruime beoordelingsvrijheid, doch zij moeten bij de uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid rekening houden met het evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van het gemeenschapsrecht. Bij juiste toepassing van dit beginsel in gevallen als de onderhavige, dienen de bevoegde diensten en organen in elk afzonderlijk geval de tijdsduur van de overschrijding van de betrokken termijn, de reden van de te late terugkeer en de ernst van de rechtsgevolgen van een te late terugkeer in aanmerking te nemen.” ( 18 )
25.
Ook al kan men hieruit niet rechtstreeks een uitspraak over de uitlegging van artikel 69, lid 4, van de verordening afleiden, uit deze rechtsoverweging volgt wel, dat de werknemer die gebruik heeft gemaakt van artikel 69, lid 1, van de verordening —zelfs indien hij de voorziene termijn heeft overschreden — geen onevenredig nadeel mag ondervinden in zijn situatie van rechthebbende.
26.
In deze context moet bijzonder belang worden gehecht aan het argument van de Franse regering, dat zowel in Frankrijk alsook in andere Lid-Statcn de bepalingen van artikel 69, lid 2, van de verordening zonder meer buiten toepassing blijven. ( 19 )
27.
Ten slotte kan uit het arrest Testa geen oordeel worden afgeleid over de draagwijdte van artikel 69, lid 4, en wel omdat de bepaling in die zaak volstrekt irrelevant was; aan het arrest lagen namelijk drie prejudiciële vragen uit Duitsland ten grondslag.
28.
Het lijdt geen twijfel, dat artikel 69, lid 4, een uitzonderingsregeling voor België vormt. Ik zie geen reden waarom het algemene beginsel om uitzonderingsbepalingen in beginsel eng uit te leggen, niet zou moeten worden toegepast. De bewoordingen van de bepaling spreken uitdrukkelijk van de herkrijging van het recht op uitkeringen en bij voorbeeld niet van het behoud of de verkrijging ervan. In mijn conclusie in de zaak Di Conti ( 20 ) ben ik reeds ingegaan op de ontstaansgeschiedenis van de bepaling. In die conclusie heb ik eraan herinnerd, dat — gelijk in die zaak was aangevoerd — artikel 69, lid 4, van de verordening bedoeld was ter compensatie van de genereuze Belgische regeling, op grond waarvan de hoedanigheid van rechthebbende in de regel gedurende drie jaar blijft bestaan, zelfs al is de betaling van uitkeringen onderbroken.
29.
Dit argument werd ook in het arrest aanvaard, waar wordt verklaard:
„Als tegenwicht voor die nogal lange handhaving van het uitkeringsrecht van werklozen zonder dat zij ter beschikking moeten blijven van de Belgische diensten voor arbeidsbemiddeling, vereist artikel 69, lid 4, dat zij, om na hun terugkeer naar België nog uitkeringen te genieten, eerst gedurende ten minste drie maanden moeten hebben gewerkt.” ( 21 )
30.
Gelet op artikel 123 van het koninklijk besluit, is het doel van de uitzonderingsregeling daarom, een evenwicht te scheppen tussen, enerzijds, de beperking in de tijd, gewoonlijk tot een periode van drie maanden, van het behoud van het recht op uitkeringen krachtens artikel 69, lid 1, gedurende welke periode de werkloze niet ter beschikking van de dienst voor arbeidsbemiddeling van de bevoegde staat moet staan en, anderzijds, het wezenlijk langere tijdvak van in de regel drie jaar krachtens artikel 123, gedurende welke de rechthebbende weliswaar geen uitkeringen geniet, doch zijn aanspraak op elk moment kan doen herleven. ( 22 )
31.
In het arrest Di Conti ( 23 ) achtte het Hof artikel 69, lid 4, van de verordening enkel van toepassing op de herkrijging en niet op de verkrijging van het recht op uitkeringen. Dit resultaat, dat ook voor de onderhavige zaak geldig is, berust bovendien op de overweging, dat de werknemer door de tussenkomst van het gemeenschapsrecht niet in een nadeliger positie mag worden geplaatst dan waarin hij op grond van de toepassing van het nationale recht alleen zou verkeren. Elke andere uitlegging zou een belemmering van het vrije verkeer van werknemers betekenen en zou daarom in strijd zijn met artikel 51 EG-Verdrag en met de doelstellingen die in verordening nr. 1408/71 worden genoemd. ( 24 )
32.
Het argument van de RVA, dat een toepassing van artikel 69, lid 1, van de verordening, die zich beperkt tot gevallen van herkrijging van het recht op uitkeringen en zich niet uitstrekt tot de voorwaarden voor verkrijging van dit recht, deze bepaling zinledig zou maken, gaat niet op, aangezien er beslist gevallen denkbaar zijn, waarin de herkrijging van het recht op uitkeringen mogelijk is, terwijl de voorwaarden voor verkrijging van het recht op uitkeringen niet zijn vervuld. Bij een langere onderbreking van de betaling van uitkeringen binnen de in artikel 123 van het koninklijk besluit voorziene tijdvakken is het bij voorbeeld goed mogelijk, dat de voor verkrijging van het recht op uitkeringen vereiste tijdvakken van arbeid tijdens de onmiddellijk voorafgaande referentieperiode niet zijn vervuld.
33.
Het ook door de Belgische regering aangevoerde argument, dat de toepassing van de artikelen 118 en 123 van het koninklijk besluit uiteindelijk dikwijls tot hetzelfde resultaat leidt, kan daarom niet het onderscheid tussen de verkrijging en de herkrijging van het recht op uitkeringen ongedaan maken.
34.
Bewoordingen, ontstaansgeschiedenis en doel van de bepaling, alsmede haar functie in de totale samenhang van de regeling pleiten ervoor, artikel 69, lid 4, van de verordening alleen toe te passen in gevallen van herkrijging van het recht op uitkeringen.
C — Conclusie
35.
Ik geef het Hof daarom in overweging, de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
„Artikel 69, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1408/71, in de versie van verordening (EEG) nr. 2001/83, moet aldus worden uitgelegd, dat het vereiste dat de werkloze na zijn terugkeer naar België gedurende ten minste drie maanden werkzaamheden heeft uitgeoefend, enkel van toepassing is, wanneer de werkloze de herkrijging van zijn recht op uitkeringen geldend maakt, maar zich niet erop beroept dat aan de in het nationale recht gestelde voorwaarden voor de verkrijging van dit recht is voldaan.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.
( 1 ) Verordening van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PD 1983, L 230, biz. 6).
( 2 ) Op de inhoud van de bepaling wordt hieronder ingegaan, zie punt 11.
( 3 ) Arrest van 10 mei 1990 (zaak C-163/89, Di Conti, Jurispr. 1990, blz. I-1829).
( 4 ) Thans artikel 30 op grond van de nieuwe versie van het koninklijk besluit van 25 november 1991.
( 5 ) Thans artikel 42 op grond van de nieuwe versie van hel koninklijk besluit van 25 november 1991.
( 6 ) Artikel 123, lid 1, eerste alinea.
( 7 ) Arrest van 19 juni 1980 (gevoegde zaken 41/79, 121/79 en 769/79, Jurispr. 1980, blz. 1979).
( 8 ) Arrest van 10 mei 1990 (zaak C-163/89, reeds aangehaald in voetnoot 3).
( 9 ) Arrest van 15 januari 1986 (zaak 41/84, Jurispr. 1986, blz. 1).
( 10 ) Arrest van 21 oktober 1975 (zaak 24/75, Jurispr. 1975, blz. 1149).
( 11 ) Arrest van 23 maart 1982 (zaak 79/81, Jurispr. 1982, blz. 1063).
( 12 ) Arrest van 4 juni 1985 (zaak 58/84, Jurispr. 1985, blz. 1679).
( 13 ) Zie punt G, sub 9, dat bij verordening (EEG) nr. 2332/89 van 18 juli 1989 (PB 1989, L 224, blz. 1) in bijlage VI bij verordening nr. 1408/71 voor Ierland is opgenomen:
„Een werkloze die naar Ierland terugkeert na het verstrijken van de periode van drie maanden waarin hij op grond van artikel 69, lid 1, van de verordening een werkloosheidsuitkering is blijven ontvangen krachtens de Ierse wetgeving, kan ondanks het bepaalde in artikel 69, lid 2, aanspraak op een werkloosheidsuitkering maken als hij voldoet aan de in de genoemde wetgeving gestelde voorwaarden”,
en punt L, sub 16, voor het Verenigd Koninkrijk:
„Een werkloze die naar het Verenigd Koninkrijk terugkeert na het verstrijken van de periode van drie maanden waarin hij op grond van artikel 69, lid 1, van de verordening een werkloosheidsuitkering krachtens de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk is blijven ontvangen, kan ondanks artikel 69, lid 2, aanspraak op een werkloosheidsuitkering maken als hij voldoet aan de in de genoemde wetgeving gestelde voorwaarden.”
( 14 ) Zoals bij voorbeeld in Frankrijk.
( 15 ) Aldus het betoog van de Commissie ter terechtzitting.
( 16 ) Zie in deze zin het arrest Testa (aangehaald in voetnoot 7, r. o. 5).
( 17 ) Dictum van het arrest Testa (aangehaald in voetnoot 7).
( 18 ) Zie arrest Testa (aangehaald in voetnoot 7, r. o. 21; cursivering van mij).
( 19 ) Zie hierboven punt 20.
( 20 ) Conclusie van 7 maart 1990 (zaak C-163/89, Jurispr. 1990, blz. I-1835).
( 21 ) R. o. 16 van het arrest Di Conti (aangehaald in voetnoot 3).
( 22 ) Zie n o. 15 van het arrest Di Conti (aangehaald in voetnoot 3).
( 23 ) Zie r. o. 12 en 17.
( 24 ) Zie bij voorbeeld de vijfde overweging van de considerans van de verordening.
Full & Egal Universal Law Academy