CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
MICHAEL B. ELMER
van 13 juni 1996 ( *1 )
Inleiding
1.
In het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker zijn verschillende aan de fabrikanten op te leggen bijdragen en heffingen ingevoerd. Het Hof heeft zich in zaak C-19/94, SAFBA ( 1 ), erover uitgesproken, op welk tijdstip de verplichting tot betaling van de zogeheten opslagbijdrage ontstaat. In de onderhavige zaak moet het zich erover uitspreken, op welk tijdstip de verplichting tot betaling van enkele andere heffingen ontstaat en op welk tijdstip sommige van deze heffingen verschuldigd worden.
De toepasselijke bepalingen van gemeens chap sr echt
2.
De zaak betreft drie verschillende heffingen in het kader van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker: een produktieheffing, een compensatieheffing en een speciale compensatieheffing.
3.
De produktieheffing is ingevoerd ter dekking van met de gemeenschappelijke marktordening verband houdende verliezen. De desbetreffende regels staan in verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker ( 2 ), zoals nadien gewijzigd (hierna: „basisverordening”), waarvan artikel 28, leden 3 en 4, luidt als volgt:
„3.
Wanneer de (...) bedoelde vaststellingen (...) wijzen op een te verwachten totaal verlies, wordt dit verlies gedeeld door de verwachte hoeveelheid (...)suiker (...) die voor rekening van het lopende verkoopseizoen is geproduceerd. Het hieruit voortvloeiende bedrag moet bij de fabrikanten worden geïnd als basisproduktieheffing op hun produktie van (...)suiker (...)
4.
Wanneer het ten gevolge van de limitering van de basisproduktieheffing niet mogelijk is het (...) totale verlies geheel te dekken, wordt het saldo gedeeld door de verwachte hoeveelheid (...)suiker (...) die voor rekening van het betrokken verkoopseizoen is geproduceerd. Het hieruit voortvloeiende bedrag moet bij de fabrikanten worden geïnd als (...) heffing op hun produktie van (...) suiker (...)”
4.
De compensatieheffing is ingevoerd ter dekking van een extra tekort dat in het kader van de gemeenschappelijke marktordening werd geconstateerd in de seizoenen 1981/1982 tot en met 1985/1986. De desbetreffende bepalingen zijn als artikel 32 bis in de basisverordening ingevoegd bij verordening (EEG) nr. 934/86 van de Raad van 24 maart 1986 ( 3 ) (hierna: „verordening compensatieheffing”). Lid 1 van dit artikel luidt:
„(...) wordt van de suiker(...Fabrikanten in de verkoopseizoenen 1986/1987 tot en met 1990/1991 een compensatieheffing geïnd over hun produktie van (...)suiker (...) ten einde het na de toepassing van de quotaregeling in de periode 1981/1982 tot en met 1985/1986 geconstateerde tekort van 400 miljoen ECU te compenseren.”
Bij verordening (EEG) nr. 3046/86 van de Commissie van 3 oktober 1986 ( 4 ) (hierna: „uitvoeringsverordening”) zijn op basis van artikel 32 bis, lid 6, van de basisverordening de uitvoeringsmodaliteiten voor de inning van de compensatieheffing vastgesteld. Artikel 1, lid 1, van deze verordening bepaalt:
„De Lid-Statcn innen van de suikerfabrikanten (...) de compensatieheffing waarvan de bedragen zijn vastgesteld bij artikel 32 bis, leden 2 en 3, van [de basisverordening] in twee schijven. Deze inning geschiedt voor elk betrokken verkoopseizoen vóór 15 december van dat verkoopseizoen voor de eerste schijf, die als voorschot geldt, en vóór 15 december volgend op dat verkoopseizoen voor de tweede schijf, zijnde het te betalen saldo.”
5.
De speciale compensatieheffing is ingevoerd ter dekking van een te verwachten verlies over het verkoopseizoen 1986/1987, dat niet door de financiële bijdragen van de producenten aan de marktordening voor suiker zou worden gedekt. De desbetreffende bepalingen zijn te vinden in verordening (EEG) nr. 1914/87 van de Raad van 2 juli 1987 ( 5 ) (hierna: „verordening speciale compensatieheffing”), waarvan artikel 1, lid 2, het volgende bepaalt:
„2.
De speciale compensatieheffing wordt voor iedere suikerproducerende onderneming (...) berekend door een nader tebepalcn coëfficiënt toe te passen op het bedrag dat de onderneming verschuldigd is uit hoofde van de produktieheffingen voor het verkoopseizoen 1986/1987. (...)
De speciale compensatieheffing moet vóór 15 december 1987 worden betaald.”
Bij verordening (EEG) nr. 3061/87 van de Commissie van 13 oktober 1987 ( 6 ) (hierna: „coëfficiëntverordening”) zijn op basis van artikel 1, lid 4, van de verordening speciale compensatieheffing regels vastgesteld voor de berekening van de speciale compensatieheffing voor suiker in het verkoopseizoen 1986/1987. Artikel 2 van deze verordening luidt:
„De Lid-Staten innen de speciale compensatieheffing tegelijk met het saldo van de bij artikel 28 van [de basisverordening] vastgestelde produktieheffingen.
Met het oog op de in lid 1 bedoelde inning stellen de Lid-Staten vóór 1 november 1987 voor iedere suiker(...)producerende onderneming voor het verkoopseizoen 1986/1987 de berekening op als bedoeld in artikel 1, lid 2, van [de verordening speciale compensatieheffing].”
De feiten van de zaak
6.
De Société sucrière agricole de Maizy (hierna: „Maizy”) is een in de produktie van suiker en het distilleren en de verkoop van produktieafvallen van suiker gespecialiseerde onderneming. Naar aanleiding van een controle van de boeken van de onderneming ten behoeve van de vennootschapsbelasting werd een gewijzigd belastingplichtig inkomen vastgesteld. Deze wijzigingen betroffen voor een deel de compensatieheffingen voor de belastingjaren 1985/1986 en 1986/1987 en de herwaardering van de voorraden.
7.
Volgens het Franse belastingstelsel zijn de gemeenschapsrechtelijke compensatieheffingen lasten die de ondernemingen in hun jaarrekening opnemen. De heffingen worden derhalve opgenomen in de berekening van de aan de belastingheffing onderworpen winst, die volgens de Code général des impôts wordt bepaald als volgt:
„De nettowinst is het verschil tussen de nettowaarde van de activa bij de afsluiting en bij de aanvang van het tijdvak waarvan de resultaten moeten dienen als grondslag voor belasting, verminderd met de latere inbreng en vermeerderd met de in dit tijdvak door de exploitant of de vennoten verrichte onttrekkingen. De nettoactiva worden gevormd door het bedrag waarmee de activa het totale bedrag van de passiva, bestaande uit vorderingen van derden, afschrijvingen en gerechtvaardigde reserveringen, overschrijden.”
Blijkens de stukken volgt uit deze bepaling, dat een schuldvordering van een derde slechts als aan het einde van een belastingjaar te betalen last kan worden geboekt, indien de vordering — behalve dat zij principieel vaststaand en naar bedrag nauwkeurig bepaald moet zijn — betrekking heeft op een verrichting ten aanzien waarvan het belastbare feit in dat belastingjaar valt.
8.
Bij de afsluiting van het boekjaar 1985/1986 (op 30 juni 1986) voerde Maizy een bedrag van 4011830 FF op wegens door de vennootschap verschuldigde compensatieheffing en een bedrag van 3149290 FF wegens speciale compensatieheffing. Aangezien de compensatieheffing voor één vijfde deel per jaar moest worden toegerekend aan elk verkoopseizoen van 1986/1987 tot en met 1990/1991, werd de reservering per 30 juni 1987 verminderd met het daadwerkelijk over het verkoopseizoen 1986/1987 betaalde bedrag, te weten 802366 FF. De waarde van de reservering werd nadien herberekend, hetgeen leidde tot een verhoging met 170064 FF.
9.
De belastingdienst bracht de volgende wijzigingen aan. Wat de compensatieheffing betreft, werden het bedrag dat in het boekjaar 1985/1986 was afgetrokken (4011830 FF), en de verhoging van de reservering na herberekening in 1986/1987 (170064 FF) weer in het belastbaar inkomen van de vennootschap opgenomen. Tegelijkertijd werd het deel van de reservering dat was opgevoerd wegens de heffing over het boekjaar 1986/1987 (802366 FF), toegestaan als winstaftrek, aangezien deze door de vennootschap opnieuw was ingebracht. Wat de speciale compensatieheffing betreft, wees de belastingdienst de opneming van deze heffing als reservering voor het boekjaar 1985/1986 af, op grond dat deze heffing zou zijn bestemd ter compensatie van het totale verlies over het verkoopseizoen 1986/1987. De dienst ging vervolgens over tot correctie van de boeken, wat leidde tot een naheffingsaanslag voor de vennootschap, aangezien het belastingtarief tussen 1986 en 1987 was gewijzigd.
Ten slotte had Maizy in haar voorraadwaardering de compensatieheffing, de speciale compensatieheffing en de produktieheffingen niet opgenomen, daar zij van mening was, dat deze heffingen waren verbonden aan de afzet van de suiker. De belastingdienst deelde dit standpunt niet en legde een naheffingsaanslag van 8292457 FF op.
10.
Daarop verzocht Maizy de Directeur régional des impôts om kwijtschelding van de haar opgelegde naheffingsaanslag voor de vennootschapsbelasting, op grond dat de aangebrachte wijzigingen berustten op een onjuiste uitlegging van de aan de verplichting tot betaling van de opslagbijdrage, de produktieheffingen en de compensatieheffingen ten grondslag liggende gemeenschapsbepalingen.
De prejudiciële vragen
11.
Bij verzoekschrift van 14 november 1990 heeft Maizy tegen de Directeur régional des impôts een vordering ingesteld bij het Tribunal administratif d'Amiens. Blijkens de stukken is deze zaak overgenomen door de Société sucrière de Berneuil-sur-Aisne.
12.
Bij vonnis van 22 mei 1995 heeft het Tribunal administratif d'Amiens de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om uitlegging van de toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht. De nationale rechter heeft in zijn vonnis de prejudiciële vragen waarover hij een uitspraak van het Hof verlangt, niet geformuleerd. Artikel 1 van het vonnis luidt als volgt:
„De behandeling van het verzoekschrift van (...) Maizy wordt geschorst tot het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uitspraak zal hebben gedaan op de in de rechtsoverwegingen van dit vonnis aangegeven prejudiciële vragen.”
Het betreft hier kennelijk de volgende rechtsoverwegingen:
—
„De oplossing van het geding hangt af van de uitlegging van genoemde gemeenschapsbepalingen ter zake van het feit dat de verplichting tot betaling van de opslagbijdrage doet ontstaan.”
—
„De oplossing van het geding hangt af van de uitlegging van genoemde gemeenschapsbepalingen ter zake van het feit dat de verplichting tot betaling van de compensatieheffingen doet ontstaan.” (Uit de overige rechtsoverwegingen blijkt, dat hiermee de compensatieheffing en de speciale compensatieheffing zijn bedoeld.)
—
„De oplossing van het geding hangt af van de uitlegging van genoemde gemeenschapsbepalingen ter zake van het feit dat de verplichting tot betaling van de omstreden bijdragen en heffingen doet ontstaan.” (Uit de overige rechtsoverwegingen blijkt, dat hiermee de produktieheffing en de twee compensatieheffingen zijn bedoeld.)
13.
De eerste rechtsoverweging betreft de vraag, op welk tijdstip de verplichting tot betaling van de opslagbijdrage ontstaat. Zoals gezegd heeft het Hof zich over deze vraag reeds uitgesproken in het arrest SAFBA, waarin het artikel 8, lid 2, van de basisverordening heeft uitgelegd en heeft geconcludeerd, dat aan de voorwaarden voor het ontstaan van deze verplichting was voldaan op het tijdstip van de afzet van de suiker. De griffie van het Hof heeft daarom bij brief van 14 juli 1995 het arrest van het Hof aan het Tribunal administratif d'Amiens gezonden en gevraagd, of het zijn vragen in deze omstandigheden handhaafde. Bij brief van 30 augustus 1995 antwoordde de griffier van het Tribunal administratif d'Amiens, dat zaak C-14/94, SAFBA, uitsluitend betrekking had op de opslagbijdrage, zodat de overige vragen nog door het Hof moesten worden beantwoord.
Op de vraag betreffende de opslagbijdrage behoeven wij dus niet meer in te gaan.
14.
Men zou zich kunnen afvragen, of de overige vragen niet dermate vaag zijn geformuleerd, dat de zaak niet ten gronde kan worden onderzocht. Mijns inziens is er evenwel onvoldoende grond de vragen niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien het tegen de achtergrond van het verwijzingsvonnis als geheel voldoende duidelijk is, welke vragen de verwijzende rechter het Hof wenst te stellen. Door herformulering van de vragen is het derhalve mogelijk, de verwijzende rechter een bruikbaar antwoord te geven.
15.
In wezen verzoekt de nationale rechter het Hof om een antwoord op de volgende twee vragen:
1)
Op welk tijdstip ontstaat de verplichting tot betaling van de produktiehcffing, de compensatieheffing en de speciale compensatieheffing?
2)
Op welk tijdstip worden de compensatieheffing en de speciale compensatieheffing verschuldigd?
De eerste vraag
16.
Laat ik om te beginnen beklemtonen, dat, gelijk het Hof in de zaak SAFBA verklaarde, het „feit dat de verplichting tot betaling van de bijdrage doet ontstaan” geen begrip is van het gemeenschapsrecht, maar van het Franse belastingrecht. Het Hof kan geen uitspraak doen over de strekking van een begrip van nationaal recht, maar dient in het kader van de samenwerking met de nationale rechterlijke instanties de relevante bepalingen van het gemeenschapsrecht uit te leggen, zodat duidelijk wordt, vanaf welk moment is voldaan aan de door deze bepalingen vereiste voorwaarden voor het ontstaan van de verplichting tot betaling van de bijdrage. Vervolgens moet de nationale rechter op basis van deze uitlegging van het Hof het nationale belastingrecht toepassen.
17.
Het Hof verklaarde in het arrest SAFBA voorts betreffende de voorwaarden voor het ontstaan van de verplichting tot betaling van een bijdrage:
„Het is immers ook noodzakelijk om het bedrag van de bijdrage vast te stellen, teneinde de juiste omvang te kunnen bepalen van de verplichting, die anders niet kan worden geacht te zijn ontstaan.” ( 7 )
18.
Ik zal hierna dan ook de toepasselijke bepalingen voor elk van de drie heffingen onderzoeken, om te beoordelen, vanaf welk tijdstip volgens deze bepalingen is voldaan aan de voorwaarden voor het ontstaan van de verplichting tot betaling van deze heffingen.
De produktieheffing
19.
De Franse regering, de Griekse regering en de Commissie hebben betoogd, dat artikel 28, leden 3 en 4, van de basisverordening aldus moet worden verstaan, dat de verplichting tot betaling van de daarbij ingestelde heffingen ontstaat op het tijdstip van de produktie van de suiker en niet eerst op het tijdstip van de afzet van de suiker, zoals het geval is bij de opslagbijdrage ingevolge artikel 8, lid 2, van de basisverordening.
20.
Ik wijs er met nadruk op, dat volgens artikel 28, lid 3, van de basisverordening bij de producenten een produktieheffing op hun produktie van suiker wordt geïnd, wanneer in een bepaald jaar een totaal verlies te verwachten is. De heffing wordt berekend door dit verlies te delen door de verwachte hoeveelheid suiker „die voor rekening van het lopende verkoopseizoen is geproduceerd”, welke verwachting wordt berekend aan de hand van vaststellingen die plaatsvinden vóór het einde van elk verkoopseizoen. Ook artikel 28, lid 1, dat de regels stelt voor de verschillende vaststellingen die moeten plaatsvinden om een eventueel verlies te kunnen voorzien, refereert aan de produktie in „het lopende verkoopseizoen”.
21.
Volgens artikel 28, lid 4, van de basisverordening wordt op de produktie van suiker een aanvullende produktieheffing geïnd, wanneer het ten gevolge van de limitering van de normale produktieheffing niet mogelijk is het verwachte totale verlies te dekken. De aanvullende heffing wordt berekend door het saldo te delen door de verwachte hoeveelheid „die voor rekening van het betrokken verkoopseizoen is geproduceerd”.
22.
Mijns inziens is het derhalve de produktie van suiker als zodanig die de verplichting tot betaling van de in artikel 28, leden 3 en 4, van de basisverordening geregelde produktieheffingen doet ontstaan. De verplichting tot betaling van de heffingen lijkt niet aan andere voorwaarden te zijn gebonden en het is aan het einde van elk verkoopseizoen mogelijk, aan de hand van de verwachte totale produktie van suiker de hoogte van de heffing te berekenen.
De compensatieheffing
23.
De Franse regering, de Griekse regering en de Commissie zijn alle van mening, dat de verplichting tot betaling van de compensatieheffing ontstaat op het tijdstip van de produktio van suiker in de verkoopseizoenen 1986/1987 tot en met 1990/1991.
24.
De compensatieheffing is ontegenzeglijk bedoeld ter compensatie van het tekort dat in de verkoopseizoenen 1981/1982 tot en met 1985/1986 is ontstaan. Blijkens de zevende en de achtste overweging van de considerans van de verordening compensatieheffing moet dit tekort evenwel worden verdeeld over de daaropvolgende vijf verkoopseizoenen, dat wil zeggen de verkoopseizoenen 1986/1987 tot en met 1990/1991. In de considerans wordt dit gemotiveerd met de beginselen van solidariteit en billijkheid, alsook met het gegeven dat het materieel onmogelijk is deze heffing bij de individuele producent in rekening te brengen op basis van het in het verleden uit het stelsel behaalde voordcel.
25.
Luidcns artikel 32 bis van de basisverordening wordt de compensatieheffing van de suikerproducenten geïnd „in de verkoopseizoenen 1986/1987 tot en met 1990/1991 (...) over hun produktie van (...) suiker”. Uit cen letterlijke lezing van de bepalingen tot invoering van een compensatieheffing blijkt derhalve, dat de verplichting tot betaling van deze heffing ontstaat op het tijdstip van de produktie van de suiker in de verkoopseizoenen 1986/1987 tot en met 1990/1991.
26.
Volgens artikel 32 bis, lid 1, juncto lid 2, van de basisverordening vormt de gehele produktie van de verschillende gebieden van de Gemeenschap de grondslag voor de in deze bepalingen neergelegde berekeningsmethode voor de compensatieheffing. Indien de ontvangsten uit de compensatieheffing niet met de verwachtingen overeenkomen, kan de heffing volgens artikel 32 bis, lid 4, worden aangepast. Artikel 1 van de uitvocringsverordening stelt regels voor de wijze van betaling van de compensatieheffing. Deze moet namelijk worden betaald in twee schijven, en de eerste schijf wordt berekend door vermenigvuldiging van de som van de quota van de betrokken onderneming „voor het betrokken verkoopseizoen” met 80 % van het bedrag van de compensatieheffing die in het betrokken gebied van toepassing is.
27.
Het is derhalve de suikerproduktie van de seizoenen 1986/1987 tot en met 1990/1991 die bepalend is voor de berekening van de compensatieheffing, nu de suikerproduktie van de individuele fabrikanten in de tekorten opleverende seizoenen 1981/1982 tot en met 1985/1986 voor die berekening niet in aanmerking wordt genomen. Het definitieve bedrag van de compensatieheffing van de individuele suikerproducent kan met de aangegeven berekeningsmethode worden vastgesteld aan het einde van elk van de verkoopseizoenen 1986/1987 tot en met 1990/1991.
28.
Aan de voorwaarden voor het ontstaan van de verplichting tot betaling van de compensatieheffing is derhalve voldaan bij de berekening van de verwachte suikerproduktie aan het einde van elk van de verkoopseizoenen 1986/1987 tot en met 1990/1991.
De spedale compensatieheffing
29.
Zowel de Franse en de Griekse regering als de Commissie hebben betoogd, dat de verplichting tot betaling van de speciale compensatieheffing ontstaat op het tijdstip van de produktie van suiker in het verkoopseizoen 1986/1987.
30.
De speciale compensatieheffing is bedoeld ter dekking van een verwacht tekort in het verkoopseizoen 1986/1987. Ingevolge artikel 1, lid 2, van de desbetreffende verordening wordt zij geïnd door de suikerproducenten te verplichten over het betrokken seizoen een extra percentage op hun compensatieheffing te betalen. Volgens artikel 2 van de coëfficiëntverordening innen de Lid-Staten de heffing tegelijk met het saldo van de produktieheffingen.
Aangezien het derhalve een aanvulling op de normale produktieheffing betreft, moet worden aangenomen, dat zij dezelfde kenmerken heeft als deze heffing. Zoals in punt 22 is gesteld, is aan de voorwaarden voor het ontstaan van de betalingsverplichting voldaan aan het einde van elk verkoopseizoen, wanneer de verwachte totale produktie van suiker wordt berekend, zodat de verplichting tot betaling van de speciale compensatieheffing ter dekking van het tekort in het verkoopseizoen 1986/1987 eveneens moet worden geacht te zijn ontstaan aan het einde van dat verkoopseizoen.
31.
Op grond daarvan ben ik van mening, dat aan de noodzakelijke voorwaarden voor het ontstaan van de verplichting tot betaling van de speciale compensatieheffing is voldaan bij de berekening van de verwachte produktie van suiker aan het einde van het verkoopseizoen 1986/1987.
32.
Bijgevolg moet de eerste vraag aldus worden beantwoord, dat aan de voorwaarden voor het ontstaan van de verplichting tot betaling van de produktieheffing is voldaan aan het einde van elk verkoopseizoen. Aan de voorwaarden voor het ontstaan van de verplichting tot betaling van de compensatieheffing is voldaan bij de berekening van de verwachte produktie van suiker aan het einde van elk van de verkoopseizoenen 1986/1987 tot en met 1990/1991. Aan de voorwaarden voor het ontstaan van de verplichting tot betaling van de speciale compensatieheffing is voldaan bij de berekening van de verwachte produktie van suiker aan het einde van het verkoopseizoen 1986/1987.
De tweede vraag
De compensatieheffing
33.
De Commissie heeft verklaard, dat de eerste schijf moet worden betaald vóór 15 december van het lopende verkoopseizoen, terwijl de tweede schijf moet worden betaald vóór 15 december volgend op dat verkoopseizoen.
34.
Zoals hiervóór uiteengezet, volgt uit artikel 1, lid 1, van de uitvoeringsverordening, dat de compensatieheffing in twee schijven moet worden betaald. Daartoe stellen de Lid-Staten voor iedere onderneming het door de betrokken onderneming te betalen bedrag vast. Deze vaststelling geschiedt uit hoofde van de eerste schijf vóór 1 november van het betrokken verkoopseizoen en uit hoofde van de tweede schijf vóór 1 november volgend op het betrokken verkoopseizoen.
De Lid-Staten innen op grond van bovengenoemde vaststelling volgens artikel 1, lid 1, van de uitvocringsverordening de eerste schijf vóór 15 december van het lopende verkoopseizoen, en de tweede schijf vóór 15 december volgend op dat verkoopseizoen.
35.
De eerste schijf van de compensatieheffing is dus mijns inziens verschuldigd op 15 december van elk van de verkoopseizoenen 1986/1987 tot en met 1990/1991, en de tweede schijf van de compensatieheffing op 15 december van het jaar volgend op het betrokken verkoopseizoen.
De speciale compensatieheffing
36.
De Commissie heeft betoogd, dat de speciale compensatieheffing vóór 15 december 1987 moest worden betaald.
37.
Ingevolge artikel 2, lid 2, van de cocffieientverordening stellen de Lid-Staten vóór 1 november 1987 voor iedere onderneming een berekening vast voor het verkoopseizoen 1986/1987. Op basis van deze berekening innen de Lid-Staten ingevolge artikel 2, lid 1, de speciale compensatieheffing tegelijk met het saldo van de produktieheffingen. Volgens artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1443/82 van de Commissie ( 8 ), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2682/84 van de Commissie van 21 september 1984 ( 9 ), worden de saldi van de produktieheffing en van de aanvullende produktieheffing betaald vóór 15 december daaropvolgend.
38.
De speciale compensatieheffing is dus mijns inziens verschuldigd op 15 december 1987.
39.
De tweede vraag moet derhalve aldus worden beantwoord, dat de eerste schijf van de compensatieheffing verschuldigd is op 15 december van elk van de verkoopseizoenen 1986/1987 tot en met 1990/1991, en de tweede schijf van de compensatieheffing op 15 december van het jaar volgend op het betrokken verkoopseizoen. De speciale compensatieheffing is verschuldigd op 15 december 1987.
Conclusie
40.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
„1)
Aan de voorwaarden voor het ontstaan van de verplichting tot betaling van de produktieheffingen die zijn ingevoerd bij artikel 28, leden 3 en 4, van verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, zoals nadien gewijzigd, is voldaan bij de berekening van de verwachte produktie van de in de verordening genoemde produkten aan het einde van elk verkoopseizoen.
Aan de voorwaarden voor het ontstaan van de verplichting tot betaling van de compensatieheffing die is ingevoerd bij verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, zoals nadien gewijzigd, is voldaan bij de berekening van de verwachte produktie van de in de verordening genoemde produkten aan het einde van elk van de verkoopseizoenen 1986/1987 tot en met 1990/1991.
Aan de voorwaarden voor het ontstaan van de verplichting tot betaling van de speciale compensatieheffing die is ingevoerd bij verordening (EEG) nr. 1914/87 van de Raad van 2 juli 1987 tot instelling van een speciale compensatieheffing in de sector suiker voor het verkoopseizoen 1986/1987, is voldaan bij de berekening van de verwachte produktio van de in de verordening genoemde produkten aan het einde van het verkoopseizoen 1986/1987.
2)
De eerste schijf van de compensatieheffing, die is ingevoerd bij artikel 32 bis van verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, zoals nadien gewijzigd, is verschuldigd op 15 december van elk van de verkoopseizoenen 1986/1987 tot en met 1990/1991, en de tweede schijf van de compensatieheffing op 15 december van het jaar volgend op het betrokken verkoopseizoen. De speciale compensatieheffing die is vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 1914/87 van de Raad van 2 juli 1987 tot instelling van een speciale compensatieheffing in de sector suiker voor het verkoopseizoen 1986/1987, is verschuldigd op 15 december 1987.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Deens.
( 1 ) Arrest van 4 mei 1995, Jurispr. 1995, blz. I-1051.
( 2 ) PB 1981, L 177, blz. 4.
( 3 ) PB 1986, L 87, blz. 1.
( 4 ) PB 1986, L 283, blz. 15.
( 5 ) PB 1987, L 183, blz. 5.
( 6 ) PB 1987, L 290, blz. 10.
( 7 ) R. o. 3D.
( 8 ) Verordening van 8 juni 1982 houdende uitvoeringsbepalingen voor de quotaregeling in de sector suiker (PB 1982, L 158, bl/.. 17).
( 9 ) PB 1984, L 254, biz. 9.
Full & Egal Universal Law Academy