Conclusie van de advocaat generaal
1 In deze prejudiciële zaak vraagt de Franse Cour de cassation het Hof om uitlegging van de regels van het EEG-Verdrag betreffende het vrij verrichten van diensten waarmee kapitaalverplaatsingen gepaard gaan.
De feitelijke omstandigheden en de nationale wetgeving
2 De zaak is opgekomen, nadat een in Amsterdam gevestigde Nederlandse bank, H. Albert de Bary et Cie (hierna: "Bary et Cie"), die in Nederland is toegelaten om bankdiensten, met name het verlenen van hypothecaire leningen, te verrichten, op 29 november 1984 een hypothecaire lening van 930 000 DM had verstrekt aan de Franse vennootschap Société civile immobilière Parodi (hierna: "Parodi").
3 Parodi heeft op 13 maart 1990 in rechte nietigverklaring van de leningovereenkomst met Bary et Cie gevorderd, alsmede betaling van 1 251 390 FF wegens de door Parodi in verband met de lening gemaakte kosten. Parodi voert daartoe aan, dat Bary et Cie ten tijde van de lening niet de door de Franse wetgeving vereiste vergunning voor het verrichten van bankactiviteiten in Frankrijk had.
4 Parodi verwees hierbij naar de Franse wet nr. 84-46 van 24 januari 1984 betreffende werkzaamheden van en het toezicht op de kredietinstellingen (hierna: "Franse wet"), die de volgende bepalingen bevat:
"Artikel 15
Alvorens haar werkzaamheden aan te vangen moet de kredietinstelling over een vergunning beschikken, die wordt afgegeven door het comité (...) kredietinstellingen.
Het Comité Kredietinstellingen onderzoekt, of de onderneming die de aanvraag indient, voldoet aan de in de artikelen 16 en 17 van deze wet gestelde verplichtingen, en of de rechtsvorm van de onderneming beantwoordt aan de werkzaamheden van een kredietinstelling. Het houdt daarbij rekening met het programma van werkzaamheden van de onderneming, de technische en financiële middelen die zij van plan is in te zetten, alsook met de kwaliteit van de kapitaalverschaffers en in voorkomend geval hun borgen.
Tevens beoordeelt het comité, of de onderneming die de aanvraag indient, in staat is om haar doelstellingen te verwezenlijken in omstandigheden die verenigbaar zijn met de goede werking van het bankbedrijf, en de cliënten voldoende zekerheid bieden.
Het comité kan voorts de vergunning weigeren, indien de in artikel 17 bedoelde personen niet de noodzakelijke betrouwbaarheid of de vereiste ervaring bezitten om deze functies uit te oefenen.
(...)
Artikel 16
De kredietinstelling moet beschikken over een volgestort kapitaal of betaalde fondsen, ten minste gelijk aan een door het Comité Bankvoorschriften bepaald bedrag.
De kredietinstelling moet te allen tijde kunnen aantonen dat haar activa de passiva waarvoor zij jegens derden is verbonden, daadwerkelijk overschrijden met een bedrag dat ten minste gelijk is aan het minimumkapitaal.
Het bijkantoor van een in het buitenland gevestigde kredietinstelling is gehouden aan te tonen dat het over in Frankrijk bestede fondsen beschikt die ten minste gelijk zijn aan het minimumkapitaal dat van kredietinstellingen naar Frans recht wordt verlangd.
Artikel 17
Het beleid van de kredietinstelling wordt in feite bepaald door ten minste twee personen.
De in het buitenland gevestigde kredietinstelling wijst ten minste twee personen aan die in feite bepalen, welke werkzaamheden haar bijkantoor in Frankrijk verricht."
De prejudiciële vraag
5 Bij arrest van 15 juni 1993 heeft de Cour d'appel de Chambéry de vordering van Parodi afgewezen. Deze heeft zich daarop in cassatie voorzien bij de Cour de cassation.
6 Bij arrest van 13 juni 1995 heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Dienen de artikelen 59 en 61, lid 2, EEG-Verdrag - voor het tijdvak voorafgaand aan de inwerkingtreding van richtlijn 89/646/EEG van de Raad van 15 december 1989 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, alsmede tot wijziging van richtlijn 77/780/EEG(1) [hierna: $Tweede richtlijn bankcoördinatie'] - aldus te worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling waarin voor het verrichten van bankdiensten een vergunning wordt vereist, in het bijzonder voor het verstrekken van een hypothecaire lening, wanneer de in een andere Lid-Staat gevestigde bank aldaar over een vergunning beschikt?"
De relevante gemeenschapsbepalingen
7 De volgende bepalingen van het EEG-Verdrag, in de versie van 1984, zijn in casu van belang:
"Hoofdstuk 3
De diensten
Artikel 59
In het kader van de volgende bepalingen worden de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap (...) opgeheven ten aanzien van de onderdanen der Lid-Staten die in een ander land van de Gemeenschap zijn gevestigd dan dat, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.
(...)
Artikel 61
(...)
2. De liberalisatie van de door banken en verzekeringsmaatschappijen verrichte diensten waarmede kapitaalverplaatsingen gepaard gaan, moet worden verwezenlijkt in overeenstemming met de geleidelijke liberalisatie van het kapitaalverkeer.
Hoofdstuk 4
Het kapitaal
Artikel 67
1. Gedurende de overgangsperiode en in de mate waarin zulks voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt nodig is, heffen de Lid-Staten in hun onderling verkeer geleidelijk de beperkingen op met betrekking tot het verkeer van kapitaal toebehorende aan personen die woonachtig of gevestigd zijn in de Lid-Staten alsmede discriminerende behandeling op grond van nationaliteit of van de vestigingsplaats van partijen of op grond van het gebied waar het kapitaal wordt belegd.
(...)
Artikel 69
De Raad stelt (...) op voorstel van de Commissie (...) de richtlijnen vast welke nodig zijn voor de geleidelijke uitvoering van de bepalingen van artikel 67."
8 Ten tijde van het voor onderhavige zaak revelante tijdstip was de Eerste richtlijn van de Raad van 11 mei 1960 voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag(2), zoals gewijzigd bij de Tweede richtlijn van de Raad van 18 december 1962(3) (hierna: "Eerste kapitaalrichtlijn"), onder andere vastgesteld op grond van de artikelen 67 en 69 van het Verdrag.(4) Voor zover hier van belang, bevatte die richtlijn de volgende bepalingen:
"Artikel 3
1. Behoudens de bepalingen van lid 2 van dit artikel, verlenen de Lid-Staten alle deviezenvergunningen, vereist voor het aangaan van overeenkomsten of het verrichten van handelingen en voor de overmakingen tussen ingezetenen van de Lid-Staten, die op de in lijst C van bijlage I van deze richtlijn genoemde categorieën van kapitaalverkeer betrekking hebben.
2. Indien de liberalisatie van deze categorieën van kapitaalverkeer de verwezenlijking van de doeleinden van de economische politiek van een Lid-Staat belemmert, kan deze de bij de inwerkingtreding van deze richtlijn bestaande deviezenbeperkingen ter zake van de betrokken categorieën van kapitaalverkeer handhaven of opnieuw instellen. De betrokken Lid-Staat raadpleegt hieromtrent de Commissie.
(...)"
Lijst C van bijlage I somt de in lid 3 bedoelde categorieën van kapitaalverkeer op en vermeldt daarbij onder andere "leningen en kredieten op middellange en lange termijn niet betrekking hebbende op handelstransacties".
Uit de toelichting op deze categorie in bijlage II van de richtlijn blijkt, dat de categorie onder meer omvat leningen en kredieten van niet-ingezetenen aan ingezetenen, met name door financiële instellingen verstrekte leningen en kredieten op middellange termijn (van één tot vijf jaar) en lange termijn (vijf jaar en langer).
De procedure voor het Hof
9 Volgens Bary et Cie discrimineert de Franse wetgeving de in een andere Lid-Staat dan Frankrijk gevestigde kredietinstellingen ten opzichte van de in Frankrijk gevestigde kredietinstellingen. Op de gestelde vraag moet derhalve worden geantwoord, dat de artikelen 59 en 61, lid 2, van het Verdrag aldus moeten worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan een nationale wetgeving gelijk de Franse wetgeving.
10 De Belgische regering merkt op, dat een Lid-Staat ten tijde van de feiten in onderhavige zaak stellig mocht verlangen dat een reeds in de Lid-Staat van oorsprong toegelaten kredietinstelling tevens over een vergunning beschikte in de Lid-Staat waar zij haar diensten verleende, maar dat een dergelijke eis slechts kon worden gesteld, indien dat nodig was ter bescherming van de ontvanger van de dienstverrichting. Het is echter niet in te zien, dat bij een lening aan een vennootschap het vereiste van een vergunning nodig is ter bescherming van de vennootschap. De Franse Republiek heeft evenwel gebruik kunnen maken van de bepalingen in artikel 3, lid 2, en in lijst C van bijlage I van de Eerste kapitaalrichtlijn, volgens welke de Lid-Staten beperkingen voor bepaalde kapitaalbewegingen, met name hypothecaire leningen, mogen handhaven.
11 De Franse regering betoogt, dat de regels betreffende het vrije verkeer van diensten aldus moeten worden verstaan, dat die ten tijde van de feiten in het hoofdgeding niet in de weg stonden aan een nationale wetgeving zoals de Franse, aangezien de lener eveneens diende te worden beschermd in het geval van een hypothecaire lening, nu die bescherming in de betrokken periode niet kon worden geacht te zijn gewaarborgd in de staat van oorsprong. Ter terechtzitting heeft de Franse regering voorts verklaard, dat voor de toekenning van een vergunning aan een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling om kredietwerkzaamheden in Frankrijk uit te oefenen, niet als voorwaarde gold, dat zij een bijkantoor in Frankrijk had. De regering had in de betrokken periode gebruik gemaakt van het recht, neergelegd in artikel 3, lid 2, en in bijlage I, lijst C, van de Eerste kapitaalrichtlijn, om beperkingen voor onder andere hypothecaire leningen te handhaven; de regels betreffende het vrije verkeer van diensten konden derhalve niet van toepassing zijn, voor zover dergelijke beperkingen golden: zie artikel 61, lid 2, van het Verdrag.
12 De Commissie en de regering van het Verenigd Koninkrijk zijn van mening, dat de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van diensten niet in de weg staan aan het vereiste van een vergunning in de staat waar de dienst wordt geleverd, mits dat vereiste zonder onderscheid geldt voor nationale dienstverleners en dienstverleners uit andere Lid-Staten, zulks echter voor zover bepaalde belangen het vereiste van een vergunning rechtvaardigen, deze elementen niet reeds in aanmerking zijn genomen in de toepasselijke regels in de staat van oorsprong en het niet mogelijk is ditzelfde resultaat te bereiken met minder stringente maatregelen. Ter terechtzitting heeft de Commissie er voorts nog op gewezen, dat uit haar archiefgegevens blijkt dat de Franse regering in zekere mate gebruik heeft gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid, vervat in artikel 3, lid 2, en in bijlage I, lijst C, van de Eerste kapitaalrichtlijn, volgens welke de Lid-Staten beperkingen voor bepaalde categorieën van kapitaalverkeer, waaronder hypothecaire leningen, mogen handhaven, zodat het kapitaalverkeer in het kader van dit soort leningen in Frankrijk niet volledig was geliberaliseerd.
Standpuntbepaling
13 Het verstrekken van een hypothecaire lening door een bank aan een in een andere Lid-Staat gevestigde lener kan worden beschouwd als een dienst waarmee een kapitaalverplaatsing gepaard gaat. Volgens artikel 61, lid 2, van het Verdrag moet de liberalisatie van de door banken verrichte diensten waarmede kapitaalverplaatsingen gepaard gaan, worden verwezenlijkt in overeenstemming met de geleidelijke liberalisatie van het kapitaalverkeer. De opheffing van de beperkingen van kapitaalbewegingen volgt niet rechtstreeks uit artikel 67 van het Verdrag, doch uit de richtlijnen van de Raad op grond van artikel 69.(5)
14 De verdragsbepalingen op het gebied van de diensten zijn dus slechts van toepassing op bankdiensten waarmee een kapitaalverplaatsing gepaard gaat, voor zover kapitaalbewegingen als die in casu zijn geliberaliseerd: zie arrest van het Hof van 14 november 1995 (Svensson en Gustavsson(6), r.o. 11; hierna: "zaak Svensson"). Deze zaak betrof de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van een nationale wetgeving waarbij een rentesubsidie van overheidswege ter verlichting van de rentelast voor een lening, aangegaan voor de aankoop van een woning, enkel werd verleend, indien de lening was aangegaan bij een in de betrokken Lid-Staat erkende kredietinstelling. Het Hof heeft allereerst nagegaan, of kapitaalbewegingen van dien aard - hypothecaire leningen - waren geliberaliseerd. Toen dit voor de betrokken periode het geval bleek, heeft het Hof zowel de bepalingen inzake diensten (artikel 59) als die inzake kapitaal (artikel 67) van toepassing verklaard op de betrokken rentesubsidieregeling.
15 Ten tijde van de feiten in de onderhavige zaak bestond de gemeenschapswetgeving inzake de liberalisatie van kapitaalbewegingen nog uitsluitend uit de Eerste kapitaalrichtlijn. Krachtens artikel 3, lid 1, van de richtlijn werden de categorieën van kapitaalverkeer, genoemd in lijst C van bijlage I van de richtlijn geliberaliseerd, in die zin dat de Lid-Staten werden verplicht de nodige deviezenvergunningen te verlenen. De categorie "verstrekking en aflossing van leningen en kredieten op middellange en lange termijn niet betrekking hebbende op handelstransacties" wordt vermeld in lijst C van bijlage I en valt derhalve onder artikel 3. Luidens bijlage II, VIII A, omvat deze categorie onder andere de verstrekking van leningen en kredieten op middellange en lange termijn (dat wil zeggen meer dan een jaar) door financiële instellingen. Derhalve moet worden aangenomen, dat de verstrekking door banken van leningen op middellange en lange termijn, waaronder een hypothecaire lening, onder de liberalisatie van deze kapitaalbewegingen krachtens artikel 3, lid 1, van de richtlijn valt. Artikel 59 van het Verdrag betreffende het vrije verkeer van diensten is derhalve, overeenkomstig artikel 61, lid 2, van het Verdrag, van toepassing op dergelijke leningen.
16 De verwijzende rechterlijke instantie vraagt het Hof uitsluitend om uitlegging van de artikelen 59 en 61, lid 2, zodat het niet nodig lijkt uitspraak te doen over de vraag, of de feiten in het geding tevens moeten worden beoordeeld aan de hand van artikel 67 van het Verdrag, betreffende het kapitaalverkeer. In de reeds genoemde zaak Svensson heeft het Hof verwezen naar zowel artikel 59 als artikel 67 - dat toen in de prejudiciële vraag uitdrukkelijk was vermeld - en heeft het beide artikelen in dezelfde zin uitgelegd. Eenzelfde parallelle vermelding lijkt mij in ons geval alleszins passend, aangezien in artikel 61, lid 2, wordt bepaald dat de liberalisatie van deze diensten moet worden verwezenlijkt in overeenstemming met de geleidelijke liberalisatie van het kapitaalverkeer. Ook al verwijst de rechterlijke instantie a quo uitsluitend naar de bepalingen inzake diensten, toch acht ik het logischer, dat het Hof in zijn arrest tevens verwijst naar de bepalingen inzake het kapitaalverkeer.
17 Ten tijde van de feiten in de onderhavige zaak waren de wetgevingen van de Lid-Staten inzake diensten nog niet zover onderling aangepast, dat de feitelijke situatie moest worden beoordeeld aan de hand van geharmoniseerde bepalingen; toen golden nog de algemene verdragsbepalingen van de artikelen 59 en 67 inzake het vrije verkeer van diensten waarmee kapitaalverplaatsingen gepaard gaan. Een dergelijke harmonisatie is pas veel later na de feiten in de onderhavige zaak bij de inwerkingtreding van de Tweede coördinatierichtlijn op dit gebied tot stand gebracht.
18 Wat de beperkingen op het vrij verrichten van diensten betreft, heeft het Hof in een arrest van 25 juli 1991(7) het volgende verklaard omtrent de juiste inhoud van het in artikel 59 genoemde verbod:
"(...) dat artikel 59 EEG-Verdrag niet alleen de afschaffing van iedere discriminatie van de dienstverrichter op grond van diens nationaliteit verlangt, maar tevens de opheffing van iedere beperking - ook indien deze zonder onderscheid geldt voor binnenlandse dienstverrichters en dienstverrichters uit andere Lid-Staten - die de werkzaamheden van de dienstverrichter die in een andere Lid-Staat is gevestigd en aldaar rechtmatig gelijksoortige diensten verricht, verbiedt of anderszins belemmert".
19 De eis van een vergunning voor de uitoefening van kredietwerkzaamheden, zoals vervat in de Franse wet, kan naar mijn mening de kredietverlening aan leners in Frankrijk door rechtmatig in andere Lid-Staten gevestigde kredietinstellingen belemmeren of bemoeilijken. Een nationale bepaling zoals de Franse moet mijns inziens dan ook worden gezien als een beperking van het vrije verkeer van diensten waarmee kapitaalverplaatsingen gepaard gaan.(8)
20 Dit wil echter nog niet zeggen, dat een dergelijke regeling zoals de Franse onverenigbaar is met het Verdrag. Uit de vaste rechtspraak van het Hof volgt immers dat(9):
"gelet op de bijzondere aard van sommige diensten, bepaalde specifieke eisen, aan de dienstverrichter gesteld teneinde voor dat type werkzaamheden geldende regels te kunnen toepassen, niet als onverenigbaar met het Verdrag kunnen worden beschouwd. Als grondbeginsel van het Verdrag kan het vrij verrichten van diensten echter slechts worden beperkt door regelingen die hun rechtvaardiging vinden in het algemeen belang en die gelden voor iedere persoon of onderneming die op het grondgebied van bedoelde staat werkzaam is, voor zover dit belang niet wordt gewaarborgd door de regels waaraan de dienstverrichter is onderworpen in de Lid-Staat waar hij is gevestigd.
(...)
Deze maatregel [namelijk de eis van een vergunning] zou echter het beoogde doel voorbijschieten wanneer de voorwaarden die voor de afgifte van een vergunning worden gesteld, een onnodige herhaling opleveren vergeleken met de bewijsstukken en waarborgen die in de staat van vestiging reeds zijn geëist. De eerbiediging van het beginsel van het vrij verrichten van diensten verlangt enerzijds, dat de Lid-Staat waar de dienst wordt verricht, bij het onderzoek van de aanvrage en bij de afgifte van de vergunning geen enkel onderscheid maakt op grond van de nationaliteit of de plaats van vestiging van de dienstverrichter, en anderzijds, dat hij rekening houdt met de bewijsstukken en waarborgen die de dienstverrichter voor de uitoefening van zijn werkzaamheden in de Lid-Staat van vestiging reeds heeft verschaft."(10)
21 Het Hof heeft dit beginsel uitgewerkt in een reeks arresten (de zogenaamde "co-assurantiezaken")(11), waarin het oordeelde, dat:
"gelet op de bijzondere aard van sommige diensten, bepaalde specifieke eisen, aan de dienstverrichter gesteld teneinde voor dat type werkzaamheden geldende regels te kunnen toepassen, niet als onverenigbaar met het Verdrag kunnen worden beschouwd. Als grondbeginsel van het Verdrag kan het vrij verrichten van diensten echter slechts worden beperkt door regelingen die hun rechtvaardiging vinden in het algemeen belang en die gelden voor iedere persoon of onderneming die op het grondgebied van de betrokken staat werkzaam is, voor zover dit belang niet wordt gewaarborgd door de regels waaraan de dienstverrichter is onderworpen in de Lid-Staat waar hij is gevestigd. Bovendien moeten die eisen objectief noodzakelijk zijn om de naleving van de beroepsregels te waarborgen en de hiermee beoogde belangenbescherming te verzekeren."
22 Het belang van de consumentenbescherming, dat door de Franse regering werd aangevoerd en stellig van gewicht moet worden geacht, kan volgens vaste rechtspraak van het Hof bepaalde beperkingen op het vrij verrichten van diensten rechtvaardigen.(12) Zeker kunnen consumenten in het algemeen worden aangemerkt als natuurlijke personen die handelen voor een doel buiten hun bedrijf of beroep.(13) Het recht van Lid-Staten om het vrije verkeer van diensten waarmee kapitaalverplaatsingen gepaard gaan, te beperken ter bescherming van de zwakste contractpartij kan evenwel niet enkel gelden voor de onder deze enge definitie vallende personen, maar moet tevens kunnen dienen voor de bescherming van andere personen die, zoals leners, kunnen worden blootgesteld aan onredelijke contractvoorwaarden.
23 Parodi is geen natuurlijke persoon maar een vennootschap in onroerend goed, waarvan de precieze situatie niet duidelijk uit het procesdossier blijkt. De Franse regering heeft ter terechtzitting verklaard, dat er in Frankrijk vele vormen van vennootschappen in onroerend goed bestaan; zo kan bijvoorbeeld een familie een dergelijke vennootschap oprichten voor de bouw van een woning ten behoeve van de familieleden. De personen die een dergelijke familieonderneming leiden, onderscheiden zich in mijn ogen niet noodzakelijkerwijs van gewone consumenten en men kan van deze personen niet steeds een zodanige kennis van zaken verwachten, dat zij een volledig inzicht hebben in de kredietvoorwaarden.
24 Het is het Hof evenmin geheel duidelijk geworden, wat het eigenlijke doel van de door de Franse wetgeving vereiste vergunning is, en met name welke praktijk de betrokken autoriteiten volgen ten aanzien van banken die in een andere Lid-Staat zijn gevestigd. Opgemerkt zij evenwel, dat de Franse bepalingen inzake de vergunning voor de uitoefening van bankactiviteiten geen regels lijken te bevatten die specifiek zijn gericht op de bescherming van consumenten en leners, maar veeleer verschillende aspecten van een preventieve controle lijken te regelen teneinde de solvabiliteit van de banken jegens spaarders te waarborgen. Men moet aannemen, dat deze preventieve aspecten eveneens in aanmerking zijn genomen door de bevoegde Nederlandse autoriteiten bij de afgifte van een vergunning aan Bary et Cie voor de uitoefening van bankactiviteiten in dat land.
25 Ook al kunnen enkele verspreide gegevens waarover wij beschikken, voedsel geven aan de gedachte, dat het vergunningsvereiste van de Franse autoriteiten indruist tegen de artikelen 59 en 67 van het Verdrag, toch moet het naar mijn mening aan de nationale rechter worden overgelaten na te gaan, of sprake was van een zo dwingend belang in de zin van een aan Parodi verschuldigde bescherming, dat de Franse regering naar gemeenschapsrecht mocht verlangen, dat Bary et Cie een vergunning voor het uitoefenen van bankactiviteiten in Frankrijk had om een hypothecaire lening aan Parodi te verstrekken, en meer in het bijzonder in hoeverre aan het toezicht volgens de Franse wetgeving reeds was voldaan door het toezicht volgens de Nederlandse wetgeving. Ik meen dan ook, dat op de gestelde vraag ware te antwoorden in de zin voorgesteld door de Commissie en de regering van het Verenigd Koninkrijk.
26 De Franse regering heeft ter terechtzitting verklaard, dat de Franse Republiek op het relevante tijdstip gebruik had gemaakt van de in artikel 3, lid 2, van de Eerste kapitaalrichtlijn geboden afwijkingsmogelijkheid en deviezenbeperkingen had gehandhaafd voor leningen in vreemde valuta met een tegenwaarde van meer dan 50 miljoen FF. De Commissie heeft bevestigd, dat ook uit haar archieven blijkt, dat de Franse regering gebruik had gemaakt van de mogelijkheid deviezenbeperkingen te handhaven.
Voor zover de Franse Republiek rechtmatig bepaalde beperkingen in het kapitaalverkeer heeft gehandhaafd, volgt uit de bovengegeven uitlegging van artikel 61, lid 2, van het Verdrag, dat het Franse vergunningsvereiste geen schending oplevert van de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van bankdiensten waarmee kapitaalverplaatsingen gepaard gaan: zie te dezen het arrest van 21 september 1988, Van Eycke.(14)
Uitgaande van de inlichtingen van de Franse regering over de plafonds voor deviezenbeperkingen, is dit echter niet van belang voor de oplossing van het hoofdgeding, aangezien het bedrag van de lening in casu ver daaronder bleef. Ik meen echter, dat het Hof het aan de nationale rechter moet overlaten, na te gaan in hoeverre de Franse Republiek de deviezenbeperkingen rechtmatig heeft gehandhaafd overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de Eerste kapitaalrichtlijn. Het Hof heeft de desbetreffende bepalingen en documenten, die niet aan het Hof zijn overgelegd, niet kunnen onderzoeken; in feite gaat het hier om een kwestie van interpretatie van het nationale recht en om de concrete toepassing van een rechtsregel.
Conclusie
27 Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging de gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
"Artikel 61, lid 2, EEG-Verdrag, gelezen in samenhang met het bepaalde in artikel 3, lid 1, en in bijlage I, lijst C, van de Eerste richtlijn van de Raad van 11 mei 1960 voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag, gewijzigd bij de Tweede richtlijn van de Raad van 18 december 1962, moet aldus worden uitgelegd, dat vóór de inwerkingtreding van richtlijn 89/646/EEG van de Raad van 15 december 1989 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, alsmede tot wijziging van richtlijn 77/780/EEG, de artikelen 59 en 67 van het Verdrag betreffende het vrij verrichten van diensten waarmee kapitaalverplaatsingen gepaard gaan, van toepassing zijn op de verstrekking door financiële instellingen van leningen en kredieten op middellange en lange termijn, voor zover de betrokken Lid-Staat niet op grond van artikel 3, lid 2, van eerstgenoemde richtlijn deviezenbeperkingen voor dergelijke leningen en kredieten had vastgesteld.
De artikelen 59 en 67 EEG-Verdrag moeten aldus worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan een nationale wetgeving van een Lid-Staat, waarbij een bank die is gevestigd in een andere Lid-Staat, waar zij beschikt over een vergunning voor de uitoefening van bankactiviteiten, slechts wordt toegestaan leningen en kredieten op middellange en lange termijn te verstrekken aan op zijn grondgebied gevestigde of woonachtige leners, indien zij tevoren een vergunning heeft verkregen om als kredietinstelling op dat grondgebied werkzaam te zijn, tenzij deze vergunning
- is voorgeschreven voor elke persoon of vennootschap die dergelijke werkzaamheden uitoefent op het grondgebied van de Lid-Staat van ontvangst;
- wordt gerechtvaardigd uit hoofde van redenen van algemeen belang, waarmee geen rekening is gehouden in de bepalingen waaraan de dienstverrichter is onderworpen in de Lid-Staat van vestiging; en
- objectief noodzakelijk is om de naleving van de in de betrokken sector toepasselijke voorschriften te verzekeren en om de belangen te beschermen, die deze voorschriften dienen te waarborgen, met dien verstande dat hetzelfde resultaat niet door minder beperkende voorschriften kan worden bereikt."
(1) - PB 1977, L 386, blz. 1.
(2) - PB 1960, blz. 921.
(3) - PB 1963, blz. 62.
(4) - Overigens golden toen eveneens richtlijn 73/183/EEG van de Raad van 28 juni 1973 betreffende de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van banken en andere financiële instellingen (PB 1973, L 194, blz. 1), en de Eerste richtlijn (77/780/EEG) van de Raad van 12 december 1977 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PB 1977, L 322, blz. 30). Eerstgenoemde richtlijn bracht geen harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten voor de toegang tot het verlenen van hypothecaire leningen, en de tweede richtlijn betrof uitsluitend het punt van vestiging.
(5) - Zie arrest van 11 november 1981 (zaak 203/80, Casati, Jurispr. 1981, blz. 2595, r.o. 8-13).
(6) - Zaak C-484/93, Jurispr. 1995, blz. I-3955.
(7) - Zaak C-76/90, Säger, Jurispr. 1991, blz. I-4221.
(8) - Zie te dezen arrest van 3 december 1974 (zaak 33/74, Van Binsbergen, Jurispr. 1974, blz. 1299).
(9) - Arrest van 17 december 1981 (zaak 279/80, Webb, Jurispr. 1981, blz. 3305, r.o. 17).
(10) - Zie arrest Webb, reeds aangehaald, r.o. 20.
(11) - Arresten van 4 december 1986 (zaak 205/84, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1986, blz. 3755, r.o. 27; zaak 252/83, Commissie/Denemarken, Jurispr. 1986, blz. 3713; zaak 220/83, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1986, blz. 3663; zaak 206/84, Commissie/Ierland, Jurispr. 1986, blz. 3817).
(12) - Zie met name arrest van 24 maart 1994 (zaak C-275/92, Schindler, Jurispr. I-1039, r.o. 58).
(13) - Zie bijvoorbeeld artikel 1, lid 2, sub a, van de (latere) richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1996 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake het consumentenkrediet (PB 1987, L 42, blz. 48), gewijzigd bij richtlijn 90/88/EEG van de Raad van 22 februari 1990 (PB 1990, L 61, blz. 14). Deze richtlijn belet de Lid-Staten overigens niet de werkingssfeer van de richtlijnbepalingen dusdanig uit te breiden, dat zij ook geldt voor personen die geen consument zijn.
(14) - Zaak 267/86, Jurispr. 1988, blz. 4769.
Full & Egal Universal Law Academy