Conclusie van de advocaat generaal
1 Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing van het Finanzgericht Hamburg kan niet los worden gezien van de politieke context zoals die voortvloeit uit de gebeurtenissen van 1989, die tot de eenwording van Duitsland hebben geleid.
2 Deze ingrijpende veranderingen hebben wijzigingen in de rechtsorde tot gevolg gehad waarvan de draagwijdte soms onzeker is gebleken, met name ten opzichte van handelsverrichtingen die, zoals in casu, aan de gang waren.
3 De onderhavige zaak betreft de uitvoer, vóór de Duitse eenwording, van runderen (hierna: "dieren", "producten" of "goederen") uit de Duitse Democratische Republiek (hierna: "DDR") naar de Bondsrepubliek Duitsland (hierna: "BRD") met het oog op wederuitvoer naar de Sovjet-Unie. In wezen gaat het om de vraag, of de onderneming die aan de oorsprong van die verrichting ligt, aanspraak kan maken op betaling van restituties bij uitvoer, op grond dat de Duitse eenwording zich heeft voltrokken terwijl de dieren zich in de BRD onder douanetoezicht bevonden, waardoor deze een communautaire oorsprong zouden hebben verkregen.
I - De feiten, de nationale procedure en de prejudiciële vraag
4 Op 9 mei 1990 kocht de in Beieren gevestigde vennootschap A. Moksel AG (hierna: "Moksel") ongeveer 20 000 runderen van een Oost-Duitse vennootschap, om ze in de BRD te laten slachten en het vlees nadien weer uit te voeren naar de Sovjet-Unie.
5 Op 15 mei 1990 verkreeg Moksel van de bevoegde autoriteiten van Oberbayern een doorvoervergunning waarin de slacht van de dieren in de BRD werd toegestaan; aan de vergunning was de voorwaarde gekoppeld, dat de dieren onder douanetoezicht moesten worden geplaatst tot het moment van de uitvoer van de slachtproducten en de bijproducten.
6 Tussen 24 mei en 22 juni 1990 zijn ongeveer 3 550 van deze dieren in de BRD ingevoerd. Zoals voorzien zijn zij, en nadien de slachtproducten, onder douanetoezicht geplaatst (opslagregeling).
7 Bij het op 18 mei 1990 door de BRD en de DDR ondertekende Staatsvertrag is een economische en monetaire unie tussen de beide Duitse staten tot stand gebracht. Na de totstandkoming van een "feitelijke landbouwunie" op 1 augustus 1990 is op 3 oktober 1990 het verdrag betreffende de totstandbrenging van de Duitse eenheid (Einigungsvertrag) in werking getreden.(1)
8 Op 10 januari 1991 vervulde Moksel de formaliteiten voor uitvoer van de slachtproducten naar de voormalige Sovjet-Unie en op 15 januari 1991 diende zij bij het Hauptzollamt Hamburg-Jonas een verzoek om restituties bij uitvoer in.
9 Bij besluit van 10 april 1991 weigerde het Hauptzollamt Hamburg-Jonas de gevraagde restituties toe te kennen. Daarop stelde Moksel beroep in bij het Finanzgericht Hamburg, dat het Hof heeft verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag:
"Moet artikel 8, lid 1, van verordening nr. 3665/87 in de versie van 27 november 1987, gerectificeerd op 8 december 1988, juncto artikel 9, tweede alinea, EG-Verdrag, aldus worden uitgelegd, dat deze bepalingen ook zien op producten die in de periode van 24 mei tot 22 juni 1990 vanuit de voormalige Duitse Democratische Republiek in de Bondsrepubliek Duitsland zijn ingevoerd krachtens een ontheffingsvergunning voor de verwerking van doorvoergoederen en die op 10 januari 1991 naar een derde land zijn uitgevoerd?"
10 Het precieze punt dat de Duitse rechter opgehelderd wenst te zien, blijkt uit lectuur van de verwijzingsbeschikking. Zijns inziens kon oorspronkelijk "voor de uit de DDR afkomstige runderen respectievelijk de daaruit verkregen producten (...) in beginsel geen restitutie worden verleend (...)".(2) Zijn vraag betreft dus de eventuele wijziging van de status van de goederen ten gevolge van de wijziging van het recht ingevolge de Duitse eenwording.(3) Dit aspect, dat de werking van de wet in de tijd betreft, moet worden onderzocht.
II - Het wettelijk kader
11 Restituties bij uitvoer zijn noodzakelijk, omdat de prijs van de landbouwproducten in de Lid-Staten in de regel hoger is dan de prijzen op de wereldmarkt. Om economisch competitief te kunnen zijn, worden de communautaire prijzen derhalve aangepast aan de prijzen van derde landen, zulks door middel van restituties bij uitvoer; in casu gaat het om de voorwaarden voor de toekenning van die restituties.
12 Het ter zake toepasselijke recht is neergelegd in een reeks teksten, voornamelijk gemeenschapsverordeningen.
13 Artikel 18, lid 1, van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees(4), bepaalt:
"In de mate nodig om de uitvoer van de in artikel 1 genoemde produkten op basis van de noteringen of de prijzen van deze produkten op de wereldmarkt mogelijk te maken, kan het verschil tussen deze noteringen of prijzen en de prijzen van de Gemeenschap overbrugd worden door een restitutie bij de uitvoer."
14 Artikel 6, lid 1, van verordening (EEG) nr. 885/68 van de Raad van 28 juni 1968 tot vaststelling van de algemene voorschriften betreffende de toekenning van restituties bij de uitvoer in de sector rundvlees en de criteria voor het bepalen van het bedrag ervan(5), luidt als volgt:
"De restitutie wordt uitbetaald wanneer het bewijs wordt geleverd dat de produkten:
- uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd en
- van oorsprong uit de Gemeenschap zijn, behoudens afwijking waartoe op grond van artikel 7 wordt besloten."
15 Artikel 7 van verordening nr. 885/68 preciseert:
"Behoudens afwijking waartoe volgens de procedure van artikel 27 van verordening (EEG) nr. 805/68(6) wordt besloten, wordt geen restitutie toegekend bij de uitvoer van de in artikel 1 van genoemde verordening(7) bedoelde produkten die uit derde landen worden ingevoerd en naar derde landen worden wederuitgevoerd."
16 Artikel 8, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten(8), luidt als volgt:
"Restituties worden slechts verleend voor produkten die zich in een van de in artikel 9, lid 2, van het Verdrag bedoelde omstandigheden bevinden, ook indien de verpakkingen niet aan de betrokken voorwaarden voldoen."
17 Ten slotte bepaalt artikel 9, lid 2, van het Verdrag:
"De bepalingen van hoofdstuk 1, eerste afdeling, en van hoofdstuk 2 van deze titel zijn van toepassing op produkten welke van oorsprong zijn uit de Lid-Staten alsook op de produkten uit derde landen welke zich in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden."(9)
18 Legt men deze laatste twee teksten naast de artikelen 6, lid 1, en 7 van verordening nr. 885/68, dan rijst onzekerheid over de voorwaarden voor toekenning van de restituties bij uitvoer. Volgens de artikelen 6 en 7 van verordening nr. 885/68 worden immers alleen bij uitvoer van goederen van communautaire oorsprong restituties bij uitvoer toegekend; deze artikelen verbieden restituties toe te kennen in geval van uitvoer van uit derde landen ingevoerde producten. Ingevolge artikel 8 van verordening nr. 3665/87 daarentegen mogen ook restituties worden toegekend bij uitvoer van producten uit derde landen die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden.
19 Deze tegenstrijdigheid kan echter worden opgeheven, en wel in het voordeel van verordening nr. 3665/87 van de Commissie, zulks dankzij het gedeelte van artikel 7 van verordening nr. 885/68 dat, waar het naar de procedure van artikel 27 van verordening nr. 805/68 verwijst(10), de Commissie uitdrukkelijk het recht verleent af te wijken van het principiële verbod van restituties voor uit derde landen ingevoerde producten.
20 Met een beroep op de procedure van artikel 27 heeft de Commissie de voorwaarden voor toekenning van restituties bij uitvoer kunnen wijzigen. Immers, ook artikel 18, lid 6, van verordening nr. 805/68 verwijst, wat de uitvoeringsbepalingen van artikel 18 - op basis waarvan verordening nr. 3665/87(11) juist is vastgesteld - in hun geheel betreft, naar de procedure van artikel 27.
21 Verordening nr. 3665/87, waarvan artikel 8, lid 1, eerste alinea, mijns inziens voorrang heeft op de artikelen 6 en 7 van verordening nr. 885/68, is door de Commissie vastgesteld op basis van "verordening (EEG) nr. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen, laatstelijk gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1900/87, en met name op artikel 16, lid 6, en artikel 24, alsmede op de overeenkomstige bepalingen van de overige verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der markten voor landbouwprodukten".(12) De daar bedoelde "overeenkomstige bepalingen" nu zijn die van artikel 18, lid 6, van verordening nr. 805/68.
22 Voorts zij opgemerkt, dat de laatste overweging van de considerans van verordening nr. 3665/87, waar wordt gezegd dat "de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn (...) met de adviezen van alle betrokken comités van beheer", naar het advies van het in voormeld artikel 27 voorziene comité van beheer rundvlees verwijst, wat zowel de mogelijkheid van een beroep op die procedure als de regelmatigheid van laatstbedoelde bevestigt.
23 Bijgevolg heeft verordening nr. 3665/87 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten mijns inziens door de invoering van de afwijkende regel van artikel 8, lid 1, eerste alinea, krachtens welke voor uit derde landen ingevoerde producten restituties bij uitvoer kunnen worden toegekend, de voorwaarden voor toekenning van restituties op regelmatige wijze gewijzigd.
24 De relevante regeling lijkt mij dus die van die tekst te zijn, waaruit volgt dat, wil Moksel in aanmerking kunnen komen voor restituties bij uitvoer, moet zijn aangetoond, ofwel dat de betrokken dieren ten gevolge van de opneming van de DDR in het grondgebied van de Gemeenschap als van oorsprong uit de Gemeenschap kunnen worden aangemerkt, ofschoon de handelstransactie vóór de eenwording van Duitsland was aangevat, ofwel dat zij als goederen van oorsprong uit de DDR, destijds een derde land, aan de in het Verdrag gestelde voorwaarden voldoen om als in het vrije verkeer gebracht te kunnen worden aangemerkt.
III - De oorsprong van de goederen
25 Vóór de juridische kwalificatie van de naar de Sovjet-Unie uitgevoerde dieren dient hun geografische oorsprong te worden bepaald.
A - De geografische oorsprong van de dieren
26 Artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip "oorsprong van goederen"(13), bepaalt:
"Goederen die geheel en al in een land zijn verkregen zijn van oorsprong uit dat land."
27 In lid 2, sub d, wordt gepreciseerd:
"Onder goederen die geheel en al in een land zijn verkregen worden verstaan (...) produkten afkomstig van levende dieren die aldaar worden gehouden."
28 Niet wordt betwist, dat de dieren waarvan nadien het vlees en de slachtafvallen naar de Sovjet-Unie zijn uitgevoerd, op het grondgebied van de RDA zijn gehouden.
29 Verordeningen nr. 802/68 en (EEG) nr. 3620/90(14) bepalen, welke invloed de plaats van het slachten van de dieren heeft op de bepaling van hun oorsprong.
30 Artikel 5 van verordening nr. 802/68 bepaalt:
"Goederen bij de vervaardiging waarvan twee of meer landen betrokken zijn geweest, zijn van oorsprong uit het land waar de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden in een daartoe ingericht bedrijf en welke verwerking of bewerking hetzij heeft geleid tot de fabricage van een nieuw produkt, hetzij een belangrijke fabricagefase uitmaakt."
31 Ingevolge artikel 1 van verordening nr. 3620/90 verleent het slachten van huisdieren "aan eetbaar vlees en slachtafvallen, vers, gekoeld of bevroren, die aldus worden verkregen, slechts dan de oorsprong van het land waar het slachten is geschied, wanneer de desbetreffende dieren gedurende een periode van ten minste drie maanden in het geval van (...) rundvee (...) in dat land zijn vetgemest". Uit de stukken blijkt niet, en dat wordt evenmin door partijen betoogd, dat de dieren langer dan drie maanden in de Bondsrepubliek Duitsland zijn vetgemest, alvorens te worden geslacht.
32 Uit het voorgaande concludeer ik, zoals de verwijzende rechter ook heeft gedaan, dat de betrokken dieren van oorsprong uit de DDR zijn.
33 Dan rijst de vraag, welke de gevolgen zijn van het opgaan van de DDR in het grondgebied van de Gemeenschap.
B - De gevolgen van het Einigungsvertrag voor de oorsprong van de dieren
34 De verwijzende rechter herinnert eraan, dat de DDR vóór het Einigungsvertrag niet tot de Gemeenschap behoorde, naar blijkt uit artikel 227 EEG-Verdrag. Naar aanleiding van de economische relaties tussen de DDR en de Gemeenschap heeft het Hof zelf met betrekking tot artikel 1 van het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland(15) geoordeeld, "dat deze regeling de Bondsrepubliek Duitsland slechts beoogt te ontheffen van toepassing van de communautaire rechtsregels op de binnenlandse handel van Duitsland [en] dat deze ontheffing niet tot gevolg heeft dat de Duitse Democratische Republiek deel uitmaakt van de Gemeenschap, maar dat voor haar als niet tot de Gemeenschap behorend gebied een bijzondere regeling geldt".(16)
35 Moksel nu is van mening, dat de verwijzing naar het arrest Fleischkontor niet relevant is, omdat het in die zaak om goederen uit de DDR ging die, op het ogenblik waarop zij werden uitgevoerd en een aanvraag om restituties bij uitvoer werd ingediend, van oorsprong uit dat land waren, terwijl in casu de DDR in de overeenkomstige fasen had opgehouden te bestaan.
36 Volgens Moksel "heeft uiterlijk op 3 oktober 1990, dus bij de eenwording van de voormalige DDR en de Bondsrepubliek Duitsland, een automatische wijziging van de oorsprong van alle goederen uit de DDR plaatsgehad" en "hebben de goederen die zich op het grondgebied van de voormalige DDR bevonden automatisch de oorsprong verkregen die hun wordt verleend door de rechtsorde van het gebied waarmee de DDR is verenigd en door de - primerende - communautaire rechtsorde".(17) Moksel wijst erop, dat de wijziging van de juridische status van het grondgebied van de voormalige DDR na de inwerkingtreding van het Einigungsvertrag, zoals vastgesteld in verordening (EEG) nr. 2684/90 van de Raad van 17 september 1990(18) "op douanegebied, en met name wat de bepalingen betreffende het douanegebied en de oorsprong van de goederen betreft, geen onderscheid maakt".(19)
37 Het Einigungsvertrag dateert van na de periode waarin de dieren naar het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland zijn gebracht, zodat mijns inziens alleen een wettelijke bepaling met terugwerkende kracht een communautaire oorsprong kan verlenen aan goederen die vóór de eenwording uit het grondgebied van de voormalige DDR kwamen.
38 Bijgevolg moeten de rechtsnormen worden onderzocht waarbij het grondgebied van de DDR een integrerend bestanddeel van het communautair grondgebied is geworden, teneinde de werking ervan in de tijd af te bakenen.
39 De DDR is in het douanegebied van de Gemeenschap opgenomen bij voormeld verdrag van 31 augustus 1990, waarvan artikel 10, leden 1 en 2, luidt als volgt:
"1) Vanaf de totstandbrenging van de eenwording gelden de Verdragen van de Europese Gemeenschappen, alsmede de wijzigingen en de aanvullingen daarvan en de internationale overeenkomsten, verdragen en besluiten die in verband met die Verdragen in werking zijn getreden, op het grondgebied [van de Länder van de DDR].
2) Vanaf de totstandbrenging van de eenwording gelden de op basis van de Verdragen van de Europese Gemeenschappen vastgestelde wetten op het grondgebied [van de Länder van de DDR], voor zover de bevoegde organen van de Europese Gemeenschappen niet in uitzonderingsregelingen voorzien. Die uitzonderingsregelingen moeten rekening houden met de administratieve vereisten en ter voorkoming van economische moeilijkheden dienen."(20)
40 Volgens zijn bewoordingen maakt het Einigungsvertrag dus de gehele communautaire regelgeving van toepassing op het grondgebied van de Länder van de DDR, en dit vanaf de eenwording. Aangezien het Einigungsvertrag geen bepaling bevat krachtens welke het gevolgen heeft voor rechtssituaties van vóór de inwerkingtreding ervan, moet mijns inziens worden aangenomen, dat het alleen voor de toekomst geldt en dus geen terugwerkende kracht heeft die de oorsprong van de dieren en hun juridische status kan beïnvloeden.
41 Het middel van Moksel, waarin ervan wordt uitgegaan dat de oorsprong van de goederen die op het moment van de eenwording op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland aanwezig waren met terugwerkende kracht is gewijzigd, berust dus op geen enkele uitdrukkelijke bepaling van gemeenschapsrecht. Het Hof heeft echter reeds geoordeeld, dat de terugwerkende kracht, wil zij effectief kunnen zijn, uitdrukkelijk moet zijn voorzien: het overwoog namelijk, dat "het rechtszekerheidsbeginsel zich ertegen verzet, dat een verordening met terugwerkende kracht wordt toegepast, ongeacht of de gevolgen hiervan voor de betrokkene gunstig of ongunstig zijn, tenzij een voldoende duidelijke aanwijzing in de tekst of de doelstellingen van de verordening de conclusie toelaat dat zij niet enkel voor de toekomst is vastgesteld".(21)
42 Ook ben ik het eens met de conclusie van advocaat-generaal Fennelly in de zaak Allain, dat "terwijl de rechtspraak over het verbod van de terugwerkende kracht van het gemeenschapsrecht in het algemeen doelt op door de instellingen vastgestelde maatregelen, (...) het rechtszekerheidsbeginsel (...) eveneens ertegen [zou] pleiten, dat een dergelijke werking wordt toegekend aan de herinterpretatie van het [EGKS-]Verdrag, die beoogt rekening te houden met de Duitse eenwording".(22)
43 Bijgevolg blijft de oorsprong van de dieren, zelfs bepaald op de datum van uitvoer of op die van de aanvraag van de restituties bij uitvoer, dus na de eenwording, ongewijzigd, daar een andersluidende bepaling ontbreekt.
44 De Commissie heeft in haar nota van 24 oktober 1990 aan de delegaties van het Comité van beheer "Regeling van het handelsverkeer"(23) weliswaar een ander standpunt ingenomen, doch dit document verandert mijns inziens niets aan de status van de goederen. Enerzijds heeft deze nota een pedagogisch karakter, wat hieruit blijkt, dat zij spreekt van "de samenvatting van de rechtssituatie", wat haar elke normatieve waarde ontneemt; anderzijds is het optreden van de Commissie, zelfs aangenomen dat het rechtsgevolgen beoogt, niet gerechtvaardigd, omdat er geen rechtsgrondslag voor haar bevoegdheid voorhanden is.(24) Deze nota kan dus onmogelijk een afwijking van voormelde bepalingen van het Verdrag en van de gemeenschapsverordeningen inhouden, welke ingevolge voormeld verdrag van 31 augustus 1990 op het grondgebied van de voormalige DDR van toepassing zijn.
45 Voorts kan geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel worden aangevoerd, daar de nota waarin het recht op restituties bij uitvoer wordt erkend, op 24 oktober 1990 is opgesteld, terwijl Moksel uiterlijk op 15 mei 1990 had besloten de dieren na het slachten in de BRD naar de Sovjet-Unie te exporteren.(25) De verwachting - op grond van de in die nota beschreven rechten - dat restituties zouden worden toegekend, is dus geen stimulans voor de betrokken handelsverrichting geweest.
46 Bijgevolg staat de oorsprong van de dieren onomstootbaar vast en mijns inziens bestaat er geen enkele uitdrukkelijke regel waarbij hij met terugwerkende kracht zou zijn gewijzigd, noch een algemeen beginsel dat een dergelijke retroactieve wijziging toelaat. Aangezien de betrokken goederen hun oorsprong niet aan het communautaire grondgebied ontlenen, moeten zij, willen zij recht verlenen op de door Moksel gevraagde restituties bij uitvoer, voldoen aan de voorwaarden om in het vrije verkeer te kunnen worden gebracht.
IV - De status van in het vrije verkeer gebrachte goederen
47 Wanneer een product uit een derde land in het vrije verkeer is gebracht, valt het onder het beginsel van het vrije verkeer van goederen binnen het communautaire douanegebied, als was het uit een Lid-Staat herkomstig.
48 De voorwaarden voor deze status zijn bepaald in artikel 10, lid 1, van het Verdrag, dat luidt als volgt:
"Als zich bevindend in het vrije verkeer in een Lid-Staat worden beschouwd: de produkten uit derde landen waarvoor in genoemde staat de invoerformaliteiten zijn verricht en de verschuldigde douanerechten en heffingen van gelijke werking zijn voldaan en waarvoor geen gehele of gedeeltelijke teruggave van die rechten en heffingen is verleend."
49 Volgens Moksel hebben de goederen die zich vóór 3 oktober 1990 in de BRD bevonden de status van goederen die zich in het vrije verkeer bevinden. Haars inziens gold voor de betrekkingen tussen de beide Duitse staten een bijzondere regeling, voortvloeiend uit voormeld Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland, krachtens welke het goederenverkeer tussen die twee landen aan geen enkele douaneformaliteit was onderworpen. Moksel is van oordeel, dat de wijziging van oorsprong ten gevolge van de eenwording tegelijkertijd heeft meegebracht, dat zowel de goederen die zich op het grondgebied van de DDR bevonden als die welke - voorheen van oorsprong uit de DDR - in de Bondsrepubliek Duitsland waren opgeslagen, de status van goederen in het vrije verkeer hebben verkregen. Moksel stelt, dat "de wijziging van status die de eenwording noodzakelijkerwijs heeft meegebracht, slechts had kunnen worden voorkomen door de vaststelling van een bijzondere bepaling van gemeenschapsrecht, inhoudende dat de goederen van oorsprong uit de voormalige DDR die op een bepaalde datum in de BRD waren opgeslagen, de status van goederen van oorsprong uit de DDR behielden". Verzoekster in het hoofdgeding stelt vast, dat "een dergelijke bepaling niet is vastgesteld en dat zij overigens discriminatie zou opleveren". Zij stelt dan ook, dat zij recht heeft op restituties bij uitvoer.(26)
50 Wij hebben gezien dat bij de inwerkingtreding van het Einigungsvertrag op 3 oktober 1990 de oorsprong van de goederen niet is gewijzigd, en dat dit alleen had gekund door middel van een uitdrukkelijke wettelijke bepaling, die tot de dag van vandaag ontbreekt.(27)
51 De beoordeling van de status van goederen die zich in het vrije verkeer bevinden, hangt af van de gevolgen die men denkt te moeten hechten aan de specifieke bestanddelen van de betrokken verrichting. Deze heeft immers ten dele in het kader van de binnenlandse handel van Duitsland plaatsgevonden. Overigens vertonen de dieren, wat de douanesituatie betreft, een bijzonder kenmerk: zij zijn in de BRD op grond van een doorvoervergunning binnengebracht en zijn aldaar onder douanetoezicht geplaatst om te worden geslacht, alvorens weer te worden uitgevoerd naar een derde land.
A - De uitvoer van de dieren in het kader van de binnenlandse handel van Duitsland
52 De runderen zijn van de DDR naar de BRD uitgevoerd in het juridisch kader van de binnenlandse handel van Duitsland. Artikel 1 van het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland luidt als volgt:
"Aangezien het handelsverkeer tussen de Duitse gebieden waar de Grondwet voor de Bondsrepubliek Duitsland geldt, en de Duitse gebieden waar die Grondwet niet wordt toegepast, deel uitmaakt van de binnenlandse handel van Duitsland, vereist de toepassing van het Verdrag in Duitsland geen enkele wijziging van de thans voor die binnenlandse handel bestaande regeling."
53 Gelet op deze uitzonderingsregeling voor de handel tussen die twee staten vóór de eenwording, lijkt het mij van essentieel belang na te gaan, of de DDR, wier grondgebied niet tot de Gemeenschap behoorde(28), niettemin niet aan te merken was als een derde land, dat zich voor de uitvoer van zijn producten diende te houden aan de verplichtingen van artikel 10, lid 1, van het Verdrag.
54 Dienaangaande heeft het Hof een standpunt ingenomen in voormeld arrest Fleischkontor, waar het oordeelde, dat de DDR weliswaar geen Lid-Staat van de Gemeenschap is, doch evenmin, "voor de binnenlandse Duitse handel", een derde land is.(29) Men mag evenwel niet zeggen, dat de aan de onderhavige zaak ten grondslag liggende verrichting beperkt is tot het domein van de inter-Duitse betrekkingen, daar het binnenbrengen op het West-Duitse grondgebied slechts een fase is, en, gezien de uitvoerverplichting, altijd is geweest, in een handelsverrichting die voor een derde land bestemde producten betrof.(30)
55 Ingevolge het protocol zijn de goederen van oorsprong uit de DDR die rechtstreeks in de BRD worden binnengebracht, niet aan de douanerechten van het gemeenschappelijk douanetarief onderworpen, noch aan de landbouwheffingen, noch aan de invoerquota die in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek worden vastgesteld. Bovendien bevestigt de verwijzende rechter, dat "geen douaneformaliteiten ter zake van het in het vrije verkeer brengen zijn verricht" en dat "geen recht of heffing van gelijke werking is geïnd".(31)
56 Bijgevolg kan niet worden gezegd, dat de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, daar zij niet voldoen aan de vereisten van artikel 10, lid 1, van het Verdrag.
57 Het Hof heeft overigens in voormeld arrest Fleischkontor duidelijk gesteld, dat "ten deze als grondbeginsel geldt dat alleen voor produkten van oorsprong uit de Gemeenschap aanspraak op restitutie bestaat, terwijl de restitutie voor uit derde landen ingevoerde en naar derde landen wederuitgevoerde produkten slechts een $teruggave' van de geïnde heffing is".(32)
58 Het Hof voegde daaraan toe, dat "de draagwijdte van het Protocol (...) zou worden miskend, wanneer men hieruit zou willen afleiden dat de Gemeenschap de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid gegeven prijsgaranties moet uitbreiden tot produkten van oorsprong uit de Duitse Democratische Republiek".(33)
59 De DDR was geen Lid-Staat van de Gemeenschap die als zodanig bijdroeg in de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Deze staat kwam dus niet, zelfs niet indirect via de inter-Duitse handel, in aanmerking voor de aan de marktdeelnemers van het communautaire douanegebied toegekende compensaties.
60 Bovendien blijkt uit het feit dat de verkoop vóór de politieke gebeurtenissen van 1989-1990 plaatsvond, dat de koopprijs onmogelijk kon zijn vastgesteld op basis van andere factoren dan die welke op de Oost-Duitse markt voor identieke producten en vergelijkbare verrichtingen relevant waren. Bijgevolg zou het, los van elke overweging in rechte, ongerechtvaardigd zijn, dat ondernemingen zowel in aanmerking komen voor vrijstellingen ingevolge het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland, als voor restituties bij uitvoer, terwijl de overeengekomen koopprijs niet op communautair niveau is vastgesteld.
61 Er is nog een andere reden die mij tot de conclusie brengt, dat de in de prejudiciële vraag bedoelde teksten onmogelijk op de betrokken handelsverrichting van toepassing kunnen zijn. Die reden, die verband houdt met de gevolgen van de douanestatus van de betrokken goederen, kan mijns inziens overigens op zichzelf volstaan als rechtvaardiging voor de voorgestelde oplossing.
B - De bij de uitvoer van de dieren toegepaste douaneregeling
62 Uit de vraag van de nationale rechter blijkt, dat de producten in de DDR zijn ingevoerd op basis van een afwijking die was toegestaan met het oog op de verwerking van goederen in het kader van een doorvoerregeling. In de verwijzingsbeschikking is vermeld, dat de doorvoervergunning was afgegeven op voorwaarde dat de dieren in de BRD onder douanetoezicht werden geplaatst tot het ogenblik waarop het vlees en de slachtafvallen werden uitgevoerd.(34)
63 Wanneer het, zoals in casu, om goederen uit een derde land gaat die voor een ander derde land zijn bestemd, maakt de doorvoerregeling het mogelijk dat zij door het communautaire douanegebied passeren, zonder dat zij aan de rechten en andere maatregelen worden onderworpen die normaliter bij de invoer worden toegepast.(35) Het feit dat de dieren deze douanestatus hebben, bevestigt bijgevolg, dat het niet de bedoeling was dat zij op het grondgebied van de BRD zouden blijven.
64 Bovenal brengt de omstandigheid dat zij onder douanetoezicht zijn geplaatst de beperkingen aan het licht van de gevolgen van de politieke wijziging die is ingetreden tussen het ogenblik waarop zij de BRD zijn binnengebracht en dat waarop zij het grondgebied van die staat hebben verlaten. De regeling van de plaatsing onder douanetoezicht kan immers worden gedefinieerd als een rechtsfictie, inhoudende dat de goederen worden geacht zich niet binnen het douanegebied te bevinden.(36)
65 Gelijk de Commissie aantoont, hebben de door Moksel gekochte dieren dus definitief het economisch circuit van de voormalige DDR verlaten, en zijn de ervan afkomstige slachtproducten op geen enkel moment in het economisch circuit van de BRD of de Gemeenschap gebracht.(37) Zij zijn op het West-Duitse grondgebied uitsluitend om strikt economische redenen opgeslagen, namelijk om vóór uitvoer te worden verwerkt.
66 De oorsprong van de goederen is dus nooit gewijzigd, en zij zijn nooit in het vrije verkeer gebracht; deze oorsprong is immers niet beïnvloed door de juridische wijzigingen die het gevolg zijn van de politieke omwentelingen die in hun staat van oorsprong, respectievelijk in de staat van doorvoer hebben plaatsgevonden.
67 Uit het voorgaande volgt, dat de teksten waarin de voorwaarden voor toekenning van de in de prejudiciële vraag bedoelde restituties bij uitvoer zijn neergelegd, niet kunnen worden toegepast op de door Moksel uit de DDR ingevoerde en nadien weer uitgevoerde goederen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging de voorgelegde vraag te beantwoorden als volgt:
"De bepalingen van artikel 8, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten, gerectificeerd op 8 december 1988, juncto artikel 9, tweede alinea, EG-Verdrag, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij niet van toepassing zijn op producten die tussen 24 mei en 22 juni 1990 uit de voormalige Duitse Democratische Republiek in de Bondsrepubliek Duitsland zijn ingevoerd krachtens een ontheffingsvergunning tot verwerking van doorvoergoederen, en die op 10 januari 1991 naar een derde land zijn uitgevoerd."
(1) - Verdrag van 31 augustus 1990, op 6 september 1990 gepubliceerd in Bulletin, Presse und Informationsamt der Bundesregierung, nr. 104, blz. 877.
(2) - Zie verwijzingsbeschikking.
(3) - Ibidem.
(4) - PB 1968, L 148, blz. 24.
(5) - PB 1968, L 156, blz. 2.
(6) - Artikel 27 bevat een procedure in het kader waarvan de Commissie bevoegd is maatregelen vast te stellen die onmiddellijk van toepassing zijn en die in overeenstemming zijn met het advies van het comité van beheer voor rundvlees, dat uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten bestaat en onder voorzitterschap van een vertegenwoordiger van de Commissie staat. Indien de maatregelen niet in overeenstemming zijn met het door het comité uitgebrachte advies, kan de Raad op basis van deze bepaling binnen een termijn van een maand een andersluidende besluit nemen.
(7) - Artikel 1 van de verordening somt goederen op die onder de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees vallen en definieert de begrippen "runderen" en "volwassen runderen" in de zin van die verordening.
(8) - PB 1987, L 351, blz. 1.
(9) - Cursivering van mij.
(10) - Voor de beschrijving van deze procedure, zie voetnoot 6 van de onderhavige conclusie.
(11) - Artikel 1.
(12) - Tweede visum, cursivering van mij.
(13) - PB 1968, L 148, blz. 1.
(14) - Verordening (EEG) nr. 3620/90 van de Commissie van 14 december 1990 betreffende het bepalen van de oorsprong van vlees en afvallen, vers gekoeld of bevroren, van bepaalde huisdieren (PB 1990, L 351, blz. 25).
(15) - Protocol van 25 maart 1957 betreffende de binnenlandse handel van Duitsland en de daarmede samenhangende vraagstukken, dat aan het Verdrag is gehecht en dat er ingevolge artikel 239 EEG-Verdrag een integrerend bestanddeel van vormt.
(16) - Arrest van 1 oktober 1974 (zaak 14/74, Fleischkontor, Jurispr. 1974, blz. 899, r.o. 6, cursivering van mij).
(17) - Punten 49 e.v. van de opmerkingen van Moksel, cursivering van mij.
(18) - Tweede overweging van de considerans (PB 1990, L 263, blz. 1).
(19) - Opmerkingen van Moksel, punten 18 e.v.
(20) - Vrije vertaling.
(21) - Arrest van 29 januari 1985 (zaak 234/83, Gesamthochschule Duisburg, Jurispr. 1985, blz. 327, r.o. 20).
(22) - Conclusie van 7 maart 1996 bij het arrest van 26 september 1996 (zaak C-341/94, Jurispr. 1996, blz. I-4631, punt 46). In die zaak ging het met name om de vraag, of de invoer in 1985 en 1986 van uit de DDR afkomstige staalproducten in een Lid-Staat, wat de uitlegging van gemeenschapsbepalingen betreft die van invloed kunnen zijn op de toepassing van een tekst van binnenlandse oorsprong, kon worden behandeld alsof de invoer na de eenwording van Duitsland had plaatsgevonden.
(23) - Ingevolge punt 1 van die nota "moeten alle landbouwprodukten van oorsprong uit de voormalige DDR vanaf 3 oktober 1990 als goederen van communautaire oorsprong worden beschouwd. Bijgevolg voldoen alle landbouwprodukten van oorsprong uit de voormalige DDR, met name wat de communautaire restituties bij uitvoer betreft, vanaf 3 oktober aan de voorwaarden van artikel 8, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3665/87" (directoraat-generaal Landbouw, nr. D17478).
(24) - Zie, bijvoorbeeld, arrest van 9 juli 1987 (gevoegde zaken 281/85, 283/85, 284/85, 285/85 en 287/85, Duitsland e.a./Commissie, Jurispr. 1987, blz. 3203, r.o. 9 e.v.).
(25) - Zie punt 5 van de onderhavige conclusie.
(26) - Punten 53 e.v. van haar opmerkingen.
(27) - Zie punten 34 e.v. van de onderhavige conclusie.
(28) - Zie punt 34 van de onderhavige conclusie.
(29) - R.o. 8, cursivering van mij.
(30) - Zie, wat een vergelijkbaar probleem betreft, de conclusie van advocaat-generaal Jacobs bij het arrest van 21 september 1989 (zaak 12/88, Schäfer Shop, Jurispr. 1989, blz. 2937, punt 19): "In feite is de precieze status van de op grond van de bijzondere regeling van het handelsverkeer uit de DDR in de Bondsrepubliek ingevoerde goederen onzeker. Terwijl het de duidelijke bedoeling is van punt 1 van het Protocol, dat dergelijke goederen voor het handelsverkeer in de Bondsrepubliek dienen te worden gelijkgesteld met goederen van oorsprong uit de Bondsrepubliek, kunnen zij niet worden geacht, zich in het vrije verkeer in de Gemeenschap te bevinden, aangezien niet is voldaan aan de vereisten van artikel 10, lid 1, EEG-Verdrag (...)" Advocaat-generaal Jacobs voegde daaraan toe, "dat wanneer dergelijke goederen weer worden uitgevoerd, zij een bijzondere status hebben, die ergens ligt tussen die van goederen die zich in het vrije verkeer bevinden, in de zin van artikel 10, lid 1, en die van goederen die zich niet in het vrije verkeer bevinden en derhalve in beginsel niet kunnen profiteren van de regels betreffende het vrije verkeer van goederen". In die zaak ging het weliswaar om de wederuitvoer uit de BRD van goederen van oorsprong uit de DDR naar andere Lid-Staten, en niet naar een derde land, maar de redenering van advocaat-generaal Jacobs lijkt mij ook in de onderhavige zaak bruikbaar. Enerzijds wordt eraan herinnerd, dat het protocol het vrije verkeer van goederen van oorsprong uit de DDR op het grondgebied van de BRD beoogt; anderzijds wordt gepreciseerd, dat dit vrije verkeer niet verder reikt dan de twee betrokken staten, zodat de goederen, zodra zij het grondgebied van de BRD hebben verlaten, opnieuw een extra-communautaire oorsprong verkrijgen.
(31) - Zie de verwijzingsbeschikking.
(32) - R.o. 10.
(33) - R.o. 11.
(34) - Zie de verwijzingsbeschikking.
(35) - Voor de doorvoerregeling, zie met name Nassiet, J. R.: La réglementation douanière, 1988, blz. 208 e.v., en Berr, C. J. en Tremeau, H.: Le droit douanier, 1988, blz. 378 e.v.
(36) - Voor de regeling van de plaatsing onder douanetoezicht, zie met name La réglementation douanière, reeds aangehaald, blz. 158 e.v., en Le droit douanier, reeds aangehaald, blz. 288 e.v.
(37) - Punten 78-81 van haar schriftelijke opmerkingen.
Full & Egal Universal Law Academy