Conclusie van de advocaat generaal
1 Met deze hogere voorziening verzoekt de Commissie het Hof om toetsing van het op 2 mei 1995 door het Gerecht van eerste aanleg in de gevoegde zaken T-163/94 en T-165/94 gewezen arrest tussen NTN Corporation (hierna: "NTN") en Koyo Seiko Co. Ltd (hierna: "Koyo Seiko") enerzijds en de Raad anderzijds(1), waarbij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2849/92 van de Raad(2) (hierna: "litigieuze verordening") nietig is verklaard.
2 Het gaat om de eerste beslissing van het Gerecht inzake dumping sinds het op dit gebied bevoegd werd(3), en dit is het eerste verzoek aan het Hof om een uitspraak in deze materie in het kader van artikel 168 A EG-Verdrag.
3 Zakelijk weergegeven wordt het Hof verzocht te preciseren, of het begrip "schade" of "dreiging van schade" aan een gevestigde bedrijfstak van de Gemeenschap door het in het vrije verkeer brengen van een product ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt, dezelfde inhoud heeft en dus in het kader van een procedure van nieuw onderzoek(4) op dezelfde wijze als in dat van het oorspronkelijk onderzoek(5) moet worden beoordeeld. Meer bepaald moet worden beoordeeld, of in deze twee gevallen het bestaan van schade overeenkomstig de criteria van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2423/88 (hierna: "basisverordening") moet worden vastgesteld.
4 Subsidiair wordt het Hof gevraagd, of het feit dat het onderzoek na de termijn van artikel 7, lid 9, sub a, van de basisverordening is verricht, noodzakelijkerwijs betekent, dat de litigieuze verordening nietig moet worden verklaard.
5 Na een samenvatting van het juridische, feitelijke en procedurele kader van het geschil (I) zal ik de vraag van de ontvankelijkheid van de hogere voorziening bespreken (II). Vervolgens zal ik rekwirantes eerste middel bespreken en de redenen uiteenzetten waarom het tweede middel mijns inziens niet behoeft te worden onderzocht, alvorens tot afwijzing van de hogere voorziening te concluderen (III). Ten slotte zal ik de kostenvorderingen bespreken (IV).
I - Juridisch, feitelijk en procedureel kader
Juridisch kader
6 Alvorens in te gaan op de relevante bepalingen van de gemeenschapsverordeningen inzake dumping, is het mijns inziens dienstig te herinneren aan hun rechtsgrondslag en aan de algemene systematiek van deze materie.
Grondslag van de gemeenschappelijke handelspolitiek van de Gemeenschap
7 Verordening nr. 2423/88 is vastgesteld op basis(6) van artikel 113 van het Verdrag, ingevoegd in titel VII betreffende de gemeenschappelijke handelspolitiek, en krachtens internationale overeenkomsten waarbij de Gemeenschap is aangesloten, met name de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel (hierna: "GATT") en de overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van het GATT(7) (hierna: "antidumpingcode").
8 Artikel 113, lid 1, van het Verdrag bepaalt: "De gemeenschappelijke handelspolitiek wordt gegrond op eenvormige beginselen met name wat betreft (...) de handelspolitieke beschermingsmaatregelen, waaronder de te nemen maatregelen in geval van dumping en subsidies."
9 Artikel 110, eerste alinea, van het Verdrag stelt evenwel grenzen aan de beoordelingsbevoegdheid van de gemeenschapsinstellingen bij de uitwerking van de gemeenschappelijke handelspolitiek en met name bij de toepassing van de handelspolitieke beschermingsmaatregelen, door te bepalen dat "door tezamen een douane-unie op te richten (...) de lidstaten een bijdrage, in overeenstemming met het gemeenschappelijk belang, [beogen] te leveren tot een harmonische ontwikkeling van de wereldhandel, de geleidelijke afschaffing van de beperkingen in het internationale handelsverkeer en de verlaging van de tariefmuren". Uit deze tekst volgt, dat het nemen van handelspolitieke beschermingsmaatregelen de internationale handel niet ongerechtvaardigd mag belemmeren.
10 Ofschoon de gemeenschapswetgever volgens vaste rechtspraak van het Hof in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek en in het bijzonder inzake handelspolitieke beschermingsmaatregelen wegens de complexiteit van de door de instellingen te beoordelen economische situaties(8), over een ruime bevoegdheid(9) beschikt, met name inzake de beoordeling van de dumpingmarge(10), de schade of de dreiging van schade(11), alsmede de bepaling van de in aanmerking te nemen periode om de schade in het kader van een antidumpingprocedure vast te stellen(12), heeft het Hof ook aan deze bevoegdheid bepaalde grenzen gesteld.
11 Uit de arresten die het Hof heeft gewezen voordat deze geschillen aan het Gerecht werden overgedragen, blijkt, dat het Hof bij de toetsing van de uitoefening van deze bevoegdheid steeds is nagegaan, of de bij de betrokken gemeenschapsbepalingen geboden procedurele waarborgen in acht waren genomen(13), of van werkelijk exacte feiten was uitgegaan(14), of bij de beoordeling van deze feiten geen enkele kennelijke vergissing was begaan(15), of geen enkel wezenlijk element over het hoofd was gezien(16), en ten slotte of de gemeenschapsinstellingen in hun motivering geen overwegingen hadden laten meespelen die een misbruik van bevoegdheid of een schending van de voorgeschreven wezenlijke vormvoorschriften vormden.(17)
12 Ten slotte moet de communautaire antidumpingregeling ook de door de Gemeenschap in het kader van het GATT aangegane verbintenissen en de antidumpingcode in acht nemen. Daar de Gemeenschap door deze overeenkomsten contractueel gebonden is, kan zij geen antidumpingregels vaststellen en ter zake maatregelen nemen die met deze teksten in strijd zijn, op straffe van derwege volkenrechtelijk aansprakelijk te zijn.
13 Zoals het Gerecht in herinnering heeft gebracht(18), heeft het Hof met name in het reeds aangehaalde arrest Nakajima/Raad(19) daaruit de conclusie getrokken, dat de gemeenschapsregeling in het licht van artikel VI van het GATT en van de antidumpingcode moet worden uitgelegd.
14 Volgens artikel VI van het GATT is dumping ontoelaatbaar, wanneer een bedrijfstak in het land van invoer daardoor schade lijdt of dreigt te lijden.
15 De antidumpingcode geeft preciseringen die nuttig zijn voor de tenuitvoerlegging van de antidumpingmaatregelen.
16 Artikel 2, lid 1, ervan bepaalt het volgende: "Voor de toepassing van deze Code moet worden geacht, dat ten aanzien van een product dumping plaatsvindt, dat wil zeggen dat het op de markt van een invoerend land wordt gebracht tegen de prijs die beneden de normale waarde ligt, indien de uitvoerprijs van dit product wanneer het van het ene land naar het andere wordt uitgevoerd, lager is dan de vergelijkbare prijs die bij normale handelstransacties geldt voor een soortgelijk, voor verbruik in het uitvoerende land bestemd product."
17 Volgens artikel 2, lid 2, van de antidumpingcode wordt "onder $soortgelijk product' ($like product'; $produit similaire') verstaan een product dat gelijk, dat wil zeggen in alle opzichten gelijksoortig is aan het betrokken product, of bij het ontbreken van een dergelijk product, aan een ander product dat, hoewel het niet in alle opzichten daaraan gelijksoortig is, kenmerken vertoont die met de kenmerken van het betrokken product grote overeenkomsten vertonen".
18 Artikel 3 van de antidumpingcode noemt de voor de inhoudelijke bepaling van het begrip "schade" te hanteren criteria. Ik zal hierop later terugkomen.
19 De antidumpingcode behandelt ook het begrip "bedrijfstak", het verloop van de procedure en de beëindiging daarvan.
De relevante gemeenschapsverordeningen
a) Verordening nr. 2423/88, de basisverordening
20 De basisverordening heeft tot doel(20) de in het GATT uitgestippelde nieuwe beleidslijnen op gemeenschapsniveau op te nemen en rekening te houden met de bij de toepassing van de eerdere communautaire antidumpingregeling door de gemeenschapsinstellingen opgedane ervaring.(21)
21 De basisverordening heeft enerzijds tot doel bepaalde begrippen duidelijk en gedetailleerd weer te geven(22), en anderzijds bepaalde aspecten van de procedure tot vaststelling van antidumpingrechten uiteen te zetten.(23)
22 Artikel 2, lid 1, van de basisverordening stelt het beginsel, dat op ieder product ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt, een antidumpingrecht kan worden toegepast "wanneer het in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengen daarvan schade veroorzaakt".
23 Artikel 4, lid 1, van de basisverordening noemt de verschillende relevante factoren ter beoordeling van het bestaan van schade of van dreiging van schade aan een gevestigde bedrijfstak van de Gemeenschap, of van een aanzienlijke vertraging bij de vestiging van een bedrijfstak.
24 Volgens artikel 5 van de basisverordening kan iedere natuurlijke of rechtspersoon, alsmede iedere vereniging die optreedt namens een bedrijfstak van de Gemeenschap welke zich door invoer met dumping geschaad of bedreigd acht, bij de Commissie of bij een lidstaat die deze ter kennis brengt van de Commissie, een schriftelijke klacht indienen. De klacht moet voldoende bewijsmateriaal bevatten betreffende het bestaan van dumping en de daaruit voortvloeiende schade.
25 Volgens artikel 6 van de basisverordening kan overleg plaatsvinden in een raadgevend comité dat bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten en een vertegenwoordiger van de Commissie. Dit overleg kan volgens lid 4 betrekking hebben op het bestaan van dumping, van schade, van een oorzakelijk verband tussen de dumping en de schade en op de passende maatregelen.
26 Artikel 7 van de basisverordening betreft de vorm en de inhoud van het onderzoek van de Commissie. Het onderzoek duurt normaliter een jaar, te rekenen vanaf de opening van de procedure. Volgens artikel 8 van de basisverordening kunnen de door partijen in de loop van het onderzoek aan de Commissie verstrekte en als vertrouwelijk aangemerkte gegevens vertrouwelijk worden behandeld.
27 Na een voorlopig onderzoek kan door de Commissie een voorlopig antidumpingrecht voor een maximale geldigheidsduur van vier maanden worden ingesteld (artikel 11).
28 Het onderzoek kan worden beëindigd hetzij wanneer geen beschermende maatregelen nodig zijn (artikel 9), hetzij wanneer verbintenissen door de betrokken partijen worden aanvaard (artikel 10) of nog wanneer definitieve rechten worden opgelegd (artikel 12).
29 Krachtens artikel 14, lid 1, van de basisverordening worden de antidumpingrechten op verzoek van een belanghebbende partij aan een nieuw onderzoek onderworpen, wanneer "voldoende bewijsmateriaal over gewijzigde omstandigheden de noodzaak van dat onderzoek [wettigt], mits (...) ten minste één jaar is verlopen na de beëindiging van het onderzoek". Artikel 14, lid 2, bepaalt: "Indien, na overleg, blijkt dat een nieuw onderzoek gewettigd is, wordt het onderzoek overeenkomstig artikel 7 opnieuw geopend indien de omstandigheden zulks vereisen."
30 Volgens artikel 15, lid 1, van de basisverordening vervallen antidumpingrechten en verbintenissen vijf jaar na de datum waarop zij van kracht zijn geworden. Lid 3 van dit artikel bepaalt evenwel: "Indien een belanghebbende partij aantoont dat de beëindiging van de maatregel opnieuw tot schade of dreiging van schade zou leiden, maakt de Commissie, na overleg, in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekend dat zij de maatregel aan een nieuw onderzoek zal onderwerpen."
b) Verordening nr. 2849/92, de litigieuze verordening
31 De op 2 oktober 1992 in werking getreden litigieuze verordening strekt tot wijziging, op basis van de artikelen 14 en 15 van de basisverordening, van het bij verordening (EEG) nr. 1739/85 van de Raad(24) ingestelde definitieve antidumpingrecht op dit type kogellagers, van oorsprong uit Japan. Bij verordening nr. 1739/85 is een definitief antidumpingrecht van 1,2 % tot 21,7 % op de invoer van kogellagers met een grootste uitwendige diameter van meer dan 30 mm, van oorsprong uit Japan, ingesteld. De door NTN en Koyo Seiko vervaardigde producten is aldus een definitief antidumpingrecht van 3,2 % respectievelijk 5,5 % opgelegd.
32 Na te hebben gewezen op de zwakke positie van de communautaire bedrijfstak ondanks de bij verordening nr. 1739/85 ingestelde rechten(25), kwam de Raad tot de slotsom, dat de beëindiging van de bestaande antidumpingrechten opnieuw tot schade voor de bedrijfstak zou leiden(26), en trof hij nieuwe maatregelen.
33 Artikel 1 van de litigieuze verordening bepaalt met name:
"De bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1739/85 op het hierna omschreven product ingestelde definitieve antidumpingrechten worden overeenkomstig de volgende bepalingen gewijzigd:
1. Op de invoer van kogellagers met een grootste uitwendige diameter van meer dan 30 mm, ingedeeld onder GN-code 8482 10 90, van oorsprong uit Japan, wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld.
2. Het antidumpingrecht, uitgedrukt in een percentage van de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, niet ingeklaard, bedraagt 13,7 % (Taric aanvullende code 8677), behalve wanneer het gaat om goederen die zijn vervaardigd door de volgende ondernemingen waarvoor het antidumpingrecht hieronder wordt aangegeven:
(...)
- NTN Corporation, Osaka 11,6 %."
Feitelijk en procedureel kader
34 Op 27 december 1988 verzocht de Federation of European Bearing Manufacturers' Associations (hierna: "FEBMA") krachtens artikel 14, lid 1, van de basisverordening om een nieuw onderzoek van het antidumpingrecht op de invoer van kogellagers, van oorsprong uit Japan, wegens gewijzigde omstandigheden sinds de invoering van het definitieve recht bij verordening nr. 1739/85.
35 Van oordeel dat dit verzoek voldoende bewijsmateriaal bevatte om de opening van een procedure van nieuw onderzoek te wettigen, gelastte de Commissie op 30 mei 1989 een onderzoek. Daar het definitief recht na een termijn van vijf jaar verviel, publiceerde de Commissie op 30 mei 1990 een bericht(27), dat de bestaande maatregelen overeenkomstig artikel 15, lid 4, van de basisverordening hangende het resultaat van het nieuwe onderzoek van kracht zouden blijven.
36 Op 28 september 1992, na een onderzoek van 41 maanden - van mei 1989 tot september 1992 - stelde de Raad de litigieuze verordening vast, waarbij het percentage van het op NTN toepasselijke antidumpingrecht op 11,6 % kwam.
37 Daarop stelden NTN en Koyo Seiko op 20 december 1992 respectievelijk 13 januari 1993 bij het Gerecht beroep in tot nietigverklaring van artikel 1 van de litigieuze verordening.
38 FEBMA kreeg toelating tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Raad in zaak T-163/94, NTN/Raad. De Commissie en FEBMA kregen toelating tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Raad in zaak T-165/94, Koyo Seiko/Raad.
39 NTN en Koyo Seiko concludeerden tot nietigverklaring van artikel 1 van verordening nr. 2849/92, voor zover hun daarbij een antidumpingrecht was opgelegd, en tot verwijzing van de Raad in de kosten. De Raad, ondersteund door FEBMA en de Commissie, concludeerde tot verwerping van de beroepen met verwijzing van de verzoeksters in de kosten.
40 Tot staving van hun beroep voerden NTN en Koyo Seiko verschillende middelen aan: de Raad had de aanwezigheid van schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap niet aangetoond, hij had de mogelijke gevolgen van het vervallen van de bestaande maatregelen niet juist bepaald. Hij had ook zijn bevoegdheid misbruikt. Zij betoogden, dat ofschoon de enquête in het kader van het nieuwe onderzoek (hierna: "tweede enquête") binnen een redelijke termijn was verricht, de gemeenschapsinstellingen niet het bestaan van enige schade hadden kunnen aantonen. Ten slotte zou bij de litigieuze verordening in strijd met de basisverordening een flexibel antidumpingrecht zijn ingesteld.(28)
Het arrest van het Gerecht
41 Het Gerecht heeft de verschillende middelen in twee middelen samengevat en artikel 1 van de litigieuze verordening bij een omstandig arrest nietig verklaard, voor zover verzoeksters daarbij een antidumpingrecht was opgelegd. Zich aansluitend bij de stellingen van verzoeksters was het van oordeel, dat de Raad het bestaan van schade in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening niet had aangetoond en dat hij de termijn van artikel 7, lid 9, sub a, van die verordening niet in acht had genomen.
De hogere voorziening
42 De Commissie verzoekt het Hof het bestreden arrest te vernietigen, de zaak naar het Gerecht te verwijzen en NTN en Koyo Seiko in de kosten te veroordelen.
43 NTN en Koyo Seiko (hierna: "verweersters") concluderen, dat het het Hof behage, het bestreden arrest te bevestigen, de hogere voorziening af te wijzen en de Commissie in de kosten te verwijzen. Subsidiair, ingeval het bestreden arrest zou worden vernietigd, verzoekt Koyo Seiko het Hof de litigieuze verordening nietig te verklaren, voor zover zij op haar betrekking heeft.
44 NSK Ltd en haar Europese dochterondernemingen (hierna: "NSK"), die zijn toegelaten tot interventie in het kader van de hogere voorziening ter ondersteuning van de conclusies van verweersters, concluderen dat het het Hof behage, de vorderingen van NTN en Koyo Seiko toe te wijzen en te verklaren, dat de nietigverklaring van artikel 1 van de litigieuze verordening ook voor hen geldt.
45 Wat deze laatste vordering betreft, zij gepreciseerd dat, aangezien NSK geen beroep tot nietigverklaring van de tot haar gerichte individuele beslissing die deel uitmaakte van de litigieuze verordening, binnen de termijn van artikel 173, derde alinea, van het Verdrag heeft ingesteld, deze beslissing jegens haar geldig en dwingend blijft.(29) De effecten van deze definitief geworden beslissing kunnen in het kader van de hogere voorziening niet worden aangevochten.
46 Bovendien bepaalt artikel 37, vierde alinea, van 's Hofs Statuut-EG het volgende: "De conclusies van het verzoek tot voeging kunnen slechts strekken tot ondersteuning van de conclusies van een der partijen."
47 Op basis van deze tekst verklaarde het Hof bij beschikking van 14 februari 1996, dat "daar [NSK] geen beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld, (...) zij nog slechts [kan] interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van verweersters".(30)
48 De Raad heeft geen schriftelijke opmerkingen gemaakt, doch liet weten dat hij alle conclusies en middelen van de Commissie ondersteunt.
49 Op 10 oktober 1995 heeft FEBMA ter griffie van het Hof een verzoek tot interventie ingediend. Daar zij partij was in de procedure voor het Gerecht, kon zij evenwel alleen tussenkomen krachtens artikel 115, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat bepaalt: "Iedere partij in de procedure voor het Gerecht kan een memorie van antwoord indienen binnen twee maanden te rekenen vanaf de betekening van het verzoekschrift. Deze termijn wordt niet verlengd." De betekening vond plaats op 24 juli 1995. De termijn voor FEBMA om een memorie van antwoord in te dienen, vermeerderd met de termijn wegens afstand van artikel 81, lid 2, van dit reglement, verstreek op 2 oktober 1995.
50 Bij beschikking van 14 februari 1996 verklaarde het Hof FEBMA wegens termijnoverschrijving derhalve niet-ontvankelijk in haar verzoek tot interventie in het kader van deze hogere voorziening.(31)
II - De ontvankelijkheid van de hogere voorziening
51 In haar memorie van antwoord(32) stelt Koyo Seiko, dat de hogere voorziening van de Commissie niet-ontvankelijk is.
52 Haars inziens heeft de Commissie haar hogere voorziening niet ingesteld "binnen twee maanden te rekenen vanaf de betekening van de bestreden beslissing", als bepaald bij artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG.
53 Voorts kunnen partijen die zoals de Commissie in casu reeds een gemachtigde in Luxemburg hebben aangewezen, geen beroep doen op artikel 1 van bijlage II bij het Reglement voor de procesvoering van het Hof, volgens hetwelk, "tenzij partijen hun gewone verblijfplaats in het Groothertogdom Luxemburg hebben, (...) de termijnen, uit hoofde van afstand, [worden] verlengd als volgt: - voor het Koninkrijk België: met twee dagen (...)".
54 Daar de Commissie deze hogere voorziening twee maanden en twee dagen te rekenen vanaf de betekening van het arrest heeft ingesteld, is zij volgens Koyo Seiko niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.
55 Mijns inziens heeft het Hof deze vraag reeds beantwoord in het arrest van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a.(33), betreffende dezelfde problematiek, door te verklaren dat "(...) de Commissie voor de neerlegging van haar verzoekschrift recht had op de twee extra dagen die het besluit betreffende de termijnen wegens afstand [artikel 1 van bijlage II bij het Reglement voor de procesvoering van het Hof] voorziet voor personen die hun gewone verblijfplaats in België hebben".(34)
56 In casu is het bestreden arrest op 10 mei 1995 aan de Commissie betekend. Door haar hogere voorziening op 12 juli 1995 in te stellen, dat wil zeggen twee maanden en twee dagen later, heeft zij de toepasselijke bepalingen nageleefd.
57 De door Koyo Seiko opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid moet dus worden verworpen.
III - Onderzoek van de door rekwirante opgeworpen middelen
Het eerste middel betreffende de onjuiste uitlegging van het begrip schade in de artikelen 14 en 15 van de basisverordening
58 Met dit eerste uit twee onderdelen bestaande middel verwijt de Commissie het Gerecht het begrip schade in de artikelen 14 en 15 van de basisverordening onjuist te hebben uitgelegd. In de eerste plaats moet worden nagegaan, of het Gerecht het begrip schade in het kader van een procedure van nieuw onderzoek juist heeft uitgelegd. In de tweede plaats moet worden nagegaan, of in dit kader rekening moet worden gehouden met de door de inkrimping van de vraag op de markt veroorzaakte schade.
Eerste onderdeel: het begrip schade in het kader van de procedure van nieuw onderzoek
59 Volgens de Commissie(35) heeft het Gerecht(36) door de criteria van artikel 4 van de basisverordening toe te passen om het bestaan van schade in het kader van een procedure van nieuw onderzoek te beoordelen - in welke procedure de artikelen 14 en 15 van deze verordening voorzien - het recht geschonden.
60 Het Gerecht oordeelde als volgt: "Hoewel de basisverordening dus wel bepalingen bevat omtrent de elementen die moeten komen vast te staan voordat een nieuw onderzoek kan worden geopend, bevat zij geen specifieke bepalingen met betrekking tot de schade waarvan het bestaan in de verordening tot wijziging van bestaande rechten moet worden aangetoond"(37), waarna het concludeerde, "dat bij gebreke van specifieke bepalingen voor de vaststelling van de schade in het kader van een krachtens de artikelen 14 en 15 van de basisverordening geopend nieuw onderzoek, een verordening waarbij bestaande antidumpingrechten na afloop van een dergelijke procedure worden gewijzigd, het bestaan moet aantonen van schade in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening".(38)
61 Volgens de Commissie vindt artikel 4 van de basisverordening slechts toepassing in het kader van een oorspronkelijk onderzoek.
62 Haars inziens levert de teleologische uitlegging van deze verordening een oplossing op die haaks op die van het Gerecht staat. Aan de nuttige werking van de bepalingen van de basisverordening die in een verschillende procedure voor een oorspronkelijk onderzoek en voor een nieuw onderzoek voorziet, wordt namelijk afbreuk gedaan indien aan dit verschil geen enkel rechtsgevolg wordt gehecht.
63 Zij betoogt, dat "het bij een nieuw onderzoek te hanteren criterium dus niet is of er nog schade is, doch of er schade zou zijn indien het recht werd opgeheven, en of de toegepaste maatregel doeltreffend de dumping verhindert of de schade opheft"(39), en dat uit de artikelen 13 en 14 van de basisverordening volgt, dat een enquête in het kader van een tweede enquête tot doel moet hebben "te bepalen of de maatregelen nog nodig en passend zijn om de door de dumping veroorzaakte schade op te heffen".(40) Derhalve moet haars inziens "worden nagegaan wat de situatie zou zijn indien geen maatregelen werden getroffen, en met name worden vastgesteld, of een situatie waarin de dumping schade veroorzaakt, zich opnieuw zou voordoen".(41)
64 Volgens verweersters heeft het Gerecht het geschikte criterium toegepast - te weten het bestaan van schade of van dreiging van schade in de zin van artikel 4 van de basisverordening.
65 Het begrip van het "opnieuw ontstaan van schade" is irrelevant, aangezien dit begrip een "uitvinding" van de Commissie is om gelijk te krijgen, daar de gemeenschapsteksten er nergens gewag van maken. Met dit begrip worden deze teksten dus niet uitgelegd, doch "herschreven".(42) De vraag van het opnieuw ontstaan van de schade is door het Gerecht in het kader van de uitlegging van het begrip dreiging van schade overigens behandeld.
66 Ten slotte betogen zij, dat het Gerecht het eerste middel wegens de talrijke feitelijke vergissingen van de Raad heeft verworpen. Aangezien deze beoordeling niet voor herziening door het Hof vatbaar is daar het niet om een rechtsvraag gaat, moet dit middel worden verworpen.
67 Omtrent dit laatste argument zij gepreciseerd, dat de motivering van het Gerecht, gebaseerd op de overweging dat de Raad maatregelen op basis van onjuiste of misleidende vaststellingen heeft genomen, inderdaad niet aan de toetsing van het Hof kan worden onderworpen. Deze beoordeling valt onder de exclusieve bevoegdheid van het Gerecht.
68 Zo beperkt artikel 168 A van het Verdrag de hogere voorziening tot rechtsvragen. Aan deze beperking wordt herinnerd in artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG, waarin de middelen worden gepreciseerd waarop hogere voorziening kan zijn gebaseerd, te weten "onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht, waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht". Het Hof leidde daaruit af, dat "hogere voorziening slechts kan worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels door het Gerecht, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling (...)".(43)
69 Hoofdzakelijk om drie redenen meen ik dat het Gerecht, anders dan de Commissie stelt, het begrip schade in de artikelen 14 en 15 van de basisverordening juist heeft uitgelegd.
70 In de eerste plaats volgt uit de algemene systematiek van deze verordening, dat wanneer de wetgever een regel wil vaststellen, bepalen of een onderscheid wil maken, hij zulks uitdrukkelijk en duidelijk stelt. Zoals gezegd is dit overigens een van de doelstellingen(44) van deze regeling.
71 Wat de procedurevoorschriften betreft, vermeldt de wetgever respectievelijk in de vierde, de achtste en de tiende overweging van de considerans(45), dat "het wenselijk is de voorschriften voor het bepalen van de normale waarde duidelijk en voldoende gedetailleerd weer te geven (...)"; "voldoende gedetailleerd uiteen te zetten hoe het bedrag van een subsidie dient te worden vastgesteld", en "de procedures [vast te stellen] voor het indienen van een klacht door ieder die optreedt namens een bedrijfstak van de Gemeenschap die zich geschaad of bedreigd acht door invoer met dumping of subsidiëring".
72 Met betrekking tot de definitie van sommige begrippen wordt in de zevende, de negende en de veertiende overweging van de considerans(46) respectievelijk gezegd dat "de uitdrukking $marge van dumping' nauwkeurig dient te worden omschreven (...)"; "het dienstig lijkt een aantal factoren te vermelden die van belang kunnen zijn bij de vaststelling van schade", of dat "ter vermijding van verwarring het gebruik van de woorden $onderzoek' en $procedure' in de onderhavige verordening dient te worden verduidelijkt".
73 Waar de gemeenschapswetgever wil beklemtonen, dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen procedurevoorschriften of tussen begrippen, geeft hij zulks ook duidelijk aan. Aldus maakt de tekst zelf van de veertiende overweging van de considerans onderscheid tussen de begrippen "onderzoek" en "procedure" door te stellen, dat de basisverordening ook tot doel heeft "verwarring" tussen deze woorden te voorkomen. Zo ook moet volgens de zevenentwintigste overweging van de considerans een minimumperiode verlopen alvorens een nieuw onderzoek wordt ingesteld.
74 Deze precisering is te vinden in de tekst zelf van de basisverordening.
75 Zodra bijzondere procedurevoorschriften in het kader van een oorspronkelijke procedure of van een procedure van nieuw onderzoek toepasselijk zijn, blijken zij dus klaar en duidelijk uit artikelen van de basisverordening.
76 Dat is het geval met de regel betreffende de bevoegdheid om een klacht in te dienen. Aangaande de oorspronkelijke procedure bepaalt artikel 5, lid 1, van de basisverordening het volgende: "Iedere natuurlijke of rechtspersoon, alsmede iedere vereniging zonder rechtspersoonlijkheid, die optreedt namens een bedrijfstak van de Gemeenschap welke zich door invoer met dumping of subsidiëring geschaad of bedreigd acht, kan een schriftelijke klacht indienen." Voor de procedure van nieuw onderzoek verleent artikel 14, lid 1, van de basisverordening deze bevoegdheid daarentegen aan de lidstaten, de Commissie of nog aan iedere belanghebbende partij.
77 Evenzo blijkt met zoveel woorden uit de titel en de inhoud van artikel 14 van de basisverordening, waarbij de te volgen procedurevoorschriften worden bepaald, dat alleen het nieuwe onderzoek onder deze procedure valt.
78 Noch de litigieuze verordening noch de basisverordening bepaalt evenwel het begrip van "het opnieuw ontstaan" van schade, dat specifiek bij de tweede enquête van toepassing zou zijn.
79 Aangaande de bepalingen die het onderzoek beheersen, komen overigens niet alleen de woorden zelf van "oorspronkelijk onderzoek" en van "tweede enquête" niet in de preambule van de basisverordening of slechts zeer uitzonderlijk in de tekst van haar bepalingen(47) voor, doch evenmin geeft de wetgever ergens aan, dat hij voor deze verschillende situaties bijzondere en verschillende regels wil vaststellen.
80 Aldus luidt de titel van artikel 7 van de basisverordening enerzijds "Aanvang van de procedure en daaropvolgend onderzoek", zonder enige nadere precisering omtrent de aard van het onderzoek, en in de tekst zelf van deze bepaling wordt anderzijds alleen het woord "onderzoek" gebezigd zonder enige aanwijzing of het om het oorspronkelijke onderzoek dan wel om de tweede enquête gaat.
81 Evenzo verwijst artikel 14, lid 2, van de basisverordening, dat volledig is gewijd aan de procedure van nieuw onderzoek, voor de regeling van het onderzoek naar artikel 7 van deze verordening, dat bij de oorspronkelijke procedure van toepassing is. Met deze uitdrukkelijke verwijzing heeft de gemeenschapswetgever aangegeven, dat voor het "oorspronkelijke" en "nieuwe" onderzoek dezelfde regels gelden.
82 In de basisverordening wordt het begrip "opnieuw ontstaan van schade" niet alleen nergens verklaard, doch zelfs niet gebezigd.
83 In de preambule van deze verordening komt alleen het woord "schade"(48) voor en in haar bepalingen worden alleen de woorden "schade"(49) en "dreiging van schade"(50) nader omschreven.
84 Artikel 14 van deze verordening, die de bij een nieuw onderzoek te volgen procedurevoorschriften vaststelt, verwijst niet naar het begrip "schade" of "dreiging van schade", laat staan naar dat van het "opnieuw ontstaan van schade". Daaruit blijkt alleen, dat het nieuwe onderzoek wordt ingesteld indien de lidstaat, de Commissie of de belanghebbende partij "voldoende bewijsmateriaal over gewijzigde omstandigheden overlegt om de noodzaak van dat onderzoek te wettigen".(51)
85 Dat niet naar het bestaan van schade wordt verwezen, voert de Commissie als argument aan om te stellen, dat het bewijs van het bestaan van schade in de zin van artikel 4 van de basisverordening in het kader van de in de artikelen 14 en 15 van deze verordening bedoelde procedure van nieuw onderzoek niet hoeft te worden geleverd. Zij voegt eraan toe, dat het Gerecht door anders te oordelen tot een ongeschikte oplossing is gekomen.(52) In het kader van het nieuwe onderzoek dit bewijs van de gemeenschapsinstellingen verlangen, zonder rekening te houden met de toegepaste antidumpingmaatregelen, komt er haars inziens namelijk op neer de vastgestelde antidumpingmaatregelen met ingang van hun inwerkingtreding op te heffen, aangezien deze maatregelen precies tot doel hebben alle schade te voorkomen.(53)
86 Mijns inziens is het volkomen logisch, dat artikel 14 niet naar het begrip schade verwijst. Anders dan de Commissie impliciet lijkt te stellen, stelt de procedure van nieuw onderzoek de gemeenschapsinstellingen namelijk niet alleen in staat nieuwe beschermende antidumpingmaatregelen te nemen, doch ook zoals artikel 14, lid 3, van de basisverordening preciseert, de oorspronkelijk genomen antidumpingmaatregelen in te trekken of te annuleren. Daarom verruimt artikel 14, lid 1, van deze verordening, anders dan artikel 5(54), het verzoek om nieuw onderzoek tot iedere belanghebbende partij die gewijzigde omstandigheden aantoont.
87 Tot deze gewijzigde omstandigheden behoren de terugkeer tot gezonde handelspraktijken - wat de intrekking of annulering van de oorspronkelijk genomen antidumpingmaatregelen kan rechtvaardigen(55) - doch ook de voortduring, of zelfs de verergering van dumpingsituaties in een bepaalde sector en van de daaruit voortvloeiende schade - hetgeen tot het treffen van nieuwe antidumpingmaatregelen kan leiden.(56)
88 Daarom bepaalt artikel 15, lid 3, van de basisverordening met betrekking tot deze tweede situatie het volgende: "Indien een belanghebbende partij aantoont dat de beëindiging van de maatregel opnieuw tot schade of dreiging van schade zou leiden, [stelt de Commissie, een nieuw onderzoek in]."(57)
89 In de tweede plaats bevestigen de GATT-overeenkomsten en de antidumpingcode, in het licht waarvan de basisverordening moet worden uitgelegd(58), de analyse van het Gerecht.
90 Ofschoon de titel van artikel 5 van de antidumpingcode luidt: "Aanvang van de procedure en daaropvolgend onderzoek", zijn de regels die het oorspronkelijke en het daaropvolgend onderzoek beheersen, identiek.
91 Artikel 5, leden 1, 2 en 3, van de antidumpingcode bepaalt namelijk:
"1. Een onderzoek naar het bestaan, de omvang en de uitwerking van een beweerde dumping wordt als regel geopend naar aanleiding van een door of namens de getroffen industrie ingediend schriftelijk verzoek. Het verzoek dient voldoende bewijzen te bevatten van het bestaan van:
a) dumping;
b) schade in de zin van artikel VI van de Algemene Overeenkomst zoals uitgelegd in deze code, en
c) een oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de beweerde schade.
Indien de betrokken autoriteiten in bijzondere omstandigheden besluiten een onderzoek te openen zonder een dergelijk verzoek te hebben ontvangen, gaan zij hiertoe slechts over indien zij in het bezit zijn van voldoende bewijsstukken betreffende alle punten sub a tot en met c hierboven.
2. Bij het openen van een onderzoek en daarna moeten de bewijsstukken betreffende de dumping en de daardoor veroorzaakte schade tegelijkertijd worden onderzocht. In elk geval worden de bewijsstukken betreffende de dumping en de schade gelijktijdig onderzocht:
a) om te besluiten of al dan niet een onderzoek zal worden geopend, en
b) daarna, gedurende het onderzoek, uiterlijk te rekenen vanaf de datum waarop overeenkomstig de bepalingen van deze code voorlopige maatregelen van toepassing kunnen worden verklaard, behoudens in de gevallen bedoeld in lid 3 van artikel 10, waarin de autoriteiten gevolg geven aan het verzoek van de exporteurs.
3. Een verzoek wordt afgewezen en een onderzoek wordt onverwijld beëindigd zodra de betrokken autoriteiten ervan overtuigd zijn dat de bewijsstukken betreffende hetzij de dumping, hetzij de schade niet voldoende zijn om voortzetting van de procedure te rechtvaardigen. Het onderzoek moet onmiddellijk worden beëindigd indien de marge van dumping, de omvang van de reële of potentiële invoer met dumping, of de schade, te verwaarlozen zijn."(59)
92 Zo ook volgt uit de analyse van artikel 3 van de antidumpingcode betreffende de schade, dat de schade of de dreiging van schade ongeacht het onderwerp van het onderzoek - te weten een "aanvang van de procedure" dan wel een "daaropvolgend onderzoek" - volgens dezelfde criteria moeten worden bepaald.
93 In de derde plaats verklaarde het Hof in het arrest van 7 december 1993, Rima Eletrometalurgia/Raad voor recht, dat "het bestaan van voldoende bewijs van dumping en daaruit voortvloeiende schade steeds een eerste vereiste is voor de opening van een onderzoek, zowel bij de inleiding van een antidumpingprocedure als in de loop van een nieuw onderzoek van een verordening tot instelling van antidumpingrechten".(60)
94 Ik denk niet, dat het Hof het effect van het arrest Rima Eletrometalurgia/Raad en met name de strekking van punt 16 daarvan tot de bijzondere omstandigheden van die zaak heeft willen beperken, doch aan deze uitlegging een algemene strekking heeft willen geven.
95 Mijns inziens moet dit punt 16 in het licht van de arresten van 11 juli 1990, Neotype Techmashexport/Commissie en Raad(61) en Sermes(62), worden bezien. Uit de analyse van deze arresten blijkt afdoende, dat de bijzondere omstandigheden van de zaak Rima Eletrometalurgia/Raad geenszins van invloed waren op de strekking die het Hof aan de aldus gevonden oplossing heeft willen geven.
96 In de eerste zaak in het kader van de vaststelling van een definitief recht na een procedure van nieuw onderzoek(63), heeft het Hof artikel 4, lid 2, van voormelde verordening nr. 2176/84(64) toegepast dat de in acht te nemen criteria betreft om in het kader van het oorspronkelijke onderzoek het bestaan van schade te beoordelen, en in een punt met algemene strekking geoordeeld dat "wat de door Neotype aangevoerde vermindering van het marktaandeel van ingevoerde elektromotoren betreft, moet worden vastgesteld, dat het onderzoek van de schade volgens artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2176/84 gebaseerd moet zijn op een reeks factoren, waarbij een van deze factoren afzonderlijk beschouwd geen beslissende betekenis kan hebben".(65) Aldus verklaarde het Hof voor recht, dat het begrip schade in het kader van een oorspronkelijk onderzoek of van een naar aanleiding van een verzoek tot nieuw onderzoek geopend onderzoek overeenkomstig dezelfde criteria moet worden beoordeeld.
97 Beklemtoond zij, dat artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2423/88 woordelijk de tekst van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2176/84 weergeeft.
98 In de tweede zaak stelde de Raad naar aanleiding van een procedure van nieuw onderzoek krachtens artikel 14 van verordening nr. 2176/84 een verordening vast houdende instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren met een vermogen van meer dan 0,75 kW tot en met 75 kW, van oorsprong uit verschillende Oost-Europese landen en de Sovjet-Unie. Sermes, van wie ingevolge deze verordening antidumpingrechten werden gevorderd voor de invoer van elektromotoren, betoogde, dat de gemeenschapsinstellingen niet hadden vastgesteld, dat de gemeenschapsproducenten wegens de betrokken invoer schade in de zin van artikel 4, lid 2, sub b, van verordening nr. 2176/84 hadden geleden.(66) Uitspraak doende in het kader van een procedure van nieuw onderzoek verklaarde het Hof voor recht, dat "ingevolge artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2176/84 (...) bij het onderzoek van de schade een geheel van factoren (moet) worden betrokken, waarbij een enkele of zelfs verscheidene van deze factoren niet noodzakelijkerwijze beslissend zijn voor de beoordeling".(67)
99 Blijkens voorgaande opmerkingen moeten ter beoordeling of in het kader van het nieuwe onderzoek de beëindiging van een eerder getroffen antidumpingmaatregel opnieuw tot schade of tot dreiging van schade kan leiden, de criteria van artikel 4 van de basisverordening worden toegepast. Bijgevolg is het eerste onderdeel van het eerste middel betreffende de onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht bij de toepassing van het begrip schade niet-ontvankelijk.
Tweede onderdeel: de mogelijkheid in het kader van de procedure van nieuw onderzoek het bestaan van een recessiefase in aanmerking te nemen om de dreiging van schade vast te stellen
100 De Commissie(68) verwijt het Gerecht het recht te hebben geschonden door te oordelen dat de Raad zich in het kader van een procedure van nieuw onderzoek niet kon baseren op het bestaan van een recessiefase in de bedrijfstak van kogellagers in de Gemeenschap om de dreiging van schade vast te stellen.(69)
101 Gelet op voorgaande overwegingen en op de getrokken conclusies(70) kon deze factor mijns inziens, zoals het Gerecht terecht opmerkte(71), door de Raad niet in acht worden genomen zonder schending van artikel 4, lid 1, laatste zin, van de basisverordening, dat het volgende bepaalt: "Schade veroorzaakt door andere factoren, zoals de omvang en de prijzen van de invoer zonder dumping of subsidiëring of inkrimping van de vraag, die afzonderlijk of gecombineerd eveneens nadelige gevolgen voor de communautaire bedrijfstak hebben, mag niet worden toegeschreven aan de invoer met dumping of subsidiëring."(72)
102 Derhalve luidt mijn conclusie, dat het Gerecht terecht oordeelde, dat het bestaan van schade in het kader van een procedure van nieuw onderzoek aan de hand van de in artikel 4, leden 2 en 3, van de basisverordening limitatief genoemde criteria moet worden vastgesteld.
103 Mitsdien moet het eerste middel in hogere voorziening mijns inziens worden afgewezen, daar het Gerecht niet kan worden verweten het recht te hebben geschonden.
Het tweede middel betreffende de overschrijding van de in artikel 7, lid 9, sub a, van de basisverordening bedoelde onderzoekstermijn
104 Met een tweede middel lijkt(73) de Commissie het Hof mijns inziens subsidiair te verzoeken het arrest van het Gerecht te vernietigen, doch alleen indien artikel 1 van verordening nr. 2849/92 wegens schending van artikel 7, lid 9, sub a, van de basisverordening op zichzelf tevens nietig werd verklaard.
105 Uit de motivering zelf van het bestreden arrest volgt mijns inziens, dat alleen al uit de afwijzing van het eerste middel in hogere voorziening voortvloeit, dat artikel 1 van verordening nr. 2849/92 nietig moet worden verklaard, voor zover verweersters daarbij een antidumpingrecht is opgelegd.
106 Na onderzoek van het eerste middel en na te hebben verklaard dat "gelet op deze elementen en voorts op de misleidende of onjuiste vaststellingen (...), het (...) niet uitgesloten [is] dat de Raad zonder de hiervoor besproken dwalingen ten aanzien van het recht of van de feiten niet zou hebben geconcludeerd tot het bestaan van dreiging van schade"(74), komt het bestreden arrest tot de slotsom: "Mitsdien dient de vordering van verzoeksters te worden toegewezen en de bestreden verordening, voor zover zij hen raakt, te worden nietig verklaard."(75)
107 Ofschoon het Gerecht, na het tweede middel te hebben onderzocht, erop wijst, dat "de Raad niet tot genoegen van recht heeft aangetoond, dat de nieuwe onderzoeksperiode in dit geval binnen een redelijke termijn is afgesloten. Mitsdien is het middel ontleend aan schending van artikel 7, lid 9, sub a, van de basisverordening, eveneens gegrond"(76), leidt het daaruit evenwel niet af, dat de schending van artikel 7, lid 9, sub a, van de basisverordening ook de nietigverklaring van artikel 1 van de bestreden verordening rechtvaardigt, doch dat "uit al het voorgaande volgt, dat artikel 1 van de bestreden verordening nietig moet worden verklaard voor zover het verzoeksters betreft, zonder dat het Gerecht uitspraak behoeft te doen op de andere door verzoeksters voorgedragen middelen, of de instructiemaatregelen behoeft te gelasten waarom Koyo Seiko in zaak T-165/94 heeft gevraagd".(77)
108 Bijgevolg trok het Gerecht mijns inziens geen enkel expliciet gevolg uit de schending van artikel 7 van de basisverordening wat de geldigheid of ongeldigheid van de litigieuze verordening betreft. Derhalve behoeft het tweede middel in hogere voorziening niet te worden onderzocht.
109 Volledigheidshalve zal ik het tweede middel evenwel subsidiair onderzoeken.
110 Ik merk op, dat het Hof zich nooit heeft uitgesproken over de gevolgen van de overschrijding van de termijn van artikel 7, lid 9, sub a, van de basisverordening, ofschoon het in voormelde zaken Continentale Produkten-Gesellschaft(78) en Epicheiriseon Metalleftikon Viomichanikon kai Naftiliakon e.a./Raad daarom was verzocht.
111 Volgens de advocaten-generaal Darmon(79) en Tesauro(80) hoefde de niet-naleving van artikel 7, lid 9, sub a, van de basisverordening niet automatisch tot nietigverklaring van de verordening te leiden. Daar het Hof de duur van het betrokken onderzoek niet "onredelijk" achtte, hoefde het evenwel op dit probleem niet in te gaan.
112 Hoofdzakelijk om twee redenen deel ik de opvatting van Darmon en Tesauro.
113 In de eerste plaats is de door de communautaire en internationale wetgever voorgeschreven termijn van een jaar voor de duur van een onderzoek geen vaste tijdslimiet.
114 Aldus bepaalt artikel 7, lid 9, sub a, tweede zin, van de basisverordening alleen het volgende: "In het algemeen dient het onderzoek binnen een jaar na de aanvang van de procedure te zijn afgesloten."(81) Het gebruik van de uitdrukking "in het algemeen" verzwakt de gebiedende strekking van het werkwoord "dient" en beklemtoont het niet-dwingende karakter van de termijn.
115 Evenzo bepaalt artikel 5, lid 5, van de antidumpingcode: "Een onderzoek dient, behoudens bijzondere omstandigheden, binnen een jaar na de opening ervan te worden beëindigd."(82) De internationale regelgever preciseert evenwel niet, wat moet worden verstaan onder "bijzondere omstandigheden". Aldus laat hij de bevoegde autoriteiten een zekere beoordelingsmarge wat de onderzoekstermijn betreft.
116 In de tweede plaats wordt in de basisverordening of in de antidumpingcode nergens een sanctie gesteld op de overschrijding van deze termijn.
117 Uit de eerste vaststelling leidde het Hof af, dat het wegens deze onnauwkeurige formuleringen bij de termijn van artikel 7 van de basisverordening om een (louter) indicatieve en niet om een dwingende termijn gaat.(83)
118 Aangezien het Hof van oordeel was, dat de termijn van artikel 7 van de basisverordening wegens de onnauwkeurige tekst daarvan niet dwingend kan worden geacht, kan het Hof mijns inziens, aangezien er geen enkele sanctie wordt gesteld, de teksten a fortiori niet aldus uitleggen, dat de nietigverklaring van de - na een overigens correct gevolgde procedure - door de bevoegde instellingen genomen eindbeslissing de juiste sanctie is die bij overschrijding van de onderzoekstermijn - afzonderlijk genomen - moet worden opgelegd.
119 De door mij voorgestane uitlegging weerspiegelt bovendien ook het door een aantal lidstaten gehuldigde beginsel, dat het bestaan van een sanctie niet kan worden vermoed. Mijns inziens vormt dit beginsel in casu het noodzakelijke uitvloeisel van het door het gemeenschapsrecht erkende algemene rechtszekerheidsbeginsel.
120 Aangezien het Hof deze termijn slechts indicatief heeft geacht, kan de overschrijding ervan ten slotte niet met "schending van wezenlijke vormvoorschriften" in de zin van artikel 173, tweede alinea, van het Verdrag worden gelijkgesteld.
121 Mitsdien concludeer ik, dat de nietigverklaring van de litigieuze verordening niet de juiste sanctie voor de enkele schending van artikel 7 van de basisverordening kan vormen.
IV - Kosten
122 Volgens artikel 69, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt in de gedingen tussen de gemeenschapsinstellingen en particulieren, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Bijgevolg moet de Commissie, rekwirante, in de kosten worden verwezen.
Conclusie
123 Mitsdien concludeer ik dat het het Hof behage:
1) de hogere voorziening af te wijzen;
2) rekwirante in de kosten van de hogere voorziening te verwijzen.
(1) - Arrest van 2 mei 1995, NTN Corporation en Koyo Seiko/Raad (T-163/94 en T-165/94, Jurispr. blz. II-1381; hierna: "bestreden arrest").
(2) - Verordening van 28 september 1992 tot wijziging van het bij verordening (EEG) nr. 1739/85 ingestelde definitieve antidumpingrecht op de invoer in de Europese Gemeenschap van kogellagers met de grootste uitwendige diameter van meer dan 30 mm, van oorsprong uit Japan (PB L 286, blz. 2), alsmede een rectificatie van voormelde verordening nr. 2849/92 (PB 1993, L 72, blz. 36).
(3) - Besluit 94/149/EGKS, EG van de Raad van 7 maart 1994 houdende wijziging van besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG tot wijziging van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB L 66, blz. 29).
(4) - Procedure bedoeld in de artikelen 14 en 15 van verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB L 209, blz. 1), gewijzigd bij verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1), sindsdien in werking getreden.
(5) - Artikel 7 van verordening nr. 2423/88.
(6) - Tweede overweging van de considerans.
(7) - Besluit 80/271/EEG van de Raad van 10 december 1979 betreffende de sluiting van de multilaterale overeenkomsten waarover tijdens de handelsbesprekingen 1973-1979 overeenstemming is bereikt, in casu toepasselijk (PB 1980, L 71, blz. 1 en 90). Dit besluit is vervangen door besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB L 336, blz. 1). Bovendien is een nieuwe overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 gesloten (PB L 336, blz. 103).
(8) - Zie, met name, arrest van 7 mei 1991, Nakajima/Raad (C-69/89, Jurispr. blz. I-2069, punten 86 en 87).
(9) - Zie, met name, arrest van 28 november 1989, Epicheiriseon Metalleftikon Viomichanikon kai Naftiliakon e.a./Raad (C-121/86, Jurispr. blz. 3919, punt 8).
(10) - Zie, met name, arrest van 7 mei 1987, Toyo e.a./Raad (240/84, Jurispr. blz. 1809, punten 13 en 14).
(11) - Zie, met name, arrest van 11 juli 1990, Stanko France/Commissie en Raad (C-320/86 en C-188/87, Jurispr. blz. I-3013).
(12) - Zie, met name, arrest Epicheiriseon Metalleftikon Viomichanikon kai Naftiliakon e.a./Raad (reeds aangehaald, punt 20).
(13) - Ibid., punt 8.
(14) - Zie, met name, arrest van 4 oktober 1983, Fediol/Commissie (191/82, Jurispr. blz. 2913, punt 26).
(15) - Zie, met name, arrest Toyo e.a./Raad (reeds aangehaald, punten 21-24).
(16) - Zie, met name, arrest van 14 juli 1988, Fediol/Commissie (187/85, Jurispr. blz. 4155, punt 6).
(17) - Zie, met name, arrest van 20 maart 1985, Timex/Raad en Commissie (264/82, Jurispr. blz. 849, punten 30 en 31).
(18) - Punt 65 van het bestreden arrest.
(19) - Punten 30-32.
(20) - Tweede en derde overweging van de considerans.
(21) - Verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB L 201, blz. 1).
(22) - Vierde tot en met negende overweging van de considerans.
(23) - Tiende overweging van de considerans en volgende.
(24) - Verordening van 24 juni 1985 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten kogellagers en kegellagers van oorsprong uit Japan (PB L 167, blz. 3).
(25) - 26e-32e overweging van de considerans van de litigieuze verordening.
(26) - Ibid., 39e overweging van de considerans.
(27) - Bericht 90/C 132/06 betreffende de verlenging van de geldigheid van antidumpingmaatregelen met betrekking tot de invoer van kogellagers met een grootste uitwendige diameter van meer dan 30 mm, van oorsprong uit Japan (PB C 132, blz. 5).
(28) - Punten 26 en 27 van het bestreden arrest.
(29) - Zie, met name, arrest van 9 maart 1994, TWD Textilwerke Deggendorf (C-188/92, Jurispr. blz. I-833, punt 13).
(30) - Commissie/NTN Corporation, Interventie II (C-245/95 P, Jurispr. blz. I-559, punt 9).
(31) - Commissie/NTN Corporation, Interventie I (Jurispr. blz. I-553).
(32) - Punten 3-6.
(33) - C-137/92 P, Jurispr. blz. I-2555.
(34) - Ibid., punt 42.
(35) - Punten 12-31 van het verzoekschrift in hogere voorziening.
(36) - Punten 30-116 van het bestreden arrest.
(37) - Ibid., punt 58.
(38) - Ibid., punt 59.
(39) - Punt 23 van het verzoekschrift in hogere voorziening.
(40) - Ibid., punt 24.
(41) - Ibid., punt 25, cursivering van mij.
(42) - Punt 15 van de memorie van antwoord van NTN en Koyo Seiko.
(43) - Zie, met name, arrest van 1 oktober 1991, Vidrányi/Commissie (C-283/90 P, Jurispr. blz. I-4339, punt 12).
(44) - Punt 21 van deze conclusie.
(45) - Cursivering van mij.
(46) - Ibidem.
(47) - Alleen artikel 16 vermeldt het begrip "oorspronkelijk onderzoek", terwijl dat van "tweede enquête" nooit wordt gebezigd. Daarentegen komt het woord "onderzoek" in de artikelen 7, 10, 12, 13 en 14 voor.
(48) - Zie de negende, de elfde en de negentiende overweging van de considerans.
(49) - Artikelen 4, 5, 6, 7, 10, 11, 12, 13 en 15.
(50) - Artikelen 4, 10, 12 en 15.
(51) - Artikel 14, lid 1, cursivering van mij.
(52) - Punt 29 van het verzoekschrift in hogere voorziening.
(53) - Ibidem.
(54) - Zie punt 76 van deze conclusie.
(55) - Artikel 14, lid 3, van de basisverordening.
(56) - Artikel 15, lid 3, van de basisverordening.
(57) - Cursivering van mij.
(58) - Zie de punten 12 en 13 van deze conclusie.
(59) - Cursivering van mij.
(60) - C-216/91, Jurispr. blz. I-6303, punt 16.
(61) - C-305/86 en C-160/87, Jurispr. blz. I-2945.
(62) - C-323/88, Jurispr. blz. I-3027.
(63) - Zie de punten 6-9 van het arrest Neotype Techmashexport/Commissie en Raad, reeds aangehaald.
(64) - Deze verordening die ten tijde van de feiten van kracht was, is ingetrokken en vervangen door verordening nr. 2423/88 (zie punt 20 van deze conclusie).
(65) - Arrest Neotype Techmashexport/Commissie en Raad, reeds aangehaald, punt 50.
(66) - Arrest Sermes, reeds aangehaald, punt 26.
(67) - Ibid., punt 27.
(68) - Punt 30 van het verzoekschrift in hogere voorziening.
(69) - Punt 97 van het bestreden arrest.
(70) - Eerste onderdeel van het eerste middel.
(71) - Punt 98 van het bestreden arrest.
(72) - Cursivering van mij.
(73) - De tot staving van het tweede middel door de Commissie gemaakte opmerkingen zijn niet erg duidelijk (zie met name de punten 5, 7, 8 en 32 van deze opmerkingen).
(74) - Punt 115 van het bestreden arrest.
(75) - Ibid., cursivering van mij.
(76) - Punt 124, cursivering van mij.
(77) - Punt 125, cursivering van mij.
(78) - Arrest van 12 mei 1989 (246/87, Jurispr. blz. 1151).
(79) - Punt 10 van zijn conclusie bij het arrest Continentale Produkten-Gesellschaft, reeds aangehaald.
(80) - Punt 9 van zijn conclusie bij het arrest Epicheiriseon Metalleftikon Viomichanikon kai Naftiliakon e.a./Raad, reeds aangehaald.
(81) - Cursivering van mij.
(82) - Cursivering van mij.
(83) - Aldus vaste rechtspraak (zie met name de door het Gerecht in punt 119 van het bestreden arrest geciteerde arresten).
Full & Egal Universal Law Academy