Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1 Kan een uitspraak van een nationale rechterlijke instantie een nieuw feit opleveren, zodat de termijn waarbinnen een besluit van de Commissie op grond van het Ambtenarenstatuut kan worden aangevochten, opnieuw begint te lopen, terwijl dit besluit binnen de oorspronkelijk termijn niet was aangevochten? Kan een Lid-Staat bij de Commissie een lijst met namen van mogelijke kandidaten voor aanstelling als tijdelijk functionaris indienen? Dit zijn de vragen die het Hof in deze procedure door de Belgische Raad van State worden gesteld. De eerste vraag houdt min of meer een procedurele paradox in, aangezien het Hof wordt verzocht zich in een prejudiciële beslissing uit te spreken over de wijze waarop het Gerecht van eerste aanleg hierover zou moeten beslissen in een eventueel toekomstig beroep.
II - De feiten en het procesverloop
2 In september 1993 reageerde M. Coen (hierna: "verzoekster"), ambtenaar van het Belgische Ministerie van Buitenlandse zaken, op een advertentie van de Commissie in een aantal nationale dagbladen, waarin kandidaten werden opgeroepen voor aanstelling als tijdelijk functionaris in rang A in diverse disciplines. Verzoekster solliciteerde op 11 november 1993. Hoewel zij tot de 42 van de 826 kandidaten behoorde die voor een gesprek waren uitgenodigd, werd zij niet op de in juni 1994 opgestelde reservelijst geplaatst.
3 In het kader van dezelfde aanwervingsprocedure verzocht de Commissie in oktober 1993 de permanente vertegenwoordigers van alle Lid-Staten een lijst met drie kandidaten in te dienen, bij voorkeur eerste-ambassadesecretarissen of pas aangestelde ambassaderaden, voor een aanstelling als tijdelijk functionaris bij het in oprichting zijnde directoraat-generaal I-A (hierna: "DG I-A"), dat de werkzaamheden van de Commissie op het gebied van de externe politieke betrekkingen van de Gemeenschap zou gaan voorbereiden. Op 24 november 1993 zond de Belgische minister van Buitenlandse zaken een lijst met drie namen - waaronder C. Tanghe - toe aan de permanente vertegenwoordiger, ter doorzending aan de Commissie.
4 Op 15 december 1993 verzocht verzoekster het bevoegde gezag bij het Ministerie van Buitenlandse zaken haar op de lijst van aanbevolen kandidaten te plaatsen. Haar sollicitatie werd niet doorgezonden naar de Commissie, aangezien ze te laat was ingediend en verzoekster een lagere rang had dan het door het ministerie vastgestelde minimumniveau van de voorgedragen kandidaten.
5 Op 14 februari 1994 stelde verzoekster een procedure in bij de Belgische Raad van State, afdeling Administratie. Zij vorderde nietigverklaring zowel van het besluit van de minister van Buitenlandse zaken waarbij drie kandidaten waren voorgedragen voor aanstelling als tijdelijk functionaris bij DG I-A van de Commissie, als van het besluit om haar sollicitatie naar de betrokken functies niet door te sturen (hierna: de "aangevochten besluiten").
6 De aangevochten besluiten werden op 9 februari 1994 bij arrest van de Raad van State geschorst. De schorsing werd op 28 maart 1994 opgeheven. In zijn arrest oordeelde de Raad van State, dat het beroep niet-ontvankelijk was, aangezien de aangevochten besluiten voorbereidingshandelingen waren die slechts aan rechterlijke toetsing konden worden onderworpen, indien zij bindend waren voor de Commissie, hetgeen niet het geval was.
7 De daaropvolgende discussie voor de Raad van State betrof hoofdzakelijk de bevoegdheid. De Belgische Staat stelde, dat de aangevochten besluiten deel uitmaakten van een besluitvormingsprocedure van de Gemeenschap; aangezien het om voorbereidende maatregelen ging die niet bindend waren voor de Commissie, hadden zij geen rechtsgevolg en diende het beroep als niet-ontvankelijk te worden beschouwd. Verzoekster voerde aan, dat zij ten gevolge van de indiening van een lijst bij de Commissie waarin haar naam niet voorkwam, voorgoed was benadeeld, daar zij daardoor was uitgesloten van de aanwervingsprocedure. Zij beriep zich op het arrest van het Hof in de zaak Oleificio Borelli(1), stellende dat het vereiste van rechterlijke controle van een nationaal besluit dat deel uitmaakt van een besluitvormingsprocedure van de Gemeenschap, een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht is, dat zou worden geschonden indien de Raad van State zich onbevoegd zou verklaren om de aangevochten besluiten te toetsen, aangezien haar hiermee elke mogelijkheid van rechterlijke controle zou worden ontnomen.
8 Tegen deze achtergrond stelde verzoekster de Raad van State voor, het Hof de vraag voor te leggen, of de indiening van een lijst met drie namen door de Belgische Staat een besluit was "waarvan de geldigheid door het Gerecht van eerste aanleg en het Hof van Justitie in een beroep tot nietigverklaring tegen de aanstelling van een van de kandidaten kan worden getoetst, zodat, indien het Gerecht van eerste aanleg en het Hof ter zake bevoegd zijn, de Belgische Raad van State niet langer bevoegd is de geldigheid van deze keuze en het indienen van de lijst te beoordelen".
9 Op 26 oktober 1994 werden de Raad van State en verzoekster in kennis gesteld van de aanstelling van C. Tanghe als tijdelijk functionaris van de Commissie met ingang van 16 september 1994.
10 In haar rapport aan de Raad van State van 16 november 1994 betoogde auditeur Debusschere, dat volgens het arrest Oleificio Borelli de Raad van State de aangevochten besluiten zou moeten toetsen indien deze voor de Commissie bindend waren. Aangezien zij dit echter niet waren, concludeerde zij dat het beroep niet-ontvankelijk was, daar het slechts tegen voorbereidingshandelingen was gericht. Gezien het feit dat tegen beslissingen van de Raad van State geen rechtsmiddelen openstaan, was zij echter van mening, dat de door verzoekster voorgestelde vraag aan het Hof diende te worden voorgelegd overeenkomstig artikel 177 van het Verdrag.
11 Tijdens de mondelinge behandeling op 31 mei 1995 wees verzoekster erop, dat de toekomstige beslissing van de Raad van State op haar vordering een nieuw feit zou kunnen vormen, waardoor de termijn voor het instellen van een beroep bij het Gerecht van eerste aanleg tegen de aanstelling van C. Tanghe opnieuw zou ingaan.
12 Bij arrest van 14 juni 1995 heeft de Zesde kamer van de Belgische Raad van State de volgende vragen aan het Hof voorgelegd:
"Moet artikel 173, vijfde alinea, van het Verdrag van Rome aldus worden uitgelegd, dat de daarin bepaalde termijn van twee maanden voor het instellen van beroep tegen handelingen van de Commissie opnieuw kan ingaan ten gevolge van een beslissing van een rechterlijke instantie van een Lid-Staat waarbij een handeling van die Lid-Staat onwettig is verklaard, wanneer deze handeling van invloed kan zijn geweest op het te bestrijden besluit van de Commissie?"
[Zo ja, (...)]
"Is het verzoek om kandidaten voor posten bij de administratie van de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor te dragen, dat tijdens een vergadering van de permanente vertegenwoordigers en de secretaris-generaal van de Commissie rechtstreeks aan de Lid-Staten werd gericht, zonder verdere publiciteit of buiten de in het Publikatieblad aangekondigde aanwervingsprocedure, geldig, met name gelet op de bepalingen inzake de aanwerving van ambtenaren en functionarissen van de Commissie?"
III - Opmerkingen van partijen
13 Opmerkingen zijn ingediend door verzoekster, de Belgische regering en de Commissie. Deze kunnen als volgt worden samengevat:
14 Volgens verzoekster betreft het hoofdgeding het recht van een Lid-Staat om kandidaten voor te dragen en te steunen voor een aanstelling als functionaris bij de Commissie; mocht de Raad van State de aangevochten besluiten nietig verklaren, dan kan verzoekster in een afzonderlijke procedure voor een Belgische burgerlijke rechter schadevergoeding vorderen. De verwijzing naar artikel 173 van het Verdrag moet worden opgevat als een verwijzing naar artikel 179 van het Verdrag en de artikelen 90 en 91 Ambtenarenstatuut, waarin de bevoegdheid van het Hof is geregeld met betrekking tot geschillen tussen de instellingen en personen op wie het Ambtenarenstatuut van toepassing is, daaronder begrepen kandidaten voor een functie bij de instellingen. In haar optiek zou het antwoord op de eerste vraag moeten luiden, dat een belangrijk nieuw feit de in de artikelen 90 en 91 Ambtenarenstatuut bepaalde termijnen opnieuw kan doen ingaan en grond kan opleveren voor het in behandeling nemen van een beroep tegen een besluit dat niet binnen de gestelde termijnen is aangevochten.
15 Ten aanzien van de tweede vraag stelt verzoekster, dat de onafhankelijkheid van het Europese ambtenarenapparaat, een essentieel algemeen rechtsbeginsel, en de autonomie van het gemeenschapsrecht in de weg staan aan inmenging van een Lid-Staat of andere derden in het handelen van de gemeenschapsinstellingen. Zij beroept zich op de artikelen 11 en 27 Ambtenarenstatuut en op het arrest Costa.(2) In haar opvatting was het tot aanstelling bevoegde gezag niet gerechtigd een functie voor te behouden aan een onderdaan van een bepaalde Lid-Staat; de Commissie echter heeft de door het Belgische Ministerie van Buitenlandse zaken voorgedragen kandidaten in aanmerking genomen (en één van hen aangesteld) en heeft daarmee afbreuk gedaan aan het noodzakelijkerwijs objectieve karakter van het besluit tot aanstelling van functionarissen in DG I-A. De besluiten van de Commissie zijn volgens haar derhalve genomen in strijd met de beginselen van autonomie en onafhankelijkheid en met het Ambtenarenstatuut.
16 De Belgische regering wijst erop, dat verzoekster geen klacht overeenkomstig het Ambtenarenstatuut heeft ingediend (ook al is dit punt niet van invloed op de procedure voor de Raad van State), dat inachtneming van de in het Verdrag vastgestelde termijnen een kwestie van openbare orde is en dat er geen enkele grond is om deze termijnen opnieuw te laten ingaan.
17 Ook de Commissie merkt op, dat verzoekster geen klacht overeenkomstig het Ambtenarenstatuut heeft ingediend en geen beroep heeft ingesteld bij het Gerecht van eerste aanleg tegen de aanstelling van C. Tanghe of tegen het besluit van de Commissie, niet haar aan te stellen. De in de artikelen 90 en 91 Ambtenarenstatuut bepaalde termijnen zijn van openbare orde en waarborgen, dat administratieve besluiten als onherroepelijk kunnen worden beschouwd ten opzichte van de betrokkenen zodra de klacht- of beroepstermijn is verstreken. De Commissie voegt hieraan toe, dat een rechterlijke uitspraak, van een nationale rechter dan wel van het Hof van Justitie, niet als "nieuw feit" kan worden beschouwd en dat het dossier geen feiten bevat op grond waarvan de desbetreffende termijnen opnieuw zouden moeten ingaan. De Commissie stelt daarom voor, de eerste vraag ontkennend te beantwoorden.
18 Ofschoon de Commissie opmerkt, dat met het door haar voorgestelde antwoord op de eerste vraag, de tweede vraag niet behoeft te worden beantwoord, gaat zij nader in op de omstandigheden van haar verzoek aan de Lid-Staten. In de diplomatieke diensten van de Lid-Staten was uiteraard een groot aantal kandidaten met de vereiste ervaring te vinden voor een aanstelling in een tijdelijke functie bij DG I-A. Bovendien heeft de directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen beheer van de Commissie in een brief van 22 maart 1994 aan verzoekster verklaard, dat de indiening van nationale kandidatenlijsten als waartegen verzoekster voor de Raad van State opkwam, niet van invloed was op de beoordeling van de talloze binnengekomen sollicitaties of op de komende aanstellingen. De door de Lid-Staten ingediende kandidatenlijsten zijn toegevoegd aan de naar aanleiding van een aankondiging in de pers binnengekomen sollicitaties, in totaal 826, waaruit er 16 zijn geselecteerd. De Commissie concludeert, dat een afgewezen kandidaat die geen gebruik maakt van de rechtsmiddelen waarin het Ambtenarenstatuut en het Verdrag voorzien, niet de mogelijkheid zou moeten hebben om dit verzuim te herstellen via een prejudiciële procedure op grond van artikel 177 van het Verdrag.
IV - Behandeling van de vragen van de nationale rechterlijke instantie
19 Hoewel in de eerste vraag om de uitlegging van artikel 173, vijfde alinea, van het Verdrag wordt gevraagd, staat vast dat de bevoegdheid van het Hof om uitspraak te doen over (eventuele toekomstige) geschillen tussen verzoekster en de Commissie berust op artikel 179 van het Verdrag en dat artikel 173 in casu niet relevant is. De uitoefening van deze bevoegdheid is geregeld in de artikelen 90 tot en met 91 bis Ambtenarenstatuut, die van overeenkomstige toepassing zijn op tijdelijk personeel (artikel 73 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden). Het is vaste rechtspraak van het Hof, "dat niet alleen degenen die de hoedanigheid van ambtenaar of personeelslid bezitten, mits niet die van plaatselijk functionaris, maar ook degenen die op die hoedanigheid aanspraak maken, bij het Hof beroep kunnen instellen tegen een besluit waardoor zij zich bezwaard achten".(3) Op grond van artikel 3, lid 1, sub a, van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen(4), wordt deze bevoegdheid, in eerste aanleg, door dat gerecht uitgeoefend.
20 De eerste vraag van de nationale rechter is gebaseerd op de expliciete premisse, dat "verzoekster geen belang heeft bij nietigverklaring van de aangevochten besluiten door de Raad van State, aangezien dit voor haar geen kansen schept alsnog te worden aangesteld", indien de termijnen niet opnieuw kunnen ingaan.(5) Dit wordt bevestigd door het verwijzingsarrest, waarin uitdrukkelijk staat dat de tweede vraag alleen relevant is indien de eerste bevestigend wordt beantwoord. Het doel van de eerste vraag is dus enkel, of verzoekster van de Commissie heroverweging van haar besluit tot aanstelling van C. Tanghe kan eisen, ondanks dat de in het Ambtenarenstatuut vastgestelde termijnen zijn verstreken.
21 Vaststaat dat verzoekster op 26 oktober 1994 kennis heeft gekregen van de aanstelling van C. Tanghe. Tegen dit besluit is geen klacht ex artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut ingediend binnen drie maanden na de kennisgeving, en ook daarna heeft verzoekster geen stappen ondernomen tegen de Commissie.
22 Verzoekster beroept zich op een aantal arresten van het Hof en van het Gerecht van eerste aanleg waarin is uitgemaakt, dat in het geval van belangrijke nieuwe feiten een gelaedeerde krachtens artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut de instelling kan verzoeken om een besluit dat niet binnen de daarvoor geldende termijn was aangevochten, te herzien.(6) Bij de eerste vraag gaat het er derhalve om, of de uitspraak van een nationale rechter een zodanig "belangrijk nieuw feit" kan vormen, indien de besluiten waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd voor de nationale rechter, van invloed kunnen zijn geweest op het aanstellingsbesluit van de Commissie.
23 In deze zaak wordt het Hof verzocht een aantal procedureregels uit te leggen, die geen waarneembaar effect hebben op de bij de nationale rechter aanhangige zaak. Hier zou het Hof, mijns inziens, in de eerste plaats moeten nagaan, of het wel bevoegd is deze vraag te beantwoorden.
24 In de zaak Dzodzi heeft het Hof inderdaad beslist, dat "in het kader van de door artikel 177 beoogde bevoegdheidsverdeling tussen de nationale rechter en het Hof, het Hof een prejudiciële uitspraak doet zonder dat het zich in beginsel behoeft te bekommeren om de omstandigheden die de nationale rechter ertoe hebben gebracht die vragen te stellen, en om de wijze waarop hij die gemeenschapsbepaling waarvan hij uitlegging heeft gevraagd, denkt toe te passen".(7) Het Hof zegt vervolgens echter, dat dit slechts anders zou zijn "wanneer zou blijken dat een oneigenlijk gebruik van de procedure van artikel 177 wordt gemaakt en wel om via een geconstrueerd geschil een uitspraak van het Hof uit te lokken, of wanneer duidelijk is dat de gemeenschapsbepaling waarvan het Hof om uitlegging wordt gevraagd, niet van toepassing kan zijn".(8) Het Hof heeft ook altijd gezegd, dat het niet bevoegd is een prejudiciële uitspraak te doen "wanneer duidelijk blijkt, dat de door de [nationale] rechter gestelde vraag over de uitlegging van het gemeenschapsrecht (...) geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding".(9)
25 De vraag, of een uitspraak van een nationale rechter een nieuw feit kan vormen, waardoor een instelling verplicht zou zijn een verzoek om herziening van een voor betrokkene bezwarend eerder besluit in behandeling te nemen, betreft duidelijk het gemeenschapsrecht. Gezien de nogal bijzondere omstandigheden van deze zaak meen ik echter, dat dit op zich niet voldoende is om de bevoegdheid van het Hof aan te nemen.
26 Ten eerste wordt met de eerste voorgelegde vraag alleen beoogd vast te stellen, of verzoekster de termijn voor het betwisten van een aanstellingsbesluit van de Commissie, dat zij, zoals zij toegeeft, niet tijdig heeft bestreden, kan negeren. Dit lijkt mij niet in overeenstemming met het eigenlijke doel van artikel 177, ten behoeve van nationale rechterlijke instanties uitspraak doen over de uitlegging (en bij afgeleide wetgeving, over de geldigheid) van bepalingen van gemeenschapsrecht die de nationale rechterlijke instanties vervolgens op de feiten van de bij hen aanhangige zaak moeten toepassen. Hoewel het Hof in het algemeen wordt verzocht om uitlegging van bepalingen van gemeenschapsrecht die in de rechtsbetrekkingen tussen de partijen in het hoofdgeding kunnen worden toegepast, kan het op grond van artikel 177 ook worden gevraagd om zowel procedurele(10) als materiële(11) bepalingen van gemeenschapsrecht uit te leggen die van invloed kunnen zijn op de vraag, in hoeverre de nationale rechter bevoegd is om het hem voorgelegde geschil te beslechten; men zou kunnen zeggen, dat de nationale rechter dan niet zozeer die bepalingen, als wel de gegeven interpretatie toepast. In deze zaak kunnen de in de vraag bedoelde bepalingen van gemeenschapsrecht - hoe zij ook worden uitgelegd - niet van invloed zijn op de bevoegdheid van de nationale rechter en kan deze de door het Hof gegeven uitlegging derhalve niet toepassen.
27 Dat het Hof met betrekking tot de eerste vraag niet bevoegd is, blijkt uit het feit dat het antwoord van het Hof, hoe dit ook luidt, geen gevolgen kan hebben voor de geldigheid van de aangevochten besluiten. De Belgische rechter is verzocht om een uitspraak over de vraag, of de betrokkenheid van de Belgische Staat bij de aanstelling van bepaalde tijdelijke functionarissen bij de Commissie onverenigbaar was met het gemeenschapsrecht; ten aanzien hiervan stelde de Raad van State, dat "de bevoegdheid van de Belgische regering om kandidaten voor te dragen (...) afhangt van de regelmatigheid van de door de Commissie ingeleide aanstellingsprocedure". Wat de bevoegdheid betreft, besliste de Raad van State, dat de geldigheid van de aangevochten besluiten alleen zou worden getoetst, "indien verzoekster nietigverklaring van de aanstelling van C. Tanghe door het Gerecht van eerste aanleg kan verkrijgen".
28 Het is duidelijk, dat de bevoegdheid van de Raad van State om uitspraak te doen over de geldigheid van de aangevochten besluiten, gemeenschapsrechtelijk geen enkel verband houdt met de ontvankelijkheid van een eventueel beroep dat die verzoekster tegen de Commissie zou willen instellen. De Raad van State lijkt tot het stellen van zijn vragen - op instigatie van verzoekster - te zijn gekomen door de noodzaak, geen inbreuk te maken op wat advocaat-generaal Darmon in de zaak Oleifcio Borelli het beginsel "recht op een rechter" noemde. Hij omschreef dit als volgt: "een particulier die zich benadeeld voelt door een besluit dat hem een aan het gemeenschapsrecht ontleend recht of voordeel ontneemt, moet beroep kunnen instellen tegen dat besluit en moet volledige rechtsbescherming genieten".(12) Een nationaal besluit waardoor de verzoeker definitief juridisch wordt benadeeld, moet op nationaal niveau door een rechter kunnen worden getoetst.
29 In zijn arrest in die zaak besliste het Hof, dat indien een nationale handeling "wordt verricht in het kader van een communautair besluitvormingsproces (...) het derhalve aan de nationale rechterlijke instanties staat om zich, in voorkomend geval na een prejudiciële verwijzing naar het Hof, uit te spreken over de wettigheid van de betrokken nationale handeling, en wel onder dezelfde voorwaarden als gelden bij elk definitief besluit van dezelfde nationale autoriteit dat voor derden bezwarend kan zijn, en dat zij het daartoe ingestelde beroep derhalve als ontvankelijk dienen te beschouwen, ook indien het nationale procesrecht niet in een dergelijk geval voorziet".(13)
30 De verwijzende rechter had in casu kunnen toetsen, of de aangevochten besluiten in overeenstemming zijn met het gemeenschapsrecht, in het bijzonder met de op verzoekster van toepassing zijnde bepalingen van het Ambtenarenstatuut, en het Hof een prejudiciële beslissing over ongeacht welk gemeenschapsrechtelijk aspect kunnen vragen, indien dat voor zijn beslissing noodzakelijk was; dat lijkt inderdaad de bedoeling te zijn van de tweede vraag. Hoewel partijen van mening verschillen, of de Raad van State, conform het arrest Oleificio Borelli, verplicht is om zijn bevoegdheid in het hoofdgeding uit te oefenen, is tussen hen niet echt in geschil, of het arrest van de Raad van State ertoe kan leiden dat de in het Ambtenarenstatuut vastgestelde termijnen opnieuw ingaan; de Raad van State lijkt dit punt eigener beweging in het verwijzingsarrest aan de orde te hebben gesteld. Van een uitspraak van het Hof ter zake kan men dan ook niet zeggen, dat "daaraan werkelijk behoefte bestaat met het oog op de beslechting van een geschil" dat aanhangig is bij de verwijzende rechter.(14)
31 De eerste vraag berust mijns inziens op een dubbele hypothese en een cirkelredenering. In de eerste plaats gaat de vraag uit van de veronderstelling, dat verzoekster op een later tijdstip bij het Gerecht van eerste aanleg een beroep tot nietigverklaring instelt tegen het aanstellingsbesluit van C. Tanghe. Deze veronderstelling impliceert tevens, dat zij dan tevergeefs een klacht bij de Commissie heeft ingediend krachtens artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut. In de tweede plaats wordt ervan uitgegaan, dat zij tegen die tijd door de Belgische Raad van State in het gelijk is gesteld. Maar deze laatste veronderstelling gaat er weer van uit, dat de twee voorgelegde vragen in de door verzoekster gewenste zin worden beantwoord.
32 De Raad van State heeft de uitslag van het hoofdgeding dus afhankelijk gesteld van de gevolgen van zijn nog niet gewezen arrest over de toepassing van bepalingen van gemeenschapsrecht waarop slechts een beroep kan worden gedaan, indien dat arrest voor verzoekster gunstig uitvalt. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt duidelijk, dat het geen rechtsgeleerde adviezen mag geven over algemene of hypothetische vragen of over vragen die niet bijdragen tot een oplossing van het voor de nationale rechter aanhangige geding(15); deze rechtspraak is mijns inziens ook op deze zaak van toepassing.
33 Dat deze vraag geheel hypothetisch, ja zelfs gekunsteld is, blijkt voorts uit het feit dat het Hof, indien het de vraag zou beantwoorden in het kader van het onderhavige prejudiciële verzoek, zich zou begeven op het terrein van het Gerecht van eerste aanleg, dat bevoegd is om hetzelfde punt in eerste aanleg te beslissen in een eventueel toekomstig geding tussen de Commissie en verzoekster. Het Gerecht zou moeten ingaan op alle deugdelijke middelen waarmee het aanstellingsbesluit van de Commissie wordt aangevochten, zoals de stelling dat de betrokkenheid van de Lid-Staten bij de selectieprocedure in strijd was met het Ambtenarenstatuut of met een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht en dat de geldigheid van het besluit van de Commissie daardoor wordt aangetast; de betrokkenheid van een Lid-Staat bij de aanstellingsprocedure - wat niet uitdrukkelijk in het Ambtenarenstatuut is geregeld - is duidelijk een heel andere kwestie dan de materiële geldigheid van maatregelen van een Lid-Staat die een verplicht onderdeel van een bepaalde besluitvormingsprocedure van de Gemeenschap vormen, zoals in de zaak Oleificio Borelli. De geldigheid van aanstellingsbesluiten van gemeenschapsinstellingen en, a fortiori, de mogelijkheid deze aan te vechten, vallen onder de bevoegdheid van het Gerecht van eerste aanleg als de rechterlijke instantie die is aangewezen om deze bij de Verdragen aan het Hof van Justitie opgedragen taak te vervullen. Het Hof van Justitie behoort mijns inziens niet vooruit te lopen op de uitspraak van het Gerecht van eerste aanleg in een eventuele toekomstige procedure.
34 Het is juist, dat de verwijzende rechter heeft beslist dat, vanuit nationaal recht bezien, het antwoord van het Hof op deze vraag van invloed is op het belang dat verzoekster bij de nietigverklaring van de aangevochten besluiten heeft en dat de vaststelling van het belang dat betrokkene bij nietigverklaring van dergelijke besluiten heeft, door het nationale recht wordt beheerst. Hierbij past evenwel het volgende citaat uit het arrest in de tweede zaak Foglia:
"(...) hoewel het Hof in zeer ruime mate moet kunnen afgaan op de beoordeling van de nationale rechter omtrent de noodzaak van de aan het Hof gestelde vragen, [moet] het toch in staat (...) worden gesteld zelf alle elementen te beoordelen die verband houden met de vervulling van zijn eigen taak, met name om (...) zijn eigen bevoegdheid te toetsen. [Het Hof kan derhalve niet zonder te kort te schieten, onverschillig staan tegenover de beoordeling van de rechterlijke instanties van de Lid-Staten in de uitzonderlijke gevallen waarin deze beoordeling van invloed kan zijn op de juiste werking van de procedure van artikel 177.]"(16)
35 Deze zaak lijkt mij nu een dergelijk uitzonderlijk geval waarin de beoordeling van de verwijzende rechter van de relevantie van de aan het Hof voorgelegde vraag om bovenvermelde redenen onverenigbaar is met de taak van het Hof krachtens artikel 177. Hieraan zou ik willen toevoegen, zoals het Hof ook heeft gezegd in de zaak Foglia: "Een onbevoegdverklaring in een dergelijke hypothese maakt geenszins inbreuk op de prerogatieven van de nationale rechter, doch maakt het mogelijk het gebruik van de procedure van artikel 177 voor andere dan de daarmee eigenlijk beoogde doeleinden te vermijden."(17)
36 Gezien het bovenstaande, ben ik van mening dat het Hof niet bevoegd is de eerste vraag te beantwoorden.
37 Mocht het Hof deze analyse van zijn bevoegdheid in deze zaak niet volgen, dan geef ik het Hof in overweging op de eerste vraag van de Raad van State ontkennend te antwoorden. Verzoekster vecht twee besluiten van nationale autoriteiten aan, die volgens haar voorbereidingshandelingen waren voor de aanstelling van C. Tanghe door de Commissie en tot ongeldigheid daarvan zouden hebben geleid, enkel met het doel die aanstelling te bestrijden. Indien de uitspraak van een nationale rechter zo een nieuw feit zou kunnen vormen, zou verzoekster de in het Ambtenarenstatuut bepaalde termijnen kunnen omzeilen, welke volgens de vaste rechtspraak van het Hof van openbare orde zijn.(18) Bovendien is verzoekster, zoals de Commissie stelt, sinds ten minste 26 oktober 1994 op de hoogte van de feiten die van belang zijn voor het, vooralsnog, hypothetische geschil tussen haar en de Commissie. Deze feiten zijn sindsdien niet gewijzigd. Hoewel het Hof heeft erkend, dat "een arrest waarbij een administratieve handeling is nietig verklaard, slechts een nieuw feit kan opleveren voor degenen die door de nietig verklaarde handeling rechtstreeks betroffen waren"(19), zijn nationale rechterlijke instanties duidelijk niet bevoegd handelingen van gemeenschapsinstellingen nietig te verklaren.
38 De principekwesties die deze zaak opwerpt, komen op een aantal belangrijke punten overeen met die in de zaak TWD Textilwerke Deggendorf.(20) In die zaak betwistte verzoekster voor de nationale rechter de verenigbaarheid met het Verdrag van nationale uitvoeringsmaatregelen van een beschikking van de Commissie, volgens welke de door de Duitse overheid aan verzoekster verleende staatssteun onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt en die steun moest worden teruggevorderd. Verzoekster had de beschikking niet aangevochten krachtens artikel 173 van het Verdrag. Het Hof besliste als volgt:
"Wanneer immers in dergelijke omstandigheden werd toegelaten, dat de betrokkene zich voor de nationale rechter met een beroep op de onwettigheid van de beschikking tegen de uitvoering ervan kan verzetten, dan zou hem aldus de mogelijkheid worden gegeven om aan het onherroepelijke karakter dat de beschikking na het verstrijken van de beroepstermijn jegens hem heeft, te ontkomen."(21)
39 In de thans voorliggende zaak komt verzoekster voor de nationale rechter niet op tegen de uitvoering van een besluit van de Commissie, maar tegen handelingen van de nationale autoriteiten die aan dat besluit zijn voorafgegaan en die de inhoud - en dus de geldigheid - daarvan zouden hebben beïnvloed. Net als verzoekster in de zaak TWD Textilwerke Deggendorf tracht verzoekster in deze zaak zich via een nationale procedure te onttrekken aan de gevolgen van het verstrijken van de termijn voor het instellen van een rechtstreeks beroep, waarvan de ontvankelijkheid in principe buiten twijfel stond. Ik ben van mening dat het een verzoeker in dergelijke omstandigheden niet mag worden toegestaan, de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van besluiten die hij niet rechtstreeks heeft aangevochten, indirect aan te vechten.
40 De verwijzende rechter heeft expliciet aangegeven, dat de tweede vraag slechts behoeft te worden behandeld wanneer de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord. Gezien het door mij voorgestelde antwoord op de eerste vraag en conform de uitdrukkelijke opmerking van de verwijzende rechterlijke instantie, wil ik het Hof aanbevelen de tweede vraag onbeantwoord te laten.
41 Mocht het Hof oordelen, dat de tweede vraag toch moet worden beantwoord, dan ben ik van mening, dat de Commissie met haar verzoek aan de Lid-Staten om kandidaten voor te dragen in het kader van een algemene aanwervingsprocedure, niet in strijd met de toepasselijke bepalingen van het gemeenschapsrecht heeft gehandeld. Verzoekster heeft met name niet aangetoond dat inbreuk is gemaakt op artikel 11 Ambtenarenstatuut, dat van overeenkomstige toepassing is op tijdelijke functionarissen op grond van artikel 11 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden. Zij heeft evenmin aangetoond, hoe artikel 27 Ambtenarenstatuut, waarop zij zich nadrukkelijk beroept, toepassing zou kunnen vinden op tijdelijk personeel, of op welke wijze inbreuk is gemaakt op de overeenkomstige bepalingen van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, in het bijzonder artikel 12, lid 1.
V - Conclusie
42 Gezien het bovenstaande geef ik het Hof in overweging, de door de Belgische Raad van State gestelde vragen als volgt te beantwoorden:
"In het kader van de procedure van artikel 177 is het Hof niet bevoegd uitspraak te doen over de vraag, of door een beslissing van een rechterlijke instantie van een Lid-Staat de termijn voor het instellen van een eventueel later beroep tegen een besluit van de Commissie tot aanstelling van een tijdelijk functionaris, opnieuw kan ingaan, wanneer de nationale rechter zijn beslissing afhankelijk heeft gesteld van een uitlegging van bepalingen van gemeenschapsrecht die niet van invloed kunnen zijn op zijn bevoegdheid, en hij derhalve niet in staat is deze uitlegging toe te passen."
(1) - Arrest van 3 december 1992, zaak C-97/91, Jurispr. 1992, blz. I-6313.
(2) - Arrest van 15 juli 1964, zaak 6/64, Jurispr. 1964, blz. 1199.
(3) - Arrest van 13 juli 1989, zaak 286/83, Alexis e.a., Jurispr. 1989, blz. 2445, r.o. 9.
(4) - PB 1988, L 319, blz. 1; corrigenda, PB 1989, L 241, blz. 4.
(5) - Zoals gezegd in punt 14 van deze conclusie, voerde verzoekster in haar bij het Hof ingediende opmerkingen een andere reden aan waarom zij belang had bij nietigverklaring van de aangevochten besluiten, namelijk de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen.
(6) - Arresten van 12 juli 1973, zaak 28/72, Tontodonati, Jurispr. 1973, blz. 779; 18 juni 1981, zaak 173/80, Blasig, Jurispr. 1981, blz. 1649; 1 december 1983, zaak 190/82, Blomefield, Jurispr. 1983, blz. 3981; 30 mei 1984, zaak 326/82, Aschermann, Jurispr. 1984, blz. 2253; 26 september 1985, zaak 231/84, Valentini, Jurispr. 1985, blz. 3027, en 28 april 1994, zaak T-35/93, Cucchiara e.a., JurAmbt. 1994, blz. I-A-127 en II-413.
(7) - Arrest van 18 oktober 1990, gevoegde zaken C-297/88 en C-197/89, Jurispr. 1990, blz. I-3763, r.o. 39.
(8) - Ibidem, r.o. 40.
(9) - Arrest van 11 juli 1991, zaak C-368/89, Crispoltoni, Jurispr. 1991, blz. I-3695, r.o. 11.
(10) - Arresten van 27 mei 1981, gevoegde zaken 142/80 en 143/80, Essevi en Salengo, Jurispr. 1981, blz. 1413, r.o. 13-18 (artikel 169 van het Verdrag), en 14 december 1982, gevoegde zaken 314/81, 315/81, 316/81 en 83/82, Waterkeyn, Jurispr. 1982, blz. 4337, r.o. 13-16 (artikel 171 van het Verdrag).
(11) - Arrest van 22 maart 1990, zaak C-201/89, Le Pen, Jurispr. 1990, blz. I-1183, r.o. 8-11 [artikel 1 van het Protocol van 1965 inzake voorrechten en immuniteiten (en de artikelen 178 en 183 van het Verdrag)].
(12) - Aangehaald in voetnoot 1, punt 31 van de conclusie.
(13) - Ibidem, r.o. 10 en 13.
(14) - Arrest van 16 december 1981, zaak C-244/80, Foglia, Jurispr. 1981, blz. 3045, r.o. 18.
(15) - Arresten van 16 juli 1992, zaak C-343/90, Lourenço Dias, Jurispr. 1992, blz. I-4673, r.o. 17, en zaak C-83/91, Meilicke, Jurispr. 1992, blz. I-4871, r.o. 25, en 9 februari 1995, zaak C-412/93, Leclerc-Siplec, Jurispr. 1995, blz. I-179, r.o. 12.
(16) - Arrest aangehaald in voetnoot 14, r.o. 19.
(17) - Ibidem, r.o. 18.
(18) - Zie bijvoorbeeld arrest van 12 juli 1984, zaak 227/83, Moussis, Jurispr. 1984, blz. 3133, r.o. 12.
(19) - Arrest van 8 maart 1988, zaak 125/87, Brown, Jurispr. 1988, blz. 1619, r.o. 13.
(20) - Arrest van 9 maart 1994, zaak C-188/92, Jurispr. 1994, blz. I-833.
(21) - Ibidem, r.o. 18; zie ook de punten 13-26 van de conclusie van advocaat-generaal Jacobs.
Full & Egal Universal Law Academy