CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. LA PERGOLA
van 14 maart 1996 ( *1 )
1.
Bij op 19 juli 1995 ingediend verzoekschrift heeft de Commissie het Hof verzocht vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet binnen de gestelde termijn de maatregelen te treffen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening ( 1 ), de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2.
Artikel 44, lid 1, van genoemde richtlijn bepaalt, dat de Lid-Staten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om vóór 1 juli 1993 aan deze richtlijn te voldoen.
3.
Dienaangaande kan worden volstaan met op te merken, dat de Duitse regering de haar verweten inbreuk niet betwist. In haar opmerkingen heeft zij zich ertoe beperkt erop te wijzen, dat verordeningen tot omzetting van voornoemde richtlijn in voorbereiding zijn, en dat zij de aanbestedende diensten van de Bond en de bevoegde ministeries van de Länder tijdig ervan op de hoogte heeft gebracht, dat de betrokken richtlijn met ingang van 1 juli 1993 rechtstreeks toepasselijk was. Volgens de rechtspraak van het Hof ( 2 ) volstaat dit echter niet om de niet-nakoming te rechtvaardigen.
4.
Mitsdien geef ik het Plof in overweging, het beroep gegrond te verklaren en de verwerende staat overeenkomstig artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten te verwijzen.
( *1 ) Oorspronkelijke laal: Italiaans.
( 1 ) PB 1992, L 209, blz. 1.
( 2 ) Zie, ex mulus, arrest van 6 april 1995 (zaak C-147/94, Commissie/Spanje, Jurispr. 1995, blz. I - 1015).
Full & Egal Universal Law Academy