Conclusie van de advocaat generaal
++++
Inleiding
1 In deze zaak gaat het om de vraag, of gemeenschapsinstellingen verplicht zijn de in vergelijkende onderzoeken aan kandidaten toegekende cijfers toe te lichten. Het betreft een door het Europees Parlement ingestelde hogere voorziening tegen een arrest van het Gerecht van eerste aanleg houdende nietigverklaring van het besluit van een jury om A. Innamorati van de latere fasen van een dergelijk vergelijkend onderzoek uit te sluiten. De zaak draait om de verplichting van de gemeenschapsinstellingen om hun besluiten met redenen te omkleden, om de omvang van de toetsing door de gemeenschapsrechter van de door een jury verrichte beoordeling van de verdiensten van de kandidaten voor vergelijkende onderzoeken en om het gestelde onderscheid, wat de verplichting tot openbaarmaking betreft, tussen de algemene criteria die in de aankondiging van vergelijkend onderzoek worden genoemd, en de specifiekere criteria die bij de verbetering van de verschillende examens van het vergelijkend onderzoek worden gehanteerd.
Feiten en toepasselijke bepalingen
2 A. Innamorati (hierna: "gerequireerde"), hulpfunctionaris van de rang A, groep II, klasse 2, van de Commissie, nam deel aan een algemeen vergelijkend onderzoek (EP/59/A) met het oog op de samenstelling van een reservelijst van Italiaanstalige administrateurs voor het secretariaat-generaal van het Europees Parlement (hierna: "requirant"). De aankondiging van vergelijkend onderzoek voorzag in zes schriftelijke selectieproeven.(1) De derde proef - proef 1 c) - bestond hierin, dat de kandidaten in maximaal 45 minuten een stuk van twee tot drie bladzijden tot een tiende van de lengte (met een maximumtolerantie van 10 %) moesten samenvatten. Verklaard werd, dat deze proef tot doel had het analyserend en samenvattend vermogen, de objectiviteit en de nauwgezetheid van de kandidaten te beoordelen. Op deze proef stonden twintig punten en kandidaten met minder dan 10 punten zouden worden uitgesloten.
3 Op 20 april 1994 deelde de voorzitter van de jury gerequireerde mee, dat hij voor proef 1 c) een cijfer beneden het vereiste minimum had gekregen, en dat de jury derhalve de andere door hem afgelegde schriftelijke proeven niet kon beoordelen. Daarop volgde een briefwisseling tussen gerequireerde en zijn raadsman enerzijds en de voorzitter van de jury en het hoofd van de eenheid "Vergelijkende onderzoeken" van het Europees Parlement anderzijds, betreffende een nieuwe correctie van het proefwerk van gerequireerde en de mededeling aan gerequireerde van de redenen voor het hem voor die proef toegekende cijfer.(2) Met betrekking tot de motivering verzocht gerequireerde de voorzitter van de jury om toelichting van de criteria die de jury had vastgesteld om te bepalen, of de sollicitanten aan de in de aankondiging van het vergelijkende onderzoek gestelde voorwaarden voldeden, en om de proefwerken te beoordelen, met inbegrip van de instructies die aan de correctors waren gegeven ter zake van de inachtneming van de specifieke vereisten van proef 1 c).(3)
4 De voorzitter van de jury bevestigde het besluit van de jury.(4) Hij verklaarde, dat volgens de gehanteerde maatstaven en volgens de strenge criteria die de jury vóór de verbetering had vastgesteld - rekening houdend met een geheel van elementen die overigens in de aankondiging van vergelijkend onderzoek waren genoemd - het cijfer van gerequireerde voor proef 1 c) lager was dan voor overgang naar de volgende fase werd verlangd. Hij had 8.33 punten gekregen, terwijl het vereiste minimum 10 punten bedroeg.
5 De raadsman van gerequireerde antwoordde, dat deze verklaring de motieven voor het besluit van de jury niet aangaf(5), en dat hij een beroep bij het Gerecht van eerste aanleg zou instellen, indien die motivering niet werd verstrekt. Het hoofd van de eenheid "Vergelijkende onderzoeken" verklaarde daarop, dat na de ondertekening van het verslag van de jury die informatie zou worden verstrekt overeenkomstig de verplichting om besluiten met redenen te omkleden, zoals die door het Hof van Justitie is uitgelegd, en met inachtneming van het beginsel dat de werkzaamheden van de jury geheim zijn.(6) Nadat het verslag was ondertekend, verklaarde hij, dat de correctie van proeven 1 c) 1 (objectieve toets) en 1 c) 2. (culturele toets) was gebeurd door middel van een scanner onder toezicht van de jury.(7) Alle andere proefwerken waren ter kennis gebracht van de zeven leden van de jury en door ten minste drie van hen gecorrigeerd. Op verzoek van gerequireerde onderwierp de jury diens proefwerk aan een nieuw onderzoek en ging zij na, of er geen fout was geslopen in de beoordeling. Daarop bevestigde zij haar aanvankelijk besluit. De door de juryleden gehanteerde correctiecriteria waren vóór de correctie vastgesteld en waren in acht genomen overeenkomstig de bepalingen van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek.(8)
6 Op 15 september 1994 stelde gerequireerde bij het Gerecht van eerste aanleg een beroep in tot nietigverklaring van het besluit van de jury waarbij hem voor de samenvatting een cijfer beneden het vereiste minimum was toegekend en hij van de rest van het vergelijkend onderzoek was uitgesloten (hierna: het "besluit"). Bij arrest van 30 mei 1995 verklaarde het Gerecht van eerste aanleg het besluit nietig wegens gebrek aan motivering (hierna: het "bestreden arrest").(9)
7 Het Gerecht van eerste aanleg herinnerde eraan, dat de verplichting om een voor een ambtenaar of ander personeelslid van de Gemeenschap bezwarend besluit met redenen te omkleden tot doel heeft, de belanghebbende de nodige gegevens te verschaffen om te beoordelen of het besluit gegrond is, en rechterlijke toetsing te vergemakkelijken. Bij vergelijkende onderzoeken met zeer veel deelnemers dienen slechts individuele toelichtingen te verstrekken bij de jurybesluiten aan de kandidaten die daar uitdrukkelijk om vragen.(10) In bovengenoemde briefwisseling verzocht gerequireerde uitdrukkelijk om dergelijke toelichting en om openbaarmaking van de correctiecriteria van de jury, en requirant was verplicht daar een gunstig gevolg aan te geven. Daar requirant evenwel noch een toelichting noch de correctiecriteria die hij naar eigen zeggen had gehanteerd, meedeelde, was hij zijn verplichting tot motivering van het besluit niet nagekomen.(11)
8 Het Gerecht van eerste aanleg was van oordeel, dat dit ontbreken van motivering niet kon worden gedekt door toelichtingen die requirant na het instellen van het beroep tot nietigverklaring had verstrekt, omdat deze in dat stadium hun functie niet meer kunnen vervullen. De verstrekte toelichtingen vormden in ieder geval geen afdoende motivering. De vermelding, dat gerequireerde was uitgesloten wegens de "slechte kwaliteit van zijn samenvatting", verklaart zelfs niet summier de redenen waarom de jury tot die conclusie was gekomen, noch het verband tussen de door de jury vastgestelde correctiecriteria, die niet openbaar waren gemaakt, en het toegekende cijfer. De niet nader uitgewerkte verwijzing door requirant tijdens de mondelinge behandeling naar een aantal correctiecriteria, was te vaag om dat verzuim te kunnen dekken.(12)
9 Daarop stelde requirant krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van de Statuten-EGKS en -EGA hogere voorziening in. Hij vorderde vernietiging van het bestreden arrest, verwerping van het beroep van gerequireerde en een beslissing over de kosten in eerste aanleg als naar recht, terwijl hij zich voor de beslissing over de kosten van de hogere voorziening op de wijsheid van het Hof verliet.(13) Bij afzonderlijke akte verzocht requirant om opschorting van de tenuitvoerlegging van het arrest.(14) Bij beschikking wees de president van het Hof dit verzoek af met aanhouding van de beslissing omtrent de kosten.(15)
10 Gerequireerde verzoekt het Hof, de hogere voorziening niet-ontvankelijk te verklaren en requirant te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen die welke op het verzoek om voorlopige maatregelen zijn gevallen.
Middelen en argumenten van partijen
11 Alvorens de door partijen voor het Hof aangevoerde argumenten te onderzoeken, dienen twee bepalingen van het Ambtenarenstatuut te worden aangehaald. Artikel 25 Ambtenarenstatuut bepaalt, dat "iedere voor (een ambtenaar) nadelige beslissing met redenen dient te zijn omkleed". Artikel 6 van bijlage III ("Procedure voor een vergelijkend onderzoek") bepaalt: "De werkzaamheden van de jury zijn geheim."
12 Requirant betoogt, dat het Gerecht van een eerste aanleg in drie opzichten een rechtsdwaling heeft begaan: (i) met betrekking tot de draagwijdte van de verplichting om de besluiten van jury's van vergelijkende onderzoeken met redenen te omkleden; (ii) met betrekking tot de inaanmerkingneming van de in de loop van de procedure tot nietigverklaring gegeven motivering van het besluit; en (iii) met betrekking tot de op een motiveringsgebrek gebaseerde nietigverklaring het besluit wanneer dit besluit in elk geval automatisch zal worden vervangen door een besluit dat in wezen hetzelfde gevolg zal sorteren. Op grond van de omstandigheid dat de andere argumenten van gerequireerde door het Gerecht van eerste aanleg werden verworpen of door gerequireerde zelf werden ingetrokken, betoogt requirant, dat gerequireerde geen rechtmatig belang heeft bij vernietiging van de beslissing. Gerequireerde voert daartegen aan, dat de argumenten van requirant niet-ontvankelijk zijn, hetzij omdat het gaat om nieuwe argumenten, hetzij omdat zij in strijd met artikel 168 A EG-Verdrag en artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG de door het Gerecht van eerste aanleg verrichte vaststelling van de feiten in geding brengen.(16) Hij voert ook een aantal tegenargumenten ten gronde aan. Ik zal de argumenten van partijen achtereenvolgens behandelen onder de drie navolgende rubrieken.
(i) De draagwijdte van de motiveringsplicht
13 Requirant betoogt, dat het bestreden arrest de algemene beoordelingscriteria, die in de aankondiging van vergelijkend onderzoek worden genoemd (zoals, in het onderhavige geval, analysevermogen, synthesevermogen, objectiviteit en nauwgezetheid) en door de jury nader kunnen worden uitgewerkt, verwart met de criteria voor de correctie van de proeven (zoals het vereiste dat een samenvatting een aantal "hoofdideeën" bevat), die een wezenlijk bestanddeel van het correctieproces zijn en derhalve onder het geheim van de beraadslagingen van de jury vallen.(17) Alleen eerstgenoemde criteria moeten op verzoek aan de kandidaten worden meegedeeld. Verder is het bestreden arrest gebaseerd op rechtspraak betreffende de motivering van besluiten waarbij een sollicitant niet tot een vergelijkend onderzoek wordt toegelaten, terwijl de rechtspraak betreffende het niet slagen voor een examen van een vergelijkend onderzoek enkel verlangt, dat aan de betrokken kandidaat wordt meegedeeld, welk cijfer hem is toegekend.(18) Elke verdergaande verplichting zou de kandidaten in staat stellen, niet alleen de bij de correctie van het examen gehanteerde criteria, maar ook de wijze van toepassing van die criteria in hun concreet geval te achterhalen. Dit blijkt uit het feit, dat de door requirant tijdens de mondelinge behandeling voor het Gerecht van eerste aanleg in algemene bewoordingen geformuleerde verwijzing naar een correctiemodel volgens hetwelk de kandidaten een aantal "hoofdideeën" uit de tekst moesten halen, onvoldoende werd geacht, en dat het Gerecht van oordeel was, dat de "hoofdideeën" van de ter samenvatting gegeven tekst moesten worden meegedeeld.
14 Gerequireerde betoogt, dat dit argument om twee redenen niet-ontvankelijk is. Ten eerste is het gestelde onderscheid tussen beoordelingscriteria en correctiecriteria voor het eerst in de hogere voorziening ter sprake gebracht. Ten tweede vormt de toereikendheid van de motivering van een besluit een feitenkwestie die tegen de achtergrond van de omstandigheden van het concrete geval moeten beoordeeld, een punt waarvoor het Hof in een hogere voorziening niet bevoegd is.
15 Met betrekking tot de grond van de zaak betoogt gerequireerde, dat de jury volgens artikel 5 van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut verplicht is, het tot aanstelling bevoegd gezag een met redenen omkleed verslag toe te zenden, waarin de algemene criteria die de jury heeft gehanteerd, en de wijze waarop zij deze op de kandidaten heeft toegepast, worden uiteengezet. Deze criteria dienen aan de kandidaten ter kennis te worden gebracht en dienen rechterlijke toetsing van de jurybesluiten mogelijk te maken.(19) Bovendien erkent het Gerecht van eerste aanleg in zijn arrest Pimley-Smith(20), dat de kandidaten recht hebben op informatie over de werkwijze van de jury, bij voorbeeld over de objectieve criteria die voor de correctie van de proefwerken zijn gehanteerd (en die moeten worden onderscheiden van de toelichtingen bij het waardeoordeel van de jury over een bepaald proefwerk). Dat in het onderhavige geval dergelijke informatie werd geweigerd, schept een vermoeden dat de werkzaamheden van de jury niet regelmatig zijn verlopen.
16 Requirant ontkent, dat hij de feitelijke vaststellingen van het Gerecht van eerste aanleg betwist; hij laakt veeleer de uitlegging die het Gerecht heeft gegeven van de rechtspraak over de draagwijdte van de verplichting om besluiten met redenen te omkleden. Hij betoogt, dat een aantal door gerequireerde aangehaalde zaken(21) niet als argument kunnen worden gebruikt, daar zij eerder betrekking hebben op de toelating tot een vergelijkend onderzoek (waarvoor normaliter de kwalificaties van de sollicitanten dienen te worden onderzocht) dan op de uitslag van het examen van het vergelijkend onderzoek. Een van die zaken, Pérez Jiménez, heeft weliswaar ook betrekking op het niet-slagen voor een examen van een vergelijkend onderzoek, doch de criteria waarvan volgens het Gerecht van eerste aanleg alle kandidaten kennis moesten kunnen nemen, waren de algemene beoordelingscriteria die in de aankondiging van vergelijkend onderzoek waren bekendgemaakt.(22) Indien de argumenten van gerequireerde zouden worden aanvaard, zouden de door de jury aangewezen "hoofdideeën" voor een samenvatting als die welke waar het hier om gaat, ter kennis moeten worden gebracht, waardoor die correctiecriteria, en dus het oordeel van de jury, het voorwerp van rechterlijke toetsing zouden kunnen worden. De redenen voor het niet-slagen van kandidaten hebben helemaal niets te maken met de op de jury rustende verplichting om voor het tot aanstelling bevoegd gezag een met redenen omkleed verslag van het vergelijkend onderzoek op te stellen. Volgens requirant levert het verzuim om een besluit naar behoren met redenen te omkleden, geen vermoeden van onregelmatigheid op, daar het in dergelijke gevallen steeds aan de verzoeker staat te bewijzen dat de relevante regels zijn geschonden. In feite vond het Gerecht van eerste aanleg geen bewijs van een schending van de aankondiging van vergelijkend onderzoek.(23)
17 Gerequireerde voert daartegen aan, dat de regel dat de werkzaamheden van de jury geheim zijn, niet in de weg staat aan openbaarmaking van een procedurebeslissing betreffende de correctie van het examen van een vergelijkend onderzoek.(24) Aangezien de jury haar oordeel op objectieve criteria moet baseren, moet de gemeenschapsrechter in staat worden gesteld, na te gaan of de jury aan dit vereiste heeft voldaan, hetgeen toegang tot de correctiecriteria impliceert.
(ii) In de loop van de procedure verstrekte motivering
18 Requirant betoogt, dat eventuele gebreken in de motivering van een jurybesluit kunnen worden verholpen door de kandidaat tijdens de contentieuze procedure de voor de relevante proeven behaalde cijfers(25) mee te delen, en dat het Gerecht van eerste aanleg derhalve rekening had moeten houden met de toelichtingen die requirant in zijn memories en ter terechtzitting had verstrekt.
19 Gerequireerde betoogt, dat requirant de feitelijke vaststellingen van het Gerecht van eerste aanleg over de toereikendheid van de verstrekte motivering opnieuw in geding tracht te brengen, en dat Hof in hogere voorzieningen niet bevoegd is daarover uitspraak te doen. Hij geeft toe, dat indien requirant de gevraagde toelichtingen aan het Gerecht van eerste aanleg had verstrekt, het Gerecht deze waarschijnlijk in aanmerking zou hebben genomen bij zijn beoordeling, of er sprake was van schending van een wezenlijke regel die nietigverklaring van het besluit zou rechtvaardigen.(26)
(ii) Onmiddellijke vervanging van het bestreden besluit
20 Requirant betoogt, dat zelfs indien het besluit niet naar behoren met redenen is omkleed, een particulier geen rechtmatig belang heeft bij nietigverklaring wegens een vormgebrek van een besluit waarvan de wezenlijke inhoud in ieder geval zeker zal worden bevestigd. Volgens hem is dit het geval voor het besluit waar het in casu om gaat.
21 Gerequireerde betoogt, dat requirant opkomt tegen het oordeel van het Gerecht van eerste aanleg over de gevolgen van het verzuim om het betrokken besluit met redenen te omkleden, hetgeen een feitenkwestie is, zodat hij op dit punt niet kan worden ontvangen.
Bespreking
Ontvankelijkheid
22 De door gerequireerde opgeworpen middelen van niet-ontvankelijkheid kan ik niet aanvaarden.
23 Met betrekking tot het argument, dat het eerste middel van requirant nieuw is, kan niet worden gezegd, dat dit middel meer is dan een nadere uitwerking van het betoog dat requirant voor het Gerecht van eerste aanleg had gevoerd. Voor het Gerecht van eerste aanleg had requirant betoogd, dat jurybesluiten betreffende de correctie van het examen van een vergelijkend onderzoek niet vatbaar waren voor rechterlijke toetsing, behoudens in gevallen van kennelijke schending van de regels die werkzaamheden van de jury dienen te beheersen. Dit argument impliceerde, dat het verzoek van gerequireerde om openbaarmaking van de correctiecriteria voor de samenvatting erop was gericht het desbetreffende jurybesluit te laten toetsen en om die reden niet-ontvankelijk was. Dit blijft zijn hoofdargument, ook al heeft hij tot staving ervan verwezen naar het in het inmiddels gewezen arrest Pimley-Smith gemaakte onderscheid tussen besluiten betreffende toelating tot vergelijkende onderzoeken en besluiten betreffende de correctie van het examen van een vergelijkend onderzoek.(27) Requirant laakt het feit, dat het Gerecht van eerste aanleg zich op een aantal arresten betreffende de eerste categorie van besluiten heeft gebaseerd. Dit noch de verwijzing naar het in het arrest Pimley-Smith gemaakte onderscheid doet afbreuk aan de essentiële inhoud van zijn argument;(28) evenmin kan worden gezegd, dat dit het voorwerp van het geschil wijzigt.(29)
24 Het betoog van gerequireerde, dat de drie door requirant aangevoerde middelen van hogere voorziening de feitelijke vaststellingen van het Gerecht van eerste aanleg opnieuw in geding brengen (al kan dit onder omstandigheden het geval zijn voor het tweede middel), overtuigt mij evenmin. Met betrekking tot het eerste middel is het duidelijk, dat requirant veeleer opkomt tegen de juridische beoordeling door het Gerecht van eerste aanleg van de mate waarin jurybesluiten over het examen moeten worden gemotiveerd - cijfers, algemene beoordelingscriteria, specifieke correctiecriteria(30), toelichtingen bij het in een individueel geval toegekende cijfer - dan tegen de vaststelling door het Gerecht, dat requirant de door het Gerecht van eerste aanleg aangewezen bijzondere regel niet in acht had genomen. Indien het Hof de door het Gerecht van eerste aanleg verrichte juridische beoordeling van de vereiste mate van motivering bijtreedt, zal het uiteraard gebonden zijn aan de door het Gerecht verrichte feitelijke vaststelling, dat het in casu in geding zijnde besluit geen dergelijke motivering bevatte.
25 De ontvankelijkheid van het tweede middel van hogere voorziening van requirant is het afhankelijk van de handhaving van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg met betrekking tot de mate van motivering die rechtens is vereist voor de resultaten van proeven, het onderwerp van het eerste middel van hogere voorziening. Grosso modo zijn er drie mogelijkheden:
(a) Indien het Gerecht van eerste aanleg de vereiste mate van motivering correct heeft aangewezen, is dit middel van hogere voorziening zonder voorwerp. Het jegens de beslissing van het Gerecht van eerste aanleg geformuleerde bezwaar, dat het geen rekening had mogen houden met tardieve informatie, is niet ter zake dienend, indien, gelijk het Gerecht feitelijk heeft vastgesteld, die informatie hoe dan ook onvoldoende was. Een in hogere voorziening aangevoerd juridisch argument dat afhankelijk is feiten die het Gerecht van eerste aanleg uitdrukkelijk terzijde heeft gesteld, is niet ontvankelijk.(31)
(b) Indien blijkt, dat het Gerecht van eerste aanleg een rechtsdwaling heeft begaan en dat de door de jury vóór het begin van de contentieuze procedure verstrekte motivering (voornamelijk cijfers) volstond, is het argument overbodig en behoeft er niet op te worden ingegaan.
(c) Indien een tussenoplossing wordt gekozen en met betrekking tot het eerste middel van hogere voorziening wordt geoordeeld, dat de van requirant verlangde mate van motivering minder groot was dan die welke het Gerecht van eerste aanleg voorstond, maar groter dan die welke requirant voorstond (en waaraan deze vóór de inleiding van de contentieuze procedure had voldaan), is het antwoord op de vraag, of rekening had moeten worden gehouden met de aanvullende motivering die na de inleiding van de contentieuze procedure bij het Gerecht van eerste aanleg is verstrekt, van essentieel belang voor de beslissing, of het besluit nietig moet worden verklaard wegens ontoereikende motivering.
Aangezien de ontvankelijkheid dus afhangt van de beslechting van geschilpunten betreffende de grond van de zaak, mag dit middel van hogere voorziening niet van meet af aan niet-ontvankelijk worden verklaard. De ontvankelijkheid moet integendeel worden onderzocht in de context van de behandeling ten gronde van de hogere voorziening.
26 Ik zie ook niet in, hoe het derde middel van hogere voorziening als een betwisting van de door het Gerecht van eerste aanleg gedane feitelijke vaststellingen kan worden aangemerkt. Zelfs in de door gerequireerde aangehaalde rechtspraak wordt verklaard, dat de formulering van de rechtsgevolgen van feitelijke vaststellingen vatbaar is voor hogere voorziening.(32) In het arrest Brazzelli Lualdi verklaarde het Hof, dat het niet bevoegd was middelen te onderzoeken die het oordeel van het Gerecht van eerste aanleg over de door bepaalde ambtenaren geleden schade in twijfel probeerden trekken.(33) Het verklaarde in die zaak evenwel niet-ontvankelijk een middel gericht tegen de vaststelling van de vergoeding waarop de betrokken ambtenaren volgens het Gerecht van eerste aanleg recht hadden. Het afgewezen middel had enkel betrekking op het bewijs van de schade - die het Gerecht van eerste aanleg feitelijk bewezen had geacht tot een bepaald bedrag - en niet op de daaraan voorafgaande vraag van het recht op vergoeding.(34)
27 Wat er ook van zij, ik zie niet in, hoe het argument van requirant betrekking zou kunnen hebben op de door het Gerecht van eerste aanleg gedane feitelijke vaststellingen, daar het Gerecht niet is ingegaan op de vraag, of het jurybesluit een wezenlijk gebrek vertoonde (een ander dan het verworpen gebrek betreffende de inachtneming van de voorgeschreven maximumlengte van de samenvatting). Ook al wordt de vaststelling van het Gerecht van eerste aanleg, dat het besluit ontoereikend was gemotiveerd, rechtens gehandhaafd, dit kan het Hof niet de bevoegdheid ontnemen, de opvatting van het Gerecht over de aan die ontoereikendheid te verbinden rechtsgevolgen te toetsen.
Ten gronde
(i) Draagwijdte van de motiveringsplicht
28 Ik ben van mening, dat de argumenten van requirant met betrekking tot dit middel van hogere voorziening dienen te worden aanvaard, en dat het bestreden arrest derhalve dient te worden vernietigd wat dit punt betreft. Gelet op de uiteengezette rechtvaardigingsgrond voor de motiveringsplicht, moet het probleem van de draagwijdte van de motiveringsplicht worden behandeld vanuit het oogpunt van de draagwijdte van de rechterlijke toetsing van jurybesluiten.
29 Een jury dient correct en objectief tewerk te gaan. Deze verplichting is bedoeld om de gelijke behandeling van de kandidaten te waarborgen en is vatbaar voor rechterlijke toetsing. Zij ligt onder meer ten grondslag aan de volgende eisen: inachtneming van de aankondiging van vergelijkend onderzoek(35); het afnemen van een identiek examen op alle examenplaatsen(36); het op passende wijze oplossen van verschillen in beoordeling tussen de correctors(37); alle kandidaten moeten binnen een redelijke periode worden ondervraagd(38); de correctors moeten tijdens alle mondelinge proeven aanwezig zijn(39); de jury moet aldus zijn samengesteld, dat zij de van de kandidaten voor het vergelijkend onderzoek verlangde kwaliteiten kan beoordelen.(40) Om deze reden is in het arrest Pimley-Smith, net als in andere arresten geoordeeld, dat de kandidaten recht hebben op informatie over de door de jury gevolgde werkwijze, indien zij daarom verzoeken.(41)
30 Het bepalen van de juiste inhoud van het examen en de beoordeling van de proefwerken van de kandidaten valt daarentegen onder de ruime beoordelingsvrijheid van de jury en kan slechts worden getoetst in gevallen van kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid.(42) Deze beperkte toetsing, samen met de uitdrukkelijke bepaling van artikel 6 van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut, dat de werkzaamheden van de jury geheim zijn, rechtvaardigt een beperktere openbaarmaking van de in artikel 25 Ambtenarenstatuut bedoelde redenen. In de zaak Valverde Mordt oordeelde het Gerecht van eerste aanleg, dat deze bepalingen in het kader van het examen van een vergelijkend onderzoek met elkaar worden verzoend door de mededeling aan de bezwaarde kandidaat van de cijfers die hem voor dat examen waren toegekend. Dit voldeed aan de dubbele ratio legis van de verplichting om een besluit met redenen te omkleden, daar het de kandidaat in die zaak in staat stelde te verifiëren, of zijn puntentotaal voor alle proeven lager was dan hetgeen in de aankondiging van vergelijkend onderzoek werd verlangd om op de lijst van geschikte kandidaten te worden geplaatst, en het Gerecht in staat stelde de regelmatigheid van die lijst te controleren voor zover dit verenigbaar is met de ruime vrijheid waarover de jury voor haar waardeoordelen beschikt.(43) Praktische overwegingen als die welke door requirant zijn aangevoerd, pleiten eveneens voor een dergelijke mate van openbaarmaking, vooral in vergelijkende onderzoeken met veel deelnemers. In dergelijke gevallen "dient de motivering van de afwijzing niet zo omstandig te zijn, dat de werkzaamheden van de jury en van de personeelsdienst daardoor in onaanvaardbare mate worden verzwaard".(44)
31 In zijn arrest(45) verwees het Gerecht van eerste aanleg naar een aantal eerdere zaken om aan te tonen, ten eerste, dat een besluit moet worden gemotiveerd om de belanghebbende in staat te stellen te beoordelen of het gegrond is, en om rechterlijke toetsing mogelijk te maken, en tweede, dat in vergelijkende onderzoeken met veel deelnemers alleen op uitdrukkelijk verzoek individuele toelichtingen moeten worden gegeven. Ten derde blijkt, dat deze arresten ook werden geciteerd ter rechtvaardiging van de beslissende conclusie, dat in het onderhavige geval noch op het verzoek van gerequireerde noch tijdens de contentieuze procedure een afdoende motivering is verstrekt: die motivering had de gronden van het besluit van de jury, dat gerequireerde de vereiste norm niet had gehaald, en/of een toelichting van het verband tussen de door de jury vastgestelde (niet openbaar gemaakte) correctiecriteria en het aan gerequireerde toegekende cijfer moeten omvatten.(46)
32 Uit een onderzoek van deze arresten blijkt, dat de deze eerste twee genoemde punten staven. Mijns inziens bieden zij evenwel geen steun voor het derde punt, namelijk de mate van gedetailleerde motivering die het Gerecht van eerste aanleg in de onderhavige zaak eist. In een van die zaken, namelijk Camera-Lampitelli, oordeelde het Gerecht van eerste aanleg, dat mededeling van het door de kandidaat behaalde cijfer voor het examen van een vergelijkend onderzoek volstond.(47) In de andere zaken ging het om besluiten betreffende toelating tot een vergelijkend onderzoek. Daarbij geeft de jury geen beoordeling van individuele antwoorden op algemene proeven, waar een aanzienlijke mate van afweging mee gemoeid is, maar probeert zij met gemakkelijker meetbare middelen, de gelijkwaardigheid van titels en diploma's, de vervulling van specifieke perioden van ervaring en dergelijke te beoordelen. In de zaak Michel berustte de selectie op een gedetailleerd systeem van punten voor verschillende opleidingen en vormen van beroepservaring(48); in Holguera ging het om het onderzoek van de documenten ter staving dat aan het vereiste van een aantal jaren beroepservaring was voldaan(49); in Fascilla ging het om de inaanmerkingneming van perioden van onderwijs en stage voor de ervaring(50); de zaak Belardinelli betrof de vergelijkbaarheid van de toelatingscriteria opleiding en ervaring, die in die zaak in een schema waren gegoten.(51) Uit die arrest blijkt duidelijk, dat de jury de afgewezen kandidaat op zijn verzoek moet meedelen, aan welke in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde voorwaarde hij niet voldeed. Dit stelt hem in staat, de overgelegde bewijsstukken te toetsen aan de toelatingscriteria.(52)
33 Mijns inziens kan de ratio decidendi van deze zaken, om een term uit de common law te gebruiken, niet zonder wijziging worden uitgebreid tot de correctie van de mondelinge en schriftelijke proeven van een vergelijkend onderzoek, en kan zij inzonderheid niet worden aangevoerd tot staving van het door het Gerecht van eerste aanleg in r.o. 32 van het bestreden arrest geformuleerde vereiste van geïndividualiseerde toelichting. In de eerste plaats wordt in die zaken, zelfs in de context van toelating tot een vergelijkend onderzoek, niet gesuggereerd, dat de jury het verband tussen de toelatingscriteria en de door de sollicitant overgelegde bewijsstukken moet uitleggen, daar een sollicitant in staat dient te zijn zelf na te gaan, of zij overeenstemmen. Dit is niet het geval voor het examen van een vergelijkend onderzoek; dit moet in ieder geval door de corrector worden beoordeeld. In de tweede plaats zal de rechterlijke toetsing in die twee situaties onvermijdelijk op verschillende wijze gebeuren, ook al wordt een zelfde maatstaf gehanteerd. In het geval van toelating tot een vergelijkend onderzoek zal de toepassing van een vast schema betreffende kwalificaties en ervaring objectief kunnen worden beoordeeld; de openbaarmaking van dergelijke criteria is derhalve nuttig voor de toetsing door de gemeenschapsrechter. Anderzijds brengt de aard van de beoordeling van proefwerken mee, dat de openbaarmaking van de redenen voor het oordeel van de corrector in individuele gevallen veel minder vaak een kennelijke vergissing aan het licht zal brengen. Er zijn veel minder redenen om informatie bekend te maken die als zodanig de rechterlijke toetsing van het besluitvormingsproces waarschijnlijk niet veel vooruit zal helpen. Ten derde zal de in het bestreden arrest voorgestane mate van openbaarmaking een veel zwaardere last vormen in de context van het examen dan in die van de toelating tot de vergelijkende onderzoeken, omdat in de meeste gevallen juist een gedetailleerde en omstandige toelichting nodig zal zijn opdat een dergelijke openbaarmaking enig nut zou hebben.
34 In de arresten Pimley-Smith en Belhanbel heeft het Gerecht van eerste aanleg een onderscheid gemaakt tussen zaken betreffende toelating tot vergelijkende onderzoeken en zaken betreffende de correctie van het examen van een vergelijkend onderzoek.(53) Om de hierboven genoemde redenen ben ik van mening, dat voor besluiten betreffende het examen van een vergelijkend onderzoek inderdaad een andere maatstaf van motivering noodzakelijk is, en dat het gewone vereiste dat de kandidaten op hun verzoek hun voor het examen behaalde cijfers meegedeeld krijgen, zich verdraagt zowel met het onderliggende belang dat de jury rekenschap verschuldigd is aan de kandidaten en met het oog op rechterlijke toetsing door de gemeenschapsrechter, als met de rechtspraak tot op heden, namelijk Pimley-Smith en Belhanbel zowel als Camera-Lampitelli(54) en Valverde Mordt.(55) Van de andere door gerequireerde aangevoerde zaken, is in de zaak Caturla-Poch mededeling van de aan de kandidaten toegekende cijfers in een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken voldoende geacht voor het met redenen omkleed verslag bedoeld in artikel 5 van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut(56); de zaak Smets(57) betrof alleen de hierboven uiteengezette procedurekwesties en de zaak Pérez Jiménez(58) had betrekking op de toelating tot een vergelijkend onderzoek en op procedurele aspecten van de correctie van het examen van een vergelijkend onderzoek.
35 Gerequireerde in de onderhavige zaak zocht steun bij de overwegingen in de arresten Pimley-Smith en Belhanbel, dat de kandidaten in ieder geval recht hebben op informatie over de werkwijze van de jury(59), en betoogd dat informatie over de correctiecriteria naar haar aard veeleer de werkwijze betrof dan dat zij verweven was met de waardeoordelen van de correctors over individuele proefwerken. Dit betoogt overtuigt mij evenwel niet. Zoals ik hierboven heb uiteengezet, heeft de gemeenschapsrechter een ruime waaier van procedurele aspecten van vergelijkende onderzoeken getoetst, zoals bij voorbeeld de samenstelling van jury, het wegwerken van verschillen in beoordeling tussen correctors en het afnemen van identieke examens op alle examenplaatsen. Mijns inzien behoren de criteria voor de correctie van een samenvatting niet tot deze categorie; integendeel, zij zijn verweven met de beoordelingsvrijheid van de jury bij de opstelling van de proeven en de beoordeling van de proefwerken van de kandidaten. In feite verbinden zij de essentiële elementen van keuze van de inhoud en beoordeling van de kandidaat.
36 Indien de gerequireerde en de andere uitgesloten kandidaten die zich bezwaard voelen, niet alleen toegang zouden hebben tot de algemene uiteenzetting van de doelstellingen van de samenvatting, die is gegeven in de aankondiging van vergelijkend onderzoek (waarin sprake van het vermogen tot analyse en synthese, de objectiviteit en de nauwgezetheid), maar ook tot de correctiecriteria die in casu voor die proef zijn gehanteerd (dit wil zeggen de hoofdideeën A, B, C en D in de opgegeven tekst), kan dit alleen nuttig zij voor toetsing, of deze wel als de hoofdideeën van de samen te vatten tekst konden worden beschouwd, of voor toetsing van het oordeel van de corrector of deze hoofdideeën wel tot uitdrukking kwamen in de door de kandidaat gemaakte samenvatting. Bij gebreke van een kennelijke fout zou een dergelijke toetsing rechtstreeks en ontoelaatbaar inbreuk maken hetzij op de door de jury verrichte keuze en analyse van de inhoud van de proef, hetzij op het oordeel van de jury over de kandidaten. De door gerequireerde gevorderde mate van openbaarmaking is niet noodzakelijk om de gemeenschapsrechter in staat te stellen zijn rechterlijke toetsing te verrichten. Gelet op de gelijkwaardige regel, dat de werkzaamheden van de jury geheim zijn, een regel die de onafhankelijkheid van de jury waarborgt, kan een dergelijke openbaarmaking derhalve niet op goede gronden worden geëist.(60) Hieraan dient te worden toegevoegd, dat geleidelijke uitbreiding van de openbaarmakingsverplichting inzake de correctie van de proefwerken van de kandidaten noodzakelijkerwijze zou leiden tot een inbreuk op het belang dat andere kandidaten bij geheimhouding hebben.
37 Om deze redenen concludeer ik, dat het eerste middel van hogere voorziening van requirant slaagt. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, het arrest van het Gerecht van eerste aanleg te vernietigen, voor zover het betrekking heeft op het gestelde ontbreken van motivering van het besluit van de jury, en de geldigheid van dit besluit te bevestigen. Voor het geval het Hof tot een andere conclusie zou komen, ga ik kort in op de twee andere middelen van hogere voorziening.
(ii) De in de loop van de procedure gegeven motivering
38 Gelijk ik hierboven bij de behandeling van de ontvankelijkheid heb opgemerkt, is dit middel van hogere voorziening slechts relevant en ontvankelijk, indien het Hof concludeert, dat de ter terechtzitting verstrekte informatie over de algemene criteria voor de correctie van de samenvatting zowel een noodzakelijke als een afdoende motivering van het jurybesluit opleverden; noodzakelijk ter aanvulling van de motivering die gerequireerde reeds vóór het begin van de contentieuze procedure had gekregen, en afdoende voor dat doel. Wanneer de tijdens de contentieuze procedure verstrekte motivering aan deze vereisten voldoet, biedt zij een uitgesloten kandidaat als gerequireerde de mogelijkheid te verifiëren, of het hem toegekende cijfer wel degelijk lager was dan hetgeen voor overgang was vereist, en zal zij, zij het tardief, het bewijsmateriaal verstrekken dat voor rechterlijke toetsing is vereist.(61) Het niet in aanmerking willen nemen van dergelijke motivering zou derhalve contraproduktief zijn. Deze conclusie sluit aan bij mijn standpunt over het derde middel van hogere voorziening. Tardieve openbaarmaking van de motivering van een besluit kan evenwel gevolgen hebben voor de kosten die de daarvoor verantwoordelijke partij dient te dragen, daar de bezwaarde kandidaat misschien zou hebben afgezien van een beroep tegen het betrokken besluit, indien de motivering hem van meetaf aan was meegedeeld.(62)
(iii) Onmiddellijke vervanging van het bestreden besluit
39 Indien wordt aangenomen, dat pas tijdens de contentieuze procedure een volledige motivering van het bestreden besluit is gegeven, die evenwel geen wezenlijk gebrek in het besluit aan het licht bracht, kan nietigverklaring van het besluit op grond dat het niet afdoende was gemotiveerd, enkel uitlopen op de vaststelling van een nieuw besluit dat inhoudelijk identiek is aan het nietig verklaarde, maar dat vergezeld gaat van de motivering die aanvankelijk pas voor het Gerecht van eerste aanleg was verstrekt. De jury zou over geen enkele beoordelingsvrijheid beschikken. Gerequireerde zou derhalve geen rechtmatig belang hebben bij nietigverklaring van het bestreden besluit wegens vormgebrek. In die omstandigheden kan de aanvankelijk ontoereikende motivering van het bestreden besluit niet langer worden aangemerkt als schending van een wezenlijk vormvoorschrift, die als zodanig de nietigverklaring van dat besluit zou rechtvaardigen.(63)
40 Indien evenwel zelfs de tijdens de contentieuze procedure gegeven motivering onvoldoende is, is de bezwaarde kandidaat nooit in staat gesteld, zelf na te gaan of het besluit gegrond is, en wordt de gemeenschapsrechter gehinderd in zijn rechterlijke toetsing. Indien die omstandigheden dient het bestreden besluit nietig te worden verklaard wegens schending van een wezenlijk vormvoorschrift.(64)
Kosten
41 Artikel 88 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg en artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie bepalen, bij wege van uitzondering op de algemene regel dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen(65), dat in gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste blijven. Volgens artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie is artikel 70 van dat reglement van toepassing indien de hogere voorziening door een instelling is ingesteld. Gezien de hogere voorziening slaagt, dienen requirant en gerequireerde hun eigen kosten met betrekking tot de procedures in de hoofdzaken voor het Gerecht van eerste aanleg en voor het Hof te dragen. Gelet op de afwijzing van het door requirant geformuleerde verzoek om voorlopige maatregelen, dient requirant mijns inziens te worden verwezen in de kosten die beide partijen door dat verzoek zijn opkomen.
Conclusie
42 Gelet op een en ander concludeer ik, dat het eerste middel van hogere voorziening van requirant slaagt. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, het arrest van het Gerecht van eerste aanleg te vernietigen voor zover het betrekking heeft op het gestelde ontbreken van motivering van het besluit van de jury, en de geldigheid van dat besluit te bevestigen.
43 Requirant en gerequireerde dienen hun eigen kosten met betrekking tot de procedures in de hoofdzaken voor het Gerecht van eerste aanleg en voor het Hof te dragen. Requirant dient te worden verwezen in de kosten die beide partijen door zijn verzoek om voorlopige maatregelen zijn opkomen.
(1) - Deel III.B.1. van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, PB 1992, C 275 A, blz. 8.
(2) - Deze briefwisseling had ook betrekking op de stelling van gerequireerde, dat kandidaten die voor de proef 1 c) het maximumaantal woorden niet in acht hadden genomen, door de jury niet waren uitgesloten, en op de maatregelen die waren genomen om de anonimiteit van de kandidaten te verzekeren. Deze aspecten van de zaak zijn niet relevant voor de onderhavige hogere voorziening.
(3) - Brief van de raadsman van gerequireerde aan de voorzitter van de jury van 13 juni 1994.
(4) - Brief van 14 juni 1994.
(5) - Brief van 4 juli 1994.
(6) - Brief van 4 juli 1994 in antwoord op de brief van de raadsman van gerequireerde van 13 juni 1994.
(7) - De betrokken brief lijkt een tikfout te bevatten, daar deze verklaring kennelijk verwijst naar de proeven 1 a) 1 en 1 a) 2; dit waren namelijk objectieve en culturele toetsen aan de hand van meerkeuzevragen, terwijl proef 1 c), zoals hierboven beschreven, slechts uit één deel bestond en naar haar aard niet machinaal kon worden gelezen.
(8) - Brief van 19 juli 1994.
(9) - Zaak T-289/94, Innamorati, JurAmbt. 1995, blz. II-393. Gerequireerde betoogde eveneens, dat de jury het beginsel van gelijke behandeling en de aankondiging van het vergelijkend onderzoek had geschonden door kandidaten die zich bij de samenvatting niet aan het maximumaantal woorden hadden gehouden, niet uit te sluiten. Het Gerecht van eerste aanleg wees dit middel af wegens gebrek aan bewijs (r.o. 22 van het arrest). Gerequireerde voerde verder aan, dat de jury een beoordelingsfout had gemaakt, niet onpartijdig was geweest en inbreuk had gemaakt op de beginselen haar werkzaamheden dienen te beheersen, doch tijdens de mondelinge behandeling heeft hij die argumenten laten vallen wegens de informatie die requirant het Gerecht van eerste aanleg op diens verzoek had verstrekt (r.o. 18).
(10) - R.o. 26 en 27 van het bestreden arrest.
(11) - R.o. 28-30 van het bestreden arrest.
(12) - R.o. 31 en 32 van het bestreden arrest.
(13) - De hogere voorziening werd op 24 juli 1995 ter griffie van het Hof neergelegd.
(14) - Verzoek om voorlopige maatregelen van 24 juli 1995.
(15) - Beschikking van 15 september 1995, zaak C-254/95 P-R, Innamorati, Jurispr. 1995, blz. I-2707.
(16) - Zaak C-236/92 P, Brazzelli Lualdi, Jurispr. 1994, blz. I-1981, r.o. 47, 49 en 66 en 79 van het arrest.
(17) - Zaak T-291/94, Pimley-Smith, JurAmbt. 1995, blz. II-637, r.o. 67 van het arrest.
(18) - Zaak T-156/89, Valverde Mordt, Jurispr. 1991, blz. II-407, r.o. 130 van het arrest; zaak T-27/92, Camera-Lampitelli, Jurispr. 1993, blz. II-873, r.o. 52 van het arrest; Pimley-Smith, reeds aangehaald in voetnoot 17, r.o. 61 van het arrest.
(19) - Zaak 195/80, Michel, Jurispr. 1981, blz. 2861; zaak T-115/89, Holguera, Jurispr. 1990, blz. II-831, r.o. 39 en 40 van het arrest; zaak T-6/93, Pérez Jiménez, JurAmbt. 1994, blz. II-497, r.o. 42 van het arrest; zaak T-44/91, Smets, JurAmbt. 1994, blz. II-319. In dupliek verwees gerequireerde verder nog naar zaak 21/65, Morina, Jurispr. 1965, blz. 1334, 1344, en naar de gevoegde zaken 361/87 en 362/87, Caturla-Poch en de la Fuente Pascual, Jurispr. 1989, blz. 2471, r.o. 24 van het arrest.
(20) - Reeds aangehaald in voetnoot 17.
(21) - Michel, Holguera en, ten dele, Pérez Jiménez, reeds aangehaald in voetnoot 19.
(22) - Reeds aangehaald in voetnoot 19, r.o. 42 van het arrest.
(23) - R.o. 22 van het bestreden arrest.
(24) - Zaak 40/86, Kolivas, Jurispr. 1987, blz. 2643, r.o. 18 en 19 van het arrest.
(25) - Valverde Mordt, reeds aangehaald in voetnoot 18, r.o. 131 en 132 van het arrest.
(26) - Valverde Mordt, reeds aangehaald in voetnoot 18.
(27) - Reeds aangehaald in voetnoot 17, r.o. 61 van het arrest. Een dergelijk onderscheid was bepleit in de zaak Valverde Mordt, reeds aangehaald in voetnoot 18, r.o. 129 van het arrest, doch het Gerecht ging daar niet op in; misschien is het door het Gerecht van eerste aanleg gesuggereerd in zaak T-55/91, Fascilla, Jurispr. 1992, blz. II-1757, r.o. 32.
(28) - Zie artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg en de zaak Brazzelli Lualdi, reeds aangehaald in voetnoot 16, r.o. 57 en 60 van het arrest.
(29) - Zie artikel 113, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie.
(30) - Bij voorbeeld de specifieke "hoofdideeën" die de jury in de in casu ter samenvatting gegeven tekst heeft aangewezen, en op basis waarvan de proef is verbeterd.
(31) - Zie zaak C-26/94 P, X, Jurispr. 1994, blz. I-4379, r.o. 13 van het arrest; zaak C-244/92 P, Kupka-Floridi, Jurispr. 1993, blz. I-2041, r.o. 7-10 van het arrest; zaak C-354/92 P, Eppe, Jurispr. 1993, blz. I-7027, r.o. 8; zaak C-338/93 P, De Hoe, Jurispr. 1994, blz. I-819, r.o. 19.
(32) - Brazzelli Lualdi, reeds aangehaald in voetnoot 16, r.o. 49 van het arrest.
(33) - R.o. 66 van het arrest.
(34) - Zie r.o. 61-63 van het arrest.
(35) - Zaak 144/82, Detti, Jurispr. 1983, blz. 2421, r.o. 27 van het arrest.
(36) - Detti, r.o. 28 van het arrest.
(37) - Pérez Jiménez, reeds aangehaald in voetnoot 19, r.o. 42 van het arrest; Kolivas, reeds aangehaald in voetnoot 24, r.o. 12 en 13.
(38) - Smets, reeds aangehaald in voetnoot 19, r.o. 55 en 60 van het arrest.
(39) - Smets, reeds aangehaald in voetnoot 19, r.o. 56-60 van het arrest.
(40) - Smets, r.o. 47-54 van het arrest; Valverde Mordt, reeds aangehaald in voetnoot 18, r.o. 105-109.
(41) - Pimley-Smith, reeds aangehaald in voetnoot 17, r.o. 66 van het arrest; zaak T-125/95, Belhanbel, JurAmbt. 1996, blz. II-0000, r.o. 22.
(42) - Met betrekking tot de correctie van de proeven, zie Pimley-Smith, reeds aangehaald in voetnoot 17, , r.o. 63 van het arrest; Pérez Jiménez, reeds aangehaald, in voetnoot 19, r.o. 42 van het arrest; Detti, reeds aangehaald in voetnoot 35, r.o. 27 van het arrest; zaak 12/84, Kypreos, Jurispr. 1985, blz. 1005, r.o. 10 van het arrest, en zaak T-46/93, Michaël-Chiou, JurAmbt. 1994, blz. II-929, r.o. 48 van het arrest. Met betrekking tot het bepalen van de inhoud van het examen, zie zaak 228/86, Goossens, Jurispr. 1988, blz. 1819, r.o. 14 van het arrest.
(43) - Valverde Mordt, reeds aangehaald in voetnoot 18, r.o. 130-132 van het arrest.
(44) - Michel, reeds aangehaald in voetnoot 19, r.o. 25 van het arrest; zie verder, bij voorbeeld, Camera-Lampitelli, reeds aangehaald in voetnoot 18, r.o. 51 en 52.
(45) - R.o. 26 en 27 van het bestreden arrest. Het Gerecht van eerste aanleg verwees naar Michel, reeds aangehaald in voetnoot 19; zaak 225/87, Belardinelli, Jurispr. 1989, blz. 2353; Holguera, reeds aangehaald in voetnoot 19; Fascilla, reeds aangehaald in voetnoot 27; Camera-Lampitelli, reeds aangehaald in voetnoot 18.
(46) - R.o. 28-32 van het bestreden arrest. Het is niet duidelijk, of het Gerecht van eerste aanleg de twee vereiste soorten motivering als cumulatief dan wel als alternatief beschouwt, daar het in r.o. 32 verklaart, dat de ene noch de andere was verstrekt.
(47) - Reeds aangehaald in voetnoot 18, r.o. 52 van het arrest.
(48) - Reeds aangehaald in voetnoot 19, r.o. 20 van het arrest.
(49) - Reeds aangehaald in voetnoot 19, r.o. 41 en 44 van het arrest.
(50) - Reeds aangehaald in voetnoot 27, r.o. 35-37 van het arrest.
(51) - Reeds aangehaald in voetnoot 45, blz. 2356 (rapport ter terechtzitting).
(52) - Zie Fascilla, reeds aangehaald in voetnoot 27, r.o. 36 en 37 van het arrest (aan die voorwaarde was niet voldaan); Belardinelli, reeds aangehaald in voetnoot 45, r.o. 9; en Holguera, reeds aangehaald in voetnoot 19, r.o. 44 (in die twee gevallen was aan de voorwaarde voldaan).
(53) - Respectievelijk aangehaald in voetnoot 17, r.o. 63 en 64 van het arrest, en zaak T-125/95, reeds aangehaald in voetnoot 41, r.o. 22 van het arrest. De toepassing van een andere maatstaf voor de toelating tot vergelijkende onderzoeken is ook mogelijkerwijze door het Gerecht van eerste aanleg gesuggereerd in de zaak Fascilla, reeds aangehaald in voetnoot 27, r.o. 32 van het arrest.
(54) - Reeds aangehaald in voetnoot 18, r.o. 52 van het arrest.
(55) - Reeds aangehaald in voetnoot 18, r.o. 130 en 132 van het arrest.
(56) - Reeds aangehaald in voetnoot 19, r.o. 25 en 26 van het arrest.
(57) - Reeds aangehaald in voetnoot 19.
(58) - Reeds aangehaald in voetnoot 19.
(59) - Respectievelijk aangehaald in voetnoot 17, r.o. 66 van het arrest, en in voetnoot 41, r.o. 22 van het arrest.
(60) - Zie Kolivas, reeds aangehaald in voetnoot 24, r.o. 18 en 19 van het arrest.
(61) - Zie Valverde Mordt, reeds aangehaald in voetnoot 18, r.o. 131 en 132 van het arrest; zaak 12/84, Kypreos, reeds aangehaald in voetnoot 42, r.o. 5 en 8.
(62) - Valverde Mordt, reeds aangehaald in voetnoot 18, r.o. 166 van het arrest.
(63) - Valverde Mordt, reeds aangehaald in voetnoot 18, r.o. 133 van het arrest; Camera-Lampitelli, reeds aangehaald in voetnoot 18, r.o. 53 van het arrest; zaak 432/85, Souna, Jurispr. 1987, blz. 2229, r.o. 20 van het arrest; zaak 117/81, Geist, Jurispr. 1983, blz. 2191, r.o. 7.
(64) - Zie voor een voorbeeld uit de overvloedige rechtspraak, Michel, reeds aangehaald in voetnoot 19, r.o. 33 en 34 van het arrest.
(65) - Zie artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg en artikel 69, lid 2, Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie.
Full & Egal Universal Law Academy