Conclusie van de advocaat generaal
1 Met het onderhavige beroep vordert het Parlement nietigverklaring van beschikking 95/184/EG van de Raad van 22 mei 1995 tot wijziging van beschikking nr. 3092/94/EG tot instelling van een communautair informatiesysteem over ongevallen thuis en tijdens de vrijetijdsbesteding.(1) Het Parlement kan zich niet verenigen met de procedure bij de totstandkoming van die beschikking, die zonder zijn medewerking door de Raad is vastgesteld op basis van artikel 169 van de Akte van Toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.(2) Zijns inziens had de betwiste beschikking tot stand moeten komen volgens de zogenoemde medebeslissingsprocedure, bedoeld in artikel 189 B EG-Verdrag.
Ondersteund door de Commissie en het Koninkrijk Zweden, interveniënten in de procedure, concludeert de Raad tot verwerping van het beroep.
2 Alvorens de argumenten van partijen te onderzoeken, dienen de aan het beroep ten grondslag liggende feiten te worden vermeld.
Bij de betwiste handeling heeft de Raad beschikking nr. 3092/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 december 1994(3) tot instelling van een communautair informatiesysteem over ongevallen thuis en tijdens de vrijetijdsbesteding, gewijzigd. In het bij die beschikking ingevoerde systeem kregen onder meer 54 ziekenhuizen, verdeeld over de verschillende Lid-Staten, tot taak gegevens te verzamelen, hetgeen door de Gemeenschap financieel werd gesteund. Na de toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden moest die beschikking op bepaalde punten worden herzien opdat zij ook in de nieuwe Lid-Staten kon worden toegepast. Daartoe stelde de Raad beschikking 95/184 vast, waarbij het totale aantal ziekenhuizen werd gebracht op 65 en de financiële steun van de Gemeenschap werd verhoogd tot 2 808 miljoen ECU.
Bij de vaststelling van die beschikking mocht volgens de Raad gebruik worden gemaakt van de vereenvoudigde procedure als bedoeld in artikel 169 van de Toetredingsakte, dat luidt als volgt:
"1. Indien besluiten van de Instellingen van vóór de toetreding in verband met de toetreding moeten worden aangepast, en de noodzakelijke aanpassingen niet in deze Akte of de bijlagen daarvan zijn voorzien, worden deze aanpassingen aangebracht overeenkomstig de procedure van lid 2. Deze aanpassingen treden onmiddellijk bij de toetreding in werking.
2. De daartoe noodzakelijke teksten worden, op voorstel van de Commissie, door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, of door de Commissie vastgesteld, naar gelang de oorspronkelijke besluiten door de ene dan wel door de andere Instelling zijn aangenomen."
Het Parlement is echter van mening, dat aan de voorwaarden voor toepassing van deze procedure niet was voldaan. De te wijzigen beschikking was gebaseerd op artikel 129 A van het Verdrag en vastgesteld volgens de medebeslissingsprocedure. Bij de vaststelling van de bestreden beschikking had zijns inziens dus dezelfde procedure moeten worden gevolgd.
3 Vooraf moet worden opgemerkt, dat de juiste keuze van de te volgen procedure in casu aanzienlijke invloed heeft op de institutionele prerogatieven van het Parlement: artikel 169 van de Toetredingsakte bepaalt namelijk, dat het wijzigingsbesluit uitsluitend wordt vastgesteld door de Raad, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, terwijl artikel 189 B van het Verdrag duidelijk in deelname van het Parlement aan het besluitvormingsproces voorziet. Daaruit volgt, dat wanneer komt vast te staan dat de verkeerde procedure is gevolgd, het uiteindelijk niet om een zuiver vormgebrek gaat, maar om schending van wezenlijke vormvoorschriften, die de wettigheid van de beschikking aantast.
Het beroep voldoet derhalve aan de in artikel 173, derde alinea, van het Verdrag gestelde voorwaarden voor ontvankelijkheid, want het is door het Parlement ingesteld ter bescherming van zijn institutionele prerogatieven en berust op vermeende schending daarvan.
4 Ten gronde betoogt het Parlement, dat de Raad de betwiste beschikking niet op basis van artikel 169 van de Toetredingsakte had mogen vaststellen. Tot staving van dit standpunt voert het twee argumenten aan: in de eerste plaats kon de in die bepaling bedoelde procedure enkel vóór de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag worden gebruikt, en bovendien is die procedure uitsluitend bedoeld voor de aanpassing van besluiten van de Raad en van de Commissie, terwijl het in casu gaat om een gezamenlijk besluit van de Raad en het Parlement, dat niet onder de werkingssfeer van artikel 169 valt. Ik zal dat standpunt nu in het licht van beide argumenten nader onderzoeken.
5 Zoals gezegd, luidt het eerste argument van het Parlement, dat de Raad de procedure van artikel 169 van de Toetredingsakte na de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag niet meer had mogen toepassen. Dat standpunt berust voornamelijk op de formulering van de Franse versie van artikel 169, die luidt: "lorsque les actes des institutions doivent, avant l'adhésion, être adaptés du fait de l'adhésion et que les adaptations nécessaires n'ont pas été prévues dans le présent acte ou ses annexes, ces adaptations sont effectuées selon la procédure prévue au paragraphe 2 (...)". Volgens het Parlement wordt door de zinsnede "avant l'adhésion" een duidelijke beperking in de tijd gesteld aan het gebruik van deze vereenvoudigde aanpassingsprocedure, die enkel vóór de toetreding mocht worden gevolgd en niet, zoals in casu, erna. Deze conclusie wordt volgens het Parlement ook bevestigd door artikel 2 van het Toetredingsverdrag, volgens hetwelk het Verdrag op 1 januari 1995 in werking treedt en dat in lid 3 bepaalt: "in afwijking van lid 2 kunnen de instellingen van de Unie vóór de toetreding de maatregelen vaststellen bedoeld in de artikelen (...) 169 van de Toetredingsakte (...)". Uit die bepalingen leidt het Parlement af, dat artikel 169 ertoe strekt, dat bestaande besluiten van de instellingen in de periode tussen de ondertekening en de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag op vereenvoudigde wijze kunnen worden aangepast. Na afloop van die termijn zouden aanpassingen die noodzakelijk zijn in verband met de toetreding van nieuwe Lid-Staten, volgens de gewone verdragsprocedure moeten plaatsvinden.
Dit standpunt kan mij niet overtuigen. Zoals de Raad, de Commissie en de Zweedse regering hebben opgemerkt, vloeit het letterlijke argument waarop de stelling van het Parlement berust uitsluitend voort uit de Franse versie van artikel 169 van de Toetredingsakte. Alle overige taalversies wijzen juist in een andere richting. Zo valt in de Italiaanse versie te lezen "quando gli atti delle istituzioni precedenti all'adesione richiedono adattamenti (...) [questi] sono effetuati secondo la procedura di cui al paragrafo 2". Evenzo luidt de Engelse versie: "where acts of the institutions prior to accession require adaptation by reason of accession, and the necessary adaptations have not been provided for in this Act or its Annexes, those adaptations shall be made in accordance with the procedure laid down by paragraph 2".(4)
Gelet op dit verschil tussen de taalversies moet eraan worden herinnerd, dat het Hof in een andere zaak heeft beslist, dat een tekst "niet op zichzelf in een van zijn versies" moet worden beschouwd, maar "met name in het licht van de in alle talen geredigeerde versies" moet worden uitgelegd "zowel naar de werkelijke bedoeling van de wetgever, als gelet op het doel hetwelk hij zich daarmede heeft gesteld".(5) Mijns inziens is daarom doorslaggevend, dat de chronologische beperking van de toetreding in alle taalversies, met uitzondering van de Franse, geen betrekking heeft op de mogelijkheid een beroep op artikel 169 te doen, maar veeleer op de te wijzigen besluiten: de besluiten die moeten worden aangepast, moeten dus van vóór de toetreding dateren. Het lijkt mij onjuist om voorrang te geven aan de taalversie die als enige van alle overige verschilt.
Bovendien is enkel die oplossing in overeenstemming met het doel van artikel 169. Die bepaling dient namelijk als vangnet ingeval de noodzakelijke aanpassingen niet elders in het Verdrag of in de Toetredingsakte zijn voorzien. De overeenkomstsluitende partijen hebben de instellingen van de Gemeenschap dus een gemakkelijke en snelle procedure willen verschaffen voor het aanbrengen van de aanpassingen die bij de onderhandelingen zijn "vergeten", maar niettemin van essentieel belang zijn om een gemeenschapsbesluit op de toetredende Lid-Staten te kunnen toepassen. Die situatie kan zich uiteraard ook na de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag voordoen. In dat geval werd het beter geacht, dat aanpassingen via de vereenvoudigde wijze van artikel 169 werden aangebracht, in plaats van via de gewone procedures waarin het Verdrag voor de wijziging van het betrokken besluit voorziet. Die keuze is gemaakt om de procedure te bekorten, waardoor de besluiten van de Gemeenschap onmiddellijk, zonder vertraging, in alle Lid-Staten eenvormig kunnen worden toegepast. Voorts moet worden opgemerkt, dat de vereenvoudigde procedure niet bruikbaar is voor elke willekeurige wijziging van een bestaand besluit; zij betreft enkel de technische aanpassingen en beïnvloedt de normatieve draagwijdte van het besluit niet afwijkend. Mijns inziens behoeft het Parlement daardoor niet zozeer voor de beweerde aantasting van zijn institutionele prerogatieven te vrezen.
6 Artikel 2 van het Toetredingsverdrag, waarin het Parlement een beperking wil lezen van het gebruik van de procedure van artikel 169 na de inwerkingtreding van dat Verdrag, speelt evenmin een rol. Zoals de Raad en interveniënten terecht opmerken, ligt aan dit artikel een heel andere gedachte ten grondslag. De datum van inwerkingtreding van het Verdrag is namelijk 1 januari 1995; in afwijking van die bepaling "kunnen de instellingen van de Unie vóór de toetreding de maatregelen vaststellen bedoeld in de artikelen (...) 169 van de Toetredingsakte (...)". De betekenis van deze bepaling is duidelijk: de instellingen kunnen vóór de toetreding gebruik maken van artikel 169, maar zijn daartoe niet verplicht. Het gaat om een eenvoudige machtiging, die geenszins verbiedt die procedure na de toetreding toe te passen. De ratio van artikel 2 is dan ook gemakkelijk te begrijpen: het Verdrag is op 1 januari 1995 in werking getreden, maar men heeft de instellingen van de Unie de gelegenheid willen bieden om vóór die datum voor de noodzakelijke aanpassingen te zorgen. Derhalve moest een afwijkende regeling worden getroffen, opdat de vereenvoudigde procedure van artikel 169 "geanticipeerd" kon worden toegepast; dat zou anders onmogelijk zijn geweest, omdat de instellingen uiteraard geen gebruik konden maken van een procedure neergelegd in een nog niet in werking getreden bepaling.
Bijgevolg kan noch uit voormeld artikel 2, noch uit de bewoordingen van artikel 169 worden afgeleid, dat de toepassing door de Raad van de vereenvoudigde aanpassingsprocedure aan enigerlei beperking in de tijd gebonden was.(6) Wel zou men zich kunnen afvragen, of de procedure van artikel 169 na de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag zonder enige beperking in de tijd mag worden gebruikt, dan wel slechts gedurende een korte periode. Voor het onderhavige geding is dit punt echter niet van belang, omdat beschikking 95/184 is vastgesteld op 22 mei 1995, dat wil zeggen binnen een redelijke termijn na de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag. Gelet op het doel van artikel 169 en aangezien deze bepaling zich enkel uitstrekt tot eenvoudige, om zo te zeggen technische aanpassingen, geloof ik hoe dan ook, dat ook een eventuele latere toepassing ervan de grief van het Parlement niet zou hebben gerechtvaardigd.
7 Het Parlement merkt echter op, dat de mogelijkheid om de procedure van artikel 169 na de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag toe te passen, in strijd zou zijn met het beginsel volgens hetwelk de Lid-Staten bij hun toetreding tot de Gemeenschap het op dat tijdstip bestaande "acquis communautaire" aanvaarden. In die gedachtegang zouden de bestaande gemeenschapsbesluiten niet onbeperkt, zonder schending van dit fundamentele beginsel kunnen worden gewijzigd. Dat argument lijkt mij evenwel niet beslissend. Het lijdt geen twijfel, dat de staten die tot de Unie toetreden alle reeds bestaande besluiten moeten aanvaarden.(7) Dat heeft in casu echter niets te maken met de eventuele toepassing van de vereenvoudigde aanpassingsprocedure na de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag. Integendeel, die mogelijkheid biedt de nieuwe Lid-Staten juist de gelegenheid, het "acquis communautaire" volledig toe te passen, vooral wanneer - zoals in dit geval - de reeds bestaande besluiten juist moeten worden aangepast om ze ook in die staten te kunnen toepassen.
Nog een laatste opmerking. De betwiste beschikking is vastgesteld op 22 mei 1995, maar kreeg overeenkomstig artikel 169 terugwerkende kracht tot 1 januari 1995, dat wil zeggen tot de datum van inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag. Ik ben het met de Commissie eens, dat dit niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Het Hof heeft namelijk verklaard, dat dat beginsel er zich in het algemeen tegen verzet, "dat een handeling van de Gemeenschap op een vóór publikatie gelegen datum ingaat"; het heeft daar evenwel aan toegevoegd, dat "dit beginsel uitzondering kan leiden wanneer het te bereiken doel zulks verlangt en wanneer het gewettigd vertrouwen van de betrokkene wordt geëerbiedigd".(8) Mijns inziens is in casu aan die voorwaarden voldaan. In de eerste plaats is er geen sprake van aantasting van het gewettigd vertrouwen van de betrokkenen en in de tweede plaats is het nagestreefde doel de uniforme toepassing van het "acquis communautaire" op het gehele grondgebied van de Unie vanaf de toetreding. Daarom sluit artikel 169 latere aanpassingen van besluiten van de instellingen niet uit, maar bepaalt het tegelijkertijd, dat deze terugwerkende kracht hebben tot de datum van inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag.
8 Het Parlement vecht beschikking 95/184 nog in een ander opzicht aan. Zijns inziens kon de vereenvoudigde procedure van artikel 169 slechts worden toegepast om besluiten van de Commissie of van de Raad aan te passen, terwijl de betwiste beschikking diende tot wijziging van een handeling, beschikking nr. 3092/94, die voordien door de Raad en door het Parlement was vastgesteld. Dit standpunt berust uitsluitend op de bewoordingen van artikel 169, dat volgens het Parlement niet voorziet in de mogelijkheid (en dus uitsluit), dat besluiten die door de Raad en door het Parlement tezamen zijn vastgesteld volgens de medebeslissingsprocedure via een vereenvoudigde procedure worden gewijzigd.
Dat argument verbaast mij ten zeerste. Zoals de Raad, de Commissie en de Zweedse regering hebben opgemerkt, voorziet artikel 169 in de mogelijkheid om elk besluit "van de instellingen" aan te passen aan de eisen die uit de toetreding van nieuwe Lid-Staten voortvloeien. De door de verdragsluitende partijen gekozen terminologie had uiteraard beter gekund, waar artikel 169, lid 2, bepaalt, dat de aanpassingen door de Raad of door de Commissie zullen worden aangebracht, naargelang het te wijzigen besluit door de ene of door de andere instelling is vastgesteld, en voor zover een besluit op basis van artikel 189 B van het Verdrag zou kunnen worden beschouwd als een besluit van het Parlement en de Raad.(9) Noch uit de bewoordingen, noch uit de ratio van artikel 169 volgt evenwel, dat de verdragsluitende partijen via de hiervoor bedoelde procedure vastgestelde besluiten - besluiten die weliswaar gezamenlijk door beide instellingen zijn genomen, maar die het Verdrag enkel aan de Raad toeschrijft(10) - van de werkingssfeer van die bepaling heeft willen uitsluiten. Dit wettigt de conclusie, dat waar artikel 169, lid 2, spreekt van besluiten van de Raad, ook wordt gedoeld op besluiten die de Raad gezamenlijk met het Parlement neemt. De betrokken bepaling beoogt immers te voorzien in een snelle aanpassingsprocedure, waardoor gemeenschapsbesluiten ook in de nieuwe Lid-Staten volledig en uniform kunnen worden toegepast; dit fundamentele vereiste doet zich uiteraard ook gelden met betrekking tot besluiten die volgens de medebeslissingsprocedure zijn vastgesteld.
9 Uiteindelijk is het gebruik van de betrokken vereenvoudigde procedure mijns inziens dus aan drie voorwaarden gebonden. Om te beginnen moeten de aan te passen besluiten van vóór de toetreding dateren. In de tweede plaats dienen de noodzakelijke aanpassingen niet in de Toetredingsakte of in de bijlagen daarbij te zijn voorzien; ten slotte moet de betrokken procedure bestemd zijn om de aanpassing van het besluit te verzekeren, opdat dit ook in de nieuwe Lid-Staten kan worden toegepast. Zoals reeds opgemerkt, mag het dus geen substantiële wijziging betreffen die de inhoud van het besluit aantast, maar moet het enkel gaan om een eenvoudige aanpassing achteraf, teneinde te voldoen aan behoeften die zich ten gevolge van de nieuwe toetredingen doen gevoelen.
In casu is mijns inziens voldaan aan al die voorwaarden. De betwiste beschikking was namelijk bestemd ter aanpassing van een communautair besluit van vóór de toetreding; die aanpassing was niet voorzien in de Toetredingsakte of in de bijlagen daarbij; inhoudelijk had de beschikking derhalve uitsluitend betrekking op de aanpassingen die noodzakelijk waren om de toepassing in de nieuwe Lid-Staten in de praktijk mogelijk te maken. Overigens wordt dit laatste punt, dat mij essentieel lijkt, door het Parlement niet met overtuigende argumenten bestreden. Ter terechtzitting heeft dit slechts opgemerkt, dat de Raad bij zijn keuze van de voor aanpassing van beschikking nr. 3092/94 te gebruiken criteria over een discretionaire bevoegdheid beschikte, en het Parlement derhalve via de medebeslissingsprocedure bij die keuze betrokken had moeten worden. Dit is echter niet juist. De noodzaak om laatstgenoemde beschikking ook op de nieuwe Lid-Staten toe te passen, vergde slechts aanpassing op twee punten: in de eerste plaats is het aantal ziekenhuizen dat bij de verzameling van gegevens wordt betrokken, van 54 op 65 gebracht; in de tweede plaats is het bedrag van de communautaire bijstand dienovereenkomstig verhoogd tot 2 808 miljoen ECU. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, heeft de Raad zich bij die aanpassing gehouden aan de in beschikking nr. 3092/94 gekozen criteria, door het aantal ziekenhuizen per nieuwe Lid-Staat aan de omvang van de bevolking te koppelen en een daaraan evenredige financiële bijdrage vast te stellen; die criteria waren overigens door het Parlement goedgekeurd, want beschikking nr. 3092/94 was destijds volgens de medebeslissingsprocedure tot stand gekomen. Mijns inziens kan dus niet serieus worden beweerd, dat het bij de betwiste beschikking niet gaat om een eenvoudige aanpassing in de zin van artikel 169, maar om een discretionaire keuze die wegens de inhoudelijke vernieuwingen volgens de medebeslissingsprocedure had moeten worden gegeven. Ik ben dus van mening, dat de Raad, door de procedure van artikel 169 toe te passen, binnen de wezenlijke grenzen van die bepaling is gebleven.
10 De Raad, de Commissie en de Zweedse regering verzoeken het Hof voorts, in geval van nietigverklaring van de betwiste beschikking te verklaren dat de gevolgen van eventuele besluiten van de Commissie krachtens artikel 7 van beschikking nr. 3092/94 met betrekking tot financiële steun aan ziekenhuizen in de nieuwe Lid-Staten, gehandhaafd blijven. Nog afgezien van de praktische moeilijkheden die uit nietigverklaring met terugwerkende kracht zouden voortvloeien, zouden op basis van de beschikking namelijk reeds aan vier Zweedse en aan drie Finse ziekenhuizen geldsommen zijn betaald.
Het Parlement verlaat zich op het oordeel van het Hof, maar geeft wel te kennen, dat het zich in beginsel tegen het verzoek om toepassing van artikel 174 verzet.
Naar mijn mening moet het verzoek worden ingewilligd. Nietigverklaring ex tunc van de beschikking zou bijzonder schadelijk zijn voor de acties die de Commissie reeds in de nieuwe Lid-Staten heeft ondernomen; bovendien dienen die acties hoofdzakelijk ter bescherming van de consument. Ik geef het Hof dus in overweging om krachtens artikel 174, tweede alinea, te beslissen, dat de gevolgen van besluiten die de Commissie uit hoofde van artikel 7 van beschikking nr. 3092/94, zoals bij de betwiste beschikking gewijzigd, heeft genomen, als gehandhaafd moeten worden beschouwd.
Conclusie
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
"- het beroep van het Parlement te verwerpen;
- in geval van eventuele nietigverklaring van beschikking 95/184/EG van de Raad van 22 mei 1995 tot wijziging van beschikking nr. 3092/94/EG tot instelling van een communautair informatiesysteem over ongevallen thuis en tijdens de vrijetijdsbesteding, te verklaren dat de gevolgen van de besluiten die de Commissie uit hoofde van artikel 7 van beschikking nr. 3092/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 december 1994 heeft genomen, als gehandhaafd moeten worden beschouwd;
- het Parlement in de kosten te verwijzen, met uitzondering van die van de Commissie en het Koninkrijk Zweden".
(1) - PB 1995, L 120, blz. 36.
(2) - PB 1994, C 241, blz. 21.
(3) - PB 1994, L 331, blz. 1.
(4) - In dezelfde zin bepaalt de Spaanse versie bijvoorbeeld: "1. En caso de que los actos de las instituciones previos a la adhesión requieran una adaptación como consecuencia de ésta y no se hayan previsto en la presente Acta o en sus Anexos las necesarias adaptaciones, dichas adaptaciones se harán con arreglo al procedimiento establecido en el apartado 2 (...)"; en de Portugese versie luidt: "1. Quando os actos das Instituições anteriores à adesão, devam ser adaptados em virtude da adesão, e as adaptações necessárias não estiverem previstas no presente Acto ou nos Anexos, estas serão efectuadas nos termos do procedimento previsto no n_ 2 (...)."
(5) - Arrest van 7 juli 1988, zaak 55/87, Moksel, Jurispr. 1988, blz. 3845, r.o. 15.
(6) - Men zou juist kunnen zeggen, dat de bewoordingen van artikel 169 tegen de uitlegging van het Parlement pleiten. Die bepaling voorziet namelijk in de mogelijkheid tot het aanbrengen van de noodzakelijke wijzigingen "in verband met de toetreding" en niet "met het oog daarop". De gebruikte woorden doelen duidelijk op de situatie, dat de toetreding reeds heeft plaatsgevonden en dat het Verdrag derhalve in werking is getreden. Anders gezegd, de structuur van de bepaling kan er dus op wijzen, dat de aanpassingen juist een gevolg zijn van de toetreding en dat de betrokken procedure daarop volgt.
(7) - Dit beginsel is door het Hof duidelijk bevestigd in zijn arrest van 16 februari 1982 (gevoegde zaken 39/81, 43/81, 85/81 en 88/81, Halyvourgiki, Jurispr. 1982, blz. 593, r.o. 12): "de toetredende staat [aanvaardt] alle tot aan het van kracht worden van zijn toetreding vastgesteld institutionele besluiten (...)". Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, betreft dat beginsel in die zaak duidelijk de situatie waarin de voorwaarden voor de concrete toepassing van het betrokken besluit daaruit reeds met voldoende nauwkeurigheid volgen. In dat arrest ging het echter niet om het probleem dat hier van belang is, namelijk de mogelijkheid om bestaande besluiten ook na de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag aan te passen.
(8) - Zie arrest van 30 november 1983, zaak 235/82, Ferriere San Carlo, Jurispr. 1983, blz. 3949, r.o. 9.
(9) - Zie bijvoorbeeld de formulering van artikel 173, eerste alinea: "Het Hof van Justitie gaat de wettigheid na van de handelingen van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk, van de handelingen van de Raad, van de Commissie en van de ECB, voor zover het geen aanbevelingen of adviezen betreft, en van de handelingen van het Europees Parlement die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden te hebben."
(10) - Zie bijvoorbeeld de artikelen 129 A, lid 2, 56, lid 2, en 100 A van het Verdrag.
Full & Egal Universal Law Academy