Conclusie van de advocaat generaal
1 Het Oberlandesgericht München stelt in dit geding drie prejudiciële vragen over de uitlegging van de artikelen 13, 14 en 17 van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(1) (hierna: "Executieverdrag"), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.(2)
2 De krachtens het uitleggingsprotocol van 3 juni 1971(3) gestelde vragen betreffen het begrip "door een consument gesloten overeenkomst" in de zin van artikel 13 Executieverdrag, de verkoop op afbetaling in de zin van dat artikel, en de rechter die bevoegd is kennis te nemen van een geschil over een bevoegdheidsbeding in de zin van artikel 17 Executieverdrag.
De feiten en de procedure in het hoofdgeding volgens de verwijzingsbeschikking
3 Dentalkit Srl (hierna: "Dentalkit") is een te Florence (Italië) gevestigde vennootschap, die een keten van franchisezaken heeft, die gespecialiseerd zijn in de verkoop van producten voor tandhygiëne.
4 Dentalkit en F. Benincasa (hierna: "verzoeker"), van Italiaanse nationaliteit, sloten te Florence een franchise-overeenkomst voor de inrichting en exploitatie van een winkel te München, waar verzoeker naar zijn zeggen zijn woonplaats had.
5 Volgens artikel 2 van de overeenkomst verbond Dentalkit zich onder meer ertoe: a) het gebruik van het merk Dentalkit als onderscheidingsteken van het verkooppunt toe te staan; b) het uitsluitende recht op het gebruik van het merk Dentalkit in een bepaald gebied te verlenen; c) de nodige steun bij het in bedrijf stellen van de winkel te verlenen; d) een lijst van producten te leveren; e) de goederen te leveren; f) ondersteuning te verlenen bij de presentatie van de producten; g) de haar ter beschikking staande technisch-commerciële informatie en documenten te verstrekken; h) ondersteuning te verlenen bij het onderzoek van maatregelen op het gebied van reclame en plaatselijke verkoopbevordering; i) documentatiemateriaal te leveren; l) een theoretische en praktische introductiecursus te organiseren; m) een nationale reclame- en verkoopbevorderingscampagne te ontwikkelen; n) geen andere vestiging in het exclusief toegekende verkoopgebied te openen.
6 Verzoeker verbond zich volgens artikel 3 van de overeenkomst tot het volgende: a) te zorgen voor de inschrijving in het handelsregister en het verkrijgen van de nodige vergunningen; b) de bedrijfsruimte voor de duur van de overeenkomst ter beschikking te houden; c) de bedrijfsruimte op dezelfde wijze in te richten als de andere vestigingen van Dentalkit; d) uitsluitend door Dentalkit geleverde producten aan te bieden en een passende voorraad van deze producten aan te houden; e) op de wenselijkheid van de introductie van nieuwe, bij het aangeboden assortiment passende producten te wijzen; f) de bedrijfsruimte een verzorgde aanblik te geven en de klanten vakbekwaam en efficiënt ter zijde te staan; g) de merktekens volgens de aanwijzingen van Dentalkit ongewijzigd te gebruiken; h) informatie en documenten betreffende het "Dentalkitsysteem" geheim te houden; i) op eigen kosten reclame- en verkoopbevorderingsactiviteiten te organiseren na voorafgaand overleg met Dentalkit.
7 Ten slotte verbond verzoeker zich ertoe, Dentalkit een bedrag van 8 miljoen LIT te betalen als vergoeding voor de technisch-commerciële ondersteuning bij het in bedrijf nemen van de winkel, alsmede 3 % van de jaarlijkse omzet af te dragen als vergoeding voor het gebruik van de voor het vastgestelde gebied exclusief toegekende merktekens vanaf het tweede jaar van de commerciële activiteit.
8 Ter bezegeling van de overeenkomst, die een aanvankelijke duur van drie jaar had en stilzwijgend kon worden verlengd, ondertekenden beide partijen een in het Italiaans opgesteld document, dat door Dentalkit gewoonlijk daarvoor wordt gebruikt.
9 Verzoeker opende de winkel, betaalde het entreegeld van 8 miljoen LIT en deed een aantal aankopen, die hij niet meer betaalde. Inmiddels heeft hij alle activiteiten gestaakt. Vervolgens stelde hij bij het Landgericht München I een vordering in tegen Dentalkit, waarin hij verzocht:
a) verweerster te veroordelen tot terugbetaling van 8 miljoen LIT plus 12 % rente vanaf de datum van betekening van de vordering (27 december 1993), en
b) vast te stellen dat de door partijen op 28 september 1992 gesloten franchise-overeenkomst nietig is, zodat de op basis daarvan gesloten verkoopovereenkomsten eveneens nietig zijn.
10 Verzoekers betoog, dat de franchise-overeenkomst ongeldig is, berust enerzijds erop, dat zij in strijd is met § 138 van het Bürgerliche Gesetzbuch (hierna: "BGB"), en anderzijds, dat zij voor meer dan twee jaar geldt zonder dat § 11, nr. 12, sub a, juncto § 6 van het Gesetz über die Allgemeinen Geschäftsbedingungen (wet inzake de algemene bedrijfsvoorwaarden) in acht is genomen. Hij betwist de overeenkomst voorts wegens dwaling in de zin van § 119 BGB en opzettelijk bedrog in de zin van § 123 BGB.
11 Dentalkit, die in haar verweerschrift tot afwijzing van de vordering concludeerde, betwistte vooraf de internationale en de plaatselijke bevoegdheid van het Landgericht München I, waarbij de zaak was aangebracht. Haars inziens was op grond van het tussen beide partijen overeengekomen bevoegdheidsbeding (artikel 12 van de overeenkomst) de rechter te Florence bij uitsluiting bevoegd om van het geschil kennis te nemen.
12 In antwoord op deze exceptie van onbevoegdheid voerde verzoeker kort samengevat het volgende aan:
a) het Landgericht München I is bevoegd als rechter van de plaats van uitvoering van de contractuele verbintenis in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag;
b) het bevoegdheidsbeding, waarbij de rechter te Florence bevoegd was verklaard, heeft geen derogerende werking, daar die vordering ertoe strekt, de nietigheid van de gehele overeenkomst en dus ook van dat bevoegdheidsbeding te doen vaststellen;
c) artikel 13, eerste alinea, sub 1, en artikel 14, eerste alinea, Executieverdrag verzetten zich bovendien tegen de toepassing van het bevoegdheidsbeding, zodat dit beding ingevolge artikel 17, derde alinea, juncto artikel 15 Executieverdrag geen rechtsgevolg heeft.
13 Tot staving van dit laatste punt voert verzoeker aan, dat hij bij de sluiting van de franchise-overeenkomst nog geen commerciële activiteit uitoefende en derhalve als consument in de zin van artikel 13, eerste alinea, Executieverdrag is te beschouwen. Dit volgt uit een teleologische uitlegging van deze bepaling, in het licht van de in het EG-Verdrag neergelegde doelstelling een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen.
14 Bij vonnis van 19 juli 1993 verklaarde het Landgericht München I de exceptie van Dentalkit gegrond en verklaarde het de vordering bijgevolg niet-ontvankelijk, omdat het internationaal onbevoegd was.
15 In het vonnis van het Landgericht München I werd het bevoegdheidsbeding van de franchise-overeenkomst dus geldig geacht en overeenkomstig artikel 17 Executieverdrag de bevoegdheid van de rechter te Florence aanvaard.
16 Volgens het vonnis ging het niet om een door een consument gesloten overeenkomst, zodat artikel 13 Executieverdrag in casu niet aan het bevoegdheidsbeding kon worden tegengeworpen. Zowel volgens de letter als volgens de geest van artikel 13, eerste alinea, Executieverdrag moet een overeenkomst waarmee de uitoefening van een beroep of bedrijf mogelijk wordt gemaakt, worden geacht te zijn gesloten voor een gebruik dat als beroeps- of bedrijfsmatig moet worden beschouwd.
17 Naar het oordeel van het Landgericht München I zijn de andere gevolgen van de toepassing van het Duitse Verbraucherkreditgesetz irrelevant voor de uitlegging van artikel 13 Executieverdrag, dat autonoom moet worden uitgelegd. Ten slotte wordt in de in geding zijnde overeenkomst niet voldaan aan de overige voorwaarden van een door een consument gesloten overeenkomst.
18 Verzoeker ging van dit vonnis in eerste aanleg in hoger beroep; Dentalkit vorderde verwerping hiervan. In de beroepsprocedure hebben beide partijen hun tegengestelde argumenten over de internationale bevoegdheid van de Duitse gerechten in wezen herhaald.
19 Gezien de twijfel die over de uitlegging van het Executieverdrag is gerezen, legt de appèlrechter het Hof de volgende prejudiciële vragen voor:
"1) Moet een verzoeker ook dan als consument in de zin van de artikelen 13, eerste alinea, en 14, eerste alinea, Executieverdrag worden beschouwd, wanneer de rechtsvordering betrekking heeft op een overeenkomst die de verzoeker niet met het oog op een reeds uitgeoefende beroepsactiviteit, doch met het oog op een toekomstige beroepsactiviteit heeft gesloten (hier: een franchise-overeenkomst ter oprichting van een eigen bedrijf)?
2) Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord:
Omvat artikel 13, eerste alinea, sub 1, Executieverdrag (koop en verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken) ook een franchise-overeenkomst waarbij de verzoeker zich ertoe heeft verbonden, gedurende een periode van verscheidene jaren (drie jaar) het materieel en de producten die nodig zijn voor de inrichting en exploitatie van een bedrijf (zonder afspraak betreffende afbetaling) van de wederpartij te betrekken, alsmede een entreegeld en vanaf het tweede jaar van de activiteit een royalty ten belope van 3 % van de omzet te betalen?
3) Is de in een bevoegdheidsbeding aangewezen rechter van een Lid-Staat ingevolge artikel 17, eerste alinea, eerste volzin, Executieverdrag ook dan bij uitsluiting bevoegd, wanneer de rechtsvordering onder meer ertoe strekt, de nietigheid te doen vaststellen van de overeenkomst waarin het bevoegdheidsbeding in de volgende bewoordingen is opgenomen: $Voor alle geschillen over de uitlegging, de uitvoering of andere aspecten van de onderhavige overeenkomst is de rechter te Florence bevoegd', en waarmee afzonderlijk is ingestemd onder verwijzing naar de artikelen 1341 en 1342 van de Italiaanse Codice civile?"
De uit te leggen bepalingen van het Executieverdrag
20 Afdeling 4 van het Executieverdrag heeft als opschrift "Bevoegdheid inzake door consumenten gesloten overeenkomsten".
21 In deze afdeling bepaalt artikel 13:
"Ter zake van overeenkomsten gesloten door een persoon voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, hierna te noemen de consument, wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling, onverminderd het bepaalde in de artikelen 4 en 5, punt 5,
1. wanneer het gaat om koop en verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken,
2. wanneer het gaat om leningen op afbetaling of andere krediettransacties ter financiering van koopovereenkomsten van zodanige zaken,
3. voor elke andere overeenkomst die betrekking heeft op de verstrekking van diensten of op de levering van roerende lichamelijke zaken indien
a) de sluiting van de overeenkomst in de Staat waar de consument woonplaats heeft, is voorafgegaan door een bijzonder voorstel of reclame en indien
b) de consument in die Staat de voor de sluiting van die overeenkomst noodzakelijke handelingen heeft verricht.
Wanneer de wederpartij van de consument geen woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, maar in een verdragsluitende Staat een filiaal, een agentschap of enige andere vestiging heeft, wordt hij voor de geschillen betreffende de exploitatie daarvan geacht woonplaats te hebben op het grondgebied van die Staat.
(...)"
22 Artikel 14 Executieverdrag luidt als volgt:
"De rechtsvordering die door een consument wordt ingesteld tegen de wederpartij bij de overeenkomst, kan worden gebracht hetzij voor de gerechten van de verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan die partij woonplaats heeft, hetzij voor de gerechten van de verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft.
De rechtsvordering die tegen de consument wordt ingesteld door de andere partij bij de overeenkomst kan slechts worden gebracht voor de gerechten van de verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft.
Deze bepalingen laten het recht om een tegeneis in te stellen bij het gerecht, waarvoor met inachtneming van deze afdeling de oorspronkelijke eis is gebracht, onverlet."
23 Ten slotte bepaalt artikel 17 Executieverdrag, dat deel uitmaakt van afdeling 6 met het opschrift "Door partijen aangewezen bevoegde rechter", als volgt:
"Wanneer de partijen, van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, een gerecht of de gerechten van een verdragsluitende Staat hebben aangewezen voor de kennisgeving van geschillen welke naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die Staat bij uitsluiting bevoegd. Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter dient te worden gesloten:
a) hetzij bij een schriftelijke overeenkomst, hetzij bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;
b) hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden;
c) hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.
Wanneer een dergelijke overeenkomst wordt gesloten door partijen die geen van allen woonplaats op het grondgebied van een verdragsluitende Staat hebben, kunnen de gerechten van de andere verdragsluitende Staten van het geschil geen kennis nemen, zolang het aangewezen gerecht of de aangewezen gerechten zich niet onbevoegd hebben verklaard.
(...)
Overeenkomsten (...) hebben geen rechtsgevolg indien zij strijdig zijn met de bepalingen van de artikelen 12 en 15, of indien de gerechten, op welker bevoegdheid inbreuk wordt gemaakt, krachtens artikel 16 bij uitsluiting bevoegd zijn.
Indien een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter slechts is gemaakt ten behoeve van een der partijen, behoudt deze het recht zich te wenden tot elk ander gerecht dat op grond van dit Verdrag bevoegd is.
(...)" De eerste prejudiciële vraag
24 Voor de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag moet het Hof uitmaken, of een franchise-overeenkomst gesloten door een persoon die tot dusver nog geen commerciële activiteit heeft uitgeoefend, moet worden aangemerkt als een overeenkomst "voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd", in de zin van artikel 13 Executieverdrag.
25 Mijn beschouwing over deze vraag begin ik met het onderzoek van franchise-overeenkomsten, vervolgens zal ik de rechtspraak van het Hof over het begrip "door consumenten gesloten overeenkomsten" in artikel 13 Executieverdrag in herinnering brengen, en tot slot zal ik tot de conclusie komen, dat dat begrip niet op dergelijke overeenkomsten van toepassing is.
i) Franchise-overeenkomsten
26 Franchise-overeenkomsten - een wijdverbreide commerciële formule - zijn overeenkomsten waarbij de ene onderneming (de franchisegever) aan een andere onderneming (de franchisenemer) het recht verleent, een eigen systeem van verhandeling van goederen of diensten te exploiteren.
27 Natuurlijke of rechtspersonen die als franchisegever optreden, zetten gewoonlijk een franchisenet in een bepaalde bedrijfstak op. Zij bieden de toekomstige franchisenemer aan, zich bij dat netwerk aan te sluiten, en dit wordt bewerkstelligd door het ondertekenen van een contract waarin de wezenlijke elementen van de tweezijdige overeenkomst zijn geregeld. In de meeste gevallen gaat het om een toetredingsovereenkomst.
28 De franchisenemer is juridisch zelfstandig: hij is een echte zelfstandige winkelier, die zijn eigen bedrijf uitoefent en daden van koophandel verricht (hij koopt bij zijn leverancier en verkoopt aan zijn klanten).
29 Het Hof heeft zich met deze vorm van commerciële activiteit beziggehouden en hem vanuit het oogpunt van de vrije mededinging onderzocht in het arrest Pronuptia(4); het ging in die zaak om overeenkomsten inzake verkoopfranchising, op grond waarvan de franchisenemer enkel bepaalde producten verkoopt in een winkel met de handelsnaam van de franchisegever.
30 In rechtsoverweging 15 van dat arrest omschreef het Hof de wezenlijke kenmerken van de betrekking tussen franchisegever en franchisenemer en wees het op het commerciële karakter en de onafhankelijkheid van laatstgenoemde:
"In een dergelijk stelsel van verkoopfranchising biedt een onderneming die zich als verkoper een plaats op de markt heeft veroverd en daarbij een marketingconcept heeft weten te ontwikkelen, tegen vergoeding aan zelfstandige handelaars de mogelijkheid om met gebruikmaking van haar handelsnaam en de bij haar succesvol gebleken handelsmethoden, vaste voet te krijgen op andere markten. Het gaat niet zozeer om een verkoopvorm als wel om een soort economische exploitatie van know-how zonder inzet van eigen kapitaal. Dit stelsel biedt handelaars zonder de nodige ervaring overigens de mogelijkheid, gebruik te maken van methoden die zij zich anders slechts na lang en moeizaam onderzoek eigen hadden kunnen maken, en laat hen profiteren van de reputatie van de handelsnaam."(5)
31 Ook volgens artikel 1 van verordening (EEG) nr. 4087/88 van de Commissie van 30 november 1988 inzake de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen franchise-overeenkomsten(6), verlangt de franchise-overeenkomst, dat er twee "ondernemingen" zijn, dat wil zeggen twee economische eenheden die commercieel werkzaam zijn.(7)
ii) 's Hofs rechtspraak betreffende "door consumenten gesloten overeenkomsten"
32 In het arrest Shearson Lehman Hutton(8) is duidelijk vastgesteld, onder welke voorwaarden van dergelijke overeenkomsten kan worden gesproken en welk standpunt de nationale rechter bij de uitlegging van artikel 13 Executieverdrag moet innemen.
33 Het arrest begint met te herinneren aan "het in de rechtspraak (zie onder meer arresten van 21 juni 1978, zaak 150/77, Bertrand, Jurispr. 1978, blz. 1431, r.o. 14-16 en 19, en 17 juni 1992, zaak C-26/91, Handte, Jurispr. 1992, blz. I-3967, r.o. 10) geformuleerde beginsel, dat aan de in het Executieverdrag gebruikte begrippen - die volgens het recht van de Verdragsluitende Staten een verschillende betekenis kunnen hebben - met het oog op de eenvormige toepassing van het Verdrag in alle Verdragsluitende Staten een autonome uitlegging moet worden gegeven, waarbij in de eerste plaats aansluiting moet worden gezocht bij het stelsel en de doelstellingen van het Verdrag. Dit geldt in het bijzonder voor het begrip consument in de zin van de artikelen 13 e.v. Executieverdrag, als beslissend criterium voor de rechterlijke bevoegdheid."(9)
34 Vervolgens beschrijft het arrest het samenspel tussen de algemene en de bijzondere beginselen voor de aanwijzing van de bevoegde rechter:
- in het stelsel van het Executieverdrag geldt het in artikel 2, eerste alinea, daarvan neergelegde algemene beginsel, dat de gerechten van de Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de verweerder zijn woonplaats heeft, bevoegd zijn;
- enkel als uitzondering op dit algemene beginsel geeft het Executieverdrag in de afdelingen 2 tot en met 6 van titel II een limitatieve opsomming van de gevallen waarin de op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat wonende of gevestigde verweerder voor een gerecht van een andere Verdragsluitende Staat kan worden opgeroepen, wanneer een bijzondere bevoegdheidsregel van toepassing is, of moet worden opgeroepen, wanneer een exclusieve bevoegdheidsregel geldt of partijen een bevoegde rechter hebben aangewezen;
- de bevoegdheidsregels die van dit algemene beginsel afwijken, mogen bijgevolg niet aldus worden uitgelegd, dat zij buiten de door het Executieverdrag genoemde gevallen gelden.
35 In rechtsoverweging 17 van het arrest heet het: "Dit klemt te meer bij een bevoegdheidsregel als die neergelegd in artikel 14 Executieverdrag, die de consument als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag toestaat de verweerder op te roepen voor de gerechten van de Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de eiser zijn woonplaats heeft. Afgezien van de uitdrukkelijk voorziene gevallen, blijkt uit het Executieverdrag immers een duidelijke afkeer van de bevoegdheid van de gerechten van de woonplaats van de verzoeker (zie arrest van 11 januari 1990, zaak C-220/88, Dumez France en Tracoba, Jurispr. 1990, blz. I-49, r.o. 16 en 19)."
36 Na deze nadere omschrijving van de criteria voor uitlegging van de bevoegdheidsregels wordt in het arrest het begrip consument in de zin van de artikelen 13 en 14 Executieverdrag toegelicht: "Volgens hun bewoordingen en strekking hebben deze bepalingen slechts betrekking op de niet bedrijfs- of beroepsmatig handelende particuliere eindverbruiker (zie in deze zin ook arrest Bertrand, reeds aangehaald, r.o. 21, en het naar aanleiding van de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het Executieverdrag opgestelde deskundigenrapport; PB 1979, C 59, blz. 71, punt 153), die één van de in artikel 13 genoemde overeenkomsten heeft gesloten en die overeenkomstig artikel 14 partij is in een rechtsgeding."
iii) De toepassing van deze rechtspraak op franchise-overeenkomsten
37 Uitgaande van deze overwegingen kan niet worden staande gehouden, dat de partijen bij de franchise-overeenkomst kunnen worden aangemerkt als "consumenten" in de zin van artikel 13 Executieverdrag.
38 De hoedanigheid van consument als bedoeld in artikel 13 Executieverdrag, wordt niet bepaald door een reeds bestaande subjectieve situatie: eenzelfde natuurlijk persoon kan in een opzicht consument en in een ander opzicht handelaar zijn. Derhalve zijn niet de persoonlijke omstandigheden van het rechtssubject van belang, doch zijn positie in een bepaalde overeenkomst, in samenhang met de aard en het doel van deze overeenkomst.
39 Wanneer het om overeenkomsten als franchise-overeenkomsten gaat, die een duidelijk commercieel karakter hebben en noodzakelijkerwijs hierdoor worden gekenmerkt, dat zij een "beroepsmatige"(10) activiteit van partijen betreffen, is de persoonlijke situatie van deze partijen vóór de totstandkoming van de overeenkomst irrelevant voor de toepassing van artikel 13 Executieverdrag.
40 In tegenstelling tot wat verzoeker betoogt - en ter terechtzitting uitvoerig heeft toegelicht -, ben ik geenszins van mening, dat het Hof het traditionele beginsel van autonome uitlegging van de in het Executieverdrag gebruikte begrippen, waaronder het begrip consument, moet loslaten of meer flexibel moet toepassen.
41 De autonome uitlegging van het begrip consument, waarvan ik eerder onder verwijzing naar het arrest Shearson Lehman Hutton heb gesproken, lijkt mij te verkiezen boven een uitlegging die de nationale wetgevingen als leidraad neemt, en wel om twee redenen:
a) de nationale wetgevingen behoeven niet onderling overeen te stemmen, maar kunnen van geval tot geval verschillende varianten bevatten: het in aanmerking nemen van de ene of de andere wetgeving (en volgens welk criterium zou die moeten worden gekozen?) zou afbreuk doen aan de rechtszekerheid die het Executieverdrag beoogt te waarborgen;
b) zelfs binnen een zelfde nationale rechtsorde kan het begrip "consument" verschillen, afhankelijk van de tak van het recht waarin het voorkomt.
42 Volgens verzoeker zou het Hof voorrang moeten geven aan het begrip consument in de zin van het Duitse Verbraucherkreditgesetz(11); deze wet kent de hoedanigheid van consument toe aan personen die een krediet hebben aangevraagd om een activiteit te beginnen die zij tot dan toe nog niet hebben uitgeoefend.
43 Ik ben het niet met deze redenering eens, en ook de Duitse regering verzet zich er in haar schriftelijke opmerkingen tegen. Zij wijst erop, dat deze verruiming van het begrip consument door de nationale wetgever bewust en uitdrukkelijk verder gaat dan het minimumniveau dat verlangd wordt door de richtlijn waaraan het Verbraucherkreditgesetz uitvoering beoogt te geven(12), teneinde de consument een hoger beschermingsniveau te bieden dan waarin de communautaire regeling voorziet.
44 Zoals de Duitse regering verklaart, vallen onder het communautaire begrip consument in de zin van de richtlijn consumentenkrediet(13) niet enkel niet de personen die partij zijn bij overeenkomsten inzake "reeds uitgeoefende" beroeps- of bedrijfsactiviteiten (zoals het Verbraucherkreditgesetz letterlijk bepaalt), maar in het algemeen ook personen die partij zijn bij overeenkomsten die voor bedrijfs- of beroepsmatig gebruik worden gesloten.
45 Voorts wijst de Duitse regering er in haar opmerkingen op, dat het Duitse recht in andere bepalingen inzake consumentenbescherming een enger begrip consument hanteert, bijvoorbeeld in de wet betreffende de huis-aan-huisverkoop (Haustürwiderrufgesetz).
46 Dit alles bevestigt slechts de noodzaak tot handhaving van de autonome uitlegging van het begrip consument in artikel 13 Executieverdrag, dat op geen enkele wijze behoeft te worden gekoppeld aan de van geval tot geval door de nationale rechtsordes gebezigde begrippen.
47 De invoeging, ten slotte, in het EG-Verdrag van een nieuwe titel XI(14) inzake consumentenbescherming, waarvan artikel 129 A de Gemeenschap opdraagt, bij te dragen tot "de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming", staat niet in de weg aan de door mij verdedigde opvatting. De juridische strekking van dat voorschrift is beperkt(15) en lid 3 ervan laat uitdrukkelijk toe, dat een Lid-Staat maatregelen voor een hogere graad van bescherming treft en handhaaft. Een en ander impliceert logischerwijze, dat het communautaire beschermingsniveau niet per se hetzelfde behoeft te zijn als het niveau dat in een of meer Lid-Staten geldt.
48 Kortom, ik meen, dat aan de autonome uitlegging van het in het Executieverdrag gebruikte begrip consument moet worden vastgehouden, zoals het Hof in het arrest Shearson Lehman Hutton heeft gedaan; dit betekent, dat dit begrip wordt beperkt tot de particuliere eindverbruikers die geen partij zijn bij overeenkomsten die betrekking hebben op hun bedrijfs- of beroepsactiviteit.
49 Vaststaat, dat franchisenemers soms nog geen handelservaring hebben, maar daarom kan de activiteit waarop de franchise-overeenkomst betrekking heeft, nog niet worden aangemerkt als een activiteit die buiten de sector van bedrijf of beroep valt. Juist die activiteit - en niet, nogmaals gezegd, de eerdere persoonlijke situatie van het subject - is de factor die van belang is voor de bij artikel 13 Executieverdrag ingestelde specifieke regeling voor de rechterlijke bevoegdheid bij bepaalde overeenkomsten.
50 De formulering van artikel 13 laat dus niet toe, de werkingssfeer ervan zover uit te breiden, dat elke overeenkomst, ongeacht zijn voorwerp of doel, tussen een economisch zwakkere partij en een andere die, objectief of in de gegeven situatie, sterker is, eronder valt.
51 In de handel bestaat er gewoonlijk niet vanaf het begin een evenwicht tussen de overeenkomstsluitende partijen, maar daarom is op dergelijke overeenkomsten, daaronder begrepen de standaard- of toetredingsovereenkomsten die door ondernemers worden aangegaan, nog niet de bijzondere regel van artikel 13 van toepassing. Ofschoon dit voorschrift is ingegeven door het streven de economisch zwakkere partij in de contractuele betrekking te beschermen, is de werkingssfeer ervan beperkt tot de overeenkomsten waarbij een persoon handelt voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, dat wil zeggen, waarbij hij handelt als "particuliere eindverbruiker die zich niet bezighoudt met bedrijfs- of beroepsactiviteiten".
52 Met andere woorden, de economisch zwakkere positie van een van de twee partijen bij een overeenkomst die met het oog op de uitoefening van een bedrijfs- of beroepsactiviteit of in het kader van soortgelijke activiteiten is gesloten, zoals in het geval van franchise-overeenkomsten, behoeft op zich volgens het Executieverdrag geen speciale bescherming bij de aanwijzing van de bevoegde rechter.
53 Derhalve ben ik van mening, dat het Hof op de eerste vraag moet antwoorden, dat artikel 13 Executieverdrag op een overeenkomst als in casu niet van toepassing is.
De tweede prejudiciële vraag
54 De verwijzende rechter stelt de tweede vraag enkel voor het geval dat het Hof op de eerste vraag zou antwoorden, dat artikel 13 Executieverdrag op een overeenkomst als in casu van toepassing is. Gezien het door mij voorgestelde antwoord op de eerste vraag, zou de tweede dus geen antwoord behoeven.
55 Zou het Hof de toepasselijkheid van artikel 13 Executieverdrag echter bevestigen, dan zal het zich moeten uitspreken over de tweede vraag, waarmee het Oberlandesgericht München verzoekt om uitlegging van artikel 13, eerste alinea, punt 1, met betrekking tot koop en verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken.
56 In het bijzonder wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de formulering "koop en verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken" mede franchise-overeenkomsten omvat waarbij een partij zich ertoe verbindt, gedurende een periode van drie jaar het materieel en de producten die nodig zijn voor de inrichting en exploitatie van het bedrijf, van de franchisegever te betrekken, zonder dat er een afspraak is gemaakt over een betaling in termijnen van dit materieel en die producten. De enige verplichtingen van de franchisenemer dienaangaande bestaan in de betaling van een entreegeld en, vanaf het tweede jaar van de activiteit, van een royalty ten belope van 3 % van zijn omzet.
57 Het belang van de tweede prejudiciële vraag is erin gelegen, dat artikel 13 Executieverdrag niet alleen vereist, dat de overeenkomst is gesloten voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, maar ook dat zij tot een van de in de punten 1, 2 en 3 van de eerste alinea beschreven categorieën behoort. De eerste daarvan bestaat uit overeenkomsten inzake "koop en verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken".
58 Mijns inziens dient deze vraag eveneens ontkennend te worden beantwoord. Overeenkomsten inzake koop en verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken mogen niet worden verward met overeenkomsten die weliswaar opeenvolgende verrichtingen betreffen, doch kenmerken vertonen die duidelijk verschillen van de rechtsfiguur van de verkoop op afbetaling.
59 In dit geval wijst de verwijzende rechter erop, dat op de aankopen van producten bij de franchisegever, waartoe de franchisenemer zich voor de drie jaar durende looptijd van de overeenkomst verplicht, niet de regeling voor verkoop op afbetaling van toepassing is: de overeenkomst bevat geen regeling inzake uitgestelde betaling van het product op opeenvolgende en vooraf bepaalde tijdstippen.
60 Dat een overeenkomst een regeling van opeenvolgende verplichtingen ten laste van een of van beide partijen bevat, betekent nog niet, dat zij zonder meer met een "koop en verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken" kan worden gelijkgesteld.
61 In dit concrete geval zijn de periodieke aankopen van producten waartoe de franchisenemer ingevolge de franchise-overeenkomst verplicht is, een gevolg of uitvloeisel van de oorspronkelijke overeenkomst, die als zodanig geenszins lijkt op koop en verkoop op afbetaling in de zin van artikel 13 Executieverdrag.
62 Voor het overige geldt in casu voor die periodieke aankopen als zodanig zelfs niet de regeling voor verkoop op afbetaling.
63 Er is nog minder reden om aan te nemen, dat er sprake is van verkoop van goederen op afbetaling, omdat de franchisenemer periodiek een bedrag ten belope van 3 % van zijn jaarlijkse omzet moet afdragen als vergoeding voor het gebruik van de merktekens van de franchisegever. In een dergelijk geval is er duidelijk geen sprake van een tweezijdige overeenkomst inzake koop van roerende lichamelijke zaken, noch op afbetaling noch contant.
64 Indien de tweede prejudiciële vraag moest worden beantwoord, zou het antwoord van het Hof erop mijns inziens ontkennend moeten luiden.
De derde prejudiciële vraag
65 De derde prejudiciële vraag heeft een ruimere strekking. Hiermee wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of volgens artikel 17, eerste alinea, Executieverdrag het door partijen door middel van een bevoegdheidsbeding(16) aangewezen "bij uitsluiting bevoegde gerecht" ook bevoegd is om kennis te nemen van een geding waarin wordt gevorderd de nietigheid vast te stellen van de overeenkomst waarvan het bevoegdheidsbeding deel uitmaakt.
66 Ik wil hier om te beginnen twee punten noemen die mij belangrijk lijken:
a) het staat buiten kijf, dat het in de onderhavige overeenkomst opgenomen bevoegdheidsbeding voldoet aan de vormvereisten van artikel 17 Executieverdrag(17);
b) het bevoegdheidsbeding is zo algemeen mogelijk geformuleerd, want het heeft betrekking op "alle geschillen over de uitlegging, de uitvoering of andere aspecten van deze overeenkomst", die juist aan de rechter te Florence moeten worden voorgelegd.
67 Naar mijn mening is een bevoegdheidsbeding als het onderhavige, dat volgens het Executieverdrag formeel geldig is en door partijen is gesloten om allerlei toekomstige geschillen over ongeacht welk aspect van de overeenkomst te beslechten, van toepassing op de geschillen die kunnen ontstaan, waaronder die over de voorwaarden voor de geldigheid van de overeenkomst waarin het is opgenomen.
68 In het arrest Effer(18) werd het Hof met een soortgelijk probleem geconfronteerd, dat toen betrekking had op de werkingssfeer van artikel 5 Executieverdrag. In dat geval werd het Hof de vraag gesteld, of het gerecht van de plaats van uitvoering van de overeenkomst bevoegd is, wanneer het bestaan of de voorwaarden voor totstandkoming van de hoofdovereenkomst tussen partijen in geschil zijn.
69 Het Hof oordeelde, dat de bevoegdheid van de nationale rechter om uitspraak te doen over vragen betreffende een overeenkomst, ook de bevoegdheid omvat het bestaan van de aan de overeenkomst zelf ten grondslag liggende elementen te beoordelen, daar dat onontbeerlijk is om de geadieerde rechter in staat te stellen zijn bevoegdheid krachtens het Verdrag te toetsen.
70 Aan dit argument werd kracht bijgezet door de verwijzing naar de schadelijke gevolgen voor de rechtszekerheid(19) die uit de omgekeerde oplossing zouden voortvloeien: de werking van de bepalingen van het Executieverdrag zou in gevaar komen indien werd aangenomen, dat een partij slechts behoeft te stellen dat de overeenkomst niet bestaat, om aan de toepassing van die bepalingen te ontkomen.
71 Met het oog op het doel en de geest van het Executieverdrag, zo vervolgde het Hof, moeten de regels ervan integendeel aldus worden uitgelegd, dat de nationale rechter, die uitspraak moet doen in een uit een overeenkomst voortvloeiend geschil, zelfs ambtshalve de belangrijkste voorwaarden voor zijn bevoegdheid kan toetsen, in het licht van door de betrokken partij verstrekte overtuigende en relevante gegevens, waaruit het al dan niet bestaan van de overeenkomst blijkt.
72 Dezelfde argumenten gelden naar analogie ook voor het onderhavige geval, waarin de geldigheid en niet het bestaan van de overeenkomst in geding is. Het verschil tussen deze en de in het arrest Effer onderzochte zaak is, dat het territoriaal bevoegde gerecht toen niet door een bevoegdheidsbeding, maar door een wettelijk criterium (de plaats van uitvoering van de verbintenis) werd bepaald. De toen gevolgde juridische redenering is mijns inziens op beide situaties van toepassing.
73 Dezelfde conclusie kan worden bereikt wanneer men de aard van de in artikel 17 Executieverdrag bedoelde bevoegdheidsbedingen onderzoekt. Hieraan moet volgens mij een zekere zelfstandigheid worden toegekend ten opzichte van de overeenkomst waarvan zij deel uitmaken.
74 Weliswaar is hierover in de rechtsleer een discussie gaande(20) waarvan de uitkomst niet onomstreden is, maar met betrekking tot artikel 17 Executieverdrag ben ik van mening, dat het Hof zich in de lijn van het arrest Effer moet uitspreken voor de opvatting waarmee de rechtszekerheid het meest is gediend, en in het bijzonder voor de erkenning van het in een bevoegdheidsbeding als bevoegde rechter aangewezen gerecht (uiteraard mits dit beding voldoet aan de voorwaarden van artikel 17 Executieverdrag), zelfs wanneer wordt gesteld dat de overeenkomst waarvan dit beding deel uitmaakt, nietig is.
75 Voor deze oplossing kunnen verscheidene argumenten worden aangevoerd. In de eerste plaats hangen de bevoegdheidsbedingen niet af van de economische en juridische factoren die aan de overeenkomsten zelf ten grondslag liggen, en de "causa" van deze overeenkomsten is ook niet dezelfde als die van de bevoegdheidsbedingen, die enkel een procedurele functie hebben (toewijzing van de beslechting van eventuele toekomstige geschillen aan een bepaald gerecht). Nietigheidsgronden die betrekking hebben op de materiële bepalingen van de overeenkomst, mogen derhalve geen gevolgen hebben voor de bevoegdheidsbedingen.
76 In de tweede plaats: indien een partij stelt dat er sprake is van een wilsgebrek - bijvoorbeeld dwaling ten aanzien van de wezenlijke voorwaarden van het voorwerp van de overeenkomst, die leidt tot nietigheid van de wederzijdse verplichtingen -, heeft dat niet noodzakelijkerwijs invloed op het bevoegdheidsbeding, aangezien de dwaling geen betrekking heeft op de uitdrukkelijke keuze van het bevoegde gerecht. Dit zou te meer het geval zijn wanneer de aangevoerde gronden voor nietigheid van de overeenkomst betrekking hadden op de onverenigbaarheid ervan met de materiële bepalingen van een bepaalde nationale rechtsorde.
77 In de derde plaats: zou men aannemen dat een ander dan het door de overeenkomstsluitende partijen in een bevoegheidsbeding aangewezen gerecht over de geldigheid van de overeenkomst in het algemeen zou kunnen beslissen, dan zou dat nogal verrassende praktische consequenties hebben. Mocht bijvoorbeeld die beslissing ten gunste van de algemene geldigheid van de overeenkomst uitvallen, dan zou dat gerecht zich onmiddellijk daarna onbevoegd moeten verklaren ten gunste van het door de overeenkomstsluitende partijen aangewezen gerecht, dat immers bij uitsluiting bevoegd is voor de beslechting van geschillen daarover. Laatstgenoemd gerecht kan moeilijk de bevoegdheid worden ontzegd om op zijn beurt zelfs in tegenspraak met eerstgenoemd gerecht te verklaren, dat de overeenkomst of een van de wezenlijke bepalingen ervan nietig is.
78 Ten slotte heeft de door mij verdedigde opvatting het voordeel, dat zij een toeneming van het aantal geschillen en het ontduiken van het stelsel van uitsluitende bevoegdheid van de aangewezen rechter, waarop het Executieverdrag berust, voorkomt. Elke partij zou met de enkele bewering dat de overeenkomst waarvan het beding deel uitmaakt, nietig is, een verlegging van de bevoegdheidscriteria kunnen bewerkstelligen en daarmee aan artikel 17 zijn nuttig effect kunnen ontnemen. Dat is stellig in tegenspraak met de zekerheid en voorspelbaarheid bij de bepaling van het bevoegde gerecht.
79 Ik moet op dit punt eraan herinneren, dat geen van de partijen bij het geding de geldigheid van het bevoegdheidsbeding op zich op materiële(21) dan wel formele gronden in twijfel heeft getrokken. Verzoeker stelt alleen, dat de gehele franchise-overeenkomst om aan het Duitse materiële recht ontleende redenen nietig is (kennelijke schending van het BGB en het Gesetz über Allgemeine Geschäftsbedingungen).(22)
80 Het antwoord op dit betoog, dat wil zeggen de beoordeling van de geldigheid van de franchise-overeenkomst, zal afhangen van het volgens deze overeenkomst toepasselijke materiële recht. Ik ben echter van mening, dat het voor de beoordeling ervan bevoegde gerecht, nu beide partijen het bevoegdheidsbeding in zulke algemene bewoordingen hebben geformuleerd, juist het door hen vooraf aangewezen gerecht moet zijn.
81 De in het bevoegdheidsbeding tot uitdrukking gebrachte wil van partijen is immers duidelijk: voor "alle geschillen" over andere "aspecten" van de overeenkomst (en daaronder moeten de geschillen over de geldigheid ervan worden begrepen) is de rechter te Florence bevoegd.
82 Hierbij is onvermijdelijk, dat het antwoord van het Hof zich niet beperkt tot een abstracte uitlegging van artikel 17 Executieverdrag, los van enige band met het geschil waarop de prejudiciële vraag betrekking heeft. Zonder in de plaats te willen treden van de nationale rechter, die bevoegd is de door partijen gesloten overeenkomst uit te leggen, is het voor een nuttig antwoord van het Hof in het kader van de prejudiciële verwijzingsprocedure noodzakelijk, de inhoud van het bevoegdheidsbeding te onderzoeken om de verwijzende rechter, gelet op de kenmerken van dit beding, de door hem gevraagde uitlegging van het Executieverdrag te kunnen verschaffen.
Conclusie
83 Ik geef het Hof bijgevolg in overweging, de door het Oberlandesgericht München in deze procedure gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
"1) De partijen bij een franchise-overeenkomst die de spoedige opening van een winkel tot doel heeft, zijn niet te beschouwen als consumenten in de zin van de artikelen 13, eerste alinea, en 14, eerste alinea, Executieverdrag.
2) Het in een bevoegdheidsbeding $voor alle geschillen over de uitlegging, de uitvoering of andere aspecten van de onderhavige overeenkomst' bevoegd verklaarde gerecht is ook dan overeenkomstig artikel 17 Executieverdrag bij uitsluiting bevoegd, wanneer de rechtsvordering onder meer ertoe strekt, de nietigheid te doen vaststellen van de overeenkomst waarin dat beding is opgenomen."
(1) - PB 1972, L 299, blz. 32.
(2) - PB 1978, L 304, blz. 1, en - gewijzigde tekst - blz. 77.
(3) - PB 1975, L 204, blz. 28.
(4) - Arrest van 28 januari 1986 (zaak 161/84, Jurispr. 1986, blz. 353).
(5) - Cursivering van mij.
(6) - PB 1988, L 359, blz. 46.
(7) - Volgens dit artikel wordt onder franchise verstaan "een pakket van industriële of intellectuele eigendomsrechten met betrekking tot handelsmerken, handelsnamen, emblemen, gebruiksmodellen, tekeningen, auteursrechten, know-how of octrooien, dat wordt geëxporteerd voor de wederverkoop van goederen of de verrichting van diensten aan eindverbruikers". De franchise-overeenkomst wordt gedefinieerd als een overeenkomst "krachtens welke een onderneming, de franchisegever, de wederpartij, de franchisenemer, tegen rechtstreekse of indirecte geldelijke vergoeding het recht verleent een franchiseonderneming te exploiteren voor de afzet van bepaalde type goederen en/of de verrichting van bepaalde diensten".
(8) - Arrest van 19 januari 1993 (zaak C-89/91, Jurispr. 1993, blz. I-139).
(9) - R.o. 13.
(10) - Het begrip "beroepsmatig" is hier uiteraard in ruime zin bedoeld, dat wil zeggen dat ook bedrijfsmatige activiteiten eronder vallen. Dit blijkt duidelijk uit bijvoorbeeld de Nederlandse, de Engelse en de Duitse versie van artikel 13 Executieverdrag ("bedrijfs- of beroepsmatig", "trade or profession", "berufliche oder gewerbliche Tätigkeit"), waar de Franse en Spaanse versie enkel spreken van "activité professionnelle" respectievelijk "actividad profesional".
(11) - De overeenkomstige toepassing van deze wet op de franchise-overeenkomsten was een van de argumenten die verzoeker in zijn vordering voor het Duitse gerecht van eerste aanleg heeft aangevoerd.
(12) - Richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake het consumentenkrediet (PB 1987, L 42, blz. 48).
(13) - Voor het overige is dit ook het citerium van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29). Luidens artikel 2 ervan wordt onder consument verstaan "iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen"; daarentegen is verkoper "iedere natuurlijke of rechtspersoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit".
(14) - Ingevoegd bij artikel G, punt 38, van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
(15) - Dit is erkend in het arrest van 7 maart 1996 (zaak C-192/94, El Corte Inglés, Jurispr. 1996, blz. I-1281, r.o. 19). In r.o. 20 van dit arrest verklaarde het Hof, dat artikel 129 A aan de Gemeenschap enkel een doel stelt en haar met het oog daarop bevoegdheden toekent, "zonder overigens verplichtingen voor de Lid-Staten of particulieren voor te schrijven".
(16) - (Voetnoot van geen belang voor de Nederlandse vertaling.)
(17) - Het staat ook buiten kijf, dat het bevoegdheidsbeding formeel strookt met de Italiaanse wettelijke bepalingen, daar het overeenkomstig de artikelen 1341 en 1342 van de Italiaanse Codice civile afzonderlijk is aanvaard. In elk geval gaat het er hier niet om, nationale - Italiaanse dan wel Duitse - voorschriften toe te passen, doch na te gaan of het beding strookt met het Executieverdrag.
(18) - Arrest van 4 maart 1982 (zaak 38/81, Jurispr. 1982, blz. 825).
(19) - Het doel van het Executieverdrag is juist het waarborgen van de rechtszekerheid, die tot uiting komt in de zekerheid of de voorzienbaarheid bij de bepaling van de bevoegde rechter. Daarmee wordt beoogd, "de regels inzake de bevoegdheid van de gerechten van de Verdragsluitende Staten een te maken, door zoveel mogelijk te voorkomen dat met betrekking tot eenzelfde rechtsverhouding meerdere rechterlijke instanties bevoegd zijn, en de rechtsbescherming van de in de Gemeenschap gevestigde personen te versterken, door de eiser in staat te stellen om gemakkelijk te bepalen welk gerecht hij kan aanzoeken, en de verweerder om redelijkerwijs te voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen" (arrest van 13 juli 1993, zaak C-125/92, Mulox IBC, Jurispr. 1993, blz. I-4075).
(20) - Voor de inhoud van deze discussie zie het recente werk van C. Blanchin: L'autonomie de la clause compromissoire: un modèle pour la clause attributive de juridiction?, Parijs, 1995, en A. Rodríguez Benot: Los acuerdos atributivos de competencia judicial internacional en Derecho comunitario europeo, Madrid, 1994.
(21) - Het zou kunnen gebeuren, dat een bepaalde nationale rechtsorde aan de geldigheid van de bevoegdheidsbedingen bepaalde materiële voorwaarden stelt. Het is de vraag, of dergelijke voorschriften zouden stroken met het bepaalde in artikel 17 Executieverdrag. Wat de vormvereisten betreft, is het duidelijk dat dit artikel de enige toelaatbare referentie is.
(22) - Zie punt 10 supra.
Full & Egal Universal Law Academy