Conclusie van de advocaat generaal
1 In de onderhavige procedures heeft het Bundesfinanzhof het Hof prejudiciële vragen gesteld over de tariefindeling van het aardappelzetmeel in een voor consumptie bestemd product met een acetylgehalte van 0,74 gewichtspercent.
De feiten en het procesverloop
2 De vennootschap naar Duits recht Ludwig Wünsche & Co. (hierna: "Wünsche"), gevestigd te Hamburg, verzocht tussen maart 1987 en februari 1988 bij douanekantoren in verschillende Duitse plaatsen om uitklaring van grote hoeveelheden Perfectamyl KKS, een voor uitvoer naar derde landen bestemd product. Het product werd aangegeven als levensmiddelentoebereiding met 96,5 % aardappelzetmeel (zaak C-275/95) en als aardappelzetmeel met een zetmeelgehalte van 78 % of meer (zaken C-274/95 en C-276/95). Na verificatie van het voor de vervaardiging van de uitgevoerde producten gebruikte zetmeel stelde de douane (Hauptzollamt Hamburg) vast, dat Wünsche geen natuurlijk aardappelzetmeel had uitgevoerd, maar veresterd(1) zetmeel, dat volgens de vigerende bepalingen geen recht gaf op uitvoerrestituties en monetair compenserende bedragen voor natuurlijk aardappelzetmeel.
De douane gelastte Wünsche dan ook om de ten onrechte ontvangen bedragen terug te betalen (zaken C-275/95 en C-276/95) en weigerde de aangevraagde uitvoerrestituties en monetair compenserende bedragen aan haar uit te keren (zaak C-274/95).
Het Finanzgericht, waarbij Wünsche beroep instelde, bekrachtigde deze beschikkingen. Blijkens de resultaten van de verrichte verificatie moesten de uitgevoerde producten, die aardappelzetmeel bevatten met een veresteringsgraad van 0,5 % of meer (0,61 % in zaak C-275/95, 0,74 % in zaak C-276/95, respectievelijk 0,67 % in zaak C-274/95) namelijk als veresterd zetmeel worden aangemerkt, zodat zij onder post 39.06 van het gemeenschappelijk douanetarief (hierna: "GDT") en onder postonderverdeling 3505 10 50 van de gecombineerde nomenclatuur (hierna: "GN") vielen.
3 Wünsche vocht de uitspraak van het Finanzgericht aan voor het Bundesfinanzhof en kwam daarbij op tegen de onjuiste uitlegging van de posten 11.08 en 39.06 van het GDT en de overeenkomstige postonderverdelingen 1108 13 00 en 3505 10 50 van de GN. Tot staving van haar hogere voorziening beriep zij zich op het arrest Emsland-Stärke(2), waarin het Hof besliste, dat een acetylgehalte van iets meer dan 0,5 %, indeling van een product onder de tariefpost voor natuurlijk zetmeel niet uitsloot; deze uitspraak was volgens haar niet vatbaar voor afwijkingen en/of beperkingen op grond van de aard van het betrokken product.
Volgens de douane had genoemd arrest van het Hof daarentegen slechts betrekking op de indeling van een product bestaande uit een mengsel van natuurlijk zetmeel en aardappelzetmeelester, zodat deze uitspraak niet van toepassing kon zijn op het betwiste product, dat homogeen van samenstelling was.
4 Bij beschikkingen van 20 juni 1995 heeft het Bundesfinanzhof de behandeling van de drie zaken geschorst en drie prejudiciële verwijzingen gelast, waarbij het Hof twee in wezen gelijkluidende vragen worden gesteld. De eerste vraag luidt, of de tariefindeling van veresterd aardappelzetmeel wordt bepaald door het acetylgehalte en dus door de veresteringsgraad ervan; in geval van een bevestigend antwoord op de vraag, wenst het Bundesfinanzhof te vernemen, vanaf welk acetylgehalte veresterd aardappelzetmeel niet meer kan worden ingedeeld onder post 11.08 A IV van het GDT (en onder de overeenkomstige postonderverdeling 1108 13 00 van de GN).
Juridische context
5 Op de door Wünsche in 1987 uitgevoerde producten (die het voorwerp zijn van de zaken C-275/95 en C-276/95) is het GDT van toepassing in de versie van verordening (EEG) nr. 3618/86 van de Raad van 24 november 1986, die de meest recente wijzigingen van verordening (EEG) nr. 3331/85 bevatte.(3)
Krachtens deze verordening wordt zetmeel in beginsel onder post 11.08 en aardappelzetmeel meer bepaald onder post 11.08 A IV ingedeeld; veresterd zetmeel wordt echter ingedeeld onder post 39.06 (postonderverdeling 39.06 B I). Blijkens de toelichtingen bij het geharmoniseerde stelsel(4) met betrekking tot laatstgenoemde post omvat veresterd zetmeel bijvoorbeeld zetmeelacetaat, dat hoofdzakelijk in de textiel- en papierindustrie wordt gebruikt, en zetmeelnitraat, dat bestemd is voor de vervaardiging van explosieven.
Ten aanzien van Wünsches exporten in 1988 (die het voorwerp zijn van zaak C-274/95) gold toentertijd de GN in de versie van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief.(5) Daarin wordt zetmeel ingedeeld onder post 1108 en aardappelzetmeel onder postonderverdeling 1108 13 00. Blijkens de bijbehorende toelichting omvat post 1108 geen dextrine en ander gewijzigd zetmeel, bedoeld onder post 3505. Tot deze post behoort postonderverdeling 3505 10 50, waaronder door ethervorming of verestering gewijzigd zetmeel is ingedeeld.
Volgens de toelichting bij het geharmoniseerde stelsel met betrekking tot post 3505 gaat het bij de aldaar genoemde "dextrine en ander gewijzigd zetmeel" om producten die ontstaan door verandering van het zetmeel onder invloed van temperatuur, chemicaliën (bijvoorbeeld zuren en basen) of enzymen, alsmede om door bijvoorbeeld oxidatie, verestering of ethervorming gewijzigd zetmeel. Als voorbeeld van laatstbedoeld zetmeel worden in de toelichtingen de in de textiel- en papierindustrie gebruikte zetmeelacetaten en de voor de vervaardiging van explosieven gebruikte zetmeelnitraten genoemd. Volgens genoemde toelichting valt niet-gewijzigd zetmeel, ingedeeld onder post 1108, niet onder post 3505.
Voorts zij eraan herinnerd, dat ingevolge punt 3 van de bijlage bij verordening (EEG) nr. 28/90 van de Commissie van 4 januari 1990 houdende indeling van bepaalde goederen in de codes 1108 11 00, 1108 12 00, 1108 13 00 en 1108 14 00 van de gecombineerde nomenclatuur en intrekking van verordening (EEG) nr. 1463/87(6), die ten tijde van de feiten in de hoofdgedingen nog niet van toepassing was, "produkten in de vorm van een fijn, wit poeder, bestaande uit: een mengsel van natuurlijk aardappelzetmeel en kleine hoeveelheden geacetyleerd aardappelzetmeel of zeer licht geacetyleerd aardappelzetmeel en met de volgende kenmerken: - zetmeelgehalte (vastgesteld door middel van de methode van Ewers): 95 gewichtspercenten of meer, berekend op de droge stof; - acetylgehalte (vastgesteld door middel van de enzymatische methode): minder dan 0,5 gewichtspercent, berekend op de droge stof" moeten worden ingedeeld onder postonderverdeling 1108 13 00. Deze bepaling sluit overigens aan bij de desbetreffende bepaling in de voorgaande verordening, verordening (EEG) nr. 1463/87 van de Commissie van 26 mei 1987 betreffende indeling van goederen onder post 11.08 A I van het gemeenschappelijk douanetarief.(7)
De twee vragen
6 De desbetreffende posten van het GDT enerzijds en de GN anderzijds zijn in wezen gelijkluidend, zodat de opmerkingen die ten aanzien van het GDT worden gemaakt, ook voor de GN kunnen gelden. Volgens vaste rechtspraak(8) moet het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in beginsel worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, zoals deze in de teksten van het GDT en in de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken zijn vastgelegd.
Zoals bekend, wordt hiermee een tweeledig doel gediend: het waarborgen van de rechtszekerheid en het vergemakkelijken van de controles. Aangezien de desbetreffende posten en postonderverdelingen en de bijbehorende toelichtingen evenwel geen nuttige aanknopingspunten bieden om de vraag te beantwoorden, dient te worden onderzocht of het acetylgehalte tot de objectieve kenmerken of eigenschappen van het betrokken product behoort en, zo ja, of dit bepalend is voor de tariefindeling.
7 Zoals uit de verwijzingsbeschikkingen blijkt, lijkt de nationale rechter aan te nemen, dat de indeling van veresterd zetmeel niet zozeer wordt bepaald door het acetylgehalte ervan, als wel door de omstandigheid dat het zetmeel het chemische proces van verestering heeft ondergaan: in dit geval moet de stof telkens als veresterd zetmeel worden aangemerkt, ongeacht het acetylgehalte en dus de veresteringsgraad ervan.
8 Dit standpunt strookt echter niet met de rechtspraak van het Hof, dat zich in het arrest Emsland-Stärke, reeds aangehaald, over de uitlegging van de thans aan de orde zijnde tariefposten heeft uitgesproken, waarbij het zich mede liet leiden door de bepalingen van verordening nr. 28/90.
In genoemd arrest heeft het Hof met name verklaard dat "het acetylgehalte van zetmeel een indicator is voor de substitutiegraad ervan: hoe hoger het acetylgehalte, hoe meer het zetmeel is gewijzigd. Derhalve kan zetmeel met een zeer laag acetylgehalte worden gelijkgesteld met natuurlijk zetmeel."(9)
Uit het voorgaande volgt mijns inziens, dat het acetylgehalte een beslissend kenmerk is voor de vraag, of veresterd zetmeel met het oog op de tariefindeling nog als natuurlijk zetmeel kan worden beschouwd, dan wel of het als veresterd zetmeel moet worden aangemerkt. Deze opvatting wordt overigens, vanuit systematisch oogpunt, bevestigd door zowel verordening nr. 1463/87 als verordening nr. 28/90, waarin het acetylgehalte uitdrukkelijk wordt genoemd als een van de kenmerken van zetmeel die bij de tariefindeling in aanmerking moeten worden genomen. Uit artikel 1 en punt 3 van de bijlage bij genoemde verordening blijkt bovendien, dat het enkele feit dat zetmeel chemisch gezien als veresterd wordt aangemerkt, niet in de weg staat aan indeling onder postonderverdeling 1108 13 00, die betrekking heeft op natuurlijk zetmeel. Voor het onderscheid tussen veresterd zetmeel en natuurlijk zetmeel is in de eerste plaats immers het acetylgehalte van belang: aan de hand daarvan kan in de regel de aard van het zetmeel worden bepaald.
Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, betekent dit overigens niet, dat het acetylgehalte de enige factor is die bij de indeling van een product in aanmerking moet worden genomen. Het valt niet a priori uit te sluiten, dat de wijzigingen in de eigenschappen en de gebruiksmogelijkheden van het product ten gevolge van de verandering (door de verestering), waardoor de aard van het product zelf verandert, uiteindelijk van invloed zijn op de aan het acetylgehalte toe te kennen betekenis. In dat geval staat het aan de nationale rechter om met inachtneming van de bijzondere omstandigheden van het betrokken geval vast te stellen, of is voldaan aan de voorwaarden om het betrokken zetmeel als veresterd dan wel als natuurlijk zetmeel aan te merken. Ik ben het evenwel in grote lijnen eens met de Commissie waar deze stelt, dat het acetylgehalte meestal, bij gebreke van objectieve factoren die de betekenis ervan beperken, een doorslaggevend indelingscriterium is.
9 Ik ben daarentegen niet van mening, dat de draagwijdte van de vaststellingen van het Hof kan worden beperkt tot de zaak Emsland-Stärke, waarin het ging om een mengsel van natuurlijk aardappelzetmeel en veresterd zetmeel dat, gelet op de verhouding tussen beide stoffen, evenwel als natuurlijk zetmeel werd aangemerkt. De formulering van die vaststellingen laat namelijk geen strikte interpretatie toe; veeleer moet worden aangenomen, dat het Hof een algemeen beginsel heeft willen vastleggen, mede op basis van de bewoordingen van punt 3 van de bijlage bij verordening nr. 28/90, waarin mengsels van natuurlijk aardappelzetmeel en kleine hoeveelheden geacetyleerd aardappelzetmeel ten behoeve van de tariefindeling worden gelijkgesteld met natuurlijk aardappelzetmeel met een gering acetylgehalte.
Ik wil er nog kort op wijzen, dat in verordening nr. 1463/87, ingetrokken bij verordening nr. 28/90, een soortgelijke gelijkstelling van mengsels en homogene producten met een laag acetylgehalte, dat wil zeggen licht "gewijzigde" producten, was vastgelegd met betrekking tot maïszetmeel. Hiermee lijkt - mede vanuit systematisch oogpunt - te zijn bevestigd, dat het verschil in behandeling van mengsels ten opzichte van enkelvoudige stoffen, zoals de nationale rechter beoogt, bij de tariefindeling niet gerechtvaardigd is.
10 De tweede vraag van de nationale rechter hangt nauw samen met de eerste vraag en strekt ertoe te vernemen, vanaf welk acetylgehalte zetmeel als veresterd moet worden aangemerkt. Zoals gezegd, ligt het acetylgehalte van het litigieuze product tussen een minimum van 0,61 gewichtspercent (in zaak C-275/95) en een maximum van 0,74 gewichtspercent (in zaak C-276/95).(10) Voor zijn beslissing in de bij hem aanhangige gedingen heeft de verwijzende rechter derhalve een antwoord nodig op de vraag, of het litigieuze product op grond van bovengenoemde waarden kan worden ingedeeld onder de postonderverdeling betreffende natuurlijk zetmeel.
11 Dienaangaande zou ik er om te beginnen aan willen herinneren, dat het Hof in de zaak Emsland-Stärke heeft verklaard, dat een iets hoger acetylgehalte dan dat genoemd in verordening nr. 28/90, om precies te zijn 0,67 gewichtspercent, onvoldoende grond vormt om het betrokken product van indeling onder postonderverdeling 1108 13 00 uit te sluiten. Volgens het Hof "kan uit de tekst van verordening nr. 28/90 niet worden afgeleid, dat op grond van het acetylgehalte een onderscheid moet worden gemaakt tussen natuurlijk zetmeel, dat onder postonderverdeling 1108 13 00 moet worden ingedeeld, en veresterd zetmeel van postonderverdeling 3505 10 50. Enerzijds preciseert deze verordening immers enkel, dat een zetmeelhoudend product met de in de bijlage bij deze verordening genoemde kenmerken in elk geval onder postonderverdeling 1108 13 00 moet worden ingedeeld; anderzijds bevat de verordening geen aanwijzing onder welke tariefpost een zetmeelhoudend produkt met een iets hoger acetylgehalte dan 0,5 gewichtspercent moet worden ingedeeld."(11)
Aangenomen, dat de hierboven weergegeven overweging evenals de eerder besproken overwegingen algemene geldigheid toekomt en derhalve op ieder willekeurig product toepassing kan vinden, ongeacht of het een mengsel dan wel - zoals in casu - een homogene stof betreft, behoeft het nauwelijks betoog, dat het verschil van 0,07 gewichtspercent tussen het acetylgehalte van het thans in geding zijnde product en het in de zaak Emsland-Stärke onderzochte product dermate gering is, dat een andere oplossing in de onderhavige zaak niet gerechtvaardigd is.
12 Uiteraard kan niet worden uitgesloten, dat de beoordeling anders uitvalt bij producten met een aanzienlijk hoger acetylgehalte dan de in casu vastgestelde waarden.(12) Daarmee bedoel ik te zeggen, dat een hoger acetylgehalte een dusdanige verandering van de wezenlijke kenmerken van een product teweeg kan brengen, dat dit kwalitatief gezien van natuurlijk zetmeel overgaat in veresterd zetmeel. De beoordeling van dit aspect wordt, zoals ik al zei(13), overgelaten aan de nationale rechter die, op basis van relevante technische en wetenschappelijke onderzoeken en met inachtneming van de bijzondere omstandigheden van het geval, moet nagaan in hoeverre een hoger acetylgehalte gevolgen heeft voor de tariefindeling van het product.
Conclusie
13. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof derhalve in overweging, de vragen van het Bundesfinanzhof te beantwoorden als volgt:
"1) De indeling van veresterd aardappelzetmeel onder post 11.08 A IV van het gemeenschappelijk douanetarief (en onder postonderverdeling 1108 13 00 van de gecombineerde nomenclatuur) dan wel onder post 39.06 B I van het gemeenschappelijk douanetarief (en onder postonderverdeling 3505 10 50 van de gecombineerde nomenclatuur) wordt in de eerste plaats bepaald door het acetylgehalte en dus door de veresteringsgraad ervan.
2) Het gemeenschappelijk douanetarief en de gecombineerde nomenclatuur moeten aldus worden uitgelegd, dat een voor menselijke consumptie bestemd homogeen zetmeelhoudend product, bestaande uit natuurlijk aardappelzetmeel met een acetylgehalte tussen 0,67 en 0,74 gewichtspercent, moet worden ingedeeld onder post 11.08 A IV van het gemeenschappelijk douanetarief (en onder postonderverdeling 1108 13 00 van de gecombineerde nomenclatuur)."
(1) - Onder verestering wordt volgens de verwijzingsbeschikkingen verstaan elk proces dat een chemische verandering van natuurlijk zetmeel teweegbrengt door het gebruik van organische of anorganische zuren.
(2) - Arrest van 1 april 1993 (zaak C-256/91, Jurispr. 1993, blz. I-1857).
(3) - PB 1986, L 345, blz. 1.
(4) - Volgens de rechtspraak van het Hof brengen de toelichtingen geen wijzigingen in de tekst van het GDT, maar zijn zij wel een belangrijk hulpmiddel bij de uitlegging, waarmee de inhoud van de afzonderlijke posten kan worden gepreciseerd en geëxpliciteerd (verg. in deze zin arrest van 14 december 1995, gevoegde zaken C-106/94 en C-139/94, Colin en Dupré, Jurispr. 1995, blz. I-4759, r.o. 21).
(5) - PB 1987, L 256, blz. 1.
(6) - PB 1990, L 3, blz. 9.
(7) - PB 1987, L 138, blz. 36.
(8) - Arrest van 25 mei 1989 (zaak 40/88, Weber, Jurispr. 1989, blz. 1395, r.o. 13).
(9) - Arrest Emsland-Stärke, reeds aangehaald, r.o. 34.
(10) - In zaak C-274/95 betreft het daarentegen een acetylgehalte van 0,67 gewichtspercent, een percentage dat derhalve tussen beide genoemde waarden in ligt.
(11) - Arrest Emsland-Stärke, reeds aangehaald, r.o. 33.
(12) - Hierbij wil ik erop wijzen, dat Wünsche zich in haar verweer heeft beroepen op verschillende wetenschappelijke onderzoeken, waaruit zou blijken, dat zetmeel met een acetylgehalte van minder dan 0,9 gewichtspercent niet te onderscheiden is van natuurlijk zetmeel.
(13) - Zie punt 7 hierboven.
Full & Egal Universal Law Academy