Conclusie van de advocaat generaal
1 In deze hogere voorziening vordert Siemens SA (hierna: "Siemens") vernietiging van het arrest van het Gerecht van 8 juni 1995 (zaak T-459/93, Siemens/Commissie)(1), waarbij het Gerecht beschikking 92/483/EEG van de Commissie van 24 juni 1992 betreffende steun van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest (België) voor werkzaamheden van Siemens SA in de sectoren gegevensverwerking en telecommunicatie(2) (hierna: "beschikking 92/483"), waarin het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest werd gelast, zich te onthouden van uitkering van een bedrag van 28 694 000 BFR en over te gaan tot terugvordering van Siemens SA van een bedrag van 227 751 000 BFR, vermeerderd met rente, in stand heeft gelaten.
De relevante wettelijke bepalingen en de beschikkingen van de Commissie
2 Bij artikel 1, sub a, van de Belgische wet van 17 juli 1959 "tot invoering en ordening van maatregelen ter bevordering van de economische expansie en de oprichting van nieuwe industrieën" (hierna: "wet van 1959"), is een algemene steunregeling ingevoerd voor verrichtingen die "rechtstreeks bijdragen tot de oprichting, de uitbreiding, de omschakeling, de modernisering van industriële of ambachtelijke ondernemingen, ongeacht of deze verrichtingen door de ondernemingen zelf of door andere natuurlijke personen of privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen worden uitgevoerd, doch voor zover ze aan het algemeen economisch belang beantwoorden".
Volgens artikel 3, sub a, kunnen aan de daartoe erkende kredietinstellingen subsidies worden verleend om dezen in staat te stellen leningen tegen verlaagde rentevoet te verstrekken voor de in artikel 1 bedoelde verrichtingen, mits deze leningen één van de vermelde doeleinden dienen, waaronder "de rechtstreekse financiering van investeringen in gebouwde en ongebouwde onroerende goederen en in outillering of materieel, die voor de verwezenlijking van voornoemde verrichtingen nodig zijn", en "de rechtstreekse financiering van immateriële investeringen, zoals de organisatiestudiën, en het onderzoek naar of de afwerking van prototypen, nieuwe producten en nieuwe fabricageprocédés".
3 In beschikking 75/397/EEG van 17 juni 1975 betreffende de door de Belgische regering overeenkomstig de Belgische wet van 17 juli 1959 tot invoering en ordening van maatregelen ter bevordering van de economische expansie en de oprichting van nieuwe industrieën, verleende steunmaatregelen(3) (hierna: "beschikking 75/397"), gaf de Commissie haar oordeel over de verenigbaarheid van de steunregeling met de gemeenschappelijke markt.
De eerste twee alinea's van overweging I van de considerans van die beschikking luiden als volgt:
"Overwegende dat in de Belgische wet van 17 juli 1959 maatregelen worden ingevoerd ter bevordering van de economische expansie en de oprichting van nieuwe industrieën en dat hiertoe verschillende steunmaatregelen worden ingesteld die ten goede kunnen komen aan verrichtingen welke bijdragen $tot de oprichting, de uitbreiding, de omschakeling, de modernisering van industriële of ambachtelijke ondernemingen' voor zover deze verrichtingen aan het algemeen economisch belang beantwoorden; overwegende dat volgens het Koninklijk Besluit tot uitvoering van 17 augustus 1959 $met name' worden beschouwd als in overeenstemming met het algemeen economisch belang: $de werkverschaffing binnen het bestek van het tewerkstellingsbeleid; de oprichting van nieuwe industrieën en de vervaardiging van nieuwe produkten; de ontwikkeling van bestaande ondernemingen, welke zich aan de nieuwe marktvoorwaarden aanpassen; de verbetering van de toestand van gedrukte economische sectoren; het rationeler gebruik van 's lands economische hulpbronnen; de verbetering van de arbeidsvoorwaarden, van de bedrijfsvoorwaarden der ondernemingen door opvoering van de produktiviteit of van de rentabiliteit, alsmede van de hoedanigheid der produkten; de inrichting of de uitbreiding van de onderzoekuitrusting der ondernemingen'.
Overwegende dat de Belgische regering krachtens genoemde wet ten behoeve van
investeringen, die de ondernemingen uit dezen hoofde doen, een aantal voordelen kan toekennen die voornamelijk bestaan uit:
- rentevergoedingen voor de kredieten die zij opnemen om genoemde investeringen te doen (...)"
Blijkens overweging II van de considerans acht de Commissie de algemene steunregeling onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt. Zij wijst in dit verband op het uiterst algemene karakter van de regeling, dat het mogelijk maakt de in de regeling bedoelde voordelen toe te kennen aan alle industriële ondernemingen, ongeacht hun geografische ligging en ongeacht tot welke tak van de industrie zij behoren.
De Commissie was evenwel van mening (zie onder meer de artikelen 1, tweede streepje, en 2 van de beschikking), dat steun die krachtens de wet van 1959 werd verleend aan één onderneming of aan een beperkt aantal ondernemingen, mits hij niet significant was in de zin van de beschikking, met de gemeenschappelijke markt verenigbaar was en dus niet vooraf behoefde te worden aangemeld overeenkomstig artikel 93, lid 3, EG-Verdrag.(4) De drempels vanaf welke steunmaatregelen significant werden geacht, waren bepaald in artikel 2 van beschikking 75/397 alsmede in de brief van 14 september 1979 van de Commissie aan de Lid-Staten betreffende de aanmelding van gevallen van toepassing van algemene investeringssteunregelingen(5) (hierna: "brief van 1979").
4 In een van het Ministerie van Economische zaken afkomstige mededeling van 2 februari 1977 betreffende immateriële investeringen verduidelijkte de Belgische regering het begrip "immateriële investeringen". Punt 2 van die mededeling luidt als volgt:
"op commercieel niveau: marktonderzoek, onderzoek ter verbetering van de salespromotion, vooronderzoek ten behoeve van de opening van verkooppunten, enz. (...) peilingen en acquisitiestudies".
Deze mededeling is niet bij de Commissie aangemeld.
5 Artikel 176 van de Belgische wet van 22 december 1977 betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978 (hierna: "wet van 1977") voorziet in combinatie met het koninklijk besluit van 24 januari 1978 (hierna: "koninklijk besluit van 1978") in de toekenning van niet-terugvorderbare kapitaalpremies tot een bedrag gelijk aan de op de wet van 1959 gebaseerde rentesubsidie, wanneer de in artikel 1 van laatstgenoemde wet bedoelde verrichtingen worden gefinancierd met eigen middelen van de onderneming.
6 Bij brief van 25 mei 1978 aan de Belgische autoriteiten (hierna: "brief van 1978") keurde de Commissie de in de wet van 1977 bedoelde vorm van steunverlening goed. In die brief verklaarde zij onder meer: "Er is dus geen sprake van invoering van een nieuwe steunregeling naast de reeds bestaande, maar van aanpassing van een bestaande regeling aan de hiervóór beschreven economische omstandigheden."
7 In een mededeling van 1979 inzake regionale steunregelingen(6) (hierna: "mededeling van 1979") maakte de Commissie de beginselen bekend die zij conform de haar bij de artikelen 92 e.v.(7) van het Verdrag verleende bevoegdheden zou toepassen op regionale steunregelingen die in de regio's van de Gemeenschap reeds van kracht waren of zouden worden ingevoerd.
Uit punt 4 van de mededeling van 1979 blijkt, dat in de Gemeenschap enkele regionale steunmaatregelen van kracht zijn die niet gerelateerd zijn aan een initiële investering of de schepping van werkgelegenheid, en die het karakter van bedrijfssteun hebben, en dat de Commissie principiële reserves heeft wat betreft de verenigbaarheid van bedrijfssteun met de gemeenschappelijke markt.
Volgens punt 18, sub i, van de bijlage bij de mededeling wordt als initiële investering beschouwd "de investering in vaste activa bij vestiging van een nieuwe onderneming, de uitbreiding van een bestaande onderneming of de inschakeling van de onderneming bij een activiteit die een fundamentele wijziging meebrengt in de produktie of het produktieproces van een bestaande onderneming (door middel van rationalisatie, herstructurering of modernisering) (...)"
8 In beschikking 92/483 stelde de Commissie vast, dat een deel van de steun die het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest had uitgetrokken voor werkzaamheden van Siemens in de sectoren gegevensverwerking en telecommunicatie, onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt. In de beschikking maakt de Commissie onderscheid tussen zeven posten waarvoor steun is uitgetrokken, te weten aan derden geleasde apparatuur, voor eigen gebruik aangeschafte apparatuur, ontwikkelingskosten van programmatuur, opleidingskosten, verwerving van een gebouw, reclamecampagnes en marktonderzoek.
9 Volgens de Commissie voldeden de uitgaven voor aan derden geleasde apparatuur niet aan de in de artikelen 1 en 3, sub a, van de wet van 1959 bepaalde en de door de Commissie goedgekeurde voorwaarden, daar zij niet bijdroegen tot de oprichting, de uitbreiding, de omschakeling of de modernisering van de structuur van Siemens. Bovendien was de steun voor de financiering van die verrichtingen evenmin steun aan ondernemingen die cliënt waren, aangezien deze de door Siemens naar eigen goeddunken vastgestelde volle huurprijs betaalden. Deze steun bezat dus het karakter van een permanente bedrijfssteun aan deze onderneming. Ook al was de wet van 1959 van toepassing geweest op deze subsidies, dan nog hadden zij krachtens artikel 93, lid 3, moeten worden aangemeld, omdat de in de brief van 1979 vastgestelde drempels werden overschreden. De Commissie merkte in dit verband op, dat een aantal van de betrokken uitgavenprogramma's over verscheidene aanvragen om steun was gesplitst; deze zouden, gezien het homogene karakter van de uitgaven en het gelijke tijdstip waarop deze plaatsgrepen, als één gezamenlijk programma van uitgaven behandeld moeten zijn. Bovendien had de Executieve van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest (hierna: "Executieve") zonder logische verklaring slechts 75 % van een homogeen bedrag voor het verlenen van steun in aanmerking genomen.
10 Ook de steun voor marktonderzoek en reclamecampagnes viel volgens de Commissie niet onder de wet van 1959, aangezien hier geen sprake was van investeringssteun, maar van bedrijfssteun. Dergelijke uitgaven waren volgens de Commissie typisch algemene exploitatiekosten die een onderneming in het kader van haar normale werkzaamheden zelf moet dragen.
11 De Commissie was tot slot van mening, dat deze vormen van steunverlening niet in aanmerking kwamen voor een van de in artikel 92 van het Verdrag genoemde uitzonderingen.
12 Op basis van deze overwegingen heeft de Commissie in artikel 1, sub c, van de beschikking bepaald, dat de steun van 256 445 000 BFR voor kosten in verband met de aanschaf van aan derden te leasen apparatuur, reclamecampagnes en marktonderzoek in strijd met artikel 93, lid 3, van het Verdrag is verleend en niet in aanmerking komt voor een van de in artikel 92 genoemde uitzonderingen. In artikel 2 van de beschikking heeft zij de Executieve derhalve verboden, over te gaan tot uitkering van een nog niet uitbetaald bedrag van 28 694 000 BFR, en haar opgedragen, het reeds uitbetaalde steunbedrag van 227 751 000 BFR terug te vorderen.
13 In zijn arrest van 8 juni 1995 heeft het Gerecht Siemens' beroep tot nietigverklaring van beschikking 92/483 verworpen en haar in de kosten verwezen.
Conclusies en middelen van partijen
14 In hogere voorziening vordert Siemens vernietiging van het arrest van het Gerecht van 8 juni 1995 en, bijgevolg, nietigverklaring van de artikelen 1, sub c, en 2 van beschikking 92/483, met verwijzing van de Commissie in de op beide procedures gevallen kosten. Hiertoe voert zij de volgende middelen aan:
1) Het Gerecht heeft het gemeenschapsrecht geschonden door te beslissen, dat de beschikking van de Commissie afdoende is gemotiveerd.
2) Het Gerecht heeft het gemeenschapsrecht geschonden door te beslissen, dat indien de verleende steun niet bestemd was voor investeringen in de zin van het gemeenschapsrecht, hij niet onder de door de Commissie verleende goedkeuring van de wet van 1959 viel en derhalve krachtens artikel 93, lid 3, van het Verdrag had moeten worden aangemeld.
3) De conclusies van het Gerecht betreffende de aard van de betrokken verrichtingen vinden geen steun in het recht, daar het Gerecht niet had moeten onderzoeken, of het hierbij ging om investeringen in de zin van het gemeenschapsrecht, doch had moeten nagaan, of zij binnen de materiële werkingssfeer van de wet van 1959 vielen.
4) Het Gerecht heeft het gemeenschapsrecht geschonden door te beslissen, dat de bezwaren betreffende de overschrijding van de aanmeldingsdrempels niet relevant waren, aangezien de betrokken steun wegens zijn aard van bedrijfssteun niet onder de door de Commissie verleende goedkeuring viel.
15 De Commissie concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en tot verwijzing van Siemens in de kosten.
Het eerste middel: de motivering van de beschikking
16 In de rechtsoverwegingen 31 tot en met 34 van zijn arrest merkt het Gerecht hierover het volgende op:
"(...) volgt uit de rechtspraak, dat de in artikel 190 EG-Verdrag neergelegde verplichting tot motivering van de in artikel 189 EG-Verdrag genoemde handelingen niet slechts op formele gronden berust, doch ten doel heeft partijen in staat te stellen voor hun rechten op te komen, de gemeenschapsrechter in staat te stellen zijn taak uit te oefenen en de Lid-Staten en hun eventueel belanghebbende onderdanen in staat te stellen na te gaan, op welke wijze de Commissie het Verdrag heeft toegepast (zie met name arrest Hof van 4 juli 1963, zaak 24/62, Duitsland/Commissie, Jurispr. 1963, blz. 135).[(8)] Evenwel is de Commissie daarbij volgens de rechtspraak van het Gerecht niet verplicht in de motivering van haar beschikkingen haar standpunt te bepalen ten aanzien van alle argumenten die belanghebbenden tot staving van hun verzoek kunnen inroepen en kan zij volstaan met een uiteenzetting van de feiten en rechtsoverwegingen die in het bestek van haar beschikking van wezenlijk belang zijn (arrest [Gerecht van 24 januari 1992, zaak T-44/90] La Cinq (...), r.o. 41).[(9)]
In casu stelt het Gerecht vast, dat de Commissie omtrent de aard van de reclamecampagnes en het marktonderzoek in deel IV van de motivering van de beschikking (blz. 29) tot de conclusie komt, dat deze $geen deel uit[maken] van de lijst van posten die op grond van de wet (...) voor steun in aanmerking komen'. Vervolgens verklaart zij (blz. 31 van de beschikking), dat zij $onder de categorie bedrijfssteun vallen, aangezien deze uitgaven typisch algemene exploitatiekosten zijn die een onderneming in het kader van haar normale werkzaamheden zelf moet dragen'.
Zo ook stelt de Commissie in deel IV van de motivering van de beschikking (blz. 30), wat de zogenoemde opsplitsing van de steunaanvragen voor de aanschaf van aan derden te leasen apparatuur betreft, dat $een aantal van de betrokken uitgavenprogramma's over verscheidene aanvragen om steun was gesplitst; deze zouden, gezien het homogene karakter van de uitgaven en het gelijke tijdstip waarop deze plaatsgrepen, door de Executieve als één gezamenlijk programma van uitgaven behandeld moeten zijn', waarna zij enkele voorbeelden geeft. In dit verband zij opgemerkt, dat de steun voor de aanschaf van aan derden te leasen apparatuur door de Commissie wordt beschouwd als permanente bedrijfssteun, die naar zijn aard niet onder de algemene steunregeling van de wet van 1959 valt (zie deel IV van de motivering, blz. 29 van de beschikking).
Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie op de twee door verzoekster genoemde punten de feiten en rechtsoverwegingen heeft uiteengezet die van wezenlijk belang zijn in het bestek van de beschikking."
De procedure voor het Hof
17 Volgens Siemens voldoet beschikking 92/483 niet aan het gemeenschapsrechtelijk vereiste, dat de motivering van een rechtshandeling helder en ter zake dienend moet zijn, teneinde geraakte marktdeelnemers in staat te stellen, de grondslagen van die rechtshandeling te begrijpen. Zo heeft de Commissie niet verklaard, waarom de uitgaven voor reclamecampagnes en marktonderzoek niet in aanmerking kwamen voor steun overeenkomstig de wet van 1959. De enkele vaststelling, dat er sprake is van bedrijfssteun, volstaat niet, aangezien de Commissie niet uitlegt, waarom bedrijfssteun in de zin van het gemeenschapsrecht buiten de werkingssfeer van de wet van 1959 valt. Bovendien heeft de Commissie niet aangetoond, dat de steunaanvragen zonder reden zijn opgesplitst en dat de door de Commissie vastgestelde drempels feitelijk zijn overschreden.
18 Volgens de Commissie is de beslissing van het Gerecht in overeenstemming met het gemeenschapsrecht. De motiveringsverplichting is een formeel vereiste. Of de motivering materieel gegrond is, doet dus niet ter zake. Bovendien moet bij de vraag, of een besluit aan het in artikel 190 van het Verdrag geformuleerde motiveringsvereiste voldoet, acht worden geslagen op de gehele context van het besluit. Uit beschikking 92/483 blijkt duidelijk, dat de steun voor marktonderzoek en reclamecampagnes als bedrijfssteun werd beschouwd en dat de desbetreffende uitgaven van Siemens niet werden geacht in aanmerking te komen voor steunverlening overeenkomstig de wet. Uit de beschikking blijkt voorts, dat volgens de Commissie in de eerste plaats de uitgavenprogramma's ten onrechte waren gesplitst over verscheidene aanvragen, en in de tweede plaats de Executieve zonder reden slechts 75 % van het uitgavenbudget in aanmerking had genomen, en dat de Commissie in het licht daarvan heeft geoordeeld, dat de vastgestelde drempels waren overschreden.
Standpuntbepaling
19 In het arrest van 11 juli 1985, zaak 42/84, Remia(10), heeft het Hof verklaard, dat "de Commissie krachtens artikel 190 EEG-Verdrag weliswaar de feitelijke elementen waarvan de rechtvaardiging van de beslissing afhangt en de overwegingen rechtens die haar tot het nemen van die beslissing hebben geleid, moet vermelden, doch dat deze bepaling niet voorschrijft dat de Commissie moet ingaan op alle punten feitelijk en rechtens die tijdens de administratieve procedure zijn behandeld. De motivering van een bezwarend besluit moet het Hof in staat stellen de wettigheid ervan na te gaan en moet de betrokkene de noodzakelijke aanwijzingen bieden om te weten of de beslissing al dan niet gegrond is." Blijkens rechtsoverweging 40 van het arrest moet de motivering worden bezien in de gehele context van het besluit. Voorts heeft het Hof, onder meer in zijn arrest van 29 februari 1996, zaak C-122/94, Commissie/Raad(11), geoordeeld, dat bij de vraag, of de motivering van een besluit aan de uit artikel 190 van het Verdrag voortvloeiende vereisten voldoet, ook acht moet worden geslagen op de context waarin het is genomen, en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.
20 Deze beginselen komen overeen met die welke het Gerecht in rechtsoverweging 31 van het bestreden arrest heeft uiteengezet, en ik zie geen reden om vast te stellen, dat het Gerecht ze in het aan hem voorgelegde geval rechtens onjuist zou hebben toegepast.
21 Zoals het Gerecht in rechtsoverweging 32 van zijn arrest verklaart, blijkt uit beschikking 92/483, dat de Commissie de steun voor marktonderzoek en reclamecampagnes als bedrijfssteun beschouwt en dat de desbetreffende uitgaven haars inziens niet kunnen worden geacht binnen de werkingssfeer van de wet van 1959 te vallen. Mijns inziens werd Siemens aldus voldoende in staat gesteld om te beoordelen, of er reden was om beschikking 92/483 door de gemeenschapsrechter op haar geldigheid te laten toetsen. Ik wijs erop, dat de Commissie reeds in haar mededeling van 1979 met zoveel woorden heeft verklaard, dat bedrijfssteun in beginsel niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, en dat het Hof zich in zijn arrest van 6 november 1990, zaak C-86/89, Italië/Commissie(12), in gelijke zin heeft uitgelaten.
22 Mijns inziens is er evenmin reden om vast te stellen, dat het Gerecht het gemeenschapsrecht heeft geschonden door het standpunt van de Commissie, dat de steun voor de aanschaf van aan derden te leasen apparatuur de door haar vastgestelde drempels overschreed, afdoende gemotiveerd te achten. Zoals de Commissie heeft gezegd, moet het motiveringsvereiste verzekeren, dat de geraakte marktdeelnemer de grondslagen van de beschikking kan begrijpen. In de beschikking nu wordt ondubbelzinnig verklaard, dat naar het oordeel van de Commissie in de eerste plaats de uitgavenprogramma's ten onrechte waren gesplitst over verscheidene aanvragen, en in de tweede plaats het uitgavenbudget zonder geldige reden was verlaagd. Ik ben derhalve van mening, dat de motivering de functie vervult die zij moet vervullen. Siemens' middel lijkt dan ook veeleer betrekking te hebben op de vraag, of de Commissie haar beschikking afdoende met bewijzen heeft gestaafd. Dit is echter een geheel andere vraag, waarover het Hof zich niet kan uitspreken, aangezien 's Hofs bevoegdheid in hogere voorziening volgens artikel 168 A van het Verdrag beperkt is tot rechtsvragen.
23 Samenvattend ben ik daarom van mening, dat het middel inzake ontoereikende motivering moet worden afgewezen.
Het tweede middel: welke vormen van steunverlening worden door de goedgekeurde steunregeling gedekt?
24 Ten aanzien van deze vraag verklaart het Gerecht in de rechtsoverwegingen 45 tot en met 48 van zijn arrest:
"Onderzocht moet worden, of krachtens de betrokken bepalingen steun voor andere doeleinden dan investeringen kon worden verleend. Daartoe moeten de nationale bepalingen betreffende de goedgekeurde algemene regeling worden uitgelegd in het licht van de gemeenschapsregels op dit gebied. Meer bepaald moeten de wet van 1959 en artikel 176 van de wet van 1977, ten uitvoer gelegd bij het koninklijk besluit van 1978, worden uitgelegd overeenkomstig de inhoud van beschikking 75/397 en de brief van 25 mei 1978 alsmede de tekst van de relevante verdragsbepalingen.
In dit verband herinnert het Gerecht eraan, dat artikel 1, sub a, van de wet van 1959 voorziet in $een algemene tegemoetkoming ten gunste van de verrichtingen, welke rechtstreeks bijdragen tot de oprichting, de uitbreiding, de omschakeling, de modernisering van industriële of ambachtelijke ondernemingen, (...) voor zover ze aan het algemeen economisch belang beantwoorden' en dat volgens artikel 3, sub a, ervan deze steun wordt verleend in de vorm van rentesubsidies voor bij erkende kredietinstellingen gesloten leningen en alleen bestemd is ter financiering van investeringen. In beschikking 75/397 was de Commissie van mening, dat de bij de wet van 1959 ingestelde regeling een stelsel van steunverlening was $ten behoeve van investeringen, die de ondernemingen uit dezen hoofde doen' (blz. 13 van beschikking 75/397). (...) Bij haar brief van 25 mei 1978 betreffende het koninklijk besluit van 1978 heeft de Commissie deze steunmaatregelen voor $investeringen' goedgekeurd, mits de $controleprocedure' van beschikking 75/397 werd geëerbiedigd (blz. 2 van de brief).
Uit het voorgaande volgt, dat indien de in het kader van de betrokken algemene regeling door de Belgische autoriteiten toegekende steun niet bestemd is voor investeringen, hij niet onder de door de Commissie verleende goedkeuring valt en dus krachtens artikel 93, lid 3, EG-Verdrag moet worden aangemeld.
Hieraan moet nog worden toegevoegd, dat - zoals de Commissie terecht betoogt - bedrijfssteun, dit wil zeggen steun waardoor een onderneming wordt bevrijd van de kosten die zij in het kader van haar gewone bedrijfsvoering of van haar normale werkzaamheden normaliter zelf zou moeten dragen, in beginsel niet binnen de werkingssfeer van voormeld artikel 92, lid 3, valt en dus ook niet kan worden geacht te zijn goedgekeurd bij beschikking 75/397 en bij de brief van 25 mei 1978. Volgens de rechtspraak vervalsen dergelijke steunmaatregelen namelijk in beginsel de mededingingsvoorwaarden in de sectoren waarin zij worden toegekend, terwijl zij anderzijds wegens hun aard niet geschikt zijn om een van de in voormelde afwijkingsbepalingen genoemde doelstellingen te verwezenlijken (zie in dit verband de arresten van het Hof van 6 november 1990, zaak C-86/89, Italië/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-3891, en 14 februari 1990, zaak C-301/87, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-307)."
De procedure voor het Hof
25 Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 5 oktober 1994, zaak C-47/91, Italië/Commissie (arrest Italgrani)(13) betoogt Siemens, dat wanneer de Commissie een algemene steunregeling heeft goedgekeurd, individuele gevallen van toepassing van die regeling moeten worden getoetst aan de goedgekeurde regeling en niet aan artikel 92 van het Verdrag. De Commissie heeft haar goedkeuring van de wet van 1959 niet beperkt tot investeringen in de zin van het gemeenschapsrecht. De goedkeuring geldt voor alle soorten steun waarbij de aanmeldingsdrempels niet worden overschreden, voor zover de steun binnen de materiële werkingssfeer valt van de wet van 1959 zoals deze in het Belgische recht is uitgelegd (zie in dit verband de mededeling van de regering van 2 februari 1977). In elk geval kan de Commissie niet later terugkomen van een in beschikking 75/397 gegeven uitlegging. Het Gerecht heeft derhalve het gemeenschapsrecht geschonden door te beslissen, dat de wet van 1959 moest worden uitgelegd in het licht van het gemeenschapsrecht, waaronder het Verdrag, terwijl het de werkingssfeer van die wet had moeten afbakenen op basis van de in het Belgische recht gegeven uitlegging en de goedkeuringsbeschikking van de Commissie.
26 De Commissie van haar kant merkt op, dat het Gerecht overeenkomstig het gemeenschapsrecht heeft gehandeld door de wet van 1959 uit te leggen in het licht van de goedkeuring door de Commissie. Op deze wijze wordt de noodzakelijke rechtseenheid gewaarborgd. Een op het nationale recht gebaseerde afbakening van de werkingssfeer van die wet zou daarentegen tot een niet-uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht leiden. Bij de uitlegging van de precieze draagwijdte van de goedkeuring mocht het Gerecht volgens de Commissie bovendien andere relevante bepalingen van het gemeenschapsrecht in aanmerking nemen, waaronder artikel 92 van het Verdrag. Op basis daarvan heeft het Gerecht vastgesteld, dat de goedgekeurde steunregeling betrekking heeft op investeringssteun, maar dat bedrijfssteun er niet door wordt gedekt.
Standpuntbepaling
27 Gelijk Siemens heeft aangevoerd, heeft het Hof zich al eerder uitgesproken over de vraag, welke betekenis aan een goedgekeurde algemene steunregeling moet worden toegekend in verband met de beoordeling, of een concreet geval van steunverlening verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Zo heeft het in de rechtsoverwegingen 24 en 25 van het eerder genoemde arrest Italgrani vastgesteld,
"dat wanneer de Commissie te maken krijgt met een individuele steunmaatregel, waarvan wordt beweerd dat hij ingevolge een eerder goedgekeurde steunregeling is toegekend, zij deze niet zonder meer rechtstreeks aan het Verdrag kan toetsen. Zij moet zich om te beginnen, voor zij enige procedure inleidt, beperken tot een onderzoek of de steunmaatregel door de algemene regeling wordt gedekt en aan de in de beschikking tot goedkeuring van deze regeling gestelde voorwaarden voldoet. Zou de Commissie dit niet doen, dan zou zij bij het onderzoek van elke individuele steunmaatregel kunnen terugkomen op haar beschikking tot goedkeuring van de steunregeling, ten aanzien waarvan moet worden aangenomen dat zij reeds aan artikel 92 van het Verdrag is getoetst.[(14)] Het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel zouden dan zowel voor de Lid-staten als voor de marktdeelnemers in het gedrang komen, daar individuele steunmaatregelen die volstrekt in overeenstemming zijn met de beschikking tot goedkeuring van de steunmaatregel, op elk moment door de Commissie opnieuw ter discussie zouden kunnen worden gesteld.
Indien de Commissie na een aldus beperkt onderzoek vaststelt, dat de individuele steunmaatregel in overeenstemming is met haar beschikking tot goedkeuring van de regeling, moet hij als een goedgekeurde, dus als een bestaande steunmaatregel worden behandeld. (...)"
28 In geval van een steunmaatregel waarvan wordt beweerd, dat hij door een goedgekeurde algemene steunregeling wordt gedekt, moet de verenigbaarheid van die maatregel met de gemeenschappelijke markt dus worden beoordeeld in het licht van de door de Commissie vastgestelde beschikking tot goedkeuring van de betrokken steunregeling. Dit betekent echter niet, dat het nationale recht bepalend is voor de afbakening van de werkingssfeer van de goedgekeurde steunregeling.
29 De goedkeuring door de Commissie vormt de machtigingsgrondslag van de in de wet van 1959 vervatte algemene steunregeling. De in de wet vastgestelde criteria voor de toekenning van de steun vormen dus een wezenlijk bestanddeel van de voorwaarden waarop de Commissie haar goedkeuring heeft gebaseerd. De precieze werkingssfeer van deze communautaire rechtshandeling moet worden bepaald op basis van het gemeenschapsrecht en niet op basis van het nationale recht. In dit verband wijs ik in de eerste plaats op 's Hofs vaste rechtspraak, volgens welke het afgeleide gemeenschapsrecht moet worden uitgelegd in het licht van de bepalingen van het Verdrag(15), en in de tweede plaats op het arrest van 17 september 1980, zaak 730/79, Philip Morris(16), waarin het Hof heeft beslist, dat de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid waarover de Commissie ingevolge de bepalingen inzake steunmaatregelen van de staten beschikt, in een communautair kader dient plaats te hebben, zoals ook de verenigbaarheid van de steunmaatregel met het Verdrag moet worden beoordeeld binnen het kader van de Gemeenschap en niet van een enkele Lid-Staat. De precieze draagwijdte van de goedkeuringsbeschikking van de Commissie kan mijns inziens dan ook niet worden vastgesteld zonder daarbij ander gemeenschapsrecht in aanmerking te nemen, waaronder met name de bepalingen van het Verdrag. De goedkeuringsbeschikking moet namelijk worden gezien in het licht van de bevoegdheid waarover de Commissie ingevolge het Verdrag beschikt en die, zoals gezegd, een beoordeling in een communautair kader verlangt.
30 Ook de noodzaak om de effectieve werking van de regels inzake steunmaatregelen van de staten te verzekeren, is naar mijn mening een beslissend argument tegen de inaanmerkingneming van op het nationale recht gebaseerde uitleggingselementen. Een uitlegging overeenkomstig nationaal recht zou kunnen resulteren in een niet-uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht in de Lid-Staten. De wettigheid van een maatregel zou dan kunnen afhangen van de betekenis van, bijvoorbeeld, het begrip "investering" naar nationaal recht. Dit zou op zichzelf al mededingingsdistorsies in de hand kunnen werken.
31 Naar mijn mening heeft het Gerecht dan ook niet het gemeenschapsrecht geschonden door in rechtsoverweging 45 van zijn arrest te verklaren, dat de algemene steunregeling moet worden uitgelegd overeenkomstig de inhoud van de goedkeuringsbeschikking en de brief van 1978 alsmede de tekst van de relevante verdragsbepalingen, en door vervolgens in de rechtsoverwegingen 46 tot en met 48 te concluderen, dat de goedkeuringsbeschikking uitsluitend geldt voor steun die bestemd is voor investeringen, en niet voor bedrijfssteun. Zoals het Gerecht opmerkt, heeft de Commissie in beschikking 75/379 met zoveel woorden verklaard, dat de goedgekeurde regeling een stelsel van steunverlening ten behoeve van investeringen is. Hetzelfde geldt voor de brief van 1978. Bovendien heeft de Commissie in de mededeling van 1979 principiële reserves geuit wat betreft de verenigbaarheid van bedrijfssteun met de gemeenschappelijke markt. Soortgelijke reserves zijn door het Hof tot uitdrukking gebracht in rechtsoverweging 18 van zijn arrest van 6 november 1990(17), waarin het verklaart dat "de betrokken steun (...) als een vorm van steun voor de bedrijfsvoering moet worden beschouwd en aldus de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, zodanig verandert, dat het gemeenschappelijk belang erdoor wordt geschaad". Gelet op een en ander lijkt het zeer onwaarschijnlijk, dat beschikking 75/379 andere vormen van steun dan investeringssteun in de zin van het gemeenschapsrecht zou dekken.
32 Ik ben dan ook van mening, dat dit middel moet worden afgewezen.
Het derde middel: de kwalificatie van de steun voor reclamecampagnes, voor marktonderzoek en voor de aanschaf van apparatuur voor verhuurdoeleinden
33 Met betrekking tot de kwalificatie van de steun voor reclamecampagnes en marktonderzoek verklaart het Gerecht in de rechtsoverwegingen 53 en 55 van zijn arrest:
"Aangezien bij de brief van 25 mei 1978 de verlening van steun in de vorm van kapitaalpremies alleen wordt goedgekeurd voor de financiering van investeringen, dient te worden nagegaan, of de steunmaatregelen die in dit geding aan de orde zijn, bestemd zijn ter financiering van investeringen. De hiertoe noodzakelijke afwegingen dienen te geschieden in een communautair kader (arrest van 17 september 1980, zaak 730/79, Philip Morris, Jurispr. 1980, blz. 2671, r.o. 24). De door verzoekster aan het nationale recht ontleende argumenten van boekhoudkundige en fiscale aard zijn derhalve in casu niet ter zake dienend.
(...)
Uit het voorgaande volgt, dat deze steun was bestemd voor het in de handel brengen van de produkten van Siemens, wat voor haar een gewone activiteit is. Hij kan bijgevolg niet worden beschouwd als investeringssteun en kan niet onder de beschikking van de Commissie van 25 mei 1978 vallen, waarbij de toekenning van kapitaalpremies als investeringssteun werd goedgekeurd."
34 Wat de steun voor de aanschaf van te leasen apparatuur betreft, stelt het Gerecht in de rechtsoverwegingen 57 en 58 vast,
"dat deze verrichting geen enkele technische of structurele wijziging impliceert en enkel een puur commerciële ontwikkeling van Siemens ondersteunt. Verzoekster kon namelijk, naar zij stelt, met die steun gedurende een bepaalde tijd haar cliënten kunstmatig gunstige voorwaarden aanbieden en haar winstmarge ongerechtvaardigd verhogen.
Ten slotte kan verzoekster niet stellen, dat de betrokken steun bijdraagt tot de oprichting, de uitbreiding, de omschakeling of de modernisering van derde ondernemingen waaraan de apparatuur wordt geleasd, en derhalve onder de goedgekeurde algemene steunregeling valt. Deze ondernemingen betalen namelijk een huurprijs die geheel naar eigen goeddunken door Siemens wordt vastgesteld. Zij blijft derhalve de enige begunstigde van deze steun die haar in staat stelt de huurprijs te verminderen en aldus de mededinging met concurrerende ondernemingen te vervalsen."
De procedure voor het Hof
35 Siemens betoogt, dat de steun voor reclamecampagnes en marktonderzoek onder de wet van 1959 valt, aangezien de desbetreffende uitgaven immateriële investeringen in de zin van artikel 3, sub a, van die wet vertegenwoordigen. Dit blijkt ook uit een mededeling van het Ministerie van Economische zaken van 2 februari 1977, waarin wordt opgemerkt, dat volgens genoemde bepaling steun kan worden verleend ten behoeve van "marktonderzoek, onderzoek ter verbetering van de salespromotion, vooronderzoek ten behoeve van de opening van verkooppunten, enz. (...) peilingen en acquisitiestudies".
De steun voor de aanschaf van apparatuur voor verhuurdoeleinden wordt volgens Siemens eveneens gedekt door artikel 3, sub a, van de wet, waarin wordt gesproken van "de rechtstreekse financiering van de investeringen in (...) outillering of materieel, die voor de verwezenlijking van voornoemde verrichtingen nodig zijn". Bovendien is er sprake van steunverlening aan de ondernemingen die de apparatuur huren, welke eveneens onder de wet van 1959 valt.
Siemens preciseert tot slot, dat zij het Gerecht verwijt, in de eerste plaats, het gemeenschapsrechtelijke begrip "investeringssteun" te hebben gebruikt om de werkingssfeer van de wet van 1959 te bepalen, en, in de tweede plaats, uit het feit dat zij zelf de huurprijs vaststelde, te hebben afgeleid dat zij de enige begunstigde van de steun was.
36 De Commissie acht het onderhavige middel niet-ontvankelijk, aangezien het gericht is tegen een feitelijk oordeel, dat in hogere voorziening niet kan worden aangetast. Zij stelt bovendien, dat de mededeling van de Belgische regering van 2 februari 1977 niet bij haar is aangemeld en dat de in die mededeling gegeven uitlegging van het begrip "immateriële investeringen" verder reikt dan uit artikel 3, sub a, van de wet van 1959 voortvloeit.
Standpuntbepaling
37 Zoals gezegd, ben ik van mening, dat de wet van 1959 terecht in het licht van de relevante gemeenschapsbepalingen is uitgelegd en dat hieruit volgt, dat bedrijfssteun in de zin van het gemeenschapsrecht niet door de goedgekeurde steunregeling wordt gedekt. De mededeling van de Belgische regering van 2 februari 1977 is een goed voorbeeld van de ongelukkige consequenties van de inaanmerkingneming van aan het nationale recht ontleende uitleggingselementen bij de bepaling van de draagwijdte van een door de Commissie goedgekeurde steunregeling. De in die mededeling gegeven uitlegging van het begrip "immateriële investeringen" lijkt veel ruimer te zijn dan die welke op het eerste gezicht uit artikel 3, sub a, van de wet van 1959 volgt. De mededeling had daarom moeten worden aangemeld bij de Commissie, zodat deze had kunnen uitmaken, of zij binnen het kader van de goedgekeurde steunregeling viel.
38 In de rechtsoverwegingen 54 en 56 van zijn arrest geeft het Gerecht een nadere omschrijving van de verrichtingen waaraan de steun ten goede kwam:
"Wat de steun voor reclamecampagnes en marktonderzoek betreft, blijkt uit verzoeksters aanvraag bij de Belgische autoriteiten van 30 september 1985, getiteld $Investeringsprogramma ter waarde van 113 600 000 BFR voor Siemens te Brussel', dat $de immateriële investeringen' voor een bedrag van 37 600 000 BFR zijn gepland voor de marketing en promotie van nieuwe produkten. De Personal Computer en het burokommunikatiesysteem $HICOM' zijn daarvan twee voorbeelden. Eveneens blijkt uit de toelichting betreffende het bij de steunaanvraag van 29 september 1986 gevoegde investeringsprogramma, dat "de Belgische markt voor burotica, informatica en fabrieksautomatisering (...) een geweldige groei [kent]' en dat $om het marktaandeel in deze sektoren te behouden - en eventueel uit te breiden - [zij] in de komende jaren [haar] marketingsaktiviteiten [zal] intensiveren'.
(...)
Wat de steun voor de aanschaf van te leasen apparatuur betreft - de apparatuur werd door Siemens bij andere groepsonderdelen aangekocht en via leasing op de markt gebracht -, blijkt uit de bij de steunaanvragen van 19 juli 1985, 30 juni 1986, 15 juli 1986 en 12 augustus 1987 gevoegde bewijsstukken, dat Siemens zelf deze operatie gelijkstelt met de $klassieke verkoop' en beweert, dat zij $dank zij deze verkoopmethode (...) [haar] marktaandeel in de sector informatica en burotica sterk [kon] uitbreiden' (zie met name het bij de brief van 12 augustus 1987 gevoegde bewijsstuk)."
39 Zoals het Hof in zijn arrest van 2 maart 1994, zaak C-53/92 P, Hilti(18), heeft verklaard, kan hogere voorziening slechts worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels door het Gerecht, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling. Hieruit volgt naar mijn mening, dat de door het Gerecht gegeven beschrijving van de verrichtingen ten behoeve waarvan de steun werd verleend, als vaststaand moet worden aangenomen. Dit betekent echter niet, dat het Hof deze feiten niet rechtens zou kunnen kwalificeren, dat wil zeggen zich niet zou kunnen uitspreken over de vraag, of de voor die verrichtingen bestemde steun moet worden aangemerkt als "investeringssteun" dan wel als "bedrijfssteun" in de zin van het gemeenschapsrecht, en, bijgevolg, of het Gerecht de rechtsregels juist heeft toegepast.
40 Blijkens de aangehaalde rechtsoverwegingen 54 en 56 is de aan Siemens toegekende steun voor een deel gebruikt voor de aanschaf bij het moederbedrijf van apparatuur bestemd voor verhuur, en voor een ander deel voor het in de handel brengen van nieuwe producten. Steun voor dergelijke verrichtingen, die nauw verband houden met het in de handel brengen van de producten van de onderneming, kan mijns inziens moeilijk als investeringssteun worden aangemerkt. Het gaat hierbij dus niet om steun ten behoeve van de ontwikkeling van nieuwe producten of ten behoeve van de uitwerking van marktonderzoeken op basis waarvan kan worden besloten tot de uitvoering of voortzetting van ontwikkelingsprojecten (vgl. de eerste twee alinea's van overweging I van de considerans van beschikking 71/397). Het betreft hier integendeel steun ten behoeve van de afzet van reeds bestaande producten. Ik ben dan ook van mening, dat het Gerecht deze steun terecht als bedrijfssteun heeft aangemerkt.
41 De vraag, of de steun voor de aanschaf van producten voor verhuurdoeleinden steun is die ten goede komt aan de huurder van de aangeschafte apparatuur, is daarentegen niet een rechtsvraag, maar een feitelijke vraag, die als zodanig buiten de bevoegdheid van het Hof valt. In rechtsoverweging 50 van zijn arrest stelt het Gerecht namelijk feitelijk vast, wie de werkelijke begunstigde van de steun is.
42 Ik acht het hoe dan ook onwaarschijnlijk, dat een dergelijke indirecte vorm van steunverlening zou worden gedekt door de goedgekeurde steunregeling, waarin wordt gesproken van verrichtingen die "rechtstreeks bijdragen tot (...) de modernisering van industriële (...) ondernemingen" (zie artikel 1, lid 1, sub a, van de wet van 1959), in de vorm van "de rechtstreekse financiering van de investeringen in (...) outillage of materieel (...)" (zie artikel 3, sub a, van de wet van 1959). Siemens doet geen rechtstreekse investering ten behoeve van de onderneming die de aangeschafte apparatuur huurt. De apparatuur wordt enkel geleased aan een reeks willekeurige ondernemingen, tegen voor deze ondernemingen normale marktvoorwaarden.
43 Bovendien, zo de Executieve had willen bijdragen tot de vernieuwing van de apparatuur voor gegevensverwerking van een aantal specifieke ondernemingen, had zij binnen het kader van beschikking 75/397 en de brief van 1978 deze ondernemingen rechtstreeks kunnen voorzien van steun ten behoeve van de aanschaf van dergelijke apparatuur bij een leverancier van hun keuze. Wanneer de steun wordt verleend aan één bepaalde leverancier, in casu Siemens, leidt dit, zoals het Gerecht in rechtsoverweging 58 opmerkt, tot vervalsing van de mededinging tussen de leveranciers. Daarmee heeft de steun duidelijk negatieve effecten op een ander niveau van de verhandeling dan dat waarop de ondernemingen waaraan de steun ten goede zou komen, namelijk de huurders van de apparatuur, zich bevinden. Die onnodige vervalsing van de mededinging versterkt het vermoeden, dat de steun buiten de goedgekeurde steunregeling valt. Ten eerste moet deze regeling worden uitgelegd in overeenstemming met het gemeenschapsrechtelijke evenredigheidsbeginsel, op grond waarvan de mededinging niet meer mag worden vervalst dan noodzakelijk is om het goedgekeurde doel te bereiken.(19) In de tweede plaats kunnen de bepalingen inzake steunmaatregelen van de staten niet rechtvaardigen, dat in strijd met artikel 30 van het Verdrag aan producten van bepaalde binnenlandse ondernemingen voordeel wordt verschaft.(20)
44 Gelet op een en ander ben ik van mening, dat het Gerecht het gemeenschapsrecht niet heeft geschonden door te beslissen, dat noch de steun voor reclamecampagnes en marktonderzoek, noch die voor de aanschaf van apparatuur bestemd voor verhuur, door beschikking 75/397 of de brief van 1978 wordt gedekt.
Het vierde middel: had het Gerecht moeten ingaan op de bezwaren betreffende de overschrijding van de drempels?
45 In rechtsoverweging 62 van zijn arrest stelt het Gerecht vast: "Aangezien de betrokken steun, naar is komen vast te staan, wegens zijn aard van bedrijfssteun niet onder de goedkeuring kon vallen die bij beschikking 75/397 en bij brief van 25 mei 1978 voor de algemene regeling is gegeven, behoeft niet te worden nagegaan of is voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden, zoals die betreffende de aanmeldingsdrempels."
46 Zoals uit mijn eerdere uitlatingen blijkt, zie ik geen reden om wijziging te brengen in de beslissing van het Gerecht, dat zowel de steun voor reclamecampagnes en marktonderzoek als die voor de aanschaf van te leasen apparatuur wegens zijn aard buiten de bij beschikking 75/397 en de brief van 1978 goedgekeurde steunregeling valt. Ik ben dan ook met het Gerecht van mening, dat niet behoeft te worden nagegaan, of de aanmeldingsdrempels zijn overschreden.
47 Ook dit middel faalt derhalve.
Kosten
48 De Commissie heeft geconcludeerd tot verwijzing van Siemens in de kosten van het geding. Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd.
Conclusie
49 Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, te beslissen als volgt:
"1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Rekwirante wordt in de kosten verwezen."
(1) - Jurispr. 1995, blz. II-1675.
(2) - PB 1992, L 288, blz. 25.
(3) - PB 1975, L 177, blz. 13.
(4) - Volgens artikel 93, lid 3, moet de Commissie van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte worden gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken.
(5) - Brief SG(79) D/10478, bekendgemaakt in "Mededingingsrecht in de Europese Gemeenschappen" - Deel II, blz. 150, Bureau voor officiële publikaties der Europese Gemeenschappen, 1990. De betrokken drempels staan aangegeven op blz. 27 van het Publikatieblad van beschikking 92/483.
(6) - PB 1979, C 31, blz. 9.
(7) - Artikel 92 bepaalt in het bijzonder:
"1. Behoudens de afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloedt.
(...)
3. Als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd:
a) steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst,
(...)
c) steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad (...)"
(8) - Deze voetnoot is enkel relevant voor de oorspronkelijke, Deense tekst van de conclusie.
(9) - Jurispr. 1992, blz. II-1, r.o. 41.
(10) - Jurispr. 1985, blz. 2545, r.o. 26.
(11) - Jurispr. 1994, blz. I-881, r.o. 29.
(12) - Jurispr. 1990, blz. I-3891, r.o. 18.
(13) - Jurispr. 1994, blz. I-4635.
(14) - Volgens artikel 93, lid 2, kan een bestaande steunregeling die naar het oordeel van de Commissie onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, enkel voor de toekomst worden opgeheven of gewijzigd.
(15) - Zie bijvoorbeeld arresten van 11 juli 1996, gevoegde zaken C-427/93, C-429/93 en C-436/93, Bristol-Myers Squibb e.a., Jurispr. 1996, blz. I-3457, r.o. 27, en 17 oktober 1991, zaak C-100/90, Commissie/Denemarken, Jurispr. 1991, blz. I-5089, r.o. 11.
(16) - Jurispr. 1980, blz. 2671, r.o. 24 en 26.
(17) - Reeds aangehaald in voetnoot 12.
(18) - Jurispr. 1994, blz. I-667, r.o. 10.
(19) - Zie in dit verband het reeds aangehaalde arrest Philip Morris van 17 september 1980, r.o. 17, en het Twaalfde verslag over het mededingingsbeleid van de Commissie, punt 160.
(20) - Zie arresten van 20 maart 1990, zaak C-21/88, Du Pont de Nemours Italiana, Jurispr. 1990, blz. I-889, en 7 mei 1985, zaak 18/84, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1985, blz. 1339.
Full & Egal Universal Law Academy