Conclusie van de advocaat generaal
1. Met de onderhavige hogere voorzieningen komt de Commissie op tegen drie arresten van het Gerecht van eerste aanleg, waarin telkens een beschikking van de Commissie is nietig verklaard uitsluitend wegens onregelmatige authentisatie.
I - Feiten en procesverloop
2. Op 19 december 1990 stelde de Commissie enige beschikkingen vast met betrekking tot de markt voor natriumcarbonaat, een chemische stof die voornamelijk wordt gebruikt voor de vervaardiging van glas. Van deze beschikkingen zijn de volgende in de onderhavige procedures aan de orde:
- Beschikking 91/298/EEG, waarbij de Commissie vaststelde dat Solvay SA (hierna: Solvay") samen met CFK, een Duitse fabrikant, had deelgenomen aan een overeenkomst inzake de verdeling van de Duitse markt en haar een geldboete oplegde van 3 miljoen ecu;
- beschikking 91/299/EEG, waarbij de Commissie vaststelde dat Solvay een machtspositie innam op de West-Europese markt voor natriumcarbonaat en daarvan misbruik had gemaakt, en haar een geldboete oplegde van 20 miljoen ecu;
- beschikking 91/300/EEG, waarbij de Commissie vaststelde dat Imperial Chemical Industries plc (hierna: ICI") op de Britse markt voor natriumcarbonaat een machtspositie innam en daarvan misbruik had gemaakt, en haar een geldboete oplegde van 10 miljoen ecu.
3. Op 2 mei 1991 stelde Solvay beroep in tot nietigverklaring van de beschikkingen 91/298 en 91/299 (zaken T-31/91 en T-32/91), terwijl ICI op 14 mei 1991 beroep instelde tot nietigverklaring van beschikking 91/300 (T-37/91).
4. Tijdens de mondelinge behandeling voor het Gerecht in de zogenaamde PVC"-zaken, die op 10 december 1991 werd beëindigd, verklaarde de Commissie, dat zij de door haar vastgestelde beschikkingen niet had geauthentiseerd en zulks al in geen 25 jaar had gedaan. In het op 27 februari 1992 in deze zaken gewezen arrest verklaarde het Gerecht de beschikkingen van de Commissie in de PVC-zaken non-existent. In hun antwoorden, ingediend op 20 december 1991 (gevoegde zaken T-31/91 en T-32/91) respectievelijk 23 december 1991 (zaak T-37/91), ging geen van verzoeksters in op de authentisatiekwestie die tijdens de mondelinge behandeling van de PVC-zaken ter sprake was gekomen. Na het PVC-arrest diende Solvay echter op 10 april 1992 in iedere zaak een aanvullend verzoekschrift" in, waarin zij onder verwijzing naar de verklaring van de vertegenwoordigers van de Commissie in de PVC-zaken en naar artikelen, verschenen in de Wall Street Journal van 28 februari 1992 en in de Financial Times van 2 maart 1992, een nieuw middel voorstelde strekkende tot non-existentverklaring van de bestreden beschikking. ICI deed hetzelfde in een aanvullende repliek", ingediend op 2 april 1992.
5. De Commissie reageerde hierop in een afzonderlijke conclusie van 4 juni 1992 en in haar dupliek van 7 mei 1992 in de ICI-zaak. In beide zaken betoogde de Commissie, dat het middel krachtens artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht niet-ontvankelijk was, aangezien geen feitelijke of juridische omstandigheden betreffende pretense tekstuele verschillen tussen de betekende en de bekendgemaakte versies in de loop van de procedure aan het licht waren gekomen.
6. In maart 1993 stelde het Gerecht de partijen een aantal vragen over aangelegenheden die niet onmiddellijk verband hielden met het nieuwe middel; partijen hebben hierop in mei 1993 geantwoord.
7. In zijn arrest van 15 juni 1994 op de hogere voorziening in de PVC-zaak oordeelde het Hof dat de bestreden beschikkingen van de Commissie niet non-existent, maar nochtans nietig waren omdat het verzuim van de Commissie om de beschikkingen in overeenstemming met artikel 12 van haar Reglement van orde te authentiseren, schending van een wezenlijk vormvoorschrift vormde.
8. Na dat arrest zond het Gerecht de partijen op 6 juli 1994 enige vragen met het verzoek hun visie te geven op de conclusies die uit het PVC-arrest van het Hof dienden te worden gehouden. De Commissie werd verzocht om overlegging van de notulen van de commissievergadering waarin de bestreden beschikkingen waren vastgesteld, alsmede van de tekst van die beschikkingen zoals destijds in de authentieke taalversies geauthentiseerd door de ondertekening van de president en van de secretaris-generaal en in bijlage bij de notulen gevoegd". De Commissie antwoordde, dat haars inziens de gegrondheid van het middel inzake de authentisatie pas aan de orde was nadat het Gerecht over de ontvankelijkheid ervan had beslist, en weigerde de verzochte documenten over te leggen.
9. Bij een niet-gepubliceerde beschikking van 25 oktober 1994 zette het Gerecht uiteen dat de Commissie bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang was uitgenodigd om de geauthentiseerde tekst van de beschikkingen over te leggen, doch dit had geweigerd. Onder verwijzing naar 's Hofs PVC-arrest en enige andere arresten overwoog het dat schending van fundamentele vormvoorschriften ambtshalve door de communautaire rechter kan worden onderzocht". Daar het van oordeel was dat het middel inzake de verzuimde authentisatie ambtshalve moest worden onderzocht, gelastte het Gerecht de Commissie, vóór 15 november 1994 de tekst van de beschikkingen zoals destijds geauthentiseerd" in iedere zaak over te leggen.
10. De Commissie antwoordde op 11 november 1994 onder overlegging van de geauthentiseerde teksten" van de bestreden beschikkingen in de Franse, de Engelse en de Duitse taal, die waren voorzien van een ongedateerde authentisatieformule, ondertekend door de voorzitter en de secretaris-generaal van de Commissie.
11. Het Gerecht heeft de drie bestreden beschikkingen nietig verklaard bij arresten van 29 juni 1995, waartegen de Commissie hogere voorziening heeft ingesteld:
- Zaak T-31/91, Solvay/Commissie, betreffende beschikking 91/298 (in hogere voorziening zaak C-287/95 P);
- Zaak T-32/91, Solvay/Commissie, betreffende beschikking 91/299 (in hogere voorziening zaak C-288/95 P), en
- Zaak T-37/91, ICI/Commissie, betreffende beschikking 91/300 (in hogere voorziening zaak C-286/95 P).
12. In alle bestreden arresten heeft het Gerecht het volgende geconstateerd:
- de verklaringen van de vertegenwoordigers van de Commissie in de PVC-zaken betreffende het jarenlang stelselmatig achterwege laten van authentisatie van de door het college van Commissieleden vastgestelde handelingen vormt een feitelijk gegeven waarop verzoeksters zich konden beroepen;
- van verzoeksters kon niet worden verwacht dat zij zich daarop reeds in hun verzoekschrift beriepen, omdat zelfs bij nauwlettende lezing van de betekende tekst niet kon worden opgemaakt dat het origineel niet was geauthentiseerd;
- artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt geen termijn of bijzondere formaliteit voor de indiening van een nieuw middel; nu een expliciete en duidelijke bepaling ontbreekt, dat een nieuw middel onmiddellijk of binnen een bepaalde termijn nadat van de aldaar bedoelde juridische of feitelijke gegevens is gebleken, moet worden ingediend, konden rekwiranten de kwestie van de authentisatie tot aan de mondelinge behandeling aan de orde stellen;
- zelfs wanneer dat artikel zou vereisen dat een nieuw middel zo spoedig mogelijk wordt voorgedragen, hadden verzoeksters in casu aan dit vereiste voldaan;
- zelfs wanneer verzoeksters de authentisatiekwestie niet aan de orde mochten stellen, kon het Gerecht een schending van fundamentele vormvoorschriften in ieder geval ambtshalve toetsen;
- reeds de enkele niet-inachtneming van een wezenlijk vormvoorschrift levert een schending op, los van de vraag of er verschillen bestaan tussen de teksten en of deze van wezenlijk belang zijn;
- ongeacht het voorgaande heeft in de onderhavige zaken de authentisatie plaatsgehad nadat beroep was ingesteld; een instelling kan echter niet een wezenlijke vormfout met terugwerkende kracht herstellen zonder inbreuk te maken op het beginsel van de rechtszekerheid en op de rechten van de betrokken partijen.
II - De relevante procedurele bepalingen
13. Artikel 12 van het Reglement van orde van de Commissie, zoals van kracht ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikkingen, luidt als volgt:
De (...) door de Commissie genomen besluiten worden in de taal of talen, waarin zij authentiek zijn, door de ondertekening van de Voorzitter en van de Algemeen Secretaris gewaarmerkt.
De teksten van deze besluiten worden gehecht aan de notulen van de vergadering van de Commissie, waarin hun aanneming is vermeld.
De Voorzitter brengt, voor zover nodig, de door de Commissie genomen besluiten aan diegenen, voor wie zij bestemd zijn, ter kennis."
14. De relevante bepalingen van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht in de destijds geldende versie luiden:
Artikel 48, lid 2:
Nieuwe middelen mogen in de loop van het geding niet worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
Indien een partij tijdens de behandeling een nieuw middel voordraagt, als in de voorgaande alinea bedoeld, kan de president na het verstrijken van de normale procestermijnen, op rapport van de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, aan de wederpartij een termijn voor antwoord stellen.
De beslissing over de ontvankelijkheid van het middel wordt aangehouden tot het eindarrest."
Artikel 65:
Onverminderd het bepaalde in de artikelen (...) 21 en 22 van het Statuut-EEG (...) kunnen de volgende maatregelen van instructie worden bevolen:
(...)
b) verzoek om inlichtingen en overlegging van stukken;
(...)"
Artikel 66:
Lid 1
Het Gerecht, de advocaat-generaal gehoord, bepaalt de maatregelen die nodig worden geacht; de ter zake gegeven beschikking omschrijft de te bewijzen feiten (...)
De beschikking wordt aan partijen betekend.
Lid 2
Het tegenbewijs staat vrij; nadere bewijsaanbiedingen zijn toegelaten."
III - De onderhavige hogere voorziening
15. De Commissie voert in beide zaken dezelfde twee middelen aan, die zijn gericht tegen respectievelijk, de ontvankelijkheid van het door verzoeksters voor het Gerecht voorgestelde middel aangaande de authentisatie van de bestreden beschikkingen, en de oordelen van het Gerecht omtrent het doel van de authentisatie en de gevolgen van de ontbrekende authentisatie van de beschikkingen ten tijde van hun vaststelling. Elk van beide middelen bestaat uit drie onderdelen, die afzonderlijk worden voorgesteld. De Commissie heeft ook enige voorafgaande opmerkingen gemaakt, waarin zij wijst op verschillen tussen de onderhavige zaken en de feiten in de PVC-zaken en betoogt dat de bestreden arresten niet stroken met andere arresten van het Hof en het Gerecht inzake authentisatie; zo nodig zal ik deze onderzoeken bij de bespreking van de argumenten van partijen met betrekking tot de principale middelen.
16. Het tweede middel bestrijdt in feite de kwalificatie van de authentisatieverplichting als wezenlijk vormvoorschrift" in de zin van artikel 173, eerste alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230, tweede alinea, EG) door het Gerecht alsmede zijn oordeel, dat authentisatie moet plaatsvinden vóór de betekening van de maatregel. Aangezien de juridische aard van dit vereiste van doorslaggevende betekenis is voor de beoordeling van de procedurele vragen, stel ik voor allereerst deze kwestie, die in het eerste en het derde onderdeel van het tweede middel van de Commissie aan de orde wordt gesteld, te behandelen.
a) Authentisatie als wezenlijk vormvoorschrift
17. De Commissie stelt, dat het Gerecht het gemeenschapsrecht heeft geschonden:
- door te beslissen dat authentisatie een vormvoorschrift is dat moet worden nageleefd los van de vraag of er aanwijzingen zijn voor twijfel aan het authentieke karakter van de betekende tekst van de beschikking, en
- door niet in te gaan op de vraag of het gestelde gebrek de belangen van de adressaat van de beschikking kon aantasten, en door niet te motiveren waarom het dit niet heeft gedaan.
18. In de bestreden overwegingen heeft het Gerecht de conclusie van het Hof in punt 76 van het PVC-arrest geciteerd, dat (...) authentisatie (...) is te beschouwen als een wezenlijk vormvoorschrift in de zin van artikel 173 EEG-Verdrag", en daaraan toegevoegd:
Gepreciseerd zij, dat deze schending bestaat in de enkele niet-inachtneming van het betrokken wezenlijke vormvoorschrift. Zij staat derhalve los van de vraag, of de vastgestelde, betekende en bekendgemaakte teksten verschillen vertonen, en zo ja, of die verschillen al dan niet van wezenlijk belang zijn. (Het is dan ook irrelevant, dat de door verzoekster genoemde tekstuele verschillen (...) als onbetekenend zijn te beschouwen.)"
19. De Commissie beroept zich op het PVC-arrest, met name punt 75 daarvan, ten betoge dat het verzuim van authentisatie alleen dan schending van een wezenlijk vormvoorschrift oplevert wanneer de betekende tekst een of meer andere gebreken bevat. Indien het Hof zich alleen had willen baseren op het verzuim van authentisatie, zou het niet eveneens gedetailleerd de andere pretense gebreken, met name de tekstuele verschillen, hebben onderzocht in de punten 62 en 73 van het arrest. Punt 73 toont aan, dat het vereiste van authentisatie niet los kan worden gezien van de noodzaak om de volledige tekst van de door het college van Commissieleden genomen besluiten met zekerheid te kunnen vaststellen. Nu iedere aanwijzing dat de bestreden beschikkingen na hun vaststelling zijn gewijzigd, ontbreekt, is de vraag of zij geauthentiseerd zijn, zonder belang voor het onderzoek of het collegialiteitsbeginsel al dan niet in acht is genomen. Dit standpunt is volgens de Commissie in overeenstemming met andere arresten van het Gerecht en met de conclusie van advocaat-generaal Lenz in de zaak Spanje/Commissie. De beslissing van het Gerecht in de onderhavige arresten zou zelfs negatievere gevolgen hebben dan zijn non-existentverklaring in de PVC-zaken, die althans was beperkt tot de zeer specifieke feiten van die gevallen.
20. De Commissie stelt voorts, dat de kwalificatie wezenlijk" in de uitdrukking wezenlijk vormvoorschrift" refereert aan het evenredigheidsbeginsel, anders gezegd, dat de sanctie op schending van een dergelijk voorschrift in verhouding tot de ernst van de fout moest staan. Om de nietigverklaring te rechtvaardigen hadden verzoeksters moeten aantonen dat zonder de vormfout de beslissing anders zou zijn uitgevallen, een voorbeeld hiervan zijn de arresten Distillers Company/Commissie en Van Landewyck e.a./Commissie en met name het arrest in de PVC-zaak waarin het Hof onderzocht, of de onregelmatigheden bij de totstandkoming van de PVC-beschikking een weerslag op de inhoud daarvan konden hebben gehad. In de onderhavige zaken heeft het Gerecht blijk gegeven van een verkeerde rechtsopvatting door niet te onderzoeken of de belangen van verzoeksters konden zijn benadeeld door de verzuimde authentisatie ten tijde van de vaststelling van de litigieuze beschikkingen.
21. De uitlegging van het begrip wezenlijk vormvoorschrift" door de Commissie is mijns inziens onjuist. De Commissie maakt onvoldoende onderscheid tussen wezenlijke vormvoorschriften en andere vormvoorschriften. Dit blijkt uit de formulering van het eerste onderdeel van het tweede middel, waarin wordt gesteld dat het Gerecht zou hebben geoordeeld dat authentisatie een formeel vereiste is", terwijl het Gerecht het uitdrukkelijk heeft gehad over een wezenlijk vormvoorschrift". Dit volgt eveneens duidelijk uit de formulering van de opmerkingen waarmee zij een verschil tussen deze zaak en de PVC-zaak tracht te construeren voor haar stelling dat verzoeksters hadden moeten aantonen in welk opzicht de pretense schending afbreuk deed aan hun belangen.
22. Hoewel het Hof gepoogd heeft abstracte definities van het begrip wezenlijk vormvoorschrift" te omzeilen, meen ik uit de rechtspraak te kunnen opmaken dat dit begrip is voorbehouden aan vormvoorschriften die intrinsiek verband houden met de vorming en de uitdrukking van de wil van de autoriteit die de handeling heeft vastgesteld, en dat iedere schending van een dergelijk voorschrift, zoals duidelijk blijkt uit artikel 173 EG-Verdrag, noodzakelijkerwijs de nietigverklaring van de handeling in haar geheel rechtvaardigt. Aangezien de schending de handeling in haar geheel betreft, is het niet nodig en in de meeste gevallen zelfs niet mogelijk dat de partij die zich erop beroept, een bijzonder nadeel voor haar subjectieve rechten of belangen aantoont; de schending vormt een niet-inachtneming van een zo fundamenteel voorschrift voor de vaststelling of de vorm van de handeling, dat zij niet geacht kan worden een geldige en authentieke handeling van de instelling te zijn.
23. Dat aan vormvoorschriften in het algemeen een zo belangrijke plaats in de communautaire rechtsorde wordt toegekend, is geen uiting van overdreven formalisme, maar berust veeleer hierop, dat deze voorschriften een minimale toegang tot het besluitvormingsproces beogen te waarborgen aan alle daarbij betrokken institutionele acteurs (instellingen, verwante organen, lidstaten). Juist daarom heeft advocaat-generaal Tesauro het recht van een lidstaat de door hem tevoren geaccepteerde procedurevoorschriften - en geen andere - gerespecteerd te zien" vergeleken met een fundamenteel recht. Ofschoon de omstandigheden waaronder een particulier deze procedureregels jegens de Commissie kan inroepen, beperkter kunnen zijn, heeft het Hof al lang erkend dat de eerbiediging door deze instelling van de voorschriften met betrekking tot haar functioneren eveneens kan vormen een fundamentele waarborg, welke bij het Verdrag in het bijzonder wordt toegekend aan de ondernemingen en aan de verenigingen van ondernemingen waarop het betrekking heeft"; dit vindt ook zijn weerslag in het vereiste van artikel 218, lid 2, EG, dat het Reglement van orde van de Commissie dient te verzekeren dat zij en haar diensten overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag werkzaam zijn".
24. De verplichting van de instelling die een handeling vaststelt, om andere communautaire instellingen of verwante organen dan wel de betrokken lidstaat te raadplegen, illustreert duidelijk de aard van een wezenlijk vormvoorschrift. In de zaak Frankrijk/Hoge Autoriteit, de eerste zaak die door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal is beslecht, onderzocht het Hof ambtshalve of verweerder verzuimd had de Raad te raadplegen, waartoe hij verplicht was bij het vaststellen van een bepaald voorschrift wanneer dit, gelezen in samenhang met een eerdere beschikking, een indirecte en aanvullende definitie van verboden praktijken" inhield. Evenzo heeft het Hof in het arrest Italië/Hoge Autoriteit de raadpleging van het Raadgevend Comité van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal geverifieerd, daarbij overwegend dat het middel, gebaseerd op niet-raadpleging, indien gegrond, zou moeten leiden tot ambtshalve vernietiging wegens schending van het Verdrag of van wezenlijke vormvoorschriften". In latere zaken heeft het Hof de raadpleging van het Europese Parlement in de gevallen voorzien in het Verdrag" en de raadpleging van raadgevende comités, beheerscomités en regulerende comités als wezenlijk vormvoorschrift behandeld: in deze laatste categorie zaken heeft het Hof veel moeite gedaan om vast te stellen of de wetgever die raadpleging als voorwaarde voor de geldigheid van de handeling had bedoeld, heeft het onderstreept dat de Commissie het Reglement van orde van het geraadpleegde comité scrupuleus in acht moest nemen. De in de verschillende regelingen neergelegde verplichting van de Commissie om de betrokken lidstaat te raadplegen alvorens besluiten van financiële aard te nemen, werd eveneens als een wezenlijk vormvoorschrift beschouwd. Zo heeft het Hof in de Sociaal Fonds-zaken de bestreden beschikkingen nietig verklaard omdat de Commissie in iedere zaak verzuimd had de Portugese regering te raadplegen zoals de toepasselijke bepalingen van het Reglement inzake het Europees Sociaal Fonds voorschreven: Gelet op zijn centrale rol [van de betrokken lidstaat] en grote verantwoordelijkheden bij de indiening van de opleidingsprojecten en het toezicht op de financiering ervan, vormt [die raadpleging] een wezenlijk vormvoorschrift, waarvan de niet-inachtneming tot nietigheid van de bestreden beschikking leidt."
25. Een aantal andere wezenlijke vormvoorschriften, waarvan sommige zelfs van directer belang zijn voor het probleem in de onderhavige zaak, kunnen in de rechtspraak worden aangetroffen. In de hormonenzaak bijvoorbeeld oordeelde het Hof, dat de Raad verplicht was te voldoen aan artikel 6, lid 1, van zijn Reglement van orde, dat de toepassing van de schriftelijke procedure voor de goedkeuring van handelingen van de Raad afhankelijk stelde van de instemming van alle lidstaten: Hij kan niet daarvan afwijken, zelfs niet met een meerderheid die groter is dan die welke voor de vaststelling of de wijziging van het Reglement van orde wordt vereist, zonder dit Reglement (...) formeel te wijzigen." In de legkippenzaak week de bekendgemaakte tekst van een richtlijn van de Raad in drie opzichten af van de vastgestelde tekst; ofschoon het Hof met zoveel woorden erkende dat de door het secretariaat-generaal van de Raad aangebrachte wijzigingen enkel de motivering [betreffen] en niet de bepalingen zelf van de betrokken richtlijn", oordeelde het dat de motivering een essentieel bestanddeel van een handeling is" en verklaarde het de richtlijn nietig aangezien de wijzigingen verder gingen dan eenvoudige verbeteringen van grammaticale en spelfouten. Meer in het algemeen heeft het Hof reeds lang geleden geoordeeld dat het motiveringsvereiste bij bindende handelingen van de instellingen een wezenlijk vormvoorschrift is. In een groot aantal zaken, beginnend in 1986 met het arrest inzake algemene tariefpreferenties, heeft het Hof geoordeeld dat zowel de vermelding van de rechtsgrondslag in de tekst van een handeling als de keuze van de juiste rechtsgrondslag, ingeval de vormvoorschriften in met elkaar concurrerende verdragsartikelen verschillen, wezenlijke vormvoorschriften zijn.
26. In geen van deze zaken heeft het Hof onderzocht wat de concrete gevolgen van de schending van het wezenlijke vormvoorschrift voor de belangen van de klager waren of in hoeverre het resultaat anders had kunnen zijn indien dat voorschrift in acht genomen was. In sommige gevallen is het duidelijk, dat die gevolgen er niet waren of dat het resultaat niet anders zou zijn geweest. In het kader van beroepen wegens niet-nakoming bijvoorbeeld heeft het Hof geoordeeld, dat de aan een lidstaat te bieden mogelijkheid om opmerkingen in te dienen een wezenlijke waarborg is ook wanneer deze meent daarvan geen gebruik te moeten maken". Dat een handeling die wegens niet-inachtneming van dit vereiste is nietig verklaard, door de betrokken instelling opnieuw kan worden vastgesteld, doet geen afbreuk aan de kwalificatie wezenlijk". Inderdaad is de Raad, na de nietigverklaring van de isoglucoseverordening van 1979 en van de hormonenrichtlijn van 1985 daartoe overgegaan; in beide gevallen bevestigde het Hof de geldigheid van de vervangende handeling. Evenmin kan een instelling zich onttrekken aan de gevolgen van niet-inachtneming van een dergelijk voorschrift door te trachten aan te tonen, dat het wel respecteren daarvan niets zou hebben toegevoegd aan haar onderzoek van de betrokken handeling.
27. Het verschil tussen wezenlijke en niet-wezenlijke vormvoorschriften wordt goed geïllustreerd door de arresten die de Commissie in dit verband heeft aangehaald. In de zaak Distillers Company/Commissie beklaagde verzoekster zich erover, dat het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities niet beschikte over de notulen van de hoorzitting voor de Commissie evenmin als over bepaalde door haarzelf overgelegde documenten, en dat de Commissie haar een onvolledige kopie van de klacht van de interveniënte had verschaft. Zij trachtte deze punten als wezenlijke vormvoorschriften" te presenteren die nietigverklaring van de gehele bestreden beschikking rechtvaardigden, en de advocaat-generaal heeft ze in zijn conclusie ook als zodanig behandeld. Het Hof sprak daarentegen van procedurefouten" en oordeelde dat het deze slechts behoefde te onderzoeken wanneer de administratieve procedure, waren deze fouten niet gemaakt, eventueel tot een ander resultaat had kunnen leiden". In het arrest Van Landewyck e.a./Commissie zag het Hof in het argument van verzoeksters, dat de Commissie vertrouwelijke inlichtingen aan een derde had verstrekt, eveneens slechts een onregelmatigheid die, zelfs indien bewezen, nietigverklaring slechts rechtvaardigde indien de aangevochten beschikking anders een andere inhoud zou hebben gehad.
28. De gedachtegang die uit deze zaken naar voren komt, lijkt mij de volgende: ingeval een bepaald vormvoorschrift bij correcte uitlegging van de bepalingen waarin het is vervat, wezenlijk" is, kan het door iedere verzoeker met procesbevoegdheid worden ingeroepen zonder dat hij behoeft aan te tonen dat zijn situatie anders zou zijn geweest wanneer aan het voorschrift was voldaan of dat de schending afbreuk had gedaan aan zijn rechten of belangen. Een handeling die in deze zin fundamenteel gebrekkig is, maakt inbreuk op de objectieve wettigheidsnormen van het gemeenschapsrecht en niet alleen op de subjectieve belangen van een partij; die inbreuk kan - ik kom hier nog op terug - ambtshalve door het Hof worden onderzocht, zodat gewaarborgd is dat de handeling niet langer van kracht blijft dan onvermijdelijk is. Het objectieve karakter van dergelijke vormvoorschriften blijkt duidelijk uit de beslissing van het Hof in de hormonenzaak: de regels betreffende de besluitvorming van de gemeenschapsinstellingen worden vastgesteld door het Verdrag en (...) zij [staan] niet ter beschikking (...) van de lidstaten of van de instellingen zelf". Mutatis mutandis geldt ditzelfde voor andere procedurele voorschriften die de instellingen hetzij zichzelf hebben gesteld, hetzij - zoals in het geval van de Commissie bij de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden - voorgeschreven hebben gekregen.
29. Niet alle bepalingen van het reglement van orde van de instellingen en organen die deelnemen aan het politieke of administratieve besluitvormingsproces, kunnen echter worden geacht wezenlijke vormvoorschriften te zijn. In het arrest Frankrijk/Parlement hield de verzoekende lidstaat staande, dat het Parlement artikel 48 van zijn Reglement van orde had geschonden door de bestreden resolutie vast te stellen volgens de urgentieprocedure, ofschoon het onderwerp van de resolutie noch actueel noch urgent was. Het Hof verwierp dit argument omdat het besluit van het Parlement om in zijn vergadering een actualiteitendebat te houden over een ontwerp-resolutie betreffende een bepaald onderwerp, de interne organisatie van zijn werkzaamheden betreft en derhalve niet aan rechterlijke controle is onderworpen". Evenzo verwierp het Hof in het arrest Nakajima/Raad het argument, dat de Raad zijn Reglement van orde niet had geëerbiedigd door de behandeling van een Commissievoorstel op de agenda te plaatsen, dat de leden niet tijdig en evenmin in alle vereiste talen was toegezonden. Het Hof merkte met name op, dat het Reglement van orde van een gemeenschapsinstelling tot doel heeft, de interne werking van de diensten te regelen met het oog op een goed bestuur. De daarin neergelegde regels, inzonderheid die inzake de organisatie van de beraadslagingen en de besluitvorming, zijn dus hoofdzakelijk bedoeld om met inachtneming van de rechten van alle leden van de instelling het goede verloop van de besprekingen te verzekeren. Hieruit volgt, dat natuurlijke of rechtspersonen zich niet op schending van deze regels, die niet ter bescherming van particulieren zijn vastgesteld, kunnen beroepen."
30. Het Hof heeft in die zaak niet onderzocht, of de betrokken bepalingen van het Reglement van orde van de Raad wezenlijke vormvoorschriften waren. Uit de conclusie van advocaat-generaal Lenz in die zaak blijkt echter, dat de verzoeksters stelling ongegrond was, omdat krachtens het Reglement van orde van de Raad onderwerpen op een laat moment op de ontwerpagenda konden worden geplaatst wanneer alle leden daarmede akkoord gingen en de documenten inderdaad bij de stemming in alle noodzakelijke taalversies ter beschikking stonden. De overwegingen van het Hof bij die stelling moeten worden gezien als signaal aan potentiële procespartijen om geen speculatieve argumenten over het intern functioneren van de instellingen aan te voeren; verzoekster had het Hof verzocht de Raad te bevelen de documenten met betrekking tot de totstandkoming van de bestreden richtlijn over te leggen. In ieder geval vormt het arrest Nakajima/Raad mijns inziens een duidelijke steun voor het standpunt, dat bepalingen van het reglement van orde van een instelling die bestemd zijn om de bescherming van particulieren te verzekeren", of, eventueel van lidstaten, zoals in de hormonenzaken of de bouwproductenzaken, wezenlijke vormvoorschriften zijn. Dit is onder spectaculaire omstandigheden wederom bevestigd in de PVC-zaken.
31. Het hangt af van de interpretatie van het PVC-arrest, of de Commissie terecht daarop een beroep doet ten betoge dat het verzuim van authentisatie slechts dan een schending van een wezenlijk voorschrift vormt, wanneer er nog een of meer andere gebreken in de betekende tekst zijn. De Commissie stelt, dat het verzuim van authentisatie alleen dan een dergelijke schending vormt, wanneer tussen de vastgestelde en de geauthentiseerde tekst verschil bestaat. Anders dan de Commissie aanvoert, is het Hof in de punten 62 tot en met 73 van het arrest niet overgegaan tot een gedetailleerd onderzoek van de andere gebreken die door het Gerecht in zijn arrest van 27 februari 1962 zijn vastgesteld, betreffende inzonderheid de strekking van de tekstuele verschillen en het probleem van de ,habilitation". Het Hof heeft juist aan zijn rechtspraak inzake het collegialiteitsbeginsel herinnerd (punten 62, 63 en 71), bevestigd dat de eerbiediging van dit beginsel (...) stellig van belang [is] voor de rechtssubjecten ten aanzien van wie die besluiten rechtsgevolgen sorteren" op het gebied van het mededingingsrecht (punten 64 en 65) en gewezen op het belang van de motivering van die besluiten (punten 65 tot en met 69), alvorens te oordelen dat de schriftelijke vormgeving van de handeling de noodzakelijke uitdrukking vormt van de wil van de autoriteit die de handeling vaststelt" (punt 70). Het Hof voegde hieraan toe, dat artikel 12 van het Reglement van orde de Commissie (...) verplicht, de maatregelen te nemen waarmede de volledige tekst van de door het College vastgestelde besluiten met zekerheid kan worden geïdentificeerd" en dat de (...) authentisatie van besluiten (...) tot doel [heeft] de rechtszekerheid te waarborgen door de door het College vastgestelde tekst vast te leggen in de talen waarin deze authentiek is. Dankzij die authentisatie kan in geval van betwisting worden nagegaan, of de betekende of bekendgemaakte teksten exact overeenkomen met de tekst zoals die is vastgesteld, en dus weergeven wat hun auteur heeft gewild" (punten 73 tot en met 75). Het is in het licht van deze opmerkingen dat het Hof in punt 76 heeft geoordeeld, dat
de in artikel 12, eerste alinea, van het Reglement van orde van de Commissie voorziene authentisatie van besluiten is te beschouwen als een wezenlijk vormvoorschrift in de zin van artikel 173 EEG-Verdrag. Schending van dit vormvoorschrift kan aanleiding geven tot een beroep tot nietigverklaring."
32. Na aldus de aard van de verplichting van de Commissie om haar beschikkingen te authentiseren te hebben vastgesteld, kwam het Hof tot de slotsom dat de Commissie (...) artikel 12, eerste alinea, van haar Reglement van orde heeft geschonden, door de bestreden beschikking niet te authentiseren op de wijze als in die bepaling is voorzien" en vernietigde het deze wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften" (punten 76 en 77).
33. De conclusie van het Hof op dit punt lijkt mij duidelijk en ondubbelzinnig. Het Hof heeft in punt 76 niet te kennen gegeven, dat authentisatie slechts dan een wezenlijk vormvoorschrift is wanneer de partij die zich daarop beroept, gebreken of een inbreuk op het beginsel van onaantastbaarheid kan aantonen; in feite heeft het, na de middelen van verzoeksters tot staving van de nietigverklaring van de bestreden beschikking te hebben samengevat (punten 56 en 57), uitdrukkelijk beslist dat ze niet behoefden te worden onderzocht (punt 78). In de passages waarop de Commissie zich heeft beroepen (punten 62 tot en met 73), heeft het Hof slechts onderzocht waarom een bepaling van het Reglement van orde van een instelling, die volgens de Commissie louter een als geheugensteun bedoelde formaliteit" was (punt 75), geacht moest worden een wezenlijk vormvoorschrift te zijn; zoals ik reeds heb opgemerkt, geldt dit niet voor alle procedurevoorschriften van de instellingen.
34. De suggestie van de Commissie ter terechtzitting, dat authentisatie alleen een wezenlijk vormvoorschrift is in geval van betwisting", lijkt mij te zijn gebaseerd op een cirkelredenering. Het bewijs dat de geauthentiseerde tekst verschilt van de tekst zoals die is vastgesteld, toont zonder meer een gebrek aan authenticiteit aan. Het is overbodig daaraan toe te voegen, dat in een dergelijk geval het verzuim van formele authentisatie schending oplevert van een wezenlijk vormvoorschrift; daarmede zou het begrip wezenlijk vormvoorschrift" van elke inhoud worden beroofd. Het is een begrip met een nauwkeurige betekenis, waarop in het Verdrag nietigverklaring is gesteld. In het PVC-arrest heeft het Hof zijn woorden zorgvuldig gekozen, en het Gerecht heeft daaruit de juiste conclusies getrokken in de door mij in punt 18 van deze conclusie aangehaalde passage.
35. Het argument van de Commissie, dat geen grief is aangevoerd tegen de punten die door de authentisatie worden gewaarborgd en dat, anders dan in de PVC-zaak, er geen bewijs is voor wijzigingen in de tekst, is daarom niet ter zake. Aangezien de Commissie niet in staat was het origineel van de bestreden beschikkingen zoals destijds geauthentiseerd over te leggen, bestond er geen geauthentiseerd origineel", het Gerecht kon op geen enkele wijze vaststellen of er verschillen bestonden tussen de vastgestelde en de betekende beschikkingen en het heeft, mijns inziens terecht, dienovereenkomstig beslist. Evenals het motiveringsvereiste strekt het vereiste van authentisatie ertoe de rechter behulpzaam te zijn bij de toetsing van besluiten van de Commissie in geval van betwisting".
36. Aangaande de relevantie van de andere door de Commissie aangehaalde zaken waarin het verzuim van authentisatie voor het Gerecht was ingeroepen, komt het mij voor dat zelfs wanneer een tegenstrijdigheid zou bestaan tussen een arrest van het Gerecht waartegen geen hogere voorziening is ingesteld, en een ander arrest waartegen wel hogere voorziening is ingesteld, dit niet per se grond zou opleveren voor vernietiging van laatstgenoemd arrest. Bovendien bestaat, zoals verweersters hebben opgemerkt, tussen de door de Commissie aangehaalde gevallen en de onderhavige procedure het belangrijke verschil, dat in de eerstgenoemde gevallen alle bestreden beschikkingen waren vastgesteld hetzij na de terechtzittingen (SPO e.a./Commissie, 5 februari 1992, en Deere/Commissie, 17 februari 1992) hetzij na het arrest (Dunlop Slazenger/Commissie, 18 maart 1992) in de PVC-zaken. De Commissie heeft uitdrukkelijk erkend, dat zij begin 1992 maatregelen heeft genomen om het PVC-probleem" op te lossen en dat zij zich in de zaak SPO e.a./Commissie op deze wijziging heeft beroepen.
37. Dit is ook de reden waarom het arrest Spanje/Commissie geen steun biedt aan het standpunt van de Commissie. De in die zaak bestreden beschikking was vastgesteld in december 1992, ruimschoots na de wijziging van de authentisatiepraktijk van de Commissie; bovendien werd geklaagd over onjuiste betekening en niet over verzuimde authentisatie. Het was in die context dat advocaat-generaal Lenz terecht heeft geconcludeerd, dat niet het minste bewijs bestond" dat de Commissie haar Reglement van orde niet in acht had genomen.
38. Ik ben derhalve van mening, dat in de onderhavige zaken het authentisatievereiste van artikel 12 van het Reglement van orde van de Commissie in de versie die van kracht was ten tijde van het vaststellen van de bestreden beschikkingen, een wezenlijk vormvoorschrift was. Het Gerecht is dan ook terecht niet op het bestaan en de relevantie van mogelijke tekstuele verschillen ingegaan; de gronden voor zijn beslissing in dit opzicht werden voldoende verklaard door de kwalificatie van het procedureel gebrek als schending van een wezenlijk vormvoorschrift. Onder deze omstandigheden moeten het eerste en het derde onderdeel van het tweede middel van de Commissie worden verworpen.
b) De inhoud van de authentisatieverplichting
39. Resteert het tweede onderdeel van het tweede middel van de Commissie. Dat houdt in, dat het Gerecht het gemeenschapsrecht heeft geschonden en een motiveringsfout heeft begaan door te beslissen, dat authentisatie moet plaatsvinden vóór de betekening van de handeling en dat de authentisatie in het onderhavige geval onregelmatig was.
40. In dit verband betoogt de Commissie, dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat authentisatie deel uitmaakt van de vaststellingsprocedure van de beschikking. De vaststelling is voltooid wanneer het college de ontwerpbeschikking goedkeurt; externe werking verkrijgt de beschikking door de betekening ervan. Mogelijke gebreken die na de vaststelling van de beschikking aan het licht treden, hebben geen invloed op haar rechtsgeldigheid; daarom kunnen mogelijke fouten in de betekening worden hersteld. Het is paradoxaal om een dergelijk absoluut belang toe te kennen aan een interne procedure. Het zou voor de Commissie in de praktijk onmogelijk zijn om dringende beschikkingen vóór de betekening te authentiseren. Aangezien het geauthentiseerde origineel" van de aan het Gerecht overgelegde tekst exact overeenkomt met de betekende tekst, kon het niet tot de beslissing komen dat de rechtszekerheid van verzoeksters niet was gewaarborgd. Het Gerecht handelde inconsequent door diezelfde authentisatie ex post facto wel als bewijs te beschouwen dat punt 63 van beschikking 91/299/EEG (Solvay, misbruik van een machtspositie), maar niet dat de volledige beschikking door het college van Commissieleden was vastgesteld. Tevens heeft het ten onrechte een nieuw middel van verzoeksters aanvaard, maar ex posto authentisatie van Commissiebeschikkingen afgewezen.
41. De stelling van de Commissie met betrekking tot de inhoud van de authentisatieverplichting is mijns inziens volstrekt onjuist. De verplichting om handelingen vóór hun betekening te authentiseren volgt uit de tekst van artikel 12 van het Reglement van orde van de Commissie, waaruit duidelijk blijkt dat authentisatie aan de toevoeging van de besluiten aan de notulen van de vergaderingen van de Commissie alsmede aan hun betekening voorafgaat, zoals het Gerecht in de bestreden arresten heeft beslist. In het PVC-arrest werd de bestreden beschikking nietig verklaard omdat ze niet was geauthentiseerd op de wijze als in die bepaling is voorzien". Dit is ook de enige interpretatie die strookt met de tweede alinea van artikel 192 EG-Verdrag (thans artikel 256 EG), bepalende dat de door de regering van elke lidstaat daartoe aangewezen autoriteit de beschikkingen van de Commissie die een geldelijke verplichting inhouden, zoals in deze zaken, ten uitvoer moet leggen zonder andere controle dan de verificatie van de authenticiteit van de titel". Wanneer authentisatie van zulke beschikkingen niet in alle gevallen plaatsvindt, bestaat op zijn minst formeel het gevaar dat zij niet ten uitvoer gelegd kunnen worden; de duidelijke bedoeling van artikel 192 is echter, dat de authentisatie systematisch plaatsvindt.
42. De Commissie geeft eveneens blijk van een verkeerde rechtsopvatting wanneer zij stelt dat de beschikking voltooid en perfect" is zodra ze door het college van Commissieleden is vastgesteld. De tweede alinea van artikel 191 EG-Verdrag (thans artikel 254, lid 3, EG) bepaalt, dat van de beschikkingen wordt kennis gegeven aan hen tot wie zij zijn gericht; zij worden door deze kennisgeving van kracht". Daaruit volgt, dat Commissiebeschikkingen van het onderhavige type zonder kennisgeving geen rechtsgevolg hebben. De beschikkingen die de rechtspositie van adressaten beïnvloeden, zijn samengestelde handelingen waarvoor zowel besluitvorming volgens het collegialiteitsbeginsel als kennisgeving in de vereiste vorm geldt. Ofschoon de vaststelling volledig en perfect" kan zijn vanaf het moment dat het college zijn beraadslagingen heeft beëindigd, zijn de beschikkingen dit in dit stadium niet ten opzichte van hun adressaten; latere handelingen kunnen hun rechtsgeldigheid beïnvloeden, zoals het geval was in bijvoorbeeld de legkippenzaak. Het verzuim van authentisatie in de PVC-zaak vond plaats na de vaststelling van de bestreden beschikking en ditzelfde geldt voor het onderhavige geval. Evenmin is het paradoxaal" om een dergelijk gewicht toe te kennen aan een voorschrift als dat van artikel 12 van het Reglement van orde van de Commissie. Zoals blijkt uit het PVC-arrest, heeft die bepaling tot doel, de rechtszekerheid te waarborgen door de door het college vastgestelde tekst vast te leggen in de talen waarin deze authentiek is". De omstandigheden die tot die zaak en de onderhavige procedure hebben geleid, tonen het nut van een dergelijk voorschrift aan.
43. De eventuele praktische noodzaak om bepaalde categorieën beschikkingen snel te betekenen is mijns inziens niet in strijd met het vereiste dat beschikkingen geauthentiseerd worden vóór de betekening. De uitwerking van een adequate procedure voor de oplossing van dit probleem zal het voorstellingsvermogen van de Commissie wel niet te boven gaan. Bovendien is in het onderhavige geval een tijdsverloop van bijna tweeënhalve maand tussen het vaststellen van de bestreden beschikkingen en de betekening niet bepaald een bewijs van grote urgentie.
44. Ik ben evenmin onder de indruk van de klachten over tegenstrijdigheden in de bestreden arresten, omdat volgens de Commissie het Gerecht de betwiste authentisatie" wel aanvaardde als bewijs dat punt 63 van beschikking 91/299 door het college van Commissieleden was vastgesteld, maar niet als bewijs voor het feit dat de volledige teksten waren geauthentiseerd. Zij berusten op een verkeerde lezing van het oordeel van het Gerecht in punt 47 van het arrest in zaak T-32/91 (cursivering van mij):
Deze verklaring wordt bevestigd door de nadien op de tekst van de beschikking aangebrachte authentisatieformule, volgens welke ,de in de bijlage opgenomen paragraaf 63 door de Commissie is vastgesteld tijdens haar 1040e vergadering (...). Ofschoon deze authentisatie niet overeenkomstig het reglement van orde van de Commissie is geschied (...) moet zij volgens het Gerecht worden aanvaard als bewijs, dat het college paragraaf 63 inderdaad heeft vastgesteld."
45. Uit de gecursiveerde passage volgt duidelijk, dat er geen tegenstrijdigheid bestaat tussen de beperkte conclusie, dat de door de Commissie aangenomen tekst de paragraaf bevatte die ontbrak in de later betekende tekst van de beschikking, en de meer algemene conclusie, dat destijds niet de volledige tekst was geauthentiseerd.
46. De klacht van de Commissie, dat het Gerecht een verzoekster heeft toegestaan een nieuw middel aan te voeren, terwijl haarzelf werd verboden ex post facto haar interne procedure te completeren", haalt twee volstrekt verschillende zaken door elkaar, te weten de waardering van bewijs en de ontvankelijkheid van een nieuw middel. Deze twee zijn daarom niet vergelijkbaar, aangezien krachtens artikel 48 van het Reglement voor de procesvoering het Gerecht onder bepaalde omstandigheden nieuwe middelen mag aanvaarden, terwijl artikel 12 van het Reglement van orde van de Commissie duidelijk authentisatie vóór de betekening voorschrijft.
47. Hieruit volgt mijns inziens, dat het Gerecht terecht besliste dat de Commissie gehouden was de bestreden beschikkingen voor hun betekening te authentiseren en dat aan dat vereiste in de onderhavige zaken niet was voldaan.
c) De ontvankelijkheid van het middel inzake authentisatie
48. Indien het Hof zich kan verenigen met mijn analyse van de authentisatiekwestie, zou dat volstaan om de hogere voorziening te verwerpen; dat het Gerecht ambtshalve schendingen van een wezenlijk vormvoorschrift" aan de orde mag stellen, wordt duidelijk bevestigd door de door het Gerecht aangehaalde rechtspraak, met name door de arresten Frankrijk/Hoge Autoriteit, Italië/Hoge Autoriteit en Nold/Hoge Autoriteit, die ik hierboven in verband met de definitie van dit begrip heb besproken. Voor het geval dat het Hof evenwel mijn standpunt over dit beslissende punt niet mocht volgen, zal ik nog ingaan op de vraag, of het Gerecht de kwestie van de authentisatie terecht ontvankelijk heeft verklaard dan wel ambtshalve aan de orde heeft gesteld. De Commissie gaf ter terechtzitting te kennen, dat zij juist over dit laatste een reactie van het Hof verwachtte en dat dat ook de reden was geweest om de onderhavige hogere voorziening in te stellen.
49. In het eerste onderdeel van haar middel inzake de ontvankelijkheid van de authentisatieklacht stelt de Commissie, dat het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te beslissen dat de verklaringen van haar vertegenwoordigers tijdens en na de PVC-zaak een nieuw feit konden opleveren in de zin van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering. De Commissie stelt uitdrukkelijk, dat de opvatting dat de authentisatie geen zelfstandig wezenlijk vormvoorschrift is, een fundamenteel onderdeel van haar betoog vormde. Indien het Hof mocht beslissen dat de verplichting van de Commissie om de beschikking te authentiseren een wezenlijk vormvereiste is, dan zouden partijen, zoals de gemachtigde van de Commissie eerlijk heeft toegegeven op een desbetreffende vraag ter terechtzitting, overeenkomstig artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wel beschikbaar en betrouwbaar bewijsmateriaal mogen aanvoeren, dat een dergelijke authentisatie niet had plaatsgehad.
50. De Commissie betoogt echter, dat haar verklaringen betreffende de algemene praktijk om haar handelingen niet te authentiseren, onvoldoende specifiek waren om als feit" te kunnen worden gekwalificeerd. Zij beroept zich voor dit standpunt op de polypropyleenzaken waarin het Gerecht op soortgelijke verklaringen gebaseerde middelen had verworpen. Anders dan in de onderhavige zaken was het nieuwe middel in de PVC-zaak gebaseerd op een argument dat door sommige verzoeksters al in hun verzoekschrift was aangevoerd.
51. ICI wijst erop, dat de Commissie de juistheid van de tijdens en na de PVC-zaak gemaakte verklaringen van haar vertegenwoordigers niet betwist. Beide verweersters betogen, dat de verklaringen van de Commissie van essentiële betekenis waren voor de procedure voor het Gerecht, als feitelijk element voor een nieuw middel. In zijn arresten in de polypropyleenzaken heeft het Gerecht niet beslist dat de verklaringen geen nieuw feit vormden, terwijl het Hof in punt 60 van het PVC-arrest bevestigde, dat een dergelijk in de loop van de procedure voorgesteld middel ontvankelijk is aangezien het is gebaseerd op feitelijke elementen die in de loop van de procedure aan het licht zijn gekomen". Solvay wijst erop, dat het Gerecht de verzoeken om heropening van de mondelinge procedure in die zaken heeft afgewezen; voor dergelijke verzoeken gelden striktere ontvankelijkheidseisen dan voor een nieuw middel dat in de loop van de procedure wordt ingediend.
52. De klacht van de Commissie betreffende de niet-specifieke aard van haar verklaringen in de PVC-zaak is gebaseerd op haar voornaamste argument, dat het verzuim van authentisatie geen schending oplevert van een wezenlijk vormvoorschrift wanneer er geen bewijs is voor enig verschil tussen de vastgestelde en de aan partijen betekende tekst. Zo gezien kan ik ermee instemmen, dat een algemeen gestelde erkenning van een verzuim van authentisatie onvoldoende bewijs is van een dergelijk verschil. Uitgaande evenwel van mijn tegenovergestelde hypothese, dat bewijs van een verschil niet is vereist, heeft een verklaring als de onderhavige heel andere consequenties en kan zij in dat geval een feitelijk gegeven vormen in de zin van artikel 48, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
53. In het tweede onderdeel van haar middel inzake de ontvankelijkheid van de authentisatie betoogt de Commissie, dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting door te beslissen dat er geen tijdslimiet bestaat voor de indiening van een nieuw middel in de zin van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering. Volgens haar schendt een dergelijke uitlegging het beginsel van de rechtszekerheid, dat tot uitdrukking komt in de strikte termijnen voor de instelling van een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 173 EG-Verdrag en voor de herziening van een arrest krachtens artikel 125 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. De Commissie erkent dat artikel 48, lid 2, geen uiterste termijn voorschrijft, omdat het passende moment voor de indiening van een nieuw middel in de loop van de procedure kan afhangen van talloze omstandigheden; niettemin behoort haars inziens elk nieuw middel onverwijld te worden ingediend en hadden verzoeksters het middel enige maanden eerder kunnen indienen dan zij feitelijk hebben gedaan.
54. Ik vind de poging van de Commissie om een uiterste termijn te lezen in artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht niet overtuigend. De tekst voorziet daarin niet, om de eenvoudige reden dat de mondelinge behandeling een natuurlijke limiet stelt waarna partijen zich niet meer op artikel 48, lid 2, kunnen beroepen. Bovendien lijkt mij het beroep van de Commissie op artikel 173 EG-Verdrag misplaatst; de termijn van twee maanden betreft stellig de handelingen die met een beroep tot nietigverklaring kunnen worden aangevochten, maar bepaalt niets over de middelen die in dit kader kunnen worden aangevoerd. Ik zou hieraan willen toevoegen, dat de beslissing van het Gerecht om in een bepaald geval een nieuw middel" toe te laten, tot zijn discretionaire bevoegdheid behoort en niet tot die van het Hof. De uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid kan in hogere voorziening slechts worden getoetst voor zover de rekwirant een rechtsfout kan aantonen. De procesautonomie van de rechter die de zaak in eerste aanleg behandelt, vereist dat hij een uitgebreide discretionaire bevoegdheid bezit om zowel rechtsvragen toe te laten als feiten te onderzoeken.
55. Het derde onderdeel van het eerste middel klaagt dat het Gerecht, waar het de Commissie heeft gelast de tekst van de betrokken beschikking zoals die destijds was geauthentiseerd over te leggen, het gemeenschapsrecht heeft geschonden, aangezien dat bevel blijk geeft van een onjuiste opvatting van processuele regels en van die betreffende de bewijslevering; tevens heeft het Gerecht een motiveringsfout gemaakt door niet toe te lichten waarom het had besloten de Commissie te gelasten die tekst over te leggen.
56. Volgens de Commissie mag het Gerecht niet ambtshalve zoeken naar bewijs voor procedurele fouten; het moet beslissen op grond van door de partijen verschafte gegevens en mag niet, evenmin als de Commissie in mededingingszaken, zomaar naar bewijzen gaan vissen. Ofschoon daartoe geen enkele aanleiding bestond, veronderstelde het Gerecht dat de bestreden beschikking aan een vormgebrek leed en heeft het de Commissie belast met het bewijs van het tegendeel. De beschikking van 25 oktober 1994 vermeldt niet, waarom de Commissie de daarin genoemde documenten moest overleggen. Het Gerecht mocht dit punt ook niet ambtshalve aan de orde stellen, aangezien die mogelijkheid is beperkt tot ontvankelijkheidskwesties, waaronder niet valt het aanvoeren van nieuwe middelen.
57. Zowel Solvay als ICI stellen, dat dit middelonderdeel niet-ontvankelijk is omdat de beschikking van het Gerecht van 25 oktober 1994 geen beschikking is waarvan krachtens artikel 49 van het Protocol van 's Hofs Statuut-EG (hierna: 's Hofs Statuut-EG") hogere voorziening mogelijk is. Bovendien volgt uit artikel 21 van 's Hofs Statuut-EG en uit artikel 66 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat het Gerecht niet enkel mag beslissen op grond van het door de partijen verschafte bewijs, doch over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt om instructiemaatregelen te gelasten.
58. ICI stelt voorts, dat het Gerecht niet is uitgegaan van een vermoeden dat de bestreden beschikkingen procedurele fouten vertoonden, doch slechts uitvoering heeft willen geven aan zijn verplichting tot onderzoek van het middel betreffende het verzuim van authentisatie. Voor zover artikel 190 EG-Verdrag (thans artikel 253 EG) voor het Gerecht verbindend was, was de beschikking van 25 oktober 1994 voldoende gemotiveerd, en de daarin aangehaalde rechtspraak staaft ruimschoots de onbetwistbare stelling, dat de communautaire rechter schendingen van wezenlijke vormvoorschriften ambtshalve kan onderzoeken.
59. Voor zover de Commissie de geldigheid van de beschikking van het Gerecht van 25 oktober 1994 lijkt te bestrijden wegens ontoereikende motivering ben ik het met verweersters eens, dat dit onderdeel van het eerste middel niet-ontvankelijk is. De Commissie kan mijns inziens echter wel aanvoeren, dat de in de beschikking vervatte instructiemaatregel om een van de in artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG vermelde gronden onjuist was. Naar niet is betwist, waren de bestreden arresten gebaseerd op inlichtingen die als gevolg van die beschikking zijn verkregen, zodat iedere fout in het bevel van het Gerecht om die inlichtingen over te leggen, zou doorwerken op de geldigheid van de arresten zelf. De Commissie betwist in feite de bevoegdheid van het Gerecht om rekening te houden met het verzuim van authentisatie van de bestreden beschikkingen voordat de beroepen tot nietigverklaring bij het Gerecht waren ingesteld, en zij heeft daarom mijns inziens het recht om de gronden waarop het Gerecht dit middel aanvaardde, ter discussie te stellen. Deze analyse wordt impliciet bevestigd door de beschikking van het Hof in de zaak Commissie/ADT Projekt, waarin het Hof een hogere voorziening van de Commissie tegen een beschikking van het Gerecht waarbij de overlegging werd gelast van bepaalde stukken die volgens de Commissie onder het ambtsgeheim van artikel 287 EG vielen, als kennelijk niet-ontvankelijk, want buiten het toepassingsgebied van artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG vallend, heeft afgewezen.
60. De voornaamste vraag bij het onderzoek van dit onderdeel van het eerste middel is de bevoegdheid van het Gerecht om een nieuw middel te onderzoeken, en niet zozeer de toepassing van bewijsregels. Het is duidelijk, met name uit de tekst van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat het Gerecht bevoegd is nieuwe middelen te onderzoeken wanneer deze door een van de partijen in overeenstemming met dat artikel worden ingediend. De Commissie is er niet in geslaagd enige rechtsregel aan te wijzen op grond waarvan het Gerecht een dergelijk nieuw middel niet ambtshalve in behandeling mocht nemen.
61. Voorts is het recht van een interveniënt om een nieuw middel in te dienen in een beroep tot nietigverklaring reeds lang in de rechtspraak van het Hof erkend; zo heeft het Hof in het arrest De Gezamenlijke Steenkolenmijnen/Hoge Autoriteit geoordeeld: Het instituut van interventie zou iedere betekenis verliezen, indien het de interveniënt verboden was enig argument voor te dragen hetwelk niet door de ondersteunde partij zou zijn gebezigd." Wanneer een interveniënt, die noodzakelijkerwijs zijn eigen belangen nastreeft, zulke argumenten mag inroepen, dan moet het Gerecht mijns inziens bevoegd zijn om een dergelijk tardief middel in behandeling te nemen. In elk geval is artikel 48 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, zoals het Hof in het arrest Parlement/Gutiérrez de Quijano y Lloréns besliste, een bepaling die geldt ten aanzien van de partijen, en niet van het Gerecht".
62. De Commissie heeft getracht de conclusies inzake de bevoegdheid van de communautaire rechter om nieuwe middelen ambtshalve aan de orde te stellen, die door het Gerecht zijn afgeleid uit enige in de beschikking van 25 oktober 1994 aangehaalde arresten van het Hof, te ontkrachten. Zij meent, dat het arrest Nold niet relevant is, omdat het betrokken vormvoorschrift de motiveringsverplichting betrof en de niet-naleving daarvan zelfs zonder instructiemaatregelen al duidelijk was bij simpele lezing van het stuk; bovendien helpt de inachtneming van dit voorschrift de rechter bij de vervulling van zijn taak. In de zaken Frankrijk/Hoge Autoriteit, Italië/Hoge Autoriteit en in de zaken van het Sociaal Fonds was het procedureel gebrek eveneens duidelijk. Volgens de Commissie volgt uit het arrest Amylum/Raad, dat de bevoegdheid van de rechter om middelen ambtshalve te behandelen beperkt is tot ontvankelijkheidskwesties.
63. Ik vind de door de Commissie van de rechtspraak gemaakte analyse niet overtuigend. In de arresten Frankrijk/Hoge Autoriteit en Italië/Hoge Autoriteit was de beslissing van het Hof om de pretense schending van de consultatieverplichting ambtshalve te onderzoeken, enkel gebaseerd op de grond dat deze raadpleging een wezenlijk vormvoorschrift vormde; dat het gebrek evident was, speelde geen rol. In laatstgenoemde zaak gelastte het Hof de Hoge Autoriteit om binnen 24 uur de notulen en de documenten met betrekking tot de raadpleging van het Raadgevend Comité over te leggen. In het arrest Nold oordeelde het Hof, dat het middel inzake het motiveringsgebrek niet-ontvankelijk was, maar voegde daaraan toe dat de motiveringsplicht welke volgens artikel 15 van het Verdrag EGKS op de Hoge Autoriteit rust, niet slechts dient voor de bescherming der aan de rechtsmacht van het Hof onderworpen personen, doch bovendien ten doel heeft, mogelijk te maken dat het Hof zijn door het Verdrag opgelegde taak, de beschikkingen te toetsen, volledig kan vervullen. Dientengevolge moet het Hof ambtshalve ingaan op een eventueel gebrek in de motivering dat deze toetsing zou bemoeilijken." In die zaak achtte het Hof zich niet alleen bevoegd, maar ook verplicht het motiveringsgebrek ambtshalve te behandelen omdat dit punt de uitoefening van zijn rechtsprekende taak betrof. De Commissie heeft in de onderhavige procedure uitdrukkelijk erkend, dat authentisatie nuttig is in geval van betwisting", en het zou dus inconsequent zijn te ontkennen dat het Hof een schending van die verplichting ambtshalve kan behandelen.
64. In het arrest Amylum/Raad had verzoekster in repliek erover geklaagd, dat de Raad niet bevoegd was de bestreden verordening vast te stellen. Ofschoon dit middel tardief was voorgesteld, oordeelde het Hof niettemin: Omdat in het middel evenwel de bevoegdheid van de auteur der bestreden handeling in geding is, meent het Hof zich te moeten uitspreken over de redenen waarom de Raad bevoegd was" om deze maatregel vast te stellen. Ik kan niet zien hoe dit oordeel aldus kan worden uitgelegd, dat het de bevoegdheid van het Hof om ambtshalve punten aan de orde te stellen beperkt tot vragen van ontvankelijkheid, zoals de Commissie beweert. De in de zaak Amylum/Raad door het Hof ambtshalve aan de orde gestelde kwestie betrof niet de ontvankelijkheid van de handeling, en de kwesties die in de bovenaangehaalde rechtspraak over wezenlijke vormvoorschriften ter sprake kwamen, hadden evenmin alleen maar op de ontvankelijkheid betrekking.
65. Mijns inziens zijn deze arresten een bewijs voor de bevoegdheid van het Gerecht om ambtshalve nieuwe punten aan de orde te stellen, althans wanneer deze, indien gegrond, gevolgen hebben voor de geldigheid van de handeling in haar geheel. Het is veelbetekenend, dat het Hof in het arrest Frankrijk/Hoge Autoriteit de schending van een wezenlijke vormvoorschrift onderzocht hoewel het de bestreden bepaling reeds op andere gronden had vernietigd. Anderzijds tonen deze zaken, anders dan de Commissie wil, niet aan, dat het Gerecht nieuwe rechtsmiddelen slechts mag onderzoeken wanneer het verzuim van de instelling evident is; zo was in de zaken Frankrijk/Hoge Autoriteit, Italië/Hoge Autoriteit en Amylum/Raad de pretense schending niet alleen niet duidelijk, maar in feite zelfs niet aangetoond. Aangezien instructiemaatregelen erop zijn gericht het bestaan van een feit waarop een middel kan worden gegrond, te bewijzen of te weerleggen, en niet zozeer het bestaan van een eventueel middel, is de omstandigheid dat het Hof dergelijke maatregelen in de zaak Nold niet hoefde te treffen, mijns inziens niet relevant voor de vraag of het Gerecht bevoegd is een nieuw middel te onderzoeken. Bovendien zou, zoals Solvay heeft beklemtoond, het argument van de Commissie leiden tot de duidelijk onhoudbare situatie, dat de bevoegdheid van het Gerecht om een nieuw middel aan de orde te stellen ervan zou afhangen hoe zorgvuldig een instelling de schending van haar gemeenschapsrechtelijke verplichtingen heeft weten te verbergen.
66. Wanneer het Gerecht nieuwe middelen gebaseerd op nieuwe feitelijke of juridische omstandigheden mag onderzoeken, dan moet het ook in staat zijn om bewijs te onderzoeken dat deze middelen ondersteunt of weerlegt. Dit wordt bevestigd zowel door 's Hofs Statuut-EG als door het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Zo is de bevoegdheid van de communautaire rechter krachtens artikel 21, lid 1, van 's Hofs Statuut-EG om partijen [te] verzoeken alle stukken over te leggen en alle inlichtingen te verstrekken, welke het wenselijk acht", niet beperkt tot documenten en inlichtingen die de reeds door de partijen in hun oorspronkelijk verzoekschrift of in hun verweerschrift - aangevoerde middelen - alleen maar ondersteunen. Evenzo is de bevoegdheid van het Gerecht krachtens artikel 66 van zijn Reglement voor de procesvoering om de maatregelen die nodig worden geacht" te bepalen, niet beperkt tot maatregelen die bewijs opleveren van de middelen van de partijen. Het arrest Italië/Hoge Autoriteit bevestigt eveneens het standpunt, dat het Gerecht ambtshalve een onderzoek kan instellen naar vermoedelijke schendingen van een wezenlijke vormvoorschrift en daartoe zonodig instructiemaatregelen kan gelasten.
67. In de toelichting bij dit onderdeel lijkt de Commissie uit te gaan van een onjuiste vergelijking tussen haar eigen rol in mededingingszaken en de rechtsprekende taak van het Gerecht. De Commissie treedt op dit gebied in feite op als onderzoekende en als administratieve autoriteit die bevoegd is om inbreuken van ondernemingen op de artikelen 81 EG en 82 EG vast te stellen, en het is dus alleen maar normaal dat haar bevoegdheden worden omringd door regels en procedures die ertoe strekken de rechten van de verdediging te waarborgen, met inbegrip van het verbod van wat de Commissie visacties" noemt. De taak van het Gerecht is een heel andere, zoals blijkt uit 's Hofs Statuut-EG en zijn Reglement voor de procesvoering, en gezien de bepalingen van die twee regelingen is het, anders dan de Commissie stelt, niet verplicht zijn arresten uitsluitend te baseren op het door partijen geleverde bewijs of op de middelen welke zij hebben ingediend.
68. Ik zou hieraan willen toevoegen, dat onder deze omstandigheden de kwalificatie visactie" die de Commissie aan de procedurele maatregelen van het Gerecht heeft gegeven, nogal goedkoop is. Toen het Gerecht de overlegging van de geauthentiseerde tekst van de bestreden beschikkingen gelastte, bestond algemeen al het vermoeden dat de Commissie geen enkele beschikking waarin schendingen van de communautaire mededingingsvoorschriften waren geconstateerd, met inbegrip van de beschikkingen die in het bestreden arrest aan de orde zijn, had geauthentiseerd, en dit vermoeden was, ten aanzien van de PVC-beschikkingen, bevestigd door het Hof in zijn PVC-arrest. Anders dan bij een mijns inziens ietwat kleinerende uitdrukking visactie" had het Gerecht een zeer nauwkeurig idee van de documenten die het wilde verkrijgen en van het doel waarvoor zij nodig waren. Het vermoeden van geldigheid van handelingen van de instellingen kan niet in de weg staan aan een bindende uitspraak van het bevoegde gerecht dat een handeling is totstandgekomen onder schending van wezenlijke vormvoorschriften, en evenmin aan instructiemaatregelen die de relevante feiten aan het licht zouden kunnen brengen. In de onderhavige zaak had alleen de Commissie toegang tot documenten aan de hand waarvan kon worden vastgesteld of de bestreden beschikkingen al dan niet waren geauthentiseerd overeenkomstig haar Reglement van orde, en de handelwijze van het Gerecht kan om deze reden niet ter discussie worden gesteld.
d) De relevantie van de polypropyleenarresten
69. De behandeling van de onderhavige hogere voorziening is enige tijd geschorst geweest in afwachting van de arresten op de hogere voorzieningen in de polypropyleenzaken, waarin de authentisatie van de tot 1992 door de Commissie vastgestelde beschikkingen eveneens aan de orde was. Het Hof merkte op, dat maatregelen tot organisatie van de procesgang tot doel [hebben], het goede verloop van de schriftelijke en mondelinge behandeling te verzekeren en de bewijsvoering te vergemakkelijken, alsmede de punten te bepalen ten aanzien waarvan partijen hun vertogen moeten aanvullen of die instructie behoeven" en dat deze (...) verbonden [zijn] met de verschillende fases van de procedure voor het Gerecht". Na de sluiting van het mondelinge gedeelte van de procedure kunnen dergelijke maatregelen slechts worden verzocht wanneer het Gerecht besluit dat gedeelte te heropenen. Evenzo is het Gerecht slechts verplicht om gevolg te geven aan een in dit stadium van de procedure gedaan verzoek om instructiemaatregelen indien de betrokkene zich baseert op feiten die van beslissende invloed kunnen zijn en die hij voor de sluiting van de mondelinge behandeling niet heeft kunnen aanvoeren". Er de nadruk op leggend dat het Gerecht in dit opzicht over een discretionaire bevoegdheid beschikt, oordeelde het Hof conform vaste rechtspraak, dat het Gerecht niet verplicht is gevolg te geven aan een verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling indien aan die twee voorwaarden niet is voldaan.
70. In dat procedurele kader heeft het Hof geoordeeld dat
algemene, uit een arrest in andere zaken of uit verklaringen naar aanleiding van andere procedures voortvloeiende aanwijzingen over een vermeende handelwijze van de Commissie (...) als zodanig niet als beslissend voor de beslechting van het geschil voor het Gerecht konden worden aangemerkt."
71. Een beslissing van het Hof in de onderhavige zaak, dat het Gerecht de authentisatie van de bestreden beschikkingen mocht onderzoeken, zou op het eerste gezicht in tegenspraak kunnen lijken met zijn rechtspraak in de polypropyleenzaken. Dezelfde verklaringen die in de polypropyleenzaken niet beslissend" werden geacht, zouden hier wel in aanmerking worden genomen en in de natriumcarbonaatzaken zelfs beslissend" zijn .
72. Ik ben echter van mening dat dit niet het geval is. Het voornaamste verschil tussen de twee groepen procedures is, dat in de polypropyleenzaken het nieuwe middel door de partijen werd ingediend nadat de mondelinge behandeling was gesloten, terwijl in casu de kwestie van de authentisatie van de bestreden beschikkingen zowel door verzoeksters in de loop van de schriftelijke procedure als ambtshalve door het Gerecht aan de orde werd gesteld. Bovendien hebben verzoeksters in de polypropyleenzaken zich beroepen op een verplichting van het Gerecht om maatregelen tot organisatie van de procesgang te bevelen, instructiemaatregelen te bevelen en/of de mondelinge procedure te heropenen, terwijl in de onderhavige procedures de Commissie tracht te verhinderen dat het Gerecht zijn discretionaire bevoegdheid om een nieuw rechtsmiddel te onderzoeken, uitoefent.
73. De verklaring voor het onbetwistbare verschil in behandeling van de twee groepen verzoeksters voor het Gerecht is mijns inziens te vinden in de bepalingen van 's Hofs Statuut-EG en in het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht betreffende de organisatie van de procesgang. Vanaf het begin van de procedure en tot de mondelinge behandeling staat het partijen tot op zekere hoogte vrij om in hun verzoek- of verweerschrift, in repliek of dupliek de aandacht van het Gerecht te vestigen op iedere kwestie die zij relevant achten, door middel van een - op goede gronden - verlaat gedaan nader bewijsaanbod, door een nieuw middel gebaseerd op juridische of feitelijke omstandigheden waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken, door een verzoek om een maatregel tot organisatie van de procesgang of een maatregel van instructie, en bij de mondelinge behandeling. Zodra de mondelinge behandeling is gesloten, bestaat die vrijheid daarentegen niet meer; de zaak ligt dan geheel in handen van het Gerecht zelf, en afgezien van de nogal vergezochte mogelijkheid dat een partij de aandacht van de rechter zou vestigen op een absoluut procesbeletsel, bevinden partijen zich ten aanzien van de procedurele stappen die zij nog kunnen nemen, feitelijk in dezelfde situatie alsof al arrest is gewezen.
74. Nadat arrest is gewezen, kan een partij conform artikel 41 van 's Hofs Statuut-EG slechts herziening vragen op grond van de ontdekking van een feit dat een beslissende invloed zou kunnen uitoefenen en dat, voordat het vonnis werd uitgesproken, onbekend was aan het Hof en aan de partij, die de herziening vraagt". In zijn rechtspraak heeft het Hof deze bepaling naar analogie toegepast zowel op verzoeken om instructiemaatregelen ingediend na afloop van de mondelinge behandeling, als op verzoeken tot heropening van de mondelinge behandeling. Dit doet in geen van beide gevallen afbreuk aan de discretionaire bevoegdheid van het Gerecht; wel volgt hieruit, dat de mondelinge behandeling de eindtermijn is waarna het Gerecht niet meer verplicht is aan een verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling te voldoen, behoudens wanneer aan de strikte voorwaarden van artikel 41 van 's Hofs Statuut-EG is voldaan.
75. Ik geloof niet, dat het Gerecht in de bestreden arresten door het aanvaarden van een nieuw middel of door het ambtshalve aan de orde stellen daarvan, een beslissende betekenis" heeft toegekend aan algemene verklaringen die het Hof in de polypropyleenzaken als niet beslissend heeft beschouwd voor de vraag of het Gerecht de mondelinge behandeling had moeten heropenen. In de eerste plaats heeft het Gerecht met overlegging van de bestreden beschikkingen te gelasten geen oordeel uitgesproken over de vraag of dergelijke verklaringen van beslissende aard waren of hadden kunnen zijn; goed beschouwd kon het Gerecht, toen het in die zaken arrest moest wijzen, zich baseren op de conclusies van het Hof in het PVC-arrest. Voorts had het Gerecht op dat moment de documenten met betrekking tot de bestreden beschikkingen, die door de Commissie waren overgelegd, kunnen bestuderen en als vaststaand kunnen beschouwen, dat deze eerst geauthentiseerd waren na de indiening van de oorspronkelijke verzoekschriften. Het Gerecht baseerde zich derhalve niet op algemene verklaringen", maar op schriftelijk bewijs met betrekking tot specifiek de bestreden beschikkingen, hetgeen nu juist in de polypropyleenzaken niet mogelijk was. Het is in dit verband veelbetekenend dat het Hof heeft geoordeeld, dat algemene (...) verklaringen (...) als zodanig niet als beslissend voor de beslechting van het geschil voor het Gerecht konden worden aangemerkt".
76. Een laatste verschil tussen de onderhavige zaken en de polypropyleenzaken is, dat in laatstgenoemde zaken het Hof heeft geoordeeld dat verzoekster (...) reeds in haar verzoekschrift het Gerecht ten minste een minimumaantal gegevens had kunnen verstrekken die aannemelijk maakten, dat maatregelen tot organisatie van de procesgang of instructiemaatregelen voor de procedure van nut waren met het oog op het bewijs, dat de polypropyleenbeschikking in strijd met de geldende taalregeling was gegeven of na haar vaststelling door het college van commissarissen was gewijzigd, of ook dat de originelen ontbraken". In de onderhavige zaken heeft het Gerecht als vaststaand aanvaard, dat uit de tekst van de beschikking (...) immers zelfs bij nauwlettende lezing niet [bleek], dat het origineel van de beschikking destijds niet was geauthentiseerd". Aangezien dit de waardering van het Gerecht vormt van het aan hem voorgelegde bewijs, levert dit geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in geval van een verkeerde opvatting van dit bewijs".
77. Ik wil graag toegeven dat de behandeling van verzoeksters in de polypropyleenzaken vergeleken bij die van verzoeksters in deze zaken nogal cru voorkomt, niettemin bevinden de eersten zich in dezelfde situatie als honderden andere ondernemingen die gedurende een kwarteeuw tot eind 1991 beboet zijn wegens schending van de mededingingsvoorschriften en zich ook niet hebben kunnen beroepen op de verklaring dat de Commissie haar beschikkingen in die periode niet had geauthentiseerd; hetzelfde geldt voor de verzoekers die tegen dezelfde beschikking van de Commissie betreffende de polypropyleenmarkt zijn opgekomen in zaken die vóór de terechtzitting in de PVC-zaak reeds waren beslist.
IV - Conclusie
78. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
- de hogere voorzieningen in de zaken Commissie/ICI (C-286/95 P) en Commissie/Solvay (C-287/95 P en C-288/95 P) tegen de arresten van het Gerecht van eerste aanleg van 29 juni 1995, Solvay/Commissie (T-31/91), Solvay/Commissie (T-32/91) en ICI/Commissie (T-37/91) als ongegrond af te wijzen, en
- de Commissie in de kosten van de drie hogere voorzieningen te verwijzen.
Full & Egal Universal Law Academy