Conclusie van de advocaat generaal
1 Dit verzoek om een prejudiciële beslissing, dat de Circuit Court, County of Dublin, krachtens artikel 3 van het protocol van 3 juni 1971(1) heeft ingediend, biedt het Hof de gelegenheid om zich opnieuw uit te spreken over de betekenis van een van de begrippen gebezigd in het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(2), zoals gewijzigd bij het Toetredingsverdrag van 1978(3) (hierna: "Executieverdrag").
2 Het gaat om de uitlegging van het begrip "tot onderhoud gerechtigde" in artikel 5, sub 2, Executieverdrag, dat tot op heden door het Hof nog niet is gedefinieerd. Aan de hand van dit begrip kan worden vastgesteld, wie een beroep op de bijzondere bevoegdheid voorzien in artikel 5, sub 2, kan doen, en het dient dus ter bepaling van de gevallen waarin forumkeuze mogelijk is. Met het oog hierop wordt het Hof in hoofdzaak gevraagd, of het begrip "tot onderhoud gerechtigde" aldus moet worden uitgelegd, dat het doelt op eenieder die onderhoud vordert of enkel op degene die bij een eerdere rechterlijke beslissing als onderhoudsgerechtigde is erkend.
I - De bijzondere bevoegdheden voorzien in het Executieverdrag van 27 september 1968
3 De bepalingen van het Executieverdrag die aan de prejudiciële vraag ten grondslag liggen, zijn opgenomen in titel II van dit verdrag, die het opschrift "Bevoegdheid" draagt.
4 De basisregel inzake bevoegdheid die het Executieverdrag bevat, is opgenomen in artikel 2, eerste alinea, dat luidt als volgt:
"Onverminderd de bepalingen van dit Verdrag worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die Staat."
5 Artikel 5 Executieverdrag bevat op bepaalde bijzondere gebieden bevoegdheidsregels die afwijken van het beginsel dat de gerechten van de staat op het grondgebied waarvan de verweerder woonplaats heeft, bevoegd zijn. Het bevat onder meer de volgende bepaling:
"De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, kan in een andere Verdragsluitende Staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:
(...)
2. ten aanzien van onderhoudsverplichtingen: voor het gerecht van de plaats, waar de tot onderhoud gerechtigde zijn woonplaats of zijn gewone verblijfplaats heeft of, indien het een bijkomende eis is welke verbonden is met een vordering betreffende de staat van personen, voor het gerecht dat volgens zijn eigen wet bevoegd is daarvan kennis te nemen, behalve in het geval dat deze bevoegdheid uitsluitend berust op de nationaliteit van een der partijen".(4)
6 De tot onderhoud gerechtigde beschikt dus, wat de bevoegde rechter betreft, over een keuzemogelijkheid, waardoor hij zijn vordering kan indienen hetzij bij de gerechten van de plaats waar de verweerder woonplaats heeft, hetzij bij de gerechten van de plaats waar hij zelf zijn woon- of verblijfplaats heeft.
II - De feiten en het procesverloop
7 Blijkens de prejudiciële verwijzing in deze zaak is verzoekster, Farrell, een ongehuwde vrouw van achtentwintig jaar die in Dalkey (Ierland) woont, moeder van een op 3 juli 1988 geboren kind. Farrell stelt dat verweerder, Long, die gehuwd is en zijn gewone verblijfplaats te Brugge (België) heeft, waar hij eveneens werkzaam is, de vader van het kind is.
8 Verzoekster diende bij de District Court een vordering in, teneinde alimentatie van Long te verkrijgen. Verweerder bestreed deze vordering, op grond dat hij niet de vader van het kind zou zijn.
9 Op 11 februari 1994 wees de District Court de vordering wegens onbevoegdheid af. In hoger beroep voor de Circuit Court, County of Dublin, betoogde Farrell, dat de Ierse rechterlijke instanties bevoegd waren op grond van artikel 5, sub 2, Executieverdrag. Long stelde, dat het begrip "tot onderhoud gerechtigde" uitsluitend doelt op de persoon die reeds een alimentatievonnis heeft verkregen en niet op de persoon die, gelijk verzoekster, een dergelijk vonnis vraagt.
10 In het kader van dit hoger beroep heeft de Circuit Court, County of Dublin, het Hof de volgende vraag voorgelegd:
"Moeten de bepalingen van artikel 5, sub 2, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, aldus worden uitgelegd, dat een in Ierland woonachtige verzoeker voor de Ierse rechterlijke instanties pas een alimentatieprocedure kan inleiden tegen een in België woonachtige verweerder, nadat hij eerst een vonnis heeft verkregen waarin die verweerder wordt veroordeeld tot betaling van alimentatie ($order for maintenance')?"
11 In zijn opmerkingen(5) stelt verweerder, dat de onderhoudsvordering een accessoir karakter heeft ten opzichte van de vraag van het vaderschap, en dat verzoekster zich daarom niet op het eerste zinsdeel van artikel 5, sub 2, kan beroepen. Alleen het tweede zinsdeel van artikel 5, sub 2, zou daarom de toepasselijke bepaling zijn.
12 Daar de relevantie van de prejudiciële vraag dus wordt betwist, moet eerst dit punt worden onderzocht en kan pas daarna het omstreden begrip worden besproken.
III - De toepasselijkheid van de bepalingen van artikel 5, sub 2
13 Zowel uit de prejudiciële vraag als uit de bewoordingen van de verwijzingsbeschikking(6) blijkt, dat het in de vraag van de nationale rechter gaat om het eerste deel van artikel 5, sub 2, dat betrekking heeft op procedures betreffende de betaling van alimentatie, en niet op het tweede deel van deze bepaling, dat enkel betrekking heeft op bijkomende eisen op het gebied van de onderhoudsverplichting, welke verbonden zijn met vorderingen betreffende de staat van personen.
14 De nationale rechter acht de gestelde vraag dus noodzakelijk voor de beslechting van het geding.
15 Volgens vaste rechtspraak van het Hof zijn "de overwegingen welke de nationale rechter tot het stellen van zijn vragen hebben kunnen leiden, evenals het gewicht hetwelk deze daaraan voor de beslissing van het hangende geschil wenst toe te kennen, aan een beoordeling van het Hof onttrokken".(7)
16 Meer in het bijzonder heeft het Hof geoordeeld dat, "wanneer een nationale rechterlijke instantie om uitlegging van een gemeenschapsvoorschrift vraagt, moet worden aangenomen dat zij deze interpretatie voor de berechting van het geding nodig acht" en dat "het Hof van de nationale rechter derhalve geen uitdrukkelijke verklaring mag verlangen in die zin, dat hij de tekst welks uitlegging hem geboden voorkomt, van toepassing acht".(8)
17 Ik ben daarom van mening, dat de prejudiciële vraag van de verwijzende rechter moet worden beantwoord, ongeacht de relevantie ervan voor het aanhangige geding, en dat dit antwoord de uitlegging van het begrip "tot onderhoud gerechtigde" verlangt.
IV - Het begrip "tot onderhoud gerechtigde"
18 Volgens de verwijzende rechter is de wettelijke regeling die de bevoegdheid in deze zaak bepaalt, opgenomen in de Jurisdiction of Courts and Enforcement of Judgments (European Communities) Act 1988 (hierna: "wet van 1988"). Deze wet heeft het Executieverdrag in de Ierse rechtsorde ingevoerd.
19 Terwijl de uitdrukking "tot onderhoud gerechtigde" in artikel 5, sub 2, Executieverdrag uitlegging behoeft, lijkt de betekenis ervan in de door de nationale rechter genoemde Ierse wet minder onduidelijk.
20 Om te beginnen bepaalt artikel 1 van de wet van 1988: "onder de term $tot onderhoud gerechtigde' ($maintenance creditor') moet in de context van een beschikking inzake onderhoud ($maintenance order') worden verstaan, de persoon die recht heeft op de in die beschikking vastgestelde betalingen".(9)
21 Voorts verwijst artikel 20 van de District Court [Jurisdiction of Courts and Enforcement of Judgments (European Communities) Act 1988] Rules 1988, dat de procedure voor de indiening van de vordering bij de District Court regelt, naar de vordering ingediend krachtens artikel 5, sub 2, Executieverdrag, "teneinde de wijziging van een $maintenance order' te verkrijgen".
22 Bij de vaststelling van deze discrepantie tussen de tekst van het Executieverdrag en die van de Ierse wet, merkt de verwijzende rechter op dat "het mogelijk is, dat de bewoordingen van de Ierse wet de intenties en het doel van het Executieverdrag niet volledig weergeven".(10)
23 De vraag van de uitlegging van het begrip "tot onderhoud gerechtigde" lijkt daarom doorslaggevend.
24 De zeer vele in het Executieverdrag gebruikte uitdrukkingen kunnen in de ene verdragsluitende staat een andere betekenis hebben dan in de andere. Bij de uitoefening van zijn uitleggende taak heeft het Hof er zich over moeten uitspreken, of deze rechtstermen als autonoom moesten worden opgevat en dus in alle verdragsluitende staten op dezelfde wijze moesten worden uitgelegd, of dat zij de betekenis konden hebben die het nationale recht eraan geeft.
25 Het Hof oordeelde, dat "geen van deze beide alternatieven bij uitsluiting de voorkeur verdient, daar de passende keuze slechts kan worden gedaan voor elke bepaling van het Verdrag afzonderlijk, zij het in dier voege dat de volle werking van dit Verdrag in het zicht van de doelstellingen van artikel 220 EEG-Verdrag is verzekerd".(11)
26 Ik stel voor om in het licht van dit beginsel te onderzoeken, welke betekenis men heeft willen geven aan de woorden "tot onderhoud gerechtigde".
1) Een autonoom begrip
27 Het begrip "tot onderhoud gerechtigde" is door het Hof weliswaar nog niet uitgelegd, maar van andere begrippen ter afbakening van het toepassingsgebied van bepaalde soorten bijzondere bevoegdheden, vastgelegd in artikel 5 Executieverdrag, is een autonome definitie gegeven.
28 Zo heeft het Hof met betrekking tot de uitdrukking "verbintenissen uit overeenkomst", die in artikel 5, sub 1, wordt gebruikt, het volgende gepreciseerd: "Gelet op de doelstellingen en de algemene structuur van het Verdrag en om de gelijkheid en eenvormigheid van de rechten en verplichtingen die voor de verdragsluitende staten en de belanghebbende personen uit het Executieverdrag voortvloeien, zoveel mogelijk te verzekeren, is het van belang dat dat begrip niet wordt gezien als een simpele verwijzing naar het interne recht van deze of gene der betrokken staten."(12)
29 Een ander voorbeeld vormt de zinsnede "geschil betreffende de exploitatie van een filiaal, van een agentschap of enige andere vestiging", waarvoor artikel 5, sub 5, in een bijzondere bevoegdheid voorziet.(13) Dienaangaande heeft het Hof zeer duidelijk verklaard, "dat waar een veelheid van bevoegdheidsgronden ten aanzien van een zelfde geschil niet bevorderlijk is voor de rechtszekerheid en een doeltreffende rechtsbescherming in het gehele gebied van de Gemeenschap, het in overeenstemming is met de doelstelling van het Executieverdrag om een extensieve en veelvormige uitlegging van de uitzonderingen op de algemene bevoegdheidsregel van artikel 2 te vermijden".(14)
30 Ik stel daarom voor, de door deze beslissingen aangegeven weg te volgen en het begrip "tot onderhoud gerechtigde" als een autonoom begrip te beschouwen.
31 Een andere beslissing zou er immers op neerkomen, dat particulieren zich in de ene verdragsluitende staat wel, maar in de andere niet tot de rechter van hun keuze kunnen wenden, afhankelijk van de beslissing van de nationale autoriteiten om hen in een zelfde categorie in te delen of hen juist te onderscheiden op grond van criteria die ook weer van staat tot staat kunnen variëren.
32 In de preambule van het Executieverdrag maken de verdragsluitende staten melding van hun streven, de rechtsbescherming van degenen die binnen de Gemeenschap zijn gevestigd te vergroten en, met het oog daarop, de bevoegdheid van hun gerechten in internationaal verband vast te stellen. De vaststelling van een gemeenschappelijke norm weerspiegelt de wens om een eenvormig kader van bevoegdheidsregels vast te stellen, dat zich mijns inziens niet verdraagt met begrippen van verschillende betekenis.
33 Dit zou niet alleen discriminatoire gevolgen hebben die, gezien de in de preambule vermelde beschermende doelstelling, ongerechtvaardigd zijn, maar zou tevens een complex geheel van bevoegdheidsregels in stand houden, inherent aan de veelheid van nationale wettelijke regelingen, die het Executieverdrag nu juist beoogt te verminderen.
2) De betekenis van het begrip "tot onderhoud gerechtigde"
34 Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van de door het Executieverdrag gebruikte autonome begrippen, met het oog op de toepassing ervan, in de eerste plaats aansluiting worden gezocht bij het stelsel en de doelstellingen van dit Verdrag, teneinde de volle werking hiervan te verzekeren(15), en, in de tweede plaats, bij de algemene beginselen die in alle nationale rechtsstelsels kunnen worden gevonden.(16)
35 Wat de rechtsstelsels van de Lid-Staten betreft, kunnen verschillende categorieën worden onderscheiden.
36 In de wetgeving van de meeste Lid-Staten (Engeland, Oostenrijk, België, Denemarken, Finland, Griekenland, Italië, Nederland en Zweden) wordt geen gebruik gemaakt van het begrip "tot onderhoud gerechtigde" om een nationale bevoegdheidsregel vast te leggen. Het Duitse recht gebruikt evenmin het begrip "tot onderhoud gerechtigde", ofschoon er een bevoegdheidsregel op het gebied van onderhoudsverplichtingen bestaat. Naar Frans recht kan de verzoeker voor onderhoudsvorderingen het gerecht van de woonplaats van de gerechtigde kiezen. De wetgeving bevat echter geen definitie van wat onder gerechtigde moet worden verstaan en de rechtspraak heeft de betekenis van dit begrip niet nader omschreven. Het Spaanse recht gebruikt de uitdrukking "tot onderhoud gerechtigde", maar uit de doctrine noch uit de rechtspraak kunnen conclusies voor de betekenis ervan worden getrokken. Hetzelfde geldt voor de Schotse wetgeving. De Luxemburgse wetgeving daarentegen gebruikt in de regeling betreffende de territoriale bevoegdheid inzake onderhoudsverplichtingen de term gerechtigde en spreekt uitdrukkelijk van "vorderingen tot betaling of herziening van alimentatie". In Ierland bestaat nog steeds twijfel over de vraag, of de wet van 1988 beperkt is tot de tenuitvoerlegging, in Ierland, van in andere Lid-Staten gewezen alimentatievonnissen, of dat de bepalingen ervan nationale of internationale bevoegdheidsregels voor Ierse gerechten vormen op het gebied van de vaststelling of wijziging van een alimentatieverplichting.
37 Het lijkt daarom niet mogelijk, uit de nationale rechtsstelsels een algemeen beginsel af te leiden dat kan worden gebruikt bij de uitlegging van het begrip "tot onderhoud gerechtigde". In de meeste rechtsstelsels wordt het immers niet gebruikt. De betekenis ervan in de andere Lid-Staten is onzeker. Bij de uitlegging van het Executieverdrag moet daarom in de eerste plaats zo veel mogelijk aansluiting worden gezocht bij de doelstellingen en het stelsel van dit verdrag.
38 De betekenis van het begrip "tot onderhoud gerechtigde" kan worden bepaald door achtereenvolgens drie mogelijke betekenissen te onderzoeken, variërend van de engste tot de ruimste betekenis.
39 Volgens de eerste mogelijkheid is de "tot onderhoud gerechtigde" - en dit is ten dele de stelling van verweerder(17) - degene die een vonnis tot betaling van alimentatie heeft verkregen. In dit geval biedt artikel 5, sub 2, personen die in een andere Lid-Staat een rechterlijk vonnis hebben verkregen en die in hun woon- of gewone verblijfplaats een aanvullende beschikking willen verkrijgen, de mogelijkheid om zich tot de rechter van deze plaats te wenden.
40 In de tweede plaats kan het begrip "tot onderhoud gerechtigde" doelen op de persoon wiens recht op alimentatie niet is vastgesteld, doch die, wegens zijn hoedanigheid en met name zijn familieband met degene tegen wie zijn vordering is gericht, op legitieme gronden aanspraak op de betaling van geldbedragen kan maken.
41 Ten slotte kan dit begrip, in de ruimste betekenis, betrekking hebben op eenieder die betaling van alimentatie vordert.
42 De werkingssfeer van artikel 5, sub 2, lijkt bijzonder beperkt, indien men slechts degene die een vonnis tot betaling van alimentatie heeft verkregen, als "tot onderhoudgerechtigde" beschouwt. Dit geldt vooral wanneer men de categorieën van gedingen probeert te bepalen, die de vaststelling van een bijzondere bevoegdheidsregel hebben gerechtvaardigd.
43 Het geval waarin de tot onderhoud gerechtigde bij de rechterlijke instantie van zijn woon- of gewone verblijfplaats een vordering indient, teneinde op zijn grondgebied de erkenning of tenuitvoerlegging van een gerechtelijk vonnis te verkrijgen, kan meteen al buiten beschouwing worden gelaten. Artikel 5 maakt immers deel uit van titel II van het Executieverdrag, die betrekking heeft op de bevoegdheid. Het maakt geen deel uit van titel III, waarin de bevoegdheidsregels voor vorderingen betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen zijn neergelegd en die daarom voor een dergelijke vordering geldt.
44 Vervolgens zijn er twee andere categorieën vorderingen: de vordering tot vaststelling van het bedrag van de onderhoudsverplichting, indien in een eerste vonnis enkel de verplichting zelf is vastgesteld, en de vordering tot wijziging van het oorspronkelijke bedrag van de onderhoudsverplichting.
45 Maar de splitsing van vorderingen betreffende onderhoud in vorderingen die betrekking hebben op de erkenning van de verplichting enerzijds, en die welke betrekking hebben op het bedrag ervan anderzijds, volgt uit geen bepaling van het Executieverdrag. Een dergelijke inrichting van de procedures lijkt voorts niet verenigbaar met de eisen van vereenvoudiging van de procesregels en een snel procesverloop, waarmee het EG-Verdrag en het Executieverdrag de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen van Lid-Staten beogen te vergemakkelijken.(18) Bovendien wordt een dergelijke uitlegging noch door de Commissie noch door partijen of een van de interveniërende staten voorgesteld.
46 Men kan zich dan ook afvragen, waarom de mogelijkheid om een bevoegde rechter te kiezen moet worden voorbehouden aan een zo beperkte categorie zaken als die welke betrekking hebben op de wijziging van reeds bij rechterlijke beslissing vastgestelde onderhoudsverplichtingen. Ook is niet duidelijk, waarom de bijzondere bevoegdheid niet voor de oorspronkelijke alimentatieprocedure zou gelden.
47 Het is juist, dat de vrees dat vermeende onderhoudsplichtigen de grootste last moeten dragen van een in het buitenland tegen hen ten onrechte ingeleide procedure, zou kunnen rechtvaardigen dat de forumkeuze strikt beperkt is tot vorderingen van erkende onderhoudsgerechtigden.
48 Maar zo deze vrees een dergelijke scheidslijn binnen de bijzondere bevoegdheden zou hebben gerechtvaardigd, is het verbazingwekkend dat daarvan niets is terug te vinden in de bewoordingen van artikel 5, sub 2, Executieverdrag of in de rapporten Jenard(19) en Schlosser(20).
49 Integendeel, het rapport Jenard preciseert:
"(...) is het gerecht van de woonplaats van de tot onderhoud gerechtigde het beste in staat om vast te stellen of hij behoeftig is en om de omvang van de behoeftigheid te bepalen.
Om het Verdrag evenwel aan het Verdrag van Den Haag aan te passen voorziet artikel 5, punt 2, eveneens in de bevoegdheid van de rechter van de gewone verblijfplaats van de tot onderhoud gerechtigde. Dit aanvullend criterium is bij onderhoudsverplichtingen gemotiveerd omdat daardoor een door haar echtgenoot verlaten vrouw hem tot betaling van alimentatie niet alleen voor de rechter van de wettelijke woonplaats kan dagvaarden, maar ook voor de rechter van de plaats waar zij zelf haar gewone verblijfplaats heeft."(21)
50 Jenard maakt niet alleen geen onderscheid tussen de oorspronkelijke vordering en die tot vaststelling of wijziging van het alimentatiebedrag, zijn uitleg getuigt ook van het algemene karakter van de vastgestelde regel, die zonder onderscheid voor alle onderhoudsvorderingen geldt.
51 De rechtvaardiging die voor de regel van artikel 5, sub 2, Executieverdrag wordt aangevoerd, namelijk de mogelijkheid van het gerecht om het bestaan en de omvang van de behoeftigheid van de gerechtigde te beoordelen, geldt niet slechts voor één categorie onderhoudsvorderingen en kan uitstekend worden toegepast op de oorspronkelijke vordering tot betaling van alimentatie. Bovendien heeft het voorbeeld van een door haar echtgenoot verlaten vrouw, dat de auteur geeft om aan te tonen waarom de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde als aanvullend bevoegdheidscriterium moet dienen, overduidelijk betrekking op de oorspronkelijke vordering tot betaling van alimentatie, gelijk uit de gebruikte bewoordingen blijkt ("tot betaling" van alimentatie dagvaarden, en niet "tot vaststelling", "tot herziening" of "tot wijziging" van de alimentatie).
52 Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van verweerder overigens verwezen naar een in 1883 in Groot-Brittannië gegeven definitie van schuld, volgens welke "schuld een thans of in de toekomst wegens een huidige verplichting te betalen geldbedrag is". Hij leidt hieruit af, dat in casu het recht op betaling van dit geldbedrag niet vaststaat zolang de familieband niet is vastgesteld, hetgeen betekent dat het in de gestelde vraag gaat om het probleem van de juridische status.
53 Ik onderschrijf de voorgestelde definitie, maar, zoals ik al zei(22), ik ben niet van mening, dat het Hof zich moet uitspreken over de relevantie van de gestelde vraag en over de mate waarin het te geven antwoord bijdraagt aan de beslechting van het bij de verwijzende rechter aanhangig geding.
54 Is men het er echter over eens, dat een vordering een verbintenisrechtelijke betrekking vormt die berust op een rechtsfeit - dat zowel een rechtshandeling als een ander rechtsfeit kan zijn - op grond waarvan de schuldeiser recht heeft op betaling van een geldbedrag door zijn schuldenaar, dan ligt het voor de hand dat een schuldeiser geen rechterlijke beslissing nodig heeft om als zodanig te kunnen worden aangemerkt. Een dergelijke beslissing vormt ongetwijfeld een onweerlegbaar bewijs van zijn hoedanigheid van schuldeiser, maar zij is geen voorwaarde voor die hoedanigheid, aangezien het rechtsfeit waaruit de verplichting, en dus de schuldvordering, voortvloeit, heel goed vóór die beslissing kan liggen (bijvoorbeeld, de lening van een geldbedrag waardoor een verplichting tot terugbetaling ontstaat of een familieband die een onderhoudsverplichting doet ontstaan).
55 Het bestaan van een rechterlijke beslissing lijkt mij daarom geen noodzakelijke voorwaarde voor de erkenning van de hoedanigheid van tot onderhoud gerechtigde, daar deze ook aan de hand van andere criteria kan worden vastgesteld.
56 Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer tussen degene die onderhoud vordert en de verweerder een familieband die de onderhoudsvordering kan rechtvaardigen, kan worden bewezen.
57 Op grond van een dergelijk onderscheid zou het mogelijk zijn, de forumkeuze voor te behouden aan de vermeende gerechtigde en ze te onthouden aan personen die onderhoud vorderen, doch van wie op het eerste gezicht niets erop duidt, dat zij recht op onderhoud hebben. Op die wijze zou de regel van artikel 5, sub 2, degenen tegen wie ten onrechte vorderingen worden ingesteld, beschermen tegen de buitengewone last van een in het buitenland ingediende vordering.
58 De algemene bewoordingen van artikel 5, sub 2, en de noodzakelijke vereenvoudiging van de procesregels die het Executieverdrag op grond van artikel 220 EG-Verdrag heeft ingevoerd, verzetten zich mijns inziens echter ook tegen een dergelijk onderscheid.
59 De familieband als criterium ter bepaling van de hoedanigheid van tot onderhoud gerechtigde, kan immers op verschillende manieren worden opgevat.
60 In enge zin is de tot onderhoud gerechtigde degene die zich op een wettelijk erkende familieband met de verweerder kan beroepen. In dat geval zou de forumkeuze bijvoorbeeld toekomen aan de echtgenote of ex-echtgenote, of aan het kind waarvan de verwantschap door een huwelijk of door erkenning is vastgesteld.
61 Deze oplossing heeft als voordeel, dat zij op een objectief criterium berust. Zij is echter om twee redenen aanvechtbaar: in de eerste plaats zou een zo nauwkeurig onderscheid, om te kunnen worden erkend, moeten voortvloeien uit de tekst van artikel 5, sub 2, Executieverdrag of uit de voormelde rapporten(23), hetgeen niet het geval is. In de tweede plaats wijkt zij af van de definitie van het begrip schuldvordering, doordat personen die recht op onderhoud hebben, doch die geen wettelijke status hebben om dit aan te tonen, de forumkeuze wordt onthouden. Zo zou de onderhoudsvordering die wordt ingesteld ten behoeve van een niet-erkend kind tegen zijn ware ouders, bijvoorbeeld niet binnen de werkingssfeer van artikel 5, sub 2, vallen, alleen omdat zijn verwantschap wordt betwist. Men kan evenwel niet als schuldeiser aanmerken degene die recht heeft op betaling van een geldbedrag, welk recht op een rechtsfeit berust, en hem tegelijkertijd de mogelijkheid ontzeggen om het bewijs te leveren voor het rechtsfeit, in casu de familieband, waaruit zijn hoedanigheid van schuldeiser voortvloeit.
62 In de ruime betekenis zou de tot onderhoud gerechtigde degene zijn die, om recht te hebben op de forumkeuze, eerst de aan zijn vordering ten grondslag liggende familieband aantoont. In dat geval is het criterium echter niet langer objectief, aangezien de rechter van geval tot geval de aannemelijkheid van die band zal moeten beoordelen. De resultaten kunnen daarom van Lid-Staat tot Lid-Staat, of zelfs van het ene tot het andere gerecht, verschillen, hetgeen in strijd is met de minimumdoelstellingen van rechtszekerheid en vereenvoudiging van de procesregels. Evenzo is het om dezelfde redenen onaanvaardbaar, dat de bepaling van een bevoegdheidsregel afhangt van de uitkomst van een ingewikkelde discussie over een vraag ten gronde.
63 Het gebruik van familiebanden, in die zin van het woord, ter kwalificatie van de tot onderhoud gerechtigde en dus ter bepaling van het recht op forumkeuze, kan daarom lastig, arbitrair en een bron van geschillen blijken te zijn.
64 Blijft over de oplossing die door alle partijen, met uitzondering van verweerder, is aanvaard en die aan het begrip "tot onderhoud gerechtigde" de ruimste betekenis geeft. Volgens die betekenis moet als tot onderhoud gerechtigde in de zin van het Executieverdrag worden aangemerkt, degene die een hoofdvordering ter zake van onderhoud indient.(24)
65 Uit het voorgaande blijkt, dat deze uitlegging het meest beantwoordt aan de door het Executieverdrag beoogde eenvoudigheid, snelheid en rechtsbescherming van de burgers.
66 Het criterium op grond waarvan kan worden bepaald, wie van de forumkeuze gebruik kan maken, is nauwkeurig en objectief. Het reduceert daarom het risico van geschillen die uit onduidelijke grenzen zouden kunnen voortvloeien en die op hun beurt weer zorgen voor vertragingen en ongerechtvaardigde onderscheiden tussen degenen die van dit recht gebruik kunnen maken.
67 De ingediende vordering kan zowel betrekking hebben op de eerste vaststelling van alimentatie als op de herziening ervan. Een verbrokkeling van de procedures, die de beoogde doelmatigheid niet ten goede zou komen, is niet nodig.
68 Ten slotte heeft het Hof geoordeeld, dat waar "artikel 5 voorziet in een aantal bijzondere bevoegdheden ter keuze van de verzoeker, deze keuzemogelijkheid is gegeven ter wille van een nuttige procesinrichting in welbepaalde gevallen waarin een bijzonder nauwe aanknoping bestaat tussen een geschil en het gerecht dat kan worden geroepen daarvan kennis te nemen".(25)
69 Artikel 5, sub 2, beoogt de tot onderhoud gerechtigde dichter bij de door hem aangezochte rechterlijke instantie te brengen. Hiervoor bestaan twee belangrijke redenen.
70 In de eerste plaats is in de meeste gevallen degene die onderhoud vordert de armste procespartij, zodat het billijk lijkt hem de kosten van een in het buitenland ingediende vordering, ook in het stadium van een eerste verzoek, te besparen.
71 In de tweede plaats is het gerecht van de woon- of verblijfplaats van de verzoeker, door zijn kennis van de economische en sociale omgeving van laatstgenoemde, het best in staat om het bestaan en de omvang van de aangevoerde behoeften te beoordelen. Dit gerecht is derhalve in staat, de gegrondheid van de vordering te bepalen en het bedrag daarvan vast te stellen. Dit geldt ongeacht de vraag, of het om een eerste procedure of om een nieuwe fase in het geding gaat. Dit bevestigt het reeds genoemde rapport Jenard, waar het preciseert dat het gerecht van de woonplaats van de tot onderhoud gerechtigde het best in staat is om vast te stellen of deze behoeftig is en om de omvang van de behoeftigheid te bepalen.(26)
72 Het aldus omschreven begrip lijkt mij daarom in overeenstemming met het stelsel en de doelstellingen van het Executieverdrag, zoals het Hof deze reeds heeft uitgelegd om de bepalingen inzake de bijzondere bevoegdheden te verduidelijken.
73 Er is dan ook geen reden waarom de door de wetgever gewenste nabijheid tussen de justitiabele en het gerecht dat zich over de vordering moet uitspreken, niet eveneens ten goede zou komen aan degenen die voor de eerste keer een onderhoudsvordering indienen.
74 Het Executieverdrag heeft dus niet tot doel, onderscheid te maken op grond van het voorwerp van de ingeleide procedure, maar de vordering van de - dikwijls benadeelde - partij die onderhoud vordert, te vergemakkelijken. Derhalve moet, teneinde een bevoegdheidsregel te bepalen, als "tot onderhoud gerechtigde" in de zin van het Executieverdrag worden aangemerkt degene die stelt deze hoedanigheid te hebben.
Conclusie
75 Gelet op bovenstaande overwegingen geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
"De bepalingen van artikel 5, sub 2, van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, dat op 27 september 1968 te Brussel is ondertekend, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij niet verlangen dat een in Ierland woonachtige verzoeker, om op grond van dit artikel voor de Ierse rechterlijke instanties een alimentatieprocedure tegen een in België woonachtige verweerder in te leiden, eerst een vonnis moet hebben verkregen waarin die verweerder tot betaling van alimentatie wordt veroordeeld.
De term $tot onderhoud gerechtigde' in het eerste zinsdeel van dit artikel moet aldus worden uitgelegd, dat hij betrekking heeft op eenieder die een hoofdvordering ter zake van onderhoud indient."
(1) - Protocol betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1975, L 204, blz. 28).
(2) - PB 1972, L 299, blz. 32.
(3) - Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB 1978, L 304, blz. 1, en gewijzigde tekst van het Verdrag van 27 september 1968, reeds aangehaald, blz. 77).
(4) - Cursivering van mij.
(5) - Punt 1.5.
(6) - Zie, in het bijzonder, blz. 7 van het verzoek om een prejudiciële beslissing.
(7) - Arrest van 5 februari 1963, zaak 26/62, Van Gend & Loos, Jurispr. 1963, blz. 3, 22.
(8) - Arrest van 5 oktober 1977, zaak 5/77, Tedeschi, Jurispr. 1977, blz. 1555, r.o. 17-19. Zie eveneens arrest van 23 februari 1995, gevoegde zaken C-358/93 en C-416/93, Bordessa e.a., Jurispr. 1995, blz. I-361, r.o. 10.
(9) - Blz. 3 van het verzoek om een prejudiciële beslissing.
(10) - Ibidem, blz. 7.
(11) - Arrest van 6 oktober 1976, zaak 12/76, Tessili, Jurispr. 1976, blz. 1473, r.o. 11.
(12) - Arresten van 22 maart 1983, zaak 34/82, Peters, Jurispr. 1983, blz. 987, r.o. 9, en 8 maart 1988, zaak 9/87, Arcado, Jurispr. 1988, blz. 1539.
(13) - Arrest van 22 november 1978, zaak 33/78, Somafer, Jurispr. 1978, blz. 2183, r.o. 3 e.v.
(14) - Ibidem, r.o. 7; cursivering van mij.
(15) - Arrest Arcado, reeds aangehaald, r.o. 11.
(16) - Arrest van 16 december 1980, zaak 814/79, Rüffer, Jurispr. 1980, blz. 3807, r.o. 7.
(17) - Punt 4.7, blz. 22 van de Franse vertaling van zijn opmerkingen.
(18) - Zie artikel 220 EG-Verdrag en de preambule van het Executieverdrag.
(19) - Rapport over het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1979, C 59, blz. 1), genaamd "rapport Jenard".
(20) - Rapport over het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken alsmede tot het Protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie (PB 1979, C 59, blz. 71), genaamd "rapport Schlosser".
(21) - Rapport Jenard, reeds aangehaald, blz. 25.
(22) - Zie de punten 15 e.v. van deze conclusie.
(23) - Zie de voetnoten 19 en 20 van deze conclusie.
(24) - Zie, in het bijzonder, punt 21 van de opmerkingen van de Commissie.
(25) - Arrest Peters, reeds aangehaald, r.o. 11. Zie eveneens rapport Jenard, reeds aangehaald, blz. 22, en rapport Schlosser, reeds aangehaald, punt 92, blz. 102.
(26) - Rapport Jenard, reeds aangehaald, blz. 25.
Full & Egal Universal Law Academy