Conclusie van de advocaat generaal
Inleiding
1 De Commissie beoogt met dit beroep, ingesteld op grond van artikel 173 van het Verdrag, nietigverklaring te verkrijgen van het krachtens artikel 93, lid 2, derde alinea, van het Verdrag vastgestelde besluit van de Raad van 22 juni 1995, waarbij de Raad de toekenning door de Franse regering van een buitengewone steun aan wijnbouwers die deelnemen aan de preventieve distillatie van tafelwijn, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt heeft verklaard.
2 Deze zaak biedt het Hof gelegenheid tot verfijning van zijn rechtspraak over het derde criterium in artikel 173, vijfde alinea, van het Verdrag, betreffende de ontvankelijkheid van het beroep.
I - Het juridisch kader
3 De Raad heeft op grond van de artikelen 42 en 43 van het Verdrag verordening (EEG) nr. 822/87(1) vastgesteld, waarbij de basisbepalingen inzake de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt opnieuw zijn gecodificeerd.
4 In het kader van de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt voorziet verordening nr. 822/87, met het oog op de stabilisering en sanering van deze markt, onder meer in maatregelen voor de preventieve distillatie (artikel 38) en de verplichte distillatie (artikel 39), die door de Commissie onder de voorwaarden en volgens de procedure van de artikelen 38 en 39 worden vastgesteld.
5 Met betrekking tot de voorwaarden van de preventieve distillatie bepaalt artikel 38, lid 1, van verordening nr. 822/87:
"1. Wanneer zulks op grond van de oogstverwachtingen of om de kwaliteit van de op de markt gebrachte produkten te verbeteren nodig is, kan elk wijnoogstjaar met ingang van 1 september en tot een nader te bepalen datum de mogelijkheid worden geopend tot preventieve distillatie van tafelwijn en wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt.
(...)"
6 Volgens artikel 38, lid 2, is de aankoopprijs voor wijn die voor preventieve distillatie wordt geleverd, 65 % van de oriëntatieprijs.(2) Voor de preventieve distillatie wordt uitgegaan van vrijwillige deelneming van de producent aan deze procedure.
7 Verordening (EG) nr. 2028/94 van 8 augustus 1994(3) regelt de preventieve distillatie van bepaalde hoeveelheden wijn voor het wijnoogstjaar 1994/1995.
8 Deze verordening van de Commissie werd vastgesteld met het oog op de noodzaak van een sanering en het goed beheer van de markt voor tafelwijnen. Zo bepaalt artikel 1, lid 1, tweede alinea, meer in het bijzonder, dat de hoeveelheid die de producenten voor distillatie konden aanbieden, was beperkt tot 12 hl per hectare (hierna: "hl/ha"). Voor Frankrijk kwam dit neer op in totaal 1 403 000 hl.
9 Ingevolge artikel 2, lid 1, van deze verordening moesten de contracten en aangiften betreffende deze distillatie uiterlijk op 10 november 1994 voor goedkeuring bij het bevoegde interventiebureau worden ingediend. Luidens lid 2 van dit artikel moesten de per contract en aangifte bepaalde en goedgekeurde hoeveelheden uiterlijk op 15 maart 1995 aan een distilleerderij worden geleverd.
10 Krachtens artikel 39, leden 1 en 2, van verordening nr. 822/87 besluit de Commissie tot verplichte distillatie, wanneer voor een wijnoogstjaar de markt voor tafelwijn en wijn een ernstig gebrek aan evenwicht vertoont.
11 De verplichte distillatie is door haar prijs een ontmoedigingsmaatregel voor de producenten, daar die prijs op rond 25 % van de oriëntatieprijs ligt. De producenten kunnen de voor preventieve distillatie geleverde hoeveelheid aftrekken van de voor verplichte distillatie te leveren hoeveelheid.
12 Krachtens artikel 76 van verordening nr. 822/87 zijn de artikelen 92, 93 en 94 van het Verdrag van toepassing op de wijnmarkt.
13 Bijgevolg is artikel 93 van het Verdrag, dat het toezicht op de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van een reeds bestaande, in te voeren of te wijzigen steunmaatregel van de staat, van welke aard ook, in beginsel aan de Commissie(4) en bij uitzondering aan de Raad(5) opdraagt, krachtens een uitdrukkelijke bepaling van verordening nr. 822/87 van toepassing op de wijnmarkt. Artikel 93, lid 2, derde en vierde alinea, bepaalt:
"(...)
Op verzoek van een Lid-Staat kan de Raad met eenparigheid van stemmen beslissen dat een door die staat genomen of te nemen steunmaatregel in afwijking van de bepalingen van artikel 92 of van de in artikel 94 bedoelde verordeningen als verenigbaar moet worden beschouwd met de gemeenschappelijke markt, indien buitengewone omstandigheden een dergelijke beslissing rechtvaardigen. Als de Commissie met betrekking tot deze steunmaatregel de in de eerste alinea van dit lid vermelde procedure heeft aangevangen wordt deze door het verzoek van de betrokken staat aan de Raad geschorst, totdat de Raad zijn standpunt heeft bepaald.
Evenwel, indien de Raad binnen een termijn van drie maanden te rekenen van het verzoek zijn standpunt niet heeft bepaald, beslist de Commissie.
(...)"
II - De feiten
14 Op 26 juli 1994 legde de Commissie het Comité van beheer voor wijn een ontwerpverordening voor tot opening van de preventieve distillatie voor het wijnoogstjaar 1994/1995.
15 Op 28 juli 1994 vond op het Franse Ministerie van Landbouw en Visserij een vergadering plaats, waarin het beginsel van steunverlening aan Franse wijnbouwers werd aanvaard wegens de aanzienlijke prijsverschillen tussen Franse, Spaanse en Portugese wijn.
16 Op 8 augustus 1994 besloot de Commissie, bij verordening nr. 2028/94, tot opening van de preventieve distillatie voor het wijnoogstjaar 1994/1995.
17 Op 17 augustus 1994 verzocht de Commissie om kennisgeving van de steun die de Franse regering had besloten aan de wijnbouwers toe te kennen in het kader van de opening van de preventieve distillatie.
18 Op 20 oktober 1994 gaven de Franse autoriteiten, overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het Verdrag, de Commissie kennis van de omstreden steun.
19 Tijdens de zitting van de Raad van 29 en 30 mei 1995 verzocht de Franse regering, overeenkomstig artikel 93, lid 2, derde alinea, de Raad haar te machtigen de steun aan de Franse wijnbouwers toe te kennen.
20 Op 22 juni 1995 nam de Raad het besluit over de toekenning aan de Franse wijnbouwers van een aanvullende steun voor het wijnoogstjaar 1994/1995 ten bedrage van 660 FF per ha, waardoor de wijnbouwers voor preventieve distillatie een prijs zouden krijgen die nagenoeg gelijk was aan de marktprijs in dat wijnoogstjaar. Luidens artikel 2 was het besluit gericht tot de Franse Republiek.
21 Het besluit werd niet gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, maar aan de Franse regering ter kennis gebracht bij brief van de secretaris-generaal van de Raad van 27 juli 1995.
22 Bij brief van 27 juli 1995 zond de directeur-generaal namens de secretaris-generaal van de Raad voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van het besluit aan de Commissie, met de mededeling dat de Raad het bestreden besluit had genomen, dat de voorzitter van de Raad het dezelfde dag aan de geadresseerde (dus de Franse Republiek) ter kennis had gebracht en dat het door deze kennisgeving van kracht was geworden.
23 De Commissie ontving het besluit van de Raad op 1 augustus 1995.
III - Conclusies van partijen
24 Bij verzoekschrift van 29 september 1995 heeft de Commissie bij het Hof beroep ingesteld tegen het besluit van de Raad van 22 juni 1995, waarbij de Raad zijn goedkeuring had gehecht aan de steunverlening aan de Franse wijnbouwers.
25 De Commissie verzoekt het Hof a) het besluit van de Raad van 22 juni 1995 nietig te verklaren, b) de Raad in de kosten te verwijzen, en c) de Franse Republiek in haar eigen kosten te verwijzen.
26 Bij afzonderlijke akte van 6 november 1995 heeft de Raad een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Bij beschikking van 18 juni 1996 heeft het Hof de exceptie gevoegd met de zaak ten gronde.
27 De Raad verzoekt het Hof ten gronde a) het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, b) subsidiair het beroep ongegrond te verklaren, c) de Commissie te verwijzen in de kosten. De Franse Republiek heeft bij afzonderlijk neergelegde memories geïntervenieerd ter ondersteuning van de conclusies van de Raad.
IV - De ontvankelijkheid
28 In deze zaak is vooraf de vraag naar de ontvankelijkheid van het beroep opgeworpen. De Raad, hierin gesteund door de Franse Republiek, betoogt, dat het op 29 september 1995 ter griffie van het Hof neergelegde beroep van de Commissie niet binnen de termijn is ingesteld, namelijk na afloop van de termijn van twee maanden te rekenen vanaf de dag waarop de Commissie volledig kennis van het bestreden besluit had gekregen (22 juni 1995).
29 Hieromtrent zou ik het volgende willen opmerken:
30 Ingevolge artikel 189, vierde alinea, van het Verdrag is een beschikking verbindend in al haar onderdelen voor degenen tot wie zij uitdrukkelijk is gericht. Voorts wordt ingevolge artikel 191, lid 3, van een beschikking kennis gegeven aan hen tot wie zij is gericht, en wordt zij door deze kennisgeving van kracht.
31 Anderzijds bepaalt artikel 173, vijfde alinea, van het Verdrag, dat beroepen moeten worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naar het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen. Ingevolge artikel 81, lid 1, van 's Hofs Reglement voor de procesvoering vangt de termijn voor het instellen van beroep tegen een handeling van een gemeenschapsinstelling, in geval van kennisgeving, aan op de dag volgende op die waarop de handeling ter kennis van betrokkene is gebracht.
32 Ten slotte bepaalt artikel 18, leden 1 en 2, van het reglement van orde van de Raad(6) onder meer, dat de secretaris-generaal de bestemmelingen kennis geeft van de beschikkingen van de Raad en afschrift daarvan doet toekomen aan de regeringen van de Lid-Staten en aan de Commissie.
33 Uit de genoemde bepalingen volgt, dat de termijn voor het instellen van een beroep aanvangt met, in de eerste plaats, de bekendmaking van de handeling indien het een handeling betreft die moet worden bekendgemaakt, in de tweede plaats, de kennisgeving ervan indien het een handeling betreft waarvan volgens de desbetreffende bepalingen kennis moet worden gegeven, en, in de derde plaats, indien noch bekendmaking noch kennisgeving is voorgeschreven, het moment waarop de betrokkene feitelijk kennis krijgt van de exacte inhoud van de handeling.(7)
34 Voorts volgt uit deze bepalingen, dat van de beschikkingen kennis moet worden gegeven aan hen tot wie zij zijn gericht, en dat zij door deze kennisgeving van kracht worden. De kennisgeving is geen voorwaarde voor het bestaan van de handeling(8), doch een element dat buiten de handeling zelf staat.(9)
35 In casu noemt het bestreden besluit van de Raad van 22 juni 1995 als adressaat uitsluitend de Franse Republiek en niemand anders (artikel 2). Indien de Franse regering beroep zou willen instellen, zou haar termijn hiervoor dus pas gaan lopen vanaf de datum van kennisgeving van het tot haar gerichte besluit. Doch voor de Commissie, die in het bestreden besluit niet als adressaat is genoemd, is geen kennisgeving nodig om haar termijn te doen ingaan: die termijn loopt vanaf de dag waarop zij kennis krijgt van de exacte inhoud van de handeling, indien dat blijkt uit het dossier. Bijgevolg is een nadien aan de Commissie gezonden afschrift van het besluit niet van invloed op een reeds aangevangen termijn en is hierdoor evenmin een nieuwe beroepstermijn gaan lopen.
36 Uit het procesdossier blijkt - onweersproken -, dat de leden van de Raad en de Commissie reeds op 16 juni 1995 over een ontwerpbesluit (document 8100/95 Agri 62)(10) beschikten, dat klaar lag in de zaal waar de betrokken vergadering plaatsvond.(11) Dit ontwerp lag ten grondslag aan het bestreden besluit van 22 juni 1995. Bij een tekstvergelijking van het ontwerp en het besluit blijkt, dat het ontwerp ongewijzigd met eenparigheid van stemmen is aangenomen. De Commissie geeft ook toe (punt 7 van haar opmerkingen op de exceptie), dat hij in de betrokken zitting van de Raad "Landbouw" van 19 tot 22 juni 1995 aanwezig was.
37 Het beroep bevat in bijlage VI een op 23 juni 1995 gedateerd document (uittreksel notulen) dat door het secretariaat-generaal van de Commissie was opgesteld voor de zitting na die van de Raad "Landbouw" van 19 tot 22 juni 1995 te Brussel. Dit document maakt in punt 9 melding van het bestreden besluit en de inhoud ervan, met de mededeling dat het verzoek van de Franse regering in de zitting van de Raad "Landbouw" met eenparigheid van stemmen (minus één onthouding) was aanvaard. Voorts beschrijft het document de discussie die tot het bestreden besluit had geleid, met vermelding van de argumenten van de Franse regering en de opmerking, dat zowel enkele Lid-Staten als het aanwezige bevoegde lid van de Commissie betwijfelden, of het wel juist was gevolg te geven aan het verzoek van de Franse regering.
38 Op grond van een en ander moet worden aangenomen, dat de Commissie uiterlijk op de dag van opstelling van die notulen (23 juni 1995) exact op de hoogte was van het bestreden besluit. De termijn voor indiening van een beroep tegen het besluit van de Raad is voor de Commissie dan ook de dag nadien (dus 24 juni 1995) ingegaan. Die termijn liep twee maanden later af, dat wil zeggen, met inaanmerkingneming van de twee dagen termijnverlenging wegens afstand(12), op 26 augustus 1995.
39 Voorts, zoals reeds gezegd (punten 21-23 en 35), is van het bestreden besluit van de Raad op 27 juli 1995 kennis gegeven aan de Franse regering en is het dezelfde dag aan de Commissie toegezonden, waar het op 1 augustus 1995 is aangekomen (en die dag in het register is ingeschreven onder nr. SG(95)A/12870). Volgens de Commissie is haar beroepstermijn ingegaan op 27 juli 1995, toen het besluit ter kennis is gebracht van de Franse regering en van kracht is geworden, zodat haar op 29 september 1995 neergelegde beroep binnen de termijn is ingesteld. Deze zienswijze is echter niet juist: de kennisgeving aan de Franse Republiek heeft de beroepstermijn alleen ten aanzien van haar doen ingaan, die in het bestreden besluit als adressaat was aangewezen. Doch ten aanzien van de Commissie, die in het bestreden besluit niet als bestemmeling was aangegeven en aan wie ingevolge artikel 173, vijfde alinea, geen kennis behoefde te worden gegeven, begon de termijn te lopen vanaf de dag waarop zij kennis had gekregen van de exacte inhoud, dat wil zeggen uiterlijk op 23 juni 1995.
40 Hieruit volgt, dat het onderhavige beroep, dat is neergelegd op 29 september 1995, dus na afloop van de tijdspanne van twee maanden, buiten de termijn is ingesteld en om deze reden moet worden verworpen, zoals de Raad en de Franse regering terecht staande houden.(13)
V - De aangevoerde middelen tot nietigverklaring
41 Los van de vraag inzake de te late indiening van het beroep, wil ik thans nog in het kort ingaan op de aangevoerde middelen tot nietigverklaring, die van soortgelijke aard zijn als die welke de Commissie heeft gebezigd in de zaak Commissie/Raad waarin het Hof uitspraak heeft gedaan met zijn arrest van 29 februari 1996.(14) Dit arrest verschaft voldoende aanwijzingen om de materiële problemen van het onderhavige beroep op te lossen.
A - Het eerste middel tot nietigverklaring: verkeerde toepassing van artikel 93, lid 2, derde alinea, van het Verdrag
42 Als eerste en belangrijkste middel voert de Commissie aan, dat artikel 93, lid 2, derde alinea, van het Verdrag verkeerd is toegepast; dit artikel is weliswaar niet enkel van toepassing in het kader van het hoofdstuk over de mededinging, doch het kan niet tot gevolg hebben, dat steunmaatregelen die in strijd zijn met andere bepalingen van het Verdrag, met uitzondering van die van de artikelen 92 tot en met 94, rechtmatig worden geacht. Zij stelt, dat sprake is van onbevoegdheid en misbruik van procedure, voor zover de omstreden bepaling van artikel 93, lid 2, derde alinea, als grondslag wordt gebruikt voor afwijkingen van het mechanisme van de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt.
43 In het arrest Commissie/Raad(15) heeft het Hof een soortgelijk middel tot nietigverklaring afgewezen(16): derhalve heeft de Commissie in haar repliek verklaard, dat zij met haar eerste middel tot nietigverklaring nog slechts wil betogen, dat de Raad de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid krachtens artikel 93, lid 2, derde alinea, had overschreden. Ik meen derhalve, dat het Hof niet nader behoeft in te gaan op het door de Commissie aangevoerde eerste middel tot nietigverklaring.
B - Het tweede middel tot nietigverklaring: kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten
44 In haar tweede, aanvankelijk subsidiair aangevoerde middel tot nietigverklaring stelt de Commissie, dat de "buitengewone omstandigheden" die, naast andere voorwaarden, krachtens artikel 93, lid 2, derde alinea, van het Verdrag aanwezig moeten zijn om een door een Lid-Staat genomen of te nemen steunmaatregel als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te kunnen beschouwen, in casu niet aanwezig waren. Volgens de Commissie heeft de Raad een verkeerd gebruik gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid krachtens artikel 93, lid 2, derde alinea, door in het bestreden besluit de feiten verkeerd te beoordelen. Derhalve verzoekt zij om nietigverklaring van het besluit wegens onwettige motivering.
45 Volgens artikel 93, lid 2, derde alinea, beschikt de Raad over een ruime beoordelingsvrijheid ter zake van de wenselijkheid van optreden ("kan de Raad met eenparigheid van stemmen beslissen") en beslist hijzelf, of "buitengewone omstandigheden", de conditio sine qua non om een door een Lid-Staat genomen of te nemen steunmaatregel als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te kunnen beschouwen, aanwezig zijn, en dit zelfs wanneer de Commissie in het kader van de procedure van artikel 93, lid 3, heeft beslist, dat de steunmaatregel niet met de gemeenschappelijke markt verenigbaar is.
46 Het Hof heeft in het arrest Commissie/Raad geoordeeld(17), "dat wanneer de Raad bij de uitvoering van het landbouwbeleid der Gemeenschap een complexe economische situatie heeft te evalueren, zijn discretionaire bevoegdheid niet slechts de aard en draagwijdte der vast te stellen bepalingen geldt, doch tot op zekere hoogte ook de vaststelling der basisgegevens, onder meer in dier voege dat de Raad in voorkomend geval zijn oordeel op globale vaststellingen mag baseren. Bij zijn controle op de uitoefening van een dergelijke bevoegdheid mag de rechter alleen nagaan, of daarbij geen kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid is begaan en of het betrokken gezagsorgaan zich niet kennelijk buiten de grenzen van zijn appreciatieve bevoegdheid heeft begeven".(18) Voorts oordeelde het Hof(19), dat "uit de tekst zelf van artikel 93, lid 2, derde alinea, blijkt, dat de Raad een complexe economische situatie heeft te evalueren wanneer hij beslist, dat buitengewone omstandigheden rechtvaardigen dat een steunmaatregel als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt beschouwd".
47 In de onderhavige zaak meen ik(20), dat de Raad een complexe economische situatie had te evalueren en dat de hem daartoe toegekende discretionaire bevoegdheid niet alleen de aard en de draagwijdte van de te nemen besluiten gold, maar ook de vaststelling van de daaraan ten grondslag liggende elementen. De Raad mocht zich dus op globale vaststellingen baseren en dus, met andere woorden, een geheel van elementen in aanmerking nemen om te bepalen of zich buitengewone omstandigheden voordeden.
48 Aangezien voorts, zoals het Hof heeft erkend(21), de wijnmarktordening reeds vele jaren wordt gekenmerkt door een "duurzaam structureel gebrek aan evenwicht, waaraan wordt gesleuteld", was het de Raad mogelijk niet alleen uit te gaan van elementen met betrekking tot de opening van het wijnoogstjaar 1994/1995, doch ook rekening te houden met de cijfers van 1995. Dit blijkt met name uit de vermelding in de derde overweging van de considerans van het bestreden besluit, dat de situatie van de wijnmarkt bij de aanvaarding van het bestreden besluit weliswaar niet zo buitengewoon was, dat een verplichte distillatie gerechtvaardigd was, maar dat moest worden erkend, dat een goede toepassing van de preventieve distillatie in de gezamenlijke producerende landen van wezenlijk belang was in een markt die werd gekenmerkt door een aanhoudende daling van het gebruik.(22) De Raad kon eveneens rekening houden met de globale cijfers die enerzijds de situatie in de Gemeenschap en niet alleen die op de Franse markt, en anderzijds alle wijnen betroffen en niet alleen de tafelwijnen waarvoor de maatregel van de Commissie voor preventieve distillatie en de door de Franse regering toegekende steun golden. Ten slotte kon de Raad mijns inziens de ontwikkeling van het prijspeil in nationale munt in zijn beoordeling betrekken om te zien, of die prijzen voor de Franse producenten al dan niet zo ongunstig waren ten opzichte van die in de andere Lid-Staten, dat een specifieke maatregel was geboden.
49 Ik acht op zichzelf zeker niet rechtmatig de motivering van het bestreden besluit (tweede overweging van de considerans), dat het om een sector gaat waarvan de regeling in herziening is teneinde de markt met andere middelen duurzaam te saneren: dat kan immers niet worden geacht een "buitengewone omstandigheid" in de zin van artikel 93, lid 2, derde alinea, op te leveren. De bedoelde overweging kan mijns inziens niet op een "buitengewone omstandigheid" duiden: dit begrip, tot het uiterste uitgerekt door een overdreven extensieve interpretatie, zou waardeloos worden. Met andere woorden, de inhoud van het begrip zou worden aangetast, zodat dit juridisch vage begrip nog slechts een nominale waarde en geen bindende kracht en uiteindelijk geen bijzonder nut meer zou hebben.(23)
50 De Commissie voert aan, dat er geen sprake was van "buitengewone omstandigheden", daar de marktprijzen voor tafelwijnen in Frankrijk tijdens dat wijnoogstjaar hoger waren dan in het voorgaande wijnoogstjaar 1993/1994. Gedurende het gehele wijnoogstjaar 1994/1995 waren de marktprijzen voor Franse wijnen ook hoger dan de oriëntatieprijzen, terwijl de marktprijzen voor Italiaanse en Spaanse wijnen toen lager waren. Volgens de Commissie was evenmin sprake van buitengewone omstandigheden, omdat de door de Lid-Staten goedgekeurde contracten voor preventieve distillatie betrekking hadden op kleinere hoeveelheden dan in de twee voorgaande oogstjaren. Bijgevolg, aldus de Commissie, was er geen zo uitzonderlijke verlaging noch een zo uitzonderlijk ongunstige situatie op het gebied van het inkomstenniveau geweest, dat de vaststelling van het bestreden besluit gerechtvaardigd zou zijn.
51 Hierbij zou ik het volgende willen opmerken. Allereerst blijkt uit de toepassing van de distillatiemaatregel zo al niet een tegenstrijdigheid tussen twee gelijkwaardige doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid volgens artikel 39 van het Verdrag, dan toch ten minste een poging om die met elkaar te verzoenen; het gemeenschappelijk landbouwbeleid heeft immers luidens artikel 39 ten doel: b) "(...) de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren (...)" en c) "de markten te stabiliseren". Het Hof heeft dienaangaande bij herhaling geoordeeld(24), dat "bij het toewerken naar de verschillende in artikel 39 van het Verdrag vermelde doelstellingen de gemeenschapsinstellingen er voortdurend voor moeten zorgen, mogelijke tegenstrijdigheden tussen de afzonderlijke doelstellingen te verzoenen en, in voorkomend geval, aan deze of gene ervan tijdelijk voorrang te verlenen overeenkomstig de eisen van de economische gegevenheden of omstandigheden met het oog waarop zij hun besluiten nemen".
52 Ik meen, dat de Raad heeft getracht in het kader van de wijnmarkt een evenwicht tot stand te brengen tussen deze tegenstrijdige doeleinden van artikel 39 van het Verdrag en, aangezien de Raad over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, was hij de aangewezen instelling om te beoordelen, in hoeverre het slecht functioneren van deze markt in een Lid-Staat en de daaruit voortvloeiende ongunstige gevolgen een correctiemaatregel ad hoc rechtvaardigden.
53 Naar blijkt uit de vierde overweging van de considerans van het bestreden besluit, hebben de Franse wijnbouwers zich veel moeite getroost om de productie in de hand te houden door hun opbrengst van tafelwijn te verlagen en aldus met aanzienlijk minder inkomsten genoegen te nemen.
54 Voorts ontvangen de Franse wijnbouwers blijkens de vijfde overweging een minimumprijs voor wijn bestemd voor preventieve distillatie, die veel onaantrekkelijker is dan de prijs die de wijnbouwers in de andere wijnproducerende landen krijgen.
55 Volgens mij leveren deze overwegingen een goede motivering op. Met name meen ik, dat de Raad geenszins een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te overwegen, dat de Franse wijnbouwers aanzienlijke inkomsten hebben gederfd door hun inspanningen om hun productie en opbrengst van tafelwijn te verlagen. Dit was te wijten aan het feit, aldus de Raad - op dit punt niet door de Commissie weersproken - dat de prijs voor preventieve distillatie bij de Franse wijnbouwers veel lager was dan wat de Spaanse of Italiaanse wijnbouwers kregen, zulks wegens de ontwaarding van de Spaanse en de Italiaanse munt, daar de devaluaties van de Spaanse peseta en de Italiaanse lire hebben doorgewerkt tot eind 1994. In feite, zo zegt de Raad, was de ontwikkeling van de institutionele landbouwprijzen in nationale munt vanaf het begin van het oogstjaar 1992/1993 tot de zomer 1994 zeer ongunstig voor de Franse wijnbouwers. De Italiaanse en Spaanse wijnbouwers hebben geprofiteerd van met respectievelijk 35 % en 27 % gestegen aankoopprijzen voor preventieve distillatie, terwijl het prijspeil voor de Franse wijnbouwers gelijk is gebleven ten opzichte van het voorgaande oogstjaar.
56 Ik meen dan ook, dat de Raad de feiten niet kennelijk verkeerd heeft ingeschat door, met het bestreden besluit, te willen optreden tegen de ongunstige situatie voor de Franse wijnbouwers; de Raad heeft, met andere woorden, tegen deze situatie willen ingaan met correctiemaatregelen die niet waren voorzien in de bestaande ordening (verordening nr. 822/87) voor de betrokken sector.
57 Verder maakt de achtste overweging gewag van buitengewone omstandigheden, waardoor de door de Franse regering verleende steun aan de Franse wijnbouwers "bij wijze van uitzondering (...) voor zover en zolang die absoluut noodzakelijk was voor het herstel van het vastgestelde gebrek aan evenwicht"(25) als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt moest worden beschouwd.
58 Mijns inziens kan de Raad dan ook niet worden geacht een kennelijke beoordelingsfout te hebben gemaakt, wanneer hij met bijzondere aandacht voor het verzekeren van een redelijk inkomen aan de wijnproducenten meent, dat de omstreden steun als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt moet worden beschouwd, voor zover die steun althans geen werkelijke en duurzame verstoring van de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt teweeg zou brengen.(26)
59 Ik ben derhalve van oordeel, dat de door de Raad aangevoerde elementen "buitengewone omstandigheden" in de zin van artikel 93, lid 2, derde alinea, van het Verdrag opleveren. Voorts meen ik, dat de Raad bij de beoordeling van de complexe economische situaties waarvoor hij zich gesteld zag, een deugdelijk gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid en de feiten niet kennelijk verkeerd heeft beoordeeld. Bijgevolg dient het tweede door de Commissie opgeworpen middel tot nietigverklaring te worden afgewezen.
C - Het derde middel tot nietigverklaring: onvolledige motivering
60 Met het derde en laatste middel vordert de Commissie de nietigverklaring op grond dat de motivering van het bestreden besluit kort, onvolledig en verkeerd is.(27)
61 Wanneer het Hof het tweede middel tot nietigverklaring van het bestreden besluit - inhoudende dat de Raad een kennelijke beoordelingsfout zou hebben gemaakt door te overwegen, dat sprake was van buitengewone omstandigheden die een toepassing van artikel 93, lid 2, derde alinea, mogelijk maken - verwerpt, behoeft het derde middel tot nietigverklaring slechts te worden onderzocht voor zover het betrekking heeft op onvolledige motivering.(28)
62 Naar mijn mening blijkt uit de - zij het ook beknopte - motivering van het bestreden besluit duidelijk en ondubbelzinnig, dat de steun wegens buitengewone omstandigheden bij wijze van uitzondering verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kon worden beschouwd, voor zover en zolang die steun absoluut noodzakelijk was.(29) De motivering geeft het eigenlijke doel van de instelling aan, namelijk het verzekeren van een redelijk inkomen voor de Franse wijnbouwers. Ik meen derhalve, dat het derde middel tot nietigverklaring moet worden afgewezen.
VI - Conclusie
63 Bijgevolg geef ik het Hof in overweging:
"1) Het beroep van de Commissie te verwerpen.
2) De Commissie te verwijzen in de kosten."
(1) - Verordening van de Raad van 16 maart 1987 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB 1987, L 84, blz. 1). Deze verordening kwam in de plaats van verordening (EEG) nr. 337/79 van de Raad van 5 februari 1979 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB 1979, L 54, blz. 1).
(2) - Artikel 27, leden 2, 3 en 4, van verordening nr. 822/87 luidt: "2. Voor elke soort tafelwijn bedoeld in lid 1, wordt elk wijnoogstjaar vóór 1 augustus een oriëntatieprijs voor het daaropvolgende wijnoogstjaar vastgesteld. 3. De oriëntatieprijs wordt vastgesteld op grond van het gemiddelde van de prijzen die gedurende de twee wijnoogstjaren die aan het tijdstip van vaststelling voorafgaan, voor de betrokken wijnsoort worden geconstateerd, alsmede op grond van het prijsverloop tijdens het lopende wijnoogstjaar. (...) 4. De oriëntatieprijs wordt vastgesteld in het produktiestadium en wordt, naar gelang van de wijnsoort, uitgedrukt in ecu per % vol per hectoliter of in Ecu per hectoliter."
(3) - Verordening van de Commissie tot opening van de in artikel 38 van verordening nr. 822/87 bedoelde preventieve distillatie voor het wijnoogstjaar 1994/1995 (PB 1994, L 206, blz. 5).
(4) - Zie arresten van 22 maart 1977, Steinike en Weinlig (78/76, Jurispr. blz. 595, punt 9 in fine) en 17 maart 1993, Sloman Neptun (C-72/91 en C-73/91, Jurispr. blz. I-887, punt 11).
(5) - Zie arrest van 15 juni 1993, Matra (C-225/91, Jurispr. blz. I-3203, punt 41).
(6) - Besluit 93/662/EG van de Raad van 6 december 1993 houdende vaststelling van zijn reglement van orde (PB 1993, L 304, blz. 1).
(7) - Het Hof heeft bij herhaling geoordeeld, dat, bij gebreke van kennisgeving of openbaarmaking, de beroepstermijn pas kan ingaan op de dag waarop de betroffen derde kennis krijgt van de exacte inhoud en van de motivering van de betrokken handeling, zodat hij met vrucht van zijn beroepsrecht gebruik kan maken. Zie arresten van 6 december 1990, Wirtschaftsvereinigung Eisen- und Stahlindustrie (C-180/88, Jurispr. blz. I-4413, punt 22), 6 juli 1988, Dillinger Hüttenwerke (236/86, Jurispr. blz. 3761, punt 14) en 9 januari 1997, Socurte e.a. (C-143/95 P, Jurispr. blz. I-1, punt 31).
(8) - Dit punt is nog te bezien: de Commissie maakt namelijk onderscheid (punt 9 van haar schriftelijke opmerkingen op de exceptie) tussen de datum van kenbaarmaking van de politieke wil van de Raad - 22 juni 1995 - en de datum van kennisgeving aan de adressaat van de in juridische vorm gegoten handeling - 27 juli 1995.
(9) - Volgens het Hof dient overigens sprake te zijn van een regelmatige kennisgeving; hoewel onregelmatigheden de handeling zelf niet raken en deze dus niet ongeldig kunnen maken, kunnen zij toch in bepaalde omstandigheden verhinderen dat de beroepstermijn begint te lopen (arrest van 14 juli 1972, ICI, 48/69, Jurispr. blz. 619, punten 39 en 40).
(10) - Volgens het reglement van orde van de Raad (artikel 2, lid 1) stelt de voorzitter voor iedere zitting de voorlopige agenda op. Deze wordt de overige leden van de Raad en de Commissie ten minste veertien dagen voor de aanvang van de zitting toegezonden. Ook wordt de Commissie uitgenodigd deel te nemen aan de zittingen van de Raad, voor zover de Raad niet besluit te beraadslagen buiten tegenwoordigheid van de Commissie (artikel 4, lid 2).
(11) - Volgens de verklaring van de Raad heeft de Commissie, evenals de vijftien leden van de Raad, de door het seretariaat-generaal gereedgemaakte documenten voor de besluitvorming van de Raad ontvangen. Voorts, aldus de Raad, beschikte de Commissie over de voorlopige agenda voor de zitting van de Raad "Landbouw" die van 19 tot 22 juni 1995 zou worden gehouden.
(12) - Overeenkomstig bijlage II van 's Hofs Reglement voor de procesvoering, houdende besluit betreffende de termijnen wegens afstand, worden voor partijen die hun gewone verblijfplaats niet in het Groothertogdom Luxemburg hebben, de procestermijnen wegens afstand voor België verlengd met twee dagen.
(13) - In deze richting wijst mijns inziens ook de rechtspraak van het Hof, dat bij herhaling heeft geoordeeld, dat "de gemeenschapsregeling inzake de procestermijnen strikt moet worden toegepast ter wille van de rechtszekerheid en de noodzaak om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden". Zie arresten van 26 november 1985, Cockerill-Sambre (42/85, Jurispr. blz. 3749, punt 10) en 12 juli 1984, Valsabbia (209/83, Jurispr. blz. 3089, punt 14), alsmede beschikking van 27 april 1988, Farzoo en Kortmann (352/87, Jurispr. blz. 2281, punt 7).
(14) - C-222/94, Jurispr. blz. I-881. Zie ook mijn conclusie van 22 november 1995 in die zaak. Het Hof heeft in zijn arrest een op 25 april 1994 door de Commissie ingesteld beroep verworpen; dit strekte tot nietigverklaring van twee besluiten van de Raad van 21 februari 1994 op basis van artikel 93, lid 2, derde alinea, van het Verdrag, die betrekking hadden op de door Frankrijk en Italië verleende buitengewone steun voor de distillatie van bepaalde wijnen. De Raad had ingestemd met de toekenning, voor het wijnoogstjaar 1993/1994, aan Franse wijnproducenten van een aanvullende steun tot ten hoogste het verschil tussen 24 FF/% vol/hl - de marktprijs in dat wijnoogstjaar - en de minimale gemeenschapsprijs van 2,06 ecu/% vol/hl voor de preventieve distillatie (dit verschil kwam neer op ongeveer 8 FF). Door deze maatregel kwam de prijs bij preventieve distillatie op het peil van de marktprijs voor wijn in het betrokken tijdvak. De Raad had eveneens ingestemd met de toekenning aan Italiaanse wijnproducenten van een aanvullende steun tot ten hoogste het verschil tussen de laagste aankoopprijs bij preventieve distillatie (2,06 ecu/% vol/hl) en de prijs bij verplichte distillatie (0,83 ecu/% vol/hl). Anders gezegd, werd de prijs bij verplichte distillatie aangepast aan die bij preventieve distillatie.
(15) - Reeds aangehaald in voetnoot 14.
(16) - Het Hof oordeelde in feite, dat de in artikel 93, lid 2, derde alinea, aan de Raad toegekende bevoegdheid binnen de in deze bepaling gestelde grenzen, dat wil zeggen het bestaan van buitengewone omstandigheden, van toepassing is in de wijnsector. Zie omtrent het eerste middel tot nietigverklaring de analyse in mijn conclusie in die zaak, punten 46-71.
(17) - Arrest reeds genoemd in voetnoot 14 (punt 18). Zie ook arresten van 17 mei 1988, Erpelding (84/87, Jurispr. blz. 2647, punt 27); 9 juli 1985, Bozzetti (179/84, Jurispr. blz. 2301, punt 30); 11 juli 1989, Schräder (265/87, Jurispr. blz. 2237, punten 23 en 24), en 21 februari 1990, Wuidart e.a. (C-267/88-C-285/88, Jurispr. blz. I-435, punt 14).
(18) - Zie ook arrest van 29 oktober 1980, Roquette Frères (138/79, Jurispr. blz. 3333, punt 25).
(19) - Arrest van 29 februari 1996 (aangehaald in voetnoot 14; punt 19).
(20) - Voor een nadere analyse van de omvang van de bevoegdheid van de Raad krachtens artikel 93, lid 2, derde alinea, van het begrip "buitengewone omstandigheden" en van de vraag in hoeverre sprake is van een onjuiste juridische kwalificatie of een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten, zie de punten 75-97 van mijn conclusie in de zaak Commissie/Raad aangehaald in voetnoot 14.
(21) - Zie arrest Commissie/Raad, aangehaald in voetnoot 14, punt 22.
(22) - Volgens de zesde overweging van de considerans van het besluit heeft de Franse regering overwogen de Franse wijnbouwers een buitengewone steun toe te kennen teneinde hun inkomstenverlaging te compenseren en de preventieve distillatie doeltreffender te maken.
(23) - Vergelijk het soortgelijke voorbehoud dat ik heb gemaakt in punt 94 van mijn conclusie in de zaak Commissie/Raad, aangehaald in voetnoot 14.
(24) - Zie arrest Commissie/Raad (aangehaald in voetnoot 14) en de arresten van 5 oktober 1994, Crispoltoni (C-133/93, C-300/93 et C-362/93, Jurispr. blz. I-4863, punt 32, en Duitsland/Raad, C-280/93, ibid., blz. I-4973, punt 47).
(25) - Zie arrest Commissie/Raad, aangehaald in voetnoot 14, punt 25.
(26) - In het arrest Commissie/Raad (aangehaald in voetnoot 14) overwoog het Hof in punt 21: "Dienaangaande moet allereerst worden opgemerkt, dat ook al ware de situatie van de wijnmarkt vergelijkbaar met die in de voorafgaande oogstjaren, de Raad niet kan worden geacht een kennelijke beoordelingsfout te hebben gemaakt door in de vierde overweging van de considerans van de twee bestreden besluiten te oordelen - zonder door de Commissie te zijn weersproken -, dat het bij het begin van het wijnoogstjaar 1993/1994 vastgestelde gebrek aan evenwicht op de communautaire wijnmarkt, juist wegens het aanhouden van de situatie, in Italië ernstige economische en sociale gevolgen, met name voor de kleine producenten en de coöperaties, dreigde te hebben, en in Frankrijk een kritieke situatie dreigde te doen ontstaan."
(27) - In het arrest Commissie/Raad (aangehaald in voetnoot 14) wees het Hof in punt 29 een soortgelijk middel tot nietigverklaring af in de volgende bewoordingen: "De door artikel 190 EG-Verdrag vereiste motivering moet de redenering van de gemeenschapsinstelling die de handeling heeft verricht, weliswaar duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen (zie arrest van 9 november 1995, Atlanta Fruchthandelsgesellschaft e.a., C-466/93, Jurispr. blz. I-3799, punt 16), doch het is niet noodzakelijk, dat alle gegevens, feitelijk of rechtens, daarin worden gespecificeerd. Bij de vraag, of de motivering van een besluit aan deze vereisten voldoet, moet immers niet alleen acht worden geslagen op de tekst ervan, doch ook op de context waarin het is genomen, en op het geheel van de rechtsregels die de betrokken materie beheersen. Indien de essentie van het door de instelling nagestreefde doel uit de betwiste handeling blijkt, zou het derhalve nutteloos zijn, voor elke technische keuze van deze instelling een specifieke motivering te verlangen."
(28) - Het Hof heeft aldus geoordeeld in het arrest Commissie/Raad, aangehaald in voetnoot 14, punt 28.
(29) - Zie arrest Commissie/Raad, aangehaald in voetnoot 14, punt 30.
Full & Egal Universal Law Academy