CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 3 oktober 1996 ( *1 )
1.
In de onderhavige procedure moet het Hof van Justitie zich uitspreken over het beroep van de Commissie van 3 oktober 1995 krachtens artikel 169 EG-Verdrag, strekkende tot vaststelling dat de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens het Verdrag en artikel 10, lid 1, van richtlijn 93/48/EEG ( 1 ), artikel 8, lid 1, van richtlijn 93/49/EEG ( 2 ), artikel 2, lid 1, van richtlijn 93/52/EEG ( 3 ), artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/61/EEG ( 4 ) en artikel 13, lid 1, van richtlijn 93/85/EEG ( 5 ), door niet binnen de gestelde termijn de nodige bepalingen vast te stellen en in werking te doen treden om aan deze richtlijnen te voldoen en de Commissie daarvan niet in kennis te stellen.
2.
Ingevolge genoemde bepalingen moesten de Lid-Staten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om vóór respectievelijk 31 december 1993, 1 januari 1994 of 15 november 1993 aan deze richtlijnen te voldoen, en moesten zij de Commissie daarvan in kennis stellen.
3.
Omdat de Commissie op 1 januari 1994 geen enkele mededeling had ontvangen over de omzetting van deze richtlijnen in nationaal recht, zond zij op 10 februari daaraanvolgend een aanmaningsbrief aan de Italiaanse Republiek, waarin zij op dit uitblijven van informatie wees en haar verzocht, een volledig en gedetailleerd overzicht te verstrekken van de nationale bepalingen waarmee aan deze richtlijnen uitvoering was gegeven. In dezelfde brief verweet de Commissie de Italiaanse regering, dat zij de door het Verdrag en genoemde richtlijnen opgelegde verplichtingen niet was nagekomen, en stelde zij die regering een termijn van twee maanden om haar opmerkingen te maken.
4.
Toen een antwoord op haar aanmaningsbrief uitbleef, bracht de Commissie op 22 september 1994 een met redenen omkleed advies uit, waarin zij vaststelde, dat overeenkomstig de haar ter beschikking staande informatie de Italiaanse Republiek genoemde richtlijnen niet in nationaal recht had omgezet en de Commissie ook geen mededeling daaromtrent had doen toekomen, hetgeen als een niet-nakoming moest worden aangemerkt. Derhalve verzocht zij de Italiaanse Republiek, de nodige maatregelen vast te stellen om binnen een termijn van twee maanden aan de richtlijnen uitvoering te geven.
5.
Op 3 februari 1995 verklaarde de Italiaanse overheid in een brief van haar permanente vertegenwoordiger, dat de nodige maatregelen om aan deze richtlijnen gevolg te geven, in voorbereiding waren.
6.
Aangezien de Commissie in oktober van dat jaar nog steeds geen zekerheid had, dat Italië die richtlijnen had uitgevoerd, heeft zij het onderhavig beroep ingesteld.
7.
In haar verweerschrift betwist de Italiaanse regering de haar verweten niet-nakoming niet, doch herhaalt zij enkel haar verklaring tijdens de precontcntieuzc procedure, dat de nodige bepalingen om die richtlijnen in nationaal recht om te zetten, op korte termijn zouden worden vastgesteld.
8.
Vervolgens heeft de Italiaanse overheid op 27 februari 1996 de Commissie bij schrijven van haar permanente vertegenwoordiger ervan in kennis gesteld, dat richtlijn 93/85 door de goedkeuring op 31 januari 1996 van een op 14 februari daaraanvolgend bekendgemaakt ministerieel besluit in nationaal recht was omgezet.
9.
Gelet op dit schrijven en na de passende controle te hebben verricht, heeft de Commissie het Hof meegedeeld, dat zij overeenkomstig artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering gedeeltelijk afstand deed van haar beroep — wat richtlijn 93/85 betreft—, doch dat zij het beroep voor het overige handhaafde, dat wil zeggen, dat zij bleef bij haar verzoek krachtens artikel 169 van het Verdrag, vast te stellen dat de Italiaanse Republiek haar verplichtingen tot uitvoering van de richtlijnen 93/48, 93/49, 93/52 en 93/61 niet was nagekomen.
10.
Met betrekking tot de niet-nakoming die nog steeds wordt verweten, blijkt duidelijk uit het verweerschrift van de Italiaanse regering, dat in februari 1996 de richtlijnen 93/48, 93/49, 93/52 en 93/61 nog niet in nationaal recht waren omgezet, hoewel de termijn daarvoor voor de eerste, de tweede en de vierde richtlijn was verstreken op 31 december 1993 en voor de derde richtlijn op 1 januari 1994.
11.
Mitsdien moet het beroep worden toegewezen en moet de verwerende Lid-Staat in alle kosten van het geding worden verwezen, ingevolge artikel 69, lid 2, eerste alinea, en lid 5, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering, daar de gedeeltelijke afstand van de Commissie voortvloeit uit de houding van verweerster, die eerst na de instelling van het beroep de nodige bepalingen heeft vastgesteld om uitvoering te geven aan richtlijn 93/85.
12.
Derhalve geef ik het Hof in overweging:
1)
vast te stellen dat de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens het EG-Verdrag en artikel 10, lid 1, van richtlijn 93/48/EEG, artikel 8, lid 1, van richtlijn 93/49/EEG, artikel 2, lid 1, van richtlijn 93/52/EEG en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/61/EEG, door niet binnen de gestelde termijn de nodige bepalingen vast te stellen en in werking te doen treden om aan deze richtlijnen te voldoen en de Commissie daarvan niet in kennis te stellen;
2)
de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten van het geding.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Spaans.
( 1 ) Richtlijn 93/48/EEG van de Commissie van 23 juni 1993 tot vaststelling van het schema met de voorwaarden waaraan fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt en teeltmateriaal daarvan overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 92/34/EEG van de Raad moeten voldoen (PB 1993, L 250, blz. 1).
( 2 ) Richtlijn 93/49/EEG van de Commissie van 23 juni 1993 tot vaststelling van het schema met de voorwaarden waaraan siergewassen en teeltmateriaal daarvan overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 91/682/EEG van de Raad moeten voldoen (PB 1993, L 250, biz. 9).
( 3 ) Richtlijn 93/52/EEG van de Raad van 24 juni 1993 tot wijziging van richtlijn 89/556/EEG tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in embryo's van als huisdier gehouden runderen en de invoer daarvan uit derde landen (PB 1993, L 175, biz. 21).
( 4 ) Richtlijn 93/61/EEG van de Commissie van 2 juli 1993 tot vaststelling van de schema's met de eisen waaraan teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen, met uitzondering van zaad, overeenkomstig richtlijn 92/33/EEG van de Raad moeten voldoen (PB 1993, L 250, blz. 19).
( 5 ) Richtlijn 93/85/EEG van de Raad van 4 oktober 1993 betreffende de bestrijding van aardappelringrot (PB 1993, L 259, biz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy