Conclusie van de advocaat generaal
1 De onderhavige zaak gaat terug op een bij de Symvoulio Epikrateias (hierna: "Raad van State") aanhangig geding, waarin de Deense vennootschap Canadane Cheese Trading amba (hierna: "Canadane") en de Griekse vennootschap Afoi G. Kouri AEVE (hierna: "Afoi Kouri") nietigverklaring vorderen van diverse bestuurshandelingen van verschillende Griekse autoriteiten waardoor zij een partij kaas die zij uit Denemarken hadden geïmporteerd, in Griekenland niet onder de benaming "feta" konden verhandelen.
I - De feiten
2 Bij aangifte nr. 53 130 van 26 augustus 1991 werd het Zesde douanekantoor van Pireüs ingelicht over de invoer van een partij witte kaas, verpakt in blikken met het opschrift "Deense feta-kaas van gepasteuriseerde koemelk". Deze partij was door Canadane uit Denemarken uitgevoerd met bestemming Griekenland, teneinde aldaar door de Afoi Kouri te worden geïmporteerd en vervolgens verhandeld.
3 Op grond van het inspectierapport dat op 26 augustus 1991 door de veearts van de afdeling Controle voedingsmiddelen van de veterinaire dienst van Pireüs was opgesteld, bevalen de Griekse autoriteiten de inbeslagneming van de onderhavige partij kaas. Volgens dit rapport mocht deze partij niet voor verkoop worden vrijgegeven, aangezien overeenkomstig artikel 15, vijfde streepje, van presidentieel decreet nr. 40/1977 het product niet voor consumptie geschikt was, omdat het niet voldeed aan de voorwaarden die voor invoer golden. Immers, op de blikken waarin het was verpakt, stond de aanduiding "feta" in plaats van de vermelding "witte kaas" die erop had moeten staan volgens artikel 83, deel IV, sub 3 c, van de Wet op de voedingsmiddelen, zoals gewijzigd bij ministerieel besluit nr. 2109/1988 van de ministers van Financiën en van Landbouw.
4 Canadane en Afoi Kouri hebben het inspectierapport aangevochten voor de driehoofdige commissie, bedoeld in artikel 17, lid 2, van presidentieel decreet nr. 40/1977. Bij beschikking van 13 september 1991 heeft deze commissie hun klacht verworpen en de motivering van het inspectierapport bekrachtigd.
5 De daarop geadieerde vijfhoofdige commissie, bedoeld in artikel 17, lid 4, van presidentieel decreet nr. 40/1977 bekrachtigde bij beschikking van 24 september 1991 het besluit waarbij het product ongeschikt voor consumptie was verklaard. Zij deed dit op dezelfde gronden, doch met de toevoeging: "bovengenoemde Griekse voorschriften, die het gebruik van de benaming $feta' beperken tot kaas die is vervaardigd uit schapenmelk of een mengsel van schapen- en geitenmelk, zijn niet in strijd met de communautaire wetgeving, zoals de Commissie van de Europese Gemeenschappen zelf heeft verklaard in haar brief nr. 3953 van 6 maart 1989 aan de Griekse autoriteiten en die bij het dossier is gevoegd".
De vijfhoofdige commissie heeft eveneens in haar beschikking bepaald, dat het beslag kon worden opgeheven indien nieuwe etiketten met de vermelding "witte kaas in pekel uit Denemarken, van gepasteuriseerde koemelk. Productiedatum: 9.8.1991. Uiterste verbruiksdatum: 9.8.1992" over de oude verpakkingsetiketten zouden worden geplakt.
6 Afoi Kouri wees de door de Griekse autoriteiten voorgestelde wijziging van de hand en stelde beroep in bij de Raad van State. Ofschoon de uit Denemarken onder de aanduiding "Deense feta-kaas van gepasteuriseerde koemelk" ingevoerde partij kaas intussen was bedorven en reeds vernietigd, oordeelde de Raad van State in zijn uitspraak 1873/1993, dat de verzoekende vennootschappen een rechtmatig belang behielden bij de voortzetting van de procedure, aangezien de overheid door haar in het aangevochten besluit vervatte weigering om de invoer van Deense kaas uit gepasteuriseerde koemelk onder de benaming "feta" toe te staan, en de suggestie om die invoer mogelijk te maken op voorwaarde dat de kaas de aanduiding zou dragen "witte kaas in pekel uit Denemarken, van gepasteuriseerde koemelk", de verhandelbaarheid van dit product op de Griekse markt had belemmerd. Immers, de aan de importeurs opgelegde verplichting een bij de Griekse consument minder bekende en minder door hem gewaardeerde benaming te gebruiken dan de traditionele benaming "feta", zou de verkoop van de Deense feta-kaas op de Griekse markt aanzienlijk bemoeilijken.
7 In hun beroep bij de Raad van State betoogden verzoeksters, dat de Griekse regeling betreffende de voorwaarden inzake de samenstelling (schapenmelk of een mengsel van schapenmelk en geitenmelk) en de bereiding van feta (natuurlijke stremming) een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking inhield in strijd met de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag, omdat daardoor de invoer en de verhandeling van in Denemarken rechtmatig geproduceerde en in de handel gebrachte feta wordt belet omdat hij uit gepasteuriseerde koemelk en volgens de ultrafiltratiemethode is vervaardigd.
Om dit geschil te kunnen beslechten, achtte de Raad van State het nodig, het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
"1) Moeten de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat een Lid-Staat voor producten die in een andere Lid-Staat worden vervaardigd en daaruit worden uitgevoerd, het gebruik van een bepaalde handelsnaam in het handelsverkeer in die Lid-Staat kan verbieden, wanneer die producten uit het oogpunt van samenstelling of bereidingswijze zo zeer verschillen van producten die onder die benaming in de Gemeenschap algemeen bekend zijn, dat zij niet als gelijksoortig product tot dezelfde categorie kunnen worden gerekend?
2) Zo ja: moet de bekendheid van een product onder een bepaalde naam in de Gemeenschap worden beoordeeld in relatie tot de consumenten in de Lid-Staten van de Gemeenschap, wier bescherming immers wordt beoogd? Onder producten die onder een bepaalde benaming bij de consumenten in de Gemeenschap bekend zijn, worden gelijksoortige producten verstaan die wegens hun algemene en wezenlijke kenmerken ten aanzien van samenstelling en bereidingswijze bij deze consumenten bekend zijn, ook al verschillen zij wat bepaalde kenmerken betreft die voor de soort zelf niet bepalend zijn, maar die enkel de verschillen tussen de nationale varianten van die soort aangeven, die in de respectieve Lid-Staten van herkomst voor het merendeel rechtmatig worden vervaardigd en in de eerste plaats voor binnenlandse consumptie in de handel gebracht. Moet dus telkens wanneer een product in de Gemeenschap in het verkeer wordt gebracht voor uitsluitende of nagenoeg uitsluitende consumptie binnen één Lid-Staat waarin bij de consumenten aldaar vraag naar dat product bestaat, vooral wanneer het gaat om een product onder een traditionele benaming - ook ingeval dat product mede in een andere Lid-Staat wordt geproduceerd, evenwel niet voor binnenlandse consumptie, maar uitsluitend of bijna uitsluitend voor uitvoer naar de Lid-Staat waar dat product wordt geconsumeerd -, de algemene bekendheid van dat product bij de consumenten in de Gemeenschap, met name wat de algemene en wezenlijke kenmerken betreft, worden beoordeeld in relatie tot de consumenten in de Lid-Staat waar dat product voor consumptie in de handel wordt gebracht?
3) Bij bevestigende beantwoording van de voorgaande vragen: Kan gelet op de voornoemde gegevens in de brief 9539/VI/24.4.1994 van de directeur-generaal Landbouw van de Commissie en de begeleidende brief daarbij, met name op het punt van de percentuele verhouding tussen de totale consumptie in de Gemeenschap van kaas onder de benaming $feta' en de consumptie in de Gemeenschap van kaas onder die benaming, vervaardigd uit schapen- en/of geitenmelk volgens de natuurlijke stremmingsmethode, alsmede de percentuele verhouding tussen de consumptie van feta-kaas uit schapen- en/of geitenmelk in de Gemeenschap en de consumptie van dit product in Griekenland, en voorts de percentuele verhouding tussen de productie voor binnenlandse consumptie en voor uitvoer in Denemarken en in de andere Lid-Staten van kaas onder de benaming $feta' uit koemelk volgens de ultrafiltratiemethode, worden aangenomen, dat witte kaas onder de benaming $feta' in de andere Lid-Staten en vooral in Denemarken nagenoeg uitsluitend wordt geproduceerd voor uitvoer - binnen de Gemeenschap althans - naar Griekenland, nagenoeg de enige Lid-Staat waar kaas onder de benaming $feta' voor consumptie in de handel wordt gebracht? Moet de algemene bekendheid in de Gemeenschap van kaas onder de handelsnaam $feta', met name wat de algemene en wezenlijke eigenschappen betreft, derhalve worden beoordeeld in relatie tot de consument van feta-kaas in Griekenland, voor wie feta witte kaas is, bereid volgens de natuurlijke stremmingsmethode uit schapen- of geitenmelk, waarvan de kaas die uit koemelk volgens de ultrafiltratiemethode wordt vervaardigd, dus wel zo wezenlijk verschilt wat grondstof en bereidingswijze betreft, dat er niet meer van een gelijksoortig product kan worden gesproken, met als gevolg dat voornoemd artikel 83 van de Wet op de voedingsmiddelen, zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit en volgens hetwelk het gebruik van de benaming $feta' is voorbehouden aan kaas die volgens de natuurlijke stremmingsmethode uit schapen- of geitenmelk is bereid, verenigbaar is met de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag?"
8 Alvorens deze vragen te onderzoeken, wil ik nader ingaan op de productie en de verhandeling van feta in de Gemeenschap en op de Griekse regeling waarvan de verenigbaarheid met het EG-Verdrag in het hoofdgeding wordt betwist. Eveneens zal ik de rechtspraak van het Hof en de communautaire voorschriften inzake de verkoopbenamingen van levensmiddelen bespreken, die van invloed zijn op de productie en de verhandeling van feta.
II - De productie en de verhandeling van feta in de Gemeenschap
9 Homerus schrijft in de Odyssee, dat Polyphemos "(...) ging zitten, molk de schapen en mekkerende geiten en gaf ook de lammeren hun kans. Van de blauwe melk stremde hij de helft en zette die weg om in hechte en dichtgevlochten korven te drogen (...)"(1) Op die manier maakte de cycloop Polyphemos de kazen die Odysseus en zijn gezellen in de grot hadden gevonden. Het is nauwelijks verbazingwekkend dat Polyphemos, die de kaas bereidde op een manier die veel lijkt op de traditionele bereidingswijze die nog steeds in het hedendaagse Griekenland wordt toegepast, niets wist van de juridische problemen die het vrije verkeer van dit product in de Europese Gemeenschap aan het eind van de 20e eeuw met zich zou brengen. Immers, niet alleen kon hij 27 eeuwen geleden niet de geheimen van de beschermde benamingen voorzien, maar bovendien lag het niet in zijn aard om zich ook maar enige zorg daarover te maken, omdat de Cyclopen beschreven worden als wezens die geen enkel gevoel voor recht en rechtvaardigheid kunnen opbrengen.(2) In de Odyssee vermeldt Homerus eveneens, hoe krachtige Cyclopen in vervlogen tijden de dochters van Pandaros ontvoerden nadat hun ouders door de goden waren gedood, en hij beschrijft hoe de machtige Aphrodite "hen voedde met kaas, heerlijke zoete honing en wijn".(3)
In de Ilias, zijn ander episch gedicht, beschrijft Homerus de grote betekenis van kaas in het Griekenland van de achtste eeuw voor Christus.(4) Maar er zijn nog vroegere sporen van kaas te vinden, in de oudste afbeelding van mensen die geiten melken en daaruit melk stremmen, in de fries van El-Obeid in de tempel Ninchursag, de machtige godin van het leven, in Mesopotamië.
10 Kaas behoort tot de westerse voeding en cultuur. In vele belangrijke letterkundige werken vindt men er sporen van. Kaas behoort tot de meest gewaardeerde gerechten in de Spaanse literatuur(5) en, uiteraard, in Don Quichot de la Mancha, waarin Cervantes kaas de dagelijkse kost van de meest misdeelden noemt, die zich ermee vertroosten omdat zij niets te eten hebben wat rijker is aan dierlijke eiwitten(6), hoewel hij kaas soms ook wel "overheerlijk" noemt.(7)
11 Ook de Franse literatuur bevat tal van bewijzen, dat kaas behoort tot het dieet in Frankrijk. Zo beschrijft Rabelais reeds in het midden van de 16e eeuw, hoe kazen deel uitmaakten van de desserts van een gedenkwaardig diner.(8) Later gebruikte Marcel Proust kaas als contrast met de excessen van een decadente, maar van haar raffinement overtuigde maatschappelijke klasse en als afspiegeling van de ware aard van een van zijn personages, de heer Verdurin, die door de omstandigheden en de ambitie van zijn echtgenote naar een plaats op de maatschappelijke ladder was getild die boven zijn werkelijke mogelijkheden lag.(9)
12 Het harmonieuze samengaan van de mediterrane eetgewoonten en kaas kan ook worden geïllustreerd met een voorbeeld uit de recente Italiaanse literatuur. In zijn roman Palomar verhaalt Italo Calvino op magistrale wijze de ervaringen van zijn hoofdpersoon in een kaaswinkel in Parijs: "achter iedere kaas schuilt een weide van een andere kleur groen onder een andere hemel: grasland bedekt met zout dat de getijden van Normandië er elke namiddag deponeren; grasland geparfumeerd door de geuren van de zon en de winden van de Provence; men ziet er alle soorten vee in hun stallen of schaapskooien, op hun tocht van weide naar weide; men gist er naar de bereidingsgeheimen die eeuwenlang zijn overgeleverd. Deze winkel is een museum: de heer Palomar voelt, zoals in het Louvre, achter elk tentoongesteld object de beschaving die het heeft vorm gegeven."(10) De auteur benadrukt eveneens het belang van de naam die aan kaas wordt gegeven: "dit winkeltje is een woordenboek: de taal is het systeem van kazen in hun harmonie, een taal waarvan de morfologie verbuigingen en vervoegingen in talloze varianten kent en met een woordenschat die een onuitputtelijke rijkdom aan synoniemen, idiomatische toepassingen, gevoelswaarden en nuances bezit, zoals alle talen die gevoed worden door de bijdrage van honderd dialecten. Het is een taal die uit dingen bestaat; de terminologie is hier niet meer dan een uiterlijk instrumenteel aspect; maar voor de heer Palomar is het leren van een beetje terminologie steeds de eerste stap, wanneer hij de dingen die aan zijn ogen voorbijtrekken, een ogenblik wil vasthouden."(11)
13 Kaas heeft derhalve een onbetwistbaar aanzien in de beschaving van de Middellandse-Zeelanden(12), een aanzien dat ook andere firmamenten heeft bereikt.(13) De kazen en de daaraan gegeven namen hebben dus van doen met voorouderlijke tradities. Deze culturele context kan een rol spelen in een zaak als de onderhavige, want waar het bij de kazen op aankomt, is het natuurlijk karakter, de rest is mysterie en geduld. Kazen houden meer verband met oeroude gebruiken en traditionele smaken dan met het recept, dat kan worden geïmproviseerd, evenals de wet.(14)
14 De uitdrukking "feta" komt uit het Italiaans en is in Griekenland geïntroduceerd onder de invloed van de Venetiërs. Het woord "feta" komt van "fetta", dat plak, schijf of snede betekent. Het gebruik van de term feta heeft zich in Griekenland in de loop van de 19e eeuw doorgezet als benaming voor de traditionele witte kaas in pekel, die sinds onheuglijke tijden in praktisch geheel Griekenland en in andere Balkanstreken wordt geproduceerd.
15 Deze oeroude kaas die in Griekenland onder de benaming "feta" wordt geproduceerd, wordt bereid uit schapenmelk of uit een mengsel van schapenmelk en geitenmelk, die op traditionele en ambachtelijke wijze zonder enige druk wordt gestremd. Concreet ziet het bereidingsproces van deze kaas er als volgt uit:
- De melk wordt gestremd door natuurlijke gisting of met behulp van andere giststoffen van dierlijke oorsprong die eenzelfde werking hebben.
- Vervolgens wordt de wrongel uitgegoten in geperforeerde vormen, waarin de wei op natuurlijke wijze zonder druk uitlekt. Naarmate de wei verdwijnt, stolt de wrongel en wordt bedekt met een zoutkorst, waardoor zich een het rijpingsproces begunstigende microflora ontwikkelt.
- De wrongel wordt vervolgens overgebracht in houten of metalen vaten onder toevoeging van pekel met een gehalte van 7 % natriumchloride. De vaten worden geplaatst in rijpingskamers waar temperatuur en vochtigheidsgraad strikt worden gecontroleerd.
- Zij blijven daar gedurende twee weken en worden vervolgens overgebracht naar koelinstallaties voor een periode van ruim zes weken. Het rijpingsproces duurt dus twee maanden.
16 De voornaamste eigenschappen van de aldus bereide kaas zijn de natuurlijke witte kleur, de compacte structuur, de typische geur en smaak (licht zuur, zoutig en vettig). Tot 1988 was de productie van feta in Griekenland niet gereguleerd en als gevolg van het ontelbare aantal productiebedrijven bestaan er diverse lokale of regionale varianten.
17 Aangezien er internationaal geen technische specificaties bestonden, kon in diverse Lid-Staten van de Gemeenschap en in andere landen een andere, modernere en meer concurrerende productiemethode van feta ontstaan. Deze productie beoogde de vraag van de in derde en in Arabische landen gevestigde Griekse immigrantengemeenschappen te bevredigen.
Sedert de jaren zestig wordt in Denemarken - en recenter ook in Duitsland en Nederland - een kaas genaamd "feta" gemaakt uit andere melk en volgens een andere methode dan in Griekenland worden gebruikt. Er wordt namelijk koemelk gebruikt, die goedkoper is dan schapen- of geitenmelk, en een industriële productiemethode toegepast, ultrafiltratie, die moderner en concurrerender is dan de traditionele methode van de natuurlijke stremming. Ofschoon Frankrijk eveneens feta uit koemelk fabriceert, bestaat er eveneens een feta-productie op basis van schapenmelk (in Corsica en bepaalde streken van het Centraal Massief), zoals bijvoorbeeld in Roquefort, waar men feta produceert uit de schapenmelk die niet wordt gebruikt voor de productie van Roquefort-kaas.
18 De statistieken over productie, consumptie en handel van de twee typen feta in de Gemeenschap zijn ietwat onnauwkeurig wegens de technische moeilijkheden die het gevolg zijn van de verschillende toegepaste berekeningsmethoden, de fluctuaties in de voorraden en het bestaan in Griekenland van duizenden kleine kaasmakerijen die uitsluitend aan de behoeften van de plaatselijke bevolking, of zelfs slechts van de eigen familie, voldoen.
De gegevens die de Commissie bij haar brief nr. 9539/VI van 24 februari 1994 aan de Raad van State heeft verschaft, evenals de tot op zekere hoogte overeenstemmende statistieken van Canadane en van de Lid-Staten die in de onderhavige zaak zijn tussengekomen, maken het nochtans mogelijk tot de volgende conclusies te komen:
a) In de periode 1988-1992 schommelde de jaarlijkse consumptie van feta uit schapenmelk of uit een mengsel van schapen- en geitenmelk in de Gemeenschap tussen 125 000 en 150 000 ton, die van feta uit koemelk tussen 10 000 en 25 000 ton. De consumptie van feta vindt hoofdzakelijk in Griekenland plaats, omdat dat land alleen al tussen 70 en 85 % van de totale consumptie in de Gemeenschap consumeert, hetgeen ongeveer 10 kg per inwoner per jaar vertegenwoordigt. Bij feta uit schapenmelk of uit een mengsel van schapen- en geitenmelk beloopt dit percentage zelfs meer dan 90 %. In de andere Lid-Staten is de consumptie van feta hetzij non-existent, hetzij relatief gering en betreft zij nagenoeg uitsluitend feta uit koemelk. Percentueel is Duitsland de tweede consument van feta, hetgeen verklaard wordt door de aanwezigheid van een belangrijke gemeenschap van Turkse origine. De consumptie van feta in Denemarken is uiterst gering.
b) De jaarlijkse productie van feta in de Gemeenschap beliep tussen 1988 en 1992 ongeveer 240 000 ton. Griekenland is, met 50 % van de communautaire productie, de voornaamste producent van feta, die aldaar wordt geproduceerd uit schapenmelk of uit een mengsel van schapen- en geitenmelk. De Griekse productie is nagenoeg uitsluitend bestemd voor binnenlandse consumptie. De tweede communautaire producent is Denemarken met een productie die praktisch 40 % van de communautaire productie bereikt. Deze feta, uit koemelk, is bijna geheel bestemd voor uitvoer naar andere Lid-Staten van de Gemeenschap en vooral naar derde landen. De rest van de productie is verdeeld over Duitsland, Frankrijk en Nederland. Het betreft voornamelijk feta uit koemelk, waarvan een belangrijk deel naar andere Lid-Staten of naar derde landen wordt uitgevoerd. De hoeveelheid feta uit koemelk die door Denemarken en de andere producerende Lid-Staten naar Griekenland wordt geëxporteerd, is tamelijk gering, ook al begon de restrictieve Griekse wetgeving voor feta in de loop van de door de statistieken bestreken periode reeds effect te sorteren.
19 Feta wordt eveneens buiten de Europese Gemeenschap geproduceerd en geconsumeerd. Ofschoon volledige statistieken ontbreken, tonen de werkzaamheden van de Organisatie van de Verenigde Naties voor voedsel en landbouw (hierna: "FAO") en van de Wereldgezondheidsorganisatie (hierna: "WHO") om te komen tot een internationale standaard voor feta aan, dat een betrekkelijk belangrijke productie en consumptie bestaat in landen als Iran of Saoedi-Arabië, waar feta uit schapenmelk of uit een mengsel van schapen- en geitenmelk overheerst, evenals in andere landen zoals Nieuw-Zeeland of de Verenigde Staten, waar feta uit koemelk zeer sterk domineert.
III - De Griekse regelgeving inzake feta
20 Tot 1988 was in Griekenland de productie van feta niet geregeld. In dat jaar begonnen de Griekse autoriteiten de voorwaarden voor de bereiding en de verhandeling van feta geleidelijk te regelen, wat in 1994 ertoe leidde dat feta een beschermde oorsprongsbenaming werd.
21 Ofschoon er reeds eerder een eerste restrictieve regeling bestond(15), zette dit proces in met ministerieel besluit nr. 2109/1988(16) van de ministers van Landbouw en Financiën, dat werd gevolgd door twee andere ministeriële besluiten van deze ministers, te weten besluiten nrs. 688/1989(17) en 565/1991(18), waardoor artikel 83 van de Wet op de voedingsmiddelen werd gewijzigd. Op het moment waarop de feiten die aan het hoofdgeding ten grondslag liggen zich voordeden, luidde de tekst van dat artikel 83 als volgt:
"I. (...) IV. Traditionele Griekse kazen. Speciale voorschriften. 1. Harde kaas (...) 3. Zachte kaas. a) (...) c) (...) 1 a) (...) 3 c) (...) Speciale voorschriften voor feta-kaas.
1. Naam van de kaas: feta.
2. Productiegebied: Macedonië, Tracië, Epiros, Thessalië, Centraal Griekenland, Peloponnesos en het eiland Lesbos.
3. Definitie: feta-kaas is een product dat wordt bereid uit schapenmelk of een mengsel van schapen- en geitenmelk, wordt gerijpt en geconserveerd in zout water tot het de consument bereikt, en voldoet aan de volgende voorschriften:
4. Grondstoffen:
4.1. Melk: schapenmelk of een mengsel van schapen- en geitenmelk, die in de bovenstaande gebieden is geproduceerd.
5. Toegestane additieven en hulpstoffen:
5.1. Noodzakelijke:
a) traditionele leb of andere enzymen van dierlijke oorsprong met een gelijksoortige werking;
b) niet patogene bacterieculturen (melkzuurbacteriën), voor het geval de melk gepasteuriseerd is;
c) eetbare natriumchloride (zout).
5.2 Facultatieve:
a) calciumchloride, tot 20 gr per 100 kg melk;
b) conserveringsmiddelen: het gebruik van conserveringsmiddelen is niet toegestaan;
c) kleurstoffen: het gebruik van kleurstoffen is niet toegestaan.
6. Belangrijkste kenmerken van de rijpe kaas:
6.1 Uiterlijk van de kaas:
6.1.1. Consistentie: zachte kaas die in stukken kan worden gesneden.
6.1.2. Vorm: hoekpunt of rechthoekig parallellepipedum.
6.1.3. Afmetingen: variabel.
6.1.4. Gewicht: variabel.
6.2. Korst: geen.
6.3. Massa van de kaas:
6.3.1. Structuur: compact, met enige inkepingen van mechanische oorsprong.
6.3.2. Kleur: zuiver wit.
6.4. Gaten: enkele of geen.
6.4.1. Verspreiding: in de gehele massa. 6.4.2. Vorm: onregelmatig.
6.5. Minimum vetgehalte: 43 % (berekend op basis van droge stof).
6.6. Vochtigheidsgraad maximaal: 56 %.
6.7. Andere wezenlijke kenmerken: het is een kaas die rijpt en wordt geconserveerd in zout water; hij heeft een aangename, licht zure smaak en een vol aroma; hij wordt bewaard in houten vaten of metalen bakken.
7. Productiemethode:
7.1. Stremming van de melk: met traditionele leb of andere enzymen van dierlijke oorsprong met een gelijksoortige werking.
7.2. Thermische behandeling:
7.2.1. Thermische behandeling van de melk: gepasteuriseerd of vers.
7.2.2. Thermische behandeling van de wrongel: geen.
7.3. Gistingsproces: door melkzuur.
7.4. Rijpingsproces: in zout water, in houten vaten of metalen bakken, gedurende minstens twee maanden.
7.5. Aanvullende bereidingskenmerken: uitlekken van de wei in geperforeerde vormen, zonder druk; droge zouting, uitwendig."
22 Op 19 maart 1993, dat wil zeggen nadat de in de onderhavige zaak relevante feiten zich hadden voorgedaan, werden bij presidentieel decreet nr. 81/1993(19) de voorwaarden en de procedure geregeld voor de erkennning van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen van landbouwproducten, welke regeling heeft gegolden tot aan de inwerkingtreding van verordening (EEG) nr. 2081/92(20) (24 juli 1993). De geldingsduur van presidentieel decreet nr. 81/1993 werd verlengd bij presidentieel decreet nr. 291/1993(21); tevens werd aan artikel 1, lid 1, een nieuwe alinea toegevoegd waardoor aan "alle traditionele aanduidingen, al dan niet geografische, die een Grieks voor consumptie geschikt landbouwproduct van goede reputatie en ruime bekendheid, ten minste op de binnenlandse markt, aanduiden", de status van oorsprongsbenaming werd verleend.
23 Ten slotte is artikel 83 van de Wet op de voedingsmiddelen gewijzigd bij ministerieel besluit nr. 313025/1994 van de minister van Landbouw van 11 januari 1994 betreffende de erkenning van de oorsprongsbenaming "feta".(22) Dit ministerieel besluit definieert het begrip feta, preciseert het productiegebied en legt de voorwaarden vast waaraan de bij de bereiding gebruikte melk moet beantwoorden. Het beschrijft de bereidingswijze van feta, somt de kenmerken ervan op en bepaalt de aanduidingen die op de verpakking van het product moeten voorkomen. Ten slotte bevat het besluit een algemeen verbod op de productie, invoer, uitvoer en verhandeling onder de benaming "feta" van kaas die niet voldoet aan de daarin opgesomde voorwaarden.
Bij ministerieel besluit nr. 596/1995 van de ministers van Landbouw en Financiën(23) is de vroegere regeling gecodificeerd, die thans is opgenomen in het nieuwe artikel 83 van de Wet op de voedingsmiddelen. Dit artikel, met het opschrift "Kazen met een beschermde oorsprongsbenaming", bevat met name regels die op feta van toepassing zijn.
24 Reeds in 1988, toen de Helleense Republiek begon met het regelen van de productie en van de handel in feta, onderzocht de Commissie de verenigbaarheid van die regels met het gemeenschapsrecht. Bij brief nr. 3935 van 6 maart 1989 deelde de directeur-generaal van het directoraat-generaal Landbouw de Griekse autoriteiten mede, dat hij na zorgvuldig onderzoek van de productie- en verhandelingsmethoden van feta van oordeel was dat de Griekse wetgeving verenigbaar was met het gemeenschapsrecht. Na diverse klachten van de nationale federaties van producenten van melkproducten van meerdere Lid-Staten handhaafde de Commissie haar standpunt en verklaarde zij, dat de zogenoemde "Cassis de Dijon"-rechtspraak(24), betreffende de wederzijdse erkenning van in een Lid-Staat rechtmatig geproduceerde en in de handel gebrachte waren, in casu niet van toepassing was vanwege de wezenlijke verschillen tussen de in Griekenland geproduceerde feta (uit schapenmelk of uit een mengsel van schapen- en geitenmelk, en volgens de methode van de natuurlijke stremming) en de feta die in andere Lid-Staten uit koemelk en volgens de ultrafiltratiemethode werd geproduceerd.
Toen de Commissie ontdekte dat in Griekenland een niet te verwaarlozen productie bestond van feta waarin mede koemelk werd verwerkt, informeerde zij de Griekse autoriteiten en waarschuwde hen, dat deze praktijk de erkenning van de rechtmatigheid van de Griekse wetgeving op het spel kon zetten. De Griekse autoriteiten versterkten hun controles en stelden vast, dat in slechts 5,9 % van de nationale productie van feta koemelk werd toegevoegd. De Commissie was van oordeel, dat een zo geringe fraude de doeltreffendheid van de nieuwe Griekse wetgeving niet kon beïnvloeden.
25 Enige tijd later begon de Commissie krachtens artikel 169 EG-Verdrag een niet-nakomingsprocedure tegen de Helleense Republiek op grond van de restrictieve gevolgen die de Griekse wetgeving teweegbracht door de geografische exclusiviteit van de productie van feta en van andere traditionele Griekse kazen. Op 18 mei 1992 bracht zij de Griekse regering een met redenen omkleed advies uit waarin zij verklaarde, dat de litigieuze regeling inbreuk maakte op artikel 30 EG-Verdrag omdat zij op ongerechtvaardigde wijze het gebruik van de soortnaam "feta" voorbehield aan kaas die in bepaalde streken van Griekenland werd geproduceerd.
Uiteindelijk heeft de Commissie geen beroep ingesteld bij het Hof, omdat de zaak samenhing met lopende procedures inzake de erkenning, door de Gemeenschap, van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen in de zin van verordening nr. 2081/92 betreffende de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen.
IV - Verkoopbenamingen van levensmiddelen: rechtspraak van het Hof en communautaire wetgeving
26 Het gemeenschapsrecht kent geen algemene regeling van de verkoopbenamingen van levensmiddelen. Er bestaan slechts enkele regelingen die dit punt aanroeren zonder het rechtstreeks te regelen. Dit is het geval met richtlijn 79/112/EEG(25) betreffende de etikettering van levensmiddelen en de reclame die daarvoor wordt gemaakt. Artikel 15, lid 2, hiervan laat nationale regelingen ter zake toe, wanneer deze gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de volksgezondheid, het tegengaan van misleiding, de bescherming van de industriële en commerciële eigendom, van geografische aanduidingen, van oorsprongsbenamingen dan wel het tegengaan van oneerlijke concurrentie.
Op grond van de op dit gebied bestaande communautaire wetgeving alsmede de desbetreffende rechtspraak van het Hof kunnen de verkoopbenamingen van levensmiddelen naar gelang van hun invloed op het intracommunautaire goederenverkeer worden ingedeeld als volgt:
A - De communautaire benamingen
27 Het betreft benamingen die door bepalingen van afgeleid gemeenschapsrecht worden geregeld, waarin de kenmerken van het product en de productiemethode voor het gehele gebied van de Gemeenschap zijn vastgelegd. Deze "Eurolevensmiddelen" (bijvoorbeeld honing(26) of chocolade(27)) kunnen zonder enige beperking in alle Lid-Staten worden verhandeld en leveren voor het intracommunautaire verkeer geen enkel probleem op.
B - De soortnamen
28 Soortnamen zijn de gangbare namen die worden gebruikt ter aanduiding van landbouwproducten of levensmiddelen. Het betreft benamingen die deel uitmaken van het algemene culturele en gastronomische erfgoed en die in beginsel door elke producent kunnen worden gebruikt. In de rechtspraak van het Hof zal men tevergeefs een definitie van het begrip soortnaam zoeken. Als zodanig zijn tot dusver beschouwd "azijn"(28), "jenever"(29), "bier"(30), "deegwaren"(31), "yoghurt"(32), "Edam"(33), "kazen"(34), "vleeswaren"(35) en "brood"(36).
29 Op talloze gebieden hebben de Lid-Staten nationale regelingen uitgevaardigd die het gebruik van een soortnaam aan nauwkeurige productievoorwaarden binden. Wanneer die voorwaarden in de Lid-Staten met elkaar overeenstemmen, kunnen ingevoerde producten de soortnaam in de Lid-Staat van invoer dragen en doen zich geen belemmeringen van het intracommunautaire verkeer voor. Veelal verschillen de productievoorwaarden echter van de ene Lid-Staat tot de andere. De onder dezelfde soortnaam in verschillende Lid-Staten verkochte producten vertonen dan enige verschillen. Voor het vrije intracommunautaire goederenverkeer ontstaat een probleem, wanneer in een Lid-Staat onder een aldaar gebruikte soortnaam een product in de handel wordt gebracht, dat uit een andere Lid-Staat is uitgevoerd waar het rechtmatig onder dezelfde benaming is geproduceerd en in de handel gebracht, maar in sommige opzichten andere kenmerken vertoont.(37)
Het Hof heeft steeds geoordeeld, dat belemmeringen van het intracommunautaire handelsverkeer die het gevolg zijn van verschillen tussen de nationale wetgevingen betreffende het gebruik van soortnamen van landbouwproducten en levensmiddelen, maatregelen van gelijke werking zijn in strijd met artikel 30 EG-Verdrag. Iedere nationale maatregel die het gebruik van een bepaalde soortnaam voorbehoudt aan een nationaal product ten nadele van producten ingevoerd uit andere Lid-Staten waar zij rechtmatig zijn geproduceerd en in het verkeer gebracht, is onverenigbaar met het fundamentele beginsel van het vrij verkeer van goederen.(38)
30 De meeste redenen die worden aangevoerd ter rechtvaardiging van belemmeringen voortvloeiend uit verschillen tussen de nationale regelingen inzake het gebruik van soortnamen, zijn afgeleid uit dwingende vereisten, meestal verband houdend met de bescherming van consumenten, de eerlijkheid van de handelstransacties en, in mindere mate, de bescherming van de volksgezondheid in de zin van artikel 36 EG-Verdrag. Een onderzoek van de desbetreffende rechtspraak zal aantonen, welke twee oplossingen het Hof in dergelijke omstandigheden heeft toegepast.
31 In het algemeen heeft het Hof het beginsel van de wederzijdse erkenning toegepast en beslist, dat de als dwingende vereisten ingeroepen gronden niet de belemmering van de verkoop, onder de soortnaam van de staat van invoer, rechtvaardigden van in sommige opzichten verschillende producten die onder dezelfde benaming in de staat van herkomst waren vervaardigd en in het verkeer gebracht. Het Hof is van oordeel, dat de Lid-Staat van bestemming zijn consumenten kan beschermen en de eerlijkheid van de handelstransacties kan verzekeren door te eisen dat alle kenmerken van het product op het etiket of de verpakking van het geïmporteerde product worden vermeld. Deze verplichte etikettering is altijd nog een minder beperkend alternatief, dat het evenredigheidsbeginsel meer respecteert dan een invoerverbod of de verplichting om het product onder een fantasienaam in het verkeer te brengen.
In bekende zaken als die van het Duitse bier en van de Italiaanse deegwaren stelde het Hof zich impliciet op het standpunt, dat ondanks de gebleken verschillen in samenstelling de bieren en de deegwaren die in andere Lid-Staten waren geproduceerd voldoende gelijksoortig waren, zodat door middel van een passend etiket elk risico van verwarring bij de Duitse en Italiaanse consumenten kon worden voorkomen en de verkoop onder de soortnaam "bier" en "deegwaren" kon worden toegestaan.
32 Niettemin heeft het Hof in het arrest Deserbais en meer nog in het arrest Smanor als uitzondering op de algemene regel van wederzijdse erkenning van generieke verkoopbenamingen in geval van passende etikettering, de mogelijkheid erkent dat de Lid-Staat van bestemming op zijn grondgebied de verkoop van een uit een andere Lid-Staat ingevoerd product onder een soortnaam kan verhinderen, wanneer de kenmerken daarvan wezenlijk verschillen van die van de nationale producten die onder dezelfde benaming worden verhandeld.
In de zaak Smanor overwoog het Hof, dat in beginsel het geïmporteerde product in Frankrijk onder de soortnaam "yoghurt" kon worden verhandeld mits het etiket de vermelding "diepgevroren" droeg, teneinde de consument te informeren over de behandeling die het product had ondergaan. Het voegde daaraan nochtans toe, dat het kenmerkende element van het onder de benaming "yoghurt" verkochte product de aanwezigheid van grote aantallen levende melkbacteriën is, en het oordeelde dat de etikettering zou kunnen tekortschieten indien de in diepgevroren toestand ingevoerde yoghurt wezenlijk andere kenmerken had dan de Franse consument verwacht wanneer hij een product onder de soortnaam "yoghurt" koopt. Aldus laat het arrest Smanor het aan de nationale rechter te beoordelen, of de verschillen die diepgevroren yoghurt vertoont ten opzichte van de vereisten die door de nationale regeling aan verse yoghurt worden gesteld, zo belangrijk zijn dat zij een verschillende benaming rechtvaardigen.(39)
In het arrest Deserbais, dat het Hof even later heeft gewezen, stelde het deze hypothese in een overweging ten overvloede aan de orde(40), maar het verwierp haar voor de Italiaanse regeling die de verhandeling van een kaas met een vetgehalte van minder dan 40 % onder de naam "Edam" verbood.
33 Deze afwijking van het beginsel van de wederzijdse erkenning van soortnamen is in de arresten Smanor en Deserbais niet duidelijk afgebakend. Het Hof erkent daarin immers, dat een Lid-Staat de verkoop onder een soortnaam van een ingevoerd product dat in de staat van oorsprong onder dezelfde naam wordt verhandeld, kan verbieden wanneer het wezenlijke verschillen vertoont met de nationale producten waardoor de consument kan worden misleid, zelfs wanneer het van een passend aanvullend etiket is voorzien. Het Hof heeft echter de criteria ter bepaling, of er al dan niet wezenlijke verschillen tussen de producten bestaan, niet voldoende geconcretiseerd.(41) In het arrest Smanor verwees het Hof naar de consumentenverwachtingen in de staat van bestemming, de bepalingen van de Codex Alimentarius van de FAO en de WHO alsmede naar de nationale regeling in de staat van bestemming, maar in het arrest Deserbais stemde het Hof uitsluitend af op de samenstelling en de vervaardiging van de producten. Bovendien heeft het Hof geen rangorde voor deze criteria bepaald en het is dan ook geenszins uitgesloten dat ze tot verschillende resultaten leiden indien ze op een concreet product worden toegepast. Ten slotte heeft het Hof evenmin aangegeven, in welke mate het ingevoerde product en de nationale producten die onder dezelfde soortnaam worden verkocht moeten verschillen om te kunnen concluderen, dat er tussen hen een wezenlijk verschil bestaat dat de consument ondanks een passende etikettering niet zal opmerken.
34 In een in 1991 gepubliceerde mededeling(42) besprak de Commissie de arresten Smanor en Deserbais en stelde zij criteria voor ter identificatie van de "kenmerken van een product" die het ongeschikt maken voor verkoop onder een soortnaam in de staat van bestemming. Zij stelde voor, rekening te houden met de wezenlijke kenmerken van producten die rechtmatig en op eerlijke wijze in de Gemeenschap onder die soortnaam worden geproduceerd en verhandeld en voorbij te gaan aan de kenmerken die alleen bekend zijn bij de consument in het land van invoer. Dit onderzoek moet voor elk concreet geval worden uitgevoerd en mag niet slechts berusten op de verwachtingen van de consument; ook objectieve gegevens zoals de definities in de Codex Alimentarius van de FAO en de WHO, de wetgevingen van de Lid-Staten, de samenstelling of de fabricage van de producten alsmede de referenties in communautaire documenten, met name in de tariefnomenclatuur die wordt gebruikt voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief, dienen daarbij te worden betrokken. Volgens de Commissie zou de Lid-Staat van invoer enkel in geval van een wezenlijk verschil met de nationale producten bij één van deze karakteristieke elementen de verhandeling van het ingevoerde product onder de soortnaam mogen verhinderen. Ook de Commissie definieert echter niet de mate waarin de producten moeten verschillen om van een wezenlijk verschil te kunnen spreken, en evenmin geeft zij een rangorde aan voor de bij deze vergelijking te hanteren criteria. Zij beperkt zich tot drie voorbeelden van het gebruik van de soortnamen "azijn", "yoghurt" en "kaviaar".
Harerzijds bepaalt verordening nr. 2081/92 in artikel 3, lid 1, tweede alinea, dat "in de zin van deze verordening wordt onder een $benaming die een soortnaam is geworden' verstaan de naam van een landbouwproduct of een levensmiddel, die weliswaar verband houdt met de plaats of streek waar dit product of dit levensmiddel oorspronkelijk werd geproduceerd of in de handel gebracht, doch de gangbare naam is geworden van een product of een levensmiddel". Volgens de derde alinea van diezelfde bepaling moet men, om vast te stellen of een naam een soortnaam is geworden, rekening houden met alle factoren en, in het bijzonder, met de bestaande situatie in de Lid-Staat waar de naam zijn oorsprong heeft en in het traditionele verbruiksgebied, met de situatie in andere Lid-Staten en met de relevante nationale of communautaire wetgeving. Zoals bepaald in de eerste alinea, kunnen benamingen die soortnamen zijn geworden, niet worden geregistreerd en geen communautaire bescherming genieten. Ten slotte bepaalt het derde lid van ditzelfde artikel ook, dat de Commissie overgaat tot opstelling en bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van een indicatieve niet-uitputtende lijst van de namen van landbouwproducten en levensmiddelen die als soortnamen zijn te beschouwen.
C - De herkomstbenamingen
35 Herkomstbenamingen zijn ter benoeming van levensmiddelen gebruikte namen die hun herkomst uit een bepaalde geografische streek aangeven.(43) De geografische oorsprong van een product kan op directe wijze worden aangeduid, dat wil zeggen wanneer de naam de geografische verwijzing bevat ("Queso Manchego", "Prosciutto di Parma", "Faba Asturiana" of "camembert de Normandie"), of op indirecte wijze wanneer de naam geen plaatsnaam bevat ("Queso Tetilla", "reblochon", "Grappa", "Ouzo" en ook nog "Cava"). De herkomstbenamingen vertonen de volgende kenmerken(44):
- zij garanderen de geografische oorsprong van het product en in zekere mate zijn specificiteit, in die zin dat het product bepaalde kwaliteiten en kenmerken bezit als gevolg van zijn geografische oorsprong(45);
- zij leveren eveneens een bewijs van de kwaliteit van het product, dat in de meeste gevallen geproduceerd is volgens strikte en nauwkeurige voorwaarden(46);
- zij verlenen aan de betrokken producten een goede reputatie bij de consumenten, omdat de herkomstbenaming de concrete herkomst, de specificiteit en de bijzondere kwaliteit van het product garandeert(47);
- de juridische bescherming van herkomstbenamingen verzekert de bescherming van de belangen van de betrokken producenten tegen oneerlijke concurrentie, doch eveneens de bescherming van consumenten tegen misleidende aanduidingen.(48)
De verkoopbenamingen die plaatsnamen bevatten, kunnen evenwel niet altijd worden geacht directe of indirecte herkomstaanduidingen te zijn. Men kan zich immers voorstellen, dat een uit een plaatsnaam bestaande benaming een soortnaam is of dit door tijdsverloop is geworden, en derhalve niet langer een herkomstbenaming is die voor juridische bescherming in aanmerking komt. Dit is bijvoorbeeld het geval met aanduidingen als "eau de Cologne", "parmezaanse kaas"(49), "Edamse kaas", "Emmenthaalse kaas", die soortnamen zijn geworden.
36 De nationale rechtsstelsels van de Lid-Staten die op bestaande internationale verdragen zijn gebaseerd(50), kennen diverse typen van herkomstbenamingen en verschillen aanzienlijk wat betreft de beschermingsomvang van die aanduidingen.
In ieder geval worden herkomstbenamingen beschermd door de nationale regelingen betreffende de industriële en commerciële eigendom. Door deze wettelijke bescherming wordt een collectief monopolie op het commerciële gebruik van die aanduidingen verleend aan een bepaalde groep van producenten die dit te danken hebben aan hun plaats van vestiging. Deze bescherming verschilt van de merkenrechtelijke bescherming, die slechts door de rechthebbende kan worden ingeroepen. Uit het oogpunt van het vrij verkeer van goederen leidt de bescherming van geografische aanduidingen door de interne rechtsorden van de Lid-Staten tot belemmeringen in het intracommunautaire verkeer. Deze belemmeringen zijn maatregelen van gelijke werking in de zin van artikel 30 EG-Verdrag, omdat zij de verhandeling van producten die onder de in de staat van invoer beschermde geografische aanduiding zijn ingevoerd, verhinderen. Zoals het Hof in het arrest Exportur(51) heeft opgemerkt, wordt deze bescherming van de herkomstbenamingen beheerst door het territorialiteitsbeginsel en dus door het recht van het land van invoer en de aldaar heersende feitelijke omstandigheden en opvattingen.(52) De bescherming wordt verleend los van het recht van het land van oorsprong, waar zijn naam een soortnaam kan zijn, in het land van invoer daarentegen een beschermde herkomstbenaming.
Volgens de rechtspraak van het Hof kunnen de belemmeringen van het intracommunautaire goederenverkeer, die het gevolg zijn van nationale bepalingen ter bescherming van herkomstbenamingen, gerechtvaardigd zijn wanneer zij de bescherming beogen van de rechten die het specifieke voorwerp vormen van deze benamingen als rechten van industriële en commerciële eigendom. Artikel 36 EG-Verdrag laat bescherming van die rechten toe, ook indien zij belemmeringen veroorzaken die in strijd zijn met artikel 30.(53)
37 In de rechtspraak van het Hof betreffende herkomstbenamingen wordt onderscheid gemaakt tussen oorsprongsbenamingen en herkomstaanduidingen.
Ten aanzien van oorsprongsbenamingen heeft het Hof verklaard, dat zij waarborgen "naast de geografische herkomst, dat de waar volgens van overheidswege vastgestelde en gecontroleerde kwaliteits- of bereidingsvoorschriften is vervaardigd en dus bepaalde bijzondere kenmerken bezit (...) Oorsprongsbenamingen worden beschermd door bijzondere voorschriften in de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen waarbij de benamingen zijn ingevoerd. Deze voorschriften verbieden in het algemeen het gebruik van termen als $soort', $type' of $wijze' en beletten, dat zolang de regeling in stand blijft, die oorsprongsbenamingen tot soortnamen worden".(54)
Met betrekking tot herkomstaanduidingen heeft het Hof in hetzelfde arrest Exportur geoordeeld dat zij "beogen de consument te informeren, dat het ermee voorziene product uit een bepaalde plaats, streek of een bepaald land afkomstig is. Aan die geografische herkomst kan een meer of minder grote reputatie zijn verbonden. (...) Herkomstaanduidingen worden beschermd door de regels ter bestrijding van misleidende reclame of van misbruik van de reputatie van een ander."(55) In het arrest Exportur heeft het Hof dus afstand genomen van zijn uitspraak in het Sekt-arrest en aanvaard, dat herkomstaanduidingen niet alleen benamingen voor producten zijn die hun smaak, kwaliteiten en kenmerken te danken hebben aan het gebied waar zij zijn geproduceerd, doch eveneens benamingen die, zonder aan die voorwaarden te voldoen, een grote reputatie kunnen genieten bij de consumenten en voor de producenten die zijn gevestigd in de plaatsen die zij aanduiden, een belangrijk middel kunnen zijn om zich een klantenkring te verwerven.(56) Herkomstaanduidingen zijn het type herkomstbenamingen dat het dichtst ligt bij soortnamen, omdat het niet noodzakelijk is dat de herkomst van het product daaraan bijzondere kenmerken verleent en omdat de vereisten ten aanzien van kwaliteit en reputatie minder strikt zijn, daar het bestaan van een controleorgaan niet noodzakelijk is. In de rechtspraak van het Hof zijn de indirecte herkomstaanduidingen "Sekt"/"Weinbrand"(57) en "Bocksbeutel"(58) onderzocht, evenals de directe herkomstaanduidingen "Turrón de Alicante" en "Turrón de Jijona"(59).
38 Op het gebied van het gemeenschapsrecht heeft de wetgever onlangs voorschriften ter bescherming van herkomstbenamingen uitgevaardigd. Zo is een specifieke regeling vastgesteld voor wijn en alcoholhoudende dranken, die ons in casu niet interesseert, evenals een algemene regeling inzake het gebruik van herkomstbenamingen voor landbouwproducten en levensmiddelen. Het betreft verordening nr. 2081/92, met uitvoeringsbepalingen in verordening (EEG) nr. 2037/93(60). Verordening nr. 2081/92 voerde een communautair stelsel van herkomstbenamingen in, waardoor deze op het grondgebied van alle Lid-Staten kunnen worden beschermd teneinde de problemen van het vrije goederenverkeer die het gevolg zijn van het naast elkaar bestaan van verschillende nationale beschermingsstelsels te beperken.
39 Door die verordening wordt een communautair beschermingsstelsel ingevoerd voor bepaalde landbouwproducten en levensmiddelen waarbij een verband bestaat tussen de kenmerken van het product of het levensmiddel en de geografische oorsprong ervan. Daartoe stelt de verordening twee verschillende niveaus van geografische referenties vast, namelijk beschermde geografische aanduidingen (hierna: "BGA") en beschermde oorsprongsbenamingen (hierna: "BOB").(61)
40 Artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2081/92 bepaalt, dat wordt verstaan onder:
"a) $oorsprongsbenaming': de naam van een streek, van een bepaalde plaats of, in uitzonderlijke gevallen, van een land, die wordt gebruikt in de benaming van een landbouwproduct of levensmiddel:
- dat afkomstig is uit die streek, die bepaalde plaats of dat land
en
- waarvan de kwaliteit of de kenmerken hoofdzakelijk of uitsluitend aan het geografische milieu, dat factoren van natuurlijke en menselijke aard omvat, zijn toe te schrijven en waarvan de productie, de verwerking en de bereiding in het geografische gebied geschieden;
b) $geografische aanduiding': de naam van een streek, van een bepaalde plaats of, in uitzonderlijke gevallen, van een land, die wordt gebruikt in de benaming van een landbouwproduct of een levensmiddel:
- dat afkomstig is uit die streek, die bepaalde plaats of dat land
en
- waarvan een bepaalde hoedanigheid, de faam of een ander kenmerk aan deze geografische oorsprong kan worden toegeschreven en waarvan de productie en/of de verwerking en/of de bereiding in het bepaalde geografische gebied geschieden".
Volgens lid 3 van datzelfde artikel, "worden eveneens als oorsprongsbenamingen beschouwd bepaalde, al dan niet geografische, traditionele benamingen, indien zij een landbouwproduct of levensmiddel van oorsprong uit een streek of bepaalde plaats aanduiden dat aan de voorwaarden van lid 2, onder a), tweede streepje, voldoet".
41 Zoals men kan zien, lijkt het begrip oorsprongsbenaming veel op de definitie die het Hof in zijn rechtspraak heeft gegeven. Daarentegen ontwikkelt verordening nr. 2081/92 een nieuw type benaming, te weten de geografische aanduiding, die niet voorkomt in de rechtspraak van het Hof over herkomstbenamingen. De definitie ervan lijkt op die van de oorsprongsbenamingen, maar stelt er minder strikte voorwaarden aan. Bij oorsprongsbenamingen gelden de voorwaarden van kwaliteit, specificiteit en reputatie cumulatief, terwijl dit bij geografische aanduidingen niet het geval is. Als geografische aanduidingen worden, bijvoorbeeld, beschouwd "Espárrago de Navarra", "Sobrasada de Mallorca" of "Scottish Beef".
42 De registratie van landbouwproducten of levensmiddelen volgens de in verordening nr. 2081/92 bepaalde procedure heeft belangrijke consequenties. In de eerste plaats bepaalt artikel 8, dat de vermeldingen "BOB", "BGA" of de gelijkwaardige nationale traditionele vermeldingen alleen mogen voorkomen op landbouwproducten en levensmiddelen die aan de vereisten van de verordening voldoen. In de tweede plaats beschermt artikel 13, lid 1, de geregistreerde benamingen tegen elk rechtstreeks of onrechtstreeks commercieel gebruik voor producten die niet onder de registratie vallen, tegen elk misbruik, elke nabootsing of voorstelling, tegen elke andere valse of misleidende aanduiding met betrekking tot de herkomst, de oorsprong, de aard of de wezenlijke hoedanigheden van het product op de binnen- of buitenverpakking, in reclamemateriaal of documenten betreffende de betrokken producten, en tegen elke andere praktijk die het publiek ten aanzien van de werkelijke oorsprong van het product kan misleiden. In de derde plaats bepaalt artikel 13, lid 3, van de verordening dat beschermde benamingen geen soortnamen mogen worden. Ten slotte belet artikel 14 de registratie van merken voor producten die door beschermde benamingen worden gedekt, wanneer zich een van de in artikel 13 vermelde situaties voordoet.
43 De artikelen 4 tot en met 11 van verordening nr. 2081/92 regelen de registratieprocedure van een BOB of een BGA. De groeperingen of de natuurlijke of rechtspersonen moeten hun registratieaanvragen indienen bij de Lid-Staat waarin het betrokken geografische gebied is gelegen, en daarbij een productdossier voegen, dat volgens artikel 4, lid 2, een nauwgezette beschrijving van alle kenmerken van het product dient te bevatten. Indien de aanvraag voldoet aan alle voorgeschreven vereisten, wordt zij door de Lid-Staat aan de Commissie toegezonden, die binnen een periode van zes maanden door middel van een formeel onderzoek nagaat of de aanvraag alle in artikel 4 genoemde gegevens bevat. Indien de Commissie na afloop van dat onderzoek tot de conclusie komt dat de benaming aan alle voorwaarden voldoet om te worden beschermd, maakt zij alle gegevens van de aanvraag bekend in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Indien bij de Commissie geen bezwaren door een Lid-Staat of een belanghebbende natuurlijke of rechtspersoon worden ingediend, schrijft de Commissie de BOB of BGA in het "Register van beschermde oorsprongsbenamingen en van beschermde geografische aanduidingen" in. Vervolgens publiceert zij in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen de in het register ingeschreven benamingen en de wijzigingen die daarin zijn aangebracht.
Artikel 17, lid 1, van verordening nr. 2081/92 voorzag in een registratieprocedure voor benamingen die al in de Lid-Staten van kracht waren. Krachtens die bepaling konden de Lid-Staten binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de verordening aan de Commissie meedelen, welke wettelijk beschermde of door het gebruik algemeen gangbaar geworden benamingen zij wensten te doen registreren. Lid 2 van dit artikel sloot met zoveel woorden de inschrijving van soortnamen uit.
44 De Commissie heeft de procedure van artikel 17 opengesteld voor de registratie van bestaande benamingen. Na onderzoek van de bij haar ingediende aanvragen, heeft zij de registratie aanvaard van de BOB's en de BGA's vermeld in de bijlagen bij de verordeningen (EG) nrs. 1107/96(62), 1263/96(63) en 123/97(64).
In de afdeling "kaas" van de bijlage bij verordening nr. 1107/96 is de benaming "feta" erkend als een BOB voor Griekenland. Deze erkenning impliceert, dat na afloop van de overgangsperiode voorzien in artikel 13, lid 2, van verordening nr. 2081/92, en zulks voor de gehele Europese Gemeenschap, kaas met de benaming "feta" uitsluitend in Griekenland en overeenkomstig de Griekse wetgeving mag worden geproduceerd. Die overgangsperiode beliep vijf jaar. Zij liep af op 25 juli 1997, maar werd verlengd bij verordening (EG) nr. 535/97(65), bepalende dat de periode van vijf jaar ingaat op de datum van registratie van de benamingen teneinde de betrokken producenten de gelegenheid te geven zich aan te passen.
Drie Lid-Staten waar feta werd geproduceerd, hebben een beroep tot nietigverklaring tegen verordening nr. 1107/96 ingesteld. Concreet betreft het de zaken C-289/96 (Denemarken/Commissie), C-293/96 (Duitsland/Commissie) en C-299/96 (Frankrijk/Commissie), die nog aanhangig zijn. Tegelijk hebben producenten van feta uit Frankrijk, Duitsland en Denemarken drie soortgelijke beroepen tegen die verordening ingesteld bij het Gerecht van eerste aanleg (zaken T-139/96, T-140/96 en T-141/96). Bij drie beschikkingen van 20 februari 1997 heeft het Gerecht zich onbevoegd verklaard en de zaken naar het Hof verwezen.
Het voorwerp van die beroepen verschilt van dat van de prejudiciële vragen die in de onderhavige zaak aan het Hof zijn gesteld. Men zou zich kunnen voorstellen dat de benaming "feta" niet aan de voorwaarden voldoet die verordening nr. 2081/92 stelt voor de erkenning als BOB op communautair niveau, maar wel aan de door de communautaire rechtspraak inzake herkomstbenamingen ontwikkelde criteria en daarom krachtens artikel 36 EG-Verdrag gerechtvaardigd zou zijn.
V - Onderzoek van de prejudiciële vragen
45 Uit de drie prejudiciële vragen blijkt, dat de Raad van State in het onzekere verkeert aangaande de verenigbaarheid van de Griekse regeling voor feta met de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag. De eerste vraag, die van abstracte aard is, betreft de verenigbaarheid met die communautaire voorschriften van een nationale regeling die de verhandeling van een product onder een bepaalde benaming verhindert, dat verschillen vertoont met de producten die normaliter in de Gemeenschap onder die benaming worden verkocht. Met de tweede vraag wenst de Raad van State te vernemen, of ter bepaling van de producten die in de Gemeenschap onder een bepaalde benaming mogen worden verkocht, rekening moet worden gehouden met de consumenten van alle Lid-Staten, met die van de staat van invoer of met die van de staat van herkomst. De derde vraag betreft de verschillen die bestaan tussen de Deense feta en de Griekse feta en het eventuele doorslaggevende belang dat voor de beoordeling van die verschillen aan de mening van de Griekse consumenten moet worden toegekend, in aanmerking genomen de kenmerken van de productie en de consumptie van feta in de Gemeenschap.
46 Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord voor de beslechting van het aan hem voorgelegde geschil te geven, is het gewenst de vragen anders te formuleren. Als ik goed zie, wil de Raad van State zien uitgemaakt, of een nationale regeling die het in het verkeer brengen van een kaas in een Lid-Staat onder de verkoopbenaming "feta" verbiedt, die in een andere Lid-Staat onder diezelfde benaming rechtmatig is geproduceerd en in het verkeer gebracht, een met de artikelen 30 en 36 van het Verdrag onverenigbare maatregel van gelijke werking is.
Om deze vraag te beantwoorden, moet in de eerste plaats worden vastgesteld, of een dergelijke nationale regeling een door artikel 30 van het Verdrag verboden maatregel van gelijke werking is. In het bevestigende geval moet vervolgens worden nagegaan, of die maatregel, ondanks het feit dat hij het intracommunautair handelsverkeer belemmert, gerechtvaardigd wordt door de bescherming van een door het communautaire recht erkend algemeen belang.
A - De toepassing van artikel 30 van het Verdrag
47 Ten tijde van het ontstaan van het bodemgeschil kende het gemeenschapsrecht nog geen gemeenschappelijke of geharmoniseerde regeling betreffende de productie en het in de handel brengen van feta. Richtlijn 79/112 had uitsluitend betrekking op de etikettering en de presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker, en verordening (EEG) nr. 1898/87 (PB 1987, L 182, blz. 36) behield de benaming "kaas" voor aan melkproducten, doch refereerde in wezen aan de nationale wetgevingen. Daarom bleef iedere Lid-Staat bevoegd, de productie en de verkoop van "feta" op zijn gebied te regelen.(66)
Eerst nadat de feiten die aan het ontstaan van het hoofdgeding ten grondslag liggen zich hadden voorgedaan, is in deze situatie wijziging opgetreden door de verordeningen nrs. 2081/92 en 1107/96, die "feta" als BOB hebben erkend voor Griekenland. Na de inwerkingtreding van deze twee verordeningen mag deze kaassoort in de Gemeenschap dus nog slechts in bepaalde streken van de Helleense Republiek worden geproduceerd met inachtneming van de nationale voorschriften.
48 Ofschoon de Lid-Staten de productie en het in de handel brengen van feta kunnen regelen, mogen zij deze bevoegdheid slechts uitoefenen binnen de grenzen van de verdragsregels met betrekking tot het vrij verkeer van goederen en, met name, van artikel 30, dat maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen verbiedt. Volgens de fameuze formule van het arrest Dassonville is iedere handelsregeling van de Lid-Staten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren, als een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen te beschouwen.(67)
Wat betreft maatregelen die zonder onderscheid gelden voor nationale en ingevoerde producten, heeft het Hof de reikwijdte van het begrip maatregelen van gelijke werking in het arrest Keck en Mithouard afgebakend.(68) In dit arrest maakt het Hof onderscheid tussen voorschriften betreffende de kenmerken van de producten en voorschriften die betrekking hebben op hun verkoopmodaliteiten, zulks teneinde de zonder onderscheid toepasselijke maatregelen die een zodanig beperkend effect hebben dat zij als maatregelen van gelijke werking dienen te worden beschouwd, te kunnen onderkennen. Wat betreft de maatregelen aangaande de kenmerken van de producten bevestigde het Hof zijn rechtspraak in het arrest Cassis de Dijon(69) en verklaarde het, dat "als door artikel 30 verboden maatregelen van gelijke werking zijn aan te merken belemmeringen van het vrije goederenverkeer, die, bij gebreke van harmonisatie van de wettelijke regelingen, voortvloeien uit de toepassing op goederen uit andere Lid-Staten, waar zij rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel gebracht, van voorschriften betreffende de voorwaarden waaraan die goederen moeten voldoen (zoals voorschriften met betrekking tot hun benaming, hun vorm, hun afmetingen, hun gewicht, hun samenstelling, hun aanbiedingsvorm, hun etikettering of hun verpakking), ook indien die voorschriften zonder onderscheid op alle producten van toepassing zijn, wanneer die toepassing niet kan worden gerechtvaardigd door een doel van algemeen belang, dat zou moeten voorgaan boven de eisen van het vrije goederenverkeer".(70)
Ten slotte heeft het Hof aangenomen, dat zonder onderscheid van toepassing zijnde maatregelen die betrekking hebben op de kenmerkende eigenschappen van producten, met artikel 30 onverenigbare maatregelen van gelijke werking zijn wanneer zij niet worden gerechtvaardigd uit hoofde van de bescherming van een doelstelling van algemeen belang als voorzien in artikel 36, of wanneer zij niet als een dwingend vereiste in de zin van de communautaire rechtspraak te beschouwen zijn.(71)
Het arrest Keck en Mithouard heeft geen enkele invloed gehad op de rechtspraak van het Hof betreffende discriminatoire maatregelen of maatregelen waarvan de toepassing verschilt al naar gelang het nationale dan wel ingevoerde goederen betreft: dit blijven nog steeds maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen.(72)
49 De in casu omstreden regeling betreft de kenmerken van feta-kaas, aangezien daarin de samenstelling, de bereidingswijze en het productiegebied ervan worden geregeld. De toepassing van deze voorschriften heeft klaarblijkelijk een beperkende uitwerking op de intracommunautaire handel in dit product, omdat zij verhinderen dat kaas onder de verkoopbenaming "feta" in Griekenland in de handel wordt gebracht, ook al is hij in andere Lid-Staten rechtmatig geproduceerd en onder die benaming in de handel gebracht.
De Griekse regeling behoudt haar belemmerende werking op het vrij verkeer van goederen, ofschoon zij toestaat dat feta die in andere Lid-Staten uit koemelk en volgens het ultrafiltratiemethode is geproduceerd, zoals het geval is in Denemarken, in Griekenland in de handel wordt gebracht onder een andere benaming. De benaming "witte kaas in pekel uit Denemarken van gepasteuriseerde koemelk", die de Griekse autoriteiten in casu voorstelden om de uit Denemarken geïmporteerde feta op hun grondgebied te verhandelen, is een verkoopbenaming die de Griekse consumenten niet kennen en daarom niet kunnen waarderen. Het gebruik van die benaming zou derhalve de mogelijkheden om de betrokken Deense kaas op de Griekse markt te verhandelen tot praktisch nul reduceren. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt duidelijk, dat nationale maatregelen die impliceren dat de verkoopbenaming van een geïmporteerd product moet worden gewijzigd en vervangen door een onbekende of door de consument minder gewaardeerde benaming(73), de verhandeling bemoeilijken en bijgevolg het handelsverkeer tussen de Lid-Staten belemmeren.(74) Ik ben daarom van oordeel, dat een regeling zoals de in het hoofdgeding betwiste een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking is in de zin van artikel 30 van het Verdrag.
B - De rechtvaardiging van de maatregel
50 Een regeling die een maatregel van gelijke werking is, kan slechts verenigbaar zijn met het Verdrag, indien zij in het kader van artikel 30 bedoeld is om tegemoet te komen aan dwingende vereisten verband houdende met, inzonderheid, de bescherming van de consumenten en de eerlijkheid der handelstransacties, dan wel indien zij gerechtvaardigd is uit hoofde van een van de in artikel 36 EG-Verdrag genoemde redenen van algemeen belang, zoals bijvoorbeeld de bescherming van de industriële en commerciële eigendom.(75) Bovendien moet de regeling evenredig zijn aan het beoogde doel, zodat de Lid-Staat verplicht is om uit alle mogelijke maatregelen diegene te kiezen die de minste beperkingen aan het intracommunautaire handelsverkeer oplegt.
51 De redenen van algemeen belang die de in casu bestreden regeling zouden kunnen rechtvaardigen, variëren naarmate de benaming "feta" als soortnaam dan wel als herkomstbenaming beschouwd wordt. In het eerste geval zijn het de bescherming van de consumenten en de veiligstelling van de eerlijkheid van de handelstransacties die in aanmerking komen, terwijl de bescherming van de industriële en commerciële eigendom een reden van algemeen belang zou kunnen zijn om de bescherming van de herkomstbenaming "feta" te rechtvaardigen. Deze drie redenen zijn in de schriftelijke opmerkingen van verzoeksters in het hoofdgeding, de Commissie en de interveniërende Lid-Staten (te weten de Helleense Republiek, Denemarken, Duitsland, Finland en Oostenrijk) genoemd en besproken.
1. De bescherming van de consumenten en de eerlijkheid van de handelstransacties
a) Hoofdargument
52 De bescherming van de consumenten en de eerlijkheid van de handelstransacties zijn volgens vaste rechtspraak dwingende vereisten die een als een maatregel van gelijke werking gekwalificeerde nationale regeling kunnen rechtvaardigen. De dwingende vereisten kunnen nochtans slechts worden ingeroepen ter rechtvaardiging van maatregelen die zonder onderscheid van toepassing zijn op nationale en op uit andere Lid-Staten geïmporteerde producten.(76)
53 De in casu bestreden Griekse regeling staat uitsluitend de verhandeling toe van feta uit schapenmelk of uit een mengsel van schapen- en geitenmelk, die afkomstig is uit bepaalde streken van Griekenland, te weten Macedonië, Tracië, Epiros, Thessalië, Centraal Griekenland, de Peloponnesos en het eiland Lesbos. Zij is derhalve klaarblijkelijk van discriminerende aard, omdat zij het gebruik van de verkoopbenaming "feta" voorbehoudt aan kaas die in een bepaald gedeelte van het nationale grondgebied door middel van uit die streken afkomstige nationale grondstoffen zijn geproduceerd.
Dit betekent, dat de bestreden regeling eveneens belet om in Griekenland onder de benaming "feta" kaas te verhandelen die is geproduceerd uit dezelfde grondstof (dat wil zeggen uit schapenmelk of uit een mengsel van schapen- en geitenmelk) en volgens dezelfde bereidingswijze (te weten door natuurlijke stremming) in welke andere Lid-Staat dan ook of in een andere streek in Griekenland dan degene die limitatief in de wet zijn opgesomd. Feta bijvoorbeeld, die in Corsica of in het Franse Centraal Massief uit schapenmelk is gemaakt, kan niet onder de naam "feta" in Griekenland worden verhandeld, ofschoon dat product gelijksoortig is aan de traditionele Griekse feta.
54 Aangezien de omstreden regeling discriminerend is, waar zij het gebruik van de benaming "feta" uitsluitend voorbehoudt aan de in bepaalde streken van Griekenland geproduceerde kaas, is zij niet gerechtvaardigd uit hoofde van de bescherming van de consumenten of van de eerlijkheid der handelstransacties, die volgens de rechtspraak van het Hof dwingende vereisten zijn die slechts kunnen worden ingeroepen voor maatregelen die zonder onderscheid van toepassing zijn op nationale en op geïmporteerde producten.
b) Subsidiaire overwegingen
55 De voorgaande redenering sluit een beroep op de bescherming van de consumenten en de eerlijkheid van de handelstransacties als rechtvaardigingsgrond voor een regeling als de onderhavige volledig uit. Het is derhalve niet nodig het onderzoek voort te zetten. Nochtans zou ik, gezien de bewoordingen waarin de verwijzende rechter zijn vragen heeft geformuleerd alsmede de ingediende schriftelijke opmerkingen, de volgende hypothese willen onderzoeken: indien de nationale regeling het gebruik van de benaming "feta" niet beperkte tot in bepaalde streken van Griekenland geproduceerde kaas, doch slechts zou voorschrijven dat de kaas, om "feta" te mogen worden genoemd, aan bepaalde voorwaarden inzake samenstelling en productie moet voldoen, zou zij dan kunnen zijn gerechtvaardigd om redenen van bescherming van de consumenten of de eerlijkheid der handelstransacties? In dit geval zou de benaming "feta" uiteraard een soortnaam zijn.
56 Uitgaande van deze hypothese, bevestigen de Commissie, de Oostenrijkse regering en tot op zekere hoogte de Griekse regering, dat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen de in Griekenland geproduceerde feta en de feta die in andere Lid-Staten, zoals Denemarken, wordt geproduceerd. Wat betreft de grondstof, wordt in Denemarken en de andere Lid-Staten koemelk gebruikt om feta te produceren, terwijl in Griekenland schapenmelk of een mengsel van schapen- en geitenmelk wordt gebruikt. Wat betreft de bereidingswijze, wordt in Griekenland de traditionele methode van de natuurlijke stremming gevolgd, terwijl dit in Denemarken en de andere Lid-Staten het moderne ultrafiltratieproces is.
Op grond van deze wezenlijke verschillen tussen beide kazen mochten de autoriteiten van de Lid-Staat van invoer, te weten Griekenland, de verhandeling van kaas die rechtmatig was geproduceerd en onder de benaming "feta" in een andere Lid-Staat in het verkeer gebracht (namelijk Denemarken), onder diezelfde benaming op hun grondgebied verhinderen om de consumenten tegen verwarringsgevaar te beschermen en de eerlijkheid van de handelstransacties veilig te stellen. Ter ondersteuning van hun mening hebben deze partijen een beroep gedaan op de arresten Deserbais en Smanor.
57 Deze argumenten moeten mijns inziens worden verworpen.
58 Het Hof heeft in een overvloedige rechtspraak steeds de maatstaf gehanteerd van de wederzijdse erkenning van producten die rechtmatig zijn geproduceerd en onder dezelfde soortnaam in verschillende Lid-Staten verhandeld, indien de kenmerken van de nationale varianten behoorlijk waren vermeld op het etiket of de verpakking van de waar. Behoorlijke etikettering beschermt de consumenten en stelt de eerlijkheid der handelstransacties veilig zonder dat naar middelen behoeft te worden gegrepen die het intracommunautaire handelsverkeer sterker beperken, zoals een invoerverbod of de verplichting de ingevoerde waar onder een onbekende benaming te verhandelen.(77)
59 In het arrest Smanor en in een overweging ten overvloede in het arrest Deserbais heeft het Hof nochtans erkend, dat indien het geïmporteerde product wezenlijk verschilt van de producten die onder dezelfde benaming in de Lid-Staat van bestemming worden verhandeld, die Lid-Staat de verhandeling ervan kan onderwerpen aan de voorwaarde dat deze onder een andere benaming plaatsvindt.(78) In geen van beide arresten heeft het Hof duidelijk de criteria gedefinieerd aan de hand waarvan het bestaan van een wezenlijk verschil kan worden vastgesteld tussen twee producten die onder dezelfde soortnaam in verschillende Lid-Staten worden verhandeld. In het arrest Smanor refereert het Hof aan hetgeen de consument in de staat van bestemming verwacht, aan de bepalingen van de Codex Alimentarius van de FAO en WHO en aan de in de staat van bestemming bestaande wetgeving, terwijl het in het arrest Deserbais refereert aan de samenstelling en aan de bereidingswijze van de producten.
Mijns inziens betreffen deze uitspraken slechts randgevallen en moeten zij, wanneer men van mening is dat zij gehandhaafd dienen te worden, restrictief te worden toegepast. Daartoe dienen de criteria te worden gepreciseerd aan de hand waarvan kan worden vastgesteld, of er tussen de onder dezelfde soortnaam in verschillende Lid-Staten verkochte producten een wezenlijk verschil bestaat. Zo zouden de arresten Smanor en Deserbais kunnen worden aangevuld met de interpretatieve bekendmaking van de Commissie en met de verwijzingen in verordening nr. 2081/92 naar benamingen die soortnamen zijn geworden.
60 In overeenstemming met de voorgaande redenering dient men voor de beoordeling, of de Griekse en de Deense feta gelijksoortige producten zijn dan wel of er tussen beide aanzienlijke verschillen bestaan, bij de toepassing van de arresten Smanor en Deserbais met de volgende criteria rekening te houden:
- Samenstelling en productiemethode
61 De Griekse feta wordt bereid uit schapenmelk of uit een mengsel van schapen- en geitenmelk, die in Griekenland de meest voorkomende melksoorten zijn. De grondstof die in Denemarken wordt gebruikt voor de productie van feta is eveneens melk, maar hier betreft het koemelk, de melk die normaliter in dat land voorkomt.
Zoals de Griekse regering en Canadane en Afoi Kouri in hun respectieve opmerkingen benadrukken, bezitten schapenmelk en geitenmelk, die veel op elkaar lijken, chemische en organoleptische kenmerken die verschillen van die van koemelk. Deze verschillen komen in feta op de volgende manier tot uiting:
- de kleur van feta uit schapenmelk is zuiver wit, terwijl de kleur van feta uit koemelk geelachtig wit is en slechts in zuiver wit kan worden omgezet door middel van chemische substanties;
- de feta uit schapenmelk heeft een vette, zoutige en licht zurige smaak en een vol aroma, terwijl de feta uit koemelk zoetig is en een minder opvallend aroma heeft;
- feta uit koemelk heeft minder gaten dan feta uit schapenmelk, omdat de zoutoplossing een verschillende uitwerking heeft.
62 Wat betreft de productiemethode, wordt de Deense feta geproduceerd volgens de industriële ultrafiltratiemethode, terwijl de Griekse wordt geproduceerd volgens de klassieke bereidingswijze van natuurlijke stremming zonder druk. Door de ultrafiltratie is de kaas sneller rijp, omdat de wei (melkserum) verwijderd wordt voordat de wrongel wordt gevormd. Hoe dit ook zij, ultrafiltratie schijnt niet op de feta een uitwerking te hebben die veel verschilt van die van het proces van natuurlijke stremming, behoudens dat de proteïnen van de wei in de kaas behouden blijven.
- De internationale normen
63 In 1988 verlangde de Helleense Republiek in het kader van de Codex Alimentarius van de FAO en de WHO de invoering van een technische norm voor feta, die de productie bij uitsluiting op basis van schapenmelk of geitenmelk toestond. Een onderzoek heeft toen plaatsgehad. Daaruit bleek, dat in de meeste producerende landen de feta uit koemelk werd bereid en dat in de landen waar feta voornamelijk uit schapenmelk of uit een mengsel van schapen- en geitenmelk werd bereid, eveneens een productie van feta op basis van koemelk bestond. Onder zulke heterogene omstandigheden werd het verzoek van de Helleense Republiek verworpen.(79)
- Wetgeving en consumentenverwachtingen in het land van invoer
64 Met ingang van 1987 heeft de Griekse regering restrictieve regels voor feta vastgesteld, die alleen de verhandeling van feta toestaan die is geproduceerd uit schapenmelk of uit een mengsel van schapen- en geitenmelk en volgens de bereidingswijze van de natuurlijke stremming zonder druk. Deze regeling beoogt de traditionele Griekse bereidingswijze van feta te beschermen, ofschoon vóór haar invoering eveneens feta uit koemelk in Griekenland mocht worden verhandeld. Bijgevolg identificeert de Griekse consument feta normaliter met kaas die op de traditionele wijze door natuurlijke stremming zonder druk uit schapenmelk of uit een mengsel van schapen- en geitenmelk is vervaardigd.
- Wetgevingen en consumentenverwachtingen in de andere Lid-Staten
65 De Helleense Republiek is de enige Lid-Staat van de Gemeenschap die restrictieve voorschriften kent voor de bereiding en de verhandeling van feta. Denemarken, Duitsland en Nederland kennen eveneens voorschriften voor feta; zij staan evenwel de productie van feta uit koemelk, schapenmelk of geitenmelk, of ook uit een mengsel van deze laatste twee, via ultrafiltratie of natuurlijke stremming toe en kennen geen belemmeringen voor de verhandeling van in andere Lid-Staten geproduceerde feta. Frankrijk verplicht de producent alleen maar de soort melk aan te duiden die is gebruikt. In de andere Lid-Staten bestaat geen specifieke regelgeving en feta geproduceerd uit beide typen melk kan zonder beperking worden verhandeld. Bijgevolg verstaan de consumenten van alle Lid-Staten van de Europese Gemeenschap, met uitzondering van de Griekse consumenten, onder feta een uit koemelk of schapenmelk dan wel uit een mengsel van schapen- en geitenmelk bereide kaas.
- Verwijzingen in de communautaire regelgeving
66 Van 1975 af begon de Gemeenschap met de verlening van restituties bij de export van feta naar derde landen, zonder onderscheid te maken tussen feta die uit het ene of het andere type melk was geproduceerd of volgens de ene of de andere methode. Sedert de toetreding van Griekenland onderscheidt de nomenclatuur van landbouwproducten voor de uitvoerrestituties verschillende typen feta naar gelang van de bij de productie gebruikte melk.(80) Ofschoon voor beide variëteiten gelijke douanerechten gelden, maakt de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief onderscheid tussen feta uit schapenmelk of uit buffelmelk en de andere typen feta.(81)
67 Indien men de meeste van de zojuist onderzochte criteria toepast, constateert men dat er geen wezenlijke verschillen bestaan tussen, enerzijds, feta uit geitenmelk of uit een mengsel van geiten- en schapenmelk en, anderzijds, feta uit koemelk. De internationale regelingen, de verwijzingen in de communautaire wetgeving en de nationale regels van alle Lid-Staten, met uitzondering van de Helleense Republiek, alsmede de verwachtingen van de consumenten van alle Lid-Staten geven duidelijk aan, dat feta evengoed uit schapenmelk, uit geitenmelk of uit koemelk kan worden geproduceerd zonder dat dit tussen de verschillende variëteiten zo belangrijke verschillen veroorzaakt, dat deze niet door middel van een passend etiket ter kennis van de consumenten kunnen worden gebracht.
De Commissie is van oordeel, dat de Griekse voorstelling van feta in de Gemeenschap de bekendste is. Zij acht het derhalve in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, dat de Griekse autoriteiten de verhandeling van kaas onder de benaming "feta" op hun grondgebied beletten, die onder dezelfde benaming in andere Lid-Staten wordt verhandeld, doch wezenlijk verschilt van de Griekse feta omdat hij uit koemelk en volgens het ultrafiltratieproces is geproduceerd. Deze stelling van de Commissie is in strijd met de vaste rechtspraak van het Hof, dat de voorstellingen van de consumenten van de ene tot de andere Lid-Staat kunnen verschillen en ook binnen één en dezelfde Lid-Staat in de loop der tijd kunnen veranderen, onder meer door het bestaan van de gemeenschappelijke markt. Daarom mag volgens het Hof "de wetgeving van een Lid-Staat niet (...) dienen om bestaande drinkgewoonten te verstarren, teneinde de verkregen voorsprong van nationale industrieën die aan gewoonten tegemoet trachten te komen, te consolideren".(82)
68 De in het hoofdgeding omstreden regeling behoudt het gebruik van de benaming "feta" voor aan kaas die is geproduceerd volgens de in de Lid-Staat van invoer geldende voorschriften. Volgens de rechtspraak van het Hof rechtvaardigen de bescherming van consumenten tegen verwarringsgevaar en de handhaving van de eerlijkheid van de handelstransacties een dergelijke beperking niet, omdat dezelfde doelstellingen kunnen worden bereikt door een passende etikettering waardoor het intracommunautaire handelsverkeer minder wordt aangetast.
Door een etiket waarop duidelijk de kenmerken van de in Denemarken geproduceerde kaas worden vermeld, zouden de Griekse consumenten exact te weten komen, welk type kaas hun werd aangeboden, om met volledige kennis van zaken te beslissen, of zij de voorkeur geven aan de aankoop van volgens hun nationale normen geproduceerde feta. In een recent arrest over Duitse voorschriften waarin de eis werd gesteld, dat gewoonlijk niet in Duitsland gebruikte ingrediënten op het etiket werden vermeld naast de verkoopbenaming, verklaarde het Hof dat "er immers van moet worden uitgegaan, dat de consument, wiens aankoopbeslissing wordt bepaald door de samenstelling van de betrokken produkten, eerst de lijst van ingrediënten leest (...) Zelfs indien de consument in bepaalde gevallen kan worden misleid, is dit gevaar gering en kan het derhalve niet de door de in geding zijnde vereisten veroorzaakte belemmering van het vrije goederenverkeer rechtvaardigen".(83) Bovendien staat het de Griekse producenten vrij om op het etiket van de uit schapenmelk of uit een mengsel van schapen- en geitenmelk geproduceerde feta de noodzakelijke gegevens te vermelden teneinde de aandacht van de consumenten op de kwaliteit van hun product te vestigen en zo het concurrentievoordeel teniet te doen dat de geïmporteerde feta heeft uit hoofde van het feit dat de voor zijn productie gebruikte koemelk goedkoper is en het gehanteerde ultrafiltratieprocédé minder kostbaar.(84)
2. De bescherming van de industriële en commerciële eigendom
69 Alvorens na te gaan, of de benaming "feta" een herkomstbenaming is en of bescherming ervan gerechtvaardigd wordt door de bescherming van de industriële en commerciële eigendom in de zin van artikel 36, zou ik op twee cruciale punten willen wijzen:
- Het enige probleem dat in de onderhavige zaak aan de orde is, is of de verkoopbenaming "feta" een soortnaam dan wel een herkomstbenaming in het interne recht van een Lid-Staat is, te weten de Helleense Republiek. De registratie van de verkoopbenaming "feta" als BOB voor Griekenland krachtens verordening nr. 1107/96 en het daaruit voortvloeiende monopolie van de Griekse producenten op deze benaming voor het gehele communautaire grondgebied worden in diverse voor het Hof aanhangige zaken bestreden.(85)
- Zoals het Hof in het arrest Exportur heeft verklaard(86), wordt de bescherming van herkomstaanduidingen beheerst door het territorialiteitsbeginsel, zodat het recht van het land van invoer en de aldaar heersende feitelijke omstandigheden beslissend zijn. Het recht van het land van oorsprong is in dit opzicht irrelevant; een benaming kan dus een soortnaam zijn in het land van oorsprong en een beschermde herkomstbenaming in het land van invoer. In het onderhavige geval moet de Griekse wetgeving in acht worden genomen evenals de in Griekenland geldende productie- en verkoopvoorwaarden voor feta.
70 Na deze twee rechtzettingen constateer ik dat met uitzondering van de Helleense Republiek, alle Lid-Staten die opmerkingen hebben ingediend evenals Canadane en Afoi Kouri van oordeel zijn, dat de benaming "feta" een soortnaam is geworden, die staat voor witte kaas in pekel, bereid uit schapenmelk, uit geitenmelk, uit koemelk of uit een mengsel van deze. Dat is de reden waarom zij menen, dat de omstreden regeling het gebruik van de soortnaam "feta" ten onrechte aan de nationale producenten voorbehoudt en bijgevolg een in strijd met artikel 30 zijnde maatregel is die niet wordt gerechtvaardigd door de bescherming van de industriële en commerciële eigendom.
De Commissie heeft hetzelfde standpunt ingenomen in het met redenen omkleed advies dat zij op 18 mei 1992 aan de Griekse regering heeft uitgebracht. Volgens haar is de benaming "feta" een soortnaam en kan de in Griekenland geproduceerde kaas niet worden beschermd door een oorsprongs- of herkomstbenaming, omdat hij geen enkel, met de geografische locatie van de productie verband houdend specifiek kenmerk vertoont. De reden waarom de Commissie geen niet-nakomingsberoep heeft ingesteld, is dat de omstreden kwestie nauw samenhangt met de lopende procedures voor de erkenning van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van levensmiddelen, bedoeld in verordening nr. 2081/92. Die procedures hebben tot verordening nr. 1107/96 geleid, waarin de Commissie van haar standpunt is teruggekomen en concludeert, dat "feta" een beschermde oorsprongsbenaming voor Griekenland is.
In antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof heeft de Griekse regering verklaard, dat de bestreden regeling de productie van feta beperkt tot een specifiek geografisch gedeelte van het Griekse grondgebied, waarvan de kenmerken bepalend zijn voor de eigenschappen van deze soort kaas, en dat "feta" derhalve een herkomstaanduiding is.
71 Volgens constante rechtspraak van het Hof kan de bescherming van de rechten van industriële en commerciële eigendom als voorzien in artikel 36 van het Verdrag een rechtvaardiging opleveren voor beperkingen van het vrije verkeer van goederen, voortvloeiende uit nationale bepalingen ter bescherming van herkomstbenamingen, wanneer die bepalingen dienen ter bescherming van de rechten die het specifieke voorwerp van deze benamingen vormen.(87)
Naar mijn mening is de omstreden nationale regeling op grond van artikel 36 gerechtvaardigd, omdat zij beoogt de rechten te waarborgen die het specifieke voorwerp vormen van de benaming "feta", zijnde een herkomstbenaming die in rechte kan worden beschermd.
72 Naar mijn mening voldoet de benaming "feta" zoals zij in de Griekse wetgeving is geregeld, aan de voorwaarden die door de communautaire rechtspraak worden gesteld om de verkoopbenaming van een levensmiddel als herkomstbenaming te kunnen erkennen.(88) Gezien het arrest Exportur ben ik van oordeel, dat een benaming een herkomstbenaming is indien zij, direct of indirect, de oorsprong van het product aangeeft, dat product bijzondere kenmerken bezit, kwaliteiten heeft of een reputatie die het onderscheiden van andere producten, het gebruik van de benaming wettelijk is beschermd en de benaming niet een onomkeerbaar proces van veralgemening heeft ondergaan. In het geval dat ons vandaag bezighoudt, voldoet het gebruik van de benaming "feta" op het grondgebied van Griekenland aan deze voorwaarden.
73 In de eerste plaats duidt de benaming "feta" op indirecte wijze de geografische herkomst aan van de kaas die onder die benaming in Griekenland wordt verhandeld. Evenals de benamingen "Grappa", "Ouzo" of "Cava" indirect de Italiaanse, Griekse of Spaanse oorsprong van die in bepaalde streken geproduceerde producten aanduiden, zonder dat een van hen een plaatsnaam is, wordt de benaming "feta" in verband gebracht met een in Griekenland geproduceerde kaas, ofschoon het woord "feta" van Italiaanse oorsprong is. Het betreft derhalve een indirecte herkomstbenaming.(89)
Het geografische gebied waar feta wordt geproduceerd, omvat Macedonië, Tracië, Epiros, Thessalië, Centraal Griekenland, Peloponnesos en het eiland Lesbos. Het omvat derhalve het grootste gedeelte van het Griekse grondgebied, omdat alleen zijn uitgezonderd Kreta, de Cycladen, de noordelijke Sporaden, de Dodekanesos en de oostelijke eilanden van de Egeïsche Zee, waar de schapen- of geitenmelk gebruikt wordt voor de productie van andere typen traditionele kazen dan feta.
De omvang van het productiegebied van feta is geen bezwaar voor de classificatie als herkomstbenaming, omdat de beperkte opvatting die het Hof oorspronkelijk in het Sekt-arrest(90) volgde, is verlaten in het arrest Exportur, volgens hetwelk een herkomstbenaming het gehele grondgebied van een land kan omvatten.(91)
74 In de tweede plaats bezit de in die streken van Griekenland geproduceerde feta een kwaliteit en specifieke kenmerken die deze kaas een grote reputatie bij de Griekse consumenten hebben opgeleverd. In antwoord op een door het Hof gestelde schriftelijke vraag verklaarde de Griekse regering, dat de traditionele Griekse feta zijn specificiteit (geur, smaak, aroma en structuur) aan de volgende factoren ontleent:
- de gemeenschappelijke klimatologische kenmerken van de productiegebieden alsmede de rijkdom en de diversiteit van hun vegetatie;
- de voor de productie van feta gebruikte melk; die melk komt van schapen en geiten die in de productiestreek met behulp van traditionele technieken gefokt en gevoed worden;
- de bereidingswijze van feta; deze methode is altijd de traditionele methode van natuurlijke stremming zonder druk; zij wordt toegepast door ervaren producenten.
75 In hun opmerkingen betogen Canadane en Afoi Kouri evenals de Duitse, de Oostenrijkse en de Deense regering, dat de Griekse regeling voor feta in strijd is met de rechtspraak van het Hof in het Sekt-arrest, omdat de Griekse feta geen kenmerken of kwaliteiten bezit die te danken zijn aan de geografische situering van de productie.(92) De geografische oorsprong van de feta verleent hem geen enkel specifiek kenmerk op grond waarvan hij kan worden geïndividualiseerd als een typisch product van de Griekse streken die in de bestreden wetgeving zijn opgesomd.
Dit argument moet worden verworpen, omdat het Hof in het arrest Exportur de reikwijdte van zijn rechtspraak in de Sekt-zaak heeft gepreciseerd en heeft erkend, dat herkomstbenamingen gebruikt kunnen worden om producten aan te duiden waarvan niet kan worden aangetoond, dat zij een bijzondere smaak, kwaliteiten of kenmerken te danken hebben aan het gebied waar zij zijn geproduceerd, maar die niettemin bij de consumenten een grote reputatie kunnen hebben en voor de in de aangeduide plaatsen gevestigde producenten een belangrijk middel kunnen zijn om afnemers te trekken.(93) Deze door het Hof in de communautaire rechtspraak aangebrachte precisering komt mij volstrekt relevant voor, omdat het vereiste van een uitdrukkelijke band tussen het product en het gebied de bescherming van talloze herkomstbenamingen zou verhinderen, aangezien moderne productiemethoden het mogelijk maken om praktisch zonder enige restrictie een product waar dan ook te fabriceren. De "Turrón de Jijona" zou heel wel kunnen worden geproduceerd in Perpignan of in Stockholm, doch omdat het een traditionele benaming betreft die met succes door de producenten van een bepaalde streek wordt gebruikt, is het een herkomstbenaming die overeenkomstig het arrest Exportur wettelijke bescherming verdient. De situatie met betrekking tot de benaming feta lijkt daar veel op. Ofschoon men erover kan twisten, dat feta specifieke kenmerken heeft die te danken zijn aan de plaats van productie en dat dit type kaas slechts in bepaalde streken van Griekenland kan worden geproduceerd, staat mijns inziens buiten kijf, dat de benaming feta in Griekenland een goede reputatie bij de consumenten geniet en de producenten die haar sedert mensenheugenis gebruiken, in staat heeft gesteld om zich een zeer belangrijke klantenkring te verwerven.
76 In de derde plaats wordt het gebruik van de benaming "feta" door het interne Griekse recht beschermd. De sinds 1987 uitgevaardigde voorschriften hebben namelijk de productie en de verhandeling van feta op het Griekse grondgebied aan technische normen gebonden, de inachtneming waarvan bestuursrechtelijk wordt gecontroleerd. Deze voorschriften beogen de belangen van de producenten te beschermen tegen oneerlijke concurrentie en de consumenten tegen het gebruik van misleidende benamingen.
Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding was de benaming "feta" volgens de Griekse wetgeving een traditionele naam. Later heeft het presidentieel decreet nr. 81/1993 daarvan een als zodanig uitdrukkelijk beschermde oorsprongsbenaming gemaakt. Gezien de grote terminologische verscheidenheid die met betrekking tot de verschillende typen van herkomstbenamingen bestaat, ben ik van mening, dat de Griekse wetgeving die van kracht was toen de relevante feiten zich voordeden, de benaming "feta" als indirecte herkomstaanduiding in de zin van de door het Hof in zijn rechtspraak gebezigde terminologie beschermde.(94)
77 In de vierde plaats heeft de benaming "feta" in Griekenland geen enkel onherstelbaar uithollingsproces ondergaan waardoor zij een soortnaam is geworden.
In hun opmerkingen betoogden Canadane en Afoi Kouri evenals de Duitse, de Deense en de Oostenrijkse regering, dat de benaming "feta" zelfs in Griekenland een soortnaam is geworden. Volgens hen heeft de betwiste regeling, om de nationale producenten te begunstigen, de benaming "feta" - die tot dat moment in Griekenland werd gebruikt ter aanduiding van alle soorten van witte kaas in pekel die in geheel Griekenland uit schapenmelk, geitenmelk of koemelk werden geproduceerd - op kunstmatige wijze in een herkomstbenaming omgevormd. De benaming "feta" werd eveneens gebruikt voor de verhandeling van soorten feta die uit andere Lid-Staten werden geïmporteerd. Verzoeksters in het hoofdgeding zijn van oordeel, dat de Griekse Staat een veralgemening van het gebruik van de benaming "feta" heeft toegestaan en dat het reeds veel te laat was voor wettelijke maatregelen om het geografische karakter van die benaming, die een soortnaam was geworden, te beschermen.
Deze argumenten komen mij niet overtuigend voor. Ik geloof niet, dat de benaming "feta" een soortgelijke "uitholling" heeft ondergaan als de verkoopbenamingen van andere kazen die op grote schaal in praktisch alle Lid-Staten van de Europese Gemeenschap worden geproduceerd en geconsumeerd. Zo zijn de benamingen "armesan", "edam", "gouda" of "mozzarella" soortnamen geworden voor diverse soorten kazen. Slechts enkele van hun regionale variëteiten kunnen als herkomstbenamingen worden beschermd. Dit is met name het geval met "Mozzarella di Bufala Campana", "Parmigiano Reggiano" of "Noord-Hollandse Gouda". De voornaamste redenen die mij tot dit standpunt hebben gebracht, zijn de volgende:
- In 1987 heeft de Helleense Republiek een begin gemaakt met wettelijke maatregelen ter bescherming van de benaming "feta" als geografische aanduiding. Verordening nr. 1107/96 hanteert harerzijds hetzelfde criterium en heeft de benaming "feta" op communautair niveau als BOB voor Griekenland erkend, ook al zijn er om deze reden een aantal beroepen tot nietigverklaring van die verordening thans voor het Hof aanhangig. Onder de factoren die de Commissie bij de formulering van verordening nr. 1107/96 in aanmerking heeft genomen, bevond zich een opinieonderzoek dat in 1994 onder de consumenten van de Gemeenschap had plaatsgehad. Dit opinieonderzoek(95) heeft aangetoond, dat voor de meeste Griekse consumenten de benaming "feta" een herkomstbenaming is voor een uit Griekenland afkomstige kaas. Bovendien heeft de meerderheid van de in het kader van dit onderzoek, dat in alle Lid-Staten met uitzondering van Denemarken plaatsvond, ondervraagde personen die van het bestaan van feta-kaas op de hoogte waren, verklaard dat het een kaas van Griekse oorsprong betrof.
- De consumptie van feta in de Gemeenschap is in overwegende mate in Griekenland geconcentreerd, waar zij schommelt tussen 70 en 85 % van de totale communautaire consumptie in de periode 1988-1992. Bovendien eten de Griekse consumenten hoofdzakelijk feta die in Griekenland uit schapenmelk of uit een mengsel van schapen- en geitenmelk is geproduceerd. In de andere Lid-Staten is feta nauwelijks bekend en de consumptie betrekkelijk gering.
- Met meer dan 50 % van de communautaire productie is Griekenland de voornaamste producent van feta in de Gemeenschap, hoewel zijn productie hoofdzakelijk bestemd is voor het binnenland. In de loop van de laatste drie decennia heeft zich in de andere Lid-Staten een belangrijke productie van feta uit koemelk ontwikkeld. Die productie is hoofdzakelijk bestemd voor export naar derde landen en heeft niet geleid tot een merkbare toeneming van de interne consumptie in de Lid-Staten. Met bijna 40 % van de communautaire productie is Denemarken de voornaamste producent van feta uit koemelk. Daar de benaming "feta" nooit een indirecte herkomstbenaming is geweest in Denemarken of in de andere Lid-Staten waar feta wordt geproduceerd, kunnen de fabrikanten aldaar(96) er zich niet op beroepen, dat hun productie van feta aansluit bij een eerder en oud gebruik, beantwoordend aan een bonafide traditionele praktijk in de zin van het arrest Prantl.(97)
Op grond van deze redenen meen ik, dat de benaming "feta" geen veralgemeningsproces heeft ondergaan dat vergelijkbaar is met het lot van de benamingen van andere soorten kaas. De productie van een soort feta die verschilt van de soort die overwegend in Griekenland wordt geproduceerd, in andere Lid-Staten moge de benaming "feta" in die staten in een soortnaam hebben getransformeerd, doch kan niet worden gezegd, dat deze conversie zich op de interne Griekse markt - waar de consumenten hun voorkeur voor op de traditionele wijze in verschillende streken van Griekenland geproduceerde feta hebben gehandhaafd - heeft doorgezet.
78 Gezien het bovenstaande ben ik van mening, dat de wetgeving van een Lid-Staat die de bescherming beoogt van de rechten die het specifieke voorwerp vormen van een herkomstbenaming zoals "feta", wordt gerechtvaardigd door de bescherming van de industriële en commerciële eigendom in de zin van artikel 36 van het Verdrag.
VI - Conclusie
79 Op grond van de voorgaande beschouwingen geef ik het Hof in overweging, de door de Raad van State gestelde vragen als volgt te beantwoorden:
"1) De wetgeving van een Lid-Staat die de verhandeling van een in een andere Lid-Staat rechtmatig onder de verkoopbenaming $feta' geproduceerde en in de handel gebrachte kaas op zijn grondgebied onder dezelfde naam verhindert, is een met artikel 30 EG-Verdrag strijdige maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking.
2) De wetgeving van een Lid-Staat die de benaming $feta' voorbehoudt aan nationale producten, wordt niet gerechtvaardigd door de bescherming van de consumenten en de eerlijkheid van de handelstransacties.
3) De wetgeving van een Lid-Staat die beoogt de rechten te beschermen die het specifieke voorwerp vormen van een herkomstbenaming zoals $feta', is gerechtvaardigd door de bescherming van de industriële en commerciële eigendom in de zin van artikel 36 EG-Verdrag."
(1) - Homerus: Odyssee, deel IX, regels 244-247. [Nederlandse vertaling ontleend aan Frans van Oldenburg Ermke, Homeros, Ten Hagen N.V., Den Haag, blz. 556.]
(2) - Ibidem, deel IX, "de wilde, aan geen wet gehoorzame Cyclopen" (regel 107); "Wetten kennen ze er niet noch het raadsbesluit van de oudsten" (regels 112 en 113); "eenieder ringeloort vrouw en kinderen naar eigen willekeur zonder zich van de anderen iets aan te trekken" (regels 114 en 115); de Cycloop is "een man, bovenmenselijk sterk, wreed onredelijk, en door geen wetten in toom gehouden" (regels 214 en 215). [Vertaling Frans van Oldenburg Ermke, o.c., blz. 552/553 en 555/556.]
(3) - Ibidem, deel XX, regel 69. [Vertaling Frans van Oldenburg Ermke, o.c., blz. 716.]
(4) - Homerus: Ilias, deel XI, regel 539; de dichter vertelt ons hoe de schoongelokte Hecamede haar koperen rasp nam en geitenkaas in wijn raspte en daarvan voor Patroclos en Nestor een mengsel maakte.
(5) - A. de Guevara: Menosprecio de corte y alabanza de aldea, Madrid, 1984, blz. 177, roemt de charmes van het plattelandsleven en met name dat in dorpjes, omdat, volgens de auteur, hun inwoners "zich voeden met het vlees van geiten en dat van schapen roken (...) zij bezitten gevechtstieren en schapen die zij een lang leven laten weiden (...) melk om zich te voeden en kelders vol met kaas (...)". In Rinconete y Cortadillo spreekt Miguel de Cervantes over kaas uit Vlaanderen. Juan de la Cueva beschrijft in zijn blijspel El Infamador een festijn dat hij bekroont met "een stuk kaas uit Mallorca".Fabel V El Conde Lucanor van de infant Don Juan Manuel is getiteld "Wat een vos en een raaf overkwam die een stuk kaas in zijn bek had". In deze fabel toont de auteur aan hoe efficiënt vleierij kan zijn om een doel te bereiken. De fabel besluit met de volgende moraal:"Kijk uit voor hem die u kwaliteiten toedicht die u niet heeft!en houdt liever het oog gericht op dat wat u heeft (...)"
(6) - M. Cervantes y Saavedra: De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha, 33e druk "collectie Austral", Espasa-Calpe, Madrid, 1985, laat zijn hoofdpersoon zeggen "ik heb hier een ui, een beetje kaas, en wat hompen brood, zei Sancho, maar dat zijn geen spijzen voor een dappere ridder als u" (deel I, hoofdstuk X, blz. 56) (uitgave La Pléiade, 1956, blz. 88). Iets verder schrijft hij: "Toen het vlees op was, spreidden zij een grote hoeveelheid gedroogde eikels over de schapenvachten uit en ze legden er een halve kaas bij die harder was dan wanneer hij van specie was gemaakt" (deel I, hoofdstuk XI, blz. 58) (La Pléiade, blz. 90 en 91). Toen Don Quichot aan zijn schildknaap vroeg welk sieraad zijn beminde hem had gegeven ten afscheid voor het nieuws dat hij haar had gebracht, verklaarde hij hem "want het is een beproefde en aloude gewoonte onder dolende ridders en hun aanbedenen om schildknapen, dienstmaagden of dwergen die nieuws brengen (...) een kostbaar sieraad als beloning te geven, als dank voor hun boodschap". Sancho antwoordde hem "dat kan best zo zijn, en persoonlijk beschouw ik het als een goed gebruik, maar dat moet in vervlogen tijden zijn geweest; tegenwoordig is men zeker alleen gewend een stuk brood met kaas te geven, want dat was wat mevrouw Dulcinea mij over de muur van het erf gaf toen ik afscheid van haar nam; en het was nog schapenkaas ook, om precies te zijn" (deel I, hoofdstuk XXXI, blz. 192) (La Pléiade, blz. 297). In een andere passage wordt eveneens over kaas gesproken: "Het aandeel kaas en brood dat ik je geef, antwoordde Sancho, want God weet of ik dat niet zelf nodig zal hebben; je moet weten, vriend, dat wij schildknapen van dolende ridders te kampen hebben met veel honger en pech, en nog meer dingen die je beter voelt dan zegt" (deel I, hoofdstuk XXXI, blz. 196) (La Pléiade, blz. 303 en 304). Herinneren wij ons ten slotte de protesten van Don Quichot toen de wei uit de verse kaasjes die Sancho in zijn helm had gedaan over zijn hele gezicht en baard begon te lopen (deel II, hoofdstuk XVII, blz. 406 e.v.) (La Pléiade, blz. 635 e.v.). [Nederlandse vertaling Barber van de Pol, De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha, Atheneum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 1997.]
(7) - Ibidem, Cervantes beëindigt het verhaal van de geitenhoeder Eugenio over de tegenspoed van de wispelturige Leandra, met de woorden: "Dit is het verhaal dat ik u beloofde te vertellen; ik mag wijdlopig zijn geweest in mijn verslag, ik zal evenmin zuinig zijn als het erom gaat u te dienen: hier vlakbij is mijn hut en daar heb ik verse melk, overheerlijke kaas en allerlei rijpe vruchten, die het oog niet minder strelen dan de tong" (deel I, hoofdstuk LI, blz. 321) (La Pléiade, blz. 501). Elders, ten slotte, spreekt Cervantes van "de kazen, neergelegd als bakstenen, vormden een muur" (deel II, hoofdstuk XX, blz. 424) (La Pléiade, blz. 664). [Nederlandse vertaling Barber van de Pol, o.c.]
(8) - F. Rabelais: Gargantúa y Pantagruel, Ediciones Zeus, Barcelona, 1971, vertelt dat in het koninkrijk van de Kwinta Essentia, genaamd Entelechie, waar aan de koningin die "bij haar middagmaal niets nuttigde dan een stuk of wat categorieën, abstracties, waarheden, beelden, begrippen, concepten dromen [noot in de Franse uitgave, La Renaissance du Livre: al deze woorden berusten op fantasie], verzwegen intenties, visiën, antithesen, metempsychosen, transcendentale prolepsies" (Vijfde boek, hoofdstuk XX), een diner werd aangeboden waarbij de volgorde van het opdienen zo was dat de vorstin niets at dan "hemels ambrozijn en niets dronk dan goddelijke nectar" maar waarbij de sinjeuren en de dames van het Hof daarentegen "evenals wij, volop werden bediend van spijzen, zo zeldzaam, smakelijk en uitgezocht (...) Tot besluit van de maaltijd werd een grote pot rats opgediend (...) De pot was vol groenten van de meest verscheidene soorten, saladen, fricasseën, zwezerikken, geitebout, braadstukken, bouilly, karbonaden, grote plakken gepekeld ossevlees, bonken van hammen, zalige varkenskanen, pasteitjes, taarterijen, een weelde van soorten Moorse koeskoes, kazen, sukadekoeken, geleien en allerhande vruchten" (Vijfde boek, hoofdstuk XXIII). [Nederlandse vertaling ontleend aan J. A. Sandfort, Gargantúa en Pantagruel, derde druk, N.V. de Arbeiderspers, 1956, blz. 733 resp. 740/741.]
(9) - M. Proust: A la recherche du temps perdu, "La Pléiade", Gallimard, Parijs, 1988, verhaalt van het diner dat door de heren Verdurin en La Raspelière in aanwezigheid van baron de Charlus werd aangeboden. Terwijl allen de kwaliteiten van het dessert, een aardbeiencrème, prezen en meenden dat zij het verdiende door Château Margaux, Château Lafitte en port wijn te worden begeleid, gaf de gulle gastheer de voorkeur aan zijn bordje gruyère dat hij beslist wilde eten ondanks het bevel van zijn vrouw aan de bedienden om die "zo uit de toon vallende" kaas te verwijderen (III Sodom en Gomorra, blz. 330).
(10) - I. Calvino: Palomar, uitgave Giulio Einaudi, Turijn, 1983, blz. 75. Vrije vertaling.
(11) - Ibidem, blz. 75 en 76. Vrije vertaling.
(12) - J. Saramago: Viaje a Portugal, Alfaguara, Madrid, 1995, blz. 150. In dit werk herinnert de heer Guerra de reiziger aan een uitspraak van Cidadelhe over brood, kaas en wijn: "(...) pan con ojos, queso sin ojos, vino que salte a los ojos" ("brood met gaten, kaas zonder gaten, wijn die in het oog springt").
(13) - Onder de Spaans-Amerikaanse auteurs denke men aan M. Vargas Llosa: Los cuadernos de Don Rigoberto, Alfaguara, Madrid, 1997, blz. 191 en 192. In een hoofdstuk getiteld "Menú diminuto" ("miserabel menu"), noemt de auteur de "quesito helado" ("kleine ingevroren kaas") onder de gerechten die deel uitmaakten van het dessert bij een diner.
(14) - A. Hernández Gil bevestigt dit in het boek van S. Ortega: Quesos españoles (Spaanse kazen), Alianza Editorial, Madrid, 1987, blz. 142. Hernández Gil, die president was van het Spaanse Tribunal Supremo en van het Spaanse Consejo General del Poder Judicial, onthult ons in datzelfde werk dat hij veronderstelt dat "de wetgeving op dit gebied even saai moet zijn als de regen".
(15) - Ministeriële beschikking nr. 15294/1987 van de ministers van Landbouw en Financiën; FEK B 347.
(16) - FEK B 892.
(17) - FEK B 663.
(18) - FEK B 667.
(19) - FEK A 36.
(20) - Verordening van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB 1992, L 208, blz. 1).
(21) - FEK A 130.
(22) - FEK B 8.
(23) - FEK B 624.
(24) - Arrest van 20 februari 1979 (zaak 120/78, "Cassis de Dijon" Rewe-Zentral, Jurispr. 1979, blz. 649).
(25) - Richtlijn van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB 1979, L 33, blz. 1).
(26) - Richtlijn 74/409/EEG van de Raad van 22 juli 1974 betreffende de harmonisatie van de wettelijke voorschriften van de Lid-Staten inzake honing (PB 1974, L 221, blz. 10).
(27) - Richtlijn 73/241/EEG van de Raad van 24 juli 1973 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften van de Lid-Staten inzake voor menselijke voeding bestemde cacao- en chocoladeprodukten (PB 1973, L 228, blz. 23).
(28) - Arrest van 9 december 1981 (zaak 193/80, Commissie/Italië, hierna: "azijn-arrest", Jurispr. 1981, blz. 3019).
(29) - Arrest van 26 november 1985 (zaak 182/84, Miro, Jurispr. 1985, blz. 3731).
(30) - Arrest van 12 maart 1987 (zaak 178/84, Commissie/Duitsland, hierna: "bier-arrest", Jurispr. 1987, blz. 1227).
(31) - Arresten van 14 juli 1988 (zaak 407/85, 3 Glocken e.a., Jurispr. 1988, blz. 4233, en zaak 90/86, Zoni, ibid., blz. 4285).
(32) - Arrest van 14 juli 1988 (zaak 298/87, Smanor, Jurispr. 1988, blz. 4489).
(33) - Arrest van 22 september 1988 (zaak 286/86, Deserbais, Jurispr. 1988, blz. 4907, r.o. 12).
(34) - Arresten van 11 oktober 1990 (zaak C-210/89, Commissie/Italië, Jurispr. 1990, blz. I-3697, r.o. 12, en zaak C-196/89, Nespoli en Crippa, ibid., blz. I-3647).
(35) - Arrest van 13 november 1990 (zaak C-269/89, Bonfait, Jurispr. 1990, blz. I-4169, r.o. 13).
(36) - Arresten van 19 februari 1981 (zaak 130/80, Kelderman, Jurispr. 1981, blz. 527), 14 juli 1994 (zaak C-17/93, Van der Veldt, Jurispr. 1994, blz. I-3537) en 13 maart 1997 (zaak C-358/95, Morellato, Jurispr. 1997, blz. I-1431).
(37) - Zie arrest Nespoli en Crippa (reeds aangehaald, r.o. 13).
(38) - Zie azijn-arrest (reeds aangehaald, r.o. 27) en arrest Miro (reeds aangehaald, r.o. 22).
(39) - Arrest Smanor (reeds aangehaald, r.o. 19-24).
(40) - R.o. 13 van het arrest Deserbais (reeds aangehaald) luidt als volgt: "men kan zich afvragen of dezelfde regel moet worden toegepast wanneer een onder een bepaalde benaming aangeboden product qua samenstelling of vervaardiging zo zeer afwijkt van de binnen de Gemeenschap algemeen onder die benaming bekende goederen, dat het niet kan worden geacht tot dezelfde categorie te behoren".
(41) - Zie het commentaar van C. de Lister: "The naming of foods: the European Community's rules for non-brand food product names", European Law Review 1993, blz. 186 e.v.
(42) - Mededeling van de Commissie houdende uitlegging betreffende de verkoopbenamingen van levensmiddelen (PB 1991, C 270, blz. 2).
(43) - De overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, Resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay Ronde, Secretariaat van de GATT, Genève, 1995, blz. 381, spreekt van een geografische aanduiding, welke uitdrukking overeenstemt met herkomstbenaming. Artikel 22, lid 1, definieert geografische aanduidingen als: "(...) aanduidingen die aangeven dat waren hun oorsprong hebben op het grondgebied van een Lid, of een regio of plaats op dat grondgebied, waarbij een bepaalde kwaliteit, reputatie of ander kenmerk van de waren wezenlijk valt toe te schrijven aan zijn geografische oorsprong".
(44) - Zie met name F.-K. Beier en R. Knaak: "The Protection of Direct and Indirect Indications of Source in Germany and the European Community", International Review of Industrial Property and Copyright Law, 1994, nr. 1, blz. 1; P. Jiménez Blanco: Las denominaciones de origen en el derecho del comercio internacional, Eurolex, Madrid, 1996, en G. Salignon: "La jurisprudence et la réglementation communautaires relatives à la protection des appellations d'origine, des dénominations géographiques et des indications de provenance", Revue du marché unique européen, 1994, nr. 4, blz. 107.
(45) - Arresten van 20 februari 1975 (zaak 12/74, Commissie/Duitsland, hierna: "Sekt-arrest", Jurispr. 1975, blz. 181, r.o. 7) en 7 mei 1997 (gevoegde zaken C-321/94, C-322/94, C-323/94 en C-324/94, Pistre e.a., Jurispr. 1997, blz. I-2343, r.o. 35 en 36). In het arrest Pistre, heeft het Hof overwogen dat de benaming "gebergte", het gebruik waarvan in Frankrijk is gereguleerd, geen herkomstaanduiding is omdat zij een algemeen karakter heeft dat de nationale grenzen overschrijdt en niet een bepaalde geografische oorsprong aanduidt.
(46) - Sekt-arrest (reeds aangehaald in de vorige voetnoot, r.o. 9); arresten van 12 oktober 1978 (zaak 13/78, Eggers, Jurispr. 1978, blz. 1935, r.o. 16) en 9 juni 1992 (zaak C-47/90, Delhaize en Le Lion, Jurispr. 1992, blz. I-3669, r.o. 22 en 23). In dit laatste arrest overwoog het Hof, dat het verbod om "Rioja"-wijnen te bottelen buiten de productiestreek van geen enkele invloed op de kwaliteit van deze wijnen was.
(47) - Arrest van 10 november 1992 (zaak C-3/91, Exportur, Jurispr. 1992, blz. I-5529, r.o. 11).
(48) - Sekt-arrest (reeds aangehaald, r.o. 7).
(49) - De benaming "Parmigiano Reggiano" komt voor in de bijlage bij verordening (EG) nr. 1107/96 als beschermde oorsprongsbenaming voor Italië. Er is geen enkele aanwijzing, dat geen bescherming van de naam parmesan is gewenst. Ik ben nochtans van mening, dat de benaming "parmezaanse kaas" een soortnaam is geworden.
(50) - De voornaamste multilaterale overeenkomsten op dit gebied zijn de volgende: de overeenkomst van Lissabon inzake de bescherming en de internationale inschrijving van benamingen van oorsprong, van 31 oktober 1858, herzien te Stockholm op 14 juli 1967, Recueil des traités des Nations unies, deel 923, nr. 13172, blz. 205; het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, van 20 maart 1883, herzien te Stockholm op 14 juli 1967, Recueil des traités des Nations unies, deel 828, nr. 11851, blz. 305; de overeenkomst van Madrid betreffende de bestrijding van valse aanduidingen van herkomst, van 14 april 1891, herzien te Stockholm op 14 juli 1967, Recueil des traités des Nations unies, deel 828, nr. 11848, blz. 163, en de overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (reeds aangehaald in voetnoot 43).
(51) - Arrest Exportur (reeds aangehaald, r.o. 12).
(52) - Zie het commentaar van L. A. Fuentes Núñez: "La protección de las denominaciones de origen en el derecho comunitario", Boletín de la Gaceta Jurídica de la CE y de la Competencia, B-101 februari/maart 1995, blz. 31.
(53) - Arrest Exportur (reeds aangehaald, r.o. 25).
(54) - Arresten Exportur (reeds aangehaald, r.o. 11) en Delhaize en Le Lion (reeds aangehaald, r.o. 17 en 18).
(55) - Arrest Exportur (reeds aangehaald, r.o. 11).
(56) - Ibidem, r.o. 27 en 28.
(57) - Sekt-arrest (reeds aangehaald, r.o. 3 en 4).
(58) - Arrest van 13 maart 1984 (zaak 16/83, Prantl, Jurispr. 1984, blz. 1299, r.o. 25) en arrest Exportur (reeds aangehaald, r.o. 34).
(59) - Arrest Exportur (reeds aangehaald).
(60) - Verordening van de Commissie van 27 juli 1993 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening nr. 2081/92 van de Raad (PB 1993, L 185, blz. 5).
(61) - Zie de negende en de tiende overweging van de considerans van verordening nr. 2081/92.
(62) - Verordening van de Commissie van 12 juni 1996 betreffende de registratie van de geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen in het kader van de procedure van artikel 17 van verordening nr. 2081/92 van de Raad (PB 1996, L 148, blz. 1).
(63) - Verordening van de Commissie van 1 juli 1996 tot aanvulling van de bijlage bij verordening nr. 1107/96 (PB 1996, L 163, blz. 19).
(64) - Verordening van de Commissie van 23 januari 1997 tot aanvulling van de bijlage bij verordening nr. 1107/97 (PB 1997, L 22, blz. 19).
(65) - Verordening van de Raad van 17 maart 1997 tot wijziging van verordening nr. 2081/92 (PB 1997, L 83, blz. 3).
(66) - In het arrest van 7 februari 1984 (zaak 237/82, Jongeneel Kaas e.a., Jurispr. 1984, blz. 483) heeft het Hof in r.o. 13 geoordeeld, dat waar elk communautair voorschrift omtrent de kwaliteit van kaasproducten ontbreekt, de Lid-Staten de bevoegdheid hebben behouden om de op hun grondgebied gevestigde kaasproducenten dergelijke voorschriften op te leggen. Deze bevoegdheid betreft niet enkel voorschriften die voor de bescherming van de consumenten of van de volksgezondheid noodzakelijk worden geacht, maar ook die welke de Lid-Staat wenselijk acht ter bevordering van de kwaliteit van de nationale productie. Die voorschriften mogen echter niet tot discriminatie van ingevoerde producten leiden of de invoer van producten uit andere Lid-Staten belemmeren.
(67) - Arrest van 11 juli 1974 (zaak 8/74, Dassonville, Jurispr. 1974, blz. 837, r.o. 5).
(68) - Arrest van 24 november 1993 (gevoegde zaken C-267/91 en C-268/91, Keck en Mithouard, Jurispr. 1993, blz. I-6097).
(69) - Reeds aangehaald.
(70) - Arrest Keck en Mithouard (reeds aangehaald, r.o. 15).
(71) - Deze uitlegging is bevestigd in de arresten die het Hof na het arrest Keck en Mithouard heeft gewezen inzake maatregelen met betrekking tot de kenmerkende eigenschappen van producten. Zie met name arresten van 2 februari 1994 (zaak C-315/92, Verband Sozialer Wettbewerb, Jurispr. 1994, blz. I-317); 1 juni 1994 (zaak C-317/92, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1994, blz. I-2039), Van der Veldt (reeds aangehaald in voetnoot 36) en 6 juli 1995 (zaak C-470/93, Mars, Jurispr. 1995, blz. I-1923).
(72) - Zie met name arresten van 12 oktober 1978 (zaak 13/78, Eggers, Jurispr. 1978, blz. 1935, r.o. 25) en Pistre (reeds aangehaald, r.o. 49).
(73) - Zie arrest Smanor (reeds aangehaald, r.o. 12-14). Het Hof was daar van mening dat een wetgeving krachtens welke de Franse autoriteiten de verhandeling van een geïmporteerd product slechts toestonden wanneer het was voorzien van de benaming "diepgevroren gefermenteerde melk" in plaats van "diepgevroren yoghurt", een maatregel van gelijke werking vormt.
(74) - Arresten van 16 december 1980 (zaak 27/80, Fietje, Jurispr. 1980, blz. 3839); Sekt (reeds aangehaald), Miro (reeds aangehaald) en Exportur (reeds aangehaald).
(75) - Arrest Nespoli en Crippa (reeds aangehaald, r.o. 14).
(76) - Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan een nationale regeling van discriminerende aard slechts worden gerechtvaardigd door een van de redenen die in artikel 36 EG-Verdrag zijn opgesomd. Zie met name arresten van 17 juni 1981 (zaak 113/80, Commissie/Ierland, Jurispr. 1981, blz. 1625, r.o. 8 en 11) en Pistre (reeds aangehaald, r.o. 52).
(77) - Zie de punten 29-34 supra.
(78) - Sedert deze twee arresten is deze vraag slechts zeer beknopt aan de orde gekomen in punt 3 van de conclusie van advocaat-generaal Van Gerven in de zaak Nespoli en Crippa, die ik hierboven al heb genoemd. In voetnoot 5 bij zijn conclusie maakt Van Gerven onderscheid tussen, enerzijds, de maatregel waarover het Hof in die zaak had te oordelen en die betrekking had op het gebruik van de soortnaam "kaas", en, anderzijds, de situatie waarin de gebruikte benaming noodzakelijkerwijs het bestaan van een typisch ingrediënt of een typische productiewijze veronderstelt en het aangeboden product daarvan afwijkt. Hij herinnert eraan dat ter terechtzitting de kwestie van het gebruik van de benaming "feta" is genoemd.
(79) - Zie het rapport dat tijdens de XXIIe zitting van het Joint FAO/WHO Committee of Government Experts on the Code of Principles concerning Milk and Milk Products, die heeft plaatsgehad in Rome van 5-9 november 1990, is aangenomen.
(80) - Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie van 17 december 1987 tot vaststelling van de landbouwproduktennomenclatuur voor de uitvoerrestituties (PB 1987, L 366, blz. 1).
(81) - Verordening (EG) nr. 3009/95 van de Commissie van 22 december 1995 tot wijziging van bijlage I van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1995, L 319, blz. 1). De nomenclatuur verwijst naar feta in de volgende bewoordingen:"Feta:0406 90 31 - schapekaas en kaas bereid uit buffelmelk, in bergingsmiddelen die pekel bevatten of in zakken van schape- of geitevellen0406 90 33 - andere"
(82) - Arrest van 27 februari 1980 (zaak 170/78, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1980, blz. 417) en bier-arrest (reeds aangehaald in voetnoot 30, r.o. 32).
(83) - Arrest van 26 oktober 1995 (zaak C-51/94, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1995, blz. I-3599, r.o. 34).
(84) - Arrest Commissie/Duitsland (aangehaald in voetnoot 83, r.o. 36).
(85) - De uitspraken die in die beroepen zullen worden gegeven behoeven niet noodzakelijk gelijkluidend te zijn. Het is mogelijk, dat de benaming "feta" ten tijde van de feiten in Griekenland een geografische aanduiding was en dat het Hof verordening nr. 1107/96 vernietigt op grond dat de benaming "feta" niet voldoet aan de voorwaarden die verordening nr. 2081/92 aan een dergelijke benaming stelt, te weten een BOB op communautair niveau.
(86) - Arrest Exportur (reeds aangehaald, r.o. 12).
(87) - Arrest Exportur (reeds aangehaald, r.o. 23-25).
(88) - Zie de punten 35-37 supra.
(89) - Artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2081/92 staat de Lid-Staten toe, indirecte herkomstbenamingen te beschermen waar het bepaalt: "als oorsprongsbenamingen worden eveneens beschouwd bepaalde, al dan niet geografische, traditionele benamingen, indien zij een landbouwproduct of levensmiddel van oorsprong uit een streek of een bepaalde plaats aanduiden dat aan de voorwaarden van lid 2, onder a), tweede streepje, voldoet".
(90) - In r.o. 8 van het Sekt-arrest (reeds aangehaald) heeft het Hof verklaard, dat het productiegebied met een herkomstbenaming homogene natuurlijke kenmerken moet hebben die dit gebied ten opzichte van aangrenzende gebieden afbakenen, zodat een productiegebied dat naar het nationale grondgebied of een taalcriterium is omschreven, de verlening van een herkomstbenaming niet rechtvaardigt. Dit was het geval met de benamingen "Sekt" en "Weinbrand", die door de Duitse wetgeving geacht werden indirecte herkomstaanduidingen te zijn die de producten van oorsprong uit de gehele Bondsrepubliek Duitsland of uit landen waarin Duits de officiële taal is, individualiseren.
(91) - Arrest Exportur (reeds aangehaald, r.o. 11). Artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2081/92 staat eveneens toe dat, in uitzonderingsgevallen, een oorsprongsbenaming of een geografische aanduiding betrekking heeft op het gehele grondgebied van een staat. Voor de consequenties van deze omslag van de rechtspraak, zie O. W. Brouwer: "Annotation of case C-3/91, Exportur S.A. v. LOR SA and Confiserie du Tech", Common Market Law Review, 1993, blz. 1209 e.v.
(92) - Sekt-arrest (reeds aangehaald, r.o. 7).
(93) - Arrest Exportur (reeds aangehaald, r.o. 27 en 28).
(94) - Zie wat betreft de typische kenmerken van geografische aanduidingen, het arrest Exportur (reeds aangehaald, r.o. 11 en 28).
(95) - In r.o. 12 van het Sekt-arrest (reeds aangehaald) onderstreepte het Hof de moeilijkheden die aan dit type opinieonderzoek zijn verbonden en verklaarde het, dat deze naar hun aard niet geschikt zijn om het bestaan van een geografische aanduiding vast te stellen.
(96) - In het arrest Exportur (reeds aangehaald, r.o. 34) presiceert het Hof dat de rechtspraak in de zaak Prantl betrekking heeft op situaties waarin een nationale indirecte herkomstaanduiding en een buitenlandse indirecte herkomstaanduiding naast elkaar bestaan.
(97) - Arrest Prantl (reeds aangehaald, r.o. 30).
Full & Egal Universal Law Academy