Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1 In de onderhavige zaak wordt het Hof wederom(1) verzocht zich uit te spreken over de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de in de Bondsrepubliek Duitsland geldende nationale bepalingen van burgerlijk procesrecht, waarbij van verzoekers die geen onderdaan van deze staat zijn, wordt verlangd een cautio judicatum solvi (zekerheid voor de proceskosten) te stellen.
II - De feiten en het rechtskader
2 De echtelieden Hayes dagvaardden de vennootschap Kronenberger voor het Landgericht Saarbrücken ter zake van een schuldvordering betreffende een niet betaald gedeelte van de koopprijs van door hen geleverd materiaal voor zuiverings- en recyclinginstallaties. Verweerster vorderde van verzoekers overeenkomstig § 110 Zivilprozeßordnung (Duits wetboek van burgerlijke rechtsvordering; hierna: "ZPO") een cautio judicatum solvi.
3 Volgens § 110 ZPO moeten vreemdelingen die voor een Duitse rechter als eiser optreden, een cautio judicatum solvi stellen.
De verplichting tot zekerheidsstelling geldt evenwel, op basis van wederkerigheid, niet, wanneer de staat waarvan de eiser onderdaan is, van een Duits onderdaan in overeenkomstige gevallen geen zekerheidsstelling verlangt.
4 Bij vonnis van 4 juli 1994 verklaarde het Landgericht Saarbrücken de vraag betreffende de zekerheidsstelling krachtens § 110 ZPO irrelevant, aangezien aan het wederkerigheidsvereiste was voldaan daar partijen onderdaan van Lid-Staten van de Europese Unie waren.
Verzoekers gingen van het vonnis van het Landgericht in beroep bij het Saarländische Oberlandesgericht. Deze rechterlijke instantie heeft het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Worden Britse onderdanen die bij de Duitse burgerlijke rechter tegen een in Duitsland gevestigde vennootschap met beperkte aansprakelijkheid een vordering tot betaling van de koopprijs van geleverde goederen hebben ingesteld en die in Duitsland geen woonplaats of vermogen hebben, in strijd met artikel 7, eerste alinea, EEG-Verdrag gediscrimineerd op grond van nationaliteit, wanneer de bevoegde Duitse rechter op verzoek van de verweerder krachtens § 110 van de Duitse Zivilprozeßordnung van hen zekerheidsstelling voor de proceskosten verlangt?"
III - Analyse van het geschil
5 De in casu aan het Hof voorgelegde vraag deed, toen zij werd geformuleerd, de interessante en moeilijke problematiek rijzen betreffende de verhouding tussen het gemeenschapsrecht, met name het in artikel 6 van het Verdrag neergelegde verbod van iedere discriminatie op grond van nationaliteit, en bepaalde procedurevoorschriften van de Lid-Staten, voor zover zij vreemdelingen en eigen onderdanen anders behandelen wat de toegang tot de rechter betreft. Volgens deze voorschriften moet de vreemdeling die tegen een eigen onderdaan een burgerlijke rechtsvordering instelt, namelijk een passende zekerheid stellen voor de proceskosten. Bij de formulering van zijn vraag aan het Hof besteedde de verwijzende rechter bijzondere aandacht aan de omstandigheden van de zaak; in de gegeven omstandigheden zou het litigieuze Duitse procedurevoorschrift veeleer het in artikel 6 van het Verdrag neergelegde algemene verbod van discriminatie op grond van nationaliteit dan andere bijzondere verdragsbepalingen schenden.
6 De prejudiciële vraag heeft evenwel haar praktische betekenis verloren door de inmiddels in de rechtspraak van het Hof verstrekte uitlegging. In een recent arrest(2) heeft het Hof namelijk overwogen "dat een nationale regel van burgerlijk procesrecht als in het hoofdgeding aan de orde is, binnen de werkingssfeer van het Verdrag valt in de zin van artikel 6, eerste alinea, en onderworpen is aan het in die bepaling geformuleerde algemene discriminatieverbod, voor zover hij, zij het ook zijdelings, van invloed is op de intracommunautaire handel in goederen en diensten. Voor een dergelijke invloed moet in het bijzonder worden gevreesd, indien in het kader van een vordering tot betaling van geleverde goederen een zekerheidsstelling voor de proceskosten wordt verlangd."
Het Hof heeft de procesrechtelijke situatie van een gemeenschapsonderdaan die als eiser optreedt in een burgerlijke procedure die met de uitoefening van door het gemeenschapsrecht gegarandeerde vrijheden verband houdt, in wezen gelijkgesteld met die van de onderdanen van de staat voor de rechterlijke instanties waarvan het geschil aanhangig is. Volgens het Hof geldt zulks los van het bestaan van internationale overeenkomsten tussen de staat van de eiser en die van de verweerder inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse rechterlijke beslissingen, die uitdrukkelijk strekken tot opheffing van de belemmeringen van hetgeen zou kunnen worden omschreven als het "vrij verkeer van rechterlijke beslissingen".(3)
7 Evenals het geschil dat in de zaak Data Delecta aan het Hof werd voorgelegd, heeft het onderhavige geschil betrekking op een verrichting die rechtstreeks verband houdt met de uitoefening van een uit het EG-Verdrag voortvloeiend recht, te weten het vrije verkeer van goederen. Daarom draait het hier. De omstandigheid dat de vordering in het hoofdgeding is ingediend wegens niet-betaling van een goederenlevering, is hier juist relevant, omdat er een rechtstreeks verband bestaat met de uitoefening van voormelde vrijheid, zoals die door het Verdrag aan de communautaire burgers en ondernemingen is gegarandeerd. Dat de justitiabelen hun rechten voor de bevoegde rechter kunnen laten gelden, is voorts het onmisbare uitvloeisel van de door het Verdrag verleende rechten. Ook de door de rechters van de verschillende Lid-Staten verzekerde rechterlijke bescherming van de uit de rechtsorde van de Unie voortvloeiende rechten en belangen, heeft derhalve een communautair karakter, doordat zij bijdraagt tot de volledige verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag. In andere arresten heeft het Hof verklaard, dat de Lid-Staten ingevolge artikel 5 van het Verdrag "de rechtsbescherming dienen te verzekeren die voor de justitiabelen voortvloeit uit de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht".(4)
8 De rechtspraak van het Hof is duidelijk. Wanneer een gemeenschapsonderdaan de bevoegde nationale rechter verzoekt, een vordering toe te wijzen die verband houdt met de uitoefening van een hem door het Verdrag verleend recht, is de indiening van de burgerlijke rechtsvordering onafscheidelijk verbonden met de in het gemeenschapsrecht neergelegde vrijheid zelf. Het procesrecht van de Lid-Staten, dat de indiening van dergelijke vorderingen regelt, komt binnen de gemeenschapssfeer te vallen, omdat het een instrument ter verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag wordt.
Ofschoon het gemeenschapsrecht zich in het algemeen niet bezighoudt met vragen die verband houden met het procesrecht van de Lid-Staten(5), impliceert het verband tussen de uitoefening van de communautaire vrijheden en de rechterlijke bescherming daarvan derhalve, dat ook de regels die de procesgang beheersen, het recht van de gemeenschapsonderdanen op rechterlijke bescherming overeenkomstig het in het Verdrag neergelegde beginsel van non-discriminatie moeten verzekeren.(6)
9 In casu berust het in § 110 ZPO neergelegde verschil in behandeling alleen op het nationaliteitscriterium. Reeds hierom gaat het om een ongelijke behandeling die niet tot doel heeft, noch tot doel kan hebben, een oplossing te bieden voor de door verweerster gestelde eventuele of vermeende moeilijkheden als gevolg van de omstandigheid, dat de eiser in een andere Lid-Staat woont of in de staat van de aangezochte rechter geen vermogen heeft waarop de verweerder eventueel met een gedwongen tenuitvoerlegging rechtstreeks beslag kan leggen zonder eerst het vonnis in een andere staat te moeten laten erkennen.
De situatie in de onderhavige zaak komt in wezen volledig overeen met die welke het Hof in het arrest Data Delecta en Forsberg heeft onderzocht. Derhalve moet de in dit arrest gekozen oplossing hier worden toegepast.
10 In limine litis moet nog worden opgemerkt dat, zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk in haar opmerkingen heeft beklemtoond, het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(7), op de litigieuze rechtsverhouding van toepassing is, aangezien dit verdrag in de twee betrokken Lid-Staten, de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, geldt. Derhalve gaat zelfs het argument van verweerster en de Zweedse regering niet op, dat de in § 110 ZPO voorziene verplichting wegens de moeilijkheden bij de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse rechterlijke beslissingen ook een rechtvaardiging vindt in het gemeenschapsrecht. Deze rechtvaardiging zou hoofdzakelijk hierin bestaan, dat de betrokken zekerheidsstelling bij gebreke van passende verdragsbepalingen nuttig, ja zelfs noodzakelijk is ter omzeiling van de distorsies op het gebied van de rechtsbescherming, waartoe de moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging van het vonnis in het buitenland zouden kunnen leiden.(8) In de gegeven situatie is dit betoog wegens het bestaan van het Executieverdrag evenwel onhoudbaar.(9)
IV - Conclusie
11 Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vraag van het Saarländische Oberlandesgericht te beantwoorden als volgt:
"Het gemeenschapsrecht, inzonderheid artikel 6 van het Verdrag, staat eraan in de weg, dat bij geschillen die verband houden met de uitoefening van uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende rechten, van communautaire onderdanen een zekerheidsstelling voor de proceskosten wordt verlangd, zoals voorzien in § 110 van het Duitse wetboek van burgerlijke rechtsvordering."
(1) - Het Hof heeft het Duitse procedurevoorschrift dat het stellen van een cautio judicatum solvi voorschrijft, namelijk reeds onderzocht in het arrest van 1 juli 1993 (zaak C-20/92, Hubbard, Jurispr. 1993, blz. I-3777). Dit voorschrift is daarbij onverenigbaar verklaard met het in de artikelen 59 en 60 van het Verdrag neergelegde beginsel van gelijke behandeling, en wel wat de vrijheid van dienstverlening betreft, daar het in dat geval de uitoefening van beroepsactiviteiten door onderdanen van andere Lid-Staten in Duitsland belemmerde.
(2) - Arrest van 26 september 1996 (zaak C-43/95, Data Delecta en Forsberg, Jurispr. 1990, blz. I-4661). Krachtens de nationale regel die in deze zaak aan de orde was, moest de buitenlandse eiser, evenals in de onderhavige zaak, zekerheid stellen voor de proceskosten, terwijl een Zweedse eiser van deze verplichting was vrijgesteld, ongeacht of hij in Zweden woonde of er vermogen bezat waarmee hij aan verweerders eventuele schuldvordering voor de proceskosten kon voldoen.
(3) - Zie in dit verband mijn conclusie in de zaak Data Delecta en Forsberg (reeds aangehaald), en meer bepaald punt 17.
(4) - Zie laatstelijk arrest van 14 december 1995 (zaak C-312/93, Peterbroeck, Jurispr. 1995, blz. I-4599).
(5) - Het Hof heeft evenwel vastgesteld, dat procesregels het gemeenschapsrecht kunnen schenden. Zie in dit opzicht het arrest Peterbroeck (reeds aangehaald, r.o. 12).
(6) - Arresten van 2 februari 1989 (zaak 186/87, Cowan, Jurispr. 1989, blz. 195) en 20 oktober 1993 (gevoegde zaken C-92/92 en C-326/92, Phil Collins e.a., Jurispr. 1993, blz. I-5145).
(7) - In werking getreden op 1 februari 1973 en bekendgemaakt in PB 1972, L 299, blz. 32.
(8) - Deze rechtvaardiging vond ruime weerklank in de conclusie van advocaat-generaal Tesauro van 3 oktober 1996 in een andere zaak (zaak C-29/95, Pastoors en Trans-Cap, Jurispr. 1997, blz. I-285) en in het desbetreffende arrest van 23 januari 1997. Daarin ging het evenwel om een situatie die slechts op enkele punten gelijkenis vertoonde met de onderhavige zaak. Het twistpunt was, of een strafbepaling inzake verkeersovertredingen, waarbij de strafvordering tegen niet-ingezetenen verviel mits zij een aanzienlijk hogere boete betaalden, verenigbaar was met het gemeenschapsrecht. In dit arrest stelde het Hof allereerst vast, dat noch de bepalingen van het Executieverdrag noch die van soortgelijke overeenkomsten op het betrokken gebied van toepassing waren. Het Hof kwam tot de slotsom, dat het verschil in behandeling in beginsel gerechtvaardigd kon zijn (ofschoon het vaststelde, dat de modaliteiten en het bedrag van de betrokken geldboete in strijd waren met het evenredigheidsbeginsel). Wat het onderhavige geschil betreft, lijkt mij het argument betreffende de bij de tenuitvoerlegging van het arrest in een andere Lid-Staat bij gebreke van passende verdragsbepalingen te verwachten moeilijkheden, niet echt overtuigend voor de toepassing van artikel 6 van het Verdrag. Sinds enige tijd heeft het Hof immers duidelijk gepreciseerd dat "het in het gemeenschapsrecht verankerde recht op gelijke behandeling niet afhankelijk kan worden gesteld van het bestaan van door de Lid-Staten gesloten wederkerigheidsovereenkomsten" (arresten Cowan en Hubbard, reeds aangehaald, r.o. 17). Door zijn aard heeft het recht op rechterlijke bescherming van de uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende rechten een zekere verheffing ondergaan, die soms ook wel als overwaardering wordt aangemerkt. Dit recht, dat tot het beperkte aantal communautaire grondrechten behoort, duldt geen beperkingen of voorwaarden en de werking ervan kan dus niet worden beknot op grond van bijzondere omstandigheden in de ene of de andere Lid-Staat, die hoe dan ook het discriminatieverbod schenden.
(9) - In dit opzicht gaat het in casu overigens om een soortgelijke situatie als in het arrest van het Hof van 10 februari 1994 (zaak C-398/92, Mund & Fester, Jurispr. 1994, blz. I-467), waarin het Hof de nationale bepaling onverenigbaar met artikel 6 van het Verdrag verklaarde.
Full & Egal Universal Law Academy