CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. LA PERGOLA
van 4 juli 1996 ( *1 )
1.
De prejudiciële vragen van het Arbeidshof te Luik (Tweede kamer) betreffen de uitlegging van artikel 36, lid 4, van verordening (EEG) nr. 574/72, dat de modaliteiten voor de indiening van een aanvraag om sociale-zekerheidsuitkeringen regelt. ( 1 ) De verwijzende rechter verzoekt het Hof om opheldering over de verhouding tussen die bepaling en de leden 1, 2 en 3 van hetzelfde artikel. In wezen gaat het om de vraag, of de datum waarop bij het bevoegde orgaan een aanvraag om uitkering wordt ingediend, ook als referentiedatum geldt voor de eventuele tussenkomst van de sociale-zekcrheidsorganen van de andere Lid-Staten die bevoegd zijn om aan de belanghebbende dezelfde uitkering pro rata uit te keren.
De feiten
2.
De feiten die aan de oorsprong van de onderhavige zaak liggen, kunnen als volgt worden samengevat. M. Picard (hierna ook: „verzoeker”), een in België wonende Franse onderdaan, diende op 11 april 1991 een pensioenaanvraag in bij het bevoegde orgaan in Frankrijk, dat hem overeenkomstig die aanvraag een pensioen toekende met ingang van 1 januari 1992.
3.
Op uitdrukkelijke aanwijzing van de Franse administratie diende Picard vervolgens op 11 juni 1992 via het gemeentebestuur van Vcrviers (zijn woonplaats) een pensioenaanvraag in bij het Belgische orgaan dat bevoegd is voor uitkeringen aan zelfstandigen, het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (hierna: „RSVZ”).
4.
Bij besluit van 21 december 1992 wees het RSVZ Picards aanvraag om vervroegd pensioen af, op grond dat hij op het ogenblik van zijn aanvraag niet aan de criteria voor het verkrijgen van een pensioen krachtens Belgisch recht voldeed. ( 2 )
Vervolgens, na te hebben vernomen dat het Franse bevoegde orgaan Picard een pensioen had toegekend, nam het RSVZ op 27 januari 1993 een nieuw besluit, waarbij het Picard weliswaar weigerde een pensioen krachtens Belgisch recht toe te kennen, doch zijn recht op een pro-ratapensioen erkende en het bedrag van laatstbedoeld pensioen bepaalde „met toepassing van verordeningen (EEG) m-s. 1408/71 en 574/72”. ( 3 )
Tegelijkertijd liet het RSVZ het pensioen ingaan op 1 juli 1992, dus op een latere datum dan die vanaf wanneer Picard het Franse pensioen ontving.
5.
Volgens het RSVZ vloeit dit verschil in datum — en hier rijst het uitleggingsprobleem waarover het in deze zaak gaat — voort uit het Belgisch recht. Krachtens de toepasselijke wetgeving moet de pensioenaanvraag worden ingediend bij het gemeentebestuur van de gemeente waar de aanvrager is ingeschreven, en kan het pensioen niet ingaan vóór de eerste van de maand die volgt op die waarin de aanvraag werd ingediend. ( 4 ) Gezien deze bepalingen van nationaal recht is het pensioen volgens het RSVZ terecht op 1 juli 1992 ingegaan. Immers, zoals reeds gezegd, heeft Picard pas op 11 juni 1992 zijn pensioenaanvraag bij het gemeentebestuur van Verviers ingediend.
6.
Bij vonnis van 18 november 1994 bevestigde de Arbeidsrechtbank te Verviers, waartoe Picard zich had gewend, het besluit van het RSVZ wat het bedrag van het hem toegekende pensioen betreft; zij oordeelde evenwel, dat ingevolge artikel 36, lid 4, van verordening nr. 574/72 het Belgische pensioen moest ingaan op 1 januari 1992, de datum waarop het Franse bevoegde orgaan hem een pensioen had toegekend.
7.
Het RSVZ is tegen dat onderdeel van het vonnis in beroep gekomen bij het Arbeidshof te Luik, dat het Hof om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen verzoekt:
„1)
Bevat lid 4 van artikel 36 van verordening nr. 574/72 een autonome algemene regel, die van toepassing is ongeacht of de bepalingen van de leden 1 tot en met 3 van hetzelfde artikel in acht zijn genomen?
2)
Zo neen, is de werknemer of zelfstandige, aan wie zonder voorafgaande erkenning van zijn recht op pensioen door het bevoegde orgaan van een andere Lid-Staat (in casu de Lid-Staat van zijn nationaliteit), door het bevoegde orgaan van de Lid-Staat van zijn woonplaats geen recht op pensioen kan worden toegekend, niettemin verplicht in de staat van zijn woonplaats een aanvraag in te dienen opdat de uitkeringen gelijktijdig zouden worden vastgesteld?”
8.
In de onderhavige procedure zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door Picard, het RSVZ, de Commissie en de Franse regering.
9.
Alvorens de aan het Hof voorgelegde vragen ten gronde te onderzoeken, wil ik ze in de ruimere context plaatsen waarin zij mijns inziens thuishoren.
De toepasselijke wetgeving
10.
Tijdens zijn loopbaan is Picard onderworpen geweest aan de bepalingen van de Franse en de Belgische rechtsorde. Aangezien hij om de vaststelling van de sociale-zekerheidsuitkering verzoekt waarop hij recht heeft, is artikel 44 van verordening nr. 1408/71 van toepassing („Algemene bepalingen inzake de vaststelling van uitkeringen wanneer de werknemer of zelfstandige aan de wettelijke regelingen van één of meer Lid-Statcn onderworpen is geweest”). Lid 2 van dat artikel luidt als volgt:
„(...) moet ten aanzien van alle wettelijke regelingen waaraan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, worden overgegaan tot vaststelling van de uitkeringen zodra door de betrokkene een daartoe strekkend verzoek is gedaan” cursivering van mij.
11.
De uitvoeringsbepalingen inzake de regels van verordening nr. 1408/71 zijn neergelegd in verordening nr. 574/72. De bepaling waarvan om uitlegging wordt verzocht — die behoort tot hoofdstuk 3 [Invaliditeit, ouderdom en overlijden (pensioenen)] — bevat de regels betreffende de invaliditeits-, ouderdoms- en overlijdensuitkeringen als bedoeld in hoofdstuk 3 van verordening nr. 1408/71 [Ouderdom en overlijden (pensioenen)]. ( 5 ) Artikel 36 betreft meer in het bijzonder de „aanvragen om ouderdomsuitkeringen en uitkeringen aan nagelaten betrekkingen (met uitzondering van uitkeringen voor wezen) alsmede om invaliditeitsuitkeringen in de gevallen waarin artikel 35 van de toepassingsverordening niet voorziet”.
12.
De bepalingen van dit artikel regelen de wijze waarop de werknemer zijn aanvraag om uitkeringen moet indienen. Ingevolge lid 1 „is de aanvrager verplicht een aanvraag tot het orgaan van de woonplaats te richten”, volgens de voorschriften van de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling (cursivering van mij). Wanneer daarentegen (lid 2) de aanvrager woont op het grondgebied van een Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan hij niet onderworpen is geweest, „kan hij zijn aanvraag richten tot het [bevoegde] orgaan van de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan [hij] (...) laatstelijk onderworpen is geweest”. ( 6 )
13.
Een andere bepaling, die van lid 4, vervult in zekere zin de functie van „het in gang zetten van de vaststellingsprocedure”: de indiening van een aanvraag „heeft automatisch tot gevolg” dat de uitkeringen krachtens de wettelijke regeling van alle betrokken Lid-Staten aan de voorwaarden waarvan de aanvrager voldoet, gelijktijdig worden vastgesteld, voor zover de aanvrager niet anders wil.
14.
Meer in het bijzonder luidt artikel 36, lid 4, als volgt:
„Een aanvraag om uitkeringen die aan het orgaan van een Lid-Staat wordt gericht, heeft automatisch tot gevolg dat de uitkeringen krachtens de wettelijke regeling van alle betrokken Lid-Staten aan de voorwaarden waarvan de aanvrager voldoet, gelijktijdig worden vastgesteld, behalve wanneer de aanvrager overeenkomstig artikel 44, lid 2, van de verordening wenst dat vaststelling van de ouderdomsuitkeringen die krachtens de wettelijke regeling van één of meer Lid-Staten zouden zijn verkregen, wordt uitgesteld.”
Standpuntbepaling
15.
In de eerste plaats wil ik opmerken, dat in casu niet verzoekers recht op een geproratiseerde uitkering „overeenkomstig de betrokken gemeenschapsbepalingen” ter discussie staat. Zoals het RSVZ zelf in zijn opmerkingen preciseert, heeft Picard jegens het Belgische bevoegde orgaan recht op een sociale-zekerheidsuitkering waarvan het bedrag evenredig is aan de op het grondgebied van die Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering. De voorgelegde vragen betreffen dus uitsluitend de ingangsdatum van de uitkering.
16.
Het uitleggingsprobleem vloeit voort uit het feit dat de weg die Picard bij zijn pensioenaanvraag heeft gevolgd, niet met een van de in artikel 36, leden 1 en 2, genoemde gevallen overeenkomt. Ofschoon hij in België woonde, heeft verzoeker zijn aanvraag eerst enkel tot het Franse bevoegde orgaan gericht. Hij heeft dus de verplichting van lid 1 van dat artikel niet nageleefd vóór 11 juni 1992, datum waarop hij een pensioenaanvraag „volgens de voorschriften van de door de RSVZ toegepaste wettelijke regeling” bij de bevoegde instantie van zijn woonplaats heeft ingediend. ( 7 ) Gezien die feiten, betoogt het RSVZ, dat nu de belanghebbende die in de toepassingsverordening neergelegde verplichting niet is nagekomen, de referentiedatum voor de uitkering van het geproratiseerde pensioen waar hij recht op heeft, overeenkomstig de bepalingen van de nationale wetgeving moet worden bepaald, zonder dat hij zich kan beroepen op de datum waarop hij de aanvraag bij het Franse bevoegde orgaan heeft ingediend. ( 8 )
17.
De Commissie en de Franse regering zíjn een andere mening toegedaan. Huns inziens moet de onderhavige zaak worden beoordeeld in het licht van de doelstellingen van verordening nr. 1408/71 en de verdragsbepalingen waarop deze is gebaseerd. Om te bepalen, op welk ogenblik de in de verordening voorziene vaststellingsprocedure een aanvang neemt, is het volgens hen dan ook irrelevant, tot welk bevoegd nationaal orgaan een aanvraag om uitkeringen wordt gericht. Om de redenen die ik hierna zal uiteenzetten, ben ik het daarmee eens.
18.
Verordening nr. 574/72 bevat de toepassingsbepalingen voor de in verordening nr. 1408/71 neergelegde regels. Net als deze laatste, moeten de toepassingsbepalingen dus in overeenstemming met de doelstellingen van de artikelen 48 en 51 van het Verdrag worden uitgelegd. Het hoofddoel is, te waarborgen dat de migrerende werknemers sociale-zekcrheidsuitkeringen genieten ongeacht de plaats waar zij werken of wonen. ( 9 )
19.
Wat de ouderdoms-, overlijdens- en invaliditeitsuitkeringen betreft, wordt dat doel nagestreefd met de in de artikelen 44 tot en met 51 van verordening nr. 1408/71 voorziene samcntcllings- en vaststellingsverrichtingen inzake de sociale-zekerheidsuitkeringen. Voormeld criterium, dat algemeen is en onmiskenbaar een aanwijzing geeft voor de wijze waarop de gemeenschapsregeling in haar geheel moet worden opgevat, geldt zowel met betrekking tot het ontstaan van socialezekerheidsrechten als voor de berekening van de door de sociale-zekerheidsorganen betaalde uitkeringen. ( 10 )
20.
De toelichting van de aan de twee verordeningen ten grondslag liggende beginselen, die ik zoeven heb gegeven, is één zaak; daarnaast moet ook nog in herinnering worden gebracht, dat artikel 44, lid 2, van verordening nr. 1408/71 bepaalt, dat de referentiedatum voor de vaststelling van ouderdomsuitkeringen die op grond van de wettelijke regelingen van een of meer Lid-Staten zijn verkregen, voor alle betrokken bevoegde organen de datum van indiening van „een verzoek om vaststelling” van de uitkering is (cursivering van mij).
21.
De inhoud van die bepaling — en het beginsel waarop zij berust — lijken mij duidelijk. In het systeem van de verordening voldoet de werknemer vanaf het ogenblik waarop hij zijn verzoek om vaststelling van de uitkering indient aan de verplichting waarvan de betaling van de uitkering waarop hij recht heeft, afhankelijk is gesteld. Omgekeerd ontstaat op hetzelfde ogenblik voor de bevoegde organen een verplichting tot samenwerking ter zake van de samentelling en de proratisering.
22.
Voor deze visie is overigens steun te vinden in het systeem van de betrokken gemeenschapsregeling. Artikel 36, lid 1, van verordening nr. 574/72 bepaalt (zij het met betrekking tot een geval dat niet gelijk te stellen is met het onderhavige), dat wanneer het (niet bevoegde) orgaan (van de woonplaats) een aanvraag ontvangt, het deze doorzendt aan het bevoegde orgaan, zulks „onder opgave van de datum waarop de aanvraag werd ingediend”, en voegt daaraan toe, dat „deze datum wordt beschouwd als de datum waarop de aanvraag bij laatstgenoemd orgaan werd ingediend” (cursivering van mij).
23.
Volgens de verordening primeert het criterium van de nabijheid dus op dat van de bevoegdheid. Door de verplichting om de aanvraag tot het orgaan van de woonplaats te richten (ook al is dat niet bevoegd), en door dat orgaan te verplichten tot samenwerking bij de vaststelling van de uitkering, heeft men de administratieve stappen die de werknemer bij de indiening van een aanvraag om sociale-zekerheidsuitkering moet ondernemen, willen vereenvoudigen. Hij kan die stappen doen op de plaats waar zijn belangen zijn geconcentreerd en hij hoeft zich niet te wenden tot de bevoegde organen van de verschillende Lid-Staten waar hij heeft gewerkt.
24.
Voorts verwijst artikel 86 van verordening nr. 1408/71 kennelijk naar hetzelfde criterium, waar het bepaalt: „Aanvragen (...) welke ter uitvoering van de wetgeving van een Lid-Staat binnen een bepaalde termijn moeten worden ingediend bij een autoriteit (...) van die Staat, zijn ontvankelijk indien zij binnen dezelfde termijn bij een overeenkomstige autoriteit (...) van een andere Lid-Staat worden ingediend. In dat geval zal de autoriteit (...) waarop aldus een beroep wordt gedaan, deze aanvragen (...) onverwijld doen toekomen aan de bevoegde autoriteit (...) van ecrstbedoelde Staat (...) De datum waarop die aanvragen (...) bij een autoriteit (...) van de andere Staat zijn ingediend, wordt beschouwd als de datum waarop deze zijn ingediend bij de autoriteit (...) welke bevoegd is hiervan kennis te nemen” (cursivering van mij).
25.
Het systeem van de verordening gaat dus verder. Mijns inziens betekent voormelde bepaling, dat het voor de bepaling van de ingangsdatum van de uitkering niet relevant is te weten welk het bevoegde orgaan is waarbij de aanvraag is ingediend. Wat telt, is dat de gemeenschapsregeling het beginsel huldigt dat de datum van indiening van de aanvraag bij het orgaan van de bevoegde staat ook bindend is voor de overeenkomstige organen van de andere Lid-Staten.
26.
En dat kan eigenlijk ook niet anders. De ingevoerde regeling is enerzijds gegeven om zoveel mogelijk de administratieve verplichtingen te vereenvoudigen die rusten op de werknemer die in verschillende Lid-Staten rechten kan doen gelden ( 11 ), en anderzijds — en tegelijkertijd, kan men zeggen — beoogt zij de verplichting tot samenwerking tussen de socialc-zekcrheidsorgancn te versterken zoals die uit artikel 5 van het Verdrag voortvloeit en uitdrukkelijk in de betrokken verordeningen is „bevestigd”. ( 12 )
27.
Dat impliceert dan ook, dat de datum waarop de aanvraag bij het bevoegde orgaan van een Lid-Staat is ingediend, in het systeem van de verordening als referentiedatum geldt voor de vaststellingsverrichtingen door alle andere organen die, elk op het gebied waarop zij bevoegd zijn, sociale-zekerheidsuitkeringen aan de migrerende werknemers dienen te betalen. Alleen zo uitgelegd kan het beginsel dat de plaats van tewerkstelling en de woonplaats irrelevant zijn — wat, zoals reeds gezegd, als het inspirerende criterium voor de gehele betrokken regeling moet worden beschouwd — ten volle effect sorteren.
28.
Uit de hierboven beschreven, op de onderhavige zaak van toepassing zijnde beginselen moet worden geconcludeerd, dat de door het RSVZ voorgestelde uitlegging van artikel 36 van verordening nr. 574/72 formalistisch is en in een geval als het onderhavige eraan in de weg staat, dat de werknemer ten volle de door hem verworven rechten geniet, daar hij daartoe administratieve formaliteiten zou moeten vervullen in alle Lid-Staten waar hij heeft gewerkt. De aanvragen die Picard in de onderhavige zaak heeft moeten indienen zijn daarvan overigens een uitstekende illustratie. Het invoeren van ongerechtvaardigde hinderpalen die het volle genot van de door verordening nr. 1408/71 gegarandeerde rechten belemmeren, is mijns inziens in strijd met de aan artikel 51 van het Verdrag ten grondslag liggende beginselen.
29.
De door het Hof met betrekking tot de aard van de bepalingen van verordening nr. 574/72 aangebrachte preciseringen staan er overigens aan in de weg, dat de stelling van het RSVZ wordt aanvaard. In het arrest Iacobelli oordeelde het Hof immers, dat de bepalingen van artikel 36 van procedurele aard zijn. ( 13 ) Deze bepalingen kunnen dus geen substantiële wijziging teweegbrengen in de rechtspositie van de werknemer, zoals die door verordening nr. 1408/71, gelet op voormelde beginselen, is erkend en gegarandeerd. In het onderhavige geval kunnen deze bepalingen niet van invloed zijn op het door het bevoegde orgaan erkende recht van Picard op een geproratiseerde, volgens de regels van het gemeenschapsrecht bepaalde en door het RSVZ te betalen uitkering.
30.
Zo bezien moet, zoals de Franse regering in haar opmerkingen terecht stelt, artikel 36, lid 1, volgens welk de aanvrager „verplicht is” zijn aanvraag tot het orgaan van zijn woonplaats te richten, als een suppletoire regel worden beschouwd, die een uitvoeringsbepaling van de verordening is waarvan kan worden afgeweken wanneer de belanghebbende zijn aanvraag betreffende de sociale-zekerheidsuitkeringen waarop hij recht heeft, bij het bevoegde orgaan van een andere Lid-Staat indient. ( 14 ) Dat is des te meer het geval wanneer, zoals in casu, de aanvraag is ingediend bij het bevoegde orgaan van de Lid-Staat wiens nationaliteit de aanvrager bezit en waar deze laatste gedurende het grootste gedeelte van zijn loopbaan heeft gewerkt. Artikel 36, lid 1, mag, gezien de aard van deze bepaling en de ermee nagestreefde administratieve vereenvoudiging, de vaststelling van de betrokken uitkeringen niet bemoeilijken of van bepaalde voorwaarden afhankelijk stellen, door voor de uitkering van een en dezelfde sociale-zekerheidsuitkering (in casu het pensioen) een andere datum op te leggen dan die waarop de aanvraag bij een ander voor dezelfde sociale-zekerheidsuitkering in de zin van de verordening bevoegd orgaan is ingediend. De uitkering wordt gelijktijdig vastgesteld en de betaling ervan moet worden gegarandeerd door de nakoming van de samenwerkingsverplichting die in elk afzonderlijk geval op de verschillende bevoegde organen rust. ( 15 ) In een systeem ter bevordering van de mobiliteit van werknemers als neergelegd in verordening nr. 1408/71 moet het volstaan, dat de belanghebbende zijn intentie door middel van één aanvraag kenbaar maakt. Anders zouden de doelstellingen van artikel 44, lid 2, van deze verordening en, meer in het algemeen, van de betrokken regeling in haar geheel, niet worden bereikt.
31.
Uit het voorgaande volgt, dat op de eerste vraag van de verwijzende rechter moet worden geantwoord, dat de regel van artikel 36, lid 4, van verordening nr. 574/72 een procedureregel is, die autonoom is ten opzichte van de in de eerste drie leden van dat artikel neergelegde regels. Deze regel, die rechtstreeks verband houdt met artikel 44, lid 2, van verordening nr. 1408/71, waarin de voorwaarden voor vaststelling van de uitkeringen zijn neergelegd, moet aldus worden gelezen, dat de datum waarop de aanvraag om sociale-zekerheidsuitkeringen bij een bevoegd orgaan wordt ingediend, geldt als de datum waarop de aanvraag bij elk der bij de vaststelling van dezelfde uitkering betrokken bevoegde organen is ingediend in de zin van de door deze laatste toegepaste wetgeving.
32.
Gezien het antwoord op de eerste vraag, is de tweede vraag van de verwijzende rechter zonder voorwerp geraakt.
Conclusie
Artikel 36, lid 4, van verordening (EEG) nr. 574/72 is een procedureregel die autonoom is ten opzichte van de in de drie eerste leden van dat artikel neergelegde regels en moet worden gelezen in samenhang met artikel 44, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71, dat de gevolgen van de aanvraag om vaststelling van de uitkeringen betreft. In de zin van die bepaling van de toepassingsverordening is de datum waarop de betrokken werknemer een aanvraag om vaststelling bij een socialezekerheidsorgaan indient dat bevoegd is om een sociale-zekerheidsuitkering te betalen, de datum die alle andere ter zake van die aanvraag bevoegde organen als datum van indiening van de aanvraag in de zin van de door hen toe te passen wetgeving moeten beschouwen.
( *1 ) Oorspronkelijke laat: Italiaans.
( 1 ) Verordening (LEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreuende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinnen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en aangepast bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 86).
( 2 ) Naar Belgisch recht ontstaat het recht op pensioen — tenzij aan de voorwaarden voor vervroegd pensioen is voldaan (wat in casu niet het geval is, daar Picard niet gedurende vijf kalenderjaren in België als zelfstandige heeft gewerkt) — pas nadat de belanghebbende de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. In Frankrijk daarentegen ontstaat het recht op pensioen zodra de belanghebbende de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. Waarschijnlijk juist om die reden heeft Picard — geboren op 24 december 1931 en dus net 60 jaar oud ten tijde van de feiten — zich eerst tot het Franse bevoegde orgaan gewend.
( 3 ) Dit citaat stamt uit de door het RSVZ in de onderhavige procedure ingediende opmerkingen (blz. 2). De verwijzing naar de betrokken gemeenschapsverordeningen komt overigens ook voor in het besluit zelf van het RSVZ van 17 januari 1993. Wat de vaststelling van het effectieve bedrag van de uitkering betreft, zij erop gewezen, dat Picard in België heeft gewerkt van 1 januari 1981 tot en met 30 juni 1982 en van 1 januari 1985 tot en met 31 maart 1988. Het bedrag van het Belgisch pensioen waarop hij recht heeft, is bijgevolg berekend op basis van de verhouding tussen die periodes en het geheel van zijn loopbaan in Frankrijk en in België.
( 4 ) De regeling betreffende de ingangsdatum van de pensioenen is neergelegd in artikel 3, lid 3, van koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen. De bepaling volgens welke de pensioenaanvragen moeten worden ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de aanvrager is ingeschreven, is artikel 120, lid 1, van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rusten overlevingspensioen der zelfstandigen.
( 5 ) Het gaat om de bepalingen van de artikelen 44-51 van de verordening. Ingevolge de verwijzing in artikel 40, lid 1, van de verordening zijn die bepalingen van overeenkomstige toepassing op de invaliditeitsuitkeringen.
( 6 ) Ten slotte is in lid 3 nog in een andere mogelijkheid voorzien voor het geval dat de werknemer woont op het grondgebied van een staat die geen Lid-Staat is. Alsdan „is nij verplicht zijn aanvraag te richten tot het bevoegde orgaan van de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan [hij] (...) laatstelijk onderworpen is geweest” (cursivering van mij).
( 7 ) Aangezien Picard tijdens zijn loopbaan aan de Belgische wet-Ëcving onderworpen is geweest, kan hij zich anderzijds niet crocpen op de in artikel 36, lid 2, voorziene mogelijkheid.
( 8 ) Voorts is artikel 36, lid 4, van verordening nr. 574/72 volgens het RSVZ geen autonome regel, doch een bepaling die alleen de gevolgen van een overeenkomstig de bepalingen van de leden 1, 2 en 3 van dat artikel ingediende aanvraag om uitkeringen regelt.
( 9 ) Vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 1408/71.
( 10 ) Zesde overweging van de considerans van verordening nr. 1408/71.
( 11 ) Arresten van 9 maart 1976 (zaak 108/75, Balsamo, Jurispr. 1976, blz. 375, r. o. 9) en 9 november 1977 (zaak 41/77, Warry, Jurispr. 1977, blz. 2085, r. o. 28).
( 12 ) Zie arrest van 11 juni 1991 (zaak C-251/89, Athanasopoulos c. a., Jurispr. 1991, blz. I-2797, r. o. 57). Zie voorts de bepalingen van artikel 84 van verordening nr. 1408/71 („Samenwerking tussen tic bevoegde autoriteiten”), in het bijzonder de leden 1, 2 en 3.
( 13 ) Arrest van 3 februari 1993 (zaak C-275/91, Jurispr. 1993, blz. I-523, r. o. 13).
( 14 ) Voorts zij erop gewezen dat voor die uitlegging steun te vinden is in het feit, dat in de betrokken bepaling niet in een sanctie is voorzien voor het geval de werknemer zich niet aan de bij artikel 36, leden 1, 2 en 3, opgelegde wijze van indiening van de aanvraag houdt.
( 15 ) In het door de verwijzende rechter in zijn tweede vraag bedoelde geval, waarin het recht van de werknemer door het orgaan van een Lid-Staat enkel wordt erkend indien door een orgaan van een andere Lid-Staat een pensioen wordt uitgekeerd, kan de conclusie niet anders luiden. De logica die ten grondslag ligt aan het ontstaan van het recht van de werknemer jegens het eerste orgaan wil immers dat, mede ter voorkoming van ongerechtvaardigde lacunes inzake sociale zekerheid, de uitkeringen gelijktijdig worden vastgesteld. Maar er is meer. In een dergelijk geval lijkt het, ook hier om evidente redenen van administratieve vereenvoudiging, noodzakelijk te voorzien in de mogelijkheid voor de werknemer om zich rechtstreeks te wenden tot het orgaan dat bevoegd is voor de betaling van de „belangrijkste” uitkering, waarvan de eventuele betaling van uidkeringen door de bevoegde organen van de andere Lid-Staten afhangt.
Full & Egal Universal Law Academy