Conclusie van de advocaat generaal
A - Inleiding
1 Het thans voorliggende geschil, dat door het beroep van de Franse Republiek (hierna: "verzoekster") bij het Hof aanhangig is gemaakt, is er een van een reeks geschillen over de zetel van het Europees Parlement(1) (hierna: "verweerder"). Het beroep is rechtstreeks gericht tegen het besluit van verweerder tot vaststelling van zijn vergaderrooster voor het jaar 1996.(2) Daarbij werd, anders dan in de voorgaande jaren en ten gevolge van een amendement op het oorspronkelijke voorstel van de Conferentie van voorzitters(3), slechts één vijfdaagse voltallige zitting voor de maand oktober vastgelegd. Aangezien het Parlement volgens vast gebruik niet bijeen pleegt te komen in de maand augustus, kwam daarmee het aantal in Straatsburg te houden vijfdaagse voltallige zittingen voor het jaar 1996 op slechts elf.
2 Volgens verzoekster vormt deze kwantitatieve vastlegging een inbreuk op het besluit op 12 december 1992 te Edinburgh genomen door de Vertegenwoordigers van de Regeringen der Lid-Staten inzake de vaststelling van de zetels van de Instellingen en van bepaalde organisaties en diensten van de Europese Gemeenschappen(4) (hierna: "besluit van Edinburgh"). Artikel 1 van het besluit van Edinburgh bepaalt namelijk als volgt:
"Het Europees Parlement heeft zijn zetel te Straatsburg voor de twaalf periodes van de maandelijkse voltallige zittingen met inbegrip van de begrotingszitting."(5)
3 Het beroep van verzoekster is voorts gericht tegen de relatieve toename van het aantal "bijkomende voltallige zittingen" in Brussel tot acht zittingen van telkens twee halve dagen. Weliswaar bepaalt het besluit van Edinburgh tevens, dat "de bijkomende voltallige zittingen worden gehouden te Brussel", doch dit neemt volgens verzoekster niet weg, dat aan de formele aanwijzing van Straatsburg als zetel van het Europees Parlement(6) wordt afgedaan door de vermindering van het aantal vijfdaagse voltallige zittingen te Straatsburg en de gelijktijdige toename van het aantal bijkomende voltallige zittingen te Brussel. Tegen de aldus begrepen onwettigheid van het bestreden besluit van het Parlement komt verzoekster op met de algemene beroepsgrond van onbevoegdheid. Voorts zou het bestreden besluit onwettig zijn wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften. De voorzitter van het Europees Parlement had de onwettigheid van amendement nr. 9, ten gevolge waarvan de door de Conferentie van voorzitters voorgestelde twaalf vijfdaagse voltallige zittingen werden teruggebracht tot elf, moeten constateren en het amendement dienvolgens overeenkomstig artikel 125 van het Reglement van orde moeten schrappen. Tot slot betoogt verzoekster, dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, dat op zich reeds tot de onwettigheid ervan leidt.
4 Verweerder is daarentegen van mening, dat het bestreden besluit volstrekt geldig is. Hij stelt verder, dat juist het besluit van Edinburgh, naar de letter genomen, onwettig is, doch dat de formulering ervan ruimte biedt voor een verdragsconforme uitlegging. Het bestreden besluit van het Parlement zou echter geenszins ongeldig zijn wegens een eventuele onverenigbaarheid ervan met het besluit van Edinburgh.
5 Het Groothertogdom Luxemburg is aan de zijde van verzoekster geïntervenieerd.
6 Verzoekster concludeert dat het het Hof behage:
- het besluit van het Europees Parlement van 20 september 1995 waarbij het werkrooster is vastgesteld, nietig te verklaren;
- verweerder in de kosten te veroordelen.
7 Verweerder concludeert dat het het Hof behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoekster in de kosten te verwijzen.
8 Op het betoog van de partijen moet worden teruggekomen in het kader van de juridische beoordeling.
B - Analyse
I - De ontvankelijkheid
9 Ofschoon verweerder niet uitdrukkelijk een exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft opgeworpen, dient het Hof de ontvankelijkheid van het beroep ambtshalve te onderzoeken.(7)
10 Overeenkomstig artikel 173 EG-Verdrag gaat het Hof de wettigheid na van "de handelingen van het Europees Parlement die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden te hebben". Bijgevolg zou aan de ontvankelijkheid van een beroep in de weg kunnen staan, dat het bestreden besluit geen "rechtsgevolgen ten aanzien van derden" teweegbrengt. Deze aldus geformuleerde niet-ontvankelijkheidsgrond is tot op heden altijd gehanteerd in de rechtspraak(8) inzake de aantastbaarheid van handelingen van het Europees Parlement. Dit criterium is evenwel pas na de aanpassing en wijziging van het Verdrag door het Verdrag van Maastricht uitdrukkelijk in artikel 173 EG-Verdrag opgenomen.
11 Mitsdien zou men zich kunnen afvragen, of de inhoud van het ontvankelijkheidscriterium anders moet worden gedefinieerd dan vóór de verdragswijziging. Voor een aanscherping van het ontvankelijkheidscriterium zou wellicht kunnen pleiten, dat de verdragswijziging ertoe strekte, de interne autonomie van de instelling te versterken. Anderzijds is het mogelijk, dat de verdragswijziging slechts een codificatie beoogde van de eerdere rechtspraak(9) inzake de vaststelling en toepassing van het ontvankelijkheidscriterium.
12 De overeenkomstige bewoordingen pleiten mijns inziens voor de laatste interpretatie. In het belang van een ruime rechtsbescherming moeten de drempels voor de ontvankelijkheid volgens mij niet al te hoog zijn. Dit hoeft geen afbreuk te doen aan de interne autonomie van de instelling. Immers, krachtens vaste rechtspraak(10) worden de grenzen waarbinnen een handeling van de instelling als een maatregel van interne organisatie moet worden aangemerkt - waarmee deze handeling is onttrokken aan nietigverklaring door het Hof in het kader van een beroep tot nietigverklaring -, hoe dan ook eerst vastgesteld in het kader van de beoordeling van de zaak ten gronde. Een flexibele toepassing van de ontvankelijkheidsvoorwaarde prejudicieert dus geenszins de geldigheid van het bestreden besluit van het Parlement.
13 Deze zienswijze vindt steun in de rechtspraak van het Hof inzake de ontvankelijkheid van tegen handelingen van het Europees Parlement gerichte beroepen tot nietigverklaring. Zo overwoog het Hof in het arrest van 23 maart 1993 in de zaak Weber(11), onder verwijzing naar zijn vroegere rechtspraak:
"Wat de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring betreft, zij eraan herinnerd, dat de Europese Economische Gemeenschap een rechtsgemeenschap is in die zin, dat noch haar Lid-Staten noch haar instellingen ontkomen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met het constitutionele handvest waarop de Gemeenschap is gegrond, namelijk het Verdrag, en dat dit laatste een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures in het leven heeft geroepen, waarbij het Hof van Justitie het toezicht op de wettigheid van de handelingen van de instellingen is opgedragen (...)"(12)
14 Ten aanzien van de grenzen van de aldus omschreven wettigheidstoetsing voegt het Hof hieraan toe, dat geen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld tegen besluiten "die slechts betrekking hebben op de interne organisatie van de werkzaamheden van het Parlement".(13)
Deze besluiten worden door het Hof gedefinieerd als volgt:
"Tot deze categorie behoren handelingen van het Parlement, die ofwel geen rechtsgevolgen teweegbrengen ofwel dit enkel doen binnen het Parlement zelf in verband met de interne organisatie van zijn werkzaamheden, en die volgens de in zijn reglement geregelde verificatieprocedure kunnen worden getoetst."(14)
15 Ter terechtzitting wees de gemachtigde van verzoekster, na uitdrukkelijk naar de concrete rechtsgevolgen van het bestreden besluit te zijn gevraagd, zowel op de dwingende juridische verplichting tot het houden van een bepaalde voltallige zitting op een bepaalde plaats, als op de aanzienlijke feitelijke gevolgen van de aanwezigheid van de leden van de instelling op die plaats.
16 Op het eerste gezicht moet het werkrooster van een instelling worden aangemerkt als een maatregel van interne organisatie. Ik ben echter van mening, dat de juridische verplichting voltallige zittingen op een bepaald tijdstip op een bepaalde plaats te houden, respectievelijk het feit dat men tegen de verwachting in daarvan afziet, externe gevolgen teweeg kan brengen. Afgezien van het recht en de plicht van de leden van de instelling om op de vastgestelde plaats tezamen met de vereiste administratieve ondersteuning bijeen te komen teneinde hun parlementaire taken te kunnen vervullen, en los van de rechtstreeks daaruit voortvloeiende rechten van de leden tegenover de instelling, brengt de noodzakelijke beschikbaarstelling van de infrastructuur indirect ook juridische verplichtingen tegenover derden teweeg.
17 Verruilt men deze concrete zienswijze voor een abstracte benadering, dan blijkt, dat verzoekster in het bestreden besluit leest dat het besluit over de zetel ter discussie wordt gesteld, waardoor inbreuk wordt gemaakt op een bevoegdheid die krachtens het Verdrag is voorbehouden aan "de regeringen der Lid-Staten".(15)
18 Mijns inziens kan het bestreden besluit dus ook rechtsgevolgen jegens derden teweegbrengen. Dit moet worden onderscheiden van de vraag, of verweerder binnen de grenzen van zijn bevoegdheid heeft gehandeld. De beantwoording van deze vraag dient noodzakelijkerwijs plaats te vinden in het kader van de beoordeling ten gronde.
19 Alvorens over te gaan tot het onderzoek van de gegrondheid van het beroep, zou ik nog een ander ontvankelijkheidsaspect willen aanstippen. Ik doel hierbij op een vraagstuk dat kan worden omschreven als het "algemeen procesbelang".
20 Het beroep van verzoekster is in zijn praktische uitwerking gericht tegen het feit, dat het Parlement heeft afgezien van het houden van een vijfdaagse voltallige zitting te Straatsburg van 7 tot 12 oktober 1996, zoals aanvankelijk was voorgesteld. Zo de onwettigheid van het bestreden besluit mocht komen vast te staan, kan deze concrete zitting niet alsnog worden gehouden. Deze omstandigheid kan echter geen belemmering vormen voor de ontvankelijkheid van het beroep. Formeel gezien behoren de Lid-Staten tot de kring van bevoorrechte beroepsgerechtigden, die hun procesbevoegdheid noch hun procesbelang behoeven aan te tonen.(16) Anderzijds kan niet worden miskend, dat de juridische draagwijdte van het verzoek veel verder gaat dan de enkele beoordeling van het houden van de genoemde zitting. De beslissing van het geding impliceert, dat de grenzen van verweerders autonomie bij de organisatie van zijn werkzaamheden in beginsel duidelijk worden vastgesteld. Deze verstrekkende betekenis van het geding, die boven het belang van het werkrooster voor 1996 uitgaat, blijkt ook uit een tweede beroep dat verzoekster inmiddels tegen verweerder heeft ingesteld en dat strekt tot nietigverklaring van het besluit van het Parlement tot vaststelling van het werkrooster voor 1997.(17)
21 Mitsdien moet ervan worden uitgegaan, dat het beroep volledig ontvankelijk is.
II - Ten gronde
1. Onbevoegdheid
22 Tot staving van de onwettigheid van het bestreden besluit voert verzoekster verscheidene middelen aan. Het eerste en belangrijkste middel is onbevoegdheid van verweerder. Het besluit van het Parlement zou in strijd zijn met het besluit van Edinburgh, omdat is besloten voortaan slechts elf vijfdaagse voltallige zittingen in Straatsburg te houden, terwijl in het besluit van Edinburgh uitdrukkelijk sprake is van twaalf voltallige zittingen. Door aldus af te wijken van de bindende elementen van het besluit van Edinburgh, heeft verweerder zijn bevoegdheid overschreden. Met het besluit van Edinburgh zijn de Lid-Staten hun verdragsverplichting tot vaststelling van de zetel der instellingen nagekomen.(18) Dit kan thans niet opnieuw ter discussie worden gesteld. Alleen al om procesrechtelijke redenen is dit onmogelijk. Besluiten op basis van artikel 216 EG-Verdrag door de vertegenwoordigers van de regeringen der Lid-Staten genomen, vormen rechtshandelingen sui generis, waartegen noch met een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 173 EG-Verdrag noch met een exceptie van onwettigheid krachtens artikel 184 EG-Verdrag kan worden opgekomen. Dit standpunt is volgens verzoekster in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof. Zij erkent evenwel, dat het besluit van Edinburgh voorwerp kan zijn van uitlegging door het Hof.
23 Verweerder betoogt, dat het bestreden besluit binnen de grenzen van zijn bevoegdheid is genomen. In het onderhavige geding gaat het uiteindelijk niet om de vaststelling van de zetel, doch om de interne-organisatiebevoegdheid van het Parlement. Het bestreden besluit kan derhalve niet worden aangemerkt als een inbreuk op het besluit van Edinburgh. Voor zover het besluit van Edinburgh, naar de letter genomen, als maatstaf voor de beoordeling van het bestreden besluit zou moeten dienen, is verweerder van mening, dat het besluit van Edinburgh zelf ongeldig is. Deze zienswijze zou verweerder terstond na de besluitvorming in Edinburgh, op 16 december 1992, door middel van een resolutie tot uitdrukking hebben gebracht.(19)
24 Ten aanzien van de gevolgen van de gestelde onwettigheid betoogt verweerder, dat het besluit van Edinburgh in het kader van de onderhavige procedure aan een incidentele beoordeling zou moeten worden onderworpen. Deze beoordeling zou tot de conclusie kunnen leiden, dat het besluit in elk geval gedeeltelijk ongeldig is, omdat het de door het Verdrag gewaarborgde interne-organisatiebevoegdheid van verweerder(20) op ongeoorloofde wijze beperkt. Dit neemt niet weg, dat verweerder een verdragsconforme uitlegging van het besluit van Edinburgh mogelijk acht.
25 Het besluit van Edinburgh is, ongeacht in welke zin het uiteindelijk moet worden verstaan, maatgevend bij de beoordeling van de wettigheid van het bestreden besluit. Aangezien de standpunten van de partijen uiteenlopen van onaantastbaarheid van het besluit tot gedeeltelijke onwettigheid ervan, moet allereerst worden verduidelijkt wat het rechtskarakter en de inhoud van dit besluit is.$
26 Door partijen wordt niet betwist, dat een besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen der Lid-Staten in de zin van artikel 216 EG-Verdrag in beginsel niet behoort tot de kring van voor beroep vatbare handelingen in de zin van artikel 173 van het Verdrag. Zo ook oordeelde het Hof in het arrest van 30 juni 1993(21):
"Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt duidelijk, dat de besluiten die worden genomen door de vertegenwoordigers van de Lid-Staten, die niet handelen in de hoedanigheid van leden van de Raad, maar in de hoedanigheid van vertegenwoordigers van hun regering en die dus gezamenlijk de bevoegdheden van de Lid-Staten uitoefenen, niet zijn onderworpen aan het door het Hof uitgeoefende wettigheidstoezicht."(22)
27 Even helder is de formulering van artikel 184 van het Verdrag, dat voorziet in de mogelijkheid van incidentele beoordeling van verordeningen, in voorkomend geval leidende tot niet-toepasselijkheid ervan.
28 Dit lijkt mij echter nog niet te betekenen, dat handelingen van de vertegenwoordigers van de regeringen der Lid-Staten, die op basis van het Verdrag zijn verricht, aan elke wettigheidstoetsing zijn onttrokken. De Europese Gemeenschap is een rechtsgemeenschap(23), waarin het Hof overeenkomstig artikel 164 van het Verdrag tot taak heeft de eerbiediging van het recht te verzekeren bij de uitlegging en toepassing van het Verdrag. Artikel 216 EG-Verdrag - waarachter de "grondwetgevende macht van de Gemeenschap", dat wil zeggen de Lid-Staten, schuilgaat - draagt de regeringen der Lid-Staten een duidelijk omschreven taak op. Mijns inziens is het een elementair beginsel van de rechtsstaat, dat de inachtneming van de grenzen van deze taak niet principieel aan rechterlijk toezicht is onttrokken.
29 Op dit punt deel ik niet het door partijen verdedigde standpunt, dat de benoeming van de leden van de Commissie of van het Hof(24) nimmer door de rechter kan worden getoetst. Men denke slechts aan de benoeming van een lid van de Commissie dat niet de nationaliteit van een van de Lid-Staten bezit, dat afkomstig is uit een derde land of wiens ambtstermijn op minder dan vijf jaar wordt gesteld. Vergelijkbare situaties zijn denkbaar bij de benoeming van leden van het Hof. De deur zou wijd open staan voor manipulatie, indien dergelijke met de tekst van het Verdrag strijdige besluiten onaantastbaar waren.(25)
30 Het staat volstrekt buiten twijfel, dat een besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen der Lid-Staten in de zin van artikel 216 van het Verdrag niet onder de handelingsvormen van de gemeenschapsinstellingen valt, zoals die zijn omschreven in bijvoorbeeld artikel 189 EG-Verdrag. Ik erken eveneens, dat dergelijke besluiten in rang boven bedoelde handelingen staan. Hiermee wordt naar behoren rekening gehouden doordat zij zijn onttrokken aan een controle in het kader van de artikelen 173 en 184 van het Verdrag, waardoor zij aanmerkelijk meer bestendigheid hebben dan afgeleid gemeenschapsrecht. Dit neemt niet weg, dat zij de door het Verdrag gestelde grenzen moeten eerbiedigen om niet het risico van onwettigverklaring te lopen. De enige vraag die mijns inziens kan worden gesteld, is, welke procesrechtelijke gevolgen aan de mogelijke onwettigheid van een dergelijk besluit zijn verbonden.
31 Vóór alles dient evenwel de voorkeur te worden gegeven aan een verdragsconforme uitlegging. Deze benaderingswijze levert volgens mij geen enkel probleem op en wordt in casu ook door alle partijen mogelijk geacht. Mitsdien moet worden onderzocht, of een verdragsconforme uitlegging van het besluit van Edinburgh mogelijk is. Op het eerste gezicht gaat het daarbij in hoofdzaak om de vaststelling van het aantal in Straatsburg te houden voltallige zittingen op twaalf. Deze zuiver getalsmatige benadering vormt echter slechts een verkorte weergave van de eigenlijke problematiek. Uitgangspunt moet zijn het principebesluit tot aanwijzing van Straatsburg als zetel van het Europees Parlement. Vervolgens dient zich de vraag aan, in hoeverre dit besluit over de zetel impliceert, dat een bepaald aantal voltallige zittingen in deze plaats moet worden gehouden. Tot slot moet worden onderzocht, welke betekenis moet worden gehecht aan de uitdrukkelijke vermelding in dit verband van de begrotingszitting. Aansluitend op de beoordeling van het verband tussen de zetel, de voltallige zittingen en de begrotingszitting zullen wij moeten onderzoeken, wat kenmerkend is voor de "bijkomende voltallige zittingen".
32 De rechtsgrondslag van het besluit van Edinburgh wordt gevormd door artikel 216 EG-Verdrag, artikel 77 EGKS-Verdrag en artikel 189 EGA-Verdrag.(26) De aldaar vastgelegde bevoegdheid is niet onbeperkt van aard. Zij wordt zowel begrensd door artikel 142 EG-Verdrag, artikel 25 EGKS-Verdrag en artikel 112 EGA-Verdrag(27), die de interne-organisatiebevoegdheid van het Parlement codificeren, als door artikel 5 EG-Verdrag, dat de Lid-Staten tot loyale samenwerking verplicht.
33 Het natuurlijke spanningsveld tussen deze bepalingen gaf reeds eerder aanleiding tot geschillen over de zetel van het Parlement(28) en is in de daarop betrekking hebbende rechtspraak uitputtend onderzocht via een onderlinge vergelijking van die bepalingen. Ofschoon die vroegere arresten alle betrekking hadden op de voorlopige vaststelling van de zetel van de instellingen, kunnen de principiële beoordelingen wel degelijk als basis voor de in casu te nemen beslissing dienen, aangezien ook die voorlopige vaststelling heeft plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van de in artikel 216 van het Verdrag bedoelde bevoegdheid. Overigens zag het Hof in het voorlopige karakter van de besluiten geen enkele reden om er een minder dwingend karakter aan toe te kennen.(29) Overeenkomstig deze rechtspraak moet ervan worden uitgegaan, dat de regeringen der Lid-Staten bij hun besluitvorming rekening moeten houden met de bevoegdheid van het Parlement zijn eigen interne organisatie te regelen. "Zij dienen ervoor te waken dat dergelijke beslissingen de goede werking van het Parlement belemmeren."(30)
34 Zuiver abstract gezien is het vaststellen van een toekomstig werkrooster van een instelling zonder meer een kwestie van interne organisatie van die instelling. Met het besluit van Edinburgh op de achtergrond, waarin plaats en aantal van bepaalde zittingen worden geregeld, ligt dit evenwel anders. De in dit besluit neergelegde principiële aanwijzing van Straatsburg als zetel van het Europees Parlement stuit mijns inziens niet op juridische bezwaren. De vaststelling van de zetel behoeft slechts nadere precisering omdat verscheidene arbeidsplaatsen blijven bestaan. In overeenstemming met de eerdere, op het besluit van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten van 8 april 1965(31) gebaseerde werkwijze van het Parlement bij de organisatie van zijn werkzaamheden hebben de regeringen der Lid-Staten de zetel van het Parlement gedefinieerd als de plaats waar "de twaalf maandelijks plaatsvindende voltallige zittingen met inbegrip van de begrotingszitting" worden gehouden.
35 De vraag is nu of met deze formulering inderdaad beoogd is het aantal zittingen en de agenda van een van die zittingen vast te stellen, dan wel of deze bewoordingen inhoudelijk niet aldus moeten worden opgevat, dat de zetel van het Parlement daardoor wordt gekenmerkt, dat normaliter de voltallige zittingen daar worden gehouden.
36 Voor een juiste beoordeling van deze vraag dient men te weten, dat de werkwijze van het Parlement bij het vervullen van zijn taken in de loop der jaren een cyclisch karakter heeft gekregen, welke cyclische werkwijze allengs tot regel is verheven. Verweerder heeft deze ontwikkeling van zijn werkwijze tot en met de huidige stand van zaken helder en zeer uitvoerig uiteengezet. Hieruit blijkt, dat de zittingen van het Parlement worden gehouden in een wisselspel van weken van fractievergaderingen, weken van in principe vijfdaagse voltallige zittingen(32), weken van commissievergaderingen en een week van gemengde aard.
37 Traditioneel vinden in de maand augustus geen zittingen plaats. In verkiezingsjaren worden daarenboven geen voltallige zittingen in de maand juni gehouden. Dat het Parlement in het verleden desondanks veelvuldig twaalf voltallige zittingen per jaar bereikte, vindt zijn oorzaak in de omstandigheid, dat in die jaren twee plenaire weken in de maand oktober werden belegd.
38 Indien men uitsluitend het aantal per jaar gehouden voltallige zittingen in aanmerking neemt, ziet de praktijk van de afgelopen tien jaar er uit als volgt:
In de verkiezingsjaren 1984 en 1989 vonden elf plenaire weken plaats; in het verkiezingsjaar 1994 zelfs maar tien. In de jaren 1985 tot 1988, 1990 en 1991 vonden elk jaar twaalf plenaire weken plaats, waarvan telkens twee in oktober. In de jaren 1992 en 1993 werden slechts elf plenaire weken gehouden, aangezien in de oktobermaanden ervan slechts één plenaire week werd gehouden, zoals overigens ook in het verkiezingsjaar 1994. In het werkrooster voor het jaar 1995 werden ten slotte wederom twaalf plenaire weken belegd.
39 Bij de uitlegging van het besluit van Edinburgh, dat een politiek compromis vormde, moet allereerst worden uitgegaan van de formulering ervan. Er staat "de twaalf maandelijkse voltallige zittingen"(33), en niet bijvoorbeeld "het aantal daar te houden voltallige zittingen wordt op twaalf vastgesteld". De eerstgenoemde formulering wijst erop, dat de vertegenwoordigers van de regeringen der Lid-Staten hebben verwezen naar een bestaande praktijk van het Parlement. Deze opvatting vindt bevestiging in het navolgende deel van het besluit. Zowel het houden van bijkomende voltallige zittingen als de bijeenkomst van de commissies te Brussel komt overeen met de vroegere praktijk, die overigens reeds door het Hof is bekrachtigd in zijn eerdere rechtspraak inzake de zetel van het Parlement.(34)
40 Gelet op de hierboven geschetste praktijk moet het aantal van twaalf geenszins worden opgevat als een absoluut aantal voor de per jaar te houden voltallige zittingen. Voor zover men de formulering van het besluit evenwel naar de letter zou willen nemen, zou het begrip "maandelijkse" een volgende hinderpaal vormen. Het is de vraag, of de vertegenwoordigers van de regeringen der Lid-Staten het Parlement er daadwerkelijk toe hebben willen verplichten ook in augustus, en in de verkiezingsjaren tevens in juni, te vergaderen. Dit lijkt mij in elk geval hoogst onwaarschijnlijk.
41 Zelfs indien men zich op het door verzoekster ter terechtzitting verdedigde standpunt zou willen stellen, dat het aantal van twaalf ook kan worden bereikt door een tweede voltallige zitting in oktober te houden, dan nog vindt deze zienswijze geen steun in de formulering van het besluit, waarin uitdrukkelijk sprake is van "maandelijkse" voltallige zittingen. Ook het periodiek optredende uitzonderingsgeval van de verkiezingsjaren komt niet tot uitdrukking in de tekst. Op grond hiervan moet de formulering van het in geding zijnde besluit mijns inziens niet letterlijk worden opgevat, doch is een soepele uitlegging geboden, die de vroegere praktijk bij de organisatie van de parlementaire werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende behoeften in aanmerking neemt. Mitsdien kan het aantal van twaalf als een onder- noch bovengrens worden beschouwd.
42 Bij deze benadering komt ook de uitdrukkelijke vermelding van de begrotingszitting in een bijzonder licht te staan. Zoals de gemachtigde van verweerder ter terechtzitting geloofwaardig heeft uiteengezet, is het bepalen van een datum voor een begrotingszitting hoe dan ook van ondergeschikt belang. Ook al werd in het verleden traditioneel over de begroting vergaderd in een van de oktoberzittingen, dan nog rechtvaardigen de duur en de omvang van de beraadslagingen op generlei wijze, dat een plenaire week als "begrotingszitting" wordt aangeduid. Het begrotingsdebat in het Parlement heeft eerder nog aan betekenis ingeboet door de vaststelling door de Europese Raad van Edinburgh van financiële perspectieven van de Gemeenschap tot het jaar 1999. Sedertdien is er tijdens vijfdaagse voltallige zittingen nog slechts een halve dag over de begroting vergaderd.
43 Beziet men de statistisch naar onderwerp gerangschikte praktijk van de werkzaamheden van het Parlement(35) van de afgelopen jaren, dan blijkt dat - ook vóór 1992 reeds - niet gesproken kan worden van een onmiskenbaar overwicht van besluiten met betrekking tot de begroting tijdens een der oktoberzittingen.
44 Ook al is de uitdrukkelijke vermelding van de begrotingszitting in het besluit van Edinburgh in zekere zin gerechtvaardigd, gelet op het typisch periodieke karakter en het tijdstip ervan in de loop van een kalenderjaar(36), dan nog correleert dit geenszins met het daadwerkelijke belang van de zitting. Bij een correcte interpretatie biedt het besluit van Edinburgh derhalve ruimte voor een soepele wijze van vaststelling van het werkrooster van het Parlement. Dientengevolge wordt de vaststelling van de zetel door het besluit aldus geconcretiseerd, dat op die plaats de normaliter te houden plenaire weken moeten plaatsvinden, zonder dat het besluit in dwingende voorschriften voorziet ten aanzien van het aantal, het tijdstip of de agenda van die vergaderweken.$
45 Deze relatieve vrijheid moet daar worden begrensd, waar het besluit tot vaststelling van de zetel, daaronder begrepen de definitie van de zetel als de plaats waar de normaliter te houden plenaire weken plaatsvinden, ter discussie zou worden gesteld. Als uitgangspunt dient te gelden, dat het zwaartepunt van de voltallige zittingen in Straatsburg ligt. De werkzaamheden van de instelling moeten zo worden georganiseerd, dat Straatsburg het middelpunt van de plenaire werkzaamheid vormt.
46 Mitdien verdient verzoeksters standpunt, dat bij het besluit van Edinburgh bepaalde beperkingen aan verweerder zijn opgelegd ten aanzien van de organisatie van zijn werkzaamheden, bijval. Deze inkadering kan ook worden gezien als een minimumvereiste, dat gerechtvaardigd is doordat de plaats van de zetel van de instelling, wegens het bestaan van verscheidene arbeidsplaatsen, op een bijzondere manier gekwalificeerd moet worden.$
47 Verzoekster is voorts van mening, dat het besluit over de zetel door de vaststelling van het werkrooster van verweerder voor 1996 ook wordt aangetast doordat, naast een vermindering van het aantal plenaire weken van twaalf tot elf, sprake is van een overeenkomstige toename van het aantal bijkomende voltallige zittingen te Brussel.
48 Beziet men de praktijk die vroeger werd gevolgd bij het vaststellen van bijkomende voltallige zittingen te Brussel, dan blijkt, dat door het beleggen van acht maal twee halve dagen het aantal bijkomende voltallige zittingen dat tot op heden per jaar is belegd, wordt overschreden. Daar staat tegenover, dat de absolute zittingsduur, berekend in eenheden van halve dagen, overeenkomt met die van de bijkomende voltallige zittingen in het jaar 1995(37), en in vergelijking tot de in Straatsburg plaats vindende plenaire weken(38) relatief gering is.
49 Om de wettigheid van de vaststelling van bijkomende voltallige zittingen te kunnen beoordelen, moet ook hier in de eerste plaats worden aangeknoopt bij de formulering van het besluit van Edinburgh. Dit zegt enkel: "De bijkomende voltallige zittingen worden gehouden te Brussel." Op grond van deze formulering kan geen enkele conclusie worden getrokken ten aanzien van een eventuele kwantitatieve beperking van het mogelijke aantal bijkomende voltallige zittingen.
50 Ik wil erop wijzen, dat er zuiver terminologisch geen sprake is van een "buitengewone zitting" als bedoeld in artikel 139, tweede alinea, van het Verdrag. Het Parlement kan in "buitengewone zitting" in de zin van die bepaling bijeenkomen op verzoek van de meerderheid zijner leden, van de Raad of van de Commissie. Zoals de gemachtigde van verweerder ter terechtzitting heeft bevestigd, wordt van dit soort zittingen nagenoeg geen gebruik gemaakt.
51 Ook de formulering van het besluit van Edinburgh bevat niets wat erop zou kunnen duiden, zoals het Hof nog in het arrest Frankrijk/Parlement verlangde, dat bijkomende voltallige zittingen een uitzonderlijk karakter(39) moeten hebben of als extra zittingen(40) moeten worden beschouwd.
52 De term "bijkomende voltallige zittingen" houdt volgens mij derhalve in, dat het om voltallige zittingen buiten de normaliter plaatsvindende plenaire weken moet gaan. Dit oordeel vindt steun in de praktijk die reeds onder vigeur van het besluit betreffende de voorlopige vestiging van bepaalde instellingen gangbaar was.(41) Dat de vertegenwoordigers van de regeringen der Lid-Staten zich bij de redactie van het besluit van Edinburgh hebben laten leiden door de praktijk tot dan toe, heb ik hierboven reeds uiteengezet.
53 Ook inhoudelijke argumenten, samenhangend met de goede werking van het Parlement, pleiten ervoor, bijkomende voltallige zittingen aan te merken als voltallige zittingen die buiten de normaliter plaatsvindende plenaire weken worden gehouden. Aangezien ten gevolge van het besluit van Edinburgh drie arbeidsplaatsen van het Parlement worden aangehouden en Brussel uitdrukkelijk is aangewezen als vergaderplaats van de commissies, lijkt het de meest voor de hand liggende, zo niet de enig uitvoerbare oplossing, om voltallige zittingen van korte duur te Brussel te houden, nu deze plaats reeds als vergaderplaats voor de commissies en als vestigingsplaats voor de fracties dient.(42)
54 Een blik op het in geding zijnde vergaderrooster voor het jaar 1996 wijst uit, dat alle acht voltallige zittingen van korte duur te Brussel zijn gepland in weken waarin vroeger commissie- en fractievergaderingen werden belegd.
55 Mijns inziens kan op grond van het voorgaande worden geconcludeerd, dat uit de letter en de geest van het besluit van Edinburgh geen kwantitatieve beperking van de "bijkomende voltallige zittingen" te Brussel kan worden afgeleid. De enige maatstaf is de eerbiediging van het beginsel, dat de normale plenaire weken moeten plaatsvinden in Straatsburg. Op grond van deze uitlegging moet enerzijds het besluit van Edinburgh worden geacht in overeenstemming met het Verdrag te zijn, en anderzijds het bestreden besluit worden aangemerkt als verenigbaar met het besluit van Edinburgh.
2. Schending van wezenlijke vormvoorschriften
a) De verplichtingen van de voorzitter van het Parlement ingevolge artikel 125 van het reglement van orde van het Europees Parlement
56 Verzoekster betoogt, dat de voorzitter van het Parlement de onwettigheid van amendement nr. 9 betreffende het in geding zijnde besluit had moeten constateren en het overeenkomstig artikel 125, lid 3, van het reglement van orde van het Europees Parlement(43) had moeten schrappen. De opsomming in artikel 125, lid 1, van de gronden voor niet-ontvankelijkheid van amendementen zou niet limitatief zijn. Een schending van het Verdrag zou in elk geval een materiële niet-ontvankelijkheidsgrond zijn.
57 Verweerder stelt daartegenover, dat alleen kennelijk niet-ontvankelijke amendementen overeenkomstig artikel 125, lid 3, van het reglement van orde door de voorzitter van het Parlement kunnen worden geschrapt. Aangezien verweerder zonder meer van de wettigheid van het bestreden besluit uitgaat en amendement nr. 9 dus in geen geval kennelijk niet-ontvankelijk zou zijn geweest, had de voorzitter geen enkele reden het amendement te schrappen.
58 Voor zover op grond van het voorgaande betoog moet worden uitgegaan van de materiële geldigheid van het bestreden besluit, zijn de navolgende overwegingen van zuiver hypothetische aard.
59 Het litigieuze amendement nr. 9 luidt als volgt: "October, week 41. Delete part-session from 7th to 11th." De inhoud van het door verzoekster bestreden besluit is in wezen het gevolg van de aanneming van dit amendement. Gesteld dat het beleggen van slechts elf plenaire weken in het vergaderrooster voor het jaar 1996 onwettig was, is het de vraag, of de voorzitter van het Parlement het amendement wegens niet-ontvankelijkheid had moeten schrappen.
60 Artikel 125, lid 3, van het reglement van orde luidt als volgt: "De voorzitter beslist over de ontvankelijkheid van amendementen." De gronden die tot niet-ontvankelijkheid van een amendement leiden, worden in lid 1 van deze bepaling opgesomd. Deze bepaling luidt:
"Een amendement is niet ontvankelijk wanneer:
a) de inhoud ervan geen enkel rechtstreeks verband houdt met de tekst die het beoogt te wijzigen;
b) het beoogt een tekst geheel te schrappen of te vervangen;
c) het beoogt een tekst gedeeltelijk te schrappen [en] zulks kan worden bereikt door een stemming in onderdelen te houden overeenkomstig artikel 116 (...)
d) het meer beoogt te wijzigen dan een van de artikelen of leden van de tekst waarop het betrekking heeft; deze bepaling is niet van toepassing op compromis-amendementen;
e) blijkt dat de redactie van de tekst waarop het betrekking heeft in ten minste een van de officiële talen geen wijziging behoeft (...)"
61 Volgens het tweede lid van de bepaling vervalt het amendement "indien het onverenigbaar is met eerdere, in de loop van dezelfde stemming genomen besluiten over dezelfde tekst".
62 De overeenkomstig artikel 162 van het reglement van orde gegeven toelichting op artikel 125 luidt als volgt: "Het besluit van de voorzitter op basis van lid 3 betreffende de ontvankelijkheid van amendementen wordt niet alleen op basis van de leden 1 en 2 genomen, doch op basis van de bepalingen van het reglement in het algemeen."
63 Indien men de niet-ontvankelijkheidsgronden beziet, valt op, dat het in hoofdzaak zuiver formele beoordelingscriteria betreft. Ook wanneer men de toelichting op artikel 125, die naar het reglement van orde in zijn geheel verwijst, erbij betrekt, blijkt nergens uit, dat sprake is van een algemene, door de voorzitter van het Parlement te verrichten wettigheidstoetsing. Vraagt men, wat het doel is van de controlebevoegdheden van de voorzitter volgens artikel 125, lid 3, van het reglement van orde, dan meen ik, dat het daarbij evenmin gaat om een definitieve juridische toetsing.
64 Bestudering van de in artikel 19 van het reglement van orde omschreven taken van de voorzitter van het Parlement wijst uit, dat deze in de eerste plaats is belast met ordehandhaving en organisatie. Zo luidt artikel 19, leden 1 en 2, bijvoorbeeld:
"1. De voorzitter geeft overeenkomstig de bepalingen van het reglement leiding aan alle werkzaamheden van het Parlement en zijn organen. Hij beschikt over alle bevoegdheden om de beraadslagingen van het Parlement te leiden en voor het goede verloop ervan zorg te dragen.
2. De voorzitter opent, schorst en sluit de vergaderingen. Hij zorgt voor de naleving van het Reglement, handhaaft de orde, verleent het woord, verklaart de beraadslagingen voor gesloten, brengt de voorstellen in stemming en maakt de uitslag van de stemmingen bekend. Hij doet de commissies de mededelingen die deze aangaan."
65 Lid 3 van artikel 19 pleit mijns inziens zelfs tegen een materiële toetsingsbevoegdheid van de voorzitter. Het luidt als volgt:
"3. De voorzitter mag bij een beraadslaging alleen het woord voeren om de stand van zaken vast te stellen en de spreker tot het onderwerp terug te brengen; indien hij zelf aan de beraadslagingen wil deelnemen, verlaat hij de voorzitterszetel en neemt deze niet weder in voordat de beraadslaging over het onderwerp is geëindigd."
66 Volgens artikel 19, lid 4, is de voorzitter belast met representatieve taken, die voor de onderhavige zaak niet van belang zijn.
67 Artikel 125, lid 1, van het reglement van orde geeft een duidelijke omschrijving van de criteria aan de hand waarvan de ontvankelijkheid van een amendement kan worden getoetst. Zelfs de in algemene termen geformuleerde verwijzing naar de bepalingen van het reglement van orde laat niet de conclusie toe, dat de voorzitter van het Parlement bevoegd is tot een algemene juridische controle. Het reglement van orde is een bundeling van organisatievoorschriften van het Europees Parlement als instelling, welke voorschriften bestemd noch geschikt zijn om als maatstaf te dienen voor een inhoudelijke juridische beoordeling van de handelingen van de instelling. Een dergelijke beoordelingsbevoegdheid zou mijns inziens ook moeilijk te verenigen zijn met de soevereiniteit van het Parlement.
68 Een andere zienswijze zou in voorkomend geval uitsluitend geboden kunnen zijn wanneer men uitgaat van het hypothetische geval, dat het besluit kennelijk onwettig is. Alsdan is het de vraag, of de voorzitter van de instelling verplicht kan zijn de ogen te sluiten voor de materile onwettigheid van het besluit, en zich tot een formele toetsing ervan dient te beperken. Aangezien het in geding zijnde amendement niet door een dergelijke kennelijke onwettigheid wordt gekenmerkt, behoeft deze vraag in de onderhavige procedure niet te worden onderzocht. Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat de voorzitter van het Parlement een formeel toetsingsrecht heeft, gericht op de naleving van het reglement van orde. Aangezien een schending van een bepaling van het reglement van orde niet is aangetoond noch moet worden vermoed, moet worden geconcludeerd, dat de voorzitter van het Parlement geen enkele aanleiding had het litigieuze amendement nr. 9 krachtens artikel 125, lid 3, van het reglement van orde wegens niet-ontvankelijkheid te schrappen.
b) Ontbreken van motivering
69 Als derde en laatste middel voert verzoekster schending aan van wezenlijke vormvoorschriften in de vorm van ontbreken van motivering. Vaststaat, dat het besluit tot vaststelling van het vergaderrooster voor het jaar 1996 niet is gemotiveerd.
70 Verweerder is evenwel van mening, dat het besluit geen motivering behoeft. Enerzijds betreft het een handeling van zijn eigen interne organisatie, waardoor alleen in buitengewone omstandigheden inbreuk kan worden gemaakt op rechten van derden. Anderzijds spreekt het werkrooster van een instelling voor zich. De motivering van een besluit tot vaststelling van het vergaderrooster ligt zo voor de hand, dat een schriftelijke motivering overbodig is.
71 Artikel 190 EG-Verdrag voorziet uitdrukkelijk in de verplichting verordeningen, richtlijnen en beschikkingen te motiveren. Dit zijn de klassieke vormen van handelingen waarvan de gemeenschapswetgever gebruik pleegt te maken in het kader van zijn rechtscheppende taak. Zij onderscheiden zich erdoor, dat zij ertoe bestemd zijn bindende gevolgen teweeg te brengen. Het bestreden besluit van het Parlement kan formeel niet worden ondergebracht bij een van de in artikel 190 van het Verdrag opgesomde categorieën rechtshandelingen, noch is het er per se toe bestemd derdenwerking te hebben. Ik meen, dat verweerders standpunt moet worden overgenomen, dat de vaststelling van het vergaderrooster voor elk aankomend kalenderjaar als zodanig rationeel is en dat het bestreden besluit geen motivering behoeft.
72 Mitsdien moeten alle door verzoekster aangevoerde middelen worden afgewezen en het beroep worden verworpen.
Kosten
73 Overeenkomstig artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verzoekster in haar middelen heeft gefaald, moet zij in de kosten worden verwezen. Overeenkomstig artikel 69, lid 4, draagt een Lid-Staat die in het geding is tussengekomen, zijn eigen kosten.
C - Conclusie
74 Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
"1. Het beroep wordt verworpen.
2. Verzoekster wordt in de kosten verwezen.
3. De interveniënt draagt zijn eigen kosten."
(1) - Arresten van 10 februari 1983 (zaak 230/81, Luxemburg/Parlement, Jurispr. 1983, blz. 255), 10 april 1984 (zaak 108/83, Luxemburg/Parlement, Jurispr. 1984, blz. 1945), 22 september 1988 (gevoegde zaken 358/85 en 51/86, Frankrijk/Parlement, Jurispr. 1988, blz. 4821) en 28 november 1991 (gevoegde zaken C-213/88 en C-39/89, Luxemburg/Parlement, Jurispr. 1991, blz. I-5643).
(2) - Besluit van 20 september 1995 (PB 1995, C 269, blz. 55).
(3) - Voorstel van de Conferentie van voorzitters van 14 september 1995 (PB 1995, C 269, blz. 19).
(4) - PB 1992, C 341, blz. 1.
(5) - Cursivering van mij.
(6) - Vgl. artikel 1, sub a, eerste volzin, van het besluit van Edinburgh, dat bepaalt: "Het Europees Parlement heeft zijn zetel te Straatsburg."
(7) - Zie arrest van 23 april 1986 (zaak 294/83, Les Verts, Jurispr. 1986, blz. 1339, r.o. 19).
(8) - Zie arresten Les Verts (reeds aangehaald in voetnoot 7, r.o. 25), Frankrijk/Parlement (reeds aangehaald in voetnoot 1, r.o. 13) en Luxemburg/Parlement (reeds aangehaald in voetnoot 1, r.o. 16).
(9) - Vgl. voetnoot 8.
(10) - Zie arresten van 10 februari 1983 (Luxemburg/Parlement, reeds aangehaald in voetnoot 1, r.o. 30) en 28 november 1991 (Luxemburg/Parlement, reeds aangehaald in voetnoot 1, r.o. 16 en 24).
(11) - Zaak C-314/91, Jurispr. 1993, blz. I-1093.
(12) - Ibid., r.o. 8.
(13) - Ibid., r.o. 9.
(14) - Ibid., r.o. 10 (cursivering van mij).
(15) - Vgl. artikel 216 EG-Verdrag, artikel 77 EGKS-Verdrag en artikel 189 EGA-Verdrag.
(16) - Zie in deze zin ook arrest van 10 februari 1983 (Luxemburg/Parlement, reeds aangehaald in voetnoot 1, r.o. 24).
(17) - Zie zaak C-267/96 (PB 1996, C 269, blz. 21).
(18) - Zie artikel 216 EG-Verdrag, artikel 77 EGKS-Verdrag en artikel 189 EGA-Verdrag. Hierna zal eenvoudigheidshalve voornamelijk worden verwezen naar de bepalingen van het EG-Verdrag.
(19) - Zie PB 1993, C 21, blz. 105; zie ook de notulen van de vergadering van 20 april 1993 (PB 1993, C 150, blz. 26 e.v.).
(20) - Zie artikel 142 EG-Verdrag, artikel 25 EGKS-Verdrag en artikel 112 EGA-Verdrag. Hierna zal eenvoudigheidshalve voornamelijk naar de bepalingen van het EG-Verdrag worden verwezen.
(21) - Gevoegde zaken C-181/91 en C-248/91, Parlement/Raad en Commissie, Jurispr. 1993, blz. I-3685.
(22) - Ibid., r.o. 12 (cursivering van mij).
(23) - Zie arrest Les Verts (reeds aangehaald in voetnoot 8, r.o. 23).
(24) - Zie artikelen 157, 158 en 167 EG-Verdrag.
(25) - Ik geef toe, dat bij de benoeming van de leden der Commissie een zeker correctiemechanisme voorhanden is in de vorm van de inspraak van het Parlement overeenkomstig artikel 158 EG-Verdrag. Deze inspraak is echter pas bij het Verdrag van Maastricht ingevoerd en ontneemt niet alle scherpte aan de problematiek.
(26) - Eenvoudigheidshalve zal hierna uitsluitend worden verwezen naar artikel 216 EG-Verdrag.
(27) - Eenvoudigheidshalve zal hierna uitsluitend naar artikel 142 EG-Verdrag worden verwezen.
(28) - Zie voetnoot 1.
(29) - Zo kan bijvoorbeeld in r.o. 38 van het arrest van 10 februari 1983 (Luxemburg/Parlement, reeds aangehaald in voetnoot 1) worden gelezen: "Ingevolge voornoemde wederzijdse verplichting tot loyale samenwerking moeten evenwel de besluiten van het Parlement op hun beurt de bevoegdheid van de regeringen van de Lid-Staten om de zetel van de instellingen vast te stellen, alsmede de bestaande voorlopige beslissingen eerbiedigen" (cursivering van mij). Zie in deze zin ook arrest van 28 november 1991 (Luxemburg/Parlement, reeds aangehaald in voetnoot 1, r.o. 52).
(30) - Zie arrest van 10 februari 1983 (Luxemburg/Parlement, reeds aangehaald in voetnoot 1, r.o. 37); zie eveneens arrest Frankrijk/Parlement (reeds aangehaald in voetnoot 1, r.o. 35).
(31) - Besluit van de Vertegenwoordigers van de Regeringen der Lid-Staten betreffende de voorlopige vestiging van bepaalde Instellingen en van bepaalde diensten der Gemeenschappen (PB 1967, 152, blz. 18).
(32) - Hierna zullen deze eenvoudigheidshalve als "plenaire weken" worden aangeduid.
(33) - Cursivering van mij.
(34) - Arresten Luxemburg/Parlement en Frankrijk/Parlement (beide reeds aangehaald in voetnoot 1).
(35) - Zie het XXVe Algemeen Verslag over de werkzaamheden van de Europese Gemeenschappen, 1991, blz. 404; het XXVIe Algemeen Verslag over de werkzaamheden van de Europese Gemeenschappen, 1992, blz. 392; het XXVIIe Algemeen Verslag over de werkzaamheden van de Europese Gemeenschappen, 1993, blz. 383; Algemeen Verslag over de werkzaamheden van de Europese Unie, 1994, blz. 464; Algemeen Verslag over de werkzaamheden van de Europese Unie, 1995, blz. 484.
(36) - De eerste en de tweede lezing van de begroting vinden in de regel plaats in het laatste kwartaal van een kalenderjaar.
(37) - Vier maal vier halve dagen, dus zestien halve dagen per jaar.
(38) - Tien halve dagen per week; voor het jaar 1995 komt dit neer op twaalf maal tien halve dagen, dus 120 halve dagen per jaar, en voor het in geding zijnde kalenderjaar 1996 op elf maal tien halve dagen, dat wil zeggen 110 halve dagen per jaar.
(39) - Reeds aangehaald in voetnoot 1, r.o. 36 en 40.
(40) - Ibid., r.o. 40 en 41.
(41) - Reeds aangehaald in voetnoot 31.
(42) - Zie het betoog van de gemachtigde van verweerder, die ter terechtzitting uiteenzette, dat de fracties in Brussel zijn gevestigd.
(43) - PB 1995, L 293, blz. 1 (hierna: "reglement van orde").
Full & Egal Universal Law Academy