Conclusie van de advocaat generaal
1 De High Court of Justice, Queen's Bench Division (Verenigd Koninkrijk) (hierna: "High Court"), verzoekt het Hof om een prejudiciële beslissing over de uitlegging en de geldigheid van artikel 9 van verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen(1) (hierna: "verordening nr. 3887/92" of "litigieuze verordening").
In wezen vraagt de verwijzende rechter, of de sancties opgelegd aan landbouwexploitanten die in hun steunaanvragen de oppervlakte van hun percelen te goeder trouw meer dan 20 % te hoog hebben aangegeven, zich met het gemeenschapsrecht verdragen.
Het gemeenschapsrecht
2 Bewust geef ik in dit onderdeel van mijn conclusie slechts een bondige beschrijving van de relevante gemeenschapsregeling. Op elk van de relevante teksten zal ik in detail ingaan bij het onderzoek, hoe de door de High Court voorgelegde vragen moeten worden beantwoord.
3 In 1992 is het gemeenschappelijk landbouwbeleid grondig hervormd; deze hervorming behelsde met name de invoering of wijziging van een aantal steunregelingen. Met de hervorming beoogde de gemeenschapswetgever in de eerste plaats de stijging van de financiële kosten onder controle te houden; daarnaast beoogde hij overproductie te voorkomen.(2)
4 Ter bereiking van de eerste hierboven weergegeven doelstelling beoogde de gemeenschapswetgever de oude systemen van prijsondersteuning, waarbij dankzij interventiemechanismen kunstmatig hoge prijzen werden gehandhaafd, te vervangen door nieuwe systemen, gebaseerd op de controle van het aanbod en de verlaging van de prijzen, gekoppeld aan rechtstreekse steun aan de landbouwexploitanten.(3)
5 De tenuitvoerlegging van de ter voorkoming van overproductie bestemde mechanismen behelsde een radicale wijziging van de beginselen inzake steunverlening. Zo is sedert 1992 de steun voor "akkerbouwgewassen" niet langer gekoppeld aan de omvang van de productie, maar aan de oppervlakte, en is braaklegging een voorwaarde om in aanmerking te komen voor compensatiebedragen.(4) Bovendien zijn er voor de berekening van de steun "dieren" extensiveringscriteria vastgesteld.(5)
6 Met het oog op de goede werking van de betrokken steunregelingen heeft de gemeenschapswetgever een geïntegreerd beheers- en controlesysteem ontworpen. Willen de landbouwers steun kunnen krijgen, dan dienen zij een aantal verplichtingen na te komen; met name dienen zij aangifte te doen van de oppervlakte van de percelen waarvoor zij om steun verzoeken.(6) De doeltreffendheid van het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor de steunregelingen staat of valt met de juistheid van de door de landbouwers verstrekte gegevens over de oppervlakten. De gemeenschapswetgever heeft dan ook maatregelen ter voorkoming en bestraffing van vergissingen en fraude vastgesteld.(7)
7 Twee soorten gemeenschapswetgeving zijn in geding: enerzijds de specifieke wetgeving inzake de regeling voor landbouwpremies voor runderen en die voor premies gekoppeld aan oppervlakten, anderzijds de algemene wetgeving betreffende de uitvoeringsbepalingen van het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor vorenbedoelde steun (hierna: het "geïntegreerde systeem").
I - De specifieke wetgeving betreffende de steunregelingen voor runderen en oppervlakten
8 Voor het recht op de betrokken steun moet aan een aantal eisen betreffende het gebruik van de oppervlakten zijn voldaan. In het bijzonder moet in het kader van de aan akkerbouwgewassen of braakgelegde percelen gekoppelde steun (ook "steun $oppervlakten'" genoemd) een minimale oppervlakte worden braak gelegd of voor andere dan voor voedingsdoeleinden bestemd. Voorts wordt in het kader van de premies voor dieren ("steun $dieren'") een minimaal voederareaal per dier verlangd, teneinde te intensief grazen te voorkomen.
A - De steunregeling voor runderen
Verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad(8)
9 In de artikelen 4a tot en met 4l van verordening nr. 805/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2066/92, is voorzien in de toekenning van een reeks premies, waaronder de speciale premie voor mannelijke runderen en de premie voor zoogkoeien. Het bedrag van die premie hangt af van het aantal dieren dat de landbouwer recht op de premie verleent. Ter bevordering van de extensivering is in artikel 4g van verordening nr. 805/68, zoals gewijzigd, bepaald, dat de betaling van de speciale premie en de zoogkoeienpremie wordt beperkt door het veebezettingsgetal van het betrokken bedrijf. Dit getal geeft de verhouding weer tussen het aantal grootvee-eenheden (hierna: "GVE") en het areaal van dat bedrijf dat voor de voedering van de dieren van datzelfde bedrijf wordt gebruikt.
Verordening (EEG) nr. 3886/92 van de Commissie(9)
10 Deze verordening bevat de toepassingsbepalingen voor de in verordening nr. 805/68 voorziene premieregeling. Artikel 42, lid 1, van verordening nr. 3886/92 bepaalt, dat voor elke producent die voor eenzelfde kalenderjaar de in artikel 6, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3508/92 bedoelde steunaanvraag "oppervlakten"(10), en ten minste één aanvraag voor een speciale premie of een zoogkoeienpremie indient, de bevoegde instanties het aantal GVE vaststellen dat overeenkomt met het aantal dieren waarvoor een premie kan worden toegekend, rekening houdend met het voederareaal van het bedrijf.
B - De steunregeling voor akkerbouwgewassen en voor de uit productie genomen oppervlakte
Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad
11 Bij deze verordening is een nieuwe steunregeling voor de producenten van bepaalde akkerbouwgewassen ingevoerd. Deze in 1992 ingevoerde en vanaf het verkoopseizoen 1993/1994 in werking getreden verordening strekt ertoe, tot een beter marktevenwicht te komen door de prijzen in de Gemeenschap van bepaalde akkerbouwgewassen gelijk te trekken met die op de wereldmarkt, door het inkomensverlies dat het gevolg is van verlaging van de regelingsprijzen te compenseren door middel van een compensatiebedrag voor de producenten die de betrokken gewassen inzaaien, en door overproductie te voorkomen. Het voor compensatie in aanmerking komende gebied dient derhalve te worden beperkt tot het gebied dat in het verleden met akkerbouwgewassen was ingezaaid of dat in het kader van een door de overheid gesubsidieerde regeling was braak gelegd.(11)
12 In het compensatiebedrag moeten de specifieke structurele factoren worden verdisconteerd die van invloed zijn op de opbrengsten van elk akkerbouwgewas.(12)
13 Twee regelingen zijn voorzien: een "algemene regeling", waaraan alle producenten kunnen deelnemen, en een "vereenvoudigde regeling", waaraan alleen kleine producenten kunnen deelnemen.(13)
14 Wat de algemene regeling(14) betreft, is de bedoeling van de gemeenschapswetgever om de toekenning van compensatiebedragen afhankelijk te stellen van een absolute verplichting tot braaklegging van een bepaald gedeelte van de percelen, duidelijk tot uitdrukking gebracht in de considerans van verordening nr. 1765/92:
"overwegende dat producenten die aanspraak willen maken op het compensatiebedrag in het kader van de $algemene regeling' een vooraf bepaald percentage van hun oppervlakte cultuurgrond uit produktie moeten nemen(...)"(15); "overwegende dat aanvankelijk moet worden bepaald dat ten minste 15 % van de oppervlakte van het bedrijf waarvoor een beroep op betalingen wordt gedaan, uit produktie moet worden genomen (...)".(16)
15 Titel I van verordening nr. 1765/92 betreft het compensatiebedrag. In artikel 2 zijn de algemene regels voor de toekenning van de premies neergelegd; met name is bepaald, dat dezelfde oppervlakte niet tegelijkertijd recht kan geven op compensatiebedragen voor akkerbouwgewassen en voor uit productie genomen oppervlakten, enerzijds, en op de in verordening nr. 805/68 voorziene premies voor runderen, anderzijds. Om in aanmerking te komen voor de compensatiebedragen in het kader van de algemene regeling, moeten bovendien de voorschriften van artikel 7 van verordening nr. 1765/92 worden nageleefd. Dit artikel betreft uitsluitend de regels die op de uit productie genomen percelen van toepassing zijn.
16 In de artikelen 4 tot en met 6 van verordening nr. 1765/92 is de berekeningswijze van de - naar gelang van het soort akkerbouwgewas verschillende - compensatiebedragen bepaald.
17 De braaklegging is de hoeksteen van het systeem. Zij heeft twee verschillende functies: enerzijds verleent zij, evenals een teelt, recht op een compensatiebedrag(17), en anderzijds is zij een voorwaarde waaraan moet zijn voldaan, wil de landbouwer recht op steun voor akkerbouwgewassen hebben.
II - De algemene wetgeving inzake de toepassingsbepalingen van de steunregelingen
18 Ter vereenvoudiging van vorenbedoelde steunregelingen(18) en ter voorkoming van fraude(19) is bij de verordeningen nrs. 3508/92 en 3887/92 een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor, onder meer, de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde steunregelingen ingesteld.
19 Het eerste doel van de nieuwe regeling, namelijk een vereenvoudigd beheer van de betrokken steunregelingen, moest worden bereikt door de invoering van één systeem voor de controle van alle aanvragen voor aan de oppervlakte gekoppelde steun.(20)
20 Het tweede door de gemeenschapswetgever beoogde doel, een doeltreffende bestrijding van fraude, moest worden bereikt door middel van een systeem van gedifferentieerde sancties.(21)
Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad
21 Deze verordening is met name van toepassing op de in verordening nr. 1765/92 voorziene steunregeling voor de producenten van bepaalde akkerbouwgewassen en op de in verordening nr. 805/68 voorziene steunregeling voor de producenten van rundvlees. Artikel 6 bepaalt, dat om in aanmerking te komen voor de toepassing van één of meer communautaire regelingen, elk bedrijfshoofd voor elk jaar een steunaanvraag "oppervlakten" moet indienen, waarin worden vermeld: de percelen landbouwgrond, voederarealen inbegrepen, waarvoor een maatregel voor het uit productie nemen van bouwland wordt toegepast, en de percelen landbouwgrond die braak gelegd zijn.
22 Artikel 12 van de verordening bepaalt, dat de Commissie de toepassingsbepalingen vaststelt.
23 De Commissie heeft dat gedaan in de litigieuze verordening.
Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie
24 Deze verordening bevat de toepassingsbepalingen voor het geïntegreerde systeem betreffende bepaalde communautaire steunregelingen. Dit systeem strekt er in de eerste plaats toe, een doeltreffende tenuitvoerlegging van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid mogelijk te maken, en met name de administratieve problemen op te lossen die zich voordoen doordat in het kader van de hervorming verscheidene regelingen zijn ingesteld voor steunverlening die is gekoppeld aan de oppervlakte.(22) Voorts heeft de gemeenschapswetgever te kennen gegeven, dat ter bereiking van dat doel specifieke maatregelen moeten worden vastgesteld, met name bepalingen voor een doeltreffende preventie en bestraffing van onregelmatigheden en fraude, gedifferentieerd naar gelang van de bijzondere kenmerken van de verschillende regelingen.
25 In artikel 4 van verordening nr. 3887/92 zijn de voorwaarden vastgesteld waaraan elke steunaanvraag "oppervlakten" moet voldoen. Ingevolge lid 1 van die bepaling dient de steunaanvraag "oppervlakten" te vermelden: de identificatie van het bedrijfshoofd, de voor de identificatie van alle percelen landbouwgrond van het bedrijf benodigde gegevens, de oppervlakte van deze percelen, de ligging en het gebruik ervan(23), eventueel het feit dat het om een geïrrigeerd perceel gaat en de betrokken steunregeling, alsmede een verklaring van de producent dat hij kennis heeft genomen van de voorwaarden voor toekenning van de betrokken steun. In lid 2 is vermeld, aan welke voorwaarden moet zijn voldaan opdat de aangifte naderhand rechtsgeldig kan worden gewijzigd. Artikel 4, lid 4, bepaalt, dat de braakleggingsaangifte en de teeltaangifte die in het kader van de regeling voor gewassen is voorgeschreven voor de productie van niet-voedingsproducten, samen met de steunaanvraag "oppervlakten" moeten worden ingediend of deel moet uitmaken van deze aanvraag.
26 In artikel 5 is bepaald, aan welke eisen de steunaanvraag "dieren" moet voldoen.
27 De regels betreffende de controle op de naleving van de voorwaarden voor toekenning van de steunbedragen en premies zijn neergelegd in titel IV van verordening nr. 3887/92.(24)
28 Artikel 6, punt 1, van verordening nr. 3887/92 bepaalt, dat de administratieve controles en de controles ter plaatse op zodanige wijze worden uitgevoerd, dat een doeltreffende verificatie van de naleving van de voorwaarden voor toekenning van de steunbedragen en premies is gewaarborgd.
29 Artikel 9 van de litigieuze verordening (ook "tekst" of "litigieuze bepaling" genoemd), waarop ik in detail zal terugkomen, bevat een reeks nauw met elkaar verband houdende bepalingen, waarin is vastgelegd hoe de in aanmerking komende oppervlakte moet worden berekend, wanneer er een verschil is tussen de in de steunaanvraag "oppervlakten" aangegeven oppervlakte en de bij een controle door de bevoegde nationale autoriteiten feitelijk geconstateerde oppervlakte.
Verordeningen (EG) nrs. 229/95(25) en 1648/95(26) van de Commissie
30 Artikel 9 van verordening nr. 3887/92 is meermaals gewijzigd.
31 Een eerste wijziging is aangebracht bij verordening nr. 229/95. Artikel 9, lid 4, van de litigieuze verordening is vervangen door het nieuwe lid 4, sub a en b.
32 Met die eerste wijziging wenste de gemeenschapswetgever met name "te preciseren welke methode wordt gebruikt voor de berekening van de maximumoppervlakte die in geval van een ontoereikende braaklegging voor de compensatiebedragen voor producenten van akkerbouwgewassen in aanmerking komt, en in dit verband te bepalen dat de aanpassing geschiedt naar rata van de verschillende teelten".(27)
33 Later is artikel 9, leden 2 en 4, van de litigieuze verordening gewijzigd bij verordening nr. 1648/95.
34 Uit de vierde overweging van de considerans van verordening nr. 1648/95 blijkt, dat deze tot doel heeft de aan de producenten van akkerbouwgewassen opgelegde sancties te wijzigen wanneer deze zich in hun aangifte van de uit productie genomen percelen te goeder trouw hebben vergist:
"overwegende dat, ter vereenvoudiging van de sancties betreffende $oppervlakten' en $dieren', de bepalingen inzake de toepassing ervan dienen te worden gewijzigd; dat, aangezien de braakleggingsvoorschriften sinds de vaststelling van verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie, gewijzigd bij verordening (EG) nr. 229/95, zijn gewijzigd, met name door de vaststelling van bepalingen die de overdracht van de braakleggingsverplichting tussen producenten en vrijwillige braaklegging mogelijk maken, er aanleiding is de sancties te wijzigen".(28)
35 Deze doelstelling is verwezenlijkt door de vaststelling van lid 4, sub a, waarop ik later in detail terugkom.
36 In zekere mate hebben de nieuwe bepalingen van verordening nr. 1648/95 de voorheen geldende administratieve sancties verzacht.(29)
De feiten en het procesverloop van de prejudiciële zaken
37 National Farmers' Union (hierna: "NFU" of "verzoekster in het hoofdgeding)" is de nationale beroepsvereniging van landbouwexploitanten in Engeland en Wales. Naar aanleiding van talrijke klachten betreffende de sancties die de Minister for Agriculture, Fisheries and Food (hierna: "MAFF") had opgelegd aan exploitanten die te goeder trouw vergissingen hadden begaan in de formulieren steunaanvraag "oppervlakten", wendden NFU en 120 van die exploitanten zich tot de High Court ter zake van de wijze waarop de MAFF artikel 9 van verordening nr. 3887/92 had toegepast.
38 Blijkens de verwijzingsbeschikking kent de MAFF geen steun toe voor uit productie genomen percelen of voor akkerbouwgewassen, indien de aangegeven braakgelegde oppervlakte meer dan 20 % groter is dan die welke bij een controle is vastgesteld. Voorts blijkt uit de verwijzingsbeschikking, dat het geschil in het hoofdgeding uitsluitend betrekking heeft op exploitanten die deze vergissing te goeder trouw hebben begaan. De bestrafte exploitanten stellen, ten gevolge van die uitlegging in ernstige financiële moeilijkheden te zijn geraakt.
39 Bij brief van 22 februari 1995 deelden de Britse autoriteiten de Commissie mee, dat de weigering van elke betaling ten aanzien van akkerbouwgewassen een sanctie was die niet in verhouding stond tot de ernst van de onregelmatigheid. De Commissie antwoordde daarop, dat een dergelijke sanctie niet te zwaar was, en voegde daaraan toe dat zij reeds een voorstel tot wijziging van de verordening had opgesteld, volgens hetwelk de exploitanten compensatiebedragen voor hun akkerbouwgewassen konden ontvangen op basis van de feitelijk geconstateerde braakgelegde oppervlakte.(30)
40 Van oordeel dat voor de beslechting van de voor hem aanhangige zaak de uitlegging en de beoordeling van de geldigheid van de betrokken gemeenschapsregeling vereist is, heeft de High Court het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vijf vragen:
"1) Moeten de leden 2 tot en met 4 van artikel 9 van verordening nr. 3887/92 van de Commissie (vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1648/95) aldus worden uitgelegd, dat de betaling van aan de oppervlakte gekoppelde bedragen dient te worden geweigerd aan exploitanten bij wie is vastgesteld, dat de feitelijk geconstateerde braakgelegde oppervlakte minder groot is dan de in een steunaanvraag aangegeven oppervlakte, indien het verschil meer dan 20 % bedraagt, doch geen opzet of grove nalatigheid is vastgesteld?
2) Moeten de leden 2 tot en met 4 van artikel 9 van verordening nr. 3887/92 van de Commissie (vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1648/95) aldus worden uitgelegd, dat de betaling van rundvleespremies dient te worden geweigerd aan exploitanten bij wie is vastgesteld, dat het feitelijk geconstateerde voederareaal minder groot is dan het in een steunaanvraag $oppervlakten' aangegeven areaal, indien het verschil meer dan 20 % bedraagt, doch geen opzet of grove nalatigheid is vastgesteld?
3) Indien vraag 1 en/of 2 bevestigend wordt beantwoord: zijn de leden 2 tot en met 4 van artikel 9 van verordening nr. 3887/92 van de Commissie (vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1648/95) dan geheel of gedeeltelijk ongeldig wegens schending van beginselen van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel, het non-discriminatiebeginsel en/of het evenredigheidsbeginsel?
4) Indien vraag 1 en/of 2 ontkennend wordt beantwoord: hoe moeten de leden 2 tot en met 4 van artikel 9 van verordening nr. 3887/92 van de Commissie (vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1648/95) worden uitgelegd?
5) Ongeacht de antwoorden op de vragen 1 tot en met 4: kan in verordening nr. 3887/92 van de Commissie op geldige en wettige wijze het verlies van het totale aan een bepaalde oppervlakte gekoppelde bedrag als sanctie worden opgelegd aan een exploitant bij wie is vastgesteld, dat de feitelijk geconstateerde oppervlakte minder groot is dan de in de steunaanvraag aangegeven oppervlakte, indien het verschil meer dan 20 % bedraagt, maar geen opzet of grove nalatigheid is vastgesteld?"
Beantwoording van de prejudiciële vragen
I - De eerste vraag
41 De eerste vraag betreft de uitlegging van artikel 9, leden 2 tot en met 4, van verordening nr. 3887/92, gelezen in samenhang met de steunregeling die op akkerbouwgewassen en uit productie genomen percelen van toepassing was vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1648/95.
42 De nationale rechter vraagt het Hof in wezen, of het betrokken artikel aldus moet worden uitgelegd, dat ingevolge dit artikel aan de exploitanten de betaling van bedragen die zijn gekoppeld aan voor "akkerbouwgewassen" bestemde oppervlakten, moet worden geweigerd, wanneer het verschil tussen de aangegeven en de bij een controle door de bevoegde autoriteiten geconstateerde braakgelegde oppervlakte meer dan 20 % bedraagt, doch geen opzet of grove nalatigheid is vastgesteld.
43 De verwijzende rechter beperkt het voorwerp van zijn verwijzing uitdrukkelijk tot de regeling van verordening nr. 3887/92 in haar oorspronkelijke versie, dus vóór de bij verordeningen nrs. 229/95 en 1648/95 aangebrachte wijzigingen. Evenwel zij opgemerkt, dat na de verwijzingsbeschikking verordening nr. 2988/95(31) in werking is getreden.
44 Het Hof heeft van de interveniënten schriftelijke opmerkingen ontvangen over de gevolgen van deze hervorming voor de beantwoording van de voorgelegde vragen. Allen zijn het erover eens, dat deze hervorming het door de verwijzende rechter in zijn eerste vraag aan de orde gestelde probleem oplost, doch de meningen lopen uiteen over de vraag, of zij met terugwerkende kracht van toepassing is op het voor de High Court aanhangig geding.
45 Deze vraag behoeft een antwoord. Het onderzoek van de gewijzigde bepalingen kan de verwijzende rechter in voorkomend geval gegevens verschaffen die nuttig zijn voor de beslechting van het voor hem aanhangig geding. Ik moet echter ook de vraag beantwoorden zoals die in de verwijzingsbeschikking is geformuleerd, daar de verwijzende rechter niets vraagt over het belang van die hervorming voor de voor hem aanhangige zaak, en het alleen aan hem staat het nut en de relevantie te beoordelen van de vraag die hij het Hof stelt(32); dit geldt te meer, nu ik in het duister tast omtrent de precieze bevoegdheden van de verwijzende rechter ter zake van de voor hem aanhangige zaak (aansprakelijkheids- dan wel wettigheidskwestie).
46 Ik zal om te beginnen de eerste vraag behandelen zoals deze door de verwijzende rechter is gesteld; daarna zal ik mij over de draagwijdte van de bij de verordeningen van 1995 aangebrachte wijzigingen buigen.
A - De uitlegging van artikel 9, leden 2 tot en met 4, van verordening nr. 3887/92 vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1648/95
47 Eerst wil ik een precisering aanbrengen met betrekking tot de formulering van artikel 9, lid 4, eerste alinea, van verordening nr. 3887/92. Niet wordt betwist, dat in de oorspronkelijke Engelse versie een fout voorkomt, en dat de betrokken bepaling overeenkomstig de formulering in de andere taalversies moet worden gelezen, dus als stond er "De oppervlakten die overeenkomstig lid 1 tot en met 3 (...)" en niet "1 en 3". Deze vergissing is rechtgezet bij verordening nr. 229/95, zodat de Engelse versie thans in overeenstemming is met de overige taalversies.
48 Artikel 9 luidt als volgt:
"1. Wanneer wordt vastgesteld dat de feitelijk geconstateerde oppervlakte groter is dan de in de steunaanvraag $oppervlakten' aangegeven oppervlakte, wordt de aangegeven oppervlakte in aanmerking genomen voor de berekening van het steunbedrag.
2. Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag $oppervlakten' aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met:
- tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter dan 2 % of dan 2 ha en niet groter dan 10 % van de geconstateerde oppervlakte is;
- 30 % wanneer het vastgestelde verschil groter dan 10 % en niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte is.
Er wordt geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.
Is evenwel opzettelijk of door grove nalatigheid een onjuiste aangifte gedaan, dan wordt het betrokken bedrijfshoofd uitgesloten van toepassing van:
- de betrokken steunregeling voor het betrokken kalenderjaar
en
- bij opzettelijk onjuiste aangifte alle in artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3508/92 bedoelde steunregelingen voor het volgende kalenderjaar voor een oppervlakte die gelijk is aan die waarvoor zijn steunaanvraag is afgewezen.
De bovenbedoelde verlagingen worden niet toegepast indien het bedrijfshoofd het bewijs levert dat hij voor de bepaling van de oppervlakte op correcte wijze is uitgegaan van informatie die door de bevoegde instantie wordt erkend.
De voor de produktie van grondstoffen voor de vervaardiging van niet-voedingsprodukten gebruikte braakgelegde percelen waarvoor het bedrijfshoofd niet aan alle op hem rustende verplichtingen heeft voldaan, worden voor de toepassing van dit artikel beschouwd als oppervlakten die bij de controle niet zijn gevonden.
In dit artikel wordt onder $geconstateerde oppervlakte' verstaan de oppervlakte waarvoor aan alle in de voorschriften gestelde voorwaarden is voldaan.
3. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden het voederareaal, de braakgelegde oppervlakte en de oppervlakten met verschillende akkerbouwgewassen waarvoor een verschillend steunbedrag geldt, elk alleen en afzonderlijk in aanmerking genomen.
4. De oppervlakten die overeenkomstig lid 1 tot en met 3 van dit artikel zijn bepaald ten behoeve van de berekening van de steun, worden gebruikt:
- in het kader van de braaklegging, voor de berekening van de oppervlakte die maximaal in aanmerking komt voor de compensatiebedragen die worden betaald aan de producenten van akkerbouwgewassen,
- voor de berekening van de grens die geldt voor de in de artikelen 4g en 4h van verordening (EEG) nr. 805/68 bedoelde premies, alsook voor de compenserende vergoeding.
Nochtans, in de gevallen voorzien in lid 2, eerste alinea, eerste en tweede gedachtenstreepje, wordt bij de berekening van de oppervlakte die maximaal in aanmerking komt voor de compensatiebedragen die worden betaald aan de producenten van akkerbouwgewassen uitgegaan van de werkelijk geconstateerde oppervlakten voor de braaklegging (...)"
49 Voor een goed begrip van het probleem waarmee de verwijzende rechter is geconfronteerd, lijkt het mij nuttig enige toelichting te verschaffen.
50 De landbouwer die overeenkomstig de algemene regeling van verordening nr. 1765/92(33) voor de teelt van een bepaald akkerbouwgewas steun (of een compensatiebedrag) wenst te verkrijgen, moet ingevolge artikel 4, lid 1, van verordening nr. 3887/92 de oppervlakte van het (de) perce(e)l(en) aangeven waarvoor hij om steun "oppervlakten" verzoekt, alsook de ligging en het gebruik ervan. Voorts dient hij overeenkomstig artikel 4, lid 4, van verordening nr. 3887/92 de braakgelegde oppervlakte aan te geven, wat nodig is ter bepaling van de maximale oppervlakte die voor de betrokken compensatiebedragen "akkerbouwgewassen" in aanmerking komt. Mogelijke vergissingen betreffende de aangegeven oppervlakte kunnen betrekking hebben op ofwel de beteelde oppervlakte akkerbouwgewassen, ofwel op de braakgelegde oppervlakte, ofwel op beide. Het gaat er dus om, te weten welke gevolgen een te goeder trouw in de aangifte van de braakgelegde oppervlakte begane vergissing voor de berekening van de steun "oppervlakten" "akkerbouwgewassen" heeft, wanneer het verschil tussen de aangegeven braakgelegde oppervlakte en de bij een controle vastgestelde oppervlakte meer dan 20 % bedraagt. Ter herinnering zij erop gewezen, dat deze landbouwer ook aanspraak kan maken op een "compensatie" voor de braaklegging waartoe hij verplicht is.(34)
51 De verwijzende rechter vraagt zich af, of artikel 9, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 3887/92, dat, zoals reeds gezegd, bepaalt dat "er (...) geen aan de oppervlakte gekoppelde steun [wordt] toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte", in de hiervoren geschetste feitelijke situatie aldus moet worden uitgelegd, dat de landbouwer niet alleen elk recht op de steun voor "braaklegging", maar ook op de gevraagde steun voor akkerbouwgewassen verliest.
52 De Commissie en de regering van het Verenigd Koninkrijk zijn van mening, dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. Huns inziens is het zo, dat wanneer het verschil tussen de aangegeven braakgelegde oppervlakte en die welke bij een controle is vastgesteld, meer dan 20 % blijkt te bedragen, zulks erop neerkomt, dat helemaal geen oppervlakte is vastgesteld. Een vergissing in de aangifte van de braakgelegde oppervlakten heeft volgens hen niet alleen gevolgen voor de steunregeling "braakgelegde oppervlakten", maar ook voor de door de landbouwer gevraagde steun "akkerbouwgewassen". Zij baseren hun uitlegging op het doel van artikel 9 en op de formulering van die bepaling, gezien in haar context.
53 NFU is het daar niet mee eens. Haars inziens heeft deze uitlegging zeer zware, ongerechtvaardigde en onevenredige gevolgen voor landbouwers die zich te goeder trouw hebben vergist. NFU stelt een andere uitlegging voor, die de drastische gevolgen van een te goeder trouw begane vergissing (verlies van de steun "braakgelegde oppervlakten" en van de steun "akkerbouwgewassen") mildert. Haars inziens moet de regel worden toegepast, dat de maximaal voor compensatiebedragen in aanmerking komende oppervlakte voor die producenten van akkerbouwgewassen wordt berekend op basis van de feitelijk geconstateerde oppervlakte en naar gelang van de verschillende teelten. NFU voegt daaraan toe, dat onder de geconstateerde oppervlakte moet worden verstaan de oppervlakte die effectief na controle is geconstateerd, zonder toepassing van de in artikel 9, lid 2, van verordening nr. 3887/92 voorziene sancties.
54 Mijns inziens ziet NFU in de litigieuze bepaling voorschriften die deze niet bevat. Ik denk dat veeleer de door de Commissie en de regering van het Verenigd Koninkrijk voorgestane uitlegging moet worden bijgetreden, en wel om drie essentiële redenen.
55 In de eerste plaats pleit de logische indeling van de voorschriften in de verschillende leden van de bepaling voor die stelling. Bezien wij dit artikel van naderbij.
56 Artikel 9, lid 3, bepaalt, dat voor de berekening van de in aanmerking komende oppervlakte (verwijzing naar de leden 1 en 2 van artikel 9) het voederareaal, de braakgelegde oppervlakte en de oppervlakten met verschillende akkerbouwgewassen waarvoor een verschillend steunbedrag geldt, elk alleen en afzonderlijk in aanmerking worden genomen.
57 In het hiervoor gegeven voorbeeld(35) dient de landbouwer dus de oppervlakte van de braakgelegde en de beteelde percelen afzonderlijk aan te geven en daarbij te preciseren, voor welke akkerbouwgewassen hij laatstbedoelde gebruikt; de juistheid van die gegevens zal afzonderlijk worden onderzocht.
58 In artikel 9, lid 2, zijn de regels neergelegd voor de bepaling van de voor de berekening van het steunbedrag in aanmerking te nemen oppervlakte (bepaling van de in aanmerking komende oppervlakte), wanneer de in de steunaanvraag "oppervlakten" aangegeven oppervlakte groter is dan de bij controle geconstateerde oppervlakte.
59 In een dergelijk geval wordt het steunbedrag in beginsel(36) berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte.
60 Om rekening te houden met de goede dan wel kwade trouw van de aangever, worden twee reeksen uitzonderingen genoemd, die in de tekst worden aangegeven met "behoudens", respectievelijk "evenwel".(37)
61 Bij de eerste reeks uitzonderingen, die alleen het geval van een te goeder trouw begane vergissing betreffen, horen drie sancties.(38) In die hypothese wordt rekening gehouden met de omvang van de vergissing. De in aanmerking komende oppervlakte wordt dan berekend als volgt:
- bepaling van de werkelijke oppervlakte na controle;
- berekening van het verschil tussen die oppervlakte en de in de steunaanvraag aangegeven oppervlakte;
- bepaling van de sanctie overeenkomstig de wettelijke voorschriften van artikel 9, lid 2, eerste alinea, tweede zin, eerste en tweede streepje, van verordening nr. 3887/92.
Het blijft mogelijk een in aanmerking komende oppervlakte te bepalen, en het recht op steun blijft behouden, indien bovenbedoeld verschil tussen 3 % en 20 % bedraagt. Indien het verschil groter is dan 20 %, kan geen in aanmerking komende oppervlakte worden bepaald, daar de sanctie bestaat in het verlies van de aan de oppervlakte gekoppelde steun.(39) Anders gezegd, ieder verschil van meer dan 20 % heeft dezelfde gevolgen als was er geen oppervlakte vastgesteld.
62 Om terug te komen op ons voorbeeld(40), zal de betrokken landbouwer worden geacht helemaal geen percelen te hebben braak gelegd, daar de vergissing in de aangifte van de braakgelegde percelen meer dan 20 % bedraagt. Aangezien dit gegeven noodzakelijk is voor de berekening van de oppervlakte die in aanmerking komt voor de steun "akkerbouwgewassen", kan hem die steun niet worden uitgekeerd, daar er geen in aanmerking komende oppervlakte kan worden bepaald. Hij verliest dus het recht op de specifieke steun "akkerbouwgewassen" en op de corresponderende steun voor "braakgelegde oppervlakten", hoewel hij zich alleen, en te goeder trouw, ter zake van de oppervlakte van de braakgelegde percelen met meer dan 20 % heeft vergist. De dubbele functie van de braakleggingsverplichting is dus perfect toegelicht.(41)
63 Bij de tweede reeks uitzonderingen horen twee sancties; zij betreft alleen het geval van de aangever die opzettelijk of door grove nalatigheid een onjuiste aangifte doet.(42)
- Indien de landbouwer door grove nalatigheid een onjuiste aangifte heeft ingediend, wordt hij uitgesloten van de toepassing van de betrokken steunregeling voor het betrokken kalenderjaar(43), ongeacht het verschil tussen de na controle geconstateerde en de aangegeven oppervlakte;
- bij opzettelijk onjuiste aangifte daarentegen wordt dezelfde sanctie opgelegd als bij onjuiste aangifte ten gevolge van grove nalatigheid, en wordt de belanghebbende bovendien uitgesloten van alle steunregelingen voor het volgende kalenderjaar voor een oppervlakte die gelijk is aan die waarvoor zijn steunaanvraag is afgewezen (dat wil zeggen, de door hem aangegeven oppervlakte).(44)
64 In artikel 9, lid 4, is bepaald, hoe de steun moet worden berekend, wanneer er een verschil is tussen de aangegeven oppervlakte en de na controle geconstateerde oppervlakte.
65 Het beginsel is neergelegd in artikel 9, lid 4, eerste alinea, eerste en tweede streepje: de oppervlakten die overeenkomstig lid 1 tot en met 3 zijn bepaald, worden voor de berekening van de steun gebruikt. De bepalingen van artikel 9, lid 4, eerste alinea, eerste en tweede streepje, van verordening nr. 3887/92 moeten worden gelezen in samenhang met die van artikel 9, leden 1 en 2, eerste alinea, eerste zin, waarin de beginselen voor de bepaling van de in aanmerking komende oppervlakte zijn neergelegd in geval van verschil tussen de aangegeven en de geconstateerde oppervlakte.
66 Artikel 9, lid 4, tweede alinea, bevat een uitzondering op het beginsel, ook hier aangegeven door het woord "nochtans". Hier zijn de regels voor de berekening van het steunbedrag bepaald die van toepassing zijn, wanneer het ten gevolge van een te goeder trouw begane vergissing ontstane verschil tussen 3 % en 20 % bedraagt. Deze bepaling moet worden gelezen in samenhang met die van artikel 9, lid 2, eerste alinea, tweede zin, eerste en tweede streepje. Onder de bewoordingen "werkelijk geconstateerde oppervlakte" van de braakgelegde oppervlakte in die bepaling wordt verstaan de na controle en na toepassing van de in artikel 9, lid 2, eerste alinea, tweede zin, eerste en tweede streepje, toegepaste sancties geconstateerde oppervlakte; anders zou de verwijzing naar die bepalingen, die de bepaling van de in aanmerking komende oppervlakte na toepassing van de sancties betreffen, geen zin hebben.
67 Voor andere vergissingen (vergissing te goeder trouw met meer dan 20 %, grove nalatigheid, opzettelijk onjuiste aangifte) is niets bepaald, daar in die gevallen artikel 9, lid 2, tweede en derde alinea, van toepassing is. Aangezien geen in aanmerking komende oppervlakte kan worden bepaald, behoeft geen steunbedrag te worden berekend.
68 De tweede reden die voor de door de Commissie en de regering van het Verenigd Koninkrijk voorgestane uitlegging pleit, is het doel van verordening nr. 1648/95.
69 De bij verordening nr. 1648/95 doorgevoerde hervorming houdt een wijziging in van de sancties die worden opgelegd aan producenten van akkerbouwgewassen die zich in hun aangifte van de braakgelegde percelen te goeder trouw hebben vergist:
"Overwegende dat, ter vereenvoudiging van de sancties betreffende $oppervlakten' en $dieren', de bepalingen inzake de toepassing ervan dienen te worden gewijzigd; dat, aangezien de braakleggingsvoorschriften sinds de vaststelling van verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie, gewijzigd bij verordening (EG) nr. 229/95, zijn gewijzigd, met name door de vaststelling van bepalingen die de overdracht van de braakleggingsverplichting tussen producenten en vrijwillige braaklegging mogelijk maken, er aanleiding is de sancties te wijzigen (...)"(45)
70 Artikel 9, lid 4, sub a, tweede alinea, van de litigieuze verordening is dienovereenkomstig gewijzigd als volgt:
"De oppervlakte die maximaal in aanmerking komt voor de compensatiebedragen die worden betaald aan de producenten van akkerbouwgewassen, wordt berekend op basis van de feitelijk geconstateerde braakgelegde oppervlakte en naar rata van de verschillende teelten."
71 De door NFU(46) voorgestelde uitlegging van artikel 9, leden 2 tot en met 4, van verordening nr. 3887/92 in haar oorspronkelijke versie strookt volstrekt met de inhoud van de nieuwe tekst. Volgt men de redenering van NFU, dan kom dat erop neer te zeggen, dat de bij verordening nr. 1648/95 doorgevoerde hervorming overbodig was.
72 Het feit alleen dat artikel 9 is gewijzigd, volstaat om te concluderen dat vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1648/95, zo de in de aangifte aangegeven oppervlakte van de braakgelegde percelen de bij controle geconstateerde oppervlakte met meer dan 20 % overtrof, helemaal geen braakgelegde oppervlakte was bepaald, zodat de betrokken exploitanten niet in aanmerking kwamen voor betaling van compensatiebedragen naar rata van de verschillende teelten.
73 Ten slotte beoogt artikel 9, leden 2 tot en met 4, van de litigieuze verordening de verwezenlijking van de doelstellingen die de gemeenschapswetgever wenste te bereiken(47), waar het de naleving garandeert van, enerzijds, de verplichting tot braaklegging van een bepaalde oppervlakte als voorwaarde voor de toekenning van compensatiebedragen "akkerbouwgewassen"(48), en, anderzijds, de verplichting tot aangifte van de percelen, en waar het onregelmatigheden en fraude met betrekking tot die verplichtingen tegengaat.(49)
74 Gelet op het voorgaande geef ik dan ook in overweging, de eerste vraag van de verwijzende rechter bevestigend te beantwoorden.
B - De uitlegging van artikel 9, leden 2 tot en met 4, van verordening nr. 3887/92 na de inwerkingtreding van verordening nr. 1648/95
75 Artikel 9, lid 2, eerste alinea, tweede zin, eerste en tweede streepje, en lid 4, sub a, van de litigieuze verordening zijn bij de verordeningen van 1995(50) gewijzigd als volgt:
"2. - tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter dan 3 % van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 ha en niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte is.(51)
(...)
4. a) De oppervlakten die overeenkomstig de leden 1 tot en met 3 zijn bepaald ten behoeve van de berekening van de steun, worden gebruikt voor de berekening van de grens die geldt voor de in de artikelen 4g en 4h van verordening (EEG) nr. 805/68 bedoelde premies, alsmede voor de berekening van de compenserende vergoeding.
De oppervlakte die maximaal in aanmerking komt voor de compensatiebedragen die worden betaald aan de producenten van akkerbouwgewassen, wordt berekend op basis van de feitelijk geconstateerde braakgelegde oppervlakte en naar rata van de verschillende teelten."(52)
76 Het nieuwe, zoals bij verordening nr. 1648/95 gewijzigde artikel 9 verzacht tot op zekere hoogte de sancties die worden opgelegd aan landbouwers die zich in hun steunaanvragen te goeder trouw vergissen.
77 De sancties die volgens de oude tekst golden in geval van een te goeder trouw begane vergissing over de braakgelegde oppervlakte, leiden niet meer tot toepassing van de straffen voorzien in artikel 9, lid 2, eerste alinea, laatste zin, eerste en tweede streepje, en tweede alinea, van verordening nr. 3887/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1648/95, en dit ongeacht de omvang van de vergissing. In een dergelijk geval wordt de oppervlakte die maximaal in aanmerking komt voor de bepaling van het steunbedrag "akkerbouwgewassen" berekend op basis van de na controle feitelijk geconstateerde braakgelegde oppervlakte en naar rata van de verschillende teelten. Onder "feitelijk geconstateerde braakgelegde oppervlakte" moet dus worden verstaan de oppervlakte die na controle wordt vastgesteld, zonder inaanmerkingneming van de sancties, daar anders deze hervorming haar zin zou worden ontnomen.(53)
78 Ingevolge artikel 2 van verordening nr. 1648/95 zijn deze bepalingen in werking getreden na de feiten waarover de verwijzende rechter zich dient uit te spreken.
79 De inwerkingtreding van verordening nr. 2988/95 is evenwel een element dat de nationale rechter van nut kan zijn.
80 Verordening nr. 2988/95 heeft niet alleen tot doel, de financiële belangen van de Gemeenschappen te vrijwaren en de fraude waardoor deze belangen worden geschaad doeltreffend te bestrijden(54), maar ook erover te waken dat de vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het algemene billijkheidsvereiste en met het evenredigheidsbeginsel.(55)
81 Artikel 2, lid 2, van deze verordening luidt: "Geen administratieve sanctie kan worden opgelegd dan uit kracht van een aan de onregelmatigheid voorafgegaan Gemeenschapsbesluit. Ingeval van latere wijziging van de bepalingen van een Gemeenschapsbesluit waarin administratieve sancties zijn vastgesteld, worden de minder strenge bepalingen met terugwerkende kracht toegepast."(56)
82 Krachtens artikel 1, lid 2, van de verordening wordt onder "onregelmatigheid" verstaan "elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht (...) die bestaat in een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de Gemeenschappen of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen, die rechtstreeks voor rekening van de Gemeenschappen worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave".
83 Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk zijn deze mildere maatregelen niet onmiddellijk van toepassing op de aan de High Court voorgelegde zaak. Haars inziens bevat verordening nr. 2988/95 geen bepaling die deze tekst met terugwerkende kracht toepasselijk maakt op situaties die vóór de vaststelling ervan zijn ontstaan.
84 De Commissie en verzoekster in het hoofdgeding daarentegen betogen, dat in verordening nr. 2988/95 het beginsel is neergelegd, dat de mildere administratieve sancties onmiddellijk van toepassing zijn.
85 Ik deel de mening van de Commissie en NFU, en wel in wezen om twee redenen.
86 In de eerste plaats strookt de door hen voorgestelde uitlegging met het door de gemeenschapswetgever nagestreefde doel. In de tiende overweging van de considerans van de verordening is vermeld, dat "op grond van het algemene billijkheidsvereiste en van het evenredigheidsbeginsel, alsmede in het licht van het $ne bis in idem'-beginsel, onder eerbiediging van het acquis communautaire en van de voorschriften van de specifieke communautaire regelingen die bij de inwerkingtreding van deze verordening bestaan, voorzien moet worden in passende bepalingen om een cumulatie van communautaire financiële sancties en nationale strafsancties ter zake van dezelfde feiten en dezelfde persoon te voorkomen".(57)
87 De wetgever was dus de situaties van vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 2988/95 indachtig en wenste geen met het billijkheids- en evenredigheidsbeginsel strijdige sancties op te leggen. Deze wetgeving heeft niet tot doel, en kan evenmin tot gevolg hebben, dat verworven (dat wil zeggen definitieve) situaties worden gewijzigd; zij ziet op situaties uit het verleden waarvan de gevolgen niet definitief zijn, voor zover de nieuwe bepalingen gunstiger zijn voor de marktdeelnemers.
88 In de tweede plaats staat de litigieuze bepaling in titel I, "Algemene beginselen", van verordening nr. 2988/95. Zij moet aldus worden uitgelegd, dat zij op het specifieke gebied van de bepalingen die de financiële belangen van de Gemeenschappen beogen te beschermen, strekt tot omzetting van het in de meeste Lid-Staten geldende beginsel van de onmiddellijke toepassing van mildere strafrechtelijke of administratieve sancties.
89 Concluderend staat het aan de verwijzende rechter om, in zoverre de door verordening nr. 2988/95 teweeggebrachte hervorming hem gegevens kan verschaffen die nuttig zijn voor de beslechting van het voor hem aanhangige geding(58), rekening te houden met de nieuwe redactie van artikel 9, lid 4, sub a, tweede alinea, van verordening nr. 3887/92.
II - De tweede vraag
90 Deze vraag betreft de uitlegging van artikel 9, leden 2 tot en met 4, van verordening nr. 3887/92, gelezen in samenhang met de bepalingen inzake de steunregeling "dieren", vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1648/95. In wezen vraagt de verwijzende rechter het Hof, of deze bepaling aldus moet worden uitgelegd, dat elke aan "dieren" gekoppelde steun moet worden geweigerd aan exploitanten bij wie naar aanleiding van de door de bevoegde autoriteiten verrichte controle is vastgesteld, dat het feitelijk geconstateerde voederareaal minder groot is dan het in een steunaanvraag $oppervlakten' aangegeven areaal, indien het verschil meer dan 20 % bedraagt, doch geen opzet of grove nalatigheid is vastgesteld.
91 Alle interveniënten zijn het erover eens, dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.
92 Overeenkomstig hetgeen ik hiervoor heb gezegd(59), moet in dat geval slechts één oppervlakte worden aangegeven: het voederareaal.(60) Artikel 9, lid 4, van verordening nr. 3887/92 bepaalt, dat de op die wijze vastgestelde oppervlakte wordt gebruikt "voor de berekening van de grens die geldt voor de in de artikelen 4g en 4h van verordening (EEG) nr. 805/68 bedoelde premies". Deze artikelen van verordening nr. 805/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2066/92, bepalen, dat de toekenning van de speciale premie en van de premie voor zoogkoeien wordt begrensd door de toepassing van het veebezettingsgetal van het betrokken bedrijf. Dit getal geeft de verhouding weer tussen het aantal GVE en het areaal van dat bedrijf dat voor de voedering van de dieren van datzelfde bedrijf wordt gebruikt.
93 Het voederareaal is dus een essentieel element van het systeem, daar het een voorwaarde is om in aanmerking te komen voor de premies.
94 Bovendien bepaalt verordening nr. 2066/92 niet, anders dan bij de aan de producenten van akkerbouwgewassen toegekende compensatiebedragen het geval is, dat het voederareaal als zodanig recht geeft op steun. Bijgevolg heeft een vergissing te goeder trouw die meer dan 20 % van het voederareaal betreft, alleen invloed op de toekenning van de met die oppervlakte verband houdende premies "dieren".
95 Aangezien verordening nr. 1648/95 de situatie van die landbouwers niet heeft gewijzigd, zijn dezelfde sancties van toepassing sedert de inwerkingtreding ervan.
96 Derhalve geef ik in overweging, de tweede vraag bevestigend te beantwoorden. Gezien het antwoord op de eerste en de tweede prejudiciële vraag, raakt de vierde vraag, die een andere mogelijke uitlegging van de litigieuze tekst betreft, zonder voorwerp.
III - De derde en de vijfde vraag
97 De derde prejudiciële vraag is een precisering van de vijfde. De verwijzende rechter verzoekt het Hof om toetsing van de geldigheid van artikel 9, leden 2 tot en met 4, van verordening nr. 3887/92, vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1648/95, met name aan het rechtszekerheidsbeginsel, het non-discriminatiebeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
98 Verzoekster in het hoofdgeding betoogt, dat de in artikel 9, leden 2 tot en met 4, van verordening nr. 3887/92 voorziene sancties, vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1648/95, voor landbouwers die zich in de aangifte van de oppervlakte van de door hen braakgelegde percelen en in de aangifte van het voederareaal te goeder trouw met meer dan 20 % vergissen, in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel, het non-discriminatiebeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
A - De gestelde schending van het rechtszekerheidsbeginsel
99 Verzoekster in het hoofdgeding is van mening, dat het gebrek aan duidelijkheid van artikel 9, lid 2, tweede alinea, vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1648/95, er de oorzaak van is dat haar het recht op de betrokken steun is ontzegd.
100 Het is vaste rechtspraak van het Hof, dat het rechtszekerheidsbeginsel een fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht is(61), hetwelk onder meer verlangt, dat een regeling waarbij aan de belastingplichtige lasten worden opgelegd, duidelijk en nauwkeurig omschreven is, opdat de belastingplichtige ondubbelzinnig zijn rechten en verplichtingen kan kennen.(62)
101 In de onderhavige zaak zijn de zin van de litigieuze bepalingen en de gevolgen van de toepassing ervan, wat betreft de sancties die van toepassing zijn op veehouders die zich in hun aangifte van het voederareaal te goeder trouw met meer dan 20 % vergissen, duidelijk.(63) Wat daarentegen de landbouwers betreft die zich te goeder trouw met meer dan 20 % vergissen in hun aangifte van de braakgelegde percelen, is het juist, dat de betrokken regeling complex en alleen maar na aandachtige lezing te begrijpen is, en wel om twee soorten redenen.
102 In de eerste plaats bemoeilijken de onhandige redactie en de formele presentatie de lezing van de tekst. Zo is het mijns inziens enigszins ongelukkig, dat een en dezelfde alinea zowel een beginsel als een uitzondering bevat(64); omgekeerd valt te betreuren, dat de verschillende sancties op te goeder trouw begane vergissingen niet in één alinea zijn ondergebracht.(65) Deze redactie bemoeilijkt ongetwijfeld een snel begrip van de litigieuze tekst, zodat bij NFU terecht twijfel omtrent de eerbiediging van het rechtszekerheidsbeginsel kon rijzen. Mijns inziens maken deze louter formele gebreken de inhoud van de tekst evenwel niet "dubbelzinnig". NFU toont dat overigens niet aan, voor zover de door haar voorgestelde uitlegging klaarblijkelijk voorschriften aan de tekst toevoegt die deze niet bevat.
103 Voorts en bovenal is de tekst zo droog omdat de materie zo technisch is. De Commissie merkt terecht op, dat het communautaire landbouwrecht complex is door het voorwerp ervan, daar het enerzijds bestaat uit een geheel van wettelijke bepalingen die elkaar vaak in meerdere of mindere mate overlappen, en anderzijds de tenuitvoerlegging ervan de beoordeling van delicate economische situaties impliceert. Een bondige, nauwkeurige en tegelijkertijd volledige redactie is dan ook moeilijk te verwezenlijken.
104 Dit recht is echter gericht tot beroepsmensen die met de materie vertrouwd zijn en er zich dagelijks mee bezighouden, en men mag aannemen dat wat voor een leek moeilijk te begrijpen is, voor een specialist minder moeilijkheden oplevert. Artikel 9, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 3887/92 is geen uitzondering op die regel. Wanneer deze bepaling snel en geïsoleerd wordt gelezen, is zij moeilijk te begrijpen; wordt zij daarentegen minutieus gelezen, dan worden de zin en de gevolgen van de toepassing ervan duidelijk. Ter terechtzitting heeft de Commissie overigens opgemerkt, dat de betrokken bepalingen in de meeste Lid-Staten kennelijk zonder problemen worden toegepast.
105 Ik concludeer dan ook, dat het rechtszekerheidsbeginsel niet is geschonden.
B - De schending van het beginsel van gelijke behandeling
106 Verzoekster in het hoofdgeding betoogt, dat krachtens artikel 9, lid 2, tweede alinea, van de litigieuze verordening dezelfde sancties kunnen worden opgelegd als die welke gelden voor landbouwers die vergissingen van andere aard en intensiteit begaan, wat haars inziens in strijd met het beginsel van gelijke behandeling is.
107 Zij stelt, dat in het geval van de landbouwer die slechts één soort akkerbouwgewas teelt waarvoor hij één soort steun vraagt, alsook in het geval van de rundveehouder die alleen die activiteit verricht en daarvoor alleen de bijzondere steun "dieren" vraagt, een te goeder trouw begane vergissing die betrekking heeft op meer dan 20 % van de oppervlakte van de braakgelegde percelen of van het voederareaal, dezelfde gevolgen heeft(66) als de sanctie die is opgelegd aan de landbouwer of de veehouder die door grove nalatigheid een onjuiste aangifte van de oppervlakten heeft ingediend.(67) Deze sanctie bestaat in verval van het recht op steun "oppervlakten" of "dieren" voor het lopende kalenderjaar, de facto voor eerstgenoemden, in rechte voor laatstgenoemden.
108 Zij merkt op, dat het echter niet om dezelfde vergissing gaat, daar in het eerste geval de landbouwer geen fout begaat, en in het tweede geval wel, en dat deze vergissingen, ongeacht de aard en de ernst ervan, niettemin dezelfde gevolgen hebben. Zij leidt daaruit af, dat het algemene gemeenschapsrechtelijke beginsel van gelijke behandeling is geschonden.
109 Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het in artikel 40, lid 3, EG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod slechts een specifieke uitwerking van het algemene beginsel van gelijke behandeling, volgens hetwelk, behoudens objectieve rechtvaardiging, vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk mogen worden behandeld.(68)
110 Gelijk de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie opmerken, zijn de voorwaarden voor toepassing van de sancties op de hierboven door NFU beschreven verschillende soorten landbouwers niet vergelijkbaar.
111 Ingevolge artikel 9, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 3887/92 wordt de door de landbouwer voor een specifiek akkerbouwgewas aangevraagde steun slechts afgewezen, wanneer hij zich in de aangifte van de braakgelegde percelen met meer dan 20 % vergist, of wanneer deze overschatting betrekking heeft op de aangifte van een bijzonder akkerbouwgewas. Ook aan de veehouder wordt de bijzondere steun "dieren" slechts geweigerd, wanneer hij zich in de aangifte van het voederareaal met meer dan 20 % vergist.
112 Ingevolge artikel 9, lid 2, derde alinea, eerste streepje, van de litigieuze verordening daarentegen worden de landbouwer en de veehouder van de gevraagde steun uitgesloten, wanneer zij door grove nalatigheid een onjuiste aangifte hebben ingediend, en zulks ongeacht de omvang waarmee de aangegeven oppervlakte de na controle geconstateerde oppervlakte overtreft.
113 Uit het voorgaande volgt, dat de situatie van de twee door NFU bedoelde soorten landbouwers niet vergelijkbaar is en niet op dezelfde wijze wordt behandeld.
114 Bijgevolg faalt het middel ontleend aan schending van het non-discriminatiebeginsel.
C - Het middel ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel
115 NFU en de regering van het Verenigd Koninkrijk betogen, dat de bij artikel 9, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 3887/92 opgelegde sancties zich niet verdragen met het evenredigheidsbeginsel.
116 Dit algemene beginsel van gemeenschapsrecht vereist, dat handelingen van de gemeenschapsinstellingen niet verder gaan dan wat passend en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, met dien verstande, dat wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, de maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel.(69)
117 Tevens is het vaste rechtspraak, dat waar het om de beoordeling van een ingewikkelde economische situatie gaat, wat met betrekking tot het gemeenschappelijk landbouwbeleid het geval is, de gemeenschapsinstellingen over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken.(70) Bij zijn controle op de rechtmatige uitoefening van een dergelijke bevoegdheid moet de rechter zich dus beperken tot de vraag, of er in zoverre geen sprake is geweest van kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid dan wel of het betrokken gezagsorgaan de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid niet kennelijk heeft overschreden.(71)
118 Is de sanctie bestaande in het verlies van alle steun "oppervlakten" wanneer de landbouwer zich te goeder trouw met meer dan 20 % heeft vergist in de aangifte van de oppervlakte van de braakgelegde percelen of van het voederareaal, niet kennelijk ongeschikt ter bereiking van de nagestreefde doelstellingen?
119 Met betrekking tot de doelstellingen van de litigieuze maatregel blijkt uit de betrokken verordening, dat die maatregel een doeltreffende preventie en bestraffing van onregelmatigheden en fraude beoogt en dat daartoe volgens de gemeenschapswetgever diende te worden voorzien in sancties die zijn gedifferentieerd al naar gelang de ernst van de onregelmatigheid en die gaan tot algehele uitsluiting van de mogelijkheid om voor het betrokken jaar en het daaropvolgende jaar van een regeling gebruik te maken.(72)
120 Uit deze doelstellingen blijkt dus, dat totale uitsluiting van steun de zwaarste straf van de sanctieschaal is. Volgens de gemeenschapswetgever mag die sanctie uitsluitend op de ernstigste gedragingen worden toegepast.
121 Er zijn drie soorten laakbaar gedrag opgesomd waaraan de landbouwer zich bij aangifte van de oppervlakten schuldig kan maken: vergissing te goeder trouw, grove nalatigheid en opzettelijk onjuiste aangifte.
122 Het staat buiten kijf, dat een landbouwer die zich te goeder trouw, dus zonder bedoeling te frauderen, vergist, zich niet oneerlijk gedraagt, en dat het in dat geval onverenigbaar met de nagestreefde doelstellingen is, en dus noodzakelijkerwijs en kennelijk inadequaat, hem een van de zwaarst mogelijke sancties op te leggen.(73)
123 Bovendien stelt de litigieuze bepaling, waar zij dezelfde sancties oplegt aan landbouwers die onregelmatigheden van verschillende aard hebben begaan, de eerlijke landbouwer gelijk met de landbouwer die onzorgvuldig of te kwader trouw is. Anders gezegd, vanaf een bepaalde vergissingsdrempel wordt op de landbouwer die te goeder trouw is een vermoeden van kwade trouw gelegd, wat in strijd is met de bewoordingen van de bepaling.(74)
124 Aangezien de in casu aan de betrokkenen verweten onregelmatigheden van sterk verschillende aard zijn, had de gemeenschapswetgever daar rekening mee moeten houden.(75)
125 Artikel 9, lid 2, van de litigieuze verordening vormt dus geen trouwe weergave van de door de gemeenschapswetgever nagestreefde doelstellingen.
126 Ten slotte kunnen mijns inziens ter bereiking van die doelstellingen ook andere, even doeltreffende en minder belastende maatregelen worden vastgesteld. Zo zou bijvoorbeeld kunnen worden voorzien, dat bij gebreke van kwade trouw bij de landbouwer en boven een bepaald verschil tussen de aangegeven en de na controle vastgestelde oppervlakte, slechts een forfaitaire, op gemeenschapsniveau bepaalde steun wordt uitgekeerd.
127 Bijgevolg ben ik van mening, dat het middel ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel gegrond is.
128 Derhalve geef ik het Hof in overweging, artikel 9, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 3887/92 (in de vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1648/95 geldende versie) ongeldig te verklaren.
Conclusie
129 Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de door de verwijzende rechter gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
"1) Artikel 9, leden 2 tot en met 4, van verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, in de versie die gold vóór de inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 1648/95 van de Commissie van 6 juli 1995 tot wijziging van verordening nr. 3887/92, moet aldus worden uitgelegd, dat het de betaling van alle aan de oppervlakten gekoppelde steun verbiedt aan landbouwers bij wie is vastgesteld, dat het verschil tussen de werkelijk geconstateerde braakgelegde oppervlakte en de in de steunaanvraag aangegeven oppervlakte meer dan 20 % bedraagt, ook zonder dat daarbij opzet of grove nalatigheid in het spel is.
2) Artikel 9, leden 2 tot en met 4, van verordening nr. 3887/92, in de versie die gold vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1648/95, moet aldus worden uitgelegd, dat het de betaling van iedere premie voor runderen verbiedt aan landbouwers bij wie is vastgesteld dat het feitelijk geconstateerde voederareaal meer dan 20 % kleiner is dan de in de steunaanvraag $oppervlakten' aangegeven oppervlakte, ook zonder dat daarbij opzet of grove nalatigheid in het spel is.
3) Artikel 9, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 3887/92, in de versie die gold vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1648/95, is ongeldig waar het de betaling van alle aan de oppervlakte gekoppelde steun en iedere premie voor runderen verbiedt aan landbouwers die zich in de aangifte van de braakgelegde oppervlakte en in de aangifte van het voederareaal met meer dan 20 % vergissen, wanneer daarbij geen opzet of grove nalatigheid in het spel is."
(1) - PB 1992, L 391, blz. 36.
(2) - Tweede overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PB 1992, L 181, blz. 12); eerste en vierde overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 2066/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 805/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 468/87 tot vaststelling van de algemene voorschriften van het stelsel van de speciale premie voor producenten van rundvlees, alsmede van verordening (EEG) nr. 1357/80 tot instelling van een premieregeling voor het aanhouden van het zoogkoeienbestand (PB 1992, L 215, blz. 49).
(3) - Tweede overweging van de considerans van de verordeningen nrs. 1765/92 en 2066/92.
(4) - Dertiende overweging van de considerans van verordening nr. 1765/92.
(5) - Tiende overweging van de considerans van verordening nr. 2066/92.
(6) - Zevende overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB 1992, L 355, blz. 1); derde en vierde overweging van de considerans van de litigieuze verordening.
(7) - Eerste overweging van de considerans van verordening nr. 3508/92; negende overweging van verordening nr. 3887/92.
(8) - Verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB 1968, L 148, blz. 24).
(9) - Verordening (EEG) nr. 3886/92 van de Commissie van 23 december 1992 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake de premieregelingen waarin is voorzien bij verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 1244/82 en (EEG) nr. 714/89 (PB 1992, L 391, blz. 20).
(10) - Dit wil zeggen, steun waarvan de regeling gekoppeld is aan de aangifte van de oppervlakte van de landbouwpercelen.
(11) - Tweede overweging van de considerans van verordening nr. 1765/92.
(12) - Vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 1765/92.
(13) - Elfde en twaalfde overweging van de considerans van verordening nr. 1765/92.
(14) - Volgens de zestiende overweging van de considerans van verordening nr. 1765/92 daarentegen geldt voor de kleine producenten geen braakleggingsverplichting.
(15) - Dertiende overweging van de considerans van verordening nr. 1765/92; cursivering van mij.
(16) - Veertiende overweging van de considerans van verordening nr. 1765/92; cursivering van mij.
(17) - Vijftiende overweging van de considerans van verordening nr. 1765/92.
(18) - Eerste overweging van de considerans van verordening nr. 3887/92.
(19) - Eerste overweging van de considerans van verordening nr. 3508/92.
(20) - Derde overweging van de considerans van verordening nr. 3508/92 en zevende overweging van de considerans van de litigieuze verordening.
(21) - Negende overweging van de litigieuze verordening.
(22) - Eerste overweging van de considerans van verordening nr. 3887/92.
(23) - Dit wil zeggen, het gewas- of vegetatietype of het ontbreken van een gewas.
(24) - Artikelen 6-16 van de litigieuze verordening.
(25) - Verordening (EG) nr. 229/95 van de Commissie van 3 februari 1995 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3887/92, en van verordening (EG) nr. 762/94 (PB 1995, L 27, blz. 3).
(26) - Verordening (EG) nr. 1648/95 van de Commissie van 6 juli 1995 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3887/92 (PB 1995, L 156, blz. 27).
(27) - Derde overweging van de considerans van verordening nr. 229/95; cursivering van mij.
(28) - Cursivering van mij.
(29) - Zie punten 78-89 van mijn conclusie.
(30) - Zie de verwijzingsbeschikking.
(31) - Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB 1995, L 312, blz. 1).
(32) - Vaste rechtspraak sedert het arrest van 5 februari 1963 (zaak 26/62, Van Gend en Loos, Jurispr. 1963, blz. 3).
(33) - Artikelen 2 en 7.
(34) - Ibidem, artikel 2, lid 5, tweede alinea.
(35) - Punt 50 van deze conclusie.
(36) - Artikel 9, lid 2, eerste alinea, eerste zin, van verordening nr. 3887/92.
(37) - Ibidem, artikel 9, lid 2, eerste alinea, tweede zin, eerste en tweede streepje, en tweede alinea, enerzijds, en artikel 9, lid 2, derde alinea, eerste en tweede streepje, anderzijds.
(38) - Ibidem, artikel 9, lid 2, eerste alinea, tweede zin, eerste en tweede streepje, en tweede alinea, van verordening nr. 3887/92.
(39) - Ibidem, artikel 9, lid 2, tweede alinea.
(40) - Punt 50 van deze conclusie.
(41) - Zie punten 14-17 van deze conclusie.
(42) - Artikel 9, lid 2, derde alinea, eerste en tweede streepje, van verordening nr. 3887/92.
(43) - Ibidem, artikel 9, lid 2, derde alinea, eerste streepje.
(44) - Ibidem, artikel 9, lid 2, derde alinea, tweede streepje.
(45) - Vierde overweging van de considerans van verordening nr. 1648/95; cursivering van mij.
(46) - Zie punt 53 van deze conclusie.
(47) - Zie punten 3-6 van deze conclusie.
(48) - Zie punt 14 van deze conclusie.
(49) - Zie punt 24 van deze conclusie.
(50) - Verordeningen nrs. 229/95 en 1648/95.
(51) - Wijziging aangebracht bij artikel 1, punt 5, van verordening nr. 1648/95.
(52) - Wijziging aangebracht bij artikel 1, punt 6, van verordening nr. 1648/95.
(53) - In tegenstelling tot de betekenis van deze bewoordingen in de oude tekst; zie punt 66 van deze conclusie.
(54) - Derde, vierde, vijfde en zesde overweging van de considerans van verordening nr. 2988/95.
(55) - Ibidem, tiende overweging van de considerans.
(56) - Cursivering van mij.
(57) - Cursivering van mij.
(58) - Zie punt 45 van deze conclusie.
(59) - Zie punten 9, 10 en 15 van deze conclusie.
(60) - Artikel 9, lid 3, van verordening nr. 3887/92.
(61) - Zie in die zin arrest van 21 september 1983 (gevoegde zaken 205/82-215/82, Deutsche Milchkontor e.a., Jurispr. 1983, blz. 2633).
(62) - Arresten van 9 juli 1981 (zaak 169/80, Gondrand Frères en Garancini, Jurispr. 1981, blz. 1931), 22 februari 1989 (gevoegde zaken 92/87 en 93/87, Commissie/Frankrijk en Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1989, blz. 405, r.o. 22) en, recentelijk, 13 februari 1996 (zaak C-143/93, Van Es Douane Agenten, Jurispr. 1996, blz. I-431, r.o. 27).
(63) - Zie punten 92-96 van deze conclusie.
(64) - Artikel 9, lid 2, eerste alinea, van de litigieuze verordening.
(65) - De sancties opgelegd aan een landbouwer die zich te goeder trouw vergist in de aangifte van de oppervlakte, zijn te vinden in artikel 9, lid 2, eerste alinea, tweede zin, eerste en tweede streepje, enerzijds, en in artikel 9, lid 2, tweede alinea, van de litigieuze verordening, anderzijds.
(66) - Artikel 9, lid 2, tweede alinea, van de litigieuze verordening.
(67) - Artikel 9, lid 2, derde alinea, eerste streepje, van de litigieuze verordening.
(68) - Zie laatstelijk arrest van 12 december 1996 (zaak C-241/95, Accrington Beef e.a., Jurispr. 1996, blz. I-6699, r.o. 49).
(69) - Zie bijvoorbeeld arrest van 29 februari 1996 (gevoegde zaken C-296/93 en C-307/93, Frankrijk en Ierland/Commissie, Jurispr. 1996, blz. I-795, r.o. 22 en 30).
(70) - Zie met name arrest van 20 oktober 1977 (zaak 29/77, Roquette Frères, Jurispr. 1977, blz. 1835, r.o. 19 en 20).
(71) - Arrest Frankrijk en Ierland/Commissie, reeds aangehaald, r.o. 31.
(72) - Negende overweging van de considerans van de litigieuze verordening.
(73) - Wat het geval is voor de landbouwers die zich in de in punt 107 van deze conclusie beschreven situaties bevinden.
(74) - Zie de punten 61 en 63 van deze conclusie.
(75) - Naar analogie, zie met name arrest van 17 september 1996 (gevoegde zaken C-246/94, C-247/94, C-248/94 en C-249/94, Cooperativa Zootecnica S. Antonio e.a., Jurispr. 1996, blz. I-4373, r.o. 32).
Full & Egal Universal Law Academy