Conclusie van de advocaat generaal
1 Het Schleswig-Holsteinische Oberverwaltungsgericht(1) legt het Hof twee prejudiciële vragen voor over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen(2), en meer in het bijzonder van artikel 3, lid 1, eerste alinea, ervan.
Het gaat in wezen om een precisering van de draagwijdte van de bevoegdheid van de Lid-Staten om het in die bepaling bedoelde regioplan op te stellen. Deze vraag heeft een zeker praktisch belang, aangezien het plan niet alleen bepalend is voor de toekenning van steun voor akkerbouwgewassen of uit productie genomen oppervlakte, die in het kader van de regeling van verordening nr. 1765/92 aan de landbouwers wordt betaald, maar ook voor het bedrag ervan.
Feiten en procedure
2 Het Amt für Land- und Wasserwirtschaft, verweerder in het hoofdgeding, kende Witt, verzoeker in het hoofdgeding, die een landbouwbedrijf heeft in de Duitse deelstaat Schleswig-Holstein, voor het verkoopseizoen 1993/1994 compensatiebedragen toe ten belope van 73 323,93 DM, voor graan, eiwithoudende gewassen en oliehoudende zaden en voor de braaklegging van grond.
3 Nadat zijn administratief beroep tegen dit besluit was afgewezen, diende Witt bij het Verwaltungsgericht een vordering in tot nietigverklaring van het besluit en tot veroordeling van verweerder tot betaling van 11 961 DM als bijkomend compensatiebedrag.
4 Tot staving van zijn verzoek betoogde hij, dat de verordening hem rechtstreeks aanspraak verleende op een hoger compensatiebedrag dan het hem toegekende, en dat elke Lid-Staat overeenkomstig de verordening een regioplan diende op te stellen, dat ruimte laat voor structurele kenmerken die van invloed zijn op de opbrengsten, zoals bijvoorbeeld de bodemvruchtbaarheid. Volgens Witt zou alleen een indeling naar gelang van natuurlijke of minder vruchtbare gebieden in overeenstemming zijn met de vereisten van de verordening.
5 Verweerder concludeerde tot afwijzing van de vordering, waarbij hij zich beriep op de ruime beoordelingsvrijheid van de Lid-Staten ter zake en op het feit dat een onderlinge afbakening van de natuurlijke gebieden juridisch niet mogelijk was.
6 Bij vonnis van 6 oktober 1994 wees het Verwaltungsgericht het beroep van Witt af.
7 Op 18 november 1994 stelde verzoeker tegen dit vonnis hoger beroep in bij het Oberverwaltungsgericht, dat van oordeel is dat de oplossing van het geding afhankelijk is van de verenigbaarheid van het bestreden besluit met artikel 3, lid 1, van de verordening. Omdat het twijfels heeft over de uitlegging van deze bepaling, legt het het Hof de volgende twee prejudiciële vragen voor:
"1) Is een Lid-Staat krachtens artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, gerechtigd afzonderlijke productieregio's te bepalen zonder de in dit opzicht beslissende $criteria' aan te geven?
2) Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: is een Lid-Staat die overeenkomstig artikel 2, lid 2, tweede alinea, derde zin, van genoemde verordening niet zijn totale grondgebied, maar - zoals de Bondsrepubliek Duitsland - slechts delen daarvan als basisareaal heeft aangewezen, in beginsel gerechtigd het gebied van het betrokken basisareaal overeenkomstig artikel 3, lid 1, eerste alinea, van de verordening in zijn geheel eveneens als productieregio met een uniforme gemiddelde graanopbrengst aan te wijzen? In welke gevallen vereisen de $specifieke kenmerken die van invloed zijn op de opbrengsten, zoals bijvoorbeeld de bodemvruchtbaarheid' bij de aangegeven uitgangssituatie een verdere opsplitsing van basisarealen in afzonderlijke productieregio's, elk met haar afzonderlijke gemiddelde graanopbrengst?"
De toepasselijke regelingen
De gemeenschapsbepalingen
8 In 1992 is het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna: "GLB") grondig hervormd, onder meer door de invoering of wijziging van een aantal steunregelingen voor akkerbouwgewassen of voor braaklegging. Deze hervorming streefde in wezen twee doelstellingen na. Het eerste doel was het beheersen van de stijging van de financiële kosten van het GLB, het tweede doel het vermijden van overproductie door vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen.
9 Verordening nr. 1765/92, die met ingang van het verkoopseizoen 1993/1994 in werking is getreden, maakt deel uit van deze hervorming en stelt een nieuwe steunregeling voor producten van bepaalde akkerbouwgewassen in, gebaseerd op de voornoemde beginselen. De regeling heeft derhalve tot doel, de overproductie te vermijden, het inkomen van de landbouwers te handhaven op een niveau vergelijkbaar met het tot dan bestaande niveau, en het verzekeren van een beter evenwicht tussen vraag en aanbod op de wereldmarkt voor akkerbouwgewassen.(3)
10 Om deze doelstellingen te bereiken, heeft de gemeenschapswetgever de oude prijsondersteuningsregelingen, waarmee kunstmatig hoge prijzen werden gehandhaafd door middel van interventiemechanismen, vervangen door nieuwe regelingen op basis van de beginselen van aanbodbeheersing en prijsvermindering, tezamen met rechtstreekse hulp aan de landbouwers.(4)
11 Concreet leidde de hervorming van het GLB in de eerste plaats tot een gedeeltelijke (voor granen) of volledige (voor oliehoudende zaden, eiwithoudende gewassen en lijnzaad) scheiding tussen het marktbeleid en het inkomensbeleid. Zo zijn de administratieve steunprijzen aanzienlijk verlaagd voor granen en afgeschaft voor oliehoudende zaden, eiwithoudende gewassen en lijnzaad, waarvan de productieprijzen thans uitsluitend afhankelijk zijn van de prijzen op de wereldmarkt.(5) In de tweede plaats heeft deze hervorming geleid tot een radicale wijziging van de beginselen die de toekenning van steun voor akkerbouwgewassen beheersen. Het inkomensbeleid wordt thans voornamelijk gevoerd door middel van directe steun in de vorm van compensatiebedragen, die worden betaald op basis van de oppervlakte en de opbrengstcapaciteit van de verschillende regio's van de Gemeenschap.(6) Bovendien vormt braaklegging in beginsel een voorwaarde voor de toekenning van compensatiebedragen.(7)
12 Twee soorten steunregelingen voor producenten van akkerbouwgewassen zijn voorzien: een "algemene regeling" voor alle producenten en een "vereenvoudigde regeling" alleen voor kleine producenten.(8) Wat de algemene regeling aangaat, is de wil van de gemeenschapswetgever om de toekenning van compensatiebedragen afhankelijk te maken van de absolute verplichting van braaklegging van een deel van de grond, duidelijk uitgedrukt.(9) Aan de kleine producenten wordt daarentegen geen verplichting tot braaklegging opgelegd.(10)
13 Titel I van de verordening heeft betrekking op het compensatiebedrag.
14 De artikelen 2 en 3 geven op uitputtende wijze de algemene regels voor de toekenning ervan.
15 Artikel 2 bepaalt, dat het compensatiebedrag per hectare wordt vastgesteld en hetzij "naar regio wordt gedifferentieerd" (lid 2, eerste alinea), hetzij "wordt geïndividualiseerd" (lid 3).
16 De Lid-Staten moeten een keuze maken tussen die twee systemen, waarbij het hun vrijstaat hun keuze later te veranderen (lid 4).
17 Concreet worden de "geregionaliseerde"(11) compensatiebedragen slechts toegekend op basis van een oppervlakte en een gemiddelde opbrengst per hectare die voor elke productieregio is vastgesteld. Deze gemiddelde opbrengst per hectare wordt berekend op basis van de opbrengsten in de verkoopseizoenen van 1986/1987 tot en met 1990/1991, waarbij het jaar met de hoogste en dat met de laagste opbrengst buiten beschouwing worden gelaten.(12)
18 Artikel 3, lid 2, eerste alinea, van de verordening bepaalt:
"Voor elke produktieregio moet de Lid-Staat gedetailleerde gegevens verstrekken over het areaal en de opbrengsten van granen, oliehoudende zaden en eiwithoudende gewassen in de betrokken regio in de periode van vijf jaar van 1986/1987 tot en met 1990/1991. Voor elke regio wordt een gemiddelde graanopbrengst en indien mogelijk opbrengst van oliehoudende zaden per ha berekend, waarbij het jaar met de hoogste en dat met de laagste opbrengst in de betrokken periode buiten beschouwing worden gelaten".(13)
19 De voornoemde productieregio's worden door elke Lid-Staat bepaald overeenkomstig de algemene procedure van artikel 3, lid 1, eerste alinea, dat luidt als volgt:
"Elke Lid-Staat stelt een regioplan op waarin de criteria worden opgenomen voor het bepalen van afzonderlijke produktieregio's. De criteria moeten adequaat en objectief zijn en voldoende flexibel om homogene zones met een bepaalde minimumgrootte te kunnen aanwijzen, en moeten ruimte laten voor specifieke kenmerken die van invloed zijn op de opbrengsten, zoals bijvoorbeeld de bodemvruchtbaarheid, met inbegrip van, waar van toepassing, een gepaste differentiatie tussen bevloeide en niet-bevloeide gebieden. Deze regio's mogen de grenzen van de regionale basisarealen, bedoeld in artikel 2, lid 2, niet overschrijden".(14)
20 De rol van de Commissie bij de opstelling van de regioplannen bestaat er volgens artikel 3, lid 4, in, ze te onderzoeken en erop toe te zien, "dat elk plan gebaseerd is op adequate, objectieve criteria en in overeenstemming is met de beschikbare historische gegevens. De Commissie kan bezwaar maken tegen plannen die niet beantwoorden aan de bovengenoemde criteria, in het bijzonder die met betrekking tot de gemiddelde opbrengst in de Lid-Staat. In dat geval moeten de plannen door de betrokken Lid-Staat worden bijgesteld na overleg met de Commissie".(15) Door deze bepaling neemt de Commissie actief deel aan de bepaling van de oppervlakten die in aanmerking komen voor de door de bestreden verordening ingevoerde compensatiebedragen.
De nationale bepalingen
21 Volgens § 3, lid 1, van de Verordnung über eine Stützungsregelung für Erzeuger bestimmter landwirtschaftlicher Kulturpflanzen (Kulturpflanzen-Ausgleichszahlungs-Verordnung) (besluit inzake een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen) van 3 december 1992(16) is elk van de Duitse deelstaten een regionaal basisareaal.
22 De aanvullende opsplitsing van de basisarealen in productieregio's is voor de oogst van het verkoopseizoen 1993/1994 overgelaten aan de bevoegde diensten van elke deelstaat. De lijst van deze regio's is vermeld in de bijlage bij § 3, lid 2, KVO (hierna: "bestreden nationale bepaling").
23 In de deelstaat Schleswig-Holstein vallen het regionale basisareaal en de productieregio samen.
24 De minister van Voedselvoorziening, Land- en bosbouw en Visserij van de deelstaat Schleswig-Holstein gaf de Bondsminister van Voedselvoorziening, Land- en bosbouw in een brief van 16 juli 1992 dienaangaande de volgende toelichting: "Bij gebreke van juridisch hanteerbare afbakeningscriteria (...) was een verdere opsplitsing overeenkomstig artikel 3, lid 1, van de verordening niet mogelijk."(17) Wegens de onmogelijkheid van een opsplitsing volgens de specifieke criteria van voornoemd artikel 3, lid 1, bepaalden de bevoegde regionale autoriteiten de productieregio in de deelstaat op basis van het objectieve criterium van de administratieve grenzen van de deelstaat Schleswig-Holstein.
25 Op 4 augustus 1992 diende de Bondsminister van Voedselvoorziening, Land- en bosbouw het Duitse regioplan in bij de Commissie, tezamen met 37 bladzijden toelichting van de deelstaten.
26 De Commissie zag geen aanleiding het plan te bekritiseren. Volgens haar kwamen de in de verschillende deelstaten vastgestelde opbrengsten per hectare overeen met de cijfers van de statistieken, zowel op het niveau van de deelstaten als op federaal niveau.(18)
De antwoorden
De eerste vraag
27 De verwijzende rechter vraagt het Hof met zijn eerste vraag, of "een Lid-Staat krachtens artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, gerechtigd is afzonderlijke productieregio's te bepalen zonder de in dit opzicht beslissende $criteria' aan te geven".
28 Deze bepaling schrijft uitdrukkelijk voor, dat elke Lid-Staat een regioplan opstelt waarin de criteria voor het bepalen van afzonderlijke productieregio's worden opgenomen.
29 De tekst is duidelijk. Zodra een Lid-Staat heeft gekozen voor een systeem van geregionaliseerde compensatiebedragen(19), moet hij een regioplan opstellen waarin de criteria voor het bepalen van afzonderlijke productieregio's worden vermeld.
30 Het Hof zou de eerste prejudiciële vraag derhalve ontkennend moeten beantwoorden. Het behoeft zich dan niet meer over de tweede vraag uit te spreken, daar deze een bevestigend antwoord op de eerste vraag onderstelt.
31 Het komt mij evenwel voor, dat het voorwerp van de eerste vraag nauwkeuriger is dan uit de formulering ervan blijkt.
32 De verwijzende rechter preciseert immers, dat hij er nauwelijks aan twijfelt, dat de tekst zelf van artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1765/92 de Lid-Staten verplicht de criteria te vermelden op grond waarvan zij de verschillende productieregio's hebben bepaald.(20)
33 Bovendien lijkt de rechter ervan uit te gaan, dat het regioplan, waarin de keuzes van de Bondsrepubliek Duitsland bij de opsplitsing van de regionale basisarealen in productieregio's zijn neergelegd, wel degelijk bij de Commissie is ingediend(21), en dat de bevoegde Duitse autoriteiten bij de opstelling ervan bepaalde criteria hebben gehanteerd. In casu gaat het om het volstrekt objectieve en onbetwistbare criterium van de territoriale grenzen van de deelstaat.(22) Het is evenwel juist de keuze van dat criterium waarom het in de tweede prejudiciële vraag gaat.(23)
34 Indien het Hof zich strikt aan de tekst van de vraag houdt, loopt het derhalve het risico, de nationale rechter elementen te verschaffen die niet nuttig zijn voor de oplossing van het bij hem aanhangige geding, voor zover het Hof dan antwoordt op een vraag waarop hij het antwoord reeds kent.
35 Er lijkt mij evenwel een andere lezing van de eerste vraag mogelijk, en wel op basis van een grondiger analyse van de motivering van de verwijzingsbeschikking.
36 Aan de twee voornoemde vaststellingen(24) heeft de verwijzende rechter immers toegevoegd, dat de betrokken criteria niet worden vermeld in de bijlage bij de bestreden nationale bepaling, en dat juist dat hem doet twijfelen aan de correcte toepassing van artikel 3, lid 1, van de verordening.(25)
37 Hieruit moet dus worden geconcludeerd(26), dat de verwijzende rechter met deze vraag juist wenst te vernemen, of de criteria van een Lid-Staat voor het bepalen van de verschillende productieregio's enkel moeten worden vermeld in het door de Commissie te onderzoeken regioplan, en, of de gemeenschapsbepaling bijgevolg toestaat, dat diezelfde criteria niet worden vermeld in de nationale regelingen die uitvoering geven aan de communautaire voorschriften.
38 Mijns inziens maakt artikel 3, leden 3, 4 en 5, van de in geding zijnde verordening het mogelijk de vragen van de nationale rechter te beantwoorden.
39 Lid 3 preciseert, dat "de Lid-Staten hun regioplan uiterlijk op 1 augustus 1992 bij de Commissie indienen (...)".(27)
40 Lid 4 bepaalt: "De Commissie onderzoekt de door de Lid-Staten ingediende regioplannen en ziet erop toe dat elk plan gebaseerd is op adequate, objectieve criteria en in overeenstemming is met de beschikbare historische gegevens. De Commissie kan bezwaar maken tegen plannen die niet beantwoorden aan de bovengenoemde criteria, in het bijzonder die met betrekking tot de gemiddelde opbrengst in de Lid-Staat. In dat geval moeten de plannen door de betrokken Lid-Staat worden bijgesteld na overleg met de Commissie."(28)
41 Lid 5 luidt als volgt: "De regioplannen kunnen door de betrokken Lid-Staat worden herzien op verzoek van de Commissie of op initiatief van die Lid-Staat overeenkomstig de in de leden 1 tot en met 4 neergelegde procedure."(29)
42 Blijkens de tekst van deze leden is het regioplan bestemd voor de Commissie en heeft de vermelding van de criteria, die door de staten moeten worden vastgesteld, enkel tot doel, de Commissie in staat te stellen na te gaan op welke rechtsgrond de verschillende productieregio's door de Lid-Staten zijn bepaald.
43 Deze uitlegging wordt bevestigd door de vijfde overweging van de considerans van de verordening, volgens welke:
"(...) in het compensatiebedrag de specifieke structurele factoren moeten worden verdisconteerd die van invloed zijn op de opbrengsten, en dat het opstellen van een op objectieve criteria gebaseerd regioplan aan de Lid-Staten moet worden overgelaten; dat in de regioplannen met gemiddelde graanopbrengst moet worden gewerkt; dat de regioplannen coherent moeten zijn met de gemiddelde opbrengsten in elke regio over een bepaalde periode; dat een specifieke procedure moet worden vastgesteld voor het onderzoek van deze plannen op gemeenschapsniveau".
44 In de verordening is daarentegen niet bepaald, dat de Lid-Staten verplicht zijn de bij het opstellen van het regioplan geldende criteria in de nationale uitvoeringsbepalingen te vermelden.
45 Uit een en ander volgt, dat het antwoord op deze vraag bevestigend moet luiden.
De tweede vraag
46 Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of een Lid-Staat gerechtigd is een "regionaal basisareaal" in zijn geheel als "productieregio" aan te wijzen. Bovendien stelt hij het Hof vragen over de gevallen waarin een verdere opsplitsing van basisarealen in afzonderlijke productieregio's verplicht is.
Met deze preciseringen ondervraagt de verwijzende rechter het Hof in wezen over de draagwijdte van de beoordelingsvrijheid van de Lid-Staten bij het bepalen van de productieregio's.
47 Het niet opsplitsen van deze "regio" in meerdere productieregio's alsmede het perfecte samenvallen van het regionaal basisareaal en de productieregio, worden door de bevoegde autoriteiten van de deelstaat Schleswig-Holstein gerechtvaardigd door het ontbreken van betrouwbare cijfers over de historische opbrengst van de verschillende natuurlijke gebieden van de deelstaat. Het criterium van de administratieve grenzen van de deelstaat Schleswig-Holstein is dus gekozen omdat het als voordeel heeft, dat het objectief is en dat betrouwbare statistieken beschikbaar zijn, zowel met betrekking tot de oppervlakte van de bebouwde en de braakliggende gronden als met betrekking tot de gemiddelde historische opbrengst van de verschillende akkerbouwgewassen.
48 Verzoeker brengt tegen deze zienswijze in, dat er ook betrouwbare statistieken van de gemiddelde opbrengst van de akkerbouwgewassen per hectare in de verschillende natuurlijke gebieden(30) tijdens de referentiejaren bestaan. Ter terechtzitting heeft de raadsman van Witt stukken overgelegd die dit zouden bewijzen. De Bondsrepubliek Duitsland betwist deze stelling.
49 Ik ben van mening, dat het onderzoek van deze stukken een zaak van de nationale rechter is. Bovendien meen ik, dat het bewezen bestaan van dergelijke statistieken de Lid-Staat niet automatisch verplicht de deelstaat Schleswig-Holstein in verschillende productieregio's op te delen.
50 Uit de tekst en de doelstellingen van de bestreden verordening blijkt immers, dat de Lid-Staat voor het bepalen van de productieregio's over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt.
51 Het enige gegeven criterium, dat nauwkeurig en kennelijk dwingend is, staat in artikel 3, lid 1, in fine, en luidt als volgt: "Deze regio's mogen de grenzen van de regionale basisarealen, bedoeld in artikel 2, lid 2, niet overschrijden." Uit een analyse van lid 4 blijkt daarentegen het niet dwingende karakter van de andere aanwijzingen in lid 1.(31)
52 Lid 4 bepaalt uitdrukkelijk, dat de Commissie er enkel op toeziet, dat het regioplan "gebaseerd is op objectieve, adequate criteria en in overeenstemming is met de beschikbare historische gegevens".
53 De niet-nakoming van de andere voornoemde criteria(32) wordt niet noodzakelijk door de Commissie gesanctioneerd.
54 Artikel 4, lid 2, preciseert alleen, dat "de Commissie bezwaar kan maken tegen plannen die niet beantwoorden aan de bovengenoemde criteria, in het bijzonder die met betrekking tot de gemiddelde opbrengst in de Lid-Staat. In dat geval moeten de plannen door de betrokken Lid-Staat worden bijgesteld na overleg met de Commissie."(33)
55 Bovendien is de door mij voorgestelde uitlegging van deze bepalingen volledig in overeenstemming met de doelstellingen van de hervorming van het GLB in 1992. Zoals ik reeds heb opgemerkt(34), beoogde de gemeenschapswetgever een scheiding tussen het marktbeleid en het inkomensbeleid. Voorts wenste hij het recht op steun aan de producenten van bepaalde akkerbouwgewassen zeer sterk afhankelijk te maken van de opbrengst in een gegeven regio gedurende een bepaalde periode.(35) Het regioplan van de deelstaat Schleswig-Holstein voldoet precies aan die verplichtingen.
56 Concluderend kan ik zeggen, dat de ruime beoordelingsvrijheid van een Lid-Staat om de productieregio's te bepalen, slechts begrensd is door de uitdrukkelijke verplichting om enerzijds de gemaakte keuze te rechtvaardigen door het bewijs dat zij gebaseerd is adequate, objectieve criteria en in overeenstemming is met de beschikbare historische gegevens(36), en anderzijds in het regioplan geen productieregio op te nemen waarvan de territoriale grenzen de grenzen van het regionaal basisareaal overschrijden.(37)
57 Verzoeker betoogt bovendien, dat het door de autoriteiten van de deelstaat Schleswig-Holstein opgestelde regioplan voor hem tot inkomensverlies heeft geleid, hetgeen niet het geval zou zijn geweest indien zij zich hadden gebaseerd op de statistieken van de historische opbrengsten van de verschillende akkerbouwgewassen, die voor de drie grote natuurlijke gebieden van de deelstaat bestonden.(38) Volgens verzoeker zouden de door hem voorgestelde criteria meer adequaat zijn geweest.
58 Het valt niet te ontkennen, dat de hervorming van het GLB een verschillende invloed kan hebben gehad op individuele producenten, en het is zeer wel mogelijk, dat Witt in het onderhavige geval inkomensverlies heeft geleden door de uitvoering van de verordening in Duitsland. In het kader van een beroep tot nietigverklaring van de verordening heeft het Hof evenwel reeds geoordeeld, dat deze onvermijdelijke gevolgen toch geen kritiek uitlokken, omdat "het landbouwbeleid de vaststelling meebrengt van gemeenschappelijke regels die voor de producenten verschillende gevolgen kunnen hebben, al naar gelang de individuele oriëntatie van hun produktie of de plaatselijke omstandigheden, maar die toch niet kunnen worden beschouwd als een krachtens artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag verboden discriminatie, wanneer zij berusten op objectieve criteria die zijn aangepast aan de behoeften van de algemene werking van de gemeenschappelijke ordening".(39)
59 Daarentegen staat vast, dat het door de regionale autoriteiten van de deelstaat Schleswig-Holstein gebruikte administratieve criterium een objectief criterium is en dat de statistieken betreffende de historische opbrengsten in die regio, die door de Duitse autoriteiten zijn overgelegd, betrouwbaar zijn. Deze twee punten worden door verzoeker niet betwist. Ik moet derhalve concluderen, dat de Bondsrepubliek Duitsland heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 3, leden 1, 3 en 4, van de in geding zijnde verordening.
60 Bijgevolg geef ik het Hof in overweging, de tweede vraag te beantwoorden als volgt: artikel 3, lid 1, moet aldus worden uitgelegd, dat een productieregio een volledig regionaal basisareaal kan omvatten en dat het in aanmerking nemen van een criterium, ontleend aan de "specifieke kenmerken die van invloed zijn op de opbrengsten", die tot een verdere opsplitsing van de regionale basisarealen in verschillende productieregio's met uiteenlopende gemiddelde graanopbrengsten nopen, slechts gerechtvaardigd is voor zover dat criterium meer adequaat is.
Conclusie
61 Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging, de vragen van het Schleswig-Holsteinische Oberverwaltungsgericht te beantwoorden als volgt:
"1) Artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, moet aldus worden uitgelegd, dat het de Lid-Staten toestaat verschillende productieregio's te bepalen zonder de $criteria' ter zake aan te geven in de nationale uitvoeringsbepalingen van de communautaire voorschriften.
2) Voornoemd artikel 3, lid 1, eerste alinea, moet in een geval als dat van het hoofdgeding aldus worden uitgelegd, dat een Lid-Staat die overeenkomstig artikel 2, lid 2, tweede alinea, van genoemde verordening niet zijn volledige grondgebied, maar wel de verschillende delen daarvan als regionaal basisareaal heeft aangemerkt, gerechtigd is het gebied van elk regionaal basisareaal in zijn geheel als productieregio aan te wijzen, zonder het verder op te splitsen. Het in aanmerking nemen van het criterium ontleend aan de $specifieke structurele kenmerken die van invloed zijn op de opbrengsten', dat tot een verdere opsplitsing van de regionale basisarealen in verschillende productieregio's met uiteenlopende gemiddelde graanopbrengsten noopt, is slechts gerechtvaardigd voor zover dat criterium meer adequaat is."
(1) - Hierna: "Oberverwaltungsgericht".
(2) - PB 1992, L 181, blz. 12; hierna ook: "verordening" of "in geding zijnde verordening".
(3) - Tweede overweging van de considerans van de bestreden verordening.
(4) - Ibid.
(5) - Punt 17 van de opmerkingen van de Commissie.
(6) - Vijfde overweging van de considerans van de bestreden verordening.
(7) - Ibid., dertiende overweging van de considerans. Onder "compensatiebedrag" moet "steun voor akkerbouwgewassen en braaklegging" worden verstaan.
(8) - Ibid., elfde en twaalfde overweging van de considerans, en artikel 8.
(9) - Ibid., dertiende en veertiende overweging van de considerans.
(10) - Ibid., zestiende overweging van de considerans, en artikel 2, lid 5.
(11) - Dit is de keuze van de Bondsrepubliek Duitsland.
(12) - Deze opbrengsten worden ook "historische opbrengsten" genoemd.
(13) - Cursivering van mij.
(14) - Cursivering van mij.
(15) - Cursivering van mij.
(16) - BGBl. I, 1992, blz. 1991; hierna: "KVO".
(17) - Punt 8 van de opmerkingen van de Commissie.
(18) - Punt 9 van de opmerkingen van de Commissie.
(19) - Zie supra, punten 15-19.
(20) - Negende alinea van punt II van de Nederlandse vertaling van de verwijzingsbeschikking.
(21) - Ibid., vijfde alinea van punt I van voornoemde beschikking.
(22) - Zie punt 24 van deze conclusie.
(23) - Zie punten 46 e.v. van deze conclusie.
(24) - De afwezigheid van dubbelzinnigheid in de tekst van de gemeenschapsbepaling, en de opstelling van een regioplan op basis van bepaalde criteria, over de rechtmatigheid waarvan hij zich vragen stelt.
(25) - Vijfde, zesde en negende alinea van punt II van de verwijzingsbeschikking.
(26) - De opmerkingen van de Bondsrepubliek Duitsland en van verzoeker lijken in dezelfde richting te gaan.
(27) - Cursivering van mij.
(28) - Ibid.
(29) - Ibid.
(30) - Het gaat om de Marsch, de Geest en het Ostholsteinische Hügelland.
(31) - Vermeld in punt 19 van deze conclusie.
(32) - Ibid.
(33) - Cursivering van mij.
(34) - Zie punt 11 van deze conclusie.
(35) - Zie punt 17 van deze conclusie.
(36) - Artikel 3, leden 1 en 4, vermeld in punt 19 respectievelijk punt 40.
(37) - Artikel 3, lid 1, in fine.
(38) - Het bestaan van deze statistieken wordt betwist door de Bondsrepubliek Duitsland, en de Commissie wijst erop, dat zij er nooit kennis van heeft genomen.
(39) - Arrest van 14 juli 1994, zaak C-353/92, Griekenland/Raad, Jurispr. 1994, blz. I-3411, r.o. 25.
Full & Egal Universal Law Academy